Geldwisselaars zaten in de tempel
voorhoven en het is onwaarschijnlijk, dat de tempelschat Romeinse munten
bevatte, met zo’n makkelijke manier om te wisselen bij de hand
Lucas
16: 13. "Geen slaaf kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten
en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten and de andere
minachten; gij kunt niet God dienen en Mammon." (other translations
read 'money'). (Tenzij anders vermeld, al Bijbel verwijzingen zijn
genomen van de Nieuwe Vertaling - N.B.G. 1990)
Matteus 6: 19-21. "Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en
roest vernielen en dieven inbreken en stelen. Maar verzamelt u schatten
in den hemel, waar mot noch roest vernielt en dieven inbreken noch
stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn."[Leidse
Vertaling]
Het is gemakkelijk genoeg om een of twee versen 'weg te redeneren' om
te komen tot een conclusie die wij willen. Maar wat gij nu gaat lezen
is meer dan een of twee versen.....De Bijbelse leer over geld is
duidelijk, constant, en radikaal. Alles is geeist, en het vlees moet
sterven om te gehoorzamen.EERST
EVEN: Munten-soortenHet
is vaak heel moeilijk om precies aan te geven hoeveel de bijbelse
munten waard zijn in onze euro’s. Daarom worden er vaak
vergelijkingen gemaakt.
De schelling kom je onder andere tegen in Matteüs 20: 1-16 waar
Jezus het vergelijkt met het loon wat landarbeiders op
één dag verdienen. De waarde van de Perzische dariek (1
Kronieken 29:7) komt ongeveer overeen met de waarde van de schelling,
net als de Griekse drachme (Ezra 2:69). Met deze waarde kunnen we ook
de waarden van alle andere muntsoorten aardig schatten:
EERST EVEN: lengtematen
Het is niet mogelijk om van alle maten precies aan te geven wat ze in
onze tijd zouden voorstellen. Een maat kon in de ene regio iets heel
anders zijn als in de andere regio. Gelukkig zijn er wel een aantal
maten waarvan we weten hoe ze nu zouden zijn. Een voorbeeld is de el.
In 2 Kronieken 3:3 stelt deze el nog een lengte voor van ongeveer 44
centmeter, de lengte van de punt van je elleboog tot het topje van je
middelvinger. Maar ook is er een langere el bekend, en die is ongeveer
52 centimeter. Andere lengtematen:
Er zijn ook nog een aantal lengtematen waarvan we de afstand niet
kunnen bepalen. Je kunt je er misschien wel iets bij voorstellen:
steenworp, boogschot, eindweegs, dagreis en stadie. De laatste, de
stadie is nog wel heel precies te bepalen. Een stadie is namelijk de
afstand van de renbaan in het stadion Olympia. De lengte van deze
renbaan is precies 185 meter. En als je de steenworp wilt weten, moet
je maar een op een veld gaan staan en een steen zo ver als je kunt
weggooien. En voor een dagreis….ik wil het je niet aanraden.
Land- of vlaktematen
Voor het opmeten van rechthoekige of vierkante vlakken gebruikte men
vooral lengtematen, zoals de el. Kijk maar eens naar de beschrijvingen
bij het maken van de tabernakel.
De juk werd ook veel gebruikt. Deze maat komt overeen met de
hoeveelheid land die een span of een juk ossen in 1 dag om kon ploegen,
ongeveer 2000 vierkante meter.
Met een homer kon je een stuk land van 20.000 vierkante meter inzaaien
en met een maat kon je ongeveer 650 vierkante meter inzaaien.
Munten
Shekel
was al in het derde millennium v. Chr. een
gewichtseenheid voor goud en zilver dat als betaalmiddel diende. In de
Bijbel staat dat Abraham onderhandelde over "vierhonderd zilveren
shekels" voor de aankoop van een stuk land en de grot van Machpela (bij
Hebron).
Het woord 'shekel' betekent in het Hebreeuws 'gewicht', net als het Britse 'pound' en de Mexicaanse 'peso';.
Dariek - Perzische munt
Denarie - Romeinse munt
Drachme - Griekse munt
Dubbeldrachme - Griekse munt
Quadrans - Romeinse munt
Maten en gewichten in de bijbel.
De lengtematen die we
tegenkomen in de bijbel, waren voornamelijk ontleend aan afmetingen van
het lichaam. Er werd gebruik gemaakt van: vingerbreedte, handbreedte en
el.
Afstanden werden bepaald door de schrede (een stap), een mijl
(ongeveer één uur lopen), een dagreis (7 á 8 uur
lopen, zo'n 35 kilometer), een sabbatsreis (2000 el, ongeveer 1 km). In
het Nieuwe Testament wordt verder nog melding gemaakt van een "stadie"
(ongeveer 185 meter) en een "Romeinse mijl" ( acht stadiën, dus
1,5 kilometer.)
De oppervlaktematen komen we in de bijbel weinig tegen. Soms wordt
gesproken van een "juk" land. Dat is de hoeveelheid land, die men met
een span trekdieren, in één dag kan omploegen.
De inhoudsmaten zijn er in twee groepen.
Voor droge waren kende men de gomer ( 4 liter), de sea (13 liter) en de efa ( 36 liter).
Voor vloeistoffen gebruikte men de log (0,5 liter), de bath(36 liter), de hin (6,5 liter), en kor (360 liter).
Voor droog én nat kon men gebruiken: Kab (2,25 liter), Letech (180 liter), Homer (360 liter).
Ook is er soms sprake van een "maat". De inhoud hiervan was
waarschijnlijk één liter. De "korenmaat" had een inhoud
van negen liter. De "metreet" is ontleend aan het Grieks en bevat 40
liter.
Gewichten werden in Israël bepaald door een verhouding die op het getal zestig was afgestemd.
Benamingen zijn: gera, beka, sikkel, pond en talent.
een pond= 750 gram - 60 ponden= één talent = ongeveer 45 kg
Maten
Stadie - ca. 192 meter
El - ca. 45 centimeter
Schoinos – ca. 6 kilometer
Span - ca. 22 centimeter
Stadie - ca. 192 meter
Vadem - ca. 1,85 meter
Afstanden
Sabbatsreis - ca. 900 meter. Afstand die Joden te voet op sabbat mogen afleggen.
Gewichten Lees hier meer over Bijbelse MATEN en GEWICHTEN
Gera - ca. 0,6 gram
Litra - ca. 327 gram
Mine - ca. 571 gram (soms als munteenheid gebruikt)
Qesita - hoeveelheid onbekend
Sjekel - ca. 11,4 gram (later een munteenheid)
Talent - ca. 34 kilo (ook als munteenheid gebruikt)
In de tijd van de Bijbel woog men vooral met de talent, die ongeveer 34
kilo woog en met de sikkel die ongeveer 11 gram woog. Andere gewichten:
Inhoudsmaten
Bat - ca. 45 liter Hier nog een mooi overzicht
Efa - ca. 45 liter
Chomer - ca. 450 liter
Hin - ca. 7,5 liter
Kor - ca. 450 liter
Metrete - ca. 40 liter
Omer - ca. 4,5 liter
Schepel - ca. 15 liter
Er worden in de Bijbel vrij veel inhoudsmaten genoemd. Vooral delen van
het menselijk lichaam zijn daarbij heel ‘populair.’ Zo
kennen we bijvoorbeeld de handvol, die overeenkomt met wat een mens in
zijn hand kan houden. Probeer maar eens.
Verder lezen we ook bij inhoudsmaten over de homer, wat eigenlijk
ezelslast betekent, wat weer overeenkomt met ongeveer 400 liter.
Andere inhoudsmaten:
Geld (inleiding)
Vóór de
Babylonische ballingschap hadden de Israëlieten geen gemunt geld.
Men betaalde in natura of met stukken goud of zilver die werden
afgewogen. De waarde werd door het gewicht bepaald. Munten werden voor
het eerst geslagen door de koningen van Lydië (in Klein-Azië)
in de zevende eeuw voor Christus. De Grieken namen deze techniek over
en ook de koningen van Perzië begonnen hun eigen munten te slaan.
Op die manier werd geld al snel een veelgebruikt betaalmiddel, vooral
in de handel. In het Oude Testament worden twee soorten munten genoemd:
de Perzische dariek en de Griekse drachme (zie verder: Kopen in het
Oude Testament, Geld in het Oude Testament). In het Nieuwe Testament
worden allerlei verschillende munten genoemd. De munt die het vaakst
wordt genoemd is de denarie
Geld in het Oude Testament
In enkele latere boeken van het Oude Testament worden munteenheden
genoemd. Op het moment dat deze boeken geschreven werden, was er
muntgeld in omloop. Het betreft de bijbelboeken Kronieken, Ezra en
Nehemia, geschreven in de vierde eeuw voor Christus. De munten die
genoemd worden zijn de ‘gouden drachme’ (Ezra 2:69 en
Nehemia 7:70-71) en de dariek (1 Kronieken 29:7; Ezra 8:27). De dariek
is waarschijnlijk de Perzische variant van de Griekse drachme. We weten
niet precies hoeveel deze munten waard waren.
In De Nieuwe Bijbelvertaling zijn de woorden drachme (Ezra 2:69 en
Nehemia 7:70-71) en dariek (Ezra 8:27) in de vertaling bewaard –
zo krijgt de bijbellezer iets mee van de wereld van het Oude Testament.
Maar in 1 Kronieken 29:7 is darieken vertaald met ‘gouden
munten’ (zie Darieken in 1 Kronieken 29»).
Geld in het Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament
komen wij verschillende soorten munten tegen. Het meest wordt de
denarie genoemd. In de Statenvertaling wordt denarie telkens vertaald
met ‘penning’, in de NBG-vertaling 1951 met
‘schelling’. In De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) wordt bijna
overal het woord denarie gebruikt (zie ook: Penning, schelling,
denarie: over de vertaalkeuze).
Ook de andere termen voor muntgeld in het Nieuwe Testament worden in de
diverse vertalingen heel verschillend vertaald. We noemen hier een
rijtje munten met hun vertaling in de NBV:
denarie Matteüs 18:28; 20:2; 22:19; Marcus 6:37; 14:5; Lucas 7:41; 10:35; 20:24; Johannes 6:7; 12:5
drachme Lucas 15:8, 19:13, 19:24
didrachme Matteüs 17:24
quadrans Marcus 12:42
stater vierdrachmenstuk» Matteüs 17:27
argurion zilverstuk Matteüs 26:15; 27:3
talent Matteüs 18:24; 25:15
Rond het begin van de jaartelling voerde Keizer Augustus een nieuw
muntstelsel in. Met de zilveren denarius (een dagloon) betaalde hij
zijn legioenen. Van de denarii van Keizer Augustus zijn meer dan
honderd varianten bekend. Zijn opvolger Tiberius heeft slecht twee
typen laten slaan.
Aureus (goud) = 25 zilveren denarii
Quinarius (goud) = 12 zilveren denarii
Denarius (zilver 3,1 gram) = 16 koperen assen
Quinarius (zilver) = 8 koperen assen
Sestertius (orichalcum) = 4 koperen assen
Dupondius (orichalcum) = 2 koperen assen
As (koper) - 4 koperen quadranten
Semis (orichalcum) = 2 koperen quadranten
Quadrans (koper) = 1 koperen as
Naast de Romeinse munten werd in het Imperium Romanum met name de
Tetradrachme gebruikt (waarde: 4 Denarii) . Deze munt (14,5 gram) met
een hoog zilvergehalte werd in de havenstad Tyrus geslagen.
