De
Christelijke Vervolging begon bij Jezus zelf. Hij werd tijdens zijn
berechting ronduit gevraagd: "Bent u de messias, de Zoon van de
Gezegende?" Jezus liet geen ruimte voor twijfel - Zijn eerste woorden
waren "Dat ben ik". De religieuze elite in Jeruzalem wist wat Jezus
hiermee zei - Het was ontzettend duidelijk voor hen dat Hij beweerde
dat Hij God was. Daarom werd Jezus voor de misdaad van godslastering
aan een Romeins kruis ter dood veroordeeld en werd Hij zo de eerste
martelaar voor wat later de Christelijke Kerk zou worden.
Hoewel
Christelijke vervolging in de 21e eeuw nog steeds doorgaat, is de stem
van de martelaar nog steeds het meest treffende bewijs dat het leven,
de dood en de wederopstanding van Jezus Christus geen door de mens
verzonnen bedrog was dat door een groep discipelen in elkaar zou zijn
gezet. Omdat de apostelen en velen onder de vroege discipelen
ooggetuigen waren van het leven van Jezus, was hun verhaal niet slechts
gebaseerd op een religieus geloof, maar op feitelijke historische
gebeurtenissen.
Historie der
martelaren
Adrianus
Haemstedius
Historie der martelaren
die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van
Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655.
Vermaning aan de
overheid
Voorrede aan de christelijke
lezer
Historie der martelaren die, om de getuigenis der
evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af
tot het jaar 1655
Het lijden van Jezus Christus onze
Zaligmaker
Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de
overspelige Herodias gebracht
Stefanus, de diaken,
gestenigd
Jakobus, de zoon van Zebedeüs,
onthoofd
Jakobus, de zoon van Alfeüs,
doodgeslagen
Barnabas te Salamis
verbrand
Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept
om verbrand te worden, en onderweg gestorven
De tien bloedige vervolgingen van de Christenen
onder de Heidense keizers van Rome
De eerste vervolging van de christenen onder
keizer Nero
Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer
Nero
Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer
Nero
Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje
gekruisigd
Filippus, de Apostel, te Hiërapolis
gemarteld
Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië
gekruisigd en de huid afgestroopt
Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden
vermoord
Mattheüs, de Apostel en
Evangelist
De Apostelen Simon Zelotes en Judas
Alpheus
Matthias, de Apostel
Lukas, de Evangelist
Johannes, de Apostel en
Evangelist
Sommigen van de zeventig Discipelen en andere
medereizigers der apostelen
De tweede vervolging van de christenen onder
keizer Domitianus
Timotheüs, een leerling van
Paulus
De derde vervolging van de christenen onder keizer
Trajanus
Simeon, bisschop van
Jeruzalem
Ignatius, bisschop van
Antiochië
Ptolemeüs en Lucius
De vierde vervolging van de christenen onder
keizer Antoninus
Justinus, de
wijsgeer
Germanicus
Meliton
Polycarpus
Felicitas en haar zeven
zonen
Vetius Epagathus
Sanctus, de Diaken
Attalus, Blandina, Ponticus en nog een
ander
Photinus, bisschop te
Lyon
Apollonius
De vijfde vervolging van de christenen onder
keizer Septimeus Severus
Leonidas
Irenaeus, bisschop
De zesde vervolging van de christenen onder keizer
Maximinus
De zevende vervolging van de christenen onder
keizer Decius
Alexander, opziener van de gemeente te
Jeruzalem
Babylas, opziener der gemeente te
Antiochië
Metranus en vele anderen te
Alexandrië
De achtste vervolging van de christenen onder de
keizers Valerianus en Gallienus
Cyprianus, bisschop te
Karthago
De negende vervolging van de christenen onder
keizer Aurelianus
Marinus
Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster
verbrand
De tiende grote en bloedige vervolging van de
christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet
onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus
de Grote
Het eerste jaar van de
vervolging
Petrus, Dorotheüs en
Gorgoneüs
Phileas en
Philoromus
Het tweede jaar van de
vervolging
Het derde jaar van de
vervolging
Romanus
Het vierde jaar van de
vervolging
Het vijfde jaar van de
vervolging
Het zesde jaar van de
vervolging
Het zevende jaar van de
vervolging
Het achtste jaar van de
vervolging
Het negende jaar van de
vervolging
Potamina, een jonge
dochter
Het tiende en laatste jaar van de
vervolging
Lucianus, een
ouderling
De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse
rijk
De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong
van de Antichrist
Adelbertus Gallus
Arnulph, Aartsbisschop te
Lyon
Petrus van Bruis en Henricus van
Toulouse
Arnold van Brescia
De Waldenzen te Lyon
Burgers in de Elzas
Vijf en dertig burgers te
Mainz
De Prins van
Armerijk
Bargardus
Twee honderd vier en twintig personen
verbrand
Gerardus Segareill en Dolcinus van
Novari
Een Begijn
Richard, een
Predikmonnik
Johannes Wicklef
Willem Sautre
Willem Thorpe
Jan Badby,
kleermaker
Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan
Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna
verbrand
Johannes Husz te Konstanz
verbrand
Hieronymus van Praag
Ulrich van Vahendres en Hendrik
Raadgever
Katharina Saube
Johan Cobham
Hendrik Groenvelder
Johannes Krasa
Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht
anderen verbrand
Vier en twintig burgers te Leitmeritz
verdronken
Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius
Jednooky
Johannes
Purvey
Johannes Zelivaeus
Willem Taylor
Willem White
Richard Hoveden
Thomas
Bagley
Paulus Craw
Petrus Clarcke, Engels
priester
Thontas Rhedon
Reijnold Pebocke
Mattheüs Hager
Johannes Goose
Dr. Johannes de Vesalia, of
Wesel
Een edelman van Kandia of
Kreta
Rogier Dule
Johanna
Bongton
Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en
Sylvester
Hemondt Picard
Richard Smart
Zes mannen te Bor
verbrand
Thomas
Norice
Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de
kanselier werd omgebracht door een stier
Thomas, een priester
Andries Poliwka
Pop, van Aye
Richard Hunne
De opkomst van Mr. Maarten
Luther
Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee
Augustijner monniken, te Brussel verbrand
Nicolaus, een Augustijner monnik, van
Antwerpen
Meester Georgius
Hendrik van Zutphen
Johannes, van
Dithmarsen
Gaspar Tauber en Georgius, een
boekbinder
Nicolaas Hottinger
Johannes Castellanus
Johannes Hospinianus of Weert, en zijn beide
zonen, Johannes en Adrianus, benevens Burchard
Ruijteman
Johannes de Klerck
Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus
Christus, Johannes Pistorius, van Woerden
Wolfgang Schuch
M. Pet. Spengler, pastoor te
Brisgau
Matthias Weybel
Jakobus Pavane
Evert Bolt
Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster,
in Bohemen verbrand
Johannes Heuchlin
Leonhard Keizer
Wendelmoet
Klaasdochter
Martha Porzicz te Praag
verbrand
George Carpentarius
Patrick
Hamilton
Hendrikus, uit
Vlaanderen
Steven Renier
Een glasblazer en een
riemsnijder
Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd
Schlosser
Lodewijk van Berquin
Dionysius van Rieux
Petrus Flysteden en Adolf
Clarenbach
Willem van Zwolle
George Scharer, van
Salveld
Thomas Hytten
Thomas
Bilney
Willem Thrace
Jakobus Baynham en Richard
Bayfield
Drie mannen te Arras
verbrand
Johannes de Cadureo
Vier mannen te 's Hertogenbosch
gedood
Alexander Conus
Johannes Pointet
Johannes
Frythus
Andries Hewet
Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend
verbrand
Andries Bartholomeï
Joost de
pottenbakker
Verscheidene martelaars te
Parijs
Quoquillart, van
Besançon
Maria Becaudette
Petrus Gaudet
Johannes Cornon
Cowbrig, te Oxford levend
verbrand
Vijf martelaren in Schotland
verbrand
Martinus Gonin, een
Waldenzer
Een landbouwer te
Zierikzee
Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde
verbrand
Jan Lambert, ook genoemd
Nicholson
Mr Petrus, pastoor te
Duway
Geertruida Adriaans
Vijf martelaren in Schotland
verbrand
Louwijs Courtet
Thomas Cromwell, graaf te
Essex
Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau,
verbrand
Robertus Barnes
Stefanus Brun
Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen
levend begraven
Jan Marlar
Vijf personen te Vucht
gedood
Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in
Agenois, boven Dordogne
Richard Mekins
Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du
Huisset
Constantinus en drie
anderen
Claudius de Schilder, een
goudsmid
Mr. Johannes
Beek
François Bribard
Sommige Engelse
martelaren
Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een
Bijbel op zijn borst gebonden
Joost Jushurgh
Gillis Tieleman
Willem Husson,
apotheker
Geerte Stelmees en Neeltje
Claas
Francisco San
Roman
De bewoners van Mirandola en
Cabriëra
Petrus Bruly
Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der
Poele en de vrouw van Jan de Bock
Jan Michiel
Jakobus Chobard geeft aan zijn moeder in de
gevangenis zijn schriftelijke belijdenis om aan de rechter te
overhandigen
Adam van Metz
Pieter Chapot
Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te
Doornik
Rochus, een
Brabander
Pieter Mioc
Vier martelaren uit Schotland
verbrand
Frauciscus d'Augy
Johannes Diazius
Eusinas, ook Driander genaamd, een
Spanjaard
Anna Asker, Jan Lacels, Jan
Adlams en Nicolaas
Belenian
Veertien burgers te Meaux, in Brie
verbrand
Sanctus Nivet
George Sophocardius
Vijf martelaren te
Parijs
Mr. Johan, de
Engelse
Mr. Leopard du Pré
Acht burgers van
Langres
Stefanus Peloquinus
Steven Poulliot
Jan Brugier
Marten, de
schoenmaker
De vrouw van Bygaerden en haar
zoon
Michiel Miquelot
Octavianus Blondel
Mr. Mattheüs, een
onderwijzer
Hubert Burre
Mr. Leonhard
Galimard
Een en dertig personen te Valladolid
gestrafd
Mr Florentius Venot te Parijs
verbrand
Een kleermaker te Parijs voor de koning van
Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna
verbrand
Claudius
Thierry
Anna Oudebert, een
weduwe
De marteling van Mr. Nikolaas, in
Henegouwen
Maria, de vrouw van Augustijn, de
barbier
Augustijn, de
barbier
Staat en toestand van Christus' kerk in Nederland,
en de oorzaken waardoor de vervolging tegen haar in grote mate werd
vermeerderd
Faninus, van
Faventia
Dominicus van Basana
Maceüs Moreau
Johannes Godeau en Gabriël
Beraudin
Adam Wallach
Mauritius Secenat
Vervolging in Duitsland tegen de predikanten, die
het geloofsvoorschrift weigerden aan te nemen en zich daarnaar te
regelen
Jan van der Put, de geneesheer
genaamd
Thomas van St.
Paulo
Claudius Monieux
Gillot Vivier, Michiel le Fèvre, Jacques le Fèvre,
Amna le Fèvre en Mechaëlla de Caignoncle
Johannes Jocry te
Toulouse
Jan van Ostende, bijgenaamd
Tromken
Vijf studenten van Lausanne, Petrus Scriba, Martialis Alba, Bernhardus
Seguinus, Carolus le Fèvre en Petrus Naviherus
Petrus Bergier
Dionysius Peloquinus
Godefroy van Hamelle
Renatus Poyet
Willem Gardinerus
Hugo Gravier
Vervolging, te Brugge, in
Vlaanderen
Nikolaas Nail
Autonius de Grote
Mattheüs Dimonnet
Lodewijk Marsacus
Johannes Mollius en een Perugiaanse
wever
Simon Laloé
Steven le Roy en Pieter
Dinocheau
Jan Snell
Willem d'Alençon
Paris Panier
Pieter de la Vau
Gileyn de Muelere
Thomas
Calberge
Richard le Fèvre
Petrus Serra
Franciskus Gamba
Dionysius le
Vayr
Jan Filleul en Juliaan
Leveille
Paulus Musnier
Nicolaas le Chesne
Vervolging in
Oostenrijk
Wilhelmus de Dongnon
Willem Neel
Hoste
Pomponius Algier
Jan Vernou, Guyraud Tauran, Autonius Laborie,
Bertrand Bataille en Jan
Trigalet
François en Nicolaas
Thijs
Bertrand le Blas
Jan Malo
Damiaan Witcoek
Walrue Carlyer
Jan Porceau
Twee Martelaren te
Autun
De vervolging in
Engeland
Engelse martelaren in het jaar
1555
Johanna Gray
Johannes Rogerius
Laurentius Sanders
Johannes
Hoper
Doctor Rowland
Taylor
Wreedheid aan de lijken van Martinus Bucerus,
Paulus Fagius, en Catharina, echtgenote van Petrus
Martyrus
Thomas Tomkins
Willem Hunter
Thomas Causton en Thomas
Higbed
Steven Knight
Rawlins
White
Johannes Laurentius en Willem
Digel
Robert Farrar
Jan Alcock
Joris Mars
Johannes Cardmaker en
Johannes Warne
Thomas
Haukes
Thomas Wats en
anderen
Johannes Bradford
Hunfroy Middleton en Nikolaas
Scheterden
Jakob Abbes
Jan Denley en Jan
Newman
Robert Smith en
anderen
Robert Samuel en enige
anderen
Robert Glover en enige
anderen
Nicolaas Ridley en Hugo
Latimer
Jan Philpot
Hier volgt de geschiedenis van de martelaren in
het algemeen in het jaar 1556
Adriaan van Lopphen
Juliaan van de
Sweerde
Claudius van
Canesiere
Robert Oguier, zijn vrouw en beide
zonen
Johanna, de moeder, en haar jongste zoon Maarten
Oguier
Jan Rabec
Pieter van
Rosseau
Laurens, de schoenmaker, en Jan
Fasseau
Arnoud Monier en Jan de
Cazes
Jan Bertrand
Bartholomeüs Hector
Hiëronymus Casaubone
Andoche Minart
Engelse martelaren in het jaar
1556
Thomas Witthle
Bartelet Greene
Thomas Crammer
Agnes Potten en Johanna
Trunchfield
Willem Tyms en
anderen
Johannes Hullier
Christoffel Lyster, Jan Mace, Jan Spenser, Simon
Joyne, Richard Nicols en Jan Hamoud
Rugo Laverocke, een kreupele en Jan Apprice, een
blinde
Hendrik Adlington, Laurens
Parnam, Hendrik Wije, Willem Hallywel, Thomas Bowyer, Joris Searles, Edmond
Hurst, Lyon Caweh, Rase Jackson, Jan Derifal, Jan Routh, Elisabeth Pepper en
Agnes George
Julius Palmer en twee
anderen
Katharina Cawehes en haar beide dochters en haar
dochters kind
De martelaren in het jaar
1557
Arnoud Diericks
Mr. Philibert Hamelijn en enige
anderen
Joriaan Simonsz en Clement
Dirkz
Carolus de Koninck
Nicolaas Sartorius
Jan Biron
Angelus Herula
Een grote en zware vervolging van de kerk van
Christus te Parijs in het jaar 1557
Nicolaas Clinet
Taurin Gravelle
Philippina de Luns
Het zalig uiteinde van de drie genoemde
martelaren, te weten Nicolaas Clinet, Taurin Gravelle en vrouw van
Graveron
Nicolaas le Cene en Pieter
Gabart
Franciscus Rebezus en Frederick
Danville
Verstrooiing en verdrukking van de kerk van
Christus, onder Gods bestuur geplant in Brazilië, in
Zuid-Amerika
Matthias Vermeil
Andreas de Lafon
Pieter Bourdon
Vervolging in
Engeland
Engelse martelaren in het jaar
1557
Jan Bradhridge, Walter Appelbey,Petronella, zijn
vrouw, Edmond Allen, Catharina, zijn vrouw, Johanna Mannings en Elisabet, een
blinde maagd
Richard Woodman, met nog negen anderen, vier
vrouwen en vijf mannen, verbrand
Mejuffrouw Joyce
Lewes
Joris Eagles
Jan Noyes
Cicely
Ormes
Jan Rough
Geschiedenis van de martelaren in het jaar
1558
Mr. Jan Du Champ
Johannes Morellius
George Tardif, Nicolaas Guilotet, Jan Caillou en
Nicolaas van Jeuvife
Jan Barbeville
Benedict Roman
Een zware vervolging van de gelovigen te
Valladolid, in Spanje, in het jaar 1558
Dr. Augustinus Casalla, Franciscus de Bevero,
mejuffrouw Blaucel de Bevero, mejuffrouw Constance de Bevero, Alphouse
Peres, een priester,
Christoffel del Campo, Christoffel de Padilla, Antonius Huezuelo,
Catharina Boinain, Franciscus Erren, Catharina Ortegue, Isabelle de Strade,
Johanna Velasques en een
ambachtsman
Renatus du Seau en Jan
Almarie
Aonius Palearius
Mr. Geffroy
Varagle
Godefroy Guerin
Nicolaas Burton
Gillis Verdict
Genird Hagens
Engelse martelaars in het jaar
1558
Cutbert Simson
Rogier Hollandt
De huisvrouw van
Prest
Willem Fetty, een kind van acht
jaren
Verscheidene gelovige christenen in
Engeland
De martelaren in het jaar
1579
Antonius Verdict
Adriaan de schilder en Hendrik Bockhalt
kleermaker
Boudewijn de Heu
Cornelis Halewijn en Herman
Jansz
Pieter Chevet
George de Gese
Nicolaas Ballon en Nicolaas
Guenon
Marin Maria
Margaretha le Riche
Johannes Pontius
Johannus
Gonsalvus
Isabella Vaenia, Maria
Viroësia, Cornelia en
Bohorquia
Ferdinandus van St. Jan en
Morsillius
Julianus Ferdinandus
Jan van Leon en Ferdinandus van
Valladolid
Françisca Chavesia
Chrystophorus Losada
Christophorus
Arellanius
Mr. Garsins Arias
Dr. Johannes Egidius en Dr. Constantinus
Pontius
Thomas Moustarde
Antonius de Richend, heer van
Mouvans
Honoratus Auldol
Adriaau d' Aussi
Martin Rousseau, Gillis le Cotart en Philips
Parmentier
Pieter Malet
Petrus Arondion
Andries Coiffier
Anne du Bourg.
Jan Ysabeau
Jan Jullet
Jan Geoffrey
Jan
Masson
Christiaan de Quekere, Mr. Jakob Dieussart en
Janneken Salomes
Jan Lodewijk Paschal
Jan Herrewijn
Verscheidene martelaren in
Frankrijk
Jan de Creus
Jan Buisson en enige
anderen
Jan de Lauoy
Jacob van
Lo
Jan de Bosschere
Jan de Keijser
Pieter Annood en Daniël
Galland
Een linnenwever
Een groot aantal gelovigen, om de belijdenis van
het heilig Evangelie, in Calabrie omgebracht
Bartholomeüs van Hoy
De benarde toestand der kerk van Christus in de
Nederlanden
Florentijn van
Keulen
Thomas Watelet, uit het land van
Luik
Andries Michiel
Autonius Caron, Reinholdina Fransz en
enigeanderen
Jan van Namen
Karel Elinck
Franciscus Varlut en Alexander
Daycke
De la Faye, Jan Greffin en de beambte van
Pontoise
Willem
Cornu
Wouter Oom
Jan de Wolf
Michiel Rovillart
Farresier, Pieter Bonnet en enige
anderen
Nicase de le Tombet
Rogier du Mont
Een jong kind
gemarteld
Jan de Madock
Christoffel Fabritius en Olivier de
Bock
Paulus Millet, bijgenaamd de
Ridder
Joos de Creul
Jan Disreneaux
Jan de Grave
Hugo Destailleur en Jan
Pick
Jan Catel
Lieve de Blekere
Julius Guirlanda en Antonius
Ricetto.
Franciscus Sefra en mr. Franciscus
Spinola
Pierrette Curtet
Willem
Hosens
François Soete
Maarten Bayaert, Glaude du Flot, Jan Dautricourt
en Noël Tournemine
Jan Tuseaen
Andries Berteloot
Jan Cornelisz.
Winter
Jakob de Wever
Mailgaert de Hongere, dienaar des
Woord
Martinus Smetius en
anderen
Jan Goris en Joris van der
Assche
Lowijs van Heeke
Guido de Bray en Peregrin de la Grange,
dienaren des
Woords
Michiel Herlin, de
Oude
Jan Mahieu
Michiel Herlin, de
Jonge
Michiel de Messère
Maarten Tachard van
Montauban
Bartholomeüs
Bartocci
Pieter Mon, Wonter Oensel en Gerrit
N.
Twee jonge
juffrouwen
Vervolgingen in West-Vlaanderen van dat
jaar
Maarten Clerewerck
Cors Stevensz
Carolus de Bruijne
Gillis Vertrecht
Jan Schakele
Marcus van Waerde
Gillis de Meyère
Joost van Busecum
Pieter van Keulen en Betteken, zijn
dienstmaagd
Cristoffel Gauderijn, Jan Liebaert, Willem van
Spiere en Tanneken Baerts
Cornelis de Meen
Jan le Grain
Heynzoon Adriaansz., Barend van Utrecht en Jan
Heymen
Vier burgers
Michiel Rombouts
Lowysken
Kijckenpoost
Schoblandt Barthelsz, Hans van Hues en Joris
Coomans
Twee burgers
Mr. Cornelis de Lesenne en Mr. Carel van
Oudenaarde
Gillis Annike, Jan Annike en Louis
Mieulen
Moord te Blois
Weyn Oekers en haar
dienstmaagd
Joos Spiering
Een kort verhaal aangaan de vele christenen, die
te Doornik en te Valenciennes werden omgebracht
Enige gelovigen omgebracht in het hertogdom
Limburg
Jan Laute
Gerard Koopman
Nicolaas Croquet, Filippus en Richard de Gastines,
vader en zoon
Marcus de Lannoy en Jan le
Grand
Willein Touwart
Coenraad van der
Belijen
Jan Sorret
Claas Cornelisz.
Mr. Pieter Hamon van
Blois
Een Pottenbakker
Gerard Moyart en Pieter de
Meulen
Michiel van Ro
Arend Dierixsz. Vos, Sybrand Jansz., Adriaan
Jansz. en Wouter Simonsz.
Anneke Jans
Hans Tierens
Maarten van
Schorenback
Joris de Makelaar
Jan Missuens, de
Oude
Gestreng schrijven van de graaf van Megen aan de
graaf van Arnhem
Hendrik Alertsz. Schouten, deurwaarder te
Mechelen
De wrede en afgrijselijke moord, die plaats trad
te Parijs, op zondag de 24e augustus en volgende dagen, van het jaar
1572
Jeanne d'Albret
Gaspar de Coligny, admiraal van
Frankrijk
Moord van de edellieden des Konings van Navarre en
van de Prins van Condé
De Graaf de
Rochefoucault
Teligny
De Markies de Kenel
De Baron van
Soubrise
De heer de Guerchy
De heer de Briou
Pieter de la Place
Petrus Ramus
Denys Perot
De Predikanten Buyrette, Horeen
Desgorris
Antonius Merlanchon
Claude Robert
De luitenant Taverny en zijn
zuster
Oudin Petit
Marturin Lussaut, zijn vrouw, zoon en
dienstbode
Mouluet en zijn
vrouw
Philippe le Doux en zijn
vrouw
Pieter Faret en zijn
vrouw
De Pluimgraaf des Konings en zijn
vrouw
Autonius Silvius
Pieter Baillet
Montault en enige
anderen
De weduwe van Gastines de Jonge en
anderen
De moord van de Hervormden te Meaux, in
Brie
De vervolging van de gelovigen te Troyes, in
Champagne
De moord te Orleans
De verschrikkelijke moord van de gelovigen te
Lyon
De vervolging te
Rouaan
De moord te Toulouse
Vervolging te
Bordeaux
Besluit over de moord aan de hervormden in
Frankrijk
Arnoud de Croos Mielfiel de
Seeldraaier
Jasper Stevens
Mauris van Dalen
Simon Simonsz
Lieven van de Meern
Antonius uit de Hove
Jan de Buck
Joos de Jonge, Quirijn de Palme en Rogier
Joosten
Goris
Jasper de Metser
Johannes Gelasius
Pieter Panis
Simeon van Torre
Wouter Wilge
Neesken de Greef
Jan Missuens de
Jonge
Wilhelmus Pressius
Mr. Arent en Mr.
Adriaan
Johannes Florianus
Christophorus
Fytrerus
Radegronde en Claude
Foncaut
Jan de Lerm
Antonius Hilairet
Antonius Oldevin
Margriete Pieronne
Een Engelsman
Een bejaard man
Jan Cateau
Anneken uit den Hove
Arnoud le Maire
Werner Hessu
Pieter Motte
Antonius Moreau
Bartholomeüs Copin
Nicolaas de Soignie
Maarten van Voisin
Franco di Franco
Antoine Mibais
De verschrikkelijke moord door de pausoezinden aan
de hervormden in Valtellitia
Melchior Balthazars
Het lijk van Jan
Wevers
Maria van Provins
Johan Avontroot
Onmenselijke wreedheid door de pausgezinde Ieren
gepleegd aan de hervormde christenen in Ierland
Verhaal van het verschrikkelijk bloedbad in het
jaar 1655 onder de gemeenten in Piëmont, en van hetgeen er verder plaats had tot
de vrede
Korte geloofsbelijdenis der hervormde gemeenten in
Piëmont
Besluit van dit boek
Aan alle eerbaren,
wijzen en edelen heren, overheden, bestuurders, stadhouders en Staten in onze
Nederlanden, van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Bolland, Zeeland, Friesland,
enz., wensen wij een godzalige voorzienigheid om het volk te regeren, te
onderhouden en te leiden tot zaligheid, vrede, eendracht en voorspoed, van God
onze hemelse Vader, door Jezus Christus, Zijn welbeminde Zoon, onze enige
Zaligmaker. Amen.
|
Rom. 13,
vs. 4. 1 Petr. 2, vs. 14. De overheid moet Gods woord kennen. Pred. 10, vs.
16.
|
Eerbare, wijze heren, die Gods dienaren bent, tot
prijs en bescherming der goeden en wraak en straf der bozen. De almachtige God
heeft u in deze wereld verkozen, om hoofden te zijn van het volk. Daar nu het
lichaam niet ziet, noch riekt, noch smaakt, noch verstand bezit als het hoofd
bedorven is; zo is het ook niet mogelijk, dat een gemeente goed geregeerd en in
goede orde gehouden wordt, wanneer de hoofden verstandeloos en onwetend zijn,
want een onverstandig vorst zal zijn volk verwoesten.
Daarom verkoos Mozes, om het Israëlitische volk te
regeren, bejaarde wijze mannen, die de Heere vreesden, de waarheid bezaten en de
gierigheid haatten. Zonder de vrees des Heeren toch is er geen wijsheid, zonder
de kennis der waarheid en gerechtigheid kan men niet goed oordelen, en de
gierigheid verblindt de ogen der wijzen.
|
|
Deut.
17, vs. 18, 19.
|
Doch, om hiertoe te geraken, is het nodig de raad
van de heiligen Profeet Mozes aan te nemen, die leert, het boek der wet iedere
dag des levens te lezen, opdat zij God de Heere mogen leren vrezen, en zijn
woorden en plechtigheden, in de wet geboden,
onderhouden.
|
|
Joz. 1,
vs. 7, 8.
|
Aldus sprak ook de Heere tot de vorst zijns volks,
Jozua: "Wees sterk en heb goede moed, dat gij onderhoudt en doet de gehele wet,
welke Mozes mijn knecht u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter noch
ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt, in alles wat gij doet. Dat het
boek der wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij
waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw
wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk
handelen."
|
|
Gods
Woord eist de bevordering van Zijn rijk.
|
Derhalve is het openbaar, dat de wet des Heeren
bijzonder en vooral eist Gods naam te heiligen en Zijn Rijk uit te breiden.
Daartoe behoren de overheden hun grootste naarstigheid te besteden, willen zij
Gods dienaren zijn en blijven. Is het iedere christen bevolen, de bekommeringen
van het tijdelijke leven te laten varen en Gods Rijk en Zijn gerechtigheid te
bevorderen; hoeveel temeer betaamt dit een christelijke
overheid.
|
|
Voorbeelden van hen, die de
godsdienst bevorderen.
|
Daarvan vindt men een voorbeeld van hen, in de
heilige aartsvaders, Abraham, Izak en Jakob, ja reeds voor hen in Henoch. Welk
een godzalige vorst David was, om de ware godsdienst te bevorderen getuigt de
bijbelse geschiedenis overvloedig. Doch vooral hebben wij een goed voorbeeld
voor alle vorsten van onze tijd in koning Hizkia; want, gelijk het in zijn tijd
gesteld was met het uitverkoren volk des Heeren in Israël, zo is het ook thans
met de christenen: zij maakten beelden, zij verzonnen vreemde godsdiensten
buiten Gods Woord, en brandden wierook voor de koperen slang. De godsdienst was
verbannen, de tempel des Heeren was gesloten.
|
|
2 Kon.
18, vs. 4.
|
Doch de godzalige vorst vernielde nu de beelden,
wierp de hoogten en bossen om, en verbrak de koperen slang, die Mozes gemaakt
had. Hij opende het huis des Heeren, en richtte de ware godsdienst weer
op.
|
|
2 Kron.
30, vs. 1.
|
Ja, wat meer is, zelfs buiten zijn koninkrijk, wat
alleen Judea was, zond hij boden en leraars tot het koninkrijk van Israël, die
daar predikten, dat zij zich bekeren zouden tot de ware godsdienst, doch zij
werden door velen bespot en beschimpt. Dit deed ook voor hem Josafat in Judea,
waarvoor hij door de Heere gezegend werd.
|
|
2 Kron.
23, vs. 4, enz. 2 Kon. 34, vs. 3, enz.
|
Zulk een godzaligheid zag men ook in Josia, die
een opvolger was n de regering van de beide koningen Manasse en Ammon, die
altaren oprichtten voor de afgoden, en de hemellichamen vereerden en aanbaden.
Het wetboek was verloren gegaan, en de kinderen werden in het vuur geofferd.
Doch Josia roeide al hun afgoderijen uit, bracht de Heilige Schrift aan het
licht, en liet die voor al het volk in het Huis des Heeren
lezen.
|
|
Van onze
tijden.
|
Op soortgelijke wijze ging het ook in deze tijden
onder de christenen; zij riepen beelden, altaren, offeranden en vreemde
godsdiensten buiten Gods Woord in het leven. Van het avondmaal, dat ons bevolen
is te houden tot een gedachtenis van de dood van Christus, maakten zij een
afgod, brandden er wierook en fakkels voor; de ware godsdienst was verbannen,
Gods Woord mocht men niet prediken, de tempel was er voor gesloten; het wetboek
der heilige Schrift te lezen was verboden. Men achtte Gods Woord als bedrog en
vergif. Als de Heere enige godzalige vorsten verwekte, die predikers uitzonden,
om de ware godsdienst te onderwijzen, en het volk van hun dwalingen te genezen,
zoals God de vrome koning van Engeland, Eduard de zesde, en enige Duitse vorsten
verwekt bad, werden de predikers beschimpt, belasterd, gevangen genomen en
gedood.
|
|
Men
verbood het Woord des Heeren te onderzoeken.
|
O gij, goede heren, slaat hierop acht! omdat het
wetboek aan uw handen is ontvallen, de Bijbel in een hoek ligt, en Gods Woord
niet wordt onderzocht, daarom wordt het volk slecht geregeerd, de rechtvaardige
verdrukt, en de onrechtvaardigheid ten hoogste verheven; daarom vervalt de
gemeente tot velerlei dwalingen en sekten; want de opzieners zijn blind, en de
herders stomme bonden, die niet blaffen kunnen, en er is geen wetenschap bij
hen.
|
|
Jes. 56,
vs. 10. Jes. 1, vs. 2, 3.
|
Terecht mocht de Heere zich over zijn volk
beklagen, en roepen over het onverstand der lompe onwetendheid: "Hoort gij,
hemelen, en neemt ter oren, gij aarde! wat de Heere spreekt! Ik heb kinderen
groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent
zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren, maar Israël heeft geen kennis,
mijn volk verstaat niet.
|
|
Jes. 30,
vs. 9, 10, 11.
|
Zij tergen Mij tot gramschap, de leugenachtige
spruiten, die de wet Gods niet willen horen, die daar zeggen tot de zieners:
Ziet niet, en tot de schouwers: Schouwt ons bedriegerijen. Wijkt af van de weg,
maakt u van de baan; laat de Heilige Israëls van ons
afhouden!"
|
|
De
onwetendheid heeft onkunde als gevolg.
|
Door zulke onwetende blindheid en onkunde komt
het, dat er zoveel onwetendheid onschuldig bloed wordt vergoten, en dat de
rechtvaardigen vervolging en verdrukking lijden. Want hoe kunnen de rechters
naar waarheid oordelen, die deze zaken niet verstaan? En hoe zouden zij die
kunnen verstaan, als zij de Schrift niet onderzoeken, waarin het recht en de
gerechtigheid wordt verklaard? Maar zij haten het licht, omdat zij in de
duisternis verkeren. Zij vervolgen de waarheid, omdat zij door de leugens
verblind zijn.
|
|
Joh. 15,
vs. 21, en 16, vs. 3. Luk. 23, vs. 34. 1 Kor. 2, vs.
8.
|
"Dit zullen zij u doen," zegt de Heere, "omdat zij
noch de Vader noch Mij gekend hebben." Hij bad ook voor zijn vervolgers, toen
Hij zei: "want zij weten niet, wat zij doen." Want, indien de vorsten dezer
wereld de wetenschap bezaten, en niet verstandeloos waren, zo zouden zij de
Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben."
Zo was het van het begin van de wereld, en zal het
duren tot het einde dat de duistere, blinde en onwetende wereld de gelovige
kinderen des lichts vervolgde, en vervolgen zal. Christus en al de leden van
Christus zijn enkel licht, leven en waarheid; en de wereld en allen, die
Christus niet recht kennen, zijn enkel duisternis, dood en ijdelheid. Als nu het
licht in de duisternis schijnt, zijn alle nachtraven, vleermuizen en nachtuilen
in beroering, want zij kunnen het licht niet
verdragen.
|
|
Joh. 3, vs. 19. Joh. 7, vs.
7.
|
Daarom zegt Christus: "Dit is het oordeel, dat het
licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad
dan het licht, want hun werken waren boos." En wederom: "De wereld haat Mij,
omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn." Zo is het ook met de
christenen, als zij de zonden aan het licht brengen en bestraffen: als zij de
ijdelheid en de leugen uitroeien door de waarheid, dan stelt de gehele wereld
zich te weer, en ieder brengt hout aan, om zulke ketters te verbranden, want zij
spreken en leven tegen de gehele wereld, omdat de gehele wereld zich tegen de
waarheid en gerechtigheid verzet.
|
|
Boek der
wijsheid, h. 2.
|
Dit heeft ons de wijze man zeer juist
afgeschilderd, waar hij de bozen laat zeggen: Wij willen de rechtvaardige
onderdrukken, want hij is ons onnut en tegen al onze werken; hij verwijt ons,
dat wij tegen de wet zondigen, en beschuldigt ons, dat wij tegen de tucht
handelen; hij geeft zich uit, dat hij de wetenschap van God bezit, en noemt zich
een Zoon van God, hij bestraft ons voornemen en opzet, hij is ons zeer lastig om
te zien, want zijn leven is zeer verschillend van de anderen, en hij verandert
zijn wegen; wij worden door hem gehouden voor beuzelaars, en hij wacht zich voor
onze wegen als voor onreinheid, en het slechtste der rechtvaardigen roemt hij
hoog, en beroemt zich, dat hij God tot een Vader heeft, enz. Met verdriet en
moeite willen wij hem onderzoeken, en zijn lijdzaamheid beproeven; wij willen
hem met een schandelijken dood veroordelen, en zo kan hij denken aan zijn
woorden. Dit hebben de boze lieden gedacht, en zij hebben gedwaald, want hun
boosheid heeft hun hart verblind.
|
|
De
predikers van de waarheid worden altijd vervolgd. 1 Kon. 22, vs. 24, 27. Jes.
36, vs. 23. Dan. 6, vs. 16. Amos 7, vs. 12.
|
Denkt er toch over na, gij christelijke heren,
welke onwetendheid en blindheid gij bewijst, hoe men tegen hen opstaat, hen
vervolgt en doodt, die het waarachtige licht van het goddelijke Woord
verkondigen, en de wetenschap en de kennis van God onderwijzen. Daarom kreeg
Micha kinnebakslagen, werd in de gevangenis geworpen, met het brood der
bedruktheid gevoed en met water der benauwdheid gedrenkt; daarom werden de
boeken van de Profeet Jeremia verbrand, en hij in een put van slijk en modder
geworpen; daarom werd Daniël geworpen in een leeuwenkuil, de Profeet Amos door
de priester van Bethel als een oproermaker voor de koning Jerobeam beschuldigd,
en verboden te prediken in de heerlijkheid en het gesticht van de koning; daarom
hebben Johannes de Doper, Christus en zijn Apostelen hun bloed gestort; om deze
redenen werden de heilige leraars, door de tirannie der heidenen en pausgezinden
verdreven, vermoord en verbrand, en als onwaardig geoordeeld de wereld te
bewonen.
|
|
Matth.
10, vs. 16.
|
Deze zijn de getuigen en martelaren, van welke
Christus spreekt, als Hij hen uitzendt als lammeren en schapen onder de wolven;
waar zij overgeleverd, geslagen en gedood zouden worden, de koningen, vorsten en
heidenen tot een getuigenis, waarom zij ook getuigen of martelaren genoemd
worden. Ja, niet alleen hebben enige verstandeloze en verblinde vorsten de
leraars en predikanten van het goddelijk Woord omgebracht, maar ook hen steeds
vervolgd, die Gods Woord gehoorzaam en onderdanig waren; opdat al het bloed, van
Abels tijden af tot het einde der wereld toe vergoten, op hun hoofd zou komen,
en van hun handen geëist worden.
|
|
Tot de
gelovige heren.
|
Daarom bid ik u, o gij heren en overheden van het
volk Gods, weest voorzichtig in uw oordelen; onderzoekt de zaken, voor gij het
vonnis velt. Wacht u een vonnis over een zaak uit te spreken, die gij niet zelf
onderzocht en goed hebt leren kennen. Ziet niet langer door de ogen van anderen,
opdat de blinde leidslieden u niet in een put der verderfenis
storten.
|
|
Joh. 19,
vs. 7.
|
Wanneer de Schriftgeleerden en Farizeeën zeggen:
"Volgens onze wet moet Hij sterven. Hij is een ketter; wij hebben Hem
onderzocht; indien Hij geen boosdoener ware, zouden wij Hem u niet hebben
overgeleverd;" weest dan niet onredelijker dan de heidense Pilatus was, en gij
zult hun dikwerf ten antwoord geven: "wij vinden geen oorzaak des doods in hem;
neemt en oordeelt hem naar uw wetten."
Ik weet en het is bekend, dat er velen onder u
zijn, wiens ogen door Gods Woord zijn verlicht, zodat zij maar al te goed weten,
dat de christenen ten onrechte door de zogenaamde geestelijkheid beschuldigd, en
voor ketters en oproermakers gescholden worden. Zij weten, dat zij om de
gerechtigheid lijden, en wegens de waarheid hun bloed storten. Maar uit vrees,
dat ook zij door de geestelijkheid als ketters geacht en beschuldigd zouden
worden, durven zij de beleden waarheid niet belijden, en de gerechtigheid
voorstaan of beschermen. De een zegt: "Ik wil de bijen niet tergen, noch de
slapende honden wakker maken." Anderen zeggen: "Wij kunnen niet alleen dansen,
dit moet gemeenschappelijk geschieden," en intussen worden de rechtvaardigen
omgebracht. Och, mijn heren, openbaarde en beleed ieder, naar de kennis, die hij
van God ontvangen heeft, de waarheid, de priestermacht zou spoedig in rook
verdwijnen. Maar nu ieder terugtreedt, bevlekt gij uw handen met het onschuldig
bloed, dat vergoten wordt. Want, indien gij u beijverd had, zoudt gij voor de
Heere onschuldig zijn, al had dit niet plaats volgens uw
verlangen.
|
|
Voorbeelden van hen, die de
onschuldigen helpen. Gen. 37, vs. 29. 2 Kon. 18, vs. 4. Jer. 38, vs. 8, 9, vs.
7.
|
Och, of gij de vrome mannen navolgde, die hun
leven stelden als een muur voor het Huis des Heeren, en de rechtvaardigen en
onschuldigen zochten te verlossen uit de macht van hen, die hen verdrukten,
zoals Ruben de onschuldige Jozef zocht te verlossen uit de handen der
bloeddorstige broeders; zoals Obadja, de hofmeester van de koning Achab, toen
Izebel, de koningin, de Profeten des Heeren doodde, hen bij vijftig tegelijk
verbergde, spijzigde en onderhield. Zo ging ook Ebed-melech, de moor, tot
Zedekia, de koning en verzocht hem vriendelijk om de Profeet des Heeren te
verlossen. Ja, ook een vrouw waagde het, voor het volk des Heeren, de koning
Ahasveros te bidden met gevaar van haar leven. En zouden dit de mannen niet
durven doen? Waarlijk, dat zou te beklagen zijn!
|
|
Luk. 19,
vs. 17. Matth. 10, vs. 40, 41.
|
Denkt toch eens, o gij dienaren van God, aan de
heerlijke beloften, die u de Zoon van God doet, wanneer gij uw dienst getrouw
waarneemt, hetwelk bestaat in de goede tegen de onderdrukkers te beschermen.
"Wel, gij goede dienstknecht," zal Hij zeggen, "omdat gij in het minste getrouw
zijt geweest, zo heb macht over tien steden." "Gaat in, in de vreugde uws
Heeren," zegt Hij met een heerlijke belofte, tot hen, die zijn volk ontvangen en
bijstaan. "Die u ontvangt, ontvangt Mij," zegt Hij, "Die een Profeet ontvangt in
de naam eens Profeten, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die een
rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens
rechtvaardigen ontvangen. En, zo wie één van deze kleinen te drinken geeft,
alleen een beker koud waters, in de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij
zal zijn loon geenszins verliezen." Wat zal hij dan doen als gij de
rechtvaardige uit de macht der bozen en bloeddorstigen
verlost?
|
|
Luk. 12,
vs. 42, 45.
|
Ziet, de Heere heeft u over zijn Huis gesteld,
omdat voor te staan en te verzorgen. Zalig bent gij, als Hij bij zijn komst u
aldus bevindt. Maar, als gij in uw hart zegt "De Heere; vertoeft te komen," en
gij begint uw mededienstknechten te verdrukken, en de lust van uw hart op te
volgen; dan zal voorwaar de Heere komen op de dag, waarin gij Hem niet verwacht,
en zal u in stukken houwen, en uw deel zetten met de ontrouwen; want een
dienaar, die de wil zijns Heeren kent, en die niet wil volbrengen, en niet naar
zijn wil gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden; en die veel gegeven
is, van die zal ook veel geëist worden. Denkt daarover toch
na!
|
|
Tot de
onwetenden, Joh. 16, vs. 2. 2 Thess. 2, vs. 10, 11.
|
Ten anderen. Zij, die door onwetendheid kwaad en
boos zijn, en menen God een dienst te doen, wanneer zij iemand om Gods Woord
doden en verbranden, deze volgen juist de voetstappen van hun voorouders, en
zullen ook hun loon ontvangen. Tot zulk een val moesten zij komen, omdat zij de
liefde tot de waarheid niet hebben ontvangen tot hun zaligheid. Daarom zendt de
almachtige God hun krachtige dwalingen toe, opdat zij de leugens zouden geloven,
en zij allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar de
ongerechtigheid beschermd. Waarlijk, die de tirannie van Farao navolgen, Gods
woorden ongehoorzaam zijn, en het volk des Heeren met geweld onderdrukken,
zullen ook door de krachtige hand des Heeren in de wateren der verderfenis
verzinken en vergaan.
|
|
Voorbeelden van de straf van de
vervolgers.
|
Is het ooit gebeurd, dat zulke bloeddorstige
lieden zonder een vreselijke dood deze wereld hebben verlaten? Waarlijk, zelden
of nooit geschiedt dit, als ons oude en nieuwe geschiedenissen betuigen. Denkt
aan Kaïns dood tot op onze tijden; ten allen tijde was God een wreker van het
bloed zijner uitverkorenen, dat om wraak roept voor zijn oren. Hoe geweldig
heeft de Heere zo vele machtige koningen vernield, die zijn volk, dat Hij uit
Egypte bracht, wilden verdrukken. Hoe schandelijk zijn de koningen opgehangen en
verwurgd!
|
|
1 Sam.
31, vs. 4.
|
Welk een verschrikkelijk einde had de boze koning
Saul, nadat hij David zo vaak had vervolgd, en de priesters des Heeren met het
zwaard gedood, heeft hij eindelijk met zijn eigen zwaard zich van het leven
beroofd. Jerobeam, de koning, door God over Israël gesteld, versloeg de Heere
met zijn gehele geslacht, omdat hij de leraars, de profeten des Heeren verdreef,
en een valse godsdienst voor het volk in het leven had
geroepen.
|
|
1 Kon.
22, vs. 34, 38.
2 Kon.
9, vs. 33, 35.
2 Kon.
26, vs. 7.
Judith
13, vs. 10.
De
voetstappen van Antiochus worden door onze koningen gevolgd, 1 Makk.
1.
|
Achab, de koning, werd doorschoten, en de honden
lekten zijn bloed, omdat hij de onschuldige Naboth ten onrechte door de rechters
liet doden, en niet hoorde naar de Profeten des Heeren. Izebel, zijn vrouw, werd
uit het venster geworpen, brak de hals, en werd door de bonden verslonden, omdat
zij de Profeten van God en alle Godvruchtige mannen verdreef en vermoordde. Om
dezelfde reden werd Zedekia blind in de Babylonische ballingschap, en Holofernus
schandelijk door een vrouw verslagen; ja, ook Antiochus, de koning, die een
duidelijk voorbeeld is voor de vorsten en koningen in onze tijden, wiens
voetstappen zij allen navolgen; want door zijn bevel dwong hij Gods volk de
heidense gewoonten en wetten te onderhouden, en Gods bevel te overtreden, en
stelde kettermeesters en onderzoekers aan in alle steden, die het volk daartoe
dwongen. Hij liet de boeken, de Testamenten des Heeren in stukken snijden en
verbranden. Wie Testamenten des Heeren bezat, en volgens zijn Woord wilde leven,
werd op bevel des konings gedood. Deze werd door de Heere met zulk een weemoed
en droefheid van het hart getroffen, dat hij aan de gevolgen daarvan stierf. In
onze tijden mag men zich hieraan wel voor goed spiegelen. Let hierop toch, want
Gods hand is ook nu niet verkort, om de wreedheid der tirannen te straffen, en
het bloed zijner martelaren te wreken.
|
|
Christenen worden ketters en
oproermakers genoemd.
|
Zegt iemand soms: “Ja dat deden de goddelozen aan
de kinderen Gods; maar nu vervolgt men niemand dan oproerige ketters,
sektemakers, en hen die het volk verleiden."
Och, gij vrome heren, let toch eens op de aard en
de natuur van de satan, die zich toch dagelijks als een God opwerpt, en zijn
macht verheffen wil, opdat hij God en zijn heerlijkheid zou verduisteren en
teniet doen. Wie zijn toch de ketters? Zij, die de woorden des Heeren navolgen,
of zij, die daartegen opstaan en die onderdrukken? Die de boosheid bestraffen en
haten, of die verdedigen en navolgen? Oordeelt nu zelf, wie de ketters
zijn.
|
|
Joh. 5, vs. 39. Matth.
28, vs.
19.
|
Christus beveelt de christenen de Schrift te
onderzoeken, waarin zij het eeuwige leven zullen vinden. Hij beveelt de
predikanten te prediken volgens zijn bevel. Dit te doen wordt verboden en
ketterij genoemd; die volgens zijn bevel prediken en de valsheid bestraffen,
heten verleiders en oproermakers, die men niet kan uitstaan. Zij, die de
sacramenten naar het bevel des Heeren Jezus Christus uitdelen en ontvangen,
worden valse leraars, sektemakers, en sacramentschenders genoemd door hen, die
de sacramenten van Christus vervalsen, schenden of vernietigen. Christus heeft
bevolen, dat allen uit één kelk moeten drinken, en, die dat doen willen, heten
ketters, want de priesters verbieden dat. Zij, die de heidense afgoderij van
houten en stenen beelden te aanbidden, aan te roepen, te verlichten en te
vereren volgens Gods Woord verbieden, noemt men beeldstormers en verachters van
heiligen bij dit overspelig en afgodisch geslacht. Daarentegen heten zij, die de
afgoden oprichten, heilige christenen.
|
|
Jes. 5, vs.
20.
Amos 7, vs.
10.
1 Kon.
18, vs. 17.
Luk. 23,
vs. 2.
Matth. 26, vs.
61.
Hand. 24, vs.
5.
|
Ziet aldus weet de duivel het blaadje door zijn
handlangers om te keren. Wee u, wee u, die het kwade goed noemt, en het goede
kwaad, die het licht duisternis acht, en de duisternis licht. Gelijk Amazia, de
priester van Bethel, liet volk tot afgoderij verleidde, zo beschuldigt men de
prediker des Heeren, dat hij oproerig is jegens de koning, en beweert, dat het
land zijn prediking niet verdragen kan, en hij uit het land moet verbannen
worden. Elia werd als een oproermaker door de koning Achab gescholden, omdat hij
de Baälpriesters wegens hun afgoderij bestrafte. Christus zelf werd door de
geestelijkheid bij de wereldlijke overheid als een oproermaker aangeklaagd, en
gezegd, dat Hij het volk beroerde van Galilea af tot hiertoe; dat Hij verbood de
keizer schatting te geven, en dat Hij de tempel wilde verbreken. Paulus werd
door de Joodse priesters voor de Romeinse rechter als een oproermaker en
voorstander der sekten beschuldigd. Het moet de christenen gaan, zoals het
Christus, de Apostelen en Profeten ging. Zouden de discipelen beter zijn dan de
Meester? Dat kan niet. Let er op en ziet, of de eigenlijke ketters niet altijd
de godzaligen hebben vervolgd. Waar vindt men, dat de valse profeten en valse
leraars door de wereld vervolgd werden? Is het ooit gezien of gehoord? Neen,
toch niet, want de wereld bemint altijd het hare; zij scheidt, vervloekt, doodt
en verbrandt, wat door Christus is uitverkoren, want dat is niet van de wereld.
Zo werden Christus en zijn leerlingen door die wereld als ketters, verleiders en
oproermakers gehouden, en de verleiders, ketters, en die tegen de Heere oproerig
waren, werden door de wereld christenen genoemd.
Daarom, gij christelijke heren en overheden van
het volk, let niet op het geroep en geschreeuw van het volk, op de klachten van
de geestelijkheid, die altijd tegen Christus en zijn heilig Woord opstonden, en
bekreunt u ook niet om de gewoonte of het algemeen gebruik en de loop der wereld
van de tijd der voorouders af; want deze zouden u allen bedriegen. Maar let op
het onvervalste Woord des Heeren, dat een licht voor uw voet zal zijn, opdat gij
in de duisternis niet struikelt. Weest niet langer onwetend in goddelijke zaken,
opdat gij de onschuldigen kunt beschermen tegen hun
overweldigers.
|
|
Christus
wordt vervolgd in zijn dienaars. Hand. 9, vs. 5. Zach. 2, vs. 8. Ps. 105, vs.
15.
|
Bedenkt, dat, wanneer gij Gods dienaren voor u
hebt, dat Christus zelf voor u staat, en door u wordt veroordeeld, en dat Hij
tot u zegt: Waarom vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels
te slaan. Aangaande deze zijn uitverkorenen zegt Hij toch: Die u aanraakt, raakt
de appel mijner ogen aan. Hij vermaant u door te zeggen: Tast mijn gezalfden
niet aan, en weest niet wreed jegens mijn Profeten.
Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke
ondankbaarheid om hen te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u
van de weg der verderfenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij
het goede met het kwade. Dit zijn immers geen bewijzen van ware mensen, nog veel
minder van christenen. Daarom bid ik u, en vermaan u door onze Heere Jezus
Christus, door wiens bloed gij van de tirannie des duivels verlost bent, u te
wachten van uw handen te bevlekken met het bloed der rechtvaardigen. Doet u het,
de hand des Heeren is nu opgeheven om zulke onrechtvaardige wreedheid en wrede
onrechtvaardigheid te straffen. Verstout gij u, de godzaligen te verdrijven en
uit te roeien, zo zult gij allen vergaan.
|
|
Gen.
7.
Gen.
19.
|
Toen Noach in de ark ging, rees de verderfelijke
watervloed over alles, wat leven ontvangen had. Toen de godvrezende Lot met zijn
dochters uit Sodom vertrok, kon men niet anders dan zwavel en vuurregen van de
Heere verwachten, om alle bozen te verteren. Daarom, ziet toe, gij bent in uw
eigen licht, gij verderft uzelf.
|
|
Jes. 1,
vs. 9.
Gen. 3,
vs. 15.
2 Thess. 2, vs.
8.
Spr. 21, vs.
20.
Hand. 3,
vs. 17.
|
Want zo de Heere u geen zaad nalaat, dan zult gij
als Sodom en Gomorra door Gods toorn worden verslonden. Wilt gij de slang helpen
in Christus’ hielen te bijten, dan zal uw hoofd in stukken geslagen worden. Wilt
gij de antichrist op zijn zetel verheffen, dan zal Christus u met het zwaard van
zijn Woord vernielen, en tot een voetbank zijner voeten maken. Tegen God geldt
toch raad noch geweld. Nu, welaan, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan
hebt, zoals al uw voorvaders de Profeten en Apostelen hebben omgebracht, maar
bekeert u nog, en laat af van het vergieten van het onschuldig bloed, en de
Heere, die rijk is in barmhartigheid, zal zich uwer ontfermen, en met geopende
armen ontvangen. Volgt het voorbeeld van de koning Manasse; beweent uw zonden,
en de Heere zal u genadig zijn. Want Hij wil de dood van de zondaar niet, maar
dat hij zich bekeert en leeft. Wanneer gij het boze laat varen, en u bekeert,
zal de Heere een licht laten opgaan in uw harten, en de zon der gerechtigheid
overal laten schijnen. In vreugde zult gij uw leven doorbrengen, en in vrede uw
volk regeren. Het volk zal de wet des Heeren leren, en zij zullen de vrees Gods
voor ogen hebben. O, gelukkig volk, dat dit ten deel valt, die de Heere voor hun
God houden. O zalige overheden, die het wetboek en de Testamenten des Heeren
steeds in de hand hebben, en zich daarin oefenen dag en nacht. Want zij zullen
de wil des Heeren erkennen, en hun volk in rechtvaardigheid
regeren.
|
|
Jes. 11,
vs. 9.
|
Dan zal niemand gewond of gedood worden op de
heilige berg van God; want de aarde zal vervuld worden van de kennis des Heeren.
De almachtige, en barmhartige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus,
verlichte eenmaal door zijn Heilige Geest de duistere ogen en blinde harten, en
vooral die van de overheid, opdat zij zien mogen in wie zij gestoken hebben, en
de Heere der heerlijkheid en de Koning aller koningen belijden, zijn naam
heiligen, zijn gemeente beschermen, en alzo hun poorten openen, om de Koning der
heerlijkheid te ontvangen. Amen.
|
Antwerpen, in het jaar onzes Heeren
1559.
Adrianus Haemstedius
Beminde, goedgunstige lezer, het is genoeg bekend,
dat de gelovigen der eerste kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus
Christus, aan vele en zware beproevingen waren onderworpen, want zelfs de
Apostelen van Christus hadden uit de Joden en Heidenen tot vijanden, die in deze
wereld, volgens het oordeel der mensen, de geleerdste, machtigste en
uitnemendste waren, die hen met alle macht en wreedheid vervolgden, en eindelijk
doodden en ombrachten. Doch van de apostolische tijd ontstond er nog veel
grotere tirannie, toen de Romeinse keizers al hun macht aanwendden, om het ware
geloof en de christelijke kerk, die over de gehelen aardbodem zich begonnen uit
te breiden, uit te roeien. Men leest ook, dat zij tot de tijd van Constantijn de
Grote, gedurende drie eeuwen, geen wreedheden nalieten te plegen, om het geloof
uit te blussen. Zij toch beroofden de christenen niet alleen van wereldse eer,
staat en waardigheid, maar de christenen werden ook onthoofd, opgehangen,
verdronken, verbrand, de wilden dieren voorgeworpen, en allerlei martelingen
werden hun aangedaan. Ja, de wilde stomme dieren waren soms barmhartiger dan de
tirannen, zodat zij vele gelovigen spaarden, en de beulen verscheurden en
verslonden. In één woord, de wreedheid was in die tijden zo buitengewoon, dat er
ten tijde van Diocletianus geen grote stad was, waarin niet iedere dag bijna
honderd gelovigen werden gedood. De geschiedschrijvers hebben zelfs aangetekend.
dat er eens in één maand zeventien duizend christenen werden omgebracht. Doch
onder deze verschrikkelijke vervolgingen ondervond men ook de vertroosting, dat
wanneer de christenen dikwerf in onreine kwalijk riekende gevangenissen lagen,
zij door andere broeders niet vergeten, maar door hen getroost, versterkt en van
spijs in de gevangenis voorzien werden; of, indien hun dit door een
gevangenbewaarder niet werd toegestaan, schreven en zonden zij hun enige
troostrijke brieven; ook hielpen en sterkten zij hen in hun heilige voornemens
met hun openbare en bijzondere gebeden.
En aangezien God wilde, dat ook de gedachtenis van
zijn heilige martelaren onder de mensen in waarde zou gehouden worden, droegen
de vroegere christenen niet alleen zorg voor hun gevangen medebroeders in het
leven; maar ook, wanneer zij om de naam van Jezus Christus waren gedood, werd de
gedachtenis van deze martelaren ook in ere gebonden, omdat zij vast geloofden,
dat de zalige martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en
onsterfelijke leven verreisd en waarlijk wedergeboren waren; en ook, om zich en
hun medegelovigen door zulk een gedachtenis tot gelijke standvastigheid op te
wekken. Opdat ook de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden
geraken, waren er ook, die deze schriftelijk te boek stelden, zoals men, onder
andere, leest, dat Keizer Constantijn, op verzoek van Eusebius, bisschop van
Cesarea, naar alle delen der wereld mannen zond, en de namen van de martelaren
alsook de tijd van hun lijden liet optekenen, alsmede onder wie, op welke wijze
en in welke plaatsen zij hadden geleden. Te beklagen is het echter, dat, wat de
eerste christenen tot opwekking der standvastigheid diende, dit door de
nakomelingen in schandelijke afgoderij werd veranderd.
Doch, wat zullen wij zeggen van de
verschrikkelijke vervolgingen, die toen en later hebben plaats gehad? Het aantal
der vroegere martelaren was zeer groot; maar wie kan het veel grotere getal van
onze martelaren berekenen? De vroegere martelaren werden gruwelijk gepijnigd en
gedood, maar welke tong kan uitspreken, of welke pen kan beschrijven met welke
vreselijke barbaarse en onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken,
ophangen, levend begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en
dergelijke wrede doodstraffen de martelaren in later tijd werden omgebracht? En
daarom verdienen zij geen geringen lof, die zich benaarstigden de gedachtenis
van onze martelaren onder de mensen levendig te houden. Vooral voegt het ons
Nederlanders, hen zeer te danken, die de namen der martelaren, als ook de tijd
wanneer en de plaatsen, waar zij gepijnigd werden, de martelingen, die hun
werden aangedaan en dergelijke omstandigheden meer, tot een eeuwige gedachtenis
van hun standvastigheid beschreven en de nakomelingen nagelaten
hebben.
En, aangezien het bloed der martelaren zo
overvloedig bijna als water, niet alleen in de Nederlanden, maar ook in het
gehele christelijke rijk vloeide, zijn in dit boek niet alleen de martelaren in
Nederland opgenomen, maar ook verscheidene andere martelaren, die in Engeland,
Frankrijk, Spanje, Italië, en andere landen, om de belijdenis der waarheid
leden, er bijgevoegd; doch niet allen, slechts de voornaamste; ook niet met alle
bijzonderheden, zoals die in de Engelse, Franse en andere martelaarsboeken
beschreven staan; want dit alles zou niet in één deel opgenomen kunnen worden,
maar alleen het voornaamste wat er bij hun martelingen plaats
had.
Daar vroeger dit Nederlandse martelaarsboek in
drie delen was uitgegeven, hebben wij daarvan nu één deel gemaakt, en iedere
martelaar naar volgorde beschreven, en wel op behoorlijken tijd en plaats. Zo
veel ons mogelijk was, hebben wij er ook op gelet of iemand hunner in het een of
in het andere gedeelte van het jaar gemarteld werd, en dit ook naar volgorde
geschikt. Wij hebben ook verzwegen zulke geschiedenissen, die wij zagen dat op
twee of drie verscheidene plaatsen werden verhaald, en wel soms met dezelfde
namen, soms met een kleine verandering; en hebben ons daarbij aan de
uitvoerigste gehouden.
Deze laatste druk is ook met verscheidene schone
en gedenkwaardige geschiedenissen, die vroeger in het Nederlandse Martelaarsboek
niet waren opgenomen, vermeerderd, zoals bijvoorbeeld: Bij de moord te Parijs
hebben wij ook gevoegd de moord, die in die tijd, om dezelfde redenen, in andere
provinciën en steden van Frankrijk, als te Angers, Rouaan, Bordeaux en andere
plaatsen tegen de Hervormden plaats had; ook de moord die in 1620 in Valtellina
aan de Hervormden geschiedde, en meer andere geschiedenissen van bijzondere
gelovigen tot het jaar 1633; alsmede de onmenselijke en ongehoorde wreedheid
gepleegd jegens de Hervormde christenen in het koninkrijk Ierland, in het jaar
1641, alsmede de verschrikkelijke moord aan de Waldenzen in Piëmont in het jaar
1655.
De Verhandeling over de hovaardij en opgeblazen
oppermacht der Pausen het eerst in de Engelse taal geschreven door de eerwaarden
dienaar van Jezus Christus, Johannes Foxus, en daarna in onze Nederlandse taal
overgebracht door H. Hexam, hebben wij laten voorafgaan, die ons toont, hoe al
de bloedige vervolgingen der gelovigen in de volgende eeuwen ontstaan zijn, tot
op deze dag. Daarin wordt ons levendig voor ogen gesteld, hoe de eerste getrouwe
bisschoppen van Gods Kerk in verloop van tijd al erger en erger werden, en hoe
zij langzamerhand als van zeer goede onderdanen der keizers en koningen,
geworden zijn heren en heerschappijvoerders over koningen en koninkrijken, die
in de tempel Gods als een God zitten, zichzelf vertonende dat zij God zijn;"
zoals dit door de Heilige Geest vooruit gezien, en ons in de Heilige Schrift
voorzegd en geopenbaard is." En aangezien de getrouwe bisschoppen en vrome
getuigen van Jezus Christus de hoogmoed van deze bedorven bisschoppen niet
konden verdragen, noch voor het hoofd der kerk, waarvoor zij zich uitgaven,
zoals de pausen nog doen, wilden erkennen, maar veel meer voor de waren
antichrist, die zich tegen Christus verheft, en derhalve ook hun menselijke
vonden en instellingen niet wilden goedkeuren noch aannemen, daarom hebben vele
martelaren hun bloed laten vergieten; daardoor is de gehele wereld in beroering
gebracht; daardoor heeft zich de Babylonische hoer tot nog toe dronken gemaakt
niet het bloed der vrome martelaren daardoor is het aantal van hen, "die gedood
waren om het Woord Gods en om het getuigenis” dat zij zo groot en ontelbaar
geworden, dat het door niemand ter wereld kan worden berekend, waarom ook de
namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet konden worden opgenomen,
die echter in de hemel, in het boek des levens, geschreven
zijn.
Wij bidden daarom de christelijke lezer, deze onze
genomen moeite ten goede te willen aannemen, en die zo tot nut te maken, opdat
het mag medewerken tot grootmaking van Gods heiligen naam en eer, tot stichting
van de naasten, versterking in het geloof en tot zaligheid der zielen.
Amen.
In het twee en veertigste jaar van de regering van
Augustus, de tweede Romeinse keizer, is Jezus Christus, de enige Zoon van de
levende en almachtige God, door de kracht des Heilige Geestes ontvangen en
geboren uit de maagd Maria, en waarachtig mens geworden uit het zaad van David
naar het vlees, gelijk Hij tevoren de vaderen was beloofd, om het menselijke
geslacht met Zijn Vader te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis
te verlossen door de onbevlekte offerande Zijns lichaams. Zijn ontvangenis te
Nazareth en Zijn geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest;
en, naardien Hij om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij
der wet te verlossen, is hij besneden, en in de tempel de Heere voorgesteld; ook
is Hij toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen.
Maar, aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel
Jeruzalem beroerd waren over Zijn geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en,
om Hem te doden, de Bethlehemitische kinderen wreed vermoord; maar Christus is
(door de waarschuwing van de Engel) met Zijn ouders naar Egypte gevlucht, en
daar gebleven tot áèn (lood van Herodes. Toen Hij onder de regering van
Archelaus wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijn moeder en vermeenden vader
onderdanig. Verder zich met Zijn ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem,
heeft Hij op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijn Godheid getoond
onder de geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met
timmeren bezig gehouden onder Zijn vermeende vader Jozef, tot het dertigste jaar
Zijns levens.
In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius,
de derde keizer van Rome, regeerde, is Hij aan Israël geopenbaard, en door God
Zijn Vader in het openbaar door de doop en de zalving des Heilige Geestes tot
onze groten Profeet, Hogepriester en eeuwige Koning gewijd, dat is tot onze ware
Messias en Zaligmaker.
En, om dit ambt ten onze beste te kunnen bedienen,
heeft Hij Zich begeven tot vasten en bidden, waarin Hij is verzocht is geweest
van de satan; maar hem krachtig overwinnende, heeft Hij het leraarsambt bediend
met zulk een macht, volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijn vijanden zich
daarover verwonderden en zich ontzetten.
Zijn hemelse leer en de wil Zijns Vaders heeft Hij
in Zijn eigen persoon, door Zijn goddelijke kracht, met zulk een overvloed van
wonderen bevestigd en versterkt, dat zelfs de redeloze schepselen daarover
bewogen en alle mensen verwonderd waren.
Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en
gezuiverd, alle dwalingen en vervalsingen van de wet verbeterd, de boosheden der
mensen bestraft en de verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft
Zich ook discipelen verzameld, en een kerk of geestelijk rijk opgericht. In Zijn
leven heeft Hij onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wet voor ons
zou kunnen volbrengen, gelijk van de waren Messias werd vereist, en door de
reine beesten in de offeranden is afgebeeld.
Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle
mensen; in voorkomen, gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en
aangenaam boven alle schepselen, Welke de Engelen hebben begeerd te
aanschouwen.
In één woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst
en heerlijkheid; ja de kracht Zijner Godheid was vaak glansrijk en te
aanschouwen in Zijn menselijk lichaam.
Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de
allerverachtste en onwaardigste, een worm en geen mens, omdat Zijn gehele leven
één gedurig lijden is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want
wat hij heeft geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, Farizeeën en
vele andere Goddeloze mensen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en
zwarigheden Hij voornamelijk gedurende de tijd van drie jaren heeft uitgestaan
en verdragen, is met geen woorden uit te spreken, noch pen te
beschrijven.
Doch men moet onderscheid maken tussen Hem en de
martelaren, wier dood, hoewel kostelijk in de ogen des Heeren, niet tot
verlossing van iemand strekt, maar om te bewijzen de volstandigheid van hun
geloof en de vervulling der broederschap; want Christus heeft de pers alleen
getreden, omdat Hij heeft geleden en gesmaakt de toorn Gods en de gramschap der
hel, welke alle martelaren in het allerminst niet konden bedenken, laat staan
lijden en dragen.
De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der
martelaren het zaad der kerk is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij
gezegd worden de overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is
dit niet zo te verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben
ontbroken, maar dat zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzo is Hij nog lijdende in
Zijn heiligen. Want, zoveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen
verlost en gezuiverd door het dierbaar bloed van Christus Jezus, de Zoon Gods.
Voorts, benevens de verzoening in alle Christus,
zo dient ons ook Zijn lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als
onze Heere en opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier
strijdende, door Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid.
Maar Hij is alzo niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder
keizer Tiberius; want het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht,
zodat Hij is de eerste en als het Hoofd der martelaren voor Abel en al de
profeten, die ooit om des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in
de volheid des tijd alle dingen door Zijn dood volbracht.
Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal voor
de Zijnen tot een gedachtenis van Zijn dood en verzegeling van hun zaligheid had
ingesteld, is Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van een grote
schare, uit gezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van
het volk, gewapend met zwaarden en stokken, gevangen genomen en
gebonden.
Deze brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna
gebonden zond naar Kajafas de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en
Ouderlingen vergaderd waren.
Voor deze Joodse raad is Hij vals beschuldigd, dat
Hij gezegd had, dat Hij de stoffelijke tempel van Jeruzalem, die met handen
gemaakt was, zou afbreken. en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt,
opbouwen. Daar heeft men ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij
Zich Gods Zoon had genoemd. Daar hebben enigen Hem in Zijn heilig aangezicht
gespogen en met vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en
gezegd: profeteer ons Christus, wie is het, die U geslagen
heeft?"
Deze Joodse raad Hem, des doods schuldig
geoordeeld hebbende, is Hij door tien aan de wereldlijken rechter Pontius
Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat Hij zou gekruisigd worden. Pilatus,
wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden overgeleverd zocht alle middelen om
Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na naarstig onderzoek van alles, geen
schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij hierdoor bij hen niets vorderde en dat
zij desniettegenstaande bleven roepen: "Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden
met de ongenade des keizers, zo heeft hij (nadat hij zijn handen met water
gewassen en betuigd had, dat hij onschuldig was aan het bloed van deze
Rechtvaardige, en de Heere Jezus had gegeseld) Hem aan de krijgsknechten
overgeleverd om gekruisigd te worden.
Deze hebben Hem, in het rechthuis nemende,
ontkleed, een purperen mantel aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet,
een rietstok in Zijn rechterhand gegeven, en, op hun knieën voor Hem
neervallende, bespot, zeggende: wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem
gespogen hebbende, hebben zij Hem met een rietstok op het hoofd geslagen, daarna
de mantel afgedaan, en wederom Zijn eigen klederen aangetrokken, en aldus
uitgeleid om gekruisigd te worden.
Eindelijk werd hij naakt tussen twee moordenaars
gehangen,Zijn handen en voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder
vreselijke smarten des lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om
onzer zonden wil, uitroepende: mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij
verlaten," is Hij gestorven, terwijl Hij Zijn ziel met vertrouwen in de handen
van God Zijn Vader beval, in de leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het
achttiende jaar der regering van Tiberius, de derde keizer van
Rome.
De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef
van Arimathea en Nicodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en
ten derde dag als de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de
doden, tot eeuwige onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de
ogen Zijner Apostelen naar de hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods,
om op de jongste dag vandaar terug te komen, teneinde te oordelen de levenden en
de doden, en Zijn gelovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen
in het eeuwige leven.
[JAAR 32.]
Johannes, bijgenaamd de Doper, uit de stam van
Aäron, een zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, naar het
bevel van de Engel aldus genaamd, werd geboren ten tijde van de koning Herodes,
en wel op een wonderbare wijze, toen zijn ouders op hogen leeftijd gekomen
waren, en is van zijn geboorte aan vervuld geweest met de Heilige
Geest.
Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was,
(ongeveer een half jaar voor de Heere Christus Zijn Profetisch ambt begon) in
het vijftiende jaar der regering van de keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus
stadhouder was, ten tijde van de Hogepriesters Annas en Kajafas, is hij van God
geroepen en gezonden om te prediken de doop der bekering tot vergeving der
zonden, en als een Engel of bode voor het aangezicht van Christus de weg te
bereiden voor de Messias, en het hart der vaderen te bekeren tot de
kinderen.
Aangaande de heerlijkheid van deze man had de
Engel des Heeren gezegd, dat velen zich over zijn geboorte zouden verblijden,
dat hij groot zou zijn voor de Heere, om voor Hem te bereiden een toegerust
volk, en (zoals niet alleen de Profeten, maar ook Zacharias van hem door de
Geest des Allerhoogste had voorgezegd) om Zijn volk kennis der zaligheid te
geven, in vergeving van hun zonden.
Als Johannes nu van God aldus was geroepen en
gezonden, om van het licht van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij
Salim en elders, terwijl hij doopte en leerde. Hij bezat een uitnemende geest en
verstand; en velen kwamen er om van.hem gedoopt te worden en naar zijn leer te
horen, onder wie vele geveinsden en boze mensen, wien hij ernstig de waarheid
zei, bestrafte en vermaande tot bekering. De arme zondaars, tollenaars,
krijgslieden en anderen heeft hij met groten ijver onderwezen en getroost in de
weg der zaligheid.
Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de
Jordaan en Deze verzocht door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit
nederigheid en met een goede bedoeling weigerde; maar Christus overtuigde hem,
dat zulks nodig was, zodat hij Hem dan ook doopte en dadelijk van Christus
getuigde dat Hij het Lam Gods en de Bruidegom Zijner kerk, ware Messias, Wiens
schoenen hij niet waardig was Hem na te dragen.
Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer
groten toeloop van volk, waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de
Messias was, welke eer hij echter van zich afgewezen en Christus, Wien zij
alleen toekwam, gegeven heeft. De Farizeeën en Joden hebben toen hun gezanten
tot hem gezonden, om hem te vragen naai, zijn roeping, zending en gezag, omdat
hij de Evangelische leer verkondigde, en nochtans de Christus niet was. Hij
heeft hun echter zo geantwoord, dat zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen
nu Johannes (die zeer ijverig, was,) vele leerlingen maakte, en die leerde
vasten en bidden en hij van zijn werk zich met loffelijke ijver kweet, won hij
in grote mate het vertrouwen, aanzien en gezag bij alle mensen, zelfs bij de
koning Herodes Antipas, die hem in waarde hield en graag hoorde. Maar deze
koning had zich aan een goddeloze daad schuldig gemaakt, door namelijk zijn
eigen vrouw, de dochter van Aretas, de koning van Arabië, te verstoten, en de
vrouw van zijn broeder Filippus, nog bij het leven van haren man, tot zich te
nemen, terwijl zijn broeder reeds enige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon
Johannes overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees
voor ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande bestraft.
Doch, daar de goddelozen niet willen bestraft worden, zo haatte hij hem, en
zocht een aanleiding om hem te doden. En aangezien velen dachten, dat hij de
Messias was, waardoor de toeloop van het volk dagelijks groter werd, zo heeft
Herodes Johannes (onder de naam van oproermaker) laten gevangen nemen en
overbrengen in de kerker Machaerus.
Intussen heeft Johannes zijn werkzaamheden niet
gestaakt, en zelfs uit Zijn gevangenis enige van zijn discipelen tot Christus
gezonden, om hen en anderen door Christus, leer en wonderen van de waarheid van
Diens toekomst te verzekeren, gelijk ook heeft plaats
gehad.
De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook
later bij herhaling een goede getuigenis gegeven van zijn leer, standvastigheid,
zijn doop, en gesproken van zijn klederen, eten en drinken, in één woord, dat
hij in alles was de ware, geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste
Profeet onder hen, die van vrouwen geboren waren. Dat hij geen tekenen deed, was
misschien wel daarom, opdat men niet menen zou, dat hij de Christus
was.
Maar de goddeloze en ontuchtige Herodias, nog niet
tevreden, dat Johannes gevangen zat, legde hem lagen, om hem zo mogelijk te
laten doden, doch dit gelukte haar niet, want Herodes vreesde Johannes. Doch op
de verjaardag van Herodes gaf deze aan zijn hovelingen een luisterrijken
maaltijd, waarbij het dochtertje van Herodias, ten genoegen van al deze
lichtzinnige lieden, zeer mooi danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin
zulk een beha gen, dat hij het met ede bezwoer, haar alles te zullen geven, wat
zij begeerde. Nu had Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde
haar dochter aan, van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van
Johannes de Doper in een schotel zou gebracht worden. Herodes, dit horende, was
zeer bedroefd; maar om zijn lichtvaardig gezworen eed te houden, en om
(zogenaamd) zijn woord niet te breken tegenover zijn hovelingen, stond hij haar
verzoek toe; liever zijn zondigen eed houdende, dan die te breken, waarmee hij
echter zich zo niet zou bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de
gevangenis gezonden, en deze beeft Johannes zonder enig rechterlijk vonnis
onthoofd, terwijl het hoofd van deze Profeet, tot een bewijs van hun wreedheid,
ten spot en schouwspel van deze goddeloze lieden, ja tot een getuigenis van de
barbaarsheid van hen allen in een schotel gebracht werd. Alzo hebben zij hem,
onder toelating van de Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij
begeerden.
De wrede Herodias wenste wel, dat Johannes’
lichaam onbegraven op het veld weggeworpen en door de dieren verslonden zou
worden, opdat men te minder aan hem als ook aan haar overspel zou denken, doch
zijn leerlingen hebben zijn lichaam weggenomen en
begraven.
Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte
van Christus, en zijn lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot de
tijd van Julianus. Toen is zijn gebeente door de vijanden der waarheid verbrand
en de as in de wind verstrooid. Maar de Heere heeft de dood van deze man in
Herodes, Herodias en haar dochter (zoals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar
gestraft.
[JAAR 34.]
Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen "kroon"
was, naar de mening van Doretheüs, een van de zeventig leerlingen van Christus,
hoewel Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en
of hij een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te
volgen) is niet met zekerheid bekend. Zo weet men ook niet, waar hij is geboren
en wie zijn ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de
eerste was van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heilige
Geestes; en nadat hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijn dienst
was bevestigd, is hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed
grote tekenen onder het volk.
Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien
behoorde hij vroeger tot de sekte der Libertijnen, die met anderen met hem
twistten; maar zij konden de wijsheid en de Geest, door welke hij sprak, niet
weerstaan, zodat zij, volgens hun oude aard, met vele valse getuigen teen hem
opstonden onder het volk oproer verwekten en hem beschuldigden, dat hij
lasterlijke woorden had gesproken tegen de wet en de tempel, en dat hij betuigd
had, dat Jezus van Nazareth die plaats zou verbreken, en de zeden veranderen,die
Mozes hun had overgeleverd. Om dit alles werd Hij gevangen genomen, en, in de
raad gebracht, terwijl zij zagen dat zijn aangezicht blonk als van een Engel.
Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus' eer gehandhaafd en de waarheid
verdedigd, blijkt uit de welsprekende en belangrijke redevoering, die hij
gehouden heeft voor de gehelen Joodse raad te Jeruzalem, gelijk wij zien Hand.
7, waarin hij het gehele Oude Testament, de wet en de Profeten doorliep, en
eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die het einde der wet is lot
rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen bestraffende, dat zij de
Profeten hadden gedood, die tevoren verkondigd hadden de komst des
Rechtvaardigen van Wie zij nu verraders en moordenaars geworden
waren.
Toen zij dit hoorden, barstten hun harten en
knarsten zij de tanden tegen hem; maar hij, vol zijnde des Heilige Geestes, en
de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter
rechterhand Gods, Die hem van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn
lijden, terwijl Stefanus zei: "Ziet, ik, zie de hemelen geopend, en de Zoon des
mensen, staande ter rechterhand Gods." Maar zij, roepende met grote stem,
stopten hun oren, vielen eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en
stenigden hem. Maar de stenen waren hem als beken der zoetigheid. Met een grote
stem riep hij: Heere, "reken hun deze zonde niet toe;" en, terwijl hij op de
knieën neerviel, zei hij: ",Heere Jezus, ontvang mijn
geest."
Alzo is Stefanus ontslapen in de Heere in het jaar
34 na de geboorte van Christus, zijnde het negentiende jaar van de regering van
Tiberius, in het zevende jaar na de doop van Christus, hetwelk het acht en
dertigste jaars zijns ouderdoms was. Enige godvruchtige mannen begroeven hem, en
hieven over hem een grote rouwklacht aan.
[JAAR 45.]
Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Salome, genaamd
de grote, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeus, niet omdat hij
ouder of voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot
een discipel van Christus. Hij was een visser, die, gehoorzaam aan Christus,
alles verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruime tijd in het
Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de
Joden, toegerust met gaven om tekenen en wonderen te doen; en wegens zijn
uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders,
genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was hij tegenwoordig,
zoals bij het opwekken van het dochtertje van Jaïrus, alsook bij de
verheerlijking van Christus op de berg, en in de hof van
Gethsemané.
Daar hij zich hierop schijnt verhovaardigd te
hebben, heeft hij zich boven zijn medeapostelen zoeken te verhellen, zodat zijn
moeder aan Christus verzocht, of haar beide zonen, van wie hij er een was, in
zijn koninkrijk zouden zitten, de een aan zijn rechter, en de andere aan zijn
linkerhand. Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zei: "Gijlieden
weet niet, wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal,
en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? En als hij en zijn
broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun
voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met de doop, waarmee
Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijn rechter-
aan Zijn linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven
worden, aan wie het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich
bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood en
opstanding, en om in de veertig dagen na Zijn opstanding, onderwezen te worden
in de dingen van Zijn koninkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef hij te
Jeruzalem, en, toen hij ook daar de Heilige Geest ontvangen had, predikte hij
het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen verhalen) naar
Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende, is hij naar
het Joodse land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had met
Hermogenes, een tovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop van
Babylonië, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat zij
zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.
Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot
omtrent het vierde jaar der regering van Claudius, toen Agabus een hongersnood
over de gehele wereld had voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa
bevolen de kerk van Christus te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze
koning zijn bloedige handen aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paasfeest
in de gevangenis gezet en daarna ter dood veroordeeld, zodat hij te Jeruzalem
met het zwaard gedood is in het jaar 45 na Christus' geboorte. Clemens verhaalt,
dat de scherprechter toen deze zijn onschuld zag, tot het christendom bekeerd en
ook met hem gestorven is.
[JAAR 63.]
Jakobus, de zoon Alfeüs en van Maria de zuster van
Christus' moeder, werd de Kleine genoemd, ter onderscheiding van Jakobus, de
zoon van Zebedeüs en broeder van Johannes. Hij werd de broeder des Heeren
genoemd, dat is, zijn neef, naar Hebreeuwse wijze, en had nog andere broeders,
als Judas, Thaddeüs, Simon en Joses.
Deze Jakobus is door Christus, na behoorlijk
onderwijs, tot Apostel aangesteld, toegerust met gaven, en uitgezonden ten
dienste der Joden, waarvan hij zich tot Christus' dood zeer goed gekweten heeft.
Daarom is hij ook met anderen uitgezonden om het Evangelie te verkondigen,
hetwelk hij gedaan heeft onder de Joden tot de dood van Stefanus. En, ofschoon
Petrus, Jakobus en Johannes, zijn broeder, de bijzondere Apostelen waren, zo is
deze na de dood van Jakobus voor een van de drie pilaren der kerk gehouden
geworden.
De Apostelen hebben hem verkozen tot een eerste
opziener der moeder van alle kerken, namelijk Jeruzalem, van welke het woord des
Heeren zou uitgaan, en wel terstond na de dood van
Christus.
Gedurende dertig jaren heeft hij deze dienst
getrouw waargenomen, en bracht er velen tot het waarachtig geloof, niet alleen
door de zuivere leer van Christus (door deze inzonderheid), maar ook door zijn
heilig leven, waarom hij de Rechtvaardige is genoemd. Hij was zeer verstandig en
heilig, ook in kleding, spijs, en drank, een rechte Nazireeër, en bad dagelijks
voor Gods kerk en de algemene welvaart.
Deze Apostel heeft een zendbrief geschreven tot
vertroosting van de twaalf stammen, die in de verstrooiing waren, in al hun
lijden en tegenspoed, waarin hij voornamelijk het rechtvaardigmakende, in daden
zich openbarende geloof en andere heilzame en christelijke leringen behandelt.
Maar, daar de hardnekkige Joden zijn heilzame leer niet langer konden verdragen,
heeft Ananias, de hogepriester, een stout en wreed jonge man, hem voor de
rechters gedaagd om hem te dwingen, dat hij zou loochenen, dat Jezus de Christus
is, en het geloof te verzaken in de Zoon van God en in de kracht Zijner
opstanding. Om die reden stelden hem de Schriftgeleerden en Farizeeën op het dak
van de tempel, ten tijde van het Paasfeest, om voor het gehele volk zijn geloof
af te zwelen; maar, toen hij daar voor het volk stond, beleed hij met de grotere
vrijmoedigheid, dat Jezus is de Christus. de beloofde Messias, de Zoon van God,
onze Zaligmaker, en dat Hij als Zoon des mensen gezeten is aan de rechterhand
Gods, vanwaar Hij zal komen op de wolken van de hemel, om te oordelen de
levenden en de doden. Over deze vrijmoedige belijdenis van Jakobus prees het
gehele volk God, roepende: Hosanna, de Zoon Davids!" Maar de harten van de
Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën barstten van nijd, en enige van hen
klommen op het dak, en stieten hem van boven neer en stenigden hem. Die val deed
hem echter niet dadelijk sterven, doch wel de een breken; en, op de knieën
liggende, bad hij nog voor hen, die hem stenigden, zeggende: Heere, vergeef het
hun, want zij weten niet, wat zij doen." En, toen een van de priesters nog voor
zijn leven wilde bidden, zeggende: Wat doet gijlieden toch! houd op met
stenigen, want deze rechtvaardige bidt voor ons," heeft een dergenen, die daar
tegenwoordig waren, hem met een volderstok een slag aan de slaap van het hoofd
gegeven, zodat hij stierf, en hij werd in de nabijheid van de tempel begraven.
Dit geschiedde in het jaar 63 onzes Heeren, in het 96ste jaar zijns ouderdoms,
in het zevende jaar der regering van Nero, toen het stadhouderschap onbezet was,
tussen de dood van Festus, en de komst van zijn opvolger
Albinus.
[JAAR 63 OF 64.]
Barnabas of Barsabas, een man vol des Heilige
Geestes, die genaamd was Jozef of Joses, met de bijnaam Justus was een Leviet
van Cyprus, die de Apostelen genoemd hebben Barnabas, dat is een zoon der
vertroosting, zoals hij dat in zijn leven aan de armen heeft bewezen. Hij wordt
ook gehouden voor een van de zeventig discipelen van Christus. Wegens de vele
namen, die hij draagt, kennen wij zijn vermaardheid en aanzien, die hij ook in
alles heeft betoond, want hij heeft Paulus na zijn bekering bij de Apostelen
ingeleid. En, als het woord Gods te Antiochië door enige Cyprische en Cyrenische
mannen aan de Grieken werd gepredikt, is hij door de Apostelen daarheen
gezonden, om deze zaak te onderzoeken; en, toen hij alles naar waarheid bevond
heeft hij hen, als een Apostel, in de Christelijke waarheid bevestigd en
versterkt.
Daarna ging hij naar Tarsen, om Paulus te zoeken,
en bracht hem te Antiochië, waar zij een geheel jaar bleven en het volk leerden.
Toen de hongersnood uitbrak ten tijde van keizer Claudius, heeft hij en Paulus
een goede handreiking overgebracht aan de broeders, die in Judea woonden.
Vandaar keerde hij weer naar Antiochië, waar hij door het bevel van de Heilige
Geest werd uitgezonden, om in vele landen het Evangelie te prediken, waar hij,
om zijn welsprekendheid, dikwijls het woord heeft gevoerd. Te Antiochië was een
grote twist ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, en nu reisde
hij met Paulus naar Jeruzalem naar de Apostelen en Ouderlingen, die daar over
deze zaak elkaar geraadpleegd, en samen een besluit genomen hebben. Vervolgens
hebben zij dit besluit, in gezelschap van Judas en Silas, overgebracht naar
Antiochië, waardoor er een einde aan deze twist kwam. Daarna hielden zij zich
enige tijd te Antiochië op, en, toen zij weer op reis zouden gaan, om de
gemeenten onder de heidenen nog eens te bezoeken en in het geloof te versterken,
ontstond er twist onder hen beiden, en wel om Johannes Marcus, die hen vroeger
op reis naar de heidenen had vergezeld, maar te Pamphylië was teruggekeerd, en
zich aan het werk onder de heidenen had onttrokken, waarom Paulus het niet goed
achtte Johannes Marcus weer mee te nemen. Hierdoor ontstond er een verbittering
tussen de twee getrouwe dienaren van Christus, zodat zij van elkaar scheidden.
Paulus nam Silas met zich en doorreisde met hem Syrië en Cilicië de gemeenten
versterkende. Nu nam Barnabas Johannes Marcus mee, voer met hem naar Cyprus, en
volbracht het werk, dat hem was opgelegd, gelijk Hiëronymus met lof van hem
heeft getuigd.
Toen hij later op het eiland Cyprus terugkwam,
moest hij daar de martelaarskroon dragen, want te Salamis, een grote stad op
Cyprus, die thans Famagusta heet, gekomen zijnde, om de gemeente daar in het
geloof te versterken, werd hij door een Joodse tovenaar zeer kwalijk bejegend.
Deze ruide de Joden en het gehele volk tegen hem op, zodat zij hem in een oproer
gevangen namen, en tot de rechter wilden brengen; maar, uit vrees, dat de
rechter zijn onschuld zou bemerken, en hem loslaten, hebben zij hem (na hem
eerst schandelijk mishandeld te hebben) een touw om de bals gedaan, buiten de
stad gesleept en daar verbrand. Alzo is deze trouwe dienaar van Christus in zijn
vaderland met de martelaarskroon vereerd en zalig in de Heere ontslapen, en wel
korte tijd nadat Jakobus de Rechtvaardige te Jeruzalem was gedood, niet lang
voor de dood van Petrus en Paulus, ten tijde van keizer Nero, doch voor de
afkondiging en het bevel van de eerste heidense vervolging plaats
had.
[JAAR 64].
De Evangelist Marcus wordt algemeen gehouden voor
Johannes, bijgenaamd Marcus, een man uit de besnijdenis en neef van Barnabas,
wiens moeder Maria heette, en een zeer godzalige vrouw was, die haar woning te
Jeruzalem leende tot de samenkomsten der Christenen. Hij was eerst verkozen tot
een dienaar van Paulus en Barnabas; maar op de reis naar Pamphylië keerde hij
weer naar Jeruzalem terug. Om hem (zoals wij in het leven van Barnabas verhaald
hebben) ontstond er een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij van
elkaar scheidden, en Paulus Silas meenam op reis en Barnabas deze Marcus. Maar,
toen deze twist geëindigd, en de zaak bijgelegd was, beval Paulus uit zijn
gevangenis deze Marcus der gemeente van Colosse aan, en verzocht, dat zij hem
ontvangen zouden als een medearbeider in het koninkrijk Gods; en gebood ook
Timotheüs, dat hij Marcus zou meenemen en bij hem brengen, omdat hij hem zeer
nuttig was tot de dienst. Hij heeft ook bij Paulus in de gevangenis vertoefd, en
hem grote en getrouwe hulp en bijstand in zijn gevangenschap bewezen. Petrus
noemt Marcus ook zijn zoon, zonder twijfel, omdat hij hem voor, Christus had
gewonnen, of omdat hij zijn leerling, tolk en schrijver was; want het Evangelie
heeft hij, op verzoek van de gelovige broeders te Rome geschreven, na de dood
van Simon de tovenaar, op last en bevel van Petrus, volgens de mededelingen, die
hij aangaande Christus uit Petrus' mond had ontvangen, zoals ook Hiëronymus
getuigt, als hij zegt: Marcus, een leerling van Petrus, daartoe van de
broeders te Rome verzocht zijnde, naar hetgeen hij Petrus had horen verhalen,
heeft een kort Evangelie geschreven, hetwelk Petrus na het gezien te hebben,
heeft goedgekeurd en aan de gemeente op zijn woord gelezen,
gegeven.
Daarna is Markus door Petrus naar Egypte gezonden,
en, terwijl hij zijn reis nam over Aquila de hoofdstad van Friol, heeft hij daar
velen tot het geloof gebracht en Hermagoras tot een herder over die gemeente
achter gelaten. Vervolgens reisde hij naar Afrika, en heeft in Lybië, Marmorika,
Ammonika, Pentapolis allerwegen het Evangelie verkondigd, en vertoefde enige
jaren te Alexandrië, dat hij tot zijn woonplaats genomen heeft.
Aangaande zijn dood schrijft Hiëronymus alleen,
dat hij te Alexandrië gestorven en begraven is, in het achtste jaar van de
regering van Nero, het vier en zestigste na de geboorte van onze Zaligmaker, en
dat Anianus daarin zijn plaats opziener geworden is. Gelasius beweert, dat hij
als martelaar is gestorven. "Marcus", zegt hij, "door Petrus naar Egypte
gezonden zijnde, heeft het woord der waarheid daar trouw gepredikt, en zijn
getuigenis met zijn bloed heerlijk bezegeld." Met dit bericht stemmen ook alle
oude en nieuwe Griekse en Latijnse martelaars boeken
overeen.
De geschiedenis meldt verder, dat, toen Marcus in
het achtste jaar der regering van Nero op het Paasfeest gedachtenis vierde van
het bitter lijden en sterven van Christus, de heidense priesters met al het volk
hem overvallen, en met baken en touwen, die zij om zijn lichaam hadden geslagen,
uit de vergaderplaats getrokken, en langs de straten tot buiten de stad gesleept
hebben, zodat het merendeel van zijn vlees aan de scherpe stenen is blijven
hangen, en zijn bloed op de grond werd vergoten, totdat hij, onder het
uitspreken van de laatste woorden van onze Zaligmaker, zijn geest in de handen
van de Heere overgaf, uitroepende: “Heere, in uw handen beveel ik mijn
Geest!"
Volgens de getuigenis van keizer Trajanus, heeft
Nero te Rome zo loffelijk geregeerd, als ooit enige keizer tevoren. In de
aanvang van zijn regering was hij zachtmoedig, en zo afkerig van mensenbloed,
zelfs op wettige wijze, te vergieten, dat hij wenste niet te kunnen schrijven,
als hem verzocht werd het doodsvonnis te ondertekenen van enige oproermakers. Na
vijf jaren aldus geregeerd te hebben, is hij daarna als aan de duivel
overgegeven en verkocht, om alle boosheid en schandelijkheid gierig te
bedrijven, zo zelfs dat het scheen, alsof de duivel lichamelijk in hem woonde,
want deze zijn meester leerde hem in de eerste plaats zijn toverkunst door Simon
de tovenaar, de eerstgeboren zoon des duivels, die voor de raad te Rome, om Nero
de keizer te behagen, een beeld heeft opgericht met het opschrift: Aan Simon de
heiligen God. Zijn duivels leermeester, die een leugenaar en mensenmoorder van
de beginne is geweest, heeft hem tot alle gruwelijke lusten aangezet, zodat hij
wenste een wereldbrand en een afbeelding van de brand van Troje, benevens de
plaats, waar hij in het lichaam van zijn moeder gelegen had, te zien. Om van
zijn onkuisheid te zwijgen, heeft hij zijn moordlust het eerst aan zijn broeder
Britannicus geopenbaard, die hij heeft laten vergeven. Het lichaam van zijn
eigen moeder Agrippina, die hem, door het toedienen van vergif aan haar man
Claudius, het keizerrijk bezorgde, heeft hij later opengesneden. Octavia, zijn
wettige huisvrouw, heeft hij met het zwaard laten ombrengen, omdat zij geen
kinderen ter wereld bracht; en Poppea, zijn bijzit, tot vrouw genomen hebbende,
heeft hij, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde, dood
geschopt. Seneca, zijn getrouwe leermeester, heeft hij een ader doen openen en
alzo laten doodbloeden.
Hij al deze boosheden was hij de eerste, die de
algemene en openbare bevelen tegen de Christenen door de gehele wereld heeft
laten afkondigen, met het doel om die in alle landen door het vuur, het zwaard
en op andere wijze te vervolgen, hetgeen Tertullianus de raad van Rome openlijk
verweet, zeggende: "Leest uw eigen geschiedenis, waar gij vinden zult, dat Nero
de eerste is geweest, die tegen deze sekte (te weten der Christenen), die toen
te Rome het talrijkst was, gewoed heeft. Maar wij beroemen ons ook tegelijk op
een zodanigen eerste bewerker van onze veroordeling, want die hem kent weet, dat
het een grote zaak is door hem veroordeeld te zijn." Op een andere plaats zegt
dezelfde Tertullianus: "Nero is de eerste geweest, die het toenemend christendom
te Rome met bloed heeft gemengd.” De inhoud van het bevel luidde aldus: “Zo wie
bekent, dat hij een Christen is, zal als een verklaard vijand van het menselijk
geslacht, zonder zich nader te mogen verdedigen, met de dood gestraft
worden."
De reden, waarom Nero de Christenen zo wreed heeft
vervolgd, was niet gelegen in de schuld of misdaden der Christenen zelf, maar
vond zijn aanleiding in een groten brand, die enige dagen achtereen heeft
gewoed, waardoor het grootste gedeelte van die schone stad is vernield. Toen
namelijk Nero zag, dat de Romeinen hierover zeer verbolgen waren, verspreidde
hij het gerucht, dat de Christenen dit hadden gedaan, hoewel hij zelf de brand
gesticht, en met vreugde van de hoge toren buiten de stad had aanschouwd, daar
hij een voorstelling wenste te hebben van de brand te Troje, en het voornemen
had een nieuwe stad te bouwen, en die naar zijn naam te laten noemen. Hierop is
toen een hevige en wrede vervolging tegen de Christenen uitgebroken, niet alleen
te Rome, maar ook in andere streken en landen, die voortduurde tot zijn
dood.
Wie de eerste martelaars in deze vervolging
geweest zijn, werd in de geschiedboeken of andere geschriften niet gemeld, doch
wij stellen ons tevreden, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens.
Daarom echter is hun roem in Christus niet kleiner, daar de heidenen zelf
gedrongen werden een goede getuigenis van hen af te leggen, en openlijk hebben
bekend, dat het niet wegens de brand was, maar alleen uit haat dat de Christenen
zo wreed vervolgd zijn. Van deze valse beschuldiging door Nero aangaande de
Christenen, zet Tacitus: “Nero, om de beschuldiging van brandstichting van zich
te werpen, heeft hen, die het volk Christenen noemt, daarvan aangeklaagd en met
vreselijke straffen gemarteld. Deze naam is afkomstig van Christus, die in de
tijd van Tiberius’ regering, door de landvoogd Pontius Pilatus, in het openbaar
is gedood. Die nu beleden, dat zij Christenen waren, en later zijn van deze een
grote groep ontdekt, zijn eerst gevangen genomen, en vervolgens veroordeeld,
niet zozeer wegens de brand, als uit haat, die het menselijke geslacht hun
toedroeg. Het ombrengen ging gepaard met veelvoudige bespotting. Men wikkelde
hen in huiden van wilde dieren, liet hen door honden verscheuren, of aan kruisen
nagelen, of op brandstapels verteren, zo zelfs, dat zij ’s nachts als brandende
lichten de toeschouwers moesten dienen." Tacitus erkent dan voldoende, dat
Christenen aan brand geen schuld hadden, doch dat zij onder beschuldiging
daarvan, hebben moeten lijden.
Nu zullen wij vervolgen met de mededeling van de
voorbeelden van de Apostelen en anderen, die onder de wrede bloedhond voor de
goddelijke waarheid hun bloed hebben gestort.
Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas,
geboren te Bethsaida in Galilea, was een visser van beroep, die zijn huis en
woonplaats had te Kapernaüm bij de moeder van zijn vrouw. Door zijn broeder
Andreas, die een leerling van Johannes de Doper was, werd hij het eerst tot
Christus gebracht, en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om
een visser der mensen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren
schapen van het huis Israëls, gaf Hij hem de naam van Cefas of Petrus. Van
Christus genoot hij een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze
toegenomen., dat hij als het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is
geworden. Voornamelijk was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als
ook de meest ijverende voor Christus, om Hem zijn liefde en trouw te bewijzen,
hoewel hij zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zoals
hij ook daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans
beminde Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in grote
achting en aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des
donders, en met Jacobus en Johannes getuige van Christus’ verheerlijking op de
berg. In de volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het
hoofd te zijn of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft
Christus hun allen met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om
hem te eren als de aanzienlijkste onder hen. Hij werd gebonden voor een pilaar
der kerk, doch hij niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de
sleutels van het koninkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij
geen meerder gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijn schapen te
hoeden, maar hem niet alleen, want de anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft
ook nooit enige heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich graag aan het
oordeel van anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten
uitzenden en geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed
handelde.
Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met
Christus te willen lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft
hij daarna met grote vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de
kracht van de Heilige Geest was hij zodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe
groot ook en machtig naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig
betoonde hij zich in het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk
gedragen, zo zelfs, dat hij wel eens enige duizenden mensen tegelijk tot het
geloof heeft gebracht. Zijn leer heeft hij ook met tekenen, zoals Christus
beloofd had, bekrachtigd, als aan de kreupele, Ananias en Saffira, Eneas,
Tabitha en anderen. De wil des Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van
de hemel geopenbaard. En, daar hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft
zijn arbeid zich krachtig onder de besnijdenis betoond.
Wel heeft de Heere Christus aan Petrus diens dood
voorzegd, maar hij heeft eerst veel om Christus' wil geleden. Te Jeruzalem, waar
hij van de waarheid van Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij
met Johannes gevangen genomen en voor de Joodse raad gebracht, die hen scherp
heeft bedreigd, dat zij niet meer in de naam van Jezus zouden spreken of
leren.
Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven,
maar antwoordden hun: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te
horen dan God?”
Terwijl Petrus weer gevangen genomen was met de
andere Apostelen, zijn zij ‘s nachts op wonderdadige wijze door de Engel, die de
gevangenis opende, eruit geleid.
Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en
door de Joodse raad gegeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken
in de naam van Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat
zij waren waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te
lijden.
Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de
gevangenis zetten, met het voornemen om hem na het Paasfeest te doden, zoals hij
Jakobus, de broeder van Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God
heeft hem ‘s nachts van zijn ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis
verlost.
Petrus is ook te Antiochië geweest, en heeft daar
de gemeente Gods gesticht. Toen hij daarna in het Joodse land was teruggekeerd,
heeft hij een grote strijd gehad met Simon de tovenaar. Ook heeft hij Babylon
bezocht, en wel Babylon in Assyrië, welke stad vroeger de zetel des rijks was.
Want, aangezien Petrus een Jood was en een Apostel der Joden, zo bezocht hij op
zijn reizen zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die
Oosterse landen woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden,
die verstrooid waren in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en
Bithynië.
Wel hebben enige leraars uit de Roomse kerk, onder
wie ook is de Jezuïet Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar
Petrus zijn eerste zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden,
omdat in de Openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat
zij Petrus alzo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet
vergeten, dat hij Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken,
dat hij van Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder
enige bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon
spreekt, en er geen andere stad mee bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit
Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij dan Rome niet hebben genoemd?
Paulus heeft verscheidene zend brieven uit Rome geschreven, en toch noemt hij
Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan wie hij
schreef, weten zouden, waar hij was, zo had hij liever de eigen dan een anderen
naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt daaruit, dat
hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze brief uit Rome
had geschreven aan de gemeenten in Azië, dat zou het niet waarschijnlijk zijn,
dat hij de gemeenten in Griekenland, Illyrië en Thracië, die daar tussen lagen,
zou hebben vergeten.
Maar, zo wij het van het eigenlijke Babylon
verstaan, dan is er overeenstemming. Want niets is meer gepast dan dat de
Apostel, terwijl hij zich te Babylon ophield, zorg droeg voor de gemeenten in
Azië, die dichter bij Babylon lagen dan de gemeenten in Europa, die zover
vandaar verwijderd waren.
De bewering van de Roomse kerk, dat Petrus te Rome
bisschop zou geweest zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden,
aangezien Petrus daarvan in zijn zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus,
noch Lukas, die de Handelingen der Apostelen en hun reizen met vlijt heeft te
boek gesteld. Veel minder zou kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en
twintig jaren zou hebben gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In de brief
aan de Galatiërs, hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was
toebetrouwd het Evangelie der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat
is, dat hij het Evangelie zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de
heidenen. Zou dan Petrus jaren lang tegen het bevel van God gehandeld en zich
vijf en twintig jaren onder de heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben
gedaan van hetgeen hem bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig
Apostel!
Enige van de Roomse kerk zeggen, dat Petrus in het
tweede jaar der regering van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde
en wederom anderen in het vierde, ofschoon in Hand. 1,5 staat, dat Petrus de
kerkvergadering te Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde
jaar van Claudius' regering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart,
gelijk te zien is in het eerste en tweede hoofdstuk van de brief aan de
Galatiërs zoals ook Hiëronymus die daarover geschreven heeft, mede
getuigt.
Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te
Rome geweest was, want in de Handelingen der Apostelen worden vele schone
leringen en wenken verhaald, die Petrus intussen gegeven heeft, en, ware nu ook
Petrus in die tijd te Rome geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen
zijn voorbijgegaan. De pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen dat hij na
zijn verblijf te Rome zeven jaren te Antiochië zou vertoefd hebben, maar men
moet hem dan ook tijd geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadocié,
Azië en Bithynïe, zoals daarvan Origenes en Euseblus getuigen. Daartoe heeft hij
acht, negen of meer jaren nodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor
berekenen, zijn niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het
Evangelie te verkondigen. Als men nu, zoals het behoort, deze jaren samen telt,
zal men bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan
Nero Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.
Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem
zoals Lukas schrijft, Hand. vs. 15, de Christenen tegemoet gekomen. Indien
Petrus toen ook te Rome was geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn
tegemoet gekomen, en Lukas zou dit niet verzwegen hebben.
Aan het slot van de brief, die Paulus aan de
Romeinen schreef, liet hij vele Christenen groeten, die in naam, bediening en
allerlei deugden minder geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet.
Zeer onbetamelijk zou het geweest zijn, indien hij zo’n voornaam persoon zou
hebben verzwegen, indien deze toen te Rome was geweest. Dat hij voor die tijd te
Rome is geweest, blijkt evenmin, daar Paulus, die hun geloof zo roemt, zulk een
Apostel, wanneer hij daar de grond van het geloof had gelegd, niet zou hebben
verzwegen, want hij is gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het
eerst werden gesticht, zoals uit zijn brieven aan de Filippenzen, Corinthiërs,
Colossensen en anderen blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is,
dat Petrus vijf en twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.
En, hoewel Eusebius, op gezag van Origenes
verhaalt, dat Petrus, nadat hij de Joden, die in Pontus, Gatatië, Bithynië,
Cappadocië en Azié verstrooid waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook
te Rome is gekomen, en daar door Nero tot de kruisdood veroordeeld, en met het
hoofd naar beneden is gekruisigd, omdat hij alzo begeerde te lijden, aangezien
hij zichzelf niet waardig achtte zo aan het kruis te hangen als de Zoon van God
zijn Zaligmaker geleden had; zo besluit nochtans Hiëronymus en Lyra, en niet
ongevoegelijk, uit de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 31, dat hij niet te
Rome maar te Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij de verstandige
lezer zelf oordelen, en hem kiezen, wat hij het beste keurt; want, naar onze
mening, is het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als
voor ons, dat hij te Jeruzalem is gedood.
[JAAR 63.]
Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van
afkomst een Hebreeër uit de Hebreeën, uit het geslacht van Israël, van de stam
van Benjamin. Wie zijn ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hun
woonplaats hadden verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in
Cilicië, waar Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke
wet door de wijzen Gamaliël, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven
velen van zijn leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodse
wet geleefd. Hij was een Farizeeër en een vurig vervolger en verdrukker van de
gemeente Gods, zo zelfs, dat hij een welbehagen had aan de dood van Stefanus, en
de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na de dood van die martelaar
verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke stad,
blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door
Christus uit de hemel snel met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en met
blindheid geslagen, en alzo krachtig, niet van mensen, noch dooi, mensen, maar
door de Heere Zelf geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam te
dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israëls. Na drie dagen
werd hij door Ananias, tot wie hij te Damaskus door de Heere was gezonden,
wederom ziende gemaakt, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met de Heilige
Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge, betuigende, dat
Hij de Zoon van God was.
Enige tijd hierna zei de Geest tot de Profeten en
Leraars der gemeente te Antiochië: "Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus,
tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door de Heilige Geest
uitgezonden.
Aan deze Paulus waren allerlei geestelijke gaven
geschonken, zoals om de geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der
tongen, en hij bezat ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende
openbaringen, zo zelfs, dat hij in de derde hemel is opgetrokken geweest, en
daar gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die de mens niet geoorloofd zijn te
spreken. Maar, opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou
verheffen, heeft de Heere hem een engel van de satan als een scherpe doorn in
het vlees gegeven, die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou
verheffen. Die heeft hem ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen,
om het Evangelie te prediken, zodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des
duivels niet onbekend waren.
Daarenboven was hij nog versierd met vele
christelijke deugden van getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijn
dienst, had een vaderlijke zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde
tot haar, tot zijn eigen verbanning, ja zelfs tot de dood toe. Hij was mild van
hart; en vreemd aan gierigheid, arbeidde hij liever met zijn eigen handen, daar
hij van handwerk een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou
bezwaren. Hij toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, door die van de
aalmoezen der rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en
christelijke deugden was deze Apostel zo nederig, en had zulk een klein gevoel
van zichzelf, dat hij, zijn vorigen toestand voor zijn bekering bedenkende, en
de Heere dankende voor Zijn genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal
bekend heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij
in geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade
Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij
allen.
Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende de
tijd van bijna dertig jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, Syrië,
Azië, Macedonië, Griekenland, Italië en elders, is duidelijk te lezen in de
Schriften des Nieuwe Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijn
bekering en doop predikte hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en,ging
vervolgens naar Arabië. Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid
moedig beleed en mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd zo
zelfs, dat de poorten bewaakt werden en de stadhouder van de koning Aretas hem
wilde gevangen nemen. Doch de gemeenteleden lieten hem ‘s nachts in een mand
over de muur, en hij ontkwam alzo aan zijn handen en kwam te Jeruzalem bij de
Apostelen.
Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in de naam
van de Heere Jezus, en zijn woord ook richtte tegen de Griekse Joden, wilden zij
hem daarom doden. Toen dit bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naai,
Cesarea geleid, vanwaar hij zijn tweede reis begon in Syrië en Cilicië en keerde
later naar Jeruzalem terug.
Vandaar deed hij zijn derde reis naar Antiochië en
ging op bevel van God naar Seleucië, en Cyprus, en kwam te Paphos, waar hij de
stadhouder, Sergius Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, een stad in
Pamphylië, en daarna te Antiochië, een stad in Pisidië, waar de Joden tegen hem
en Barnabas oproer verwekt hebben, zo zelfs, dat de heidenen hen uit hun
landpalen hebben geworpen. Vandaar kwamen zij te Iconië, waar de Joden de
heidenen tegen hen opruiden, en ben wilden smaden en stenigen, zodat zij
vluchtten naai de de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de
Joden van Antiochië en lconië het volk tegen Paulus opzetten, zodat de schare
Paulus heeft gestenigd en buiten de stad gesleept, menende, dat hij dood was.
Tot zichzelf gekomen zijnde, ging hij de volgende dag met Barnabas naar Derbe,
en, nadat zij in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt
hadden, keerden zij weer naar naar Lystre, lconië en Antiochië, en versterkten
daar de zielen der gemeenteleden en vermaanden ben, dat zij zouden blijven in
het geloof. Pisidië doorreisd hebbende, kwamen zij te Pamphylië, en, toen zij te
Perge het Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij. naar Attalië, en
scheepten vandaar af naar Antiochië. Toen zij daar waren en de gemeenten samen
geroepen hadden, verhaalden zij welke grote dingen God door en met ben gedaan
had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof had geopend, en verkeerden
daar een geruime tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar
waren, ontstond er een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de
noodzakelijkheid der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en
enige anderen uit ben naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem,
om over dit verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en
Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zodat zij, in gezelschap van Judas
bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met
brieven gezonden werden naar Antiochië, waar zij de vrede in de gemeente
herstelden.
Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde
maal op reis teneinde de broeders in elke stad te bezoeken waar zij het
Evangelie verkondigd hadden, en naar hun toestand te vernemen. Er ontstond
echter een verschil tussen Paulus en Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus,
en Paulus verliet Barnabas, nam Silas mee en vertrok naar Syrië en Cilicië, de
gemeenten versterkende, en kwam te Derbe en Lystre, waar hij Timotheüs aan zich
verbond, met hem door Phrygië en Galatië reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier
werd hij door een gezicht vermaand naar Macedonië te reizen, en kwam,
verscheidene plaatsen doorreisd hebbende, te Filippi, de voornaamste stad van
Macedonië, waar hij en Silas, op bevel der hoofdmannen werden gegeseld en daarna
in de gevangenis geworpen, met bevel aan de stokbewaarder dat hij hen goed
verzekerd zon bewaren. Door goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis
geopend, hun boeien losgemaakt, en zij vervolgens door de stokbewaarder, die
gelovig was geworden, naai, buiten geleid. Deze wies hen van de striemen, en
werd met al de zijn gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de
hoofdmannen uit de gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de
Apostelen Romeinen waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk,
na vele steden te zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonika, waar Paulus veel
volk bekeerde. De Joden echter, met enige boze mannen uit de marktboeven gemene
zaak gemaakt hebbende, beroerden de stad tegen hen, zodat de broeders Paulus en
Silas ‘s nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle
toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonika kwamen ook daar, en bewogen de
scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam hij
te Athene, waar hij in strijd geraakte met de Epicureïsche Stoïsche wijsgeren,
die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden, en hem op de
gerechtplaats brachten, waar hij zich met een welsprekende redevoering
verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Korinthe, waar hij enige tijd met prediken
bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en
lastering ondervond; maar werd door de Heere in een gezicht vermaand te blijven.
Later brachten de Joden hem voor de rechterstoel van de stadhouder Gallio, die
hen, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weer naar
Jeruzalem.
Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daarnaar
Antiochië, en nadat hij daar enige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens
het land van Galatië, en Phrygië, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar
ging hij naar Efeze, waar hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des
daags en ‘s nachts, heeft gepredikt en er velen bekeerde, en onder ben die ook
hun duivelse boeken hebben verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent deze tijd,
onder de stadhouder Hiëronymus, volgens heidense wijze, heeft gevochten tegen de
wilde beesten en die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een
zilversmid, om de godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar
Macedonië, en, nadat hij de gemeenteleden daar met vele redenen had vermaand,
kwam hij in Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens
naar Syrië te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weer naar
Macedonië terug. Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar
gepredikt te hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijn gevangenneming
voorzegde, waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het
pinksterfeest te Jeruzalem kwam, raadde Jakobus hem aan, dat hij zich met enige
Joden naar de wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van
Azië een oproer tegen hem, zodat de schare hem greep, buiten de tempel sleepte
en zocht te doden. Doch, toen zij de overste zagen met de hoofdmannen over
honderd en de krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem,
beval dat men hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan
had. Terwijl de Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zo zelfs,
dat men in het rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de
legerplaats gebracht, waar Paulus zich naar behoren heeft verdedigd. Maar de
Joden, die de waarheid van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: "Weg
van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft!"
Vervolgens beval de overste, dat men hem met geselen zou onderzoeken, teneinde
te weten, waarom de Joden zijnentwege alzo schreeuwden. Toen zij hem met riemen
uitrekten, om hem tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinse
burgerrecht, waarop terstond de geseling gestaakt werd, en Paulus van zijn
boeien ontslagen. De volgende dag werd hij voor de gehele Joodse raad gebracht,
waar hij zich weer met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de
hogepriester Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op de
mond te slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld
mens tegen de wet gebood te slaan.
Terwijl het oproer al groter werd, vreesde de
overste, dat Paulus door hen zou gedood worden, en liet hem daarom door het
krijgsvolk vandaar naar de legerplaats overbrengen. De volgende dag spanden
veertig Joden tegen Paulus samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet
eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus
van deze samenzwering door de zoon van zijn zuster onderricht was, gaf hij door
hem daarvan aan de overste kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder
een gewapend geleide te doen overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden
overleverde aan de landvoogd Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende
waren om Paulus onschuld te bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot
de zesde reis van Jeruzalem naar Italië.
Toen de Stadhouder Felix de brief gelezen had,
bewaarde hij Paulus in het raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der
Joden, die hem beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na
zijn komst plaats had. De hogepriester Ananias, met de gehele Joodse raad,
beschuldigde hem door de tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al
de Joden oproer verwekte, dat hij de tempel had ontheiligd, en een opperste
voorstander was van de sekte der Nazarenen. Met Gods Woord en een gepaste rede
heeft Paulus zich van deze valse beschuldigingen zodanig gezuiverd, dat Felix
hem bewaarde tot de komst van Lysias, de overste, en vergunde Paulus intussen
verlichting van zijn boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd
worden om hem te dienen of hem te bezoeken.
Toen enige dagen daarna Felix met Drusilla, zijn
vrouw, daar gekomen was, werd Paulus daar weer ontboden, die in hun
tegenwoordigheid over het geloof in Christus sprak. En, als Paulus sprak over
rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd,
en zei tot Paulus, dat hij voor ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem te
gelegener tijd, weer zou laten roepen. Om de Joden gunst te bewijzen, hield
Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus in Felix' plaats gekomen was, reisde
de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijn aankomst, naar Jeruzalem, waar de
hogepriester en de voornaamste van de Joden hem verzochten, ja, baden, dat hij
Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen, terwijl zij van plan waren Paulus
onder weg te doden. Festus belette dit echter, en vond het beter, dat de Joden
zelf van Jeruzalem naar Cesarea zouden reizen, om Paulus daar te beschuldigen,
als hij van iets onbehoorlijks kou aangeklaagd worden, zoals dan ook na verloop
van enige dagen plaats had. Terwijl Paulus daar voor de rechterstoel van Festus
gebracht was, heeft hij zich met bondige redenen tegen al de beschuldigingen van
de Joden mannelijk verdedigd. Om de Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus
Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar voor hem over deze dingen
geoordeeld te worden. Doch Paulus beriep zich op de keizer, daar hij liever in
de handen der heidenen dan in die der Joden wilde vallen. Festus en de leden van
de raad berustten er in, dat Paulus zich op de keizer beroepen had. Toen
intussen koning Agrippa daar gekomen was, heeft Festus hem de gehele zaak van
Paulus verhaald en hem tevens verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te
horen, en toen Paulus voor hen gebracht werd, hield hij zulk een voortreffelijke
redevoering, dat wel Festus uitriep, dat de grote geleerdheid van Paulus hem tot
razernij bracht, maar de koning tot hem zei: "Gij beweegt mij bijna een Christen
te worden," en samen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of
der gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten kunnen worden, zo hij zich
niet had beroepen op de keizer.
Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere
gevangenen naar Italië zouden afvaren, werden zij aan Julius de hoofdman over
honderd overgeleverd, en na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te
hebben, zijn zij eindelijk in zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij
veertien dagen hebben doorleefd zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij
schipbreuk zouden lijden, wilden de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen
doden, maar de hoofdman, die Paulus wilde behouden, heeft dit
verhinderd.
Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij
allen ongedeerd op het eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar
vertoefd te hebben, reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met
blijdschap werd ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de
overste van het leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelf te wonen meteen
krijgsknecht, die hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamste
van de Joden heeft verantwoord over zijn boeien, gevangenneming en beroep op de
keizer. Gedurende twee jaren bleef hij in een eigen gehuurde woning, ontving
allen, die tot hem kwamen, predikte het Koninkrijk Gods en leerde van de Heere
Jezus Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.
Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap in
grote mate gediend heeft tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid
daardoor gekomen is tot in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van
Festus ontvangen had, heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die
zich tegen de beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft
verdedigd, (ofschoon zij hem allen in deze zijn eerste verantwoording
verlieten), dat hij uit de muil van de leeuw, te weten van Nero, verlost
werd.
Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou
gesteld worden, was hij van zijn aanstaanden dood niet onwetend, zoals hij aan
Timotheüs aldus schrijft: ik word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd
mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de
loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der
rechtvaardigheid, welke mij de Heere,de rechtvaardig Rechter, in die dag geven
zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben
liefgehad." Hij werd door keizer Nero veroordeeld om met het zwaard gedood te
worden, zoals ook plaats had in het laatst van diens regering (volgens de
berekening van Jozef Scaliger) in het 63e jaar na de geboorte van onze
Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te Rome was
gebracht.
Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus,
geboren te Bethsaïda in Galilea, was eerst een discipel van Johannes de Doper.
Daar hij ouder was dan Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij
zijn broeder tot Christus, de waren Messias gebracht. Van beroep was hij een
visser; maar Christus, Die hem riep, beloofde hem een visser der mensen te
zullen maken. Omdat hij de Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens
leer, wandel en wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke
bediening hij met de anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond
ook in grote achting bij de Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen
toegang had tot Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals
de andere Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich
toch weer bij zijn medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel
ontvangen had tot de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij,
gelijk de anderen, op de Pinksterdag met de Heilige Geest was vervuld, heeft hij
het Evangelie met ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijn reizen heeft hij in
vele landen gepredikt, zoals in Pontus, Galatië en
Bittiynië.
Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage,
daarna in Scythië, en bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam
zelfs tot in de omstreken van Byzantium en trok ook naar Thracië, Macedonië,
Thessalië en Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het
geloof in Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij
ook versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door
sommigen op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die
laten voor hetgeen zij zijn.
Toen hij eindelijk naar de wil van de eeuwige God,
zijn loop had volbracht, heeft Aegeas, de stadhouder van Edessa, hem op bevel
van de Romeinse raad in de stad Patris, in Achaje, laten
kruisigen.
Hij onderging de marteldood, niet alleen omdat hij
de christelijke waarheid voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar
omdat hij Maximilla, de vrouw van de gouverneur, en diens broeder Stratocles
bekeerde. De dood aan het kruis te sterven achtte hij om Christus' wil gelukkig,
en alzo heeft hij met grote blijdschap en begeerte zijn ziel in de handen van
God, zijn hemelse Vader bevolen, en aldus zijn leven geëindigd, zoals de
geschiedenis getuigt.
Filippus, geboren te Bethsaïda, in Galilea, de
stad van Petrus en Andreas, had een vrouw en een dochter, die zeer goed van
leven waren. Hij werd door Christus gevonden, Die hem beval Hem als discipel te
volgen, hetgeen hij zo getrouw deed, dat, toen hij Nathanaël vond, die ook tot
Christus heeft gebracht, terwijl hij betuigde, dat hij Die gevonden had, van
Welke Mozes en de Profeten geschreven hadden, namelijk Jezus van Nazareth, de
waren Messias. Van toen af heeft Filippus Christus steeds gevolgd, luisterende
naar Zijn prediking en heeft Zijn wonderen gezien, totdat hij bekwaam was tot de
dienst van het heilige Woord Gods, zodat Christus hem tot een Apostel heeft
aangesteld en als zodanig heeft uitgezonden, om het Evangelie te prediken onder
de Joden, wat hij, gelijk de anderen, met ijver heeft
verricht.
Bij de Heere stond hij ook in groot aanzien; want
bij het heerlijke wonder van de spijziging der vijf duizend mensen heeft
Christus, om hem te beproeven, met hem ook daarover gesproken. Voor de Grieken,
die Christus begeerden te zien ging hij tot Christus. Verder, toen hij nog niet
volmaakt was in het geloof in Christus, heeft Christus hem onderwezen in het
geloof aan God, in het aangezicht van Jezus Christus, door Wie wij de Vader
aanschouwen.
Deze vrome en godzalige Apostel heeft de Heere
vergezeld tot aan Zijn lijden, en, toen de Apostelen, na Christus' verrijzenis
verstrooid waren, hield hij zich bij zijn medebroederen op, totdat zij, na
Christus' hemelvaart, de Heilige Geest hadden ontvangen.
Na de verdeling van de landen predikte hij
gedurende enige jaren in Seythië, waar hij vele gemeenten gesticht heeft. En,
aangezien hij bijzonder in Syrië en in het noorden van Azië reisde, en daarin
vele steden de grondslagen van het geloof legde, kwam hij eindelijk in Phrygië,
waar hij in de stad Hiërapolis en elders vele wonderen deed. De Ebionieten
echter en anderen, die hardnekkig in hun afgoderij voortgingen, hebben hem
gevangen genomen, met het hoofd aan een pilaar vastgemaakt en gestenigd, en alzo
is hij in de Heere ontslapen, en daarna in de genoemde stad Hiërapolis
begraven.
Bartholomeüs, een zoon van Tholomeüs, gelijk zijn
naam aanduidt, was een Galileër, evenals de andere Apostelen, en ook een visser,
volgens de mening van Theodoretus. In de Heilige Schrift lezen wij niet veel
omtrent hem, dan alleen dat hij tot Apostel geroepen is, om met de anderen het
Evangelie te verkondigen in Judea en Galilea, aan de verloren schapen van het
huis Israëls. Na Christus, opstanding werd hij in zijn Apostelambt bevestigd, en
heeft met de elven de Heilige Geest ontvangen, zoals Christus beloofd
had.
Nadat de Apostelen uit elkander gegaan waren,
heeft hij zijn Apostelambt het eerst bediend in Lycaonië, daarna ook in Syrië en
in de bovenste delen van Azië, vervolgens ook in Indië, waar Pantenus, leraar te
Alexandrië, die daar bijna honderd jaren later kwam, het Evangelie van Mattheüs
(dat Bartholomeüs daar gebracht en waaruit hij de Indianen in hun moedertaal
onderwezen had) gevonden en dat meegenomen heeft. Eindelijk heeft hij het
Evangelie ook in Groot-Armenië verbreid, en daar te Albana, de hoofdstad en
koninklijke zetel van dat koninkrijk, Polemus of Palemonius, de broeder van de
koning Astyages, met zijn vrouw, twee zonen en een dochter, tot het geloof
gebracht en twaalf steden uit de stikdonkere duisternis der onwetendheid, waarin
zij de duivel door de afgod Astharoth dienden, verlost, en verlicht met de
kennis van Jezus Christus, de Heere. Dit verdroot de afgodische duivelpriesters
zeer, en zij klaagden daarover aan de koning Astyages, die de Apostel
Bartholomeüs liet gevangen nemen, en voor hem brengen. Toen Bartholomeüs voor de
koning stond, verweet deze hem, dat hij zijn broeder verleid en de godsdienst in
zijn land aan het wankelen had gebracht, en bedreigde hem, indien hij niet
ophield Christus te prediken, en langer weigerde zijn goden te offeren, dat hij
hem zou laten doden. Op deze, beschuldiging antwoordde Bartholomeüs, dat hij
zijn broeder niet verleid, maar, ten goede bekeerd, en in zijn land de ware
godsdienst gepredikt had, en bereid was daarvoor liever zijn getuigenis met zijn
bloed te bezegelen, dan in het minst schipbreuk in zijn geloof en geweten te
lijden. Om deze vrijmoedige belijdenis werd hij door de koning veroordeeld, om
eerst op de gruwelijkste wijze gepijnigd, met stokken geslagen, daarna met het
hoofd naar beneden aan een kruis gehangen, levend het vel afgestroopt en
daarenboven het hoofd. met een bijl afgehouwen te worden. En alzo is hij met
Christus, zijn Heere verenigd.
Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was
geboren in Galilea, en van beroep, zoals het schijnt, een visser. Aangaande zijn
ouders vindt men niets, en evenmin van de tijd, waarop hij bekeerd is, bij de
Evangelisten beschreven, dan alleen van zijn roeping tot het Apostelambt. Zijn
vurige liefde, die hij Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijn
medeapostelen vermaande om op te gaan naar Jeruzalem en ook met Christus te
sterven. Maar hij had toen nog niet gestreden tot de dood, en aangaande het doel
van Christus' dood verkeerde hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen
de Heere heeft verlaten. Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij
niet tegenwoordig; en, aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus
zag en kon betasten, heeft de Heere zich ook aan hem geopenbaard en zijn
ongeloof bestraft. Als hij Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van de
Heere, beleed Hem als zijn Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de
anderen ontving hij een nieuw bevel tot de dienst van het evangelie onder de
heidenen.
Korte tijd na de opstanding van Christus zond hij
Thaddeüs naar de koning Abgarus. Daar hem de Evangeliebediening in Parthië,
Indië, Ethiopië en vele andere landen, zoals Hiëronymus getuigt, ten deel was
gevallen, heeft hij vele landen doorreisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen
opzag om naar de Moren en woeste volken van Indië te gaan; maar door gezichten
van God werd hij gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met
kracht om wonderen te doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar
was, en hij er velen tot God heeft bekeerd.
Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal
het meest waarschijnlijk, dat hij in Calamina, een stad in Oost-Indië, (waar
Hieronymus ook zegt, dat hij ontslapen is) de gruwelijke afgoderij van die
heidenen, welke het beeld der zon aanbaden, uitgeroeid heeft, zodat hij de
duivel zelf, door de kracht van God, zou gedwongen hebben, het beeld te
vernielen. Over deze daad werd hij door de afgodische priesters hij hun koning
aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat hij eerst met gloeiende platen
gepijnigd en daarna in een gloeiende oven verbrand moest worden. Toen de
afgodische priesters, voor de oven staande, zagen, dat het vuur hem niet deerde,
hebben zij hem met lansen en spiesen of speren, terwijl hij in de oven lag, de
zijde doorstoken; en aldus was hij gelijkvormig aan zijn Heere Christus, Die hij
tot de dood toe volstandig heeft beleden, en rust alzo van zijn arbeid in de
genoemde stad Calamina.
Mattheüs, anders gezegd Levi, de zoon van Alfeüs,
was een tollenaar te Kapernaüm, een betrekking, die bij de Joden veracht was,
daar zij zich aan vreemde vorsten geen tol of schatting schuldig kenden. En,
ofschoon het niet ongeoorloofd was tol of schatting te nemen, wanneer men maar
niet te veel nam, zo gingen toch de tollenaars zich hierin dikwijls te buiten en
werden daarom van de vromen vermeden, waarom ook de afgesnedenen van de gemeente
bij dezulken worden vergeleken.
Toen hij in deze oneerlijke betrekking werkzaam
was, heeft Christus Zich in genade over hem ontfermd, en hem bevolen als Zijn
discipel te volgen. Door de kracht des Heiligen Geestes gaf hij hieraan gehoor,
verliet zijn tolhuis, bereidde een groten maaltijd, en nodigde zijn
medetollenaars daaraan, om alzo naar behoren afscheid van tien te nemen, en hun
gelegenheid te geven om Christus ook aan te nemen, gelijk hij gedaan had. Hierna
verliet Mattheüs terstond alles, en volgde Christus met groten ijver na, en na
Christus' onderwijs ontvangen te hebben, werd hij onder de Apostelen opgenomen,
welk Apostelambt hij tot Christus' dood onder de joden bediend
heeft
Bij zijn uitzending om te prediken onder de
heidenen werd hem Ethiopië of Morenland aangewezen. Eer hij echter het Joodse
land verliet schreef hij, onder voorlichting des Heilige Geestes, zijn Evangelie
in de Hebreeuwse taal en heeft hun dit meegedeeld.
Door zijn prediking en het doen van wonderen is
hij in Ethiopië met vrucht werkzaam geweest, waar hij ook na zijn dood zijn
Evangelie voor de nakomelingschap in geschrift heeft nagelaten, waaruit klaar te
zien is, welk geloof hij voorstond, namelijk van Jezus Christus, waarachtig God
en mens, Die voor ons gekruisigd is.
De geschiedenissen getuigen, dat deze Apostel
terstond, nadat de gelovige koning Aeglippus gestorven was, door zijn opvolger
Hytacus, een ongelovige heiden, vervolgd werd, en dat hij hem op zekere tijd,
toen hij in de tempel aan de gemeente het Evangelie verkondigde, heeft laten
grijpen en in de hoofdstad van Ethiopië, Naddaver, heeft laten onthoofden. Daar
werd hij ook begraven, zoals Venantius Forturatus getuigt, die voor duizend
jaren leefde, als hij zegt: "De verheven stad Naddaver zal ons, te weten, op de
jongste dag, die voortreffelijke Apostel Mattheüs
teruggeven.
Simon de Kananieter of Zelotes, dat is, ijveraar
bijgenaamd, de zoon van Alféüs en de broeder van Jakobus, Joses en Judas, een
neef van Christus, een van de twaalven en tegelijk met de anderen tot Apostel
aangesteld, eerst der Joden en daarna der heidenen, heeft ook gelijk de anderen
op de Pinksterdag de Heilige Geest ontvangen, waardoor hij ook bekwaam werd
gemaakt om een Apostel van Christus, zelfs onder de heidenen te
zijn.
Toen de Apostelen uit elkaar gingen, kwam hij in
Egypte, en heeft daar geruime lijd het Evangelie gepredikt, totdat hij naar
Perzië ging, waar hij zijn broeder Judas vond. Zij bleven daarin de bediening
van het Apostelambt volstandig bij elkaar, totdat zij de goddelijke waarheid met
hun bloed hebben bezegeld. Nicephorus schrijft, dat Simon niet alleen in Egypte,
maar ook in Afrika, Cyrene, Lybië en op de eilanden van Groot-Brittanië het
Evangelie des Koninkrijks gepredikt heeft.
Judas Alfeüs, niet die bijgenaamd wordt Iscarioth,
maar die getrouwe Apostel, bijgenaamd Thaddeüs, dat is belijder, en broeder van
Lebbeüs, Jakobus de kleine en Simon, was ook tot een dienstknecht en Apostel
geroepen van Jezus Christus, Wiens neef hij ook was, evenals Jakobus en Simon.
In het Evangelie wordt van hem niet gesproken, maar alleen gewag gemaakt van een
vraag, die hij de Heere Christus deed, zeggende: “Heere, wat is het dat Gij U
aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?” Deze heeft ook een korte en
troostrijke brief aan de gelovigen geschreven en nagelaten, die echter gestreng
is voor de ongelovigen. Of deze Judas die Thaddeüs is, die door Thomas naar
Abgarus te Edessa, gelijk men meent, is gezonden om de koning van zijn kwaal te
genezen, en tot Christus te bekeren, dan of hij een ander van de zeventig
discipelen is geweest, daarover kan men Eusebius en andere schrijvers
raadplegen. Deze Judas heeft, toen de Apostelen de wereld met de prediking van
het evangelie hebben bedeeld, Mesopotamië en Pontus bezocht, waar hij geruime
tijd alleen het Evangelie heeft verkondigd; daarna vertoefde hij met zijn
broeder Simon in Perzië, en heeft daar de wijzen bekeerd, de onwetenden
onderwezen, en door de kracht van de Heilige Geest de duivelse kunsten teniet
gedaan, en de dusgenaamde godsspraken en wonderen van hun afgoden als leugens
ten toon gesteld en doen ophouden, en alzo door de godsdienst van Christus de
valse afgodendienst der heidenen te schande gemaakt en vernietigd. Toen de
heidense duivelspriesters zagen, dat daardoor hun gewin schade leed, hebben zij
tegen deze getrouwe dienaars van Christus een groot oproer verwekt, hen daarin
overvallen en omgebracht. Welke marteldood zij echter ondergaan hebben, kan, bij
gebrek aan berichten, niet gemeld worden.
Matthias was tijdens Christus omwandeling in het
vlees een van Zijn zeventig discipelen. Kort na de hemelvaart van Christus werd
hij benevens Barnabas in de gemeente te Jeruzalem door de Apostelen aan de Heere
voorgesteld, teneinde door Hem, door het lot, als uit de hemel tot een Apostel
aangenomen te worden, terwijl de gehele schaar van honderd twintig mensen over
hen beiden God aanriepen, zeggende: “Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen,
wijs van deze twee een aan, die Gij uitverkoren hebt, om te ontvangen het lot
dezer bediening en des Apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heen
ging in zijn eigen plaats. En zij wierpen hun loten, en het lot viel op
Matthias, en hij werd met gemene toestemming tot de elf Apostelen gekozen." Met
de anderen ontving hij mede op de Pinksterdag de Heilige Geest, waardoor hij als
van de hemel bevestigd werd in zijn Apostelambt. Kort daarna werd hij ook met de
elven gegeseld en mede waardig geacht voor de naam van Jezus Christus smaadheid
te lijden.
Nadat de Apostelen uit elkaar gegaan waren is deze
Matthias (volgens het gevoelen van Hieronymus) naar een ander gedeelte van
Ethiopië of Morenland vertrokken, waar niemand van de andere Apostelen geweest
is, en wel zeer diep het land in tot aan de uiterste grenzen, waar de inham was
van de haven of de rivier Asphar en Hyssus, waar de onwetendste en meest
barbaarse mensen gevonden worden. Onder deze in allerdiepste duisternis der
onwetendheid gezeten mensen is het heilrijke licht van het evangelie door de
dienst van deze Apostel opgegaan. Nadat hij daar vele zielen voor Christus
gewonnen had, is hij (volgens de getuigenis der geschiedenissen) weergekeerd
naar Judea, Galilea en Samarië, en wel, nadat door de verstrooiing van de
Apostelen de Joden schier verstoken waren van allen apostolische
dienst.
Omtrent de dood of het martelaarschap van Matthias
bestaat niet veel zekerheid, zegt Mantuannus, en hij betwijfelt het, of hij in
vrede tot God opgenomen is, en zijn eigen dood gestorven, dan of hij, omdat hij
aan de afgod Jupiter niet wilde offeren, met een bijl onthoofd is door de
heidenen. Anderen zeggen, dat hij, om de lastering, die zij voorgaven, dat hij
uitgesproken had tegen God, tegen Mozes en de wet, en het christelijk geloof
weigerde te verzaken, door de Hogepriester van de Joden veroordeeld is om eerst
aan het kruis gehangen en gestenigd en daarna met een bijl onthoofd te
worden.
Wij zullen hier ook laten volgen de geschiedenis
van den Evangelist Lukas en van de Apostel en Evangelist Johannes, hoewel men
meent, dat Lukas onder Domitianus en Johannes onder Trajanus gestorven is. Wij
volgen deze orde, opdat men het leven en de dood van de Evangelisten en
Apostelen achtereenvolgens zal kunnen lezen.
Lukas was een Syriër van Antiochië, een geleerd
medicijnmeester en daarom ook zeer ervaren in de heidense wijsbegeerte. De Heere
heeft hem echter willen gebruiken tot een medicijnmeester der zielen, tot welk
einde hij ons twee heerlijke boeken als geestelijke artsenijboeken heeft
nagelaten, en wel vooreerst zijn Evangelie, dat hij beschreven heeft uit der)
mond van hen, die het van de Heere Jezus Christus zelf hebben gehoord. Daarom
kan hij niet een der zeventig discipelen zijn geweest, noch een van ben, die met
Kleopas op de wee, was naar Emmaüs. Hij was alleen een leerling van Apostelen en
in het bijzonder van Paulus, tot in het vierde jaar der regering van keizer
Nero. Paulus schijnt hem bekeerd te hebben te Antiochië, in het jaar 38 na
Christus, toen hij van Thebe daar gekomen was. Omtrent zijn ouders wordt nergens
iets vermeld, en het schijnt, dat hij geen vrouw gehad heeft. Hiëronymus meent,
dat jij vroeger een proseliet was, die voor het aannemen der christelijke leer
de joodse godsdienst beleed, en alzo een nakomeling van de Joden, wat niet
onwaarschijnlijk is. Hij was zeer ervaren in de Griekse taal, wat genoegzaam
blijkt uit de buitengewoon goede stijl en de spreekwijzen, die in zijn
geschriften kunnen opgemerkt worden. Hij was geen Apostel maar een metgezel der
Apostelen, die dezelfde dienst met hen te vervullen had, en verscheidene landen,
en steden heeft doorreisd. Op bijna al de reizen van Paulus was hij diens
medehelper, waarom hij ook die reizen in goede orde en met grote naarstigheid
heeft beschreven. Toen Paulus bijna van alles was verlaten, heeft Lukas hem
bijgestaan in zijn gevangenschap te Rome. Nadat hij zijn dienst getrouw heeft
vervuld, is hij te Bithynië gestorven in het 81e jaar zijns ouderdoms. Anderen
zeggen, dat hij in Griekenland predikende, aan een olijfboom is opgehangen en
alzo in de Heere is ontslapen.
[JAAR 101.]
Johannes, de zoon van Zebedeüs, en broeder van
Jakobus de grote, was geboren te Nazareth in Galilea. Van beroep was hij een
visser. Toen hij met zijn vader en broeder bezig was de netten in het schip te
vermaken, werd hij door Christus geroepen, en verliet toen beide, het schip en
zijn vader, en is met zijn broeder Jakobus Jezus nagevolgd. Na behoorlijk
onderwezen en toegenomen te zijn in de kennis van God en Christus Zijn zoon,
door Zijn leer en wonderen, werd hij aangesteld tot een Apostel. De Heere Jezus
beminde hem bijzonder, hij lag in Zijn schoot, en heeft Jezus ook zeer lief
gehad. Toen de Heere zei, dat een van hen Hem zou verraden, vraagde hij met
bekommering, wie het was, Hij was een van de drie Boanerges, dat is zonen des
donders. Met Hem was hij getuige van de verborgen dingen Zijns Vaders, op de
heiligen berg, bij het opwekken van Jaïrus' dochtertje en in de hof. Met grote
naarstigheid heeft hij het Evangelie met de anderen onder de Joden gepredikt, en
ijverde zelfs dermate voor de eer van Christus, dat hij uit onverstand wenste,
dat het vuur van de hemel de Samaritanen zou verslinden, omdat zij de Heere
verwierpen. Hij heeft zich ook, buiten gevaar zijnde, beroemd de lijdensbeker
van Christus te kunnen drinken. Hoewel hij met anderen, volgens Christus'
voorzegging, enigermate in het geloof verzwakt was, heeft hij zich toch zeer
kloek gedragen, want hij was niet alleen tijdens Christus' lijden in het huis
van Kajafas de Hogepriester, maar stond ook bij het kruis van Christus, waar
Christus hem de zorg voor zijn moeder aanbeval, die hij ook tot zich genomen
heeft.
Hij was zeer verlangend naar Christus' opstanding;
en, hoewel hem die niet terstond is geopenbaard, toen hij naar het graf liep,
heeft Christus nochtans Zich verscheidene malen aan hem vertoond, en hem een
nieuw bevel gegeven aangaande het Apostelambt. Bij de discipelen bleef hij,
totdat zij de Heilige Geest hadden ontvangen, en predikte toen het Evangelie en
deed wonderen te Jeruzalem, waarom hij in de gevangenis werd geworpen en veel
heeft moeten lijden, doch tot zijn blijdschap.
Met Petrus werd hij ook gezonden naar Samaria; en
na vele jaren, toen Timotheüs gestorven was, predikte hij in Azië en in het
bijzonder in de stad Efeze, waar hij ook vele wonderen gedaan, ja sommigen uit
de dood opgewekt heeft. In de vervolging onder keizer Domitianus werd hij
gevangen genomen en naar Rome gebracht, waar hij (zoals sommigen zeggen) in een
vat kokende olie werd geworpen, waaruit hij echter ongeschonden opstond.
Vervolgens is hij gebannen naar het eiland Patmos, gelegen in de Aegeïsche zee,
waar hij vele gezichten gehad en beschreven heeft aan de zeven voornaamste
gemeenten in Klein-Azië, benevens enige heerlijke brieven. Na de dood van
Domitianus, toen Nerva regeerde, is hij naar Efeze teruggekeerd en wel in het
jaar 99 na Christus' geboorte, waar hij opziener was over de gemeenten in
Azië.
Met de ketters Ebion en Gerinthus had hij veel te
doen. Toen hij Ebion op zekere tijd in een bad vond, vluchtte hij, uit vrees dat
het huis tot straf van die ketter op hem vallen zou. Wegens hun ketterij schreef
hij vooral zijn Evangelie, waarin hij bovenal de godheid van Christus behandelt,
welke door de ketters geloochend werd.
Om de naam van Christus heeft hij veel geleden en
zelfs vergif gedronken, zonder dat, volgens de belofte van Christus, hem dit
schade deed. Eindelijk is hij, na de verwoesting van Jeruzalem te hebben
beleefd, ten tijde van de regering van keizer Trajanus, in vrede gestorven, in
het 68ste jaar na Christus' dood. Om al de vervolgingen en het lijden, dat hij
heeft verduurd, wordt hij gehouden voor een martelaar des Heeren Jezus Christus.
Dit grote licht rust alzo in Azië.
Prochorus, een van de zeven eerste diakenen, neef
van Stefanus en metgezel van Johannes de Apostel, was opziener van de gemeente
te Bithynië, heeft daarna te Antiochië geleden en is daar
gestorven.
Nikanor, ook een van de zeven diakenen, is ook om
de christelijke waarheid ter dood gebracht.
Desgelijks Parmenas, ook een der zeven
diakenen,
Olympus was met Paulus te Rome
gevangen.
Onesiforus, een leerling van Paulus, die (zoals
sommigen zeggen) bisschop is geweest van Colophon, of, volgens anderen van
Coronia, is met Porphyrius, zijn mededienstknecht, aan de Hellespont, op bevel
van de stadhouder Adrianus, eerst wreed gegeseld en daarna aan wilde paarden
gebonden,en alzo dood gesleept of verscheurd.
Karpus, een leerling van Paulus, die hem tot
opziener van de gemeente te Troas had aangesteld, is daar om het christelijk
geloof omgebracht.
Trofimus, een leerling van Paulus, is om de
waarheid van Christus onthoofd.
Apollinaris, een leerling van Petrus, is te
Ravenna gedood, en wel in het derde jaar der regering van
Vespasianus.
Maternus en Egistus, behorende, tot de zeventig
discipelen, zijn in Duitsland, tegelijk met Marianus, de diaken, om het geloof
gedood.
Hermagot was door Petrus tot opziener der gemeente
te Aquila aangesteld, heeft onder Nero geleden.
Onesimus, Dionysius, de Areopagiter, en meer
anderen, zijn voor de goddelijke waarheid gestorven.
Domitianus, als ware hij een erfgenaam van de haat
tegen Gods volk en de bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen
de Christenen voort. In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft,
zijn, volgens de beschrijving, omgebracht de navolgende
personen:
Timotheüs was geboren te Lystre, in Lycaonië. Zijn
vader was een Griek, maar zijn moeder Eunice en zijn grootmoeder Lois waren
gelovige joodse vrouwen. door wie hij van zijn jeugd aan was onderwezen in de
Heilige Schrift. Toen Paulus te Lystre en Iconië een goede getuigenis omtrent
hem had horen afleggen, nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in de
dienst van het Evangelie onder de heidenen, en liet hem tevoren besnijden, en
wel om der Joden wil, die in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn vader
een Griek was.
Boven alle anderen van zijn metgezellen heeft
Paulus deze leerling bemind, en noemt hem zijn oprechte zoon in het geloof. In
zijn afwezigheid heeft Paulus hem ook naar vele plaatsen gezonden en zijn dienst
daar gebruikt, om, als hem vertegenwoordigende, alles te doen tot opbouwing der
gemeente van Christus, waarvan hij zich zeer getrouw gekweten heeft, zodat
Paulus hem achtte als een Evangelist. Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener
der gemeente te Efeze had geordend en aangesteld, schreef hij enige bijzondere
brieven aan hem, waarin hij hem onder andere vermaant, om wakker te zijn in
alles, verdrukking te lijden, het werk van een Evangelist te doen en te waken,
dat men van zijn dienst ten volle verzekerd zij, en hem te bejegenen, zoals het
betaamt. Omdat hij de afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering
van keizer Domitianus door de onwetende heidenen gestenigd, en heeft alzo zijn
loop volbracht.
De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn
omgebracht:
In Frankrijk, Lucianus, bisschop van
Bellovaco.
Maximianus en Julianus,
ouderlingen.
Nicasius, bisschop van
Rouaan.
Quirinus, ouderling.
Scubiculus, diaken.
Patientia, een maagd.
In Italië, Romulus, bisschop van Fesula en anderen
op meer andere plaatsen.
Men meent ook, dat in deze tijd is omgebracht in
de stad Pergamus, zekere Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van
wie gesproken wordt Openb. 2, vs. 13.
Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar
stadhouder van Rome was, en op mannelijke wijze een leeuw overwonnen had,
waarmee hij veroordeeld was geworden te vechten, werd mede gedood. De reden,
waarom men hem en vele anderen doodde, was, gelijk Dion Niceüs schrijft, dat zij
zich aanstelden als Joden, zoals in die tijden de Christenen door de heidenen
genoemd werden, aangezien de Christenen uit de Joden afkomstig waren. Men kan
het er daarom voor houden, dat Glabrio en anderen in die lijd hebben moeten
lijden om de naam van Christus en het oprechte geloof.
De derde vervolging tegen de Christenen is
begonnen op bevel van keizer Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te
Rome, en Tarquinus, overste van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars
brachten ook geld op, en gaven schatting om de Christenen te vervolgen en uit te
roeien, alles onder het voorwendsel, lat zij onwillig waren om de goden te
aanbidden en met offeranden te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de
Romeinse republiek waren.
Onder de martelaren in deze tijd zijn de
voornaamste:
[Jaar 109]
Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt
voor een neef des Heeren, omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef,
Christus’ pleegvader. Hij was uit de stam van Juda en derhalve van het
koninklijke geslacht van David. Deze Simeon was een vroom dienaar van God, die
de Heere Christus ook heeft gezien en gehoord, zoals uit zijn hogen ouderdom wel
op te maken is. Mogelijk behoorde hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de
gemeente Gods door prediking en lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te
breiden, totdat hij na de dood van Jakobus de jongere, op gezag van de
Apostelen, in de dienst werd aangesteld en wel tot bisschop en opziener in de
gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar 61 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft
hij zeer lang bediend, en met zulk een getrouwheid, dat hij om de waarheid van
Christus vele en zware pijnigingen heeft geleden. Gelijk men onder de keizers
Vespasianus en Domitianus het koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te
roeien, alzo geschiedde het ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van
keizer Trajanus deze Simeon door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet
alleen dat hij behoorde tot het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij
een Christen was. Hierom werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te
Jeruzalem, overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate
liet geselen, dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten
erbarmen en verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een
zodanige onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn
belijdenis even volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het
lijden gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld omgekruisigd te
worden, in het 11e jaar der regering van Trajanus of 109 jaar na
Chr.
Ignatius, een leerling van Johannes, de Apostel.
en een navolger van Petrus en Evodus in de dienst der gemeente van Christus te
Antiochië in Syrië, was een zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijn
bediening. Toen hij vernam, dat keizer Trajanus na zijn overwinningen, die hij
behaald had op de volken van Dacië, Armenië, Assyrië en andere Oosterse rijken,
de afgoden te Antiochië openlijk dankte en grote offeranden bracht, alsof zij
hem met deze overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, de keizer
daarover te bestraffen, ja (zoals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in de
tempel. De keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen,
doch in Antiochië zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer,
aangezien deze bisschop daarin groot aanzien was; maar hij hhet hem, vergezeld
van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijn straf te doen
ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele
troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Filadelfia, Tralles,
Magnesia, Tharsen, Filippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te
Rome; welke brief hij voor zijn komst daarheen zond, waarin hij onder andere
verklaart, dat het zijn begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof met
zijn bloed te bevestigen.
Zijn eigen woorden luiden aldus: “Van Syrië af
naar Rome reizende, te water en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde
beesten, zeer nauw tussen tien luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik
hen streel en grotere vriendschap bewijs, des te wreder en wreveliger jegens mij
worden. Doch door hun wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen,
word ik meer en meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet
rechtvaardig. Och dat ik reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te
verscheuren! Ik hoop, dat ik ze binnenkort zal vinden, zoals ik ze wens, te
weten, wreed genoeg om mij ten spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet
aantasten en verscheuren, dan zal ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet
verschonen, zoals zij reeds enige Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij
met haast in stukken scheuren en verteren. indien zij nog blijven weigeren, zal
ik hen tergen en aanporren. Vergeeft mij, dat ik zo spreek. Ik weet, wat mij
nodig en bevorderlijk is; na begin ik eerst een discipel van Christus te worden.
Ik acht zichtbare noch onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het
is mij genoeg, als ik Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel
en boze mensen mij allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen,
met het worstelen tegen de beesten, met verstrooiing van mijn ledematen en het
geraamte van mijn lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns gehelen
lichaams; ik acht dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete.
Alleen, bidt voor mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde,
om dit niet alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te
kunnen lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden mag
worden.
Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten
aan de stadhouder overgeleverd, met de brieven van de keizer, waarin zijn vonnis
geschreven stond. Enige tijd werd hij daar bewaard tot op zekere feestdag van de
Romeinen, op welke dag de stadhouder hem naar het bevel des keizers, in de
kampplaats liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk
geloof niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen
voorgeworpen, door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt
verhaald, dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden
te worden, en in het perk hoorde brullen, zei: “Ik ben het koren des Heeren, ik
word door de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een
rein brood worde.” Alzo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig
ontslapen in het jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regering van keizer
Trajanus.
Omstreeks deze tijd werd ook, om de naam van
Christus, omgebracht, zekere Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed
en vroom man, benevens vele anderen.
Zosimus, Rufus en anderen werden, om de
christelijke godsdienst, ter dood gebracht en wet in de stad Filippi, in
Macedonië.
Op bevel van keizer Trajanus, werd de 26sten
Oktober van het tijdelijke leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te
Rome.
Hermes, stadhouder van Rome, met zijn vrouw en
kinderen, benevens nog 1250 mensen, werden levend om Gods Woord in gloeiende
ovens verbrand.
Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een
Romeins edelman, en 40,203 mensen. Eveneens werden Enstachius en zijn vrouw te
Rome om de naam van Christus omgebracht.
Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de
Spaanse stad Complutum genaamd van het leven beroofd.
Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan
keizer Trajanus, dat hij niet machtig was de Christenen wegens hun grote menigte
uit te roeien. Toen gebood de keizer, dat men de vervolging zou
staken.
Men zegt ook, dat omstreeks deze tijd om het
christelijk geloof omgebracht is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben
geleden, Phocas, bisschop van Pontus.
Bovendien zijn om de naam van Christus nog
verscheidene personen gedood, zoals in Italië, te Brescia, Faustina en Jobita.
Te Messina, op Sicilië, ondergingen de dood Eleutherus en zijn moeder Anthia, en
meer anderen in verscheidene andere plaatsen.
Te Tivoli, in Italië, werden ter dood gebracht
Getulicus, een leraar, en Symphorosa met haar zeven zonen; zo ook zijn Cerealis
en Amantius, in dezelfde stad, om de naam van Christus
gedood.
Saphyra, een maagd te Antiochië, en Sabina, een
weduwe van Valentin, zijn te Rome om dezelfde reden
gedood.
De 5e januari werd, om de christelijke godsdienst,
het leven ontnomen aan Telesphorus, opziener van de gemeente te
Rome.
[JAAR 144.]
Ptolomeüs, een vroom en godzalig man, die zijn
vrouw tot het christelijk geloof had gebracht, werd om de waarheid van Christus
gevangen genomen. Toen hem gevraagd werd, of hij een Christen was, beleed hij,
de waarheid liefhebbende, het terstond; want hij, die verzaakt, wat hij is, acht
strafbaar te zijn, wat hij verzaakt. Om deze belijdenis werd hij in de kerker
geworpen, en vertoefde daarin zo lang, totdat hij geheel vermagerd was, terwijl
hij ten laatste aan de rechter Urbicus werd overgeleverd, die hem terstond
daarna om de christelijke waarheid liet doden.
Er was ook een Christen, Lucius genaamd. Toen deze
hoorde, dat zo onverdiend en lichtvaardig het vonnis over Ptolomeüs was geveld,
zei hij tot Urbicius, de rechter: "Wat beweegt u toch, dat gij zulk een ter dood
veroordeelt, die geen overspeler, vrouwenschender, doodslager, moordenaar, noch
rover, of dergelijk misdadiger is, maar die alleen belijdt, dat hij een Christen
is? O Urbicius, dat is iets, wat de goede keizer, zijn wijzen zoon, of eerbare
raad niet aangenaam is, en tot eer verstrekt." Zonder meer te vragen zei
Urbicius: "Mij dunkt, dat gij ook een Christen bent?" En toen Lucius daarop
antwoordde: Ja, dat ben ik voorzeker," veroordeelde hij hem ook ter dood. Daarop
hernam Lucius: “Ik dank u, dat gij mij van zulk een boze heer verlost, en mij
tot God zendt, de allerbeste Vader en Koning over alles." Dit geschiedde te
Alexandrië, in Egypte, omtrent het jaar onzes Heeren 144, waar ook in diezelfden
tijd met hem nog vele anderen werden gedood.
Niettegenstaande de hevige vervolgingen, nam het
aantal Christenen overal toe, zodat Justinus met recht van hen zegt, dat de
Christenen vreemdelingen waren, en toch de plaatsen, steden, eilanden, kastelen,
enz. der heidenen bewoonden, ja ook zelfs het keizerlijk paleis en de raad,
waren binnen gedrongen, hun alleen de tempels als afgodshuizen overlatende.
Plinius de tweede, stadhouder in Bithynië, ziende, dat daar de christelijke
godsdienst meer en meer aanhangers kreeg en de overhand nam in weerwil van de
zware en bloedige vervolgingen, zo zelfs, dat alle afgodstempels bijna leeg en
verlaten waren, werd hij ontroerd over de menigte der Christenen, en maakte
zwarigheid om die allen te straffen. Hij schreef daarover brieven aan de keizer,
en vroeg raad, wat hem, zoals de zaken nu waren, te doen
stond.
In deze brieven vraagt Plinius niet alleen raad in
deze moeilijke en verwarde zaak, maar beproeft ook de keizer (naar het schijnt)
te bewegen om de vervolging te doen ophouden, en zegt, dat de Christenen nergens
anders in schuldig werden bevonden. dan dat zij gewoon waren op zekere bestemde
dag, voor de dageraad, bijeen te komen, en met elkaar Christus, als hun God,
lofzangen te zingen, dat zij zich onderling met een eed verbinden generlei kwade
daden te plegen, zich te onthouden van dieverij, doodslag en overspel te begaan,
hun geloof te verzaken, en niet te loochenen, wat hun in bewaring was gegeven.
Dat als zij zulks gedaan hadden, zij dan gewoon waren te vertrekken, en weer te
vergaderen om hun nooddruft te nemen in het algemeen, zonder iemand te hinderen
of letsel te doen, en zij zich gedragen volgens zijn bevel." Betreffende de
grote menigte der Christenen in die landen, voegt hij er bij: Volgens mijn
mening is de zaak wel waardig om uw raad daarover in te winnen, en wel vooral om
de grote menigte van hen, wie het gevaar boven het hoofd hangt. Velen, van elke
leeftijd en van allerlei stand, zo mannen als vrouwen zijn in gevaar of zullen
er in komen, aangezien niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en
gehuchten de besmetting van dit bijgeloof verspreid is.
Op dit schrijven antwoordde keizer Trajanus onder
andere het volgende: "Men zal zodanige lieden niet laten opzoeken, en, indien
zij aangebracht en aangeklaagd worden, moet men hen in dit geval straffen, onder
deze bepaling nochtans, dat zij, die ontkennen Christen te zijn, en dit met de
daad tonen, te weten, door het aanroepen van onze goden, hoewel zij voor het
toekomende verdacht zijn, om hun berouw en boetvaardigheid vergiffenis erlangen.
Tertullianus bestrijdt dit antwoord van de keizer zeer, als indruisend tegen
recht en rede, terwijl hij uitroept: “O vonnis, dat.alleen uit verlegenheid zo
verward is! Hij wil niet, dat men naar hen zoeken zal, omdat zij onschuldig
zijn, en toch beveelt hij, dat men hen als schuldigen zal straffen." Hoewel door
deze brieven het vuur der vervolging werd uitgeblust, toch hield daarom de
vervolging niet geheel op.
Hierna schreef ook Justinus, de wijsgeer, twee
verdedigingsgeschriften voor de Christenen, het een aan de Senaat van Rome, het
andere aan keizer Antonius en zijn opvolgers, alsmede aan de gehele burgerij te
Rome. Aan het slot van zijn schrijven zegt hij met vrijmoedigheid en
welsprekende woorden: Dit zeggen wij u vooraf, dat gij het aanstaande oordeel
van God geenszins zult ontgaan, indien gij in de goddeloosheid volhardt. Wij
zullen niet ophouden te bidden wat God aangenaam is en behaagt, opdat de
waarheid worde geloofd en de overhand behoudt."
Op deze verdedigingsgeschriften volgde een
heerlijk schrijven van keizer Antoninus, hetwelk te vinden is bij Eusebius het
vierde boek, hoofdstuk 13. Melito zegt bij dezelfde Eusebius te vinden, dat
Antoninus Pius in het algemeen ten gunst van de Christenen in alle landen
geschreven heeft, en voornamelijk aan de bewoners van Larissa, Thessalonica en
Athene.
Wij willen hier nog bijvoegen, om daarmee de
geschiedenis van deze derde vervolging te besluiten, enige voortreffelijke
woorden van dezelfde Justinus, uit zijn samenspraak met Tryphonus waar hij met
levendige kleuren de standvastigheid der Christenen in die tijd
afschildert.
Inderdaad, dat niemand macht heeft om ons die in
Jezus geloven, te verschrikken of te beteugelen, dit blijkt dagelijks. Wanneer
wij gedood, gekruisigd, aan de dieren voorgeworpen, aan het vuur en andere
pijnigingen overgegeven worden, wijken wij toch niet van onze belijdenis; maar
hoe wreder men tegen ons woedt, zoveel temeer beoefenen wij de godsdienst en het
geloof in Jezus; het is met ons niet anders dan of iemand door snoeien een
wijngaard opwekte tot vruchtbaarheid. Want de wijngaard, door God en onze
Zaligmaker Christus geplant, is Zijn volk."
De vierde vervolging tegen de Christenen barstte
uit ten tijde van keizer Antoninus. Er kon geen pijniging, straf, of ombrengen,
zo groot, zo wreed, zo onverbiddelijk voor de boze mensen, door de tirannen, de
werktuigen des duivels, bedacht, aangewend en volvoerd worden, of men meende,
dat de Christenen, als vervloekte mensen als vijanden van het rijk, als oorzaak
van alle ongelukken, duizendmaal meer verdiend hadden. In het openbaar bespot,
levenslang opgesloten, gevangen, gegeseld, gestenigd, geworgd, gehangen,
onthoofd, verbrand te worden, werd niet voldoende geacht. In deze tijd begon men
de arme Christenen met gloeiende platen tot de dood toe te bestrijken, met
gloeiende tangen het vlees van het lichaam te trekken, met ijzeren stoelen over
een klein vuur te plaatsen, in ijzeren pannen te verschroeien, in nauwe netten
gesloten de wilden stieren voor te werpen, teneinde door deze al spelende en
spottende met de hoornen in de lucht gesmeten te worden. Dit alles ging gepaard
met een andere barbaarsheid, namelijk, dat men de lichamen dergenen, die
omgebracht werden, de honden voorwierp, waarbij men wachters plaatste, opdat
deze lijken door de gelovige Christenen niet weggehaald en begraven zouden
worden. Onder de regering van deze keizer zijn de navolgende Christenen wegens
hun christelijke godsdienst, ter dood gebracht.
[JAAR 168.]
Justinus, een zoon van Priscus Bacchus was geboren
te Neapolis, in Palestina, en wel uit Griekse ouders. Hij was een geleerd
wijsgeer, zeer ervaren in alle wetenschappen der heidenen. Deze hoorde, dat de
Christenen boven alles werden beschuldigd, dat zij in hun vergaderingen zich aan
schandelijkheden schuldig maakten. En toch zag hij, dat zij met grote volharding
de dood onbevreesd tegen gingen, waaruit hij besloot, dat het niet mogelijk was,
dat zulke mensen een zodanig slecht leven zouden leiden, aangezien boosdoeners
geen hoop op een beter leven kunnen hebben, maar schrikken voor de dood. Na een
naarstig onderzoek van de Heilige Schrift, verliet hij dan ook het heidendom, en
nam de christelijke godsdienst aan. Hij maakte zulke vorderingen in de kennis
van die godsdienst, dat hij leraar werd van het Evangelie, en het christelijk
geloof kloekmoedig beschermde met schrijven, en zelfs verdedigingsgeschriften
aan de keizer zond, om de Christenen te verontschuldigen van de lasteringen,
waarmee zij werden bezwaard. Hij wekte ook vele mensen tot het martelaarschap
op. Dikwerf redetwistte hij met een onbeschaamde wijsgeer, Crescens genaamd,
maar overwon hem menigmalen en maakte hem beschaamd. Deze wijsgeer vatte
daarover zulk een dodelijke haat tegen Justinus op, dat hij hem in zijn hart de
dood had gezworen. Van die tijd af aan hield hij dan ook niet op hem lagen te
leggen en als Christen aan te klagen, totdat hij als met Justinus' bloed zijn
dorst gelest had, gelijk Tatianus, een leerling van Justinus, in zijn
redevoering tegen de Grieken of heidenen over hem klaagt, dat hij niet alleen
Justinus, maar ook hem naar het leven had gestaan, omdat zij hem en zijns
gelijken, als wulpse dieren en bedrieglijke wijsgeren, in het openbaar hadden
bestraft. Justinus werd op zijn aanklacht gevangen genomen, en, daar hij
kloekmoedig weigerde het Christendom af te zweren, werd hij eindelijk door de
President Rusticus ter dood veroordeeld, en, na vooraf gegeseld te zijn, met de
bijl onthoofd, omtrent het jaar onzes Heeren 168.
[JAAR 174.]
Alvorens de christelijke gemeente te Smyrna in
haren brief aan de gemeenten van Jezus Christus in Pontus, van Polycarpus'
martelaarschap melding maakt, verhaalt zij in het algemeen, hoe groot en
gruwelijk de vervolging der vijanden was jegens andere martelaren, die voor
Polycarpus geleden, en welke grote standvastigheid in het verdragen van allerlei
pijnigingen deze martelaren aan de dag gelegd hebben. Betreffende deze
wreedheid, waarmee men de Christenen pijnigde, schrijven zij aldus: "Alle
omstanders waren getuigen, dat het vlees der bloedgetuigen van Christus door
verscheidene geselingen en slagen tot in de binnenste aderen en allerdiepste
zenuwen werd losgerukt en vaneen gescheurd, zodat men hun ingewanden en
verborgen delen des lichaams zag bewegen; ja dat er dan scherven van gebroken
potten, zeeschelpen, ja voetangels op de grond werden gestrooid, en daarover de
reeds gemartelde Christenen met hun verscheurde lichamen, gesleept en vertreden
werden. Wanneer de dus misvormde Christenen, wegens de aangedane pijnigingen,
bijna waren gestorven, of nauwelijks meer adem konden halen, werden zij aan de
wilde dieren voorgeworpen, om verscheurd te worden. Allen, die deze treurspelen
zagen, en het aanschouwden, hoe onmenselijk de Christenen werden mishandeld, en
met welk een geduld die martelaren dat verdroegen, waren daarover zeer
verwonderd en ontzet.
Onder deze was een, Germanicus genaamd, die door
Gods genade versterkt, de natuurlijke en aangeboren zwakheid zijns gemoeds,
welke de lichamelijke dood zeer vreest, zo krachtig overwon, dat hij, wegens
zijn bijzondere standvastigheid, voor een der voortreffelijkste martelaren te
houden is. Toen de stadhouder hem zocht wijs te maken en te overreden, dat hij
toch de bloei van zijn leven in aanmerking zou nemen en met zichzelf erbarming
hebben zou, verachtte Germanicus die raad, en hield zijn jong leven niet
dierbaar voor zijn Heere Jezus Christus, maar trok terstond, zonder dralen, de
wilde dieren, die gereed en losgelaten waren, naar zijn lichaam toe, en hitste
hen als het ware op, alsof het hem zou gespeten hebben, wanneer zij nog
vertoefden om hem te verslinden, teneinde alzo te eerder van het lichaam der
zonde verlost te mogen worden, tot grote verwondering van al het volk. Met grote
standvastigheid had hij aldus zijn leven veil voor de goddelijke waarheid, en
stierf te Smyrna, in Klein-Azië, omtrent het jaar van Christus' geboorte
174.
Meliton, opziener van de gemeente van Christus te
Sardis, een stad in Lybië, was een geleerd, welsprekend en met de Heilige Geest
begaafd man. Hij schreef een apologie of verdediging van de christelijke
godsdienst, en zond die aan keizer Antoninus. Ook Claudius Apollinaris, opziener
der. gemeente te Hiërapolis, een stad in Azië, deed het zelfde, zoals ook daarna
Athenagoras, een wijsgeer te Athene, en een geleerd en godvruchtig
man.
Toen keizer M. Antoninus de Marcomannen overwonnen
had, voerde hij oorlog tegen de Quaden. Met zijn leger in hun land vallende,
werd hij dapper aangevallen, en, na een hevige strijd, met zijn volk ingesloten
in een plaats tussen het gebergte, waar groot gebrek was aan water, terwijl zij
veel van de hitte te lijden hadden. Gedurende vijf dagen verkeerden zij daarin
groten nood, zodat zijn volk, door de hitte en van de dorst schier versmacht, in
moedeloosheid ieder hunner zijn goden tevergeefs aanriep. In die ogenblikken
deed zich een afdeling Christenen op, die ingeschreven waren in zeker groot
leger, Melitana genaamd. Deze bogen met een vast geloof de knieën voor de enige,
eeuwige en waarachtige God. En, toen zij hun vurige gebeden voor de nood van de
vorst en hen allen uitgestort hadden, werden zij terstond, en wel geheel
onverwacht en tot ieders verwondering, met twee weldaden gezegend, een
overvloedige regen in hun midden, waardoor het leger zeer werd gelaafd, terwijl
boven de hoofden der vijanden hevige en langdurige bliksemstralen en
donderslagen zich ontlasttten, waardoor zij verdreven en verstrooid
werden.
Door dit wonder werd het gemoed van de keizer
dermate getroffen, dat hij van die tijd aan de Christenen gunstiger behandelde,
ja, zelfs in brieven, die hij aan verscheidene stadhouders zond, beleed, dat hij
door het gebed der Christenen de overwinning verkregen bad, en aan het
bovengenoemde leger de naam gaf van het bliksemende."
Was de vervolging van de Christenen onder M.
Antoninus geëindigd, onder keizer Commodus duurde de vrede voort, en wel omdat
hij zonder twijfel nog aan het buitengewone wonder dacht, hier boven verhaald,
dat zijn vader tot meedogendheid jegens de Christenen had opgewekt; maar ook
omdat hij een bijzit had, Marcia genaamd, die de Christenen een goed hart
toedroeg. In het begin der regering van Commodus hadden dus de Christenen vrede,
maar dit duurde niet lang.
In weerwil van die vrede, worden toch door
sommigen als martelaren in het begin van zijn regering gehouden en genoemd:
Vincentius, Eusebius, Peregunus en Potentianus, leraars, als ook Julius, een
raadsheer te Rome.
In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen
genomen Polycarpus, een leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het
woord had horen verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus
hadden gezien, en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente
der genoemde stad Smyrna.
De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij,
zijn ouderdom in aanmerking nemende, zou zweren bij de goden des keizers en
Christus vloeken. Met grote vrijmoedigheid antwoordde hij echter: “Zes en
tachtig jaren heb ik mijn Heere Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig
kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?"
Toen de stadhouder hem dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen
geen afstand deed en zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen,
want mijn besluit is onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet
bekeren van het goede, tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede
bekeerden, die in hun boosheid volharden."
Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol?
Als gij de wilde dieren veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." “Gij
dreigt mij met vuur," dus hernam Polycarpus, "dat in een ogenblik ontstoken en
weer uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen
treffen zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van
beide goedvindt."
Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de
stadhouder overgeleverd om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten
voor de brandstapel was aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun
gewoonte zich beijverden, en men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei
hij: laat mij zoals ik ben. Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur
te verdragen, zal mij ook helpen om op deze brandstap te blijven. Daarop werd
hij slechts gebonden. Toen hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het
vuur hem niet deerde, aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom
hem uitbarstte, zonder hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken,
waarbij het bloed zo overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor
werd uitgedoofd.
Felicitas, een weduwe, geboren te Rome, werd in
haar vaderstad, om Gods Woord, met haar zeven zonen
omgebracht.
[JAAR 179.]
In die tijd ontstond te Lyon en te Vienne in
Frankrijk een grote beroerte, wegens het wrede geweld, dat men de Christenen
aandeed. De huizen en woningen werden verboden, daarna ook het gebruik der baden
en later zelfs van de straat. Dit ging zelfs zo ver, dat men hen in het geheim
noch openbaar duidde. Desgelijks werden er velen gevangen genomen en gepijnigd,
zodat zij veel hebben moeten lijden.
Vetius Epagathus, een vroom Christen, en hoewel
van jeugdige leeftijd, toch christelijk van leven, en een geacht edelman, die de
wreedheid zag, welke men de Christenen aandeed, verlangde, door een ijverige
geest bezield, van de rechter, dat men hem wilde aanhoren in hetgeen hij ten
gunst van de goede burgers in het midden wilde brengen; dat zij namelijk niets
kwaads bedreven, en zich niet in de strikken der ongerechtigheid lieten vangen.
Toen hij echter geen gehoor kon krijgen, vroeg de rechter hem alleen, of hij een
Christen was. En, toen hij dit openlijk en vrijmoedig beleed, zei de rechter:
“Dan zult gij met de gevangenen meegaan als een voorspraak van de Christenen."
Zo werd hij dan ook met de heilige leraar Zacharias, die als een goed herder
voor zijn schapen streed, gevangen weggeleid en eindelijk gedood in het jaar
onzes Heeren 179.
Er werd ook gevangen genomen een diaken uit de
stad Vienne, Sanctus genaamd. Men pijnigde hem op zeer onmenselijke wijze,
teneinde van hem te weten te komen, of de Christenen zich aan zulke gruwelijke
handelingen schuldig maakten, als waarvan men hen beschuldigde. Maar, aangezien
hij zeer door God versterkt werd, verachtte hij al de pijnigingen, welke zij hem
aandeden, dermate, dat hij niet bekende, wie hij was, noch uit welk geslacht,
uit welk land of hoe hij heette. Toen men hem onder de pijnigingen omtrent alles
ondervroeg, antwoordde hij niets anders dan dat hij een Christen was. “Dit is
mijn naam," zei hij, ja ik ben in het geheel niet anders dan een Christen." Om
deze reden koelden de tirannen hun wraak dermate aan hem, dat zij zijn buik en
andere gevoelige plaatsen van zijn lichaam met gloeiende ijzeren platen
belegden, zodat zijn vlees verbrandde en van het lichaam viel. Toen deze heilige
martelaar dus standvastig bleef, werd hij in zeer mismaakte toestand in de
gevangenis geworpen, terwijl later deze vrome getuige, na vele en gruwelijke
pijnigingen, andermaal werd voorgebracht, en om de getuigenis van Christus
onthoofd.
Attalus en Blandina gevangen genomen zijnde,
werden zeer dikwijls en vreselijk gepijnigd, opdat zij Christus zouden
verloochenen en zekere verzonnen boze daden van de Christenen bekennen. Na zware
pijnigingen te hebben uitgestaan, zette men hen weer in de
gevangenis.
In deze tijd is onder de Christenen het bijgeloof,
om sommige spijzen uit te zonderen, in zwang gekomen. Men achtte het toen niet
ongeoorloofd, (zoals men nu doet) op zekere dagen vlees te eten, want dit is
later eerst verordend, toen de Antichrist dit begon te verbieden; maar sommigen
onthielden zich van het gebruik van vlees, omdat zij meenden, dat hun vleselijke
lusten daardoor temeer zouden onderdrukt en bedwongen worden. Later dachten
sommigen, dat het een heilige verrichting was, (naar hun mening) Gode aangenaam,
en zo werd het ten laatste een verbod. Juist in deze tijd zat er een ander
Christen met Attalus en Blandina gevangen, die zich zeer sober behielp, en geen
wijn en vlees gebruikte. Nu openbaarde God aan Attalus, dat hij deze mens
aanzeggen moest, dat hij zich van dagelijkse spijs moest bedienen, opdat anderen
zijn voorbeeld daarin niet zouden navolgen, aangezien eenvoudige mensen licht
konden menen, dat het bijzondere gebruik van spijs een aanbevelenswaardige
godsvrucht was. Attalus deelde deze openbaring aan deze mens en andere
gevangenen mee, die er aan gehoorzaamden, terwijl de anderen er door geleerd en
versterkt werden.
Na Attalus en de anderen zware en onlijdelijke
pijnigingen te hebben aangedaan, werd de eerste voor de wilde dieren geworpen,
ofschoon hij een Romeins burger was, die men, volgens het bevel des keizers, had
behoren te onthoofden. Maar toen de wilde dieren het lichaam van de martelaren
niet aanroerden, liet de rechter hen andermaal op velerlei wijze pijnigen, en
werden zij zelfs op ijzeren stoelen boven het vuur geplaatst. Toen nu Attalus op
de stoel zat, en men bezig was hem te binden, zei hij tot het volk: ziel, dit is
nu mensen eten (de Christenen werden ook beschuldigd, dat zij kinderen aten) wat
gijlieden doet; wij eten geen mensenvlees, en bedrijven ook geen wandaden." Als
zij hem vroegen hoe God heette, antwoordde hij: “Waar er velen zijn, daar worden
zij met namen onderscheiden; maar, aangezien er slechts één God is, heeft Hij
geen naam nodig." Eindelijk werd Attalus met de anderen in het perk
onthalsd.
Nadat deze omgebracht waren, werden Blandina en
Ponticus een jongeling van 15 jaren, andermaal voorgebracht. Toen men hun
gebood, dat zij hij de afgoden zouden zweren, antwoordden zij, dat de afgoden
niets zijn, en dat zij daarom bij hen niet zweren konden. Als zij en vele
anderen zich tegen de afgoderij verklaarden en die verfoeiden, werden zij weer
op de vreselijkste wijze gepijnigd, zo zelfs, dat Ponticus onder de martelingen
de geest gaf. Nadat Blandina van de morgen tot de avond dermate was gemarteld,
dat haar gehele lichaam vaneen gescheurd en als aan stukken gereten was, zo
zelfs, dat haar pijnigers door vermoeidheid ter aarde vielen, en bekenden, dat
zij geen pijnigingen en martelingen meer konden uitdenken, die haar gevoelig
moesten aandoen, riep zij niets anders dan: “Ik ben een Christin, en door ons
wordt niets kwaads of onbehoorlijks gedaan. Eindelijk werd zij in een net
gewikkeld en de stieren voorgeworpen. Deze wierpen haar herhaalde malen met hun
horens in de hoogte, totdat zij haar ziel Gode opofferde, in het jaar onzes
Heeren 179.
[JAAR 179].
Photinus, bisschop of leraar te Lyon, een man van
ruim negentigjarige ouderdom, en zwak van lichaam, werd voor de rechterstoel van
het volk gebracht. Zijn vijanden schreeuwden verward door elkaar, en zeiden, dat
hij Christus zelf was. Op de vraag van de president, wie de God der christenen
was, antwoordde hij: "Wanneer gij het waardig bent, zult gij het weten." Als
wilde dieren vielen zij toen op hem aan, en martelden hem met slaan, schoppen,
trekken, stoten, trappen enz. dermate dat hij twee dagen daarna overleed. In het
jaar 179 na Christus' geboorte zijn te Lyon en te Vienne, omstreeks dezelfde
tijd, waarin Photinus stierf, nog ter dood gebracht, Zacharias, een ouderling,
Maturus, Alexander, een dokter, en Alcibiades.
In deze tijd werden ook vele anderen op wrede
wijze vervolgd en gedood, zij werden aan de honden voorgeworpen, men verbood hen
te begraven, en de as van hun verbrande lichamen werd in het water geworpen,
opdat zij, naar hun mening, geen deel zouden hebben aan de opstanding, waarop de
gelovigen hopen. God intussen, gaf aan Zijn volk moed en stond hen bij, zodat
zij geen vrees hadden voor de tirannie.
[JAAR 188]
Apollonius, een raadsheer te Rome, was een man,
die wel verdient genoemd te worden, daar hij zich voor de belijdenis des
christelijken geloofs gewillig in de dood heeft overgegeven, zonder in het minst
in aanmerking te nemen de staat, waarin hij verkeerde, en de waardigheid, die
hij bekleedde. Toen hij door zijn slaaf was aangeklaagd, dat hij een Christen
was, en de senaat van Rome hem dwong om rekenschap van zijn geloof te geven,
legde hij een verdedigingsgeschrift van zijn geloof over, en las het, gelijk
sommigen zeggen, aan de senaat voor. En, hoewel de Christenen nu vrede hadden,
zo beweren sommigen, dat de senaat hiertoe gedrongen werd door zekere wet, die
beval, dat men een Christen, die aangeklaagd was, en bij zijn belijdenis bleef
volharden, niet mocht vrijlaten. Maar ook om aan de anderen kant het bevel van
Antoninus te volbrengen, liet de senaat eerst de aanklager de benen breken. Dit
geschiedde onder de regering van keizer Commodus te Rome, in het jaar onzes
Heeren 188.
De vijfde vervolging van de Christenen barstte uit
in het tiende jaar der regering van keizer Severus. De aanleiding tot deze
vervolging was, dat de eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen
uitstrooiden jegens de Christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die
zich jegens de keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers,
bloedschenders, die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan
allerlei ontucht en ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters
insgelijks, dat zij een ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de
goden verachtten, en dat daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was
overkomen.
De hevigste vervolging had plaats, nadat Eusebius
en Tertullianus in Afrika hun geschriften hadden
opgesteld.
Een grote menigte Christenen werd naar Alexandrië,
in Egypte, gebracht, waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood
werden.
Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren
de navolgende.
Onder deze hevige vervolging werden vele vrome
Christenen om de christelijke godsdienst onder de grootste pijnigingen ter dood
gebracht. Onder deze was ook Leonidas, de vader van de geleerden Origenes, een
man van zeventig jaren. Toen hij in de gevangenis zat, vermaande hem Origenes,
die toen slechts zeventien jaren oud was, met een troostvolle brief tot
volharding in zijn lijden, en dat hij zich niet moest bekommeren om zijn vrouw,
Origenes' moeder, en haar zeven jeugdige kinderen, van welke hij de oudste was.
Leonidas, aldus door zijn zoon tot volharding opgewekt, en bovenal versterkt
door de bijzondere bijstand des Heilige Geestes, werd, omdat hij verstandig
bleef, om de belijdenis van Christus, te Alexandrië onthoofd, in het tiende jaar
der regering van Severus, toen Letus in die stad van Egypte stadhouder was,
terwijl al zijn bezittingen ten behoeve van de schatkamer des keizers werden
verbeurd verklaard.
Te die tijde onderwees Origenes zijn leerlingen zo
krachtig in het geloof, dat later velen hun leven voor de christelijke
godsdienst hebben overgegeven. Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee
mannen, waarschijnlijk gebroeders, Sereni genaamd en Hero. Toen Plutarchus naar
de strafplaats werd geleid, om gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om
hem te troosten, waarom hij voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen
zijn geworden, zo de goddelijke Voorzienigheid hem niet had
beschermd.
Irenaeus, geboren te Smyrna of daaromtrent, in
Azië, was, onder Photinus de bisschop, ouderling te Lyon, in Frankrijk. Hij was
een godzalig, en geleerd en zeer verstandig man, daar hij in zijn jeugd een
leerling was van Polycarpus, bisschop en martteDlaar te Smyrna. Wegens zijn
bekwaamheid en godzaligheid was hij in Photinus' plaats gekomen. Hij was een
naarstig beminnaar en navolger van de leer van Christus, oprecht in zijn leven
en zeer geacht bij alle vermaarde personen van zijn tijd. Op bijzondere wijze
bevorderde hij de vrede der kerk, vooral in de twist, die ontstaan was, door
Victor, bisschop te Rome, over de tijd, wanneer het Paasfeest moest gevierd
worden.
Tengevolge van die twist werkte Victor mee, dat de
Oosterse gemeente zich van de Westerse hebben afgescheiden, waarover Irenaeüs
hem en zijn medestanders ernstig bestrafte. Hij heeft enige goede boeken
nagelaten, vooral tegen de ketters, die hij manmoedig weerstond. Nadat hij
gedurende geruime tijd de waarheid voorstond en verdedigde, werd hij eindelijk
onder de regering van Severus te Lyon gedood, ofschoon het onzeker is, wanneer
en welke dood hij gestorven is.
In die tijd werd ook ter dood gebracht zekere
Rhaïs, een eerbare vrouw, alsmede Marcella en haar dochter Potamiena. Toen over
deze het vonnis des doods geveld was, bespotte het gemene volk haar zeer, doch
het werd door Basilides, die het vonnis uitgesproken had, daarover bestraft,
terwijl deze Basilides, door Gods genade, het geloof in Christus omhelsde, ook
daarna de marteldood stierf.
De voornaamste stadhouders, die in die tijd de
Christenen het meest geplaagd hebben, waren, volgens Tertullianus: Hilarianus,
Vigellius, Claudius, Herminianus, Cecilins, Capella, Vespronius; volgens
Cyprianus, ook Demitrianus en volgens Eusebius, ook Aquila. De meesten dezer
werden, op onderscheiden wijzen, door Gods hand gestraft, zoals onder anderen
Claudius Herminianus, (zonder dat anderen er mee besmet werden) met de pest,
nadat hij vroeger geplaagd was door schadelijk gewormte.
Voor zijn dood zei hij: “laat niemand dit weten,
opdat de Christenen zich niet verblijden."
Omtrent deze tijd schreef Septimius Florens
Tertullianus, geboren te Carthago in Egypte, een verdedigingsgeschrift voor de
Christenen tegen de heidenen, waarin hij al de lasteringen weerlegt, welke men
in die tijd de Christenen aandeed; hij toonde aan, dat zij onschuldig waren en
vervolgd werden, niet om enige boze handelingen, maar alleen om hun naam als
Christenen. Hij voegde er bij, dat niettegenstaande de bitterheid der
vervolging, hun godsdienst in het minst niet leed of verzwakte, maar veel meer
werd opgewekt en gesteund. Onder andere zegt hij: “Ons aantal neemt toe, en wij
wassen aan, wanneer wij door u als gemaaid worden. Het bloed der Christenen is
als het zaad. Want wie is er onder ulieden, die dit ziet, welke niet gedrongen
wordt om te onderzoeken, welk een zaak het Christendom toch zij? Wie is er,
wanneer hij het onderzocht heeft, die er niet toe overgaat? En als hij er zich
bijgevoegd heeft, ook niet wenst te lijden? Op soortgelijke wijze zegt dezelfde:
deze sekte (dit woord wordt hier gebruikt in een gunstige betekenis) zal nooit
uitgeroeid en vernietigd worden. Gelooft het toch, dat zij opgebouwd wordt. al
schijnt zij vernietigd te worden. Want een ieder, die deze grote lijdzaamheid
ziet van hen, welke hoe langer hoe meer geslagen worden, wordt geprikkeld en
aangevuurd om te onderzoeken, wat daarvan de oorzaak is. En wanneer hij tot
kennis der waarheid gekomen is, volgt hij ook onverwijld de Christenen
na."
M. Aurelius Severus, de zoon van Antoninus en neef
van de keizer Severus, was een vroom en oprecht vorst, zeer geleerd en de
geleerden gunstig. Zijn moeder Mammea was een zeer wijze vrouw, die hij zeer
eerde en wier wijze vermaningen hij volgde. Toen hij aan de regering kwam,
bestuurde hij de Republiek onder voorlichting van wijze en verstandige mannen,
onder welke vooral rechtsgeleerden waren. De goddelozen, gierigaards,
onrechtvaardigen en boosaardigen ontnam hij alle openbare bedieningen. De
soldaten hield hij onder goede tucht en bestraffing. Op aanhitsing van Ulpianus
was hij in het begin van zijn regering de Christenen niet zeer gunstig, zodat
sommigen van hen werden omgebracht, zoals:
Agapitus, een jongeling van 15
jaren.
Calapodius, een ouderling.
Pammachius, een raadsheer te
Rome.
Simplicius, een raadsheer.
Insgelijks de gebroeders Tiburtius en Valerianus;
verder Quiritius, Patritius en zijn moeder Julia.
Ook Cecilia en Martina, beiden
maagden.
Later was de keizer de Christenen gunstiger,
vooral om zijn moeder, die de Christenen een goed hart toedroeg. Zij beschikte
ook de Christenen een plaats, waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden,
en wilde zelfs ter ere van Christus een tempel bouwen, doch werd daarin
verhinderd. Men leest ook, dat, toen de Christenen zekere plaats genomen hadden,
om die tot de godsdienstoefeningen te gebruiken, en de slachters der offeranden
beweerden, dat die hun toekwam, de keizer zei, dat hel beter ware, dat men op
die plaats God, op welke wijze dan ook, diende en eerde, dan dat zij door de
onreinheid van de dienaars der tempels besmet en verontreinigd
werd.
M. Minucius Felix, een rechtsgeleerde te Rome, en
een zeer voortreffelijk en geleerd man, stelde een samenspraak op ten gunste van
de christelijke godsdienst, waaraan hij de naam gaf van
Octavius.
Lactantius getuigt aldus van hem: “Minucius Felix
was onder de rechtsgeleerden een man van hoog aanzien, en zijn boek, dat de naam
van zijn vriend Octavius draagt, geeft de duidelijkste blijken welk een bekwaam
dienaar der waarheid hij zou geweest zijn, wanneer hij zich daaraan geheel en al
had overgegeven."
De zesde vervolging der Christenen brak uit onder
de regering van keizer Maximinus, een van nature zeer wreed mens, zo jegens
aanzienlijke personen, omdat hij van geringe afkomst was, als jegens de dienaars
van het Evangelie. Tot geluk van de Christenen duurde deze vervolging niet lang,
daar hij slechts twee jaren regeerde. Aangezien deze keizer een hevige vijand
was van de dienaars van het evangelie, werden zij ook het eerst vervolgd, omdat
zij leraars en bewerkers waren, zoals men zei, van de christelijke
godsdienst.
Men meende namelijk, dat, wanneer men deze
vervolgde en wegjoeg, de anderen te eerder hun godsdienst zouden laten
varen.
De kerkleraar Origenes schreef toen een brief,
teneinde de Christenen tot standvastigheid op te wekken, over het
martelaarschap, en droeg dit op aan Ambrosius, opziener der gemeente te Milaan,
en Protoctus, beide geleerde mannen in die tijd.
De geschiedenis zegt, dat onder zijn regering, om
de belijdenis der goddelijke waarheid gedood werd Fabianus, opziener van de
gemeente te Rome.
[JAAR 251.]
Omtrent het jaar onzes Heeren en Zaligmakers 251
ontstond er een zeer grote en wrede vervolging tegen de gelovige Christenen, en
wel onder de regering van keizer Decius, gewoonlijk de zevende genaamd. Sommigen
dachten dat hij deze vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de
christelijke godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde,
schrijft de aanleiding tot deze vervolging aan de Christenen zelf toe. "Men moet
(zegt hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid,
die onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden
verwoest, om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet
bewandelen, en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren.
Onze Heere heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van
onze Heere niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen,
de hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht,
verzaakt de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en
niet met daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen,
gelijk wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?"
etc.
En elders; indien men de oorzaak van de jammer en
het ongeluk kent, zal men gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De
Heere heeft Zijn huisgezin willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede,
de lering en tucht, die ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft
de hemelse straf het onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof,
wederopgewekt. En, daar wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden,
heeft nochtans de allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al
wat er is geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder
benaarstigde zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de
gelovigen of de Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd
behoorden te doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door
een onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te
vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te
dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen barmhartigheid,
in de zeden geen tucht. Tot dusverre Cyprianus.
In deze bloedige vervolging werden vele
Christenen, uit de aanzienlijken en uit de lage stand, in vele landen en steden
van het gehele keizerrijk onder ongehoorde pijnigingen ter dood
gebracht.
Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem,
was een man, groot in aanzien en gezag. Hij was zeer begaafd en vreesde de Heere
bijzonder. Voor de waarheid van Christus leed hij veel, doch God spaarde hem, en
wel tot onder de regering van keizer Decius. Onder diens regering werd hij, om
de belijdenis van Christus, door de stadhouder in Cesarea gevangen genomen en
voor diens rechterstoel gebracht. Door alle gelovigen werd hij daar op treffende
wijze in Christus geroemd, en wel bovenal om zijn vrijmoedige verantwoording
voor de naam van Christus. Daarom werd hij in ketenen geklonken, in de
gevangenis gezet, waar hij lang vertoefde, dikwijls voor de vierschaar geroepen
werd en telkens weer naar de gevangenis moest terugkeren. Nadat hij deze
ellendige mishandeling met lijdzaamheid verdroeg, en God met de Apostelen
dankte, dat Hij hem waardig achtte, om Zijns Naams wil dit lijden uit te staan,
offerde hij ten laatste, na veel smart en lijden, zijn leven aan God op. Of hij
door pijnigingen, of hongersnood, of andere ellende in de gevangenis gestorven
is, daaromtrent is niets zekers bekend.
Babylas, bisschop of opziener van de gemeente te
Antiochië, was een voortreffelijk man (zegt Chrysostomus), over wie ieder zich
met recht mocht verwonderen, daar hij keizer Decius belette in de vergaderingen
der Christenen te komen, omdat hij niet wilde, dat een wolf in het midden der
schapen vallen zou. Hij werd gevangen genomen en gedwongen de afgoden te
offeren, doch weigerde dit. Na zijn goede zaak verdedigd en verklaard te hebben,
dat een herder zijn schapen niet behoort te verlaten, dat hij de almachtige God
niet wilde verzaken, en tot valse goden de toevlucht nemen, werd hij om deze
belijdenis ter dood veroordeeld. Toen hij bereid was om te sterven, zei hij:
"Mijn ziel, ga tot uw rust, want de Heere heeft u aangezien." En alzo werd hij
onthoofd.
Alexandrië was als het ware de schouwplaats van
alle tirannie. Onder ben, die daarin die tijd om de naam van Christus werden
omgebracht, zijn de volgende wel de voornaamste:
Metranus, een godvruchtig, bejaard man, die, om de
belijdenis van Christus, door het oproerige volk te Alexandrië gevangen genomen
werd, wilde men dwingen om godslasteringen uit te spreken, dat is, om de naam
van God te lasteren, en Zijn Gezalfde, de Heere Jezus Christus, te verloochenen.
Toen hij dit weigerde, sloeg men hem met stokken over het gehele lichaam,
terwijl zijn aangezicht met scherpe rieten doorstoken werd. Toen hij aldus
gepijnigd en gemarteld was, werd,hij buiten de stad geworpen en ter dood
gestenigd.
Daarna werd ook gegrepen zekere Cointha, een edele
en gelovige vrouw, die men in een afgodstempel bracht, voor de goden plaatste en
haar dwong om die te vereren. Maar, toen zij niet verfoeiing van de afgoderij,
zich daarvan afkeerde, bonden zij haar voeten samen, en sleepten haar alzo door
de straten van Alexandrië, geselden haar met roeden, en drukten haar naakte
lichaam tegen draaiende molenstenen. Toen zij haar lang genoeg gesleept,
geslagen, gemarteld en door geselslagen haar lichaam vaneen gereten en
verscheurd hadden, en zij onder dit alles bijna bezweken was, trokken zij naar
de voorstad, waar zij haar met stenen wierpen en daarmee
bedekte.
Dit wreed en onstuimig volk sloeg ook de handen
aan Apollonia, een bejaarde, beroemde en christelijke maagd, en sloegen haar met
vuisten derwijze in het gezicht, dat zij al haar tanden uit de mond verloor.
Daarna brachten zij haar voor een vuur, en zeiden haar, dat, wanneer zij aan hun
goden niet wilde offeren en Christus vloeken, zij daarin verbrand zou worden.
Maar zij verkoos liever de pijniging van het vuur, en het verlies van haar
tijdelijk leven, dan Christus te verzaken en haar ziel te verliezen om het
tijdelijke leven te behouden.
Zo werd ook Serapion, geboren te Efese, uit zijn
huis gesleept en zijn lichaam door vele slagen vaneen gereten en bijna van lid
tot lid aan stukken gesneden. Na deze wrede mishandeling wierpen zij hem
bovendien van zekere hoge plaats naar beneden, zodat hij in ellendige toestand
stierf.
In die tijd werd ook een Julianus, bijgenaamd
Eunus, die ook de waarheid staande bleef. Door de tirannen werd hij op een
kameel gezet, en alzo door de stad gevoerd. Met scherpe roeden werd hem het
vlees van het lichaam gescheurd, en terwijl het woedende volk hem met stenen
wierp, werd hij eindelijk verbrand.
Voorts lezen wij nog van een kloek en dapper
ridder, Besas genaamd, die het volk bestrafte, omdat zij de dode lichamen der
martelaren bespotten. Door de woede van het volk werd hij gevangen genomen, en,
daar hij Christus standvastig beleed, levend verbrand.
Wij willen ook niet zwijgen van Macarius van
Lybië, wie de rechter met vele redenen aanraadde, dat hij Christus zou
verloochenen. Maar, daar hij te sterker in zijn belijdenis volhardde, werd hij
levend verbrand.
Epimachus en Alexander hebben ook, na vele
pijnigingen, hun leven in het vuur moeten eindigen.
Aan het vrouwelijke geslacht heeft God evenzeer
Zijn kracht op wonderbare wijze betoond. Er waren namelijk, Ammonaria en
Mercuria, twee maagden, en Dionysia, een bejaarde vrouw, en nog een andere
Ammonaria, die ook, onder vele wrede pijnigingen, tot verzaking van de
christelijke godsdienst werden aangezocht. Zij gedroegen zich daarbij evenwel zo
standvastig, dat de vijanden Gods zich schaamden. Niettegenstaande dit, liet de
rechter ze onthoofden.
In deze vervolging werden ook opgebracht Cheremon,
bisschop te Nicopolis, een stad in Egypte, Heron, Arsinus, Isidorus, alle drie
Egyptenaars. Insgelijks Nemesius, Ammon, Zenon, Ptolomeüs, Ingenuus, Theophilus,
ook Scirion, een rentmeester van een aanzienlijk man. Deze beval Scirion, dat
hij de afgoden zou offeren; maar, toen hij dit weigerde, zocht hij hem met harde
woorden en bedreigingen daartoe te dwingen. Maar toen hij daarmee bij hem niet
vorderde, en Scirion volstandig in zijn geloof volhardde, beproefde hij met
vleiende woorden hem daartoe te bewegen. Maar, toen hij zag, dat hij
onbeweeglijk bleef, nam hij een scherpe paal, en stootte hem daarmee zo lang in
zijn lichaam, totdat hij op wrede wijze vermoord was.
Zo wij alle martelaren wilden opsommen, die in
alle landen van het keizerrijk, onder de regering van deze tiran Decitis, werden
omgebracht, dit boek zou die allen nauwelijke kunnen bevatten. Aangaande deze
vervolging getuigt Nicephorus: dat het even moeilijk is, al de martelaren aan te
wijzen, als het zand van de zee te tellen."
De pijnigingen, waaronder de arme Christenen in
die tijd werden omgebracht, waren ontzettend hard. Gebannen, van zijn
bezittingen beroofd, tot werken in de mijn veroordeeld, gegeseld, onthoofd,
opgehangen te worden, werd gering en als niets geacht. Zij werden met hete tarwe
bestrooid, over een klein vuur geblakerd, gestenigd, met scherpe pennen in het
aangezicht, de ogen, ja het gehele lichaam gestoken, langs de straten over harde
keien en scherpe stenen gesleept, tegen steenrotsen verpletterd, van hoge steile
plaatsen afgeworpen, de leden aan stukken gebroken, met kromme haken vaneen
gescheurd, op scherven van gebroken potten gewenteld, de wilden dieren tot roof
en spijs gegeven. Boven dit alles werden hun palen door de lengte van het
lichaam gedreven.
Zodanige pijnigingen maakten vele Christenen
bevreesd, zodat sommigen van hen afvallig werden, en schipbreuk leden in hun
geloof. Van deze hebben wet enige berouw gehad, maar velen zijn verhard gebleven
en rechtvaardig door God gestraft.
In de tijd, dat Cyprianus verbannen was, schreef
hij aan zijn medehelpers in het werk des Heeren en anderen, zeer troostrijke
brieven. Onder deze brieven is de laatste van zijn derde boek zeer heerlijk,
waarin men, onder andere, deze woorden leest: "De straffen zijn voor de
Christenen geen vervloekte dingen. De borst van een Christen, die al zijn hoop
op Christus heeft gevestigd, Die aan het kruishout heeft gehangen, wordt door de
knotsen niet verschrikt. De boeten en straffen zijn als versierselen, en hechten
de harten der Christenen niet aan de zonde, maar maken die vrij bij de Heere.
Het lichaam der Christenen vindt bij het werk in de ijzermijnen geen genot als
op een bed, maar smaakt genot in de gemeenschap met Christus; de leden, vermoeid
door de arbeid, liggen wel uitgestrekt op de aarde, maar het is geen pijn alzo
met Christus te liggen; koud zijnde vinden zij daar geen klederen, maar wie
Christus aandoet en door Hem overkleed, is, is overvloedig gekleed en versierd."
En daarna: "God, van boven neer ziende, is, in de belijdenis van zijn naam, aan
de gewilligen aangenaam; Hij helpt de strijdende, kroont de overwinnende,
vergeldende in ons, wat Hij zelf gedaan heeft en verheerlijkende wat door Hem
volbracht is."
Aangaande de straffen, die de vervolgers toen van
God zijn overkomen: schrijft dezelfde Cyprianus aldus: Wij zijn er zeker van en
het is gewis, dat wat wij lijden niet ongestraft blijft; en hoe groter de zonde
van de vervolging is, zoveel te duidelijker en te zwaarder zal de straf zijn,
voor de vervolging ons overkomen. Wanneer ons niet overkomt, wat om die reden in
vorige tijden geschied is, zo zal, wat onlangs gebeurd is, ons genoegzaam tot
lering kunnen verstrekken, namelijk, dat de verdediging zo haastig volgde en met
zulk een grote spoed, zo hard en zwaar, met de val van koningen en prinsen, met
verlies van schatten en rijkdommen, met de afval en schade der krijgslieden, en
met vermindering der legers."
Valerianus en Gallienus waren in het begin van hun
regering de Christenen zeer gunstig, doch veranderde al spoedig, en werden tot
haat verleid door een Egyptische tovenaar; zodat zij daarna de Christenen, door
verschilende pijnigingen, tot afgoderij dwongen.
Lucius, opziener van de gemeente te Rome werd
omgebracht.
Cecilius Cyprianus, geboren in Afrika, werd eerst
opgevoed en onderwezen in 1 de vrije kunsten onder de heidenen. Toen hij te
Karthago onderwijs gaf in de welsprekendheid, werd hij met de christelijke
godsdienst bekendgemaakt door een maagd, Justina geheten, en voornamelijk door
een ouderling der Christenen. Men zegt, dat hij een leerling was van
Tertullianus, wiens geschriften hij met voorliefde las. Hij nam zodanig toe in
goddelijke wijsheid en verstand, dat hij tot ouderling benoemd werd en later tot
bisschop van Karthago, welke betrekking hij lang bediend heeft, niet alleen
tijdens het tamelijk vreedzaam was, maar ook onder de regering van keizer
Decius. In de tijd der vervolging wist hij bijzonder de martelaren te vermanen
en op te wekken tot volharding met geschriften en woorden, naarmate hij daartoe
gelegenheid had. Soms werd hij gedwongen zijn volk te verlaten, aangezien men
hem dreigde de leeuwen te zullen voorwerpen; daarom vluchtte hij soms liever
voor enige tijd, om geen oproer onder het volk te verwekken; temeer daar hij
door God zelf wel eens vermaand werd zich te verwijderen. Hij achtte het wel
begeerlijk, om voor de goddelijke waarheid te sterven, maar, terwijl hij
vluchtte, wilde hij God toch niet verzaken, en vermaande ook daartoe de zijnen.
Na de vervolging van Decius stond hij zijn gemeente weer getrouw terzijde, en
had grote moeite met hen die in de vervolging afvallig geworden waren; maar, uit
liefde tot barmhartigheid geneigd, nam hij die weer gewillig op. Op bijzonder
hevige wijze verzette hij zich tegen de ketterij, zodat hij zelfs, uit ijver
zonder verstand, beval, die te herdopen, die door de ketters gedoopt waren, welk
bevel hij echter later weer introk. Soms werd hij verwaardigd met goddelijke
openbaringen, zodat hij door een profetische geest wreedheden voorzegde tot
waarschuwing van zijn volk. Kort voor zijn dood werd hij eindelijk naar
Curubita, in Lybië, in ballingschap gezonden, en wel op bevel van de rechter
Paternus ten tijde van de keizers Valerianus en Gallienus. De rechter trachtte
van hem te vernemen, waar de leraars der gemeenten zich ophielden, doch hij
wilde zulks hun niet meedelen. Twee jaren verkeerde hij in ballingschap, terwijl
hij deze als een gevangenschap beschouwde. Zijn verbanning had plaats onder het
blazen op de trompet en met verbeurdverklaring van zijn bezittingen, hetwelk hij
niet alle anderen met het grootste geduld verdroeg. Niettegenstaande hij zijn
kudde in persoon moest verlaten, droeg hij toch bijzondere zorg voor haar niet
alleen met gedachte, wil en begeerte, zelfs in de grootste vervolging, maar ook
door het schrijven van vele hartelijke, troostrijke brieven aan zijn vrienden,
om die te versterken en te vermanen tot getrouwheid en volharding. In één woord,
hij was zeer vermaard door zijn grote wijsheid en andere heerlijke gaven,
waarmee hij bedeeld was. In een brief geven Nemesius, Felix, Victor en anderen
de getuigenis aangaande hem, dat hij de voornaamste was in de goede behandeling
van zaken, de welsprekendste in het spreken, de wijste in het redekavelen, de
eenvoudigste in geduid, de vrijgevigste in aalmoezen, de heiligste in
onthouding, de nederigste in de dienst, en de ootmoedigste in alle goede werken.
Al deze eer, lof en prijs werd hem door vele geleerde mannen
gegeven.
Eindelijk werd hij door de rechter Galerius
Maximus, die in de plaats van Paternus gekomen was, ontboden, om door hem
ondervraagd te worden. Enige tijd vertoefde hij buiten de stad, totdat hij door
de rechter zou geroepen worden, maar eindelijk liet de rechter hem halen en hem
tot de volgende dag bewaren. Op de 14e September werd hij voor de rechter
gebracht, die hem verzocht, dat hij aan de goden zou offeren. Cyprianus heeft
tegen iedere marteling geprotesteerd, aangezien hij zonder pijniging vrij en
openlijk beleed, dat hij een Christen was, en het hem daarom ongeoorloofd was
dit te doen. De rechter zei tot hem: “Bedenk u wel;" waarop hij antwoordde: doe
wat u bevolen is; want in een rechtvaardige zaak behoef ik mij niet te
bedenken." De rechter hernam: “Reeds geruime tijd was gij een mens vol
godslastering, en hebt u bewezen te zijn een vijand van de Romeinse goden, en u
verzet tegen de wetten en bevelen van de heiligste vorsten." Cyprianus werd
vervolgens veroordeeld om met het zwaard gedood te worden; voor welk vonnis hij
God dankte.
Toen men hem naar de gerechtsplaats heenleidde,
legde hij zijn bovenklederen af, sloot zijn ogen en bad met grote ijver tot God.
Gewillig boog hij het hoofd onder het zwaard en gaf zijn ziel aan God over. Dit
geschiedde in het jaar onzes Heeren 259.
In die tijd had er ook een grote vervolging plaats
te Alexandrië, waar het getal der gedoden zeer groot was. Buiten de stad
Cesaraea woonden, onder anderen, die vrome mannen, Priscus, Malchus en
Alexander. Deze werden als door goddelijk vuur van het geloof ontstoken en
beschuldigden elkaar van grote traagheid, zeggende: aangezien er in de stad
kronen des levens worden uitgedeeld, hoe is het mogelijk dat wij nog zo traag en
onverschillig zijn, om die te verkrijgen?" Toen zij elkaar met deze woorden
hadden opgewekt, gingen zij haastig naar de stad, en bestraften daar de
vervolgers van de Christenen, omdat deze zoveel onschuldig bloed
vergoten.
Om deze vrijmoedigheid werden zij aangehouden,
gevangen genomen en daarna aan de wilde dieren
voorgeworpen.
Filippus, bisschop te Alexandrië, werd ook met het
zwaard gedood in deze vervolging.
In de stad Karthago werden eveneens honderd
Christenen om het geloof omgebracht.
In deze tijd werd ook Pontius, een diaken van
Cyprianus, in Frankrijk, gemarteld, en een groot aantal anderen meer in meest
alle oorden van het keizerrijk, zo door het vuur, het zwaard, wilde dieren en
vele andere pijnigingen, die maar te denken waren.
[JAAR 275.]
In het begin der regering van keizer Aurelianus
betoonde deze zich de Christenen zeer gunstig. Dit duurde echter niet lang, daar
hij door goddeloze raadslieden van mening veranderde, zodat hij, in plaats van
de Christenen gunst te bewijzen zoals vroeger, dagelijks meer middelen bedacht,
teneinde hen te onderdrukken en uit te roeien. Toen hij zich daaraan overgaf,
werd hij met zijn raadslieden door de bliksem getroffen, en kort daarna door de
hand van Manco Poris, en de listen van zijn snelschrijver Innestheus
omgebracht.
Tijdens zijn korte regering liet hij, om het
christelijk geloof, ombrengen zekere Felix, opziener van de gemeente te Rome, en
wel op de 30e Mei van het jaar onzes Heeren 275.
In de plaats van Aurelianus, werd door de senaat
als keizer verkozen Claudius Tacitus, een vroom man en zeer bekwaam om landen en
volken te besturen, die, toen hij de regering in handen had, terstond overal de
vervolging tegen de Christenen staakte; doch door zijn spoedig overlijden heeft
deze rust niet lang geduurd.
Op de 8e December werd omgebracht zekere
Eutychianus, bisschop te Rome.
In deze tijd verzette zich enige bewoners van
Frankrijk, meest boeren, die zich Bagaudes noemden, tegen het Romeinse rijk, en
wel onder aanvoering van Amandus en Elianu . Keizer Diocletianus stelde toen als
medekeizer aan zekere Maximianus Pannonius, die hem vroeger in de oorlog volgde,
en hem wegens zijn goede handelingen zeer goed bekend was. Deze rustte zich
terstond tot de krijg tegen de bovengenoemde Bagaudes uit, en ontbood daartoe
uit de verschillende delen des rijks een zeer grote macht soldaten. Onder deze
was ook het Thebeisch regiment uit Syrië, dat door de bisschop te Rome in de
christelijke godsdienst meer en meer geoefend en bevestigd was, als overste
hebbende Mauritius en als banierdragers Caudidus, Exsuperius, Innocentius,
Victor, Constantinus en anderen. Toen Maximianus met het hoofdleger over het
gebergte in de stad Octodurum (Martigny) gekomen was, wilde hij dat daar, eer
hij de tocht voor goed begon, plechtige offeranden zouden plaats hebben, waartoe
hij alle oversten en soldaten ontbood, die daar van het Oosten en Westen bij
elkaar waren, onder wie ook was het genoemde Thebeïsche regiment, teneinde
allen, na de gewone offerande, tegen de Bagaudes te doen zweren en de eed van
getrouwheid af te laten leggen. Toen het genoemde regiment het gegeven bevel van
Maximianus vernam, en afkeer hebbende van alle afgoderij en bereid zijnde liever
de dood te sterven dan iets onbehoorlijks tegen hun geweten te doen, weigerden
zij allen eendrachtig tot de offerplechtigheden te komen, ja, weken zelfs, om
niet besmet te worden, door de afgoderij aan te zien, een weinig terug naar het
meer Lemanus, thans het meer van Genève genaamd, tot aan de stad Agaunum.
Maximianus beval, dat zij zouden terugkeren, en zich bij de andere soldaten
zouden voegen, doch Mauritius, Exsuperius en anderen antwoordden uit aller naam,
dat zij bereid waren alles te doen en allerlei gevaren uit te staan tot nut van
het algemeen, maar dat zij vasthielden aan de belijdenis van het christelijk
geloof, en geen afgoderij konden dulden. Maximianus werd daarover zo verstoord,
dat hij tot algemene straf van dit regiment, bij loting de tienden man liet
onthoofden. Door de toespraak van Mauritius in hun geloof versterkt,
onderwierpen zich deze vrome soldaten met lijdzaamheid aan hun lot. Nadat
Mauritius de overgeblevenen tot standvastigheid vermaand en opgewekt had, liet
hij Maximianus andermaal aanzeggen, dat hij en zijn soldaten bereid waren de
wapenen te gebruiken tot hulp en bescherming van de republiek, maar dat zij
liever wilden sterven, dan de waarachtige en levende God te verzaken, en zich
met de duivelse offeranden te verontreinigen. Toen Maximianus dit hoorde,
ontstak hij nog meer in toorn, en liet hij ten tweede male de tienden man
onthoofden, en toen hij zag, dat hij ook met deze wreedheid de overigen niet kon
bewegen, om naar Octodurum (Martigny) terug te keren, maar allen standvastig
bleven, zond hij naar hen het gehele leger te voet en te paard, en liet hen
bijna allen met hun overste Mauritius omsingelen en ombrengen. Aldus hebben deze
vrome kampvechters voor het christelijk geloof hun bloed vergoten, en zijn zalig
in de Heere gestorven.
[JAAR 259.]
Marinus, een krijgsoverste en een man van hoge
geboorte en zeer rijk aan aardse goederen, werd in de stad Cesaraea in Palestina
tot grote waardigheid verheven. Een ander man daar benijdde hem dit, en zei, dat
Marinus geen hogere rang mocht bekleden, omdat hij een Christen was. De rechter
vroeg aan Marinus, of het zo was, wat deze zei. En, toen hij dit met
vrijmoedigheid bekende, gaf de rechter hem drie uren tijd om zich te beraden, of
hij aan de goden en aan de keizer wilde offeren dan als een Christen gedood
worden.
Toen hij de gerechtszaal verlaten had, nam
Theoternus, de bisschop uit die stad, hem bij de hand, en leidde hem tot de
Christenen in de tempel, waar hij hem met vele woorden in het geloof versterkte.
Eindelijk toonde hij hem een zwaard, dat hij gewoon was aan zijn zijde te
dragen, en ook het Evangelieboek, en vroeg hem welk van beide hij koos en toen
Marinus het Evangelieboek greep, zei Theoternus tot hem: “Behoud wat gij
verkoren hebt, mijn zoon, en dit tegenwoordige leven verachtende, hoop op het
eeuwige; ga onversaagd en ontvang de kroon, die de Heere u bereid
heeft."
Toen hij tot de vierschaar weergekeerd was, werd
hij terstond door de omroeper opgeëist, daar de lijd, die hem gegeven werd om
zich te bedenken, verstreken was. Voor de rechterstoel staande, betoonde hij
daar nog grotere ijver en vurigheid des geloofs dan vroeger, en werd door de
rechter overgegeven om onthoofd te worden.
Toen Marinus ter dood gebracht was, werd hij op de
strafplaats gevonden door Asterius, een Romeins raadsheer, wien de keizer en al
het volk zeer grote liefde toedroegen en die hoog bij hen stond aangeschreven.
Deze nam het dode lichaam van Marinus op de schouders, bracht het van daar weg
en nadat hij het in kostbaar linnen had gewikkeld, legde hij het in een nieuw
graf en begroef het. Maar voor deze eer, welke hij de martelaar had aangedaan,
ontving hij ook spoedig daarna de martelaarskroon.
De 6de Augustus, in het jaar onzes Heeren 259 werd
ook, om de christelijke godsdienst, omgebracht Xystus, bisschop te
Rome.
[JAAR 252.]
Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om
gedood te worden, ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de
gemeente te Rome, die hem aldus aansprak: "Waar gaat gij heen, o vader, zonder
uw zoon? waarheen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: Ik
verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof;
gij zult mij na drie dagen volgen. Zo gij intussen iets bezit in deze
schatkisten, deel het de armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij een
grote schat van de gemeente in bewaring had, zodat hem door de stadhouder te
Rome bevolen werd, dat hij die te voorschijn moest brengen. Om al de schatten
bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd, en bracht toen alle arme,
ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden, en
dergelijken samen, toonde deze de stadhouder, en verklaarde dat deze de schatten
en rijkdommen van de gemeente waren. De stadhouder hield het er voor, dat men
met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met een klein
vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de een zijde geblakerd was, zei hij met
grote vrijmoedigheid tot de tiran: "Keer dat gedeelte van mijn lichaam, hetwelk
gebraden is, om en verteer het.” Zeker iemand bracht dit gezegde aldus in
rijm:
Genoeg is deze
kant
Gebraden en geraakt.
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of
braen best smaakt.
Door de genadige versterking Gods waren hem de
kolen als rozen en als een verkoeling en verfrissing in zijn lijden. Na voor het
Romeinse rijk en zijn vijanden gebeden te hebben, ontsliep hij, onder grote
volharding, in de Heere, in het jaar onzes Heeren 252.
[JAAR 302.]
In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e
jaar der regering van keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede
vervolging van de Christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt,
zegt Sulpitius Severus het volgende: "Omtrent 50 jaren na hem (te weten keizer
Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximinus, brak de
allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In die
tijd was genoegzaam de gehele wereld besmet met het heilig bloed der martelaren,
want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde martelingen. Door op
een waardige en heerlijke wijze te sterven werd toen de eer, die een martelaar
toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door ongepaste en zondige
eergierigheid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt. De wereld werd nooit
door enige oorlog meer onderdrukt; nooit hebben wij met groter triomf
overwinningen behaald, dan toen wij door tienjarige verdrukking en geweld toch
niet konden overwonnen worden."
In deze vervolging werd Diocletianus ook aangezet
en geholpen door zijn mederegent Maximinus, een van nature hard, wreed, ontrouw
en ontuchtig men, die in alles de begeerte en de wil van Diocletianus
gehoorzaamde. Diocletianus woedde tegen de Christenen in het Oosten, Maximinus
tegen die in het Westen. Door geloofwaardige schrijvers wordt over de oorzaken
van deze vervolging verschillend geoordeeld, doch het volgende als de
voornaamste genoemd. Toen de keizers, ofschoon zij heidenen en afgodendienaars
waren, de Christenen grote gunsten bewezen, en hen goed behandelden, zo zelfs
dat zij niet alleen voorname ambten en bedieningen kregen, maar hun ook de vrije
uitoefening van hun godsdienst toestonden, zodat men in verschillende plaatsen
bedehuizen en tempels bouwde; toen hebben de Christenen deze vrijheid misbruikt,
zodat de een de ander begon te haten en te belasteren. Aan de ene kant
bejegenden de bisschoppen en opzieners der gemeenten, alle godsvrucht en deugd
verzakende, elkaar met twist, onenigheid, verkeerde ijver, eergierigheid en
tirannische heerschappij; aan de andere zijde was het volk zonder tucht of orde,
en gaf zich ten enenmale aan oproer en opstand over. Bovendien nam de zonde, die
hoog geklommen was, in het algemeen nog op grove wijze hand over hand toe.
Blijken van boetvaardigheid waren er niet te bespeuren, zodat God in Zijn
rechtvaardig oordeel, om Zijn volk tot een nieuw oprecht en christelijk leven op
te wekken, de gesel van zulk een harde, bittere en gruwelijke vervolging moest
gebruiken, opdat de godvruchtige met de goddeloze wereld niet zou veroordeeld
worden.
Aangezien het ook de bedoeling was van keizer
Diocletianus, om het roomse rijk tot de ouden bloei terug te brengen, en daarom
alle gewoonten en zeden, die in onbruik geraakt waren, weer wilde invoeren,
poogde hij ook het onderscheid te voorkomen en te doen ophouden, dat hij in de
godsdienst zag, en zocht vooral de godsdienst der Christenen uit te roeien, daar
deze de verschillende erediensten der afgoden vervloekten en verwierpen. Onder
hen, die de keizer tot de vervolging ophitsten en hem daarin versterkten, waren
vele wijsgeren en drogredenaars, die door scherp hekelende boeken en vuilaardige
geschriften de keizer en alle vorsten en rechters tot geweld aandreven, en de
christelijke godsdienst bespotten, terwijl zij die aanklaagden, dat hij
nieuwigheden, valsheid en goddeloos bijgeloof bevorderde; zij verhieven
daarentegen de heidense godsdienst als de oudste en prezen de dienst van de
goden aan, daar deze met hun macht en majesteit de wereld regeerden. Onder deze
opruiers waren, behalve Apollonius, Porphyrius, een wijsgeer, die van Jood
Christen en van Christen een afvallige was geworden, en zekere Hiërocles, een
aanzienlijk man. Tegen Porphyrius hebben de pen opgevat Methodius, bisschop te
Tyrus, Eusebius en Apollinaris; tegen Hiërocles dezelfde Eusebius; tegen beiden
en alle anderen van die geest Lactantius. De aanleiding om keizer Diocletianus
tegen de Christenen op te hitsen, namen de vijanden der waarheid uit zekere
brand in de stad Nicomedië (toen de plaats waar de keizers zich ophielden),
waardoor het paleis van de keizer geheel vernield werd, van welke brand men de
Christenen beschuldigde. De keizer was daarover zeer verbolgen, en zonder
nadenken gelovende, wat de lasteraars daarvan uitstrooiden, meende hij nu reden
genoeg te hebben, en gaf in de maand Maart, in het 19e jaar zijner regering een
bevel, dat men door het gehele rijk alle bedehuizen der Christenen moest
verwoesten. De heidense stadhouders, die de gelovige Christenen zeer haatten,
volbrachten het uitgevaardigde bevel met allen ijver, terwijl de grootste
vernieling op Paasfeest plaats had.
Spoedig daarna werd er een ander bevel gegeven, en
wel dat alle boeken der Heilige Schrift moesten verbrand worden, hetwelk op vele
plaatsen, als ook te Nicomedië op de markt met alle ijver plaats had. Voort ook
bevolen, dat men alle Christenen, die openbare bedieningen of enige ambten
bekleedden, moest afzetten of hen daarvan beroven; dat anderen, die, geen
betrekking vervulden, tot slavernij en dienstbaarheid moesten veroordeeld
worden, tenzij zij de christelijke godsdienst wilden afzweren, en de zeden en
gewoonten volgen van de heidense godsdienst.
Toen men op bovengenoemde wijze de woede niet meer
koelen kon, werd er op de markt te Nicomedië een derde besluit aan een paal
gespijkerd, dat zeer gestreng, hard en wreed was, namelijk, om alle bedienaars
van de godsdienst, en die enige invloed uitoefenden op de gemeente van Christus,
gevangen te nemen, en hen door allerhande pijnigingen te dwingen aan de afgoden
te offeren Zeker edelman, Johannes genaamd, die door vurige ijver ontstoken
werd, rukte dit besluit van de paal en scheurde het in kleine stukken. Op bevel
van beide keizers, die toen te Nicomedië waren, werd hij met buitengewone
pijnigingen gemarteld, de huid afgestroopt en met zout en edik overgoten,
terwijl hij onder dit alles de naam van Christus tot het laatste ogenblik zijns
levens, met kloekmoedige stand vastigheid beleed en zijn ziel Gode op zalige
wijze toewijdde. Na zijn dood volgde het ene vreselijke jammer het
andere.
Aangaande het verbranden van de boeken der Heilige
Schrift, en van de plaatsen, waar de Christenen hun samenkomsten hielden, zegt
Arnobius onder andere: “ Waarom hebben onze Schriften verdiend in het vuur
geworpen te worden? Om welke reden heeft men met zo vreselijk geweld de plaatsen
onzer samenkomsten vernield, waar de hoogste God wordt aangebeden, maar ook
welvaart en vrede wordt afgesmeekt voor alle overheden, legers, koningen,
enz.?"
Wij zouden te uitvoerig worden in onze
mededelingen, indien wij de verschillende wijzen wilden beschrijven, waarop,
door het ingeven van de duivel, de Christenen in het bijzonder in die tijd
werden omgebracht. Slaan, geselen, met schrabbers, vijlen, en met allerlei
scherpe werktuigen de huid overal openen, waren slechts de inleiding tot
vreselijker pijnigingen, die de dood veroorzaakten, zoals ophangen, onthoofden,
verbranden en met volle schepen in de zee verdrinken. Sommigen werden met
gesmolten lood overgoten, anderen over gloeiende kolen onder langzame
pijnigingen verschroeid; van sommigen werden de vingers van beide handen, tussen
het vlees en de nagels, met scherpe priemen en naalden doorboord. Omtrent
anderen leest men, dat zij geruime tijd naakt met dunne rijzen en loden platen
geslagen, de beren, leeuwen, luipaarden en andere dieren tot spijs voorgeworpen
werden. Deze dieren werden dikwijls ook opgehitst, maar hadden, door Gods
kracht, soms een afkeer daarvan, en keerden hun wreedheid tegen de vijanden der
waarheid. Vele Christenen werden ook aan bomen gebonden, aan staken geplaatst,
aan kruisen genageld, waaraan zij zo lang moesten hangen, totdat zij van de
honger bezweken. Weer anderen werden met het hoofd neerwaarts gehangen, zelfs
vrouwen aan het ene been), zodat zij daardoor in een houding hingen, waarvan
zich het eerbare oog met afkeer moest afwenden. Daarna werden zij aan handen en
voeten vastgemaakt aan dikke takken van bomen, die van elkaar stonden, terwijl
deze takken met kracht werden teruggebogen en met touwen gebonden welke touwen
dan werden doorgesneden, waardoor de takken in hun vorige stand terugsprongen en
het lichaam in vele stukken gescheurd werd. Sommigen werden in de rook van een
langzaam brandend en vochtig vuur gesmoord; velen, die men de neus, oren en
handen hadden afgesneden had, liet men heinde en ver in ellende ronddwalen, om
andere onbekende Christenen schrik aan te jagen. Deze vervolging heeft zich over
een groot deel van de aarde uitgestrekt, zoals over Azië, Afrika, Europa, en
over vele eilanden, voornamelijk over Sicilië, Lesbos en Samos. In Nicomedië
werden op het feest van Christus' geboorte, op bevel van Maximinus, in een
tempel enige duizenden Christenen verbrand. Een stad in Phrygië, toen door de
Christenen bewoond, werd belegerd en met allen, die er in waren, verbrand. Vele
andere steden hebben ook, geen enkele uitgezonderd, de bittere beker van deze
vervolging moeten drinken; vooral was dit zo in Egypte: te Thebe en Antinopolis;
in Thracië: te Nicopolis; in Italië te Aquila, waar al de Christenen vermoord
werden, Florence, Bergamo, Verona, Neapolis, Benevento, Venusia, in Gallië
(Frankrijk): te Marseille; in Duitsland: te Trier, waar Rictionaris in de
vervolging zo heftig en wreed geweest is, dat het vergoten bloed vele rivieren
rood kleurde; voorts in Duitsland: te Augusta, en ook ten dele in Spanje,
Brittannië, Zwitserland en andere landen.
Wij geven hier (teneinde de onmenselijke wreedheid
der heidenen jegens de Christenen te beter in het oog te doen vallen) een
bijzonder verhaal van sommige martelaren, die door geschiedschrijvers genoemd en
nader beschreven worden.
Petrus, een hofbeambte van keizer Diocletianus,
stond hij hem zeer in aanzien. Toen deze de wreedheid bestrafte, begaan aan de
edelman Johannes, van wie boven gesproken is, en hem met grote droefheid over
zijn martelingen beklaagde, werd hij gevangen genomen en gedwongen de afgoden te
offeren. Toen hij dit weigerde, werd hij gegeseld, en zijn vlees verscheurd,
teneinde hem door pijniging te dwingen om te offeren. Toen hij standvastig
bleef, overgoten zij zijn verscheurd lichaam met edik en zout, en verschroeiden
hem eindelijk aan alle zijden op een rooster met een zwak vuur, totdat hij met
blijmoedigheid zijn geest in de handen van zijn hemelsel Vader
overgaf.
Dorotheus en Gorgoneus, kamerheren van de keizer,
hadden genoemde Petrus in de christelijke godsdienst onderwezen. Toen zij
getuigen waren van de onmenselijke pijn, die Petrus leed, vroegen zij de vorst:
"waarom hij in Petrus de overtuiging van hun gemoed strafte, die in hen allen
leefde? Daarbij voegende: dit is ons geloof, dit is onze godsdienst, dit is ons
eendrachtig en gemeenschappelijk gevoelen." Terstond liet de keizer deze vrome
mannen, die hij vroeger als zijn kinderen liefhad, martelen, en wel met schier
dezelfde pijnigingen als Petrus geleden had, en eindelijk werden zij opgehangen.
Nadat zij enige tijd waren begraven, werden hun lichamen weer opgegraven en in
de zee geworpen, bevreesd als men was, dat de Christenen die als goden zouden
vereren.
In die tijd werd ook, na een heerlijke afgelegde
belijdenis, onthoofd zekere Anthimus, bisschop te Nicomedië, benevens nog een
groot aantal gelovigen. Nicephorus schrijft, dat hij eerst op de wreedste wijze
werd geslagen, dat hem daarna met gloeiende pennen de hielen werden doorboord,
dat hij op gebroken potscherven werd geworpen, gloeiende schoenen hem aan de
voeten werden gedaan, het vlees van het lichaam gescheurd, met brandende fakkels
gezengd en eindelijk onthoofd werd.
Dezelfde weg hebben ook bewandeld Tyrannion,
bisschop te Tyrus; Zenobius, te Sidon; Silvanus, te Gaza, alsmede Pamphilius,
over wien Eusebius een afzonderlijk boek heeft geschreven.
Toen Eustrathius, secretaris van een stadhouder,
die zeer bedreven was in de Griekse taal, de standvastigheid zag van de
martelaren, deed hij van de christelijke godsdienst, waarin hij tevoren in het
geheim onderwezen was, in het openbaar belijdenis, en verfoeide alle heidense
goddeloosheid. Hij werd daarom gevangen genomen, aan een paal opgetrokken,
jammerlijk geslagen, daarna aan verscheidene delen van het lichaam met vuur
gezengd en met zout en edik overgoten, eindelijk met potscherven derwijze
geschrabt en geraspt, dat het gehele lichaam slechts één wond vertoonde. Door
Gods kracht genas hij weer, doch werd later naar de stad Sebastia gevoerd en
eindelijk met zijn vriend Orestus verbrand.
Onder hen, die in die tijd, om het christelijk
geloof werden omgebracht, worden nog vele anderen genoemd, als Agricola en zijn
dienaar Vitalis. Onder zovele martelingen, dat zelfs zijn lichaam als geheel
vaneen gereten was, gaf laatstgenoemde zijn ziel aan God over. Agricola kon het
uitstel, dat men hem gaf, niet langer verdragen, aangezien hij zijn tijd in
ledigheid moest doorbrengen, terwijl hij vele deugden bezat en met groten ijver
was bezield, en daarom tot ergernis was van hen, aan wie hij was overgeleverd;
zo werd hij, zelf om zijn dood verzoekende, terwijl hij zijn vijanden moed
inboezemde, aan het kruis genageld.
Eulalia, een meisje van 13 jaren, uit Spanje
afkomstig, werd, omdat zij de stadhouder over de wreedheid, die hij de
Christenen aandeed, met meer vrijmoedigheid aansprak dan hij verdragen wilde,
naar de altaren der afgoden gesleept, opdat zij daar zou offeren. Toen zij dit
weigerde, werd zij levend verbrand. Haar strijd heeft Prudentius in schone
verzen afgemaald.
Toen Albanus, in Engeland, een vluchtenden
Christen huisvesting had verleend, en dit ter oor van de stadhouder was gekomen,
gaf hij zichzelf, verkleed en zich voordoende als de vluchtende Christen, aan de
vervolgers over, en werd, na een standvastige belijdenis, en, omdat hij onwillig
was de afgoden eer te bewijzen en offers te brengen, met touwen gegeseld en
onder grote blijdschap onthoofd.
Te Alexandrië was ook een getrouw herder en
leidsman der kudde van Christus, Phileas genaamd. Hij was een edel mens naar de
wereld, maar bovenal was hij edel voor God. Aangezien hij zeer ervaren was in de
kennis der burgerlijke deugden, stond hij bij de Romeinen in groot aanzien; maar
bovenal blonk hij uit in de beste wijsbegeerte, die van de christelijke
godsdienst, zodat hij allen overtrof, die voor hem daar bisschoppen waren. Daar
hij vele voortreffelijke vrienden onder de edelen had, vermaande de rechter hem
dikwerf, om afstand te doen van zijn christelijk geloof, vooral omdat ook velen
van zijn vrienden voor zijn behoud baden. Doch Phileas sloeg daar geen acht op,
versmaadde dit, en bleef volharden in de goddelijke
waarheid.
Bij hem stond een overste van een bende ruiters,
Philoromus genaamd, een voortreffelijk en aanzienlijk man. Toen deze zag, dat
Phileas omringd was van zijn wenende vrienden, en gekweld werd door de hardheid
des rechters, riep hij overluid, zeggende: "Waarom stelt gij de standvastigheid
van deze man tevergeefs op de proef? Waarom wilt gij hem, die aan God gelovig
is, ongelovig maken? Waarom dwingt gij hem om God te verzaken, en de mensen te
believen? Ziet u niet, dat zijn oren uw woorden niet horen, en dat zijn ogen uw
tranen niet zien? Zou hij ook door tranen van aardse mensen bewogen kunnen
worden, wiens ogen de hemelse heerlijkheid zien en aanschouwen?" Toen hij dit
gezegd had, barstte de toorn van allen tegen hem los, en zij begeerden, dat hij
dezelfde straf als Phileas zou ondergaan. De rechter willigde hun verzoek in, en
liet beiden met het zwaard onthoofden.
Toen men vernam, dat Sebastianus, geboren te
Narbonne (Perpignan) in Frankrijk, een zeer vroom soldaat van de voornaamste
bende, en die bij keizer Diocletianus in groot aanzien stond, niet alleen een
Christen was, maar ook velen tot de christelijke godsdienst bekeerde en in het
geloof versterkte, ja, tot lijden en het verkrijgen van de martelaarskroon
aanmoedigde, werd hij op een zeer uitgestrekt veld gebracht, en door de soldaten
met pijlen doorschoten.
Adauctus, een Italiaan van aanzienlijke afkomst,
beroemd wegens zijn getrouwheid in het vervullen van zijn openbaar ambt, dat hem
van de keizer was opgedragen, onderging, toen hij met anderen als een Christen
was aangeklaagd, de dood met de grootste kloekmoedigheid.
Vincentius, een Spanjaard, werd op bevel van
Dacianus, denstadhouder des keizers, met onuitsprekelijke en onmenselijke
wreedheid omgebracht. Vooreerst werd hij aan een paal opgetrokken, en met zware
gewichten aan de voeten zeer uitgerekt; daarna werden hem vete pijnigingen
aangedaan, en het gehele lichaam werd met roskammen opengescheurd, voorts, op
een rooster een klein vuur gelegd zijnde, werd hem het lichaam met ijzeren baken
geopend, met gloeiende platen bestreken, en met zout besprengd. Toen hij
eindelijk in zulk een toestand weer in de gevangenis gebracht was, werd hij op
een hoop potscherven geworpen, en werden hem de voeten aan een zwaar hout
genageld, en alzo is hij, zonder hulp en troost van mensen, in God
ontslapen.
Georgius, van Cappadocië, iemand van zeer
jeugdigen leeftijd, die met de grootste vrijmoedigheid de afgoderij der heidenen
berispte, en de goddeloosheid van de keizers verfoeide, werd gevangen genomen,
met scherpe haken het lichaam opengescheurd, daarna in hete kalk aan de hitte
blootgesteld, vervolgens op de pijnbank gemarteld, en al de leden des lichaams
met de punten van messen doorstoken, en eindelijk, nog met bewonderenswaardige
standvastigheid aan zijn belijdenis vasthoudende,
onthoofd.
Toen Procopius, te Cesaraea, in Palestina, door
Diocletianus als bestuurder over zekere streken in het Oosten aangesteld, alle
gouden en zilveren afgodsbeelden, die hij, nog in blindheid en ongeloof
verkerende, voor zich had laten maken, en nu verbroken, gesmolten, en de specie
daarvan onder de armen verdeeld had, werd hij, na veelvuldige pijnigingen, die
men hem, zo op de pijnbank, als met vuur, brandende fakkels, haken, de punten
van messen en verscheidene werktuigen had aangedaan, eindelijk met het zwaard
gedood,
Cassianus, een onderwijzer te Imola, werd, toen
hij weigerde de afgoden offers te brengen, naakt, de handen op de rug gebonden,
aan zijn leerlingen overgegeven, die hem met scherpe priemen, waarmee zij in
tafelen van was de letters leerden griffelen, onder grote spot en
brooddronkenheid, over het gehele lichaam gestoken, en alzo onder zware
pijnigingen ter dood gebracht.
Omtrent Christophorus, uit Lycië, een man van
buitengewone lichaamslengte, wordt bericht, dat hij om de naam van Christus, met
ijzeren roeden geslagen, in de vlammen gezengd, met pijlen doorschoten en
eindelijk onthoofd werd.
Cyprianus, te Antiochië, die van zijn vroegste
jeugd door zijn ouders aan de duivel was toegewijd, en die zelf zich lang in de
toverkunst had geoefend, werd ten laatste tot Christus bekeerd en door Anthimus
gedoopt. Hij maakte in de christelijke godsdienst zulke vorderingen, dat hij het
ambt van diaken en ouderling bekleedde, en een groot licht was in de gemeente te
Antiochië. Doch om het christelijk geloof heeft hij mee in deze tijd op echt
vrome wijze de dood ondergaan.
Toen Menas, een soldaat, uit Egypte afkomstig,
zich in de grootste hitte der vervolging naar de woestijn begeven had, waar hij
de tijd met vasten, waken en bidden doorbracht, kwam hij enige dagen daarna in
de stad Cotys, waar hij, bij gelegenheid van een zeker schouwspel, voor al het
volk in het openbaar beleed, dat hij een Christen was. Toen dit aan de
stadhouder Pyrrhus werd geboodschapt, deed men hem zeer wrede pijnigingen aan
en, terwijl hij alles met moed en standvastigheid verdroeg, werd hij eindelijk
onthoofd, gedurig herhalende, wat Christus ons leert, Matth. 10, vs. 28: "Vreest
niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar
vreest veel meer, Hem, die beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel." Zo
ook de woorden van de Apostel Paulus, Rom. 8, vs. 39: "Wie zal ons scheiden van
de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere?"
Dit zijn de voornaamste martelaren, die in dit
jaar voor de naam van Christus hun bloed vrijwillig gestort
hebben.
De keizers, onderricht zijnde, dat de vervolging
van de Christenen voor hen niet veel vrucht droeg, en dat de christelijke
godsdienst, in plaats van teniet te gaan, door de moed en de volharding van
tien, die omgebracht weide, dagelijks meer en meer toenam, bepaalde met
onderling goedvinden, de Christenen niet meer niet de dood te straffen, maar een
anderen weg in te slaan. Zij lieten hen nu het rechteroog uitsteken, de linker
knieschijf met een brandijzer verminken, en zonden hen alzo naar de mijnen, niet
zozeer om te arbeiden, als wel om daar aan een langdurige kwelling te worden
overgegeven.
Deze wreedheid noemden de tirannen een keizerlijke
gunst en genadige barmhartigheid. Doch ook daardoor hebben zij niet veel
teweeggebracht, en al hun bedoelingen waren tevergeefs; de satan woedde door
zijn werktuigen, maar Christus behield met de Zijnen de
overwinning.
In het tweede jaar van de vervolging worden in de
geschreven stukken aangenomen te zijn omgebracht, benevens ontelbare
anderen:
Timotheüs, te Gaza, die in een klein vuur werd
verbrand.
Agapius en Thecla, die aan de wilde dieren werden
voorgeworpen.
Euplius werd onthoofd.
De 26e april werd, met Claudius, Cyrenius en
Antonius, van het leven beroofd Marcellinus, bisschop te Rome, die, door de
martelingen der tirannen, uit menselijke zwakheid eerst Christus had
verloochend, doch die daarna tot berouw kwam.
De vervolging, tegen de arme Christenen
uitgebroken, was overal nog even zwaar, zo in de streken van het Oosten als in
die van het Westen.
In het Oosten had de stadhouder van de keizer te
Antiochië laten af kondigen, dat niemand Christus mocht aanhangen op straf van
gegeseld, onthoofd en gekruisigd te worden. Wegens dit bevel vielen velen van
hun geloof af, doch veertig moedige en vrome jonge mannen deden zich als
Christenen kennen, en beleden Christus met buitengewone vrijmoedigheid. De
stadhouder, tevergeefs beproefd hebbende hen van hun belijdenis afvallig te
maken, liet hen in het koudste van de winter naakt in een poel werpen, en, omdat
zij des anderen daags nog leefden, tot as verbranden.
Een van deze Christenen, die nog zeer jong was,
werd uit erbarming aan zijn moeder terug gegeven. Doch met haar eigen handen
plaatste zij hem op de wagen, waarop de anderen lagen en vermaande hem dat hij
toch de zaligen loop met zijn medebroeders zou
voleindigen.
Gordius te Cesaraea, een bijzonder man, die in de
grootste hitte van de vervolging zich naar een woestijn begaf, beleed eindelijk
openlijk, toen er een volksfeest ter ere van Mars gehouden werd, dat hij een
Christen was. Als de stadhouder lang tevergeefs, zelfs met vrienden en goede
bekenden, gepoogd had, zo door smekingen als bedreigingen, om hem van zijn
voornemen af te brengen, werd hij ten laatste levend
verbrand.
Barlaäm, verdroeg met voorbeeldeloze
standvastigheid de geselingen, pijnigingen, alsmede velerlei martelingen. Daarna
bracht men een altaar van de afgoden, vulde zijn rechterhand met wierook en
hield die over het vuur, opdat hij door de hitte de wierook in het vuur zou
laten vallen, waardoor het ten minste de schijn had alsof hij geofferd had. Maar
veel liever liet hij zijn hand verbranden, dan enig bewijs van afgoderij te
tonen.
Toen keizer Galerius met de stadhouder Asclepiades
te Antiochië gekomen was, met de bedoeling en het voornemen om alle inwoners te
dwingen Christus te verloochenen, zond hij zijn dienaars naar het huis waar de
Christenen vergaderd waren, en wel om hen gevangen te nemen. Romanus, een
edelman, dit vernomen hebbende, liep haastig naar de plaats waar de Christenen
waren samen gekomen, en maakte hen niet alleen met de komst en de bedoeling van
de keizer bekend, maar vermaande hen ook tot standvastigheid in het geloof. In
deze vergadering beloofden zij elkaar, mannen, vrouwen, jongen en ouden, dat zij
liever wilden sterven dan Christus verzaken. Toen de keizer dit vernam, liet hij
Romanus, als de bewerker van dit voornemen, door de stadhouder uit de
vergadering halen. Voor de stadhouder gebracht, werd Romanus op deze wijze
aangesproken: "Gij verwaand mens, hoe durft gij het volk zo beroeren, dat het de
goden en de keizerlijke bevelen zo veracht? Gij maakt hun wijs, dat zij eer
zullen behalen, wanneer zij de goden bestormen, al worden zij allen, als de
reuzen, met het vuur gestraft. Als er vele burgers hun bloed zullen storten,
hebt gij dit schouwspel aangericht. Gij bent de oorzaak van hun dood; gij bent
de bewerker van al dit kwaad. Nu is het betamelijk, dat gij voor alle anderen
gepijnigd wordt, en dat gij aan uw lichaam zult ondervinden wat gij anderen
aangeraden hebt te lijden." Met grote vrijmoedigheid antwoordde Romanus, dat hij
bereid was voor allen, en ook alleen te lijden, wat men hem ook mocht aandoen.
Toen beval Asclepiades, dat men hem aan de uitgerekte armen zou ophangen, en met
ijzeren haken het vlees van de benen scheuren. De beulen zeiden, dat Romanus een
edelman was, en dat men hem daarom op die wijze niet mocht pijnigen. Nu gebood
Asclepiades, dat men hem met loden riemen zou slaan.
Toen nu de martelaar voor de naam van Jezus
Christus aldus geslagen werd, dankte, en prees hij God, en zich daarna
omkerende, zei hij: vanwege onze geboorte zijn wij in geen dele edel te noemen,
maar de Christenheid vormt alleen edellieden. Wanneer wij goed letten op onze
oorsprong, dan zijn wij herkomstig uit de mond van de eeuwigen, almachtige God.
Wie Hem naar behoren dient, is voorzeker edel; wie Hem ongehoorzaam is, is
onedel. Die, die om Zijns naams wil smarten lijdt, en de heerlijke tekenen der
getuigenis van brand of vuur in zijn lichaam tonen kan, wordt meerdere eer
aangedaan. Daarom, hoe meer gij, o boze tiran, aan mijn lichaam uw wreedheid
toont, hoe edeler en heerlijker gij mij maakt. Vrij mag gij mijn afkomst of
geslacht vergeten, want wat is al uw vergankelijke eer anders dan ijdele
dwaasheid? Dit ziet men immers, wanneer deze voorname stadhouders met ontblote
voeten voor een wagen lopen, waarop een grote steen vervoerd wordt. Wie zou zijn
slaven tot zulk een dwaasheid willen laten gebruiken, gelijk gij u, vorsten,
gebruiken laat? Ik schaam mij het te zeggen; maar het is nodig, dat gij uw
schande hoort, al zoudt gij ook door wreedheid tot razernij vervallen. Gij
beveelt mij, dat ik de eeuwige, almachtige Vader en Zijn zoon Jezus Christus
moet verzaken, en dat ik met u moet vereren de menigte goden, mannen, vrouwen,
kinderen en zulk onnatuurlijk gespuis, met al het overspelig, onkuis geslacht,
dat een samenweefsel is van bedrog, hoererij, overspel, nijd, wantrouwen en
velerlei dieverij.
"Maar zeg mij toch eens, welke God wilt gij mij
bevelen te vereren? Apollo? Maar hoe kan men hem eren die zo onkuis met jongens
boeleert? Zal ik de godin Cybele een offer brengen? Maar dat zal mij haar
ontmande Gallus verbieden, die zij altijd om haar schandelijke onkuisheid
beschreit. Mogelijk zult gij mij bevelen tot de altaar van Jupiter, de hoogste
God, te gaan; maar indien hij zelf voor u werd beschuldigd, het zou nodig zijn,
Romeinse wetten in boeien sloeg, naar de verordeningen van Julius. Zal ik
Saturnus vereren, maar dan zal Jupiter boos zijn, die zijn vader verdreven
heeft. Mars zal het niet gedogen, dat men Vulcanus ere bewijst, noch Juno dat
men Hercules aanbidt. Ik zwijg van de allerschandelijkste goden Faurus, Priapus
en dergelijke gedrochten. Moet men deze vereren, o goede man? Is het ook
betamelijk, dat zulken heilig genaamd worden? Is het niet belachelijk, dat men
met zulke oudwijfse dromen voor de dag komt, om die te vereren? Verlangt gij,
dat alle goden vereerd worden, waarom bidt gij dan zelf de apen, bonden,
ooievaars, de apis en het look niet aan, die de Egyptenaren als goden achten?
Maar als er geen schoner beeld is dan dat van hout, ijzer of steen gemaakt is,
dan moet de hamer de dank ontvangen, die aan uw bespottelijke goden het aanzien
gegeven heeft. Het verwondert mij, dat gij ter ere van de beeldhouwer geen
kerken en altaren opgericht hebt, die immers de scheppers en makers van uw goden
zijn, en zonder welke uw goden geen beelden zouden bezeten hebben. Arme, domme
mensen, schaamt gij u niet, dat gij kosten en moeiten aan zulke, dingen
besteedt, en er koeien en kalveren aan offert. Aan kinderen en dwazen kan ik het
vergeven, dat zij dikwerf voor een aangeklede stok bevreesd zijn, en alles
heilig achten, wat hun dooi, oude vrouwen wordt wijsgemaakt. Maar gij, geleerde
en verstandige mannen, die het wezen en de manier van leven en de natuur
onderzoekt, en zegt, dat gij alles weet, gij behoort immers het onderscheid te
kennen tussen de eeuwige en vergankelijke dingen tussen het schepsel en de
almachtige Schepper.
"De eeuwige God is een onbegrijpelijk wezen, dat
het verstand van alle mensen te boven gaat, dat onzienlijk buiten en binnen ons
alles vervult. Hij is zonder tijd, en bestaat niet voor enige tijd, maar is
altijd dezelfde; het waarachtig licht en de oorsprong van het waarachtig licht.
Zelf het licht zijnde, heeft Hij Zijn licht uitgegoten, en dit licht is de
eniggeboren Zoon, Die even krachtig is en een met de Vader, de glans van het
licht, Die alles uit niet geschapen heeft en altijd onvermoeid onderhoudt. Door
Zijn Woord heeft hij de hemel, de aarde, de zee en al wat er in is gemaakt,
zodat de kracht des Vaders in het Woord begrepen is,
Deze God heeft Zijn tempel in des mensen hart,
waarin het onwankelbaar geloof priester is, en offert Hem, tot een aangename
offerande, eenvoudigheid, liefde, reinheid, een levende hoop, mildheid en vlijt
ten beste der behoeftigen. Dusdanig offer behaagt de eeuwige, almachtige God.
Wie dit verbiedt, verbiedt inderdaad een goed, oprecht leven te leiden, en trekt
de zinnen van de mens tot aardse dingen. O voelbare blindheid! O vleselijke
harten! Is het geen grote dwaasheid, dat men goden acht, die op natuurlijke
wijze geboren zijn? En, wat de geest aangaat, in deze aardse dingen te zoeken?
Wat geschapen is, als de Schepper te aanbidden? Aan gesneden hout eer te
bewijzen en dat aan te roepen? Laat na, o rechter,laat na, zulke schandelijke
dingen aan de mannen te gebieden, die door het geloof en de liefde van de
almachtige God niet te dwingen zijn, en geen pijnigingen
vrezen."
Toen de stadhouder, en de rechter Asclepiades dit
hoorden, werden zij zeer toornig, en de stadhouder riep: "Help Jupiter! deze
booswicht staat hier tussen de beelden en de altaar, en hij lastert de goden op
zeer schandelijke wijze. Wat onze vaders zo vele honderden jaren gediend hebben,
zullen wij dat in onze tijd verwerpen? Wie heeft ons toch deze nieuwe leraars
beschikt? Wist men ook voor duizend jaren van Christus te spreken? Daarom, offer
de goden voor het welzijn van de keizerlijke majesteit, en zo niet, gij zult het
met uw bloed boeten."
Romanus antwoordde: "Ik bid nooit iets anders voor
de keizer en zijn onderdanen, dan dat zij door de Heilige Geest mogen worden
wedergeboren, en door het geloof in Christus de duisternis der afgoderij zullen
verwerpen, en het licht der eeuwige heerlijkheid aanschouwen. Dit bid ik, dat uw
keizer eens mag aanschouwen, en ook mijn keizer, als hij de mijn zijn wil. want,
wanneer hij beveelt boosheid te bedrijven, wil ik zulk een keizer niet
gehoorzamen.
"Vertoeft gij nog, o dienaren," zei de rechter,
"doorsteekt zijn lichaam, opdat hij de ziel uitbraakt, die zo lasterlijk tegen
de vorst spreekt.” Met de grootste haast volbrachten de dienaars het bevel, en
sneden hem met messen recht en dwars over het lichaam, zodat het bloed op de
aarde droop en zijn borstbeen ontbloot werd. "Wat gij snijdt, o rechter," zei
Romanus, "doet geen pijn, maar het smart mij, dat zulk een duisternis uw hart
bekneld houdt, en dat gij al het volk, dat hier rondom staat, met u laat dwalen,
omdat dit door deze onze pijnigingen zich laat terughouden en vreest. Nog kan ik
spreken, luistert toch allen; Christus, de glans van de eeuwige Vader, God en
Schepper van alle dingen, is mens geworden, en belooft alleen hun, die in Hem
geloven, zaligheid der zielen. Wie in Hem gelooft, wordt behouden, wie niet in
Hem gelooft, moet na dit leven het eeuwige verderf lijden. Ik acht het niet, dat
dit lichaam vergaat, dat immers van nature bestemd is om te vergaan, maar ik zie
alleen op het loon dat de standvastige bereid is. 'Veracht, o verstandige
mensen, wat vergaat, en jaagt naar de toekomende heerlijkheid, die eeuwig duren
zal."
Toen Romanus het volk aldus aansprak en onderwees,
beval de rechter, dat men hem de wangen zou opensnijden, "opdat hem," zei hij,
"de spraak benomen worde." Terstond werd dit bevel door de beul volbracht. Doch
Romanus zei, terwijl deze marteling aan hem volbracht was: “Ik behoorde u wel te
danken, o rechter, dat gij mij zeer behulpzaam bent; want één mond was niet
genoeg om de naam van Christus te verkondigen. Zie, gij opent mij vele monden,
en elke mond spreekt de lof des Heeren uit."
Over zodanige standvastigheid werd de rechter
verbaasd, en beval het pijnigen te staken, en zei: “Ik zweer bij het licht der
zon, dat de dag van de nacht onderscheidt, de jaren en tijden doet wisselen, dat
ik u met vuur zal verbranden, en aan deze uw hardnekkigheid een einde maken. Dit
is immers een zonderlinge verhardheid, zo hardnekkig vast te houden aan deze
nieuwe leer; want deze Christus is aan een galg gedood." Romanus zei: Ja dat is
de dood, waarvan onze zaligheid en verlossing komt. Maar zulk een sacrament en
verborgenheid is voor u onbegrijpelijk, die gij niet kunt of mag verstaan; en
Christus zegt ons, dat wij zulke parels niet voor de zwijnen zullen werpen,
opdat zij die met hun onreine voeten niet vertreden.
"Maar, aangezien gij zulke verheven redenen niet
kunt begrijpen, laat het ons dan aan de natuurlijke eenvoudigheid vragen, waarin
geen verkeerdheid of dubbelzinnigheid gevonden wordt. Geef ons een kind van
zeven jaren, of jonger, dat nog geen gunst of haat kent, en laat ons onderzoeken
wat het kind daarvan zegt. De rechter stond dit toe, en liet een kind uit het
volk te voorschijn brengen, en beval dat men hem zou ondervragen. “Jongske" dus
sprak Romanus het kind aan, "wat dunkt u, moet men Christus alleen dienen en de
Vader in Christus, of moet men vele andere goden aanbidden?" Het kind begon te
lachen en zei: Er is maar één God, want Christus is waarachtig God, zo behoort
men. Hem alleen te dienen. Wij kinderen kennen niet vele goden." De tiran
verwonderde zich, toen hij dit hoorde, en schaamde zich dit kind te straffen,
maar kon het nochtans niet ongestraft laten gaan. Eindelijk vroeg hij het kind,
wie het dit geleerd had. Het kind antwoordde hem: "Mijn moeder." "Breng de
moeder hier," gebood Asclepiades, opdat zij de straf zie van het kind, dat zij
bedorven heeft." Toen het hij het kind de klederen uittrekken en derwijze
geselen, dat ieder er hardzeer van had; maar de moeder zag het onbewogen aan.
Toen het kind aldus gepijnigd werd, riep het tot de moeder om drinken. De moeder
vertroostte het en zei: "Wees welgemoed, mijn zoon, u is de fontein des levens
bereid. Drink nu de kelk, die zovele kinderen te Bethlehem gedronken hebben."
Daarna beval Asclepiades de rechter, dat men het kind in de gevangenis zou
zetten, en dat men Romanus andermaal zou pijnigen, en gebood, dat men een vuur
zou aanleggen, waarin men hem zo spoedig mogelijk moest verbranden. Doch Romanus
zei: Ik beroep mij op een hogere rechtbank; en ik beroep mij over dit vonnis op
Christus, niet uit vrees van te sterven, maar opdat gij zoudt weten, dat gij met
vonnis niets vermoogt." Daarop beval de tiran dat men het kind zou onthoofden en
Romanus verbranden. Vervolgens droeg de moeder haar kind naar de gerichtsplaats
en kuste het. Terwijl de beul het kind onthoofdde, zong zij de Heere een
lofzang: "Kostelijk is in de ogen des Heeren de dood zijner
gunstgenoten."
Aan de andere zijde van het plein was een groot
vuur aangelegd, waarin pek en zwavel geworpen was, opdat het des te beter zou
branden, en Romanus werd aan een paal gebonden en in het vuur geworpen.
Onverwachts viel er een zware regenbui, die het vuur derwijze uitbluste, dat het
niet weer kon aangestoken worden. Toen men dit de rechter berichtte, werd hij
woedend en zei: "Hoe lang zal ons deze tovenaar betoveren en bespotten? Al zou
ik hem ook laten onthoofden, zo zal het mes misschien ook zijn scherpte
verliezen. Maar ik zal dit onderzoeken door een deel zijns lichaams af te
snijden."
Hij liet daarom de chirurgijn halen, die hem in de
eerste plaats de tong uit de keel moest snijden, “waarmee hij zo schandelijk,"
zei de rechter, de goden en vorsten gelasterd heeft." Romanus stak vrijwillig de
tong uit, en liet haar, de grootste standvastigheid aan de dag leggende,
uitsnijden. Toen dit geschied was, deed de rechter Romanus naar de afgoden
brengen, opdat hij die ter ere zou offeren, daar hij nu wist, dat hij tegen de
goden geen lastering kon uitspreken. Bij de rechterstoel werd een altaar
opgericht, waarop vuur, wierook en varkensvet ontstoken werden. Toen Romanus
daar heen geleid werd en al deze toebereidselen zag, blies hij er op, alsof hij
de duivel zag. Aselepiades lachte er om en zei: "Wel, kunt gij nu ook de goden
lasteren zoals gij vroeger gedaan hebt? Spreek op, nu mag gij vrijmoedig spreken
als u kunt." Rornanus zuchtte enige malen, begon eindelijk te spreken en zei het
volgende: “Hun, die Gods lof verkondigen, zullen mond noch tong ontbreken. Men
heeft geen tong nodig, waar God, die aan hen kracht en geluid geeft, geprezen
wordt. En ofschoon gij Zijn macht niet kent, zo weet nu, dat Hij een Heere is,
Die over de natuur heerst, Die haar geschapen heeft; en deze kan Hij verandering
doen ondergaan, wanneer het Hem belieft. Op het water liep Hij als op de vaste
aarde, de blinden maakte Hij ziende, de doven horende, de kreupelen wandelende;
en, wat gij ook aan mij kunt zien, de stomme sprekende. Dat dit geen fabelen
zijn, ziet gij voor uw ogen aan mij." De tiran verschrikte, en verbaasde zich
over het wonder, en wist niet, wat hij zeggen zou. Eindelijk verweet hij de
chirurgijn, dat hij in deze zaak bedrieglijk gehandeld had. Maar, toen de
chirurgijn zich verontschuldigde, en voorstelde om dit te onderzoeken, liet
Asclepiades de vromen getuige van Jezus Christus weer in de gevangenis werpen,
waar hij met een strop verwurgd werd. Op deze wijze eindigde Romanus standvastig
blijvende in de belijdenis van Christus, zijn leven.
Men vindt nog vermeld, dat in het derde jaar van
de vervolging gedood zijn, en wel te Cesaraea, zekere Lucius, een jongeling van
20 jaren, die in de zee werd geworpen, voorts Dorothea, een maagd, die onthoofd
werd, eindelijk, Demetrius, die als landvoogd een vervolger was, doch later een
Christen en martelaar werd.
Wij wenden ons nu naar het
Westen.
Te Rome werd op de 11e Februari om het christelijk
geloof onder vele pijnigingen eindelijk met het zwaard omgebracht zekere
Soteris, een zeer edele en schone maagd daar.
Agnes, een Romeins meisje van 13 jaren, onderging
om de naam van Christus, en wel onder de stadhouder te Rome, Symphorianus
genaamd, de marteldood.
Julitta, die de stadhouder des keizers aanklaagde,
omdat hij haar al haar bezittingen had ontnomen; doch zij werd door de rechter
als niet ontvankelijk in rechten verklaard, omdat zij weigerde de goden des
keizers te vereren. Men stelde haar voor, dat zij gehoord zou worden wanneer zij
de christelijke godsdienst wilde verzaken. Zij verklaarde, dat zij liever al
haar bezittingen, ja zelfs haar leven verloor, dan God te lasteren. In weerwil
dat enige vrienden en vriendinnen haar tot afval zochten te bewegen, werd zij
standvastig blijvende, levend verbrand.
In de vervolging, door Diocletianus en Maximinus
begonnen, en die op buitengewoon wrede wijze plaats had, onderscheidde zich
vooral Calerius Maximianus, die haar op ontzettende wijze voortzette. Door de
stadhouders Peucetius, Quintianus, Theotecus en anderen liet hij de Christenen
zeer wreed mishandelen. Zij werden levend verbrand, aan de wilde dieren
voorgeworpen om vernield te worden, aan kruisen genageld, in grote menigte in de
zee verdronken, met de hongerdood in de gevangenis gestraft, onthoofd, handen en
voeten afgehouwen en aldus in het leven gelaten, terwijl het genade moest heten,
wanneer zij in de grootste ellende bleven verkeren, en van al hun bezittingen
beroofd werden.
Onder anderen werden er
omgebracht:
Silvanus, bisschop te Emesa, een stad bij Apamea,
in Syrië, werd, met vele anderen, aan de wilde dieren ter verslinding
voorgeworpen.
Januarius, bisschop te Benevento, Sosius, diaken
van de gemeente te Miseno, Proculus, diaken te Puzzoli, en Acutius werden samen
onthoofd.
Pelagia, een jonge dochter, werd in een gloeiende
oven gesmoord.
Theonas en zijn vriendinnen Cyrenia en Juliana,
werden op andere wijzen van het leven beroofd.
Aurelius Maxentius was keizer geworden, en
evenaarde zijn vader Herculius in wreedheid, zodat hij vele voortreffelijke en
aanzienlijke mannen van hun bezittingen en hun leven beroofde. Nu en dan steeg
zijn woede zo hoog dat hij een groot aantal burgers te Rome aan zijn soldaten
gaf, om als in een schouwspel door ben vermoord te worden. Hij gaf zich in erge
mate aan de wellust over, en onderwierp vele eerbare vrouwen en jonge dochters,
die hij met kracht en geweld in zijn macht gekregen had, aan zijn bozen en
onverzadelijke wil, en zond die, na haar onteerd te hebben, weer naar haar
mannen of het ouderlijk huis. Hij gaf zich ook veel af met allerlei soort van
toverij en duivelse kunsten. In het begin van zijn regering gaf dit dierlijk
mens zich evenwel voor een Christen uit, en gebood, dat men de vervolging van de
Christenen zou staken, terwijl hij nochtans geen middelen onbeproefd liet, om
hen te kwellen en verdriet aan te doen. In het 1e jaar van zijn regering
stierven de marteldood Theodosia, een maagd van omtrent 18 jaren die in de zee
werd verdronken, en Pamphilius, die na vele pijnigingen in de gevangenis van het
leven werd beroofd.
De geschiedenis meldt ons, dat in het 6e jaar van
de vervolging, om het christelijk geloof, werden
omgebracht:
Antonius, kerkedienaar.
En die buiten kerkelijke dienst
waren:
Paulus Zebinas, Germanus, Mennas en Hermogenus,
beiden stadhouders in Egypte.
Voorts, Victor, van Mauritanië, die, terwijl hij
werd weggeleid om te sterven, aan de soldaten opdroeg, om Maximianus die de
handen weer naar de keizerlijke kroon uitstak, aan te zeggen, dat hij weldra zou
sterven, wat ook gebeurde.
In dit jaar werden ook nog van het leven
beroofd:
Valentina, te Cesarea, en Ennathas, beiden
maagden; zo ook Katharina, een jonge dochter te Alexandrië, die na vele
martelingen de 25e november werd onthoofd.
In het 71e jaar van de vervolging, aldus meldt
men, werden, om de naam van Christus, ter dood gebracht.
In Palestina, Pamphilius, kerkedienaar te Cesarea,
en twaalf anderen; zo ook Biblis, en Aquilina, een meisje van twaalf jaren;
voorts Fortunata, een maagd te Cesarea, en Procopius.
In Plirygië, en wel in de stad Laodicae: Artemon,
kerkedienaar, insgelijks Throphimus en Tholus.
In Illyrië: Quirinus, bisschop te
Scesca.
In Pannonië te Spalato:
Felix
In Thracië, in de stad Drusipara:
Alexander.
In Griekenland: Maximus, Quintilianus, Dada,
Theodorus, Oceanus, Ammianus, Julianus, Eusebius, Neon, Leontius, Longianus en
anderen.
Cyrus, een geneesheer in de stad Alexandrië, en
Johannes. een krijgsman, die zich enige tijd in een verborgen plaats hadden
opgehouden, vernamen dat Athanasia, een christelijke vrouw, en haar drie
dochters, Theoctiste, Theodora en Eudoxia, wegens het geloof in groot gevaar en
ongelegenheid verkeerden, gingen tot haar, en vermaanden haar tot
standvastigheid. Om deze daad werden zij gevangen genomen, en, daar zij
weigerden aan de afgoden te offeren, allen tegelijk
onthoofd.
De geschiedenis meldt ons, dat in dit jaar, om de
christelijke godsdienst, werden omgebracht:
In Egypte. Petrus, Nilusen Patermythius, die allen
verbrand werden.
Nog veertig anderen werden
onthoofd.
In Phrygië, werd zekere stad met alle inwoners,
zowel bestuurders als onderdanen, die allen de christelijke godsdienst beleden,
en volgens Romeinse wijze aan de goden wilden offeren, nadat zij rondom was
ingesloten, door de Romeinen verbrand. Een der voornaamste bewoners van deze
stad was de hofmeester van de keizer, Adactus genaamd, die zeer hoge posten
bekleedde. Hij was zeer standvastig, en als het hoofd en de leidsman van de
anderen, ontving hij met de overigen de kroon der
martelaren.
In Syrië, in de stad Antiochië: Antonius,
kerkedienaar, Julianus, Anastasius en andere voortreffelijke personen; voorts
Martionilia en haar kind Celso, Euphrateisa, zeven gebroeders en vele
anderen.
In Bithynië, in de stad Nicomedië: Bassilissa, een
meisje van 9 jaren, die de smarten van de slagen, het vuur en de wilde dieren
doorstond, en, nadat zij haar gebed tot God had opgezonden, haar ziel aan God
offerde.
In Egypte werden Petrus, bisschop te Alexandrië,
Faustus, Didius, Ammonius, ouderlingen, benevens vele andere bisschoppen, ten
getale van drie honderd, om het christelijk geloof, op de 28e november
omgebracht.
“Isidorus Xenodochus verhaalde mij," zegt
Palladius, “een zeer merkwaardige geschiedenis, die hij verklaarde uit de mond
van de zaligen Antonius gehoord te hebben, van een zeer schone jonge dochter,
die ten tijde van keizer Maximianus, toen hij de christelijke gemeente
vervolgde, dienstbaar was bij een wellustigen heer, die haar menigmalen, doch
tevergeefs, tot ontucht zocht te verleiden. Uit wraak gaf hij haar, onder
vreselijke woede aan de stadhouder te Alexandrië over, en beschuldigde haar, dat
zij een Christin was, daar zij om de vervolging en de pijnigingen, die de keizer
de Christenen aandeed, de keizers lasterde en vloekte. Hij beloofde de
stadhouder een grote som geld, indien hij haar bevreesd kon maken, en zei: Als
gij haar weet te overreden, zodat zij aan mijn wil gehoorzaamt, bewaar haar dan
en straf haar niet. Maar, indien zij hij haar reinheid hardnekkig volhardt,
straf haar dan met de dood, opdat zij, in het leven blijvende, mijn onkuisheid
niet verachte."
Toen deze standvastige dienstmaagd voor de
rechterstoel van de stadhouder gebracht was, werd zij met verschillende
werktuigen op onmenselijke wijze gepijnigd, doch zij bewaarde haar hart tegen
alle aanvechtingen des vleses en was onbeweeglijk als een rots. Onder de
pijnigingen, door de rechter uitgedacht om haar aan te doen, was er een, die de
andere in wreedheid te boven ging. Hij liet, namelijk, een groten ketel met pek
vullen, en een groot vuur daar onder aanleggen, zodat het pek gloeiend heet werd
en kookte. Vervolgens zei de tiran: Ga heen, en wees aan de wil van uw meester
onderdanig, of ik zal u in de ketel met kokend pek laten werpen." Zij antwoordde
daarop: "Het zij ver, dat gij zulk een onrechtvaardig rechter zoudt zijn, om mij
te dwingen aan de wellust en de onkuisheid van mijn meester te gehoorzamen." Om
deze woorden vertoornde de rechter zich derwijze, dat hij de beulen gebood, dat
zij haar geheel moesten ontkleden en in de ketel smoren. Tot een bewijs van haar
moed, riep zij de rechter met luide stem toe: “Ik bid u, zo lief gij de keizer
hebt, die gij met eerbied vreest, als het uw voornemen is, mij op deze wijze te
doden gebied dan, dat men mij niet terstond geheel, maar langzamerhand in de
ketel met kokend pek laat neerdalen, opdat gij zien mag hoe grote lijdzaamheid
mij Christus gegeven heeft, die gij niet kent." Men liet haar dan ook zeer
langzaam, gedurende een uur gedurig wat lager met de voeten benedenwaarts in de
ketel neer, en zij overleed eerst toen het gloeiend pek haar mond
bereikte.
Chrysogonus, een Romein en onderwijzer van een
edele Romeinse dochter, Anastasia genaamd, werd ook, om de christelijke
godsdienst, van het leven beroofd. Anastasia, die, tegen haren wil, door haar
ouders aan zekere Publius, een vijand van de christelijke godsdienst,
uitgehuwelijkt was, weigerde bij hem te blijven, reisde naar Aquila, en
onderging daar met nog vier andere maagden een vreselijk
lijden.
Anysia, een meisje te Thessalonika, uit rijke en
ook christelijke ouders geboren, werd daar in de tempel gedood, en wel tijdens
Maximianus door zeker bevel aan ieder vrijheid had gegeven de Christenen, waar
men die ook ontmoette, dood te slaan.
In deze stad bezegelde Demetrius, een
voortreffelijk en ijverig leraar, de waarheid van het evangelie met zijn
bloed.
Men leest ook nog, dat in het 9de jaar van de
vervolging omgebracht werden Theodorus, een bisschop, Philemon en
Cyrilla.
In het 10e jaar van de vervolging werden ook
onderscheiden personen, meest allen in het Oosten, omgebracht, wegens het
christelijk geloof.
Lucianus, een ouderling te Antiochië, was een zeer
godzalig, welsprekend en geleerd man en bovenal geoefend in de Heilige Schrift.
Te Nicomedië, waar keizer Maximianus en ook de vorige Oosterse keizers hun
verblijf hielden, werd hij door de stadhouder gevankelijk binnen gebracht. Op
uitstekende wijze verantwoordde hij zich daar mondeling, en bezegelde later zijn
geloof met zijn bloed.
Toen hij voor de rechterstoel stond, vroeg de
rechter hem: "Lucianus, aangezien gij zulk een verstandig en wijs man bent,
waarom volgt gij dan de sekte, waarvan gij toch geen reden kunt geven? Of indien
gij er reden van geven kunt, laat ons die dan horen. Toen men hem verlof gaf om
te spreken, gaf hij van zijn geloof op de volgende wijze
rekenschap:
"Het is bekend, dat wij een God vereren, Die ons
door Christus verkondigd is, en door de Heilige Geest aan ons hart verzegeld.
Want, wij zijn door geen menselijke woorden, zoals gij denkt, of door de
gewoonten onzer voorouders tot dwaling gebracht. God zelf is onze Leermeester.
De godheid en Zijn hoge majesteit kunnen door geen menselijk verstand begrepen
worden, zo die niet door de kracht van de goddelijke Geest en door de
schriftmatige uitlegging van Zijn Woord en van Zijn wijsheid verklaard worden.
Ik beken gaarne, dat wij in vroeger tijden gedwaald hebben, en beelden gediend,
die wij met onze eigen handen hadden gemaakt, denkende dat zij de hemel en de
aarde geschapen hadden; maar hun vergankelijkheid en de eer, die hun door ons
werd aangedaan, bewezen het ons geheel anders. De almachtige God, die niet door
mensenhanden gemaakt is, maar wiens maaksel wij zijn, verdroot het zeer, dat de
mensen zo dwaalden. Daarom zond Hij Zijn eeuwige Wijsheid van de hemel in het
vlees, opdat wij God zouden leren kennen, en Hem, Die de hemel en de aarde
geschapen heeft, niet in voorwerpen door mensenhanden gemaakt, maar in de
onzichtbare eeuwigheid zouden zoeken. Deze heeft ons wetten en geboden voor het
leven gegeven, dat wij matig zouden zijn, in armoede ons verblijden,
zachtmoedigheid, geduld en eenvoudigheid van het hart zouden beminnen en leren
lijden.
"Alles wat gij nu in woede aan ons doet, heeft Hij
Zelf voorzegd, dat ons zou overkomen; dat wij voor koningen zouden worden
geleid, voor rechterstoelen gesteld en als slachtvee zouden gedood worden.
Daarom heeft Hij ook, Die als het Woord en de Wijsheid des Vaders onsterfelijk
was, Zichzelf overgegeven in de dood, opdat Hij ons in Zijn lichaam een
voorbeeld van lijdzaamheid zou geven. In de dood is Hij niet gebleven, maar ten
derde dage weer uit de doden opgestaan. Hij stierf niet, zoals de valse,
leugenachtige gerechtshandel van Pilatus zegt, waarin Hij van kwaad wordt
beschuldigd, maar onschuldig, onbevlekt en rein. Alleen daarom stierf Hij, opdat
Hij de dood door Zijn opstanding zou overwinnen. Wat ik zeg, is niet in ’t
geheim geschied, en het heeft geen getuigen van node. Bijna het grootste
gedeelte der wereld weet, dat het waarachtig is, ja gehele steden, plaatsen en
vlekken bekennen het. En, wilt gij die nog niet geloven, roept de plaats, waar
het geschied is, tot getuige. Jeruzalem getuigt het en de gescheurde steenrots
van Golgotha, ook de grafspelonk, die zijn lichaam levend teruggaf. Of meent
gij, dat de aardse dingen niet voldoende zijn om het te staven, neemt dan de
hemel tot een getrouw getuige. De zon bekende het, die deze dingen op de aarde
door de goddelozen zag geschieden, en haar licht op aarde verdonkerde. Zoekt in
uw jaarboeken, en daarin zult gij vinden, dat, ten tijde van Pilatus, toen
Christus leed, het licht door de verduistering der zon was
geweken.
"Maar blijkt het nu, dat gij de getuigenis der
aarde, van de hemel en het bloed niet aanneemt in de dingen, waarvan gij de
waarheid door pijnigingen onderzoekt, hoe zult gij dan mijn woorden en het
bewijs er van geloven?"
Toen deze vrome martelaar met zulke woorden het
volk langs hoe meer tot zich begon te trekken, werd hij terstond in de
gevangenis geworpen, en daar, om geen opstand onder het volk te verwekken, ter
dood gebracht.
Pantaleon, een wijd beroemd geneesheer in de stad
Nicomedië en daarom door keizer Maximianus hoog geëerd, beleed voor hem, dat hij
een christen was, waarom hij velerlei onmenselijke wreedheden, om de naam van
Christus, moest verduren. Toen hij door het werpen in een ketel niet gesmolten
lood en in het water met een zware steen aan de hals niet kon gedood worden,
noch door de wilde dieren, waarvoor hij geworpen werd, verscheurd, werd hij
eindelijk na vele voorafgaande martelingen, onthoofd. Op zijn lijdensbaan had
hij tot metgezellen Hermolaüs, een voortreffelijk belijder van Christus,
Hernippus en Hermocras, die op gelijke wijze de martelaarskroon
ontvingen.
Aan Eugenius, daar hij de goddeloosheid der
heidenen openlijk bestrafte, werd de tong uitgesneden, handen en voeten werden
afgehouwen, en alzo eindigde hij zijn aardse leven.
Auxentius, een diaken in de gemeente der
Auracenen, in Azië, werd onthoofd.
Maodatius werd bij de tenen opgehangen en met
gloeiende priemen doorboord, verder, met fakkels verbrand zijnde, van het
tijdelijke leven beroofd.
Juliana, een zeer schone maagd te Nicomedië, die
het huwelijk afsloeg met een raadsheer, Eleusus genaamd, omdat hij een
afgodendienaar was, werd ook, na verscheidene martelingen om de naam van
Christus ondergaan te hebben, om het leven gebracht.
Fausta, een maagd te Cyrene, die van rijke ouders
geboren was, werd om haar christelijke belijdenis, door Eulasius, een opziener
van het paleis des keizers, gevangen genomen. Door haar standvastigheid echter,
zelfs temidden van vele zeer wrede martelingen, bekeerde zij Eulasius tot
Christus, en daarna ook de stadhouder Maximinus. Later werden deze drie als
martelaren omgebracht.
De geschiedenis maakt nog melding van zeer vele
martelaren, die, om de getuigenis van Jezus Christus, in deze wrede vervolging
door de Romeinse keizers op verschillende wijzen werden omgebracht, en wel in
onderscheiden landen en koninkrijken, die wij echter, om niet in een te grote
uitvoerigheid te vervallen, alle niet zullen vermelden. Naar onze overtuiging
zijn de boven beschreven genoeg, om ieder de onmenselijke tirannie en wreedheid
te tonen, door de heidense keizers jegens de vrome christenen en oprechte
belijders der christelijke waarheid gepleegd.
Na de boven vermelden tijd genoten de christenen
weer rust door Constantijn, die de keizer en tiran Maxentius en zijn gehele
legermacht ten onderbracht en de christenen grote gunst bewees. Licinius
evenwel, zijn medebestuurder in het rijk, gaf zich gedurende enige tijd wel voor
een christen uit, maar legde later dit masker af, en gaf zich in het openbaar
aan afgoderij over. Hij vervolgde toen op zeer wrede wijze de christenen, deed
hun dagelijks geduchte pijnigingen aan, en het hen op velerlei wijzen ter dood
brengen. Maar de almachtige God, Die de Zijn met ten enenmale verlaat, en de
kwaden naar verdiensten straft, bestuurde het, dat keizer Constantijn de
overwinning op hem behaalde, en hem eindelijk geheel ten onder bracht. Keizer
Constantijn, nu alleen keizer geworden zijnde, wendde terstond alle middelen aan
om het Rijk van Christus uit te breiden, en de afgoderij, niet alleen, waar hij
door zijn macht zulks doen kon, maar ook hij alle andere vorsten en volken, uit
te roeien.
In dezen tijd gingen de Indianen en de bewoners
van Armenië tot het Christendom over, terwijl ook de Perzen tot Christus werden
bekeerd. Maar, aangezien zulk een overgang zonder vervolging en bloedstorting,
in deze tijden niet goed kon plaats hebben, zette de satan de wijzen, Magiërs
genaamd, en Joden tegen de christenen op, die met leugen, zoals hij vanouds
gewoon is, Simeon, een opziener der gemeenten te Seleucië en Ctesiphon, bij de
Tiger, bij de koning Sapores beschuldigde, dat hij een vriend was van de
Romeinse keizer en hem de geheimen van het rijk openbaarde. Sapores, die aan de
beschuldiging geloof sloeg, bezwaarde de christenen met drukkende belasting en
liet de godvruchtigen Simeon, in ketenen geklonken, tot zich brengen. Toen nu
Simeon binnen geleid was, en zich onbevreesd aanstelde, gebood de koning hem,
dat hij de zon zou aanbidden, en beloofde hem, wanneer hij dit deed, met grote
eer en rijkdom te zullen overladen; maar, wanneer hij bleef weigeren, zou hij en
al de christenen gedood worden. Toen Simeon volstandig bleef, hield hij hem
gevangen, terwijl hij hoopte hem na verloop van tijd te buigen en daartoe te
bewegen.
Toen hij naar de gevangenis geleid werd, zag hem
Ustazades, de leermeester des konings, en toen opzichter over het koninklijk
paleis. Deze stond op en boog zich voor Simeon neer; doch Simeon wendