Gelijkenissen van Jezus
Inleiding op deze serie
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Een inleiding op deze serie van 29 leerzame lessen
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
| 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 |
| 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 |
| 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 |
| 29 | A | B | S |
Het spreken in
gelijkenissen (parabels) was voor Jezus een volkomen natuurlijke manier
van spreken, en was kenmerkend van zijn stijl van leren. Aan het begin
van het Evangelie naar Markus – nadat Jezus maar net begonnen
was met zijn bediening – staat dat Jezus “alleen in
gelijkenissen tegen hen sprak”. Het moet ons dus duidelijk
zijn dat, wanneer we het denken van Jezus zelf willen begrijpen, we
geen beter studieobject kunnen vinden dan zijn gelijkenissen. Wij mogen
deze gelijkenissen grondig bestuderen met een open verstand en hart
– open om te leren en open om vreugde toe te laten.
Bijbel
Wat is een gelijkenis?
"De leerlingen kwamen naar Jezus toe en vroegen: 'Waarom spreekt u in
gelijkenissen tot hen?' Hij antwoordde: 'Jullie mogen de geheimen van
het koninkrijk van de hemel kennen, hun is dat niet
gegeven…'" (Matteüs 13, 10-11 en volgende)
Een tekst die op het eerste gezicht verwondering wekt. Hij lijkt te
zeggen dat het licht systematisch aan de leerlingen geschonken werd en
voor de anderen verborgen werd gehouden. Het is hier belangrijk eraan
te herinneren dat we de exacte woorden van Jezus niet kennen, men heeft
ze niet geregistreerd.
Het evangelie bericht ons wat de eerste christelijke gemeenschappen
ervan onthouden hebben. Blootgesteld als deze waren aan onbegrip, soms
zelfs aan gewelddadig verzet van schriftgeleerden en hogepriesters,
zijn ze geneigd geweest de kloof tussen hen en hun tegenstanders te
versterken.
Deze passage toont aan dat een onderrichting pas verhelderend wordt als
men verlangt haar te begrijpen. Het is niet alleen een kwestie van
luisteren naar wat gezegd wordt, men moet zich in zekere zin
openstellen voor de boodschap die aangeboden wordt. Een bijbelse tekst
is niet dwingend uit zichzelf.
Iedereen krijgt de vrijheid ervoor open te staan of niet. Ervoor
openstaan vraagt een blik en een luisterend oor waaruit vertrouwen
blijken. Anders kan geen enkel woord bij ons 'binnen'. En hier gaat het
om een woord dat van de toehoorder een inspanning vraagt, want het kan
op vele manieren begrepen worden, en geen enkele uitlegging put de
rijkdom van het gezegde uit.
Jezus legt iets voor, nodigt uit. "Kom en zie!" Gebruikmakend van
gelijkenissen opent hij een hele waaier van mogelijke benaderingen en
bevrijdt hij de teksten van zogezegd vanzelfsprekende interpretaties.
Het lezen van de bijbel heeft een belangrijke plaats ingenomen in het
christelijk geloof van velen. Het vervangt de zekerheden van de leer
van vroeger, nuanceert en verrijkt die. Wie zijn persoonlijke lectuur
afwisselt met uitwisselingen in bijbelse gespreksgroepen, wordt
vertrouwd met de evangelies en andere bijbelse geschriften, maar kan
daaruit geen kant-en-klare waarheden putten. Hij wordt op een
existentieel niveau aangesproken, en confronteert zich met de
levenservaring van Jezus.
Met zijn verscheidenheid van interpretaties daagt het evangelie ons
innerlijk uit. Het woord dat we horen pint ons niet vast, maar
verbreedt onze horizon. Het redeneren en nadenken over de leer wordt
niet uitgeschakeld. Maar nu komen we wegen ten leven op het spoor. En
hierop kunnen we slechts antwoord geven door onze eigen manier van zijn
en handelen in de weegschaal te gooien.
Lees ook eens het document: Wat is een gelijkenis eigenlijk?
Handig Hulpmiddel: Een overzicht van de Gelijkenissen
Binnen het
onderwijs in Israël werden geestelijke dingen vaak
verduidelijkt door beelden, verhalen en vergelijkingen
In het Oude Testament kom je dat veelvuldig tegen. Denk bij voorbeeld
aan de Spreuken van Salomo, het beeld van de wijngaard, het verhaal van
de profeet Nathan en koning David na diens zonde met Bathseba6.
Ook in het Nieuwe Testament gebruikte men beelden en vergelijkingen.
Denk aan Johannes de Doper, die sprak over adderengebroedsels, de bijl
die aan de wortel van de bomen ligt, het doorzuiveren van de dorsvloer
en de wan9. Jezus Zelf maakte ook volop gebruik van beelden en
vergelijkingen. Zo sprak Hij over zout1, een stad op de berg1, de
kandelaar1, de splinter en de balk in het oog1, wolven in
schaapsklederen1, de wijnzak die gescheurd is1, enzovoorts.
Steeds maakte Jezus gebruik van pakkende beelden om Zijn wil te
verduidelijken.
Maar van al deze vergelijkingen, illustraties en beelden moeten we de
latere gelijkenissen duidelijk onderscheiden.
Een gelijkenis zou je kunnen omschrijven als een verhaal met beelden uit het dagelijkse leven, dat een geestelijke strekking heeft. Een gelijkenis spreekt over alledaagse dingen en gebeurtenissen, maar ze doelt daarmee op iets anders. Dat geeft een unieke plaats aan de verhalen in de vorm van gelijkenissen in het onderwijs van Jezus.
Daarbij moeten we een
gelijkenis wel onderscheiden van een allegorie. Bij een allegorie is er
sprake van een doorlopende beeldspraak, waarbij allerlei elementen
vergeestelijkt worden. Het kenmerkende van een gelijkenis is dat er
meestal sprake is van één hoofdthema. Dat
hoofdthema heeft dan een geestelijke strekking.
Gelijkenissen zijn net van die spiegeltjes waarmee de kinderen op
school het zonlicht vangen en overal langs laten spelen...en als ze er
in kijken zien ze ieder zichzelf.
De bekende gelijkenis van de
barmhartige Samaritaan
A. "De naaste is niet zomaar iedere 'medemens' in het wilde weg. Naar
bijbels besef is de naaste díe medemens die als getuige van
Gods goedheid (weldadigheid), meestal zonder dat hij het zelf weet, ons
leven binnentreedt. Hij mag misschien lastig schijnen, misschien zelfs
hulpbehoevend zijn, maar hij is onze weldoener, hij heeft ons iets
dringends te vertellen: hij is altijd voor mij de directe getuige van
Gods weldadigheid." Zo Tom Naastepad.
Het is opmerkelijk hoe
Lukas in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan de hoorders en de
lezers, dat zijn wij, leert kijken door het oog van de man die beroofd
langs de weg ligt.
Met name Lukas heeft veel verhalen en gelijkenissen waarin dit aspect
aan de orde komt: arm en rijk en de gerechtigheid van het Koninkrijk.
Hij heeft vooral aandacht gehad voor Jezus' woorden die daarover gingen.
Jezus komt telkens weer
op voor de armen, de zwakken, de zieken en de gekwetsten. Dat zet de
toon als hij spreekt over het Koninkrijk van God, en over de normen die
daar gelden.
Jezus komt op voor wie genegeerd wordt, voor wie vergeten wordt en niet
tot haar recht komt. De vrouwen en de mannen die leven aan de rand, in
de schaduw, hulpelozen zonder helper.
Bij die mensen laat Hij het koninkrijk beginnen.- Priesters en
schriftgeleerden ten spijt.
Daarom stelt Jezus na het vertellen van deze gelijkenis de vraag: Wie
is de naaste van het slachtoffer? Om hen gaat het immers?!
Naaste-zijn, is niet een relatie, een verhouding van bovenaf, Het gaat
om de vraag voor wie ben ik de naaste.
En het antwoord daarop is eenvoudig: iedereen die God op onze weg
plaats en er beroerd aan toe is, ongeacht de vraag waardoor dat is
gekomen: eigen schuld of door andermans schuld voor die mag ik de
naaste zijn!
Het gevaar is groot gemeente dat u nu denkt ja, dat is allemaal wel zo,
maar het wordt toch wel een tamelijk horizontaal verhaal.
Gaat het in de kerk weer over naastenliefde en over diaconaat, want
helpen wie geen helper heeft is immers de diaconale taak van de kerk.
Ja dat is ook zo. Alleen, Jezus zelf heeft het zo gezegd, en Lukas
heeft het zo verstaan, en opgetekend: Antwoord op de vraag wat ik moet
doen om in Gods eeuwige liefde te delen is de wet betrachten en voor
wie ik op mijn weg tegenkom een naaste zijn! Wie dat doet zegt Jezus is
een kind van God.
Ga heen en doe gij evenzo...
Jezus vraagt aan een geleerde: Wie is de naaste van het slachtoffer.
Dat is de tegenvraag, de wedervraag aan de wetgeleerde die Jezus eerder
had gevraagd: Wie is mijn naaste?
Is dat zo moeilijk te beoordelen? Ja kennelijk wel. Wij zijn liever
vriend en naaste van wie onze gelijken zijn, dan van mensen die er
volgens ons slecht aan toe zijn.
Maar vanuit de gezichtshoek van de beroofde moet deze wetgeleerde eerst
maar eens bekijken hoe hij zijn gelijken, zijn geloofsgenoten, ziet.
Zijn die wel zo goed?
Wat deden ze eigenlijk?
Nou niet veel.
Ze lopen met een grote boog om het slachtoffer heen.
De priester en de leviet, ze komen nog wel uit Jeruzalem...
Maar een Samaritaan, een ketter, een verguisde, die wordt hem ten
voorbeeld gesteld.
Want God dienen, en dat deed de vragensteller ongetwijfeld, God dienen
met heel je hart en al je verstand is niet áf als je niet in
de minste van de mensen heel concreet de uitdaging van God zelf ervaart.
Als je je zo durft te geven, zal je pas echt leven, zegt Jezus:
Doe dit en gij zult leven (vs. 28)
B. Daarmee heeft Jezus tegelijk ook iets gezegd van het eeuwige leven,
waarnaar in vers 25 gevraagd wordt: meester wat moet ik doen om het
eeuwige leven te beërven?
In de taal van die dagen is dat het leven zoals de Eeuwige dat bedoeld
heeft, met alle mogelijkheden die je in je hebt.
Jezus maakt in de
gelijkenis van de barmhartige Samaritaan duidelijk dat de mens daaraan
voorbij gaat als hij niet in staat is God en de naaste lief te hebben.
Dan raken we buiten dat eeuwigheidsleven.
Dat is het ware leven, eindeloos, ontheven aan alle dood en
vergankelijkheid en bederf, een ongestoorde gemeenschap met de levende
God.
De weg naar de priesterstad Jericho is een onveilige weg, dwars door de
woestijn. De woestijn waar de bandeloosheid heerst de demonen op de
loer liggen.
De priester en de leviet. Terug van hun tempeldienst, treffen een in
elkaar geslagen beroofde medemens aan. Maar ze helpen niet. Dan ben je
inderdaad ver af geraakt van het eeuwige leven.
Voor hen is de vraag wie
de naaste is een theoretische aangelegenheid geworden. Misschien
discussiëren ze er wel eens over op het tempelplein, maar op
deze concrete, en zeker niet gemakkelijke levensweg, verschuilen ze
zich achter hun theorie en steken de handen niet uit de mouwen.
3. Niet alleen in die dagen kon men eindeloos discussiëren of
de naaste alleen volksgenoot, land- of geloofsgenoot was en waar de
grenzen liggen om te helpen.
Ook in onze dagen worden er moeizame discussies gevoerd over bijv. de opvang van vluchtelingen in ons land. En welke status(!) men hen moet geven. Alsof je daarop zit te wachten als je met niet veel meer dan een handtas met wat bagage je eigen land hebt moeten ontvluchten in de hoop dat je in een rijk land als het onze je toevlucht zocht.
En de priester en de leviet zij liepen er met een grote boog omheen:... hier hebben wij niets mee te maken.
Gelukkig voor de
vluchtelingen zijn er een aantal vrijwilligers actief. Barmhartige
Samaritanen die gelukkig nog net op tijd langs komen.
En zonder zich te bekommeren, wordt het slachtoffer op de ezel gezet en
naar de herberg gebracht.
Naast de ergernis dat Jezus een vreemdeling, een Samaritaan ten voorbeeld stelt, en misschien zelf wel in de Samaritaan herkend wil worden, is er de schok voor de wetgeleerde dat hij niet zelf, van bovenaf, mag uitmaken wie zijn naaste is, maar dat dat van onderop moet gebeuren, vanuit de positie van het slachtoffer.
Naar bijbels besef is de
naaste díe medemens die als getuige van Gods weldadigheid,
meestal zonder dat hij het zelf weet, ons leven binnentreedt. Hij mag
misschien lastig schijnen, misschien zelfs hulpbehoevend zijn, maar hij
is onze weldoener, hij heeft ons iets dringends te vertellen!
Waarom? Wel hij herinnert ons er aan wie Jezus is. De geslagene, de
gekruisgde.
De wetgeleerde die zijn vraag aan Jezus stelt doet dat om, zoals er
staat zich te rechtvaardigen. Die uitdrukking gebruiken wij meestal als
iemand zich ergens met een mooie smoes van af wil maken... Toch denk ik
niet dat Lukas wil zeggen dat de wet- geleerde maar iets stond te
verzinnen om met Jezus in gesprek te raken. Nee, als Lukas zegt: hij
stelde die vraag om zich te rechtvaardigen dan zit daarin ook iets van
het goede, dat deze man had bedacht. Hij vond echt van zichzelf dat hij
trouw God wet volbracht...wat kun je dan nog meer doen?
Ten diepste hoor ik in zijn vraag ook een roep om God.
Wie is het die mij redt,
wie is mij het naast?
Dat is hetzelfde als de vraag Waar is nu mijn God... het is een roep om
hulp. Een vraag die ook in onze tijd gesteld moet worden, maar steeds
minder klinkt: Hoe blijf ik bij God en hoe blijft God bij mij?
En als antwoord geeft
Jezus de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
Wie is mijn naaste. Je zou denken de eerste de beste; de priester. Of
dan de tweede...de leviet...En als het dan al helemaal niet wil, nou
ja, vooruit dan maar de Samaritaan.
Maar dat zegt de wetgeleerde niet. Leren kijken door de ogen van het slachtoffer. Maar dat krijgt hij misschien niet zomaar over zijn lippen...hij mompelt iets...van die ene die hem barmhartigheid heeft bewezen is de naaste van het slachtoffer. Ja...goed zo:
Die mij ontferming
bewijst is mijn naaste.
Mijn weldoener is mijn naaste.
Dit heeft Jezus niet alleen met dit verhaal, maar in feite met heel
zijn leven duidelijk gemaakt.
Want, kijkend in het
spiegeltje van deze gelijkenis leer ik zeggen: Ik ben in nood,
ík moet, net als dat slachtoffer dat daar langs de weg ligt,
van ontferming leven.
Dus is deze gelijkenis toch niet horizontaal als we aanvankelijk
dachten.
De naaste is niet de mens over wie ik mij ontferm, maar is hij of zij die zich over mij ontfermt.
Jezus vraagt aan de wetgeleerde hoe staat het eigenlijk in de wet? (vs. 26) Immers uit de wet leert men zijn ellende kennen. In het licht van de wet komt onze nood te voorschijn.
Door de wet leer ik de ellende kennen en leer ik de weg die mij daarvan verlost. Dat is de weg van Gods gerechtigheid.
Nu is voor sommigen het woord gerechtigheid een woord dat wordt verbonden met strengheid. Er klinkt iets in door van vergelding, straf. Ieder die niet leeft naar God geboden moet buigen voor Gods toornende gerechtigheid. U kent deze termen wel.
Maar het is juist deze gerechtigheid van God, ons in Christus geschonken, die ons bevrijdt en in de ruimte zet.
Wij mogen door die gerechtigheid leven. En dus nooit zoals de priester en de leviet deden, om de bestaande toestand of de zo gegroeide situatie heenlopen. Dat is onbarmhartig en onrechtvaardig.
Concreet betekent dat dat
we niet alleen de hongerigen voeden, de slachtoffers verbinden, maar
ook zullen helpen bij het puinruimen: het gaat om barmhartigheid en
gerechtigheid.
Dat heeft wel gevolgen.
Wie helpt gaat er soms uit zien als een slachtoffer
Die Samaritaan had vast
geen ehbo-doos bij zich toen hij het slachtoffer zag liggen.
Dus wat doe je: improviseren en dus scheurt hij een stuk van zijn eigen
hemd af. Hij komt onder het bloed van zijn slachtoffer te zitten. En
toen ze bij de herberg aankwamen was er bijna geen verschil meer te
zien tussen helper en slachtoffer.
Zo samen delen en
heelmaken.
Nu gaan de woorden van de apostel Paulus meeklinken: Laat die
gezindheid bij u zijn, die ook in Christus Jezus was, die in de
gestalte Gods zijnde, het gode gelijk zijn niet heeft beschouwd om zich
krampachtig aan vast te houden, maar zichzelf gegeven heeft en de
gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen en aan de mensen gelijk
is geworden...
Kortom
•Onder
gelijkenissen verstaat men vertellingen die abstracte uitspraken door
een voorbeeld duidelijk maken. Dikwijls worden gebeurtenissen uit het
leven van alle dag gebruikt om verhoudingen door vergelijkingen te
verklaren.
•Parabelen geven de mogelijkheid om door te dringen binnen te
dringen in de inhoudelijke betekenis van het gebruikte beeld. Ze zijn
gemakkelijker te onthouden dan een abstracte spreektrant.
•Kenmerkend voor vertellingen middels parabelen is het verloop
van een handeling volgens een bepaalde indeling.
•Om de betekenis van gelijkenissen te doorgronden, kunnen de
volgende vragen helpen:
- Geeft de geestelijke vader zelf een duidelijke uitleg?
- In welke situatie wordt de parabel gebruikt?
- Wat bedoelt de verteller of schrijver daarmede?
•Het jodendom bezit een rijke traditie op het gebied van
spreken in gelijkenissen. Jezus Christus groeide daarin op.
•De Zoon van God gebruikte veel gelijkenissen en paste daarbij
het gehele spectrum aan beeldende taal op meesterlijke wijze toe.
•Jezus maakte voor hen die Hem navolgden, de geheimenissen van
het hemelrijk door middel van parabelen toegankelijk en begrijpelijk.
•Voor een goed begrip is het allereerst noodzakelijk om de
parabelen tegen de achtergrond van de toenmalige tijds- en
levensomstandigheden te beschouwen; men mag echter niet bij de
omlijsting van de handeling blijven stilstaan.
•Om de diepe betekenis van de gelijkenissen van Jezus te
kunnen omvatten, is een niet-verstokt, d.w.z. een gewillig en gelovig
hart noodzakelijk.
De gelijkenissen komen niet moraliserend over
Dat komt doordat Jezus zich beperkt tot een korte beschrijving van de
feiten en het geven van een algemeen geformuleerde eindconclusie. Het
meeste denkwerk - de redenering om vanuit de feiten tot die conclusie
te komen, laat hij aan de luisteraar over en ligt in zekere mate open.
Ook die vraag "wie het schoentje past" blijft onbeantwoord. Jezus
erkent zijn toehoorders als persoon en respecteert zo de menselijke
vrijheid. De omstaanders blijven zelf meester over het verhaal. Zij
beslissen in welke mate ze de conclusies op zichzelf toepassen. Dat is
vaak zo in de bijbel, zeker bij de parabels.
De Bijbel is een open boek dat een beroep doet op het verstand en op de
vrije wil. We lezen een passage, brengen die in verband met andere
teksten en andere feiten, en maken zelf keuzes en conclusies die
gekleurd worden door ons eigen leven. Daarom ook dat je levenslang de
bijbel kan blijven lezen, en dat het boeiend blijft.
Dat is ook de reden waarom over hetzelfde bijbelstukje zoveel
verschillende preken kunnen gegeven worden. Dat is de sterkte van de
bijbel. Tegelijk houdt dit risico's in. De tekst kan misbruikt worden.
Misschien slaat die persoonlijke interpretatie nergens op. Maar dat is
wezenlijk verbonden met het feit dat God de mens heeft geschapen als
een vrije autonome mens en dat God die vrijheid ook wil respecteren
wanneer hij via zijn Woord een gesprek met hem wil voeren. En wie wil,
wordt in zijn denk- en zijn zoekwerk bijgestaan door Gods Geest. Die
zal je leiden naar de volle waarheid.
Waarom begon
Jezus in gelijkenissen te onderwijzen?
Op een zekere dag begon de Heere Jezus te spreken in gelijkenissen. Dat
viel op bij de discipelen gezien de vraag die ze stelden:
‘Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?’
Wat was nu het nieuwe in het onderwijs van Jezus? Niet zozeer het
gebruik van beelden. We hebben gezien dat zowel Johannes de Doper als
de Heere Jezus dat ook vaak deden. Het nieuwe was dat Jezus nu
uitsluitend gebruik maakte van gelijkenissen. De gelijkenis, het
verhaal, gaat niet langer samen met open onderwijs en uitleg. Vroeger
maakte de Heere Jezus gebruik van beelden om Zijn onderwijs, Zijn preek
te illustreren. Maar nu wordt het beeld, de illustratie de preek zelf.
Van Bruggen vergelijkt het met een film waarbij de ondertiteling
ontbreekt18. De beelden op zich zijn duidelijk en je kunt ze zien, maar
je weet niet wat ze betekenen. En dat is het, wat de discipelen opvalt.
Zoals het ze later weer opvalt als de Heere Jezus weer vrijuit spreekt:
‘Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie nu spreekt Gij vrijuit,
en zegt geen gelijkenis.’
Waarom deed Jezus dat? Het antwoord vinden we in Mattheüs
13:11-13: ‘Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het
Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven. Want
wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar
wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft. Daarom
spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en
horende niet horen, noch ook verstaan’.
De Heere Jezus had al een tijd openlijk gepreekt en wonderen gedaan.
Sommigen aanvaardden Hem als Messias, anderen verwierpen Hem. Nu gaat
Jezus op een manier preken waardoor die tweeërlei reactie nog
duidelijker aan het licht komt.
De discipelen hadden persoonlijk kennis aan de verborgenheden
(letterlijk staat er ‘mysteries’) van het
Koninkrijk Gods. Zij begrepen de verborgenheden van dat Koninkrijk. Dat
is wat anders dan het begrijpen van de verborgenheden van de
gelijkenissen, want ook zij vroegen om nadere uitleg. Maar de
discipelen geloofden in de Heere Jezus. ‘God gaf hun met het
geloof in Jezus de sleutel tot de schatkamers van Zijn rijk.’
Maar dien, dat wil zeggen de scharen, is het niet gegeven de
verborgenheden te weten. Aan hen is die kennis van de geheimen van het
hemelrijk niet gegeven. Want zij erkenden Jezus niet als zijnde de
Messias. Ze zien de wonderen van Jezus, ze horen Zijn onderwijs, ze
bewonderen Zijn daden, maar ze nemen de Heere Jezus niet echt aan door
het geloof. Ze begrijpen ten diepste niet wie Hij is. Ze wijzen de
gevraagde bekering en de aangeboden genade af.
Daarom gaat Jezus nu in beelden spreken. Als reactie op hun houding.
Van Bruggen: ‘Het is niet zo dat Hij zich verbergt en de
geheimen voor hen toesluit. Zij zijn het zelf die zich terughouden en
die oren en ogen toesluiten voor de werkelijkheid van Christus. Ze
krijgen nu de onderwijsvorm die bij hen past. Kortom: het spreken in
gelijkenissen was ten diepste een straf, een oordeel op hun ongelovige
ongehoorzaamheid.
Denk maar aan een ouderwetse lampenkap. Zonder zo’n kap
schijnt het licht in de kamer overal even sterk. Maar als je de kap
over de lamp plaatst, wordt het in de hoeken van de kamer een stuk
donkerder. Zit je dicht bij de lamp, dan ontvang je gerichter en
daardoor meer licht. Zoals de lampenkap het licht in de hoeken van de
kamer wegneemt, zo bedekte Jezus door de gelijkenissen de betekenis van
Zijn woorden. In die zin verhullen de gelijkenissen de verborgenheden
van het Koninkrijk Gods voor de ongelovigen en onthullen ze die voor de
gelovigen.
Overzicht van gelijkenissen in deze serie
- Huis op de steenrots (Mattheüs 7: 24 - 27; Lukas 6: 47 - 49)
- De vierdelige akker (Mattheüs 13: 3 - 9 en 13 - 20; Markus 4: 3 - 9 en 13 - 20; Lukas 8: 5 - 8 en 11 - 15)
- Het onkruid tussen de tarwe (Mattheüs 13: 24 - 30 en 36 - 43)
- Het mosterdzaad (Mattheüs 13: 31 - 32; Markus 4: 30 -32; Lukas 13: 18 - 19)
- De zuurdesem (Mattheüs 13: 33, Lukas 13: 20 -21)
- De schat in de akker (Mattheüs 13: 44)
- De kostbare parel (Mattheüs 13: 45 - 46)
- Het visnet (Mattheüs 13: 47 - 50)
- Het verloren schaap (Mattheüs 18: 12 - 14); Lukas 15 : 4 - 7)
- De onbarmhartige dienstknecht (Mattheüs 18: 23 - 35)
- De arbeiders in de wijngaard (Mattheüs 20: 1 - 16)
- De twee zonen (Mattheüs 21: 28 - 31)
- De boze wijngaardeniers (Mattheüs 21: 33 - 41; Markus 12: 1 - 9 en 12; Lukas 20: 9 - 16 en 19)
- De koninklijke bruiloft (Mattheüs 22: 2 - 14; Lukas 14:16 - 24)
- De tien maagden (Mattheüs 25: 1 - 13)
- De talenten (Mattheüs 25: 14 - 30; Lukas 19: 11 - 27)
- De zaadzaaier (Markus 4: 26 - 29)
- De twee schuldenaars (Lukas 7: 41 - 43)
- De barmhartige Samaritaan (Lukas 10: 30 - 37)
- De onbeschaamde vriend (Lukas 11: 5-8 )
- De rijke dwaas (Lukas 12: 16 - 21)
- De onvruchtbare vijgenboom (Lukas 13: 6 - 9)
- De torenbouw (Lukas 14: 28 - 33)
- De verloren penning (Lukas 15: 8 - 10)
- De verloren zoon (Lukas 15: 11 - 32)
- De onrechtvaardige huishouder (Lukas 16: 1-8 )
- De rijke man en de arme Lazarus (Lukas 16: 19 - 31)
- De heer en zijn knecht (Lukas 17: 7 - 10)
- De Farizeeër en de tollenaar (Lukas 18: 9 - 14)
LEES OOK EENS OVER : DE ZEVEN GELIJKENISSEN IN HET EVANGELIE VAN MATTHEÜS
LEES OOK EENS : DE GELIJKENISSEN VAN DE HEILAND VERKLAARD EN TOEGEPAST IN LEERREDENEN door C. H. Spurgeon
Welke gelijkenis komt waar voor ?
| GELIJKENIS | MATTEÜS | MARKUS | LUCAS |
|
De lamp |
5:14 |
4:21-22 |
8:16; 11:33 |
|
Verstandige en onverstandige bouwers |
7:24-27 |
6:47-49 |
|
|
Oude en nieuwe mantel |
9:16 |
2:21 |
5:36 |
|
Jonge wijn |
9:17 |
2:22 |
5:36-37 |
|
De zaaier |
13:3-8;18-23 |
4:3-8;14-20 |
8:5-8;11-15 |
|
Het onkruid tussen het graan |
13:24-30;36-43 |
||
|
Mosterdzaad |
13:31-32 |
4:30-32 |
13:18-19 |
|
Zuurdesem |
13:33 |
||
|
Verborgen schat |
13:44 |
||
|
Kostbare parel |
13:45-46 |
||
|
Het net |
13:47-50 |
||
|
De huismeester |
13:52 |
||
|
Verloren schaap |
18:12-14 |
15:4-7 |
|
|
Onbarmhartige dienaar |
18:23-34 |
||
|
De dagloners |
20:1-16 |
||
|
Twee zonen |
21:28-32 |
||
|
De wijnbouwers |
21:33-44 |
12:1-11 |
20:9-18 |
|
Het bruiloftsfeest |
22:2-14 |
||
|
De vijgenboom |
24:32-35 |
13:28-29 |
21:29-31 |
|
Betrouwbare dienaar |
24:45-51 |
12:42-48 |
|
|
Tien maagden |
25:1-13 |
||
|
De talenten |
25:14-30 |
19:12-27 |
|
|
Schapen en de bokken |
25:31-46 |
||
|
Het groeiende zaad |
4:26-29 |
||
|
Waakzame dienaar |
13:35-37 |
12:35-40 |
|
|
De geldschieter |
7:41-43 |
||
|
Barmhartige Samaritaan |
10:30-37 |
||
|
Vriend in nood |
11:5-8 |
||
|
De rijke dwaas |
12:16-21 |
||
|
Onvruchtbare vijgenboom |
13:6-9 |
||
|
De ereplaats |
14:7-14 |
||
|
Het feestmaal |
14:16-24 |
||
|
De kost van het discipelschap |
14:28-33 |
||
|
Verloren munt |
15:8-10 |
||
|
Verloren zoon |
15:11-32 |
||
|
Slimme rentmeester |
16:1-8 |
||
|
Rijke man en Lazarus |
16:19-31 |
||
|
De heer en zijn dienstknecht |
17:7-10 |
||
|
De weduwe en de rechter |
18:2-8 |
||
|
Farizeeër en de tollenaar |
18:10-14 |
Lees ook eens de verhandelingen van Spurgeon over de gelijkenissen. Aanrader! Je krijgt dat hier aangeboden als pdf-bestand.
De functie van gelijkenissen
Van oudsher hebben mensen geprobeerd om de samenhang van dingen uit te leggen door middel van aanschouwelijke beschrijvingen. Wanneer afzonderlijke woorden uit hun oorspronkelijke betekenis worden weggenomen en als beeld gebruikt, dan spreekt men van een metafoor (bijv. Christus is het “hoofd” der gemeente). Zo zijn er ook verhalen die - door een abstracte uitspraak over het verloop van een handeling als voorbeeld te nemen - deze verduidelijken. Ze worden aangeduid als gelijkenissen, of parabelen (afgeleid van het Griekse woord parabolè = vergelijken, naast elkaar plaatsen).
Vaak worden er voorbeelden uit het leven van alle dag gebruikt om daarmede bepaalde gedragingen door vergelijking duidelijk te maken, te bekritiseren of te benadrukken. Zijn de verhalen afkomstig uit de dierenwereld - of in mindere mate - uit de plantenwereld, dan worden dieren of planten als mensen voorgesteld: ze spreken met elkaar en vertonen menselijke deugden en ondeugden. In deze gevallen spreekt men van fabels.
Oorspronkelijk werden de gelijkenissen door mondelinge overlevering van generatie op generatie doorgegeven. Pas later heeft men deze ook schriftelijk vastgelegd. Zij bezaten het karakter van onderwijzende en vermakelijke vertellingen. Bovendien werden ze ingezet als een retorisch middel ten einde argumenten te ondersteunen. Ze werden in pleidooien evengoed toegepast als in discussies en twistgesprekken.
Ook in het Oude Testament kende men het gebruik van gelijkenissen
Eerste voorbeeld uit het Oude Testament
De overlevering van het jodendom bezit een rijke traditie aan toespraken in gelijkenissen. Twee voorbeelden uit het Oude Verbond worden hier geciteerd: Jothams fabel en de boeteprediking van de profeet Nathan.
In Richteren 9 wordt ons verteld dat Abimelech, één van de 70 zonen van de richter Gideon, (in het betreffende hoofdstuk ook Jerubbaäl genoemd), zijn broeders doodde.
De moordenaar wilde de onbetwiste alleenheerser over de stad Sichem zijn. Alleen Jotham overleefde de gruweldaad en verkondigde de mannen van Sichem een profetie, die in een fabel was verborgen: de bomen wilden een koning hebben.
Achtereenvolgens nodigden zij een olijfboom, een vijgenboom en een wijnstok uit om over hen te regeren. Alle drie wezen ze dit af. "Toen spraken de bomen tot de doornstruik: “Kom, weest gij onze koning!” En de doornstruik sprak tot de bomen: “Is het waarachtig dat gij mij tot koning over u zalven wilt, zo komt en vertrouwt u onder mijn schaduw; maar indien niet, zo ga vuur uit van de doornstruik en vertere de cederen van de Libanon" (Richt. 9: 1 - 15).
Het is niet moeilijk te ontraadselen dat met de doornstruik Abimelech wordt bedoeld. In het zinnebeeld van de bomen worden de inwoners van Sichem afgebeeld. De gelijkenis ging enkele jaren later op gruwelijke wijze in vervulling. Er ontstond twist tussen Abimelech en de inwoners van Sichem; met behulp van een leger verwoestte Abimelech de stad. Ongeveer 1000 mannen en vrouwen hadden zich in de vesting verschanst. Abimelech stak deze in brand en allen kwamen in de vlammen om. Zo ging de profetie in vervulling: " ... zo ga vuur uit van de doornstruik en vertere de cederen van de Libanon."
Tweede voorbeeld uit het Oude Testament
Bekender is de parabel van de boeteprediking die de profeet Nathan tegen koning David hield (vgl. 2 Sam. 12: 1 - 10). David had zwaar gezondigd: om Bathseba, een mooie vrouw, te kunnen trouwen, zorgde hij ervoor dat haar man Uria in een gevecht met vijanden om het leven kwam.
Toen ging Nathan in opdracht van God naar David en sprak tot hem: "Er waren twee mannen in een stad, de één was rijk en de ander was arm.
De rijke had zeer veel schapen en runderen, maar de arme had niets dan een enkel klein lam, dat hij gekocht had. En hij kweekte het op, dat het groot werd bij hem en met zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete en dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot en hij hield het als zijn dochter. Toen een gast bij die rijke man kwam, ontzag hij te nemen van zijn schapen en runderen om voor de gast die tot hem was gekomen iets te bereiden en hij nam het schaap van de arme man en bereidde het voor de man die tot hem gekomen was."
Voor de koning bezat het bericht van de profeet de schijn alsof deze zich wilde beklagen over een egoïstische, harteloze onderdaan, die meedogenloos het geluk van een ander had verwoest. Ten zeerste vertoornd zei David dat die rijke man het lam viervoudig zou moeten betalen en met de dood bestraft diende te worden. "Toen sprak Nathan tot David: 'Gij zijt die man! ... Uria, de Hethiet, hebt gij verslagen met het zwaard; zijn huisvrouw hebt gij u tot vrouw genomen..." David kreeg berouw over zijn grote zonde; de Heer bestrafte hem weliswaar, maar schonk hem toch weer genade.
AANHANGSEL : EEN 12-tal STUDIES met een HANDLEIDING



