De Joden gebruikten de 'zilverling' uit Tyrus voor het betalen van de
godsdienstige belasting. Elke Jood (vanaf de leeftijd van twintig jaar)
droeg jaarlijks als belasting ten behoeve van de tempeldienst een halve
Tetradrachme af. Dat deze belasting niet in Denarii werd betaald, hing
samen met de voor Joden aanstootgevende Romeinse predikaten 'goddelijk'
en 'hogepriester'. Kennelijk nam men minder aanstoot aan de
Tetradrachme met de god Melkart (= Koning van de stad) en de adelaar
(symbool van de weerbare zeestad Tyrus).
De Tetradrachme was ook de munt waarmee Judas door de Hoge Raad werd betaald (Zie: Mt.26 :15-16).
Penning, schelling, denarie: over de vertaalkeuze
De Statenvertaling (SV) vertaalt ‘denarie’ meestal als
‘penning’. Dat was eigenlijk heel modern, want
‘penningen’ waren in omloop in de 17e eeuw, toen de SV werd
gemaakt. Het komt overeen met een moderne vertaling in euro’s. In
de NBG-vertaling 1951 is gekozen voor de term ‘schelling’.
Dat is weer erg ouderwets vertaald, want een ‘schelling’ is
een oude muntsoort die in de 20e eeuw niet meer in omloop was. De
Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) volgt hier een heel eigen weg. Zij kiest
niet voor modernisering (zoals destijds de SV) en ook niet voor een
ouderwetse terminologie (‘schelling’, ‘duit’,
‘pond’, ‘koperstuk’). Vaak geeft de NBV de
gebruikte term letterlijk weer, om de lezer te laten kennismaken met de
wereld van de Bijbel: men gebruikte nu eenmaal denariën en
drachmen. Maar in sommige gevallen wordt gekozen voor een omschrijving
die de bedoeling goed weergeeft, wanneer een letterlijke overzetting
verwarrend zou kunnen werken.
Het Israëlische geldstelsel vandaag aan de dag: Munt-geld [BANK OF ISRAEL]
Shekel (1/2) (1) (2) (5) (10)
Israëls munteenheid, de shekel, was al in het derde millennium v.
Chr. een gewichtseenheid voor goud en zilver dat als betaalmiddel
diende. In de Bijbel staat dat Abraham onderhandelde over "vierhonderd
zilveren shekels" voor de aankoop van een stuk land en de grot van
Machpela (bij Hebron).
Het woord 'shekel' betekent in het Hebreeuws 'gewicht', net als het Britse 'pound' en de Mexicaanse 'peso';.
De bijbelse term 'shekel' werd aan het eind van de 19e eeuw
geïntroduceerd. Het woord 'shekel' werd in 1897 door het Eerste
Zionistische Congres gebruikt voor de lidmaatschapsbijdrage van de
zionistische beweging. De waarde ervan werd vastgesteld op 1 franc, 1
mark, 1 Oostenrijkse kroon, 2 shilling, een halve dollar, 40 kopeken,
enz.
De 'shekel' gaf de leden ook stemrecht voor het Zionistisch
Wereldcongres. Tot het 25e Congres (in 1960) werd het aantal
afgevaardigden berekend op grond van het totale aantal 'shekelhouders'
in een land.
In 1970 besloot het Israëlische parlement, de Knesset, de 'shekel'
in te stellen als de munteenheid van Israël. In 1985 werd de
Israëlische Shekel (IS) vervangen door de Nieuwe Israëlische
Shekel (NIS). Net als de gulden, is de Nieuwe Israëlische Shekel
verdeeld in honderd delen die 'agorot' heten.
Agarot (1) (5) (10)
Het Israëlische geldstelsel vandaag aan de dag: Papier-geld
Shekel (20) (50) (100) (200)
WEEST TEVREDEN - PAS OP VOOR 'MATERIALISME
Er zijn nog al
verscheidene verzen in het Nieuwe Testament die handelen over geld of
hebben een relatie daarmee. Om een aantal voorbeelden te noemen die ons
aan het denken willen zetten:
- In het Evangelie van Mattheus, Markus en Lukas gaat één
van de vier verzen over geld of bezit en er is geen zonde waar zoveel
tegen gewaarschuwd wordt als het misbruik daarvan. Juist financieel
misbruik brengt de gemeente van Christus vaak zo enorm in opspraak;
- In het Nieuwe Testament is het zo dat één van de zes verzen handelt over geld of een relatie daarmee heeft;
- Meer dan de helft van de gelijkenissen van Jezus hebben verwijzingen op de een of andere manier naar geld;
- De eerste zonde, waardoor een ban kwam over Israël toen
zij het beloofde land introkken was toen Achan een mantel van Sinear
roofde en tweehonderd sikkelen zilver en een staaf goud. Sinear was het
beeld van Babel (het beeld van de financiële wereld)
- De eerste discipel die in zonde viel was Judas, die voor een bedrag
wat hij nooit gebruiken zou, Jezus verkocht aan het Sanhedrin;
- De eerste zonde toen de gemeente in het Nieuwe Testament ontstond was
toen satan Annanias en Safira gebruikte om de heerlijkheid van de
gevende gemeente weg te nemen in het boek Handelingen (Zij hadden alles
gemeenschappelijk Hand. 2:44)
- De eerste zonde toen de gemeente buiten Jeruzalem kwam, was toen
Simon de Tovenaar probeerde voor geld geestelijke gaven te kopen.
- Jacobus waarschuwde als geen ander voor de gevolgen van het verkeerd omgaan met geld en bezit. (zie Jac. 2:1-3 en 5:1-5)
Hebreeën 13: 5. "Leeft niet alleen voor geld, weest tevreden met wat ge hebt."[Willibrord]
Psalm 37: 7, 16. "Wees stil voor de Here en verbeid Hem; wees niet
afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt....Beter is het weinige van
de rechtvaardige dan de rijkdom van vele goddelozen."
Spreuken 23: 4,5. "Maak U niet moe om rijk te worden en houdt er mee
op, uw verstand daartoe te gebruiken. Gij richt uw oog op de rijkdom en
hij is verdwenen: hij maakt zich vleugels en als een adelaar vliegt hij
hemelwaarts."[Willibrord]
Het omgaan met geld
"Mijn God zal uit Zijn rijkdom in Christus Jezus u alles geven wat u nodig hebt."
Filippenzen 4: 19
"Iemand die van geld houdt, heeft nooit genoeg. Wat een dwaasheid om te denken dat geld gelukkig maakt". Prediker 5: 9
"Het leven met God brengt veel op.Zeker als je ook blij bent met alles
wat je hebt. Per slot van rekening hebben wij bij onze geboorte niets
meegebracht; en als wij sterven, zullen wij ook niets kunnen meenemen.
Daarom moeten wij tevreden zijn zolang wij maar voeding en onderdak
hebben.
Maar wie graag rijk wil worden, komen al gauw in verleiding om
verkeerde dingen te doen. Zij verlangen naar onnodige en verkeerde
dingen en gaat tenslotte verloren. Want de liefde voor het geld is de
eerste stap naar allerlei andere zonden. Sommige mensen hebben zich
daarvoor zelfs van God afgewend en zich veel ellende op de hals
gehaald."
1 Timotheus 6: 6-10
Hedendaags consumentisme
Consumentisme wordt vaak omschreven als een levensstijl met de lust tot
kopen als voornaamste bestaansdoel.
Voor veel westerse mensen bestaat het hoogste genot uit de jacht op en
de aanschaf van spullen en soms ook diensten. Deze vorm van
materialisme vindt wellicht zijn oorsprong in het existentialisme, dat
een pleidooi inhoudt voor individuele vrijheid en lustbeleving.
De hoeveelheid tijd die de gemiddelde westere mens besteedt aan
'winkelen', is de afgelopen eeuw met de toename van de vrije tijd en
vooral de komst van de vrije zaterdag (in Nederland rond 1965) ruwweg
vervijfvoudigd. 'Winkelen' is tegenwoordig een volkomen legitiem
tijdverdrijf geworden, waarbij het er zelfs niet eens meer om gaat om
daadwerkelijk iets aan te schaffen.
Gelijke
tred daarmee houdt de opkomst van de warenhuizen, en vervolgens
winkelcentra, waar het mogelijk is om een geruime tijd door te brengen,
zonder last te hebben van honger, het weer of lichamelijke behoeften,
omdat daarin in het winkelcentrum voorzien wordt: er zijn cafés
en restaurants, overdekte gaanderijen, goed onderhouden wc's. Met name
de term 'mall' maakt de laatste jaren opgang, overgewaaid uit de VS.
Als nadeel van deze ontwikkeling wordt de maatschappelijke vervlakking
genoemd die consumentisme in de hand zou werken, doordat mensen elkaar
in toenemende mate hoofdzakelijk gaan zien als 'leverancier' of
'consument'. Daarbij past dan de gedachtegang 'Wat heb ik aan hem of
haar?', met voorbijzien van de waarde van iemands persoonlijkheid
buiten de rol van leverancier of consument.
DE PROEF VAN RIJKDOM EN DE PROEF VAN ARMOEDE
1 Samuël 2: 7. "De Here maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij."
Spreuken 30: 8,9. "houdt leugentaal ver van mij, en geef mij armoede
noch rijkdom maar spijzig mij met mijn toereikend deel; opdat ik niet,
verzadigd geworden, u verloochen en zeg: Wie is de Heer! of, arm
geworden, tot diefstal verval en mij aan den naam van mijn God
vergrijp."[Leidse Vertaling]
Waar armoede vergezeld gaat met lichamelijke gevaren, voorspoed is
vergezeld met geestelijke gevaren.Vaak wil God ons laten gaan door
allebij de gevaren zodat Hij ons kan beproeven. Zullen wij de Geest
vertrouwen of het vlees?
Filippenzen 4: 11-13. "Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd; want ik
voor mij heb geleerd tevreden te zijn met mijn omstandigheden. Ik weet
in lagen staat te verkeren en ik weet ook overvloed te hebben. In alles
en allen ben ik ingewijd: in het verzadigd zijn en in het honger
hebben, in het genieten van overvloed en in het gebrek lijden. Tot
alles ben ik in staat door hem die mij kracht geeft.[Leidse Vertaling]
Filippenzen 4: 12."Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is.
In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd
worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek."
Filippenzen 4: 12,13. "Ik weet wat armoede is, ik weet wat overvloed
is. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten, en ik kan honger
lijden, want ik ben vertrouwd met overvloed en met gebrek."[Willibrord].
ZULLEN WIJ VOLGEN, ALS JESUS ONS VRAAGT VOOR EEN KORTE TIJD ARMOEDE TE LIJDEN?
Marcus10: 21-27,31. "En Jezus zag hem aan, kreeg hem lief en zeide tot
hem: In een opzicht schiet gij tekort. Ga alwat gij hebt verkopen en
geef het aan de armen; dan zult gij een schat in den hemel bezitten; en
kom dan, volg mij. Toen ging hij, verslagen door dit woord, bedroefd
heen; want hij had veel bezittingen. Nu zag Jezus rond en zeide tot
zijn leerlingen: Hoe zwaar zal het hun vallen die vermogen hebben in
het Koninkrijk Gods te komen. En toen de leerlingen verbaasd waren over
zijn woorden, hervatte Jezus: Kinderen, hoe zwaar valt het in het
Koninkrijk Gods te komen! Het is lichter dat een kameel door het oog
van een naald gaat dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnenkomt. Nu
waren zij nog meer ontsteld en zeiden tot elkander: Maar wie kan dan
behouden worden? En Jezus zag hen aan en zeide: Bij mensen is het
onmogelijk, maar niet bij God; want alles is mogelijk bij God... Maar
vele eersten zullen laatsten zijn en laatsten eersten."[Leidse
Vertaling]
Is het mogelijk, dat met al zijn contacten en ervaringen, dat deze man
lang armoedig zou blijven? En toch wilde hij Christus niet gehoorzamen,
met al de voordelen, zelfs niet voor een korte tijd.
DE MACHT VAN DELEN
Handelingen 2: 44,45. "En allen, die tot het geloof gekomen en
bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren
er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen,
die er behoeften aan hadden;"
Handelingen 4: 32, 34,35. "En de menigte van hen, die tot het geloof
gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet
één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn
persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles
gemeenschappelijk....Want er was ook niet één behoeftig
onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van
huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en
legden die aan de voeten der apostelen; en aan een ieder werd
uitgedeeld naar behoefte."
God slaat een beroep op ons allen onze bezittingen van de hand te
doen.Wij kunnen ze zelfs gebruiken in de toekomst als we de macht over
onze bezittingen vrij geven.Als we dit niet vrijwillig doen, dan God
zal het doen. Het is een zeker teken dat wij Zijn zonen zijn.Wij moeten
de Heer danken als Hij een gevaarlijk ding uit onze handen rukt.
Misschien kunnen wij Hem wat tegemoet komen daarin! Als wij het niet
doen, dan motten, roest, en dieven zullen hun werk doen.
BEZIT NOOIT IETS - LAAT DE GEDACHTE VAN IETS BEZITTEN VAREN
Lucas 14: 33. "Zo zal dus niemand van U, die niet afstand doet van al dat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn."
Lucas 14: 33. "Zo kan niemand van U mijn leerling zijn, als hij zicch niet losmaakt van all wat hij bezit."[Willibrord]
Lucas 14: 33. "Desgelijks kan ook niemand van u die geen afstand doet
van al zijn bezittingen mijn leerling zijn.[Leidse Vertaling]
Lucas 3: 11. "En hij (Johannes) antwoordde en zeide: Wie een dubbel
stel kleren heeft, dele mede aan wie er geen heeft, en wie spijze
heeft, doe evenzo."
Lucas 6: 30. "Vraagt iemand iets van U, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug."
JESUS GEEFT ADVIES
Lucas 16: 9 - 11. "Ook zeg ik u: Maakt u vrienden door middel van den
ongerechten rijkdom; opdat men u, als er een tekort is, in de eeuwige
tenten opneme. Wie in het kleinste betrouwbaar is, is ook in het grote
betrouwbaar; wie in het kleinste onbetrouwbaar is, is ook in het grote
onbetrouwbaar. Indien gij dus niet betrouwbaar zijt in zake van den
ongerechten rijkdom, wie zal u den waren toevertrouwen?"
SPEELGELD
Lucas 16: 9 -12. "En Ik zeg U: Maakt vrienden met behulp van de
onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze U ontvalt, men U opneme in
de eeuwige tenten. Wie in zeer weinig getrouw is, is ook in veel
getrouw. En wie in zeer weinig rechtvaardig is, is ook in veel
onrechtvaardig. Indien gij dus niet getruw geweest zijt ten aanzien van
de onrechtvaardige Mammon, wie zal U dan het ware goed toevertrouwen.
En indien gij niet getrouw geweest zijt ten aanzien van het goed van
een ander, wie zal U het onze geven."
Lucas 14: 12 - 14. "Ook zeide hij tot zijn gastheer: Wanneer gij een
middag maal of avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden of broeders,
ook niet uw bloedverwanten of rijke buren; anders nodigen zij op hun
beurt u uit en krijgt gij vergelding. Maar geeft gij een gastmaal,
vraag dan armen, mismaakten, verlamden, blinden; dan zult gij zalig
zijn omdat zij u niet kunnen vergelden; want het zal u vergolden worden
bij de opstanding der rechtschapenen."[Leidse Vertaling]
Matteus 6: 24. "Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf
de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan de ene hechten
en de andere minachten; gij kunt niet God dienen èn Mammon."
Lucas 12: 33. " Verkoopt uw bezittingen om aalmoezen te geven."
HIJ DIE STERFT MET HET MEESTE SPEELGOED... VERLIEST
Lucas 12: 15 - 21."Toen zeide hij tot hen: Ziet toe en wacht u voor
alle hebzucht; want al heeft iemand overvloed, hij heeft daarin geen
waarborg dat hij van zijn bezittingen zal kunnen leven. Hij zeide tot
hen deze gelijkenis: Het land van zeker rijk mens leverde een
overvloedigen oogst op. Toen overlegde hij bij zichzelf: Wat zal ik
doen? Want ik heb geen ruimte om de opbrengst van mijn land te bergen.
En hij zeide: Dit zal ik doen: mijn schuren afbreken en grotere bouwen;
dan breng ik daarin al dat koorn en die andere goede dingen, en zeg tot
mijzelf: Gij hebt nu vele goederen, voor tal van jaren opgelegd; neem
uw rust, eet, drink, wees vrolijk. Maar God zeide tot hem: Dwaas, in
dezen nacht eist men uw leven van u op; en wat gij verworven hebt, aan
wien zal het komen? Zo gaat het met een die voor zichzelf vergaart en
niet rijk is voor God. [Leidse Vertaling]
Lucas 16: 19 - 29. "Er was eens een rijk man, gekleed in purper en fijn
linnen, dagelijks zijn weelderig leven genietend. En een arm man,
Lazarus genaamd, lag aan de voorpoort van zijn huis.... toen de arme
stierf, werd hij door de engelen naar den schoot van Abraham gedragen.
Ook de rijke stierf ....En toen hij in de onderwereld zijn ogen
opsloeg... ik lijd smart in deze vlam. Maar Abraham zeide: Kind,
herinner u dat gij het goede in uw leven ontvangen hebt, en Lazarus
evenzo het kwade. Nu wordt hij vertroost en lijdt gij pijn... Ik bid u
dan, vader... want ik heb vijf broeders; laat hij hen waarschuwen;
opdat ook zij niet komen in dit oord der foltering. Abraham zeide: Zij
hebben Mozes en de profeten; laten ze naar die horen."[Leidse
Vertaling].
Psalm 49: 16 - 19. "Vrees niet wanneer een mens rijk wordt, en de
heerlijkheid van zijn huis toeneemt; want wanneer hij sterft, zal hij
niets van dat alles meenemen, zijn heerlijkheid volgt hem in de groeve
niet. Al acht hij zichzelf in zijn leven gelukkig--al roemt men u omdat
gij u tegoed kunt doen, gij zult bij het geslacht uwer vaderen komen,
die tot in eeuwigheid het licht niet zien"
Prediker 5: 10 - 15. "Wie geld liefheeft wordt van geld niet verzadigd,
noch wie den rijkdom liefheeft van inkomsten. Ook dit is ijdelheid.
Klimt de welvaart, dan klimt het aantal van hen die er op teren, en wat
heeft de bezitter er van dan dat hij het mag aanzien? Zoet is de slaap
des arbeiders, hij hebbe weinig of veel te eten; maar de verzadiging
belet den rijke te slapen. Er is een pijnlijk kwaad dat ik zag onder de
zon: rijkdom door zijn bezitter tot zijn ongeluk bewaard....rijkdom
door een ongeval verloren....Gelijk hij gekomen is uit den schoot
zijner moeder, naakt, keert hij weer om te gaan zoals hij is gekomen en
niets dat hij kan meedragen neemt hij voor zijn moeite mee.[Leidse
Vertaling]
Spreuken 11: 4, 28. "Rijkdom baat niet ten dage des toorns, maar
gerechtigheid redt van de dood....Wie op rijkdom vertrouwt, die zal
vallen...."
GELD ALS EEN HINDERNIS TUSSEN MENS EN GOD
Christenen hopen op Eeuwige Zekerheid, en God wil dat wij vleselijke
zekerheid opgeven, zodat wij het kunnen krijgen. Het vlees wil de
zekerheid van het Geld hebben. Het wil controle hebben, een meester
zijn.... een 'God' zijn. Zo wij dromen en houden vast aan bezittingen,
omdat wij niet volledig afhankelijk willen zijn van God...
Job 31: 24, 25, 28. "Indien ik op het goud mijn verwachting gesteld
heb, en tot het fijne goud heb gezegd: Gij zijt mijn vertrouwen; indien
ik mij heb verheugd, omdat mijn vermogen groot was en mijn hand
geweldige rijkdom had verworven; dan zou ook dat een ongerechtigheid
zijn geweest....want ik zou God daarboven hebben verloochend."
MEER, MEER
C.S.Lewis schrijft in Perelandra, 'Deze neiging om dingen steeds maar
weer te hebben, als of het leven een film was die twee keer gedraaid
kon worden of zelf achteruit kon lopen... was dit mogelijk de kern van
al de zonde? Neen! natuurlijk was geld zo genoemd. Maar geld op
zichzelf... - misschien mensen waarderen het een korte tijd als een
bescherming tegen keuze, een zekerheid altijd deze dingen maar weer te
hebben, een middel om het afrollen van de film tegen te houden.'
Ezechiel 28: 2 -10. "Zo spreekt de Heere God: Omdat gij overmoedig
geworden zijt en denkt: Ik ben een god; terwijl gij toch een mens, geen
god, zijt, al draagt gij het hart hoog, alsof gij een god waart... gij
hebt uw vermogen verworven.... werdt gij overmoedig op uw vermogen!
--daarom laat ik tegen u vreemden opkomen,... zij zullen het zwaard
ontbloten.... en uw praal ontwijden....Ter groeve zullen zij u doen
neerdalen,... zult gij ook in het gezicht van hem die u ombrengt
volhouden: Ik ben een god! terwijl gij toch in de hand van hem die u
doorboort een mens en geen god zijt? Den dood van onbesnedenen zult gij
door de hand van vreemden sterven; want ik heb het gezegd, spreekt de
Heere God."
GOEDE- EN VERKEERDE KEUZES
1 Tessalonicenzen 2: 5."Wij hebben ons nooit afgegeven met vleierij, gij weet het, noch met bedekte hebzucht."
2 Korintiers 2: 17. "...wij zijn niet als de meesten, die het woord Gods tot een handelszaak maken."[Leidse Vertaling]
2 Korintiers 2: 17. "Wij zijn tenminste niet zoals zovelen, die handel drijven met Gods woord."[Willibrord]
2 Korintiers 2: 17. "Want wij zijn niet als zovelen, die winst maken uit het woord van God."
1 Timoteus 6: 5." ...mensen die niet helder meer denken, en het spoor
der waarheid bijster geraakt zijn, daar zij de godsvrucht als iets
winstgevens beschouwen."
1 Timoteus 6:5. "Zij zien in de godsvrucht een bron van inkomsten."[Willibrord]
1 Timoteus 6: 5 - 9. ...mensen die niet recht bij hun verstand zijn en
alle inzicht in de waarheid verloren hebben, daar zij denken dat met de
godsvrucht iets te verdienen is. Nu, er is met godsvrucht veel te
verdienen, indien zij met tevredenheid gepaard gaat. Want wij hebben
niets in de wereld meegebracht, omdat wij er ook niets uit kunnen
meenemen. Hebben wij dus voedsel en dekking, dan zullen wij daarmee
genoegen nemen. Zij daarentegen die rijk willen worden vallen in
verzoeking, in een strik en in vele domme en schadelijke begeerten, die
de mensen ten ondergang brengen en in het verderf storten."[Leidse
Vertaling]
1 Timoteus 6: 10 - 12. "Want de geldgierigheid is de wortel van alle
kwaad. Door zich aan haar over te geven zijn sommigen van het geloof
afgedwaald en hebben zichzelf vele smarten op den hals gehaald. Maar
gij, mens Gods, wacht u daarvoor; jaag naar gerechtigheid, vroomheid,
geloof, liefde, geduld, zachtmoedigheid; [Leidse Vertaling]
DE ADEL VAN ARMOEDE
Jakobus 1: 9 - 11. "Roeme de broeder van lagen staat in zijn hoogheid,
maar de rijke in zijn lagen staat; want als een bloem in het gras zal
hij voorbijgaan. Immers, als de zon gloeiend is opgegaan en het gras
verdroogd heeft, is de grasbloem afgevallen en haar schoonheid teloor
gegaan. Zo zal de rijke op zijn wegen verwelken.[Leidse Vertaling]
Jakobus 1: 9 - 11. "Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid,
maar de rijke in zijn geringheid, want als een bloem in het gras zal;
hij vergaan. Want de zon komt op met haar hitte en doet het gras
verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk
verdwijnt; zo zal ook de rijke met zijn oindernemingen verwelken."
HET RISICO VAN RIJKDOM
Marcus 4: 18,19. "Anderen zijn de gezaaiden in de doornen; dat zijn zij
die het woord horen, en dan dringen de wereldse zorgen en de verleiding
van den rijkdom en de begeerten naar andere dingen binnen en verstikken
het woord; zodat het onvruchtbaar blijft.[Leidse Vertaling]
Lucas 9: 25. "Want wat baat het een mens, als hij de gehele wereld wint, maar zichzelf verliest of zelf schade lijdt?
DE WELVARENDE 'BIG SHOTS' GAAN TEN ONDER
Velen onder ons hebben ijverig gebeden dat God de Kerk onderst boven
zou zetten, en dan hevig schudden. Wanneer dat gebeurt, dan die
personen die hun grijp op de waarheid hebben verloren zullen de eersten
zijn die vallen!
1 Korintiers 4: 8 - 21. Gij zijt blijkbaar al verzadigd, gij zijt al
rijk, gij regeert reeds zonder ons. Ach, was het maar waar, dan mochten
wij misschien wel delen in uw koningschap! Want ons, apostelen, heeft
God dunkt mij, de minste plaats aangewezen, die van ter
doodveroordelen. Wij zijn een schpouwspel geworden voor heel de wereld,
voor engelen en voor mensen: wij moeten zijn dwaas ter wille van
Christus, gij zijt zo verstandig in Christus; wij zijnzwak, gij sterk;
gij geëerd, wij geminacht. Tot op dit eigen ogenblik lijden wij
honger en dorst, zijn wij naakt en krijgen wij slaghen, zijn wijdakloos
en matten ons af met handenarbeid. Worden wij beschimpt, wij zegenen;
worden wij vervolgd, wij dulden het; smaad beantwoorden wij met
minzaamheiud. Tot nu toeworden wij behandeld als het schuim der aarde,
als het uitvaagselvan de maatscDit schrijf ik niet om U beschaamd te
maken, maar om U terecht te wijzen als mijn dierbare kinderen.....
binnenkort kom ik, als de Heer het wil; en dan zal ik wel merken wat
deze opgeblazen lieden werkelijk waard zijn, afgezien van hun woorden.
Het koninkrijk Gods bestaat nu eenmaal niet in woorden, maar in kracht.
Wat verkeist gij? Moet ik bijU komen met strengheid of met liefde en in
een geest van zachtmoedigheid."[Leidse Vertaling]
Jakobus 5: 1-3, 5." Welaan dan, gij rijken, weent en maakt misbaar over
de rampen, die U zullen overkomen. Uw rijkdom is verrot, uw klederen
zijn door de mot aangevreten, uw goud en zilver is verroest, en de
roest ervan zal tegen U getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij
zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn.....Gij
hebt op aarde weelderig geleefd en U te goed gedaan, gij hebt uw hart
vetgemest in de slachttijd."
Jeremia 5: 27-29. zij (zijn) groot en rijk geworden. Zij zijn vet
geworden, zij glinsteren; recht verschaffen zij niet, ook niet aan den
wees, en zij helpen de armen niet aan hetgeen hun toekomt. Zou ik zulke
dingen niet straffen? spreekt de Heer?
HOE WE KUNNEN INVESTEREN IN ZEKERHEID
1 Timoteus 6: 17 - 19. "Hun, die rijk zijn in de tegenwoordige wereld,
moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun hoop gevestigd te
houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, die ons alles rijkelijk
ten gebruike geeft, om wèl te doen, rijk te zijn in goede
werken, vrijgevig en mededeelzaam, waardoor zij zich een vaste
grondslag vpoor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen."
Lucas 12: 29 - 34. "Zoekt ook gij dan niet naar wat gij zult eten en
drinken, en begeert niet te veel. Want naar dat alles zoeken de volken
der wereld, en uw Vader weet dat gij die dingen nodig hebt. Zoekt
veeleer zijn Koninkrijk, en dat andere zal als een toegift u geworden.
Vrees niet, kleine kudde; want het is uws Vaders welbehagen u het
Koninkrijk te geven. Verkoopt uw bezittingen en geeft ze als aalmoes
weg; maakt u onverslijtelijke buidels, een onuitputtelijken schat in de
hemelen, waar geen dief bij komt en geen mot schade aanricht; want waar
uw schat is, daar zal ook uw hart zijn."[Leidse Vertaling]
1 Timoteus 6: 8 - 10. "Als wij voedsel en kleren hebben, moet ons dat
genoeg zijn. Zij die zich willen verrijken vallen in verzoeking en in
de strik van allerlei dwaze en kwalijke begeerten, die een mens in
verderf en ondergang storten. Want de geldzucht is de wortel van alle
kwaad.. Door deze hartstocht zijn sommigen al van het geloof afgedwaald
en hebben zich afgemarteld met kwellingen zonder tal."[Willibrord]
Jeremia 9: 23,24. "Zo zegt de Here: De wijze roeme niet op zijn
wijsheid,...de rijke roeme niet op zijn rijkdom, maar wie roemen wil,
roeme hierin, dat hij verstand heeft en Mij kent..."
VOOR VELEN EEN VRAAG - VOOR WEINIGEN EEN WEET
1 Johannes 3:16 - 18. "Hierin hebben wij de liefde leren kennen, dat
hij zijn leven voor ons heeft prijsgegeven. Zo zijn ook wij verplicht
voor onze broeders ons leven prijs te geven. Wie werelds goed bezit, en
terwijl hij ziet dat zijn broeder gebrek lijdt, zijn hart voor hem
sluit, hoe zou in hem dan de liefde voor God duurzaam zijn? Kinderen,
laat ons niet liefhebben met woord of tong, maar met de daad en in
waarheid.."[Leidse Vertaling] also 2 Korintiers 8: 9.
Lucas 12: 47, 48. "De knecht die de wil van zijn heer kende, maar geen
beschillingen trof noch handelde volgens diens wil, zal zwaar getuchtig
worden. Wie echter in onwetendheid dingen heeft gedaan die tuchtiging
verdienen, zal slechts licht gestraft worden Van ieder aan wie veel is
gegeven, zal veel worden geëist, en wie veel is toevertrouwd, van
hem zal des te meer worden gevraagd."[Willibrord]
Spreuken 28: 20. "Een betrouwbaar man heeft veel zegen, maar wie naar rijkdom jaagt, blijft niet ongestraft."
Openbaring 3: 17 - 19. "Omdat gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb
aan niets gebrek, en niet weet dat gij ellendig en deerniswaardig en
arm en blind en naakt zijt zo raad ik u van mij te kopen door vuur
gezuiverd goud om rijk te worden en witte kleren om ze aan te trekken,
opdat de schande uwer naaktheid niet openbaar worde, en zalf om daarmee
uw ogen te zalven, opdat gij moogt zien. Zovelen ik liefheb bestraf en
tuchtig ik. Wees dan ijverig en bekeer u."
Lessen over geld in de Bijbel
Er zijn interessante en belangrijke waarheden
verbonden in de Schrift met de opmerkingen die in de tekst gemaakt worden over
de valuta van die tijd. Enkele daarvan willen we onderzoeken met de bedoeling
de bijzondere lering die ze geven na te gaan.
drachme, een Griekse zilveren munt met
ongeveer hetzelfde gewicht als een Romeinse denarius
didrachmon of dubbele drachme, een
zilveren munt gelijkwaardig aan twee Attische drachmen of een Alexandrijnse, of
een halve sjekel.
½ sikkel = 2 drachmen = 1 didrachme = 1 beka = ½ joodse
sikkel. Er zijn tenminste drie verschillende sikkels bekend, nl. de gouden,
zilveren en koperen sikkel.
sikkel
= 4 drachme = 1 stater = tetradrachme
Lepton
= kleine koperen munt, een achtste van een "as", ongeveer 1/5 van een
cent waard. (volgens de OLB)
kodrantes = een quadrans (ongeveer het vierde deel van
een "as"); in het N.T. een munt ter waarde van een Attische chalcus
(ca. 3/8 van een cent) (volgens de OLB)
medicinaal
gewicht. 1 pond = 375 gram = 12 ons = 96 drachmen = 288 scrupel = 5760 grein
of: (1 grein = 1/20 scrupel) (1 grein = 375/5760 gram = 65 mg) (15 grein =
0,975 gram ~ 1gram)
arguria
argurion
De verloren drachme
Lukas 15:8,9
In de tweede gelijkenis van Lukas 15 vertelt de Heer
over een grote speurtocht, die een vrouw deed naar een verloren geldstuk. Hij
zei: “Of welke vrouw steekt niet, als zij tien drachmen1 heeft en een
drachme verliest, een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat
zij die vindt?” (8) Drachme is een
ander woord dan “zilverling” uit Mattheüs 26:15. Het woord drachme of “dram”
komt alleen voor in Lukas 15:8,9
De Drachme was een Griekse munt en daarom eigenlijk
geen wettig betaalmiddel in Palestina, hoewel het heel dicht in waarde
overeenkwam met de Romeinse denaar, die in die tijd de wettige munteenheid was
in het Joodse land onder Romeins gezag. Vanwege deze overeenkomst hebben
sommigen verondersteld dat, hoewel het inheemse Griekse woord “drachme”in de
gelijkenis voorkomt, het Romeinse woord “denaar”werd bedoeld door de spreker.
Voor deze veronderstelling is geen solide grond. We vinden, integendeel, dat
Lukas heel vertrouwd was met de Romeinse “denaar”want hij gebruikt het woord
drie keer in zijn evangelie.2 Er moet dus een bijzonder reden zijn, waarom hij hier
het Griekse woord “drachme”gebruikt.
Stukken Romeinse zilvergeld zouden niet even passend
zijn voor het doel van de gelijkenis. Omdat het Grieks geld was, was het geen
wettig betaalmiddel voor handelsdoeleinden. Daarom lijkt het dat de “drachmen”
gebruikt werden voor persoonlijke versiering van hoofd, nek of arm. Deze
versiering stelt de vrouw op hoge prijs en zou ze daarom graag ongeschonden
willen bewaren meer uit gevoelswaarde dan om zijn werkelijke waarde.
Vandaar zal het verlies van één van de tien munten
aanleiding geven tot ijverig zoeken door de eigenares en het vinden ervan doet
vrienden en buren roepen om zich met haar te verheugen. Klaarblijkelijk had de
drachme in het oog van de vrouw een bijzondere waarde boven de marktwaarde en
het verlies van één ervan, waardoor het volledige stel geschonden was, zou erg
betreurd worden om de moeilijkheid van de vervanging ervan.
Deze karaktertrek, die een bijzondere persoonlijke
waarde veronderstelt van de verloren drachme voor de eigenaar, veroorlooft ons
gemakkelijk de overeenkomst te ontdekken tussen de drie gelijkenissen van Lukas
15. In elk van de drie komt het persoonlijk belang van de personen sterk naar
voren. Wij zie het dadelijk in de belangstelling van de herder voor het schaap,
dat afdwaalt naar zijn ondergang en ook in de belangstelling van de vader voor
de jongste zoon, die zwerft op de paden van de zonde naar zijn verderf. Maar
wat veroorzaakte het bijzondere belang in de tweede gelijkenis?
Alleen als ze erg arm was of een behoeftige weduwe zou
zijn kunnen we heel goed haar koortsachtige angst over het verlies van het
tiende deel van haar bezit begrijpen. Het vertegenwoordigde tenslotte toch een
dagloon. Maar als we eraan denken dat het Griekse munten waren, die haar eigen
bijzonder schat vertegenwoordigden, dan kunnen we makkelijke de waarheid zien
van de schildering en de juistheid van haar ijverig zoeken bij kaarslicht naar
het verloren stuk en haar uitbundige vreugde na haar succesvol zoeken.
Dor het vinden van het verloren stuk, was de
verzameling munten weer compleet. Of de tien stukken een erfstuk of een
huwelijksgeschenk waren is niet bekend, maar we moeten het bijzonder kenmerk
van de gelijkenis niet missen, die heel zeker is, namelijk: dat de verloren
drachme een bijzonder waarde had in de ogen van de vrouw. Zo’n waarde dat ze
haar vriendinnen en buren roept en zegt: “Weest blij met mij, want ik heb de
drachme gevonden die ik had verloren.”
Uitleggers hadden moeilijkheden om deze gelijkenis te
verklaren. Ze geven verschillende slotconclusies. Het meest algemeens is
misschien dat de vrouw de Gemeente voorstelt of de Heer, die door de
bedieningen in de Kerk werkt. Maar deze uitlegging is niet in overeenstemming
met de eenheid, die we mogen verwachten in de drie gelijkenissen van onze Heer.
De gelijkenissen zijn bij dezelfde gelegenheid uitgesproken met het bijzonder
doel om Zijn ontvangen van en eten met tollenaars en zondaars te rechtvaardigen
wat door de Farizeeën in twijfel getrokken werd. (Luk.15:2)
De verdediging van de Heer, als we dat woord mogen
gebruiken, was de goddelijke vreugde in de hemel, die ontstond door berouw en
herstel van de zondaar. Op drievoudige wijze liet Hij zien, dat God zich
verheugde over het redden van zondaars en dat feit was op zichzelf een afdoend
antwoord op alle menselijke vitterij.
In de drie verbonden gelijkenissen zegt de Heer Jezus,
dat de drie personen van de godheid werkzaam waren in het redden van mensen. In
de eerste vinden we God de Zoon, die als de Schaapherder het verloren schaap
van het huis Israëls zoekt. (Mat. 15:24) In de derde vinden we God de Vader,
die vriendelijk is voor de ondankbare en boze zoon
De overeenstemming is volledig als we
zien, dat in de tweede gelijkenis, niet de Kerk, maar God de Heilige Geest
wordt voorgesteld door de vrouw, die ijverig bezig is om de verlorene te
ontdekken en te bevrijden.
Als we deze drie gelijkenissen
samenvatten onder dit gemeenschappelijke doel zien we de waarheid van de
openbaring, dat God de Zoon, God de Heilige Geest en God de Vader even sterk
zijn in Hun liefde voor zondaars en verheugd zijn over hun redding. Zo vinden
we op andere plaatsen dat de verlosten Gods eigen bezit zijn en dat ze een
bijzonder belang en waarde voor Hem hebben. (Ef. 1:14; 1 Petr. 2:9)
Het evangelie wordt aan mensen
gepredikt door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is. (1Petr.1:12) De
buiten de openbaarheid binnenshuis zoekende vrouw uit de gelijkenis is een
geschikt beeld van de Heilige Geest, die onzichtbaar Zijn dienst in de wereld
uitoefent. (Joh.16:8) Zijn verborgen werkingen worden door de Heer vergeleken
met die van de wind, die waait, waarheen hij wil. (Joh.3:8)
De munt is ook levenloos en in dat
opzicht anders dan het schaap en de verloren zoon. De Heilige Geest geeft het
leven aan hen, die Hij vindt en van wie gezegd wordt, dat zij uit de Geest
geboren zijn, hoewel ze vroeger “dood waren in zonden en misdaden”. (Joh. 3:8)
Veel voorbeelden van het zoeken van
de Geest van God zijn in het boek geschreven, dat misschien beter “Handelingen
van de Heilige Geest” zou heten, dan “Handelingen van de Apostelen”. Om één
geval te noemen: Wie anders dan de Heilige Geest riep Filippus weg van zijn
evangelische werkzaamheden te Samaria om te vinden en te bevrijden de
onderzoekende kamerling? Deze stond op het punt naar Ethiopië terug te keren
zonder de kennis van Jezus, de lijdende Dienstknecht van Jehova, van wie Jesaja
had geprofeteerd. Ethiopië was inderdaad een donkere hoek waarin het licht van
genade en waarheid nog niet had geschenen. Maar het licht scheen en het
verlorene werd gevonden en het eind van het zoeken was een vrolijke
overwinning. Want de kamerling van Candace vervolgde zijn weg met blijdschap
net zoals er in Samaria was geweest waar veel andere verlosten gevonden werden.
(Hand. 8:8,39)
Zoals de vrouw een brandende lamp
gebruikt om het vermiste te zoeken, zo gebruikt de Heilige Geest in Zijn zoeken
naar verlorenen, die in duisternis en schaduw van de dood zitten, het Woord van
God, dat het middel van geestelijk licht is voor de mens. (Ps. 119:105; Spr.
20:27) Zij, die in de wereld uitgaan om ieder schepsel het evangelie te
prediken en spreken geleid door de Heilige Geest.
Het inwendige van een oosters huis
was donker, omdat het gebouwd was om het licht en de warmte van de zon buiten
te houden. De verloren drachme lag in een donkere hoek, verborgen onder het
riet dat uitgespreid was op de lemen vloer. Hij was daar niet nuttig en was
geen versiering. Maar als het licht van de eigenares er op schijnt en de
verblijfplaats ontdekt, wordt hij teruggebracht. De eigenaresse kent er de
waarde van en als hij gevonden is, kan zij die gebruiken, zoals zij wil.
Zo gaat het ook bij evangelisatie
onder de mensen. Het licht en de heerlijkheid van Christus, die het beeld van
God is, schijnt in donkere en verblinde harten. (2 Kor. 4:4-6) Zondaars worden
daardoor uit de duisternis tot het licht gebracht. Zij, die aan de heerlijkheid
van God te kort komen, gaan roemen in de hoop op de heerlijkheid van God. (Rom.
3:23; 5:2; Ef. 5:8)
Het heilwerk is het werk van God,
waarin de Heilige Geest een gelijk deel heeft. Hij heeft geen behagen in de
dood van een zondaar. (Ez. 33:11) “Hij verheft den geringe uit het stof,
[en] den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de
vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beërven”. (1 Sam. 2:8)
De halve sikkel en de stater
Mattheüs17:24-27
De halve sikkel had twee maal de waarde
van de zilveren drachme, die genoemd wordt in de gelijkenis van de verloren
penning uit Lukas 15:8 en 9. De technische naam van deze Griekse munt is
didrachme 3 en de koerswaarde schijnt gelijk te
zijn aan de beka 4 of de helft van de Joodse sikkel.
(Ex.38:26) De sikkel zelf was gelijkwaardig met een tetradrachme, dat ook wel
stater 5 heette.
Beide geldstukken, de didrachme of
halve sikkel en de stater worden maar eenmaal in de Nieuwe Testament genoemd.
Beiden worden gevonden in het verhaal van de schone gebeurtenis in het leven
van onze Heer in Mattheüs 17:24 – 27.
In de nieuwe vertaling staat in vers
24 voor didrachme “Cijns” (hoofdgeld) of schatting, de halve sikkel en is in
vers 27 de stater vervangen door “een zilverstuk”
Het verhaal
“Toen zij nu in Kapernaüm gekomen
waren, kwamen de ontvangers van de didrachmen naar Petrus toe en zeiden:
Betaalt uw meester de didrachmen niet?” Deze belasting werd door de Joden betaald aan de priesters en
levieten voor de instandhouding van hun eigen tempeldienst in Jeruzalem. Dit
verschilt van de belasting opgelegd door
Het
geld van de Bijbel 04-02.doc 2
Romeinse denaar = 1 drachme. Denarius betekend “tien bevattend" Het was
een Romeinse zilveren munt ten tijde van het N.T. Hij kreeg deze naam omdat hij
gelijk stond met 10 (koperen) as, een aantal dat na 217 V.chr. verhoogd werd
tot 16 as (ong. 3.898 gram). Dit was de voornaamste zilveren munt van het
Romeinse rijk. Uit de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard blijkt dat
een denarius toen het gewone dagloon was van een arbeider. (Mat. 20:2-13)
De tempelschatting
vond zijn oorsprong in de bijdragen die door Mozes, de knecht van God, waren
opgelegd aan het volk in de woestijn. Daarna beval Jehova, dat iedere
mannelijke Israëliet boven de twintig jaar of hij nu arm of rijk was, Hem een
offerande moest brengen. Dit offer was de Beka of halve sikkel (Ex.30:11-16).
Toen de volkstelling plaats had bleek dat het verzamelde bedrag 603.550 beka’s
of 301.775 sikkels bedroeg. Deze opbrengst werd gebruikt voor de bouw van de
tabernakel (Ex.38:25-28).
We lezen dat in de
dagen van Joas, de koning van Juda, deze belasting geïnd werd van het volk om
de uitgaven van het herstel van het huis des Heren te betalen, dat in die dagen
nodig gerestaureerd moest worden (2Kon.12:4; 2Kron.24:5,9).
Na de terugkeer van
de Joden uit de Babylonische gevangenschap kwamen Nehemia en het volk overeen,
dat ieder een jaarlijkse bijdrage moest geven voor de dienst van het huis van
god (Neh.10:32) Het bedrag dat bij die gelegenheid genoemd was een derde deel
van een sikkel en niet een halve sikkel. Misschien konden ze in hun grote
armoede geen halve sikkel geven.
De vraag die aan
Petrus wordt gesteld kwam niet van een belastingambtenaar in dienst van de
Romeinen die aandrong om de plichten van een vreemde burgerlijke wet te
voldoen. Maar het was de vraag van een Jood, of de profeet uit Nazareth de
gebruikelijke belasting niet wou betalen. De halve sikkel voor het onderhoud
van de tempel en zijn dienst. Het was meer een zaak van overeenstemming met een
godsdienstige praktijk dan van gehoorzaamheid aan een politieke eis.
Petrus aarzelt geen
moment om borg te staan voor de eis van de wet en de godsdienstige waarneming
daarvan door zijn Meester. Hij antwoord direct bevestigend. Hij gaat daarna het
huis binnen om de zaak aan de Heer zelf voor te leggen of misschien wel om te
vragen hoe het geld verkregen moest worden. Maar de Heer was hem voor. De Heer
voorkwam Petrus bedoeling en verbeterde de haastige en verkeerde uitspraak van
Zijn discipel. Zij die aan Petrus de vraag stelden hadden nooit de vele
buitengewone gelegenheden gehad, die de discipel heeft gehad om te leren, dat
de grote Vorst uit het huis van David was gekomen. De vraagstellers hadden een
verontschuldiging maar Petrus had deze niet. Zijn antwoord kwam helemaal niet
overeen met zijn eigen pas uitgesproken belijdenis van de heerlijkheid op de
heilige berg. Door de openbaring van de Vader had Petrus tegen de Heer gezegd: “U bent de Christus, de Zoon van de
levende God.” (Mat.16:16).
Zijn ogen hadden de alles overtreffende schoonheid en majesteit van de Koning
gezien, terwijl zijn oren het getuigenis van de hemel hadden gehoord: “Deze
is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb, hoort Hem” (Mat.17:5).
Petrus had compleet deze rechten van de Heer en zijn eigen volledige erkenning
ervan vergeten, toen hij zo haastig aan de belastingophalers verzekerde, dat
zijn Meester de halve sikkel zou betalen.
Jesaja of Ezechiël hadden dit op zich
kunnen nemen. Maar was het niet meer gepast dat de Zoon van God, Koning van
Israël, schatting zou ontvangen in plaats te betalen? De ongerijmdheid van de
vraag van deze mensen had Petrus toch duidelijk moeten zijn.
Voordat de discipel een woord kan uit
brengen zegt de Heer tegen hem: “Wat denk je, Simon, van wie heffen de
koningen van de aarde tol of belasting: van hun zonen of van de vreemden? Toen
hij nu zei: Van de vreemden, zei Jezus tot hem: Dan zijn de zonen vrij.” Deze
woorden zijn een rustige en vriendelijke terechtwijzing in de kring van Zijn
eigen discipelen. De Heer handhaaft de waardigheid van Zijn eigen persoon en
Zijn rechten die volgen uit Zijn Zoonschap.
Zelfs naar aards gebruik waren
koninklijke families vrij van belastingbetaling. Deze waren opgelegd aan de
onderdanen van het koninkrijk. De Heer Jezus, hoewel uit Nazareth, was Davids
zoon en Davids Heer. De tempel in Jeruzalem was het huis van zijn Vader (Joh.2:16).
Hij was inderdaad Zoon over Zijn eigen huis en niet een dienstknecht in het
huis van een ander. Als Zoon van God en Koning van Israël was Hij absoluut vrij
van alle verplichting tot het betalen van belasting, die geheven werd om de
uitgaven van de dienst van God te betalen. De Heer wilde echter Zijn rechten
niet laten gelden tegenover de belastingontvangers zelf.
Hoewel Hij Koning der Joden was
(Mat.27:11) verwaardigde Hij zich om op aarde te zijn als onderdaan en niet als
Rechter en Verdeler van de erfenis (Luk.12:14) Hij toonde, dat Hij bereid was
om aan het verzoek te voldoen en de tempelschatting te betalen. Voor ons is Hij
arm geworden en om de belasting had Hij geen zilver in de beurs. (Mat.10:9)
Maar, hoewel Hij arm was, zoals de mensen zeggen, bezat Hij alle dingen. Hij
liet de vergeetachtige discipel zien, dat Hij Heer van alles was en dat de zee
Hem toebehoorde. Hij had die gemaakt en Hij heeft heerschappij over alles wat
de paden van de zee doorwandelt (Ps.8:8).
De Heer zegt in Zijn woord tegen
Petrus: “Opdat wij hen echter geen aanstoot geven, ga naar zee, werp een
vishaak uit en neem de eerste vis die bovenkomt, en als je zijn bek opendoet,
zul je een stater vinden; neem die en geef hem hun voor Mij en jou.” Hoewel
de Joden Gods geboden krachteloos maakten door hun overleveringen der ouden,
wilde de Heer niet, door een schijnbare geringschatting van Zijn kant van een
godsdienstige verplichting, een aanleiding zijn om te struikelen. In Zijn
vernedering tot de dood van het kruis, zou Hijzelf een steen des aanstoots en
een rots der ergernis zijn voor het volk
(Rom.9:32,33) Maar in de zaak van de tempelschatting wilde Hij elke
verontschuldiging voor ongeloof wegnemen. Daarom voldeed Hij het verzoek van de
belastingontvangers door het betalen van het gevraagde geld. De manier waarop
het geldstuk werd verkregen om te betalen, was voor het bijzondere onderwijs
van de discipel en niet, voor zover als wij weten, voor de belastingontvangers.
De Heer bewees aan Petrus dat Hij meer was dan de Koning van Israël, dat Hij
Heer was van de schepping en dat een vis de bewaarder was van Zijn bezit.
Het wonderwerk
De Heer zelf stelt de voorwaarden
vast waaronder de vis moest worden gevangen. Bij nader inzicht ziet men, als
elders is uiteengezet, wat een wonderlijk bewijs dit is van de alwetendheid en
almacht van Christus. Het is een hulpbron voor Zijn discipelen.
Voor het naar behoren vervullen van
het woord van de Heer tegen Petrus was het noodzakelijk:
1.
dat iets in de zee gevangen moest worden;
2.
dat het onmiddellijk gevangen moest worden, hoewel vissers soms de hele nacht
hard moesten werken en niets vingen;
3.
dat de vangst één enkele vis zou zijn, gevangen met een haak en niet een aantal
vissen met een net;
4.
dat de vis geld moest bevatten;
5.
dat het geld in de bek van de vis moest zijn;
6.
dat de eerste vis die gevangen werd het geld zou bevatten;
7.
dat het gevonden geld één enkel geldstuk zou zijn van de juiste muntwaarde die
nodig was.
Er wordt niet verteld in het
evangelie, dat het wonder plaats had, maar er is geen twijfel mogelijk, dat
Petrus, die de aanwijzingen van de Meester gehoorzaamde, vond dat aan al deze
voorwaarden werd voldaan. De stater was op de aangewezen plaats en het was de
juiste som die nodig was om de belasting te betalen voor twee. Of zoals onze
Heer zegt: “voor Mij en jou”.
In de wet van Mozes stond over deze
bijdrage, dat de rijke niet meer en dat de arme niet minder mocht geven dan de
halve sikkel. (Ex.30:15) Op deze plaats vloeien de rijkdommen van de genade in
Christus. Ze stijgen uit boven de armoede van de wet om te voldoen aan zijn
rechtmatige eisen. Als de tempelschatting beschouwd kan worden als een bindende
verplichting dan vinden we hier een volmaakte rechtvaardigheid. Er was precies
een halve sikkel voor ieder, niet meer en niet minder.
Één geldstuk voor
de twee
De bek van de vis bevatte niet 2
halve sikkels. Één voor ieder van hen en ook niet één halve sikkel voor de Heer
alleen. De Heer wilde zich niet scheiden van Zijn dienstknecht en volgeling.
Petrus had alles verlaten om Hem te volgen, die niets had om Zijn hoofd op neer
te leggen. Terwijl hij (Petrus) zijn armoede deelde toonde de Heer Zijn
discipel, dat hij in Zijn overvloed zou delen. Petrus zou zien, dat zilver en
goud het Zijne waren en de vissen van de zee ook. De stater, die je zult
vinden, is voor mij en jou zegt de Heer.
Dit woord is een openbaring van de
luisterrijke genade van onze Heer Jezus Christus ten opzichte van een belijder
van Zijn naam. Petrus was een van de Zijnen, die in de wereld waren, van wie
Hij zei: “waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn” (Joh.12:26) De
discipel moet zijn als zijn Meester, arm als Hij, vervolgd als Hij, rijk als
Hij, verheerlijkt als Hij. Aan de overwinnaars in Laodicea beloofde de Heer: “Wie
overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik
overwonnen en Mij gezet heb met mijn Vader op zijn troon” (Op.3:21) Hij,
die gemeenschap heeft met het lijden van Christus, zal ook ingaan in de vreugde
van zijn Heer. De voornaamste karaktertrek van deze grote gemeenschap, waarvan
het evangelie en de brief getuigen, werd die dag in Kapernaüm gezien. “Één
stater voor Mij en voor u.” In deze genadige woorden zien wij: “De liefde, die
niet geeft zoals de wereld geeft, maar deelt, al wat ze bezit met haar geliefde
mede-erfgenamen.”
De penningen van de weduwe
Markus 12:41-44
Hier vinden we nog een offerande van
geld voor een godsdienstig doel, maar de munt heeft een andere naam en waarde.
Deze offeranden werden niet verzameld in Galilea en elders, zoals de zilveren
halve sikkel uit het vorige artikel. (Mat.17:24-27)
Dit offer was een vrijwillig offer in
de voorhof van de tempel zelf door hen, die daar kwamen om te aanbidden. De
opbrengst werd gebruikt om de kosten van de priesterlijke en Levietische dienst
te bestrijden en voor het onderhoud van de tempelgebouwen. Bij deze bijzonder
gelegenheid, omdat het Paasfeest ophanden was, werden zeker bijzondere
geldelijke offers gebracht om de uitgaven te bestrijden.
Het voorval van de edelmoedige gift
van de weduwe geschiedde op een ernstig ogenblik in de dienst van onze Heer.
Het was nog maar een dag of drie, vier voor Zijn kruisiging. De hopeloze
geestelijke toestand van het volk was pas daarvoor nog levendig aangetoond aan
de discipelen door de onvruchtbare vijgenboom, die na de vloek van onze Heer
van de wortel af verdord was.
De volgende dag waren er ontmoetingen
met de overpriesters en schriftgeleerden en oudsten (Mark.11:27) in de tempel
voorhof, die Hem zochten te vangen op Zijn woorden door hun vragen.
(Mark.12:13) Zij faalden in die opzet om op die manier een formele
beschuldiging tegen Hem te vinden. De Heer zat tegenover de schatkist, waar Hij
bij een vorige gelegenheid neergezeten had en het volk had geleerd. ((Joh.8:20)
Uit Joodse bron weten we, dat dit
gedeelte van de tempelgebouwen, zo werd genoemd, omdat er een aantal kisten of
koffers stond, waarin godvrezende mensen alle offers konden brengen, die ze
wilden geven. De kisten hadden grote
openingen of monden, die naar beneden spits toeliepen in een nauwe gleuf en
stonden bekend als “trompetten” vanwege hun vorm.
De Heer keek, of
liever bekeek, hoe de menigte geld in de offerkisten wierp. Veel van de
offeraars waren rijk en blijkbaar wierpen ze er veel in. Dat is, veel
geldstukken, op een opvallende manier, zoals sommigen de gewoonte hebben te
doen bij zulke gelegenheden.
Toen kwam er een
offer van een heel ander soort onder de aandacht van de Heer. Een uitzondering
op de regel. Een vrouw kwam alleen naar de offerkist. Ze was een eenzame
verlaten weduwe, zoals er zoveel waren in dat land. Bovendien wordt er vermeld,
dat ze arm was. Inderdaad een zeer arme vrouw. Misschien was het iemand, die
door de geldgierigheid van de schriftgeleerden arm was geworden. Die, net zoals
de Heer het net gezegd had, “de
huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden” (40). Armoede en ellende had de
weduwe niet verbitterd en haar dankbaarheid aan God was ook niet opgedroogd.
Zij wilde zich niet de vreugde laten ontnemen om aan de Grote en Goede Gever
iets te geven. Zij ging naar het huis des Heren met haar offer en wierp in de
grote offerkist haar twee kleine koperstukjes7.
Markus verklaard dit voor de Romeinse lezers van zijn evangelie door het woord
Kwadrant8 die de waarde vertegenwoordigt voor
de koperstukjes.
Daarna ging de weduwe weg, zich
schijnbaar onbewust, van de opmerkzame ogen van de Heer Jezus. Ze had nu geen
zichtbare middelen van bestaan meer. Geen hoop voor de toekomst, behalve dan de
arbeid die ze nog kon doen. Zij had afstand gedaan van haar hele vermogen,
daardoor beval ze zich aan in de tere barmhartigheid van Jehova, Die, in Zijn
heilige woning, waarheen zij gekomen was, de Rechter is, in het bijzonder van
de weduwen en wezen. (Ps. 68:6; 146:9)
De penningen of
Lepta
De munten uit dit verhaal waren niet
van zilver maar van brons of koper. Ze hadden daarom een betrekkelijk geringe
waarde. De rijken wierpen veel bronzen of koperen munten in de offerkist. Dat
konden ze gemakkelijk doen van hun overvloed en rijkdom.
De twee penningen van de weduwe
heetten “lepta”. De naam “lepton” is Grieks van oorsprong. Daar bestond in die
tijd zo’n munt en inderdaad, die naam bestaat nu nog onder de Griekse munten.
De twee penningen waren samen een Kwadrant (kodrantes) wat een kleine Romeinse
munt was. Omdat de Kwadrant een Romeinse munt was, kon dit niet gebruikt worden
voor een offerande, omdat het gebruik van vreemd geld in de tempel verboden
was. Dat was de reden dat de geldwisselaars hun beroep uitoefenden in de
tempelvoorhof. De Heer had de vorige dag nog hun tafels omgekeerd. (Mark.11:15)
Deze geldwisselaars waren natuurlijk gemakkelijk voor hen, die van ver, net
zoals de Ethiopische kamerling, naar Jeruzalem kwamen en niet de vereiste
Joodse munt bezaten.
De koperen penning of lepton, waarvan
de weduwe twee stuks offerde voor de dienst van God, was ongetwijfeld de Joodse
munt, bekend als de perutah. Het was de kleinste munt, die in omloop was en
woog maar 15 grein.9 Munten van gelijk gewicht worden nog
altijd geslagen voor de circulatie. (Een bronzen munt van gelijk gewicht wordt
in Londen geslagen voor gebruik op Malta, waar het de waarde heeft van 1/3
farthing (cent).
Behalve in dezelfde gelijkenis in
Lukas 21:1-4 werd door onze Heer melding gemaakt van de geringe waarde van de
penning of lepton bij een andere gelegenheid. Bij deze gelegenheid doelt de
Heer op de schuldige en strafbare toestand van het Joodse volk bij de
gelijkenis van de gevangen gezette schuldenaar. De Heer zegt daar: “Ik zeg
u: u zult daar geenszins uitkomen voordat u ook het laatste koperstukje
betaalt.” (Luk.12:59)
Wat de penningen
leren
Wij kunnen niet anders dan
herinneren aan: “De ogen des Heren zijn aan alle plaatsen, opmerkzaam acht
gevend op kwaden en goeden” (Spr.15:3). In het bijzonder in de “tempel”
onderzoekt Hij nauwkeurig onze beweegredenen en de omvang van onze geestelijke
gaven. Onze gaven worden gewaardeerd net zo als zij gegeven worden en hun
betrekkelijk verdiensten onfeilbaar vastgesteld.
Zittend tegenover de schatkist, zag
de Heer ongetwijfeld enkelen, die de tienden van hun bezittingen gaven. Maar
hoe hoog zij ook zichzelf schatting oplegden, zij schoten in vergelijking
allemaal tekort in Zijn achting. Hij zei niet, dat hun giften geen waarde had,
maar de gift van de weduwe was voortreffelijker. Haar offer werd beoordeeld
naar de kwaliteit en niet naar de kwantiteit. Zo oordeelde de Heer op die tijd
en het verhaal wordt ons gegeven zodat ook wij nu onze gaven kunnen toetsen.
De weduwe gaf God van haar armoede.
De rijken gaven van hun overvloed. Een soortgelijke opofferende geest lezen we
van de gemeenten in Macedonië, die in een tijd van veel beproeving en verdrukking
de overvloed van hun blijdschap toonden en in hun diepe armoede overvloedig
zijn geweest in de rijkdom van hun liefdadigheid. (2 Kor. 8:2)
2) God zag de werken van Zijn
schepping en zag dat ze zeer goed waren. Nog meer: “God heeft een
blijmoedige gever lief” (2 Kor. 9:7). Was dat geen blijdschap voor onze
Heer, aan het einde van een dag van strijd met de lege vormendienst van de
godsdienstige leiders van het volk, deze eenvoudige godsvrucht en edele barmhartigheid van
een arme weduwe? Tevergeefs keek Hij uit onder de priesters en schriftgeleerden
en de opdringende scharen naar dezulken die God aannamen en naar Hem zochten.
De verfrissing en het welbehagen van Zijn geest werd gevonden in deze heerlijke
heilige, (Ps.16:3) hoewel ze door de Farizeeën veracht zou worden. Hij, die
zelf arm was geworden om ons rijk te maken. Hij, die verkocht al wat Hij had,
zag een zwakke gelijkenis met Zijn eigen grote offerande.
Deze gebeurtenis
schonk een van die heerlijke lichtstralen en troost aan de man van smarten in
de donkere en donkerder wordende uren van die laatste week. Er was vreugde voor
Hem in de weduwe en haar penninkjes, in het Hosanna van de kinderen, in Maria
van Bethanië en haar kostbare zalving, in de belijdenis en het beroep van de
boosdoener op het kruis. Dankbaar en vrolijk nam de gehoorzame Zoon deze
gunsten van de Vader aan, die Hem gezonden had. “Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel
en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen,
en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard” (Luk.10:21). “Zij waren de uwen en U hebt ze Mij
gegeven” (Joh.17:6). “want van de zodanigen is het koninkrijk van God” (Mark.10:14).
Het is belangrijk op te merken,
wat de goddelijke basis van waardering is. De maatstaf van het heiligdom is
heel anders dan die van de markt. In het huis van God worden “worden de
daden getoetst” (1Sam.2:3). Hierdoor is het mogelijk dat 30 grein koper een
grotere waarde kan hebben dan 30 talenten goud.
De grootheid van de gift telt niet
zozeer in de schatting van het hemelse koninkrijk, als wel het bedrag dat
overblijft. De rijken hielden nog altijd een overvloed over, maar de weduwe
niets. God weigert het povere offer van de arme niet, maar Hij wil het
armetierige offer van de rijke niet aannemen. (Mal.1:13)
Er wordt wel eens gezegd, dat een
praktische test van de hoedanigheid van onze gaven is de vraag aan ons zelf,
hoe ervaar ik deze gave? Raak het mij? Als het antwoord niet eerlijk bevestigen
kan gegeven worden, dan moet ik mijn gave vergroten. Bijvoorbeeld, als ik 10 €
heb gegeven zonder dat ik het merkte, laat ik dan proberen, wat het gevolg van
het geven van 50 € is.
Voorzichtige mensen verontschuldigen
zich soms voor hun gebrek om edelmoedig te geven met de smoes, dat hun geld
door de ontvangers misschien verkeerd gebruikt wordt. Het is mogelijk, dat de
penningen van de weduwe bijgedragen hebben aan het loon dat de overpriesters
betaald hebben aan Judas, de verrader. Maar zeker is, dat de Heer door Zijn
aanbeveling de gift bijzonder onder de aandacht van de discipelen bracht. De
arme weduwe wist niets af van het vreselijke plan van de priesters en Judas.
Haar gift was voor God en de Heer keek naar de bedoeling in het hart van de
geefster. (2Kor.9:7) Op Zijn tijd zal de Heer rekening houden met de daden van
Judas en de verantwoordelijke leiders van het volk.
Er wordt soms een verkeerde
toepassing gemaakt van de aanbeveling van de Heer op de daad van de weduwe.
Soms spreken mensen over hun penninkje10 bijdragen.
Daarmee bedoelen ze, dat ze maar een klein bedrag bijdragen of een kleiner
bedrag dan ze hadden kunnen bijdragen. Maar hun opmerking maakt niettemin
aanspraak op de goedkeuring van de Heer op hun penningen, net zoals de weduwe
die kreeg uit Markus 12. Maar bedenk dan, voor dat men zo’n aanspraak maakt,
dat de weduwe niet alleen maar één van haar penningen gaf maar alle twee. Zij
gaf niet de helft van haar goederen zoals Zacheüs, maar haar hele leeftocht.
De dertig zilverlingen
“Toen ging een van de twaalf, Judas
Iskariot geheten, naar de overpriesters en zei: Wat wilt u mij geven? Dan zal
ik Hem aan u overleveren. Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit. En van
toen af zocht hij een gelegenheid om Hem over te leveren.”
Mattheüs 26:14-16 zie ook 27:3-10
In de geschiedenis van het verraad
van onze Heer door Judas aan de overpriesters en de hoofdlieden van de tempel,
wordt de som geld, die aan de verrader betaald is in het bijzonder verhaald
door Mattheüs als 30 zilverlingen.11 De
juiste uitdrukking door de evangelist wijst aan dat 30 afzonderlijke
muntstukken werden overhandigd of afgewogen voor Judas. In Markus 14:11 en in
Lukas 22:5 wordt dezelfde uitdrukking gebruikt, maar daar in het enkelvoud12. De overpriesters beloofden Judas geld (zilver) te geven. In
deze beide laatste teksten wordt het woord gebruikt in een verzamelnaam, zoals
wij nu zeggen om een persoon in goud of zilver te betalen in tegenstelling met
een betaling in papier of met een cheque.
De tijd was gekomen waarvan de Heer
had gezegd tot de godsdienstige hoofden van de Joden: “dit is uw uur en de
macht van de duisternis” (Luk.22:53). De overpriesters, schriftgeleerden en
de oudsten van het volk kwamen samen in de voorhof van Kajafas en
beraadslaagden tezamen, dat zij Jezus met list zouden grijpen en doden. Hun
besluit om de uiterste straf toe te passen was niet een overijlde beslissing,
maar één na veel overleg de formele gezagsdaad van de hoge raad van het Joodse
volk.
Op dat ogenblik kwam Judas bij hen en
bood zich vrijwillig aan om de Heer Jezus in hun handen over te leveren voor
een vergoeding. Hij zei: “Wat wilt u mij geven? Dan zal ik Hem aan u
overleveren. Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit.” Dat was het
bedrag, dat zij hem wilden geven om de Profeet van Nazareth in hun macht te
krijgen. De 30 zilverlingen moeten daarom beschouwd worden als de nationale
waardering van Hem, die als haar Koning tot de dochter van Sion was gekomen.
In
Exodus is deze zilveren sikkel 1/3000 van een talent, gelijk aan 132 gram
En zoals de raad
van de Joden bereid was dit bedrag te geven, zo was Judas bereid te proberen
Zijn Meester ter dood over te leveren voor deze vergoeding. Dit overeengekomen
bedrag aan geld kan eigenlijk niet bij toeval genoemd zijn. De leden van het
Sanhedrin waren allemaal bekend met de Schriften. Ze waren allemaal ijveraars
voor de wet en door en door bekend met de wetten van de Mozaïsche bedeling.
Daarom kunnen zij niet onbekend geweest zijn met het feit, dat 30 zilveren
sikkels de vergoeding was die door Mozes was voorgeschreven als betaling aan de
eigenaar van een mannelijke vrouwelijke slaaf, die dood gestoten was door een
os (Ex.21:32)13. Zij moeten ook
geweten hebben dat 30 zilverstukken werden genoemd in de profetieën van
Zacharia 11:13.
Dat was dus de
prijs, die de zonen van Israël hadden gezet op de Heer Jezus en dat was de
prijs, die de afvallige discipel wilde aannemen. “Voor u dan die gelooft, is dit
kostbare” (1Petr.2:7)
Voor Zijn eigen volk was Hij de verachte en die ze niet achtten. In hun ogen
kon de Messias verkwanseld worden voor de prijs van een slaaf.
Wat waren de
zilverstukken?
Eerder is gezegd dat het woord
“zilverstuk”in Lukas 15:8, 9 een drachme betreft. Een grieks zilverstuk en dat
dit woord in het Nieuwe Testament nergens anders voorkomt. Het woord “arguria”
dat gebruikt wordt voor de betaling van Judas is algemeen in zijn betekenis en
duidt alleen aan dat de munten van zilver en niet van goud, koper of brons
waren gemaakt. Het geeft dus geen aanwijzing betreffende hun waarde of naam. Er
wordt alleen gezegd, dat de verrader 30 zilverstukken ontving.
Enige hulp in de vraag kan verkregen
worden uit het verband. Daar vindt u, dat de priesters het geld uit de
tempelschat namen. Want we lezen, dat Judas later het zilver naar de tempel
terugbracht en in de heilige plaats wierp. De priester gebruikten het geld
later om het veld van de pottenbakker te kopen vanwege hun gewetensbezwaren om
het “bloedgeld”in de offerkist te werpen. Dat is waar de Korban of heilige
gaven werden opgeslagen of gelegd. (Mark.7:11)
Als deze zilverstukken eerst uit de
tempelschat waren genomen, zou dat voldoende reden zijn geweest om te geloven,
dat het sikkels of staters zijn geweest, die opgehaald was door de belasting
geheven door de priesters van het Joodse volk voor het onderhoud van de tempel.
Sommige mensen hebben deze stukken
wat haastig aangezien als Romeinse denaren of zilveren penningen. Het is heel
onwaarschijnlijk, dat de kwezelachtige Joodse priesters de betaling zouden doen
in Romeins geld, dat het beeld en het opschrift droeg van hun verfoeide
overheerser. De gevangenneming van de Galilese Leraar was een godsdienstige
zaak voor hen en lag daarom onder de rechtsbevoegdheid van de tempel. Ze waren
echter verplicht zich te beroepen op een heidense rechter, omdat zij zelf de
doodstraf niet mochten toepassen, die zij beweerden dat door de wet werd
geëist. (Joh.19:7)
Geldwisselaars zaten in de tempel
voorhoven en het is onwaarschijnlijk, dat de tempelschat Romeinse munten
bevatte, met zo’n makkelijke manier om te wisselen bij de hand.
Ook het feit, dat het bedrag zelf
gegrond was op de som door de wet voorgeschreven als vergoeding voor de dood
van een slaaf, werk in het voordeel van de overeenkomst met de tempelbelasting,
die gegrond was op het zoengeld voorgeschreven door diezelfde wet. Om het samen
te vatten: Het uit betaalde geld is eerder 30 sikkels of staters geweest dan 30
denaren of penningen.
Welke profetie werd
vervuld?
Nu enkele woorden over de profetie
door Mattheüs aangehaald en door hem aangegeven als te zijn vervuld. “Toen
is vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia, die zei: 'En zij namen de
dertig zilverlingen, de waarde van de Gewaardeerde, waarop die van de zonen
Israels Hem gewaardeerd hadden, en gaven die voor de akker van de pottenbakker,
zoals de Heer mij had opgedragen'.” (Matt.27:9,10) Uit deze aanhaling kan
men zien, dat Mattheüs aantoont dat deze profetie voorzegde:
1.
wat het juiste bedrag aan geld was;
2.
dat dit geld de waardering was, waarmee de Israëlieten Hem waardeerden;
3.
dat dit bedrag uiteindelijk betaald werd voor de akker van de pottenbakker;
4.
dat deze daad gebeurde overeenkomstig de wil van de Heer.
Mattheüs zegt dat deze profetie van
Jeremia was. Maar als wij het Oude Testament nakijken vinden we geen spoor van
zo’n profetie in het boek van Jeremia. In Zacharia vinden we er een die in
algemene betekenis gelijk is, hoewel niet met de precieze woordelijke
overeenkomst. We lezen daar: “Werp ze henen voor den pottenbakker: een
heerlijken prijs, dien ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die
dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des HEEREN, voor den
pottenbakker.” (Zach.11:12,13)
De belangrijkste karaktertrekken van
de profetie van Zacharia zijn:
1.
De 30 zilverlingen worden beschouwd als de huur of het loon dat betaald is aan
de Goede Herder voor Zijn diensten aan het volk;
2.
Jehova vraagt Hem dat geld weg te werpen voor de pottenbakker;
3.
Hij spreekt van de 30 zilverlingen als een heerlijke prijs in verachting
4.
De Herder werpt ze naar de pottenbakker in het huis de Heren.
Als we Mattheüs vergelijken met
Zacharia vinden we een algemene overeenstemming tussen:
1.
het noemen van de 30 zilverlingen;
2.
dat dit bedrag aangezien wordt als de warde van de Heer Jezus geschat door
Israël;
3.
in het betalen van dit bedrag aan de pottenbakker;
4.
in het soevereine doel van God dat de boze gedachten van de mensen overheerst.
Maar er zijn ook treffende
verschilpunten. Zacharia beschrijft een tweespraak tussen Jehova en Zijn Herder
van de kudde over het loon, dat Hem aangeboden wordt en dan Zijn wegwerpen er
van in het huis des Heren. Terwijl, Jeremia, zoals Mattheüs die aanhaalt, stelt
de priesters voor, die de 30 zilverstukken nemen, “de waarde van Hem, die de
kinderen van Israël waardeerden” en ze gaven voor het veld van de pottenbakker.
Welke profetie haalde Mattheüs aan?
Wij geloven, dat hij een profetie aanhaalde, die gesproken is door
Jeremia, zoals hij zelf bevestigt in zijn evangelie. Het eerste evangelie was
in het bijzonder geschreven voor de Joden en geeft overvloedige bewijzen uit
het Oude Testament, dat Jezus de Christus was. Wij geloven niet, dat Mattheüs
zo onwetend was, dat hij onbekend was met de profetieën van Jeremia en
Zacharia. We geloven ook niet, dat hij een fout maakte en zo slordig was om per
abuis de naam Jeremia op te schrijven in plaats van Zacharia. De
veronderstelling van zo’n vergissing is uiterst weerzinwekkend voor hem, die
gelooft in de Goddelijke inspiratie van de Schrift.
Niet alle profetieën door
geïnspireerde mannen gegeven zijn aan de Schrift toevertrouwd. De profetie van
Henoch wordt alleen verteld door Judas (14) De woorden van onze Heer Jezus die
aangehaald worden door Paulus worden niet in de evangeliën gevonden.
(Hand.20:35) Waarom zou Mattheüs geen profetie mogen aanhalen die door Jeremia
gesproken is, maar niet in zijn boek is geschreven? Mattheüs haalt in hoofdstuk
2:18 wel een profetie aan van Jeremia die wel staat in Jeremia 31:15. Zacharia
profeteerde ook over de 30 zilverlingen, maar bekijkt de gebeurtenis vanuit een
ander standpunt, zoals hierboven uiteengezet. Deze profeet legt de klemtoon op
de verachtelijke waardering door het huis van Israël van de dienst van de goede
Herder en voorspelt verder, dat het loon aan de oorspronkelijk bestemming
onttrokken zou worden om gegeven te worden in de hand van de pottenbakker omdat
de Heer de boze plannen van Zijn volk verwierp.
Zo gezien zijn de teksten in Zacharia
en Mattheüs niet met elkaar in tegenspraak, maar vullen elkaar aan en ook de
mondelinge profetie van Jeremia.
OVER GOKKEN NAGEDACHT

God
wil toch dat ik het goed heb en geen zorgen meer hoef te maken over m'n
geld. Misschien dat ik dan het beste een lot kan kopen en dat God me
dat dan laat winnen... Goed plan toch?!
Zorgen maken is niet goed. Heeft geen zin. De bijbel zegt: Werpt al uw zorgen (geldzorgen included) op de Heer (bidden dus).
Gokken kan gedefiniëerd worden als “het op het spel zetten
van geld in een poging om het geld te vermeerderen door dit in te
zetten op iets dat niet waarschijnlijk is”. De Bijbel veroordeelt
gokken, wedden of de loterij niet specifiek. Maar de Bijbel waarschuwt
ons wel om weg te blijven van geldzucht (1 Timoteüs 6:10;
Hebreeën 13:5). De Schriftteksten moedigen ons ook aan om ons niet
in te laten met pogingen om “snel rijk te worden” (Spreuken
13:11; 23:5; Prediker 5:10). Gokken concentreert zich zeer zeker op de
liefde voor geld en verleidt mensen onmiskenbaar met de belofte om snel
en eenvoudig rijk te worden.
Dit gezegd hebbende:
'Gokken' wordt niet letterlijk genoemd in de bijbel. Maar de bijbel is
wel duidelijk over geld, het verkrijgen van geld en motieven
daaromtrent.
Let op; Geld op zich is niet verkeerd, maar de liefde voor geld:
Want de wortel van alle kwaad is geldzucht. Door zich daaraan over te
geven, zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben ze zichzelf
veel leed berokkend. (Bijbel, 1 Timoteus 6:10 )
Goede, gezonde omgang met geld leren we veelal uit het Bijbelboek Spreuken. Bijvoorbeeld:
In de schoot geworpen rijkdom is weer snel verdwenen, gestage groei maakt rijk. (Bijbel, Spreuken 13:11)
In 1 klap rijk willen zijn is niet wijs. Dus tenzij God het geeft, hoef
je daar Zijn medewerking niet te verwachten. Hij wil namelijk het beste
voor je.
Voordat God ons meer toevertrouwt (in de breedste zin van het woord), zal Hij in ons hart kijken of we niet hebzuchtig zijn:
Een opziener moet als beheerder van Gods huis onberispelijk zijn: hij
mag niet eigenzinnig optreden, niet driftig zijn, niet te veel drinken,
niet gewelddadig zijn en niet hebzuchtig. (Bijbel, Titus 1:7 )
Werken is een zegen. Wie probeert 'snel geld te maken' omdat hij/zij niet wil werken, hoeft ook Gods zegen niet te verwachten:
Wij horen namelijk, dat sommigen onder u zich ongeregeld gedragen, door
geen werk te verrichten, maar bezig te zijn met wat geen werk is; 12
zulke mensen bevelen wij en wij vermanen hen in de Here Jezus Christus,
dat zij rustig bij hun werk blijven en hun eigen brood eten. (Bijbel, 1
Thessalonicenzen 3:11)
Tot slot leert het leven en gezond verstand ons dat geldspellen
verslavend werken en alleen al om die reden zouden gelovigen zich daar
niet mee in moeten willen laten, omdat we dan overheerst worden.
Bovenstaande lijkt uit te sluiten dat God ooit iemand die kant op kan
of zal sturen. Toch liet Jezus Zich juist in met tollenaars. Hij
Evangeliseerde dus op 'bedenkelijke' plekken. Dat is alleen wel een
roeping en niet iets wat de mens zelf kan kiezen. God zal altijd mensen
roepen die met de verleidingen en bedreigingen van de omgeving om
kunnen gaan. Daarom kunnen en mogen wij m.i. niet voor God bepalen of
Hij mensen een loterij kan of wil laten winnen.
De angst voor de gevaren rond geld doet mensen ook vaak alleen ertegen
waarschuwen. Terwijl God het als middel ziet om ongelovigen te bereiken
en goed werk te doen. (Zie hoofdstuk 6 van onze fundamentencursus) De
angst zou dan ook niet moeten zijn voor geld, maar voor de liefde voor
geld. Veel mensen zonder geld, hebben wel de liefde voor geld,
maar ze denken 'veilig' te zitten door er weg te blijven. Dat is geen
goede zaak. We zouden allemaal betrouwbaar met geld moeten willen en
leren worden, om Gods werk compleet te kunnen doen.
1 Timoteüs 6:10 vertelt ons: "Want de wortel van alle kwaad is
geldzucht. Door zich daaraan over te geven, zijn sommigen van het
geloof afgedwaald en hebben ze zichzelf veel leed berokkend".
Hebreeën 13:5 verkondigt: " Laat uw leven niet beheersen door
geldzucht, neem genoegen met wat u hebt. Hij heeft immers zelf gezegd:
‘Nooit zal ik u afvallen, nooit zal ik u verlaten". En
Matteüs 6:24 zegt: "Niemand kan twee heren dienen: hij zal de
eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn
aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen
én de mammon [geld]."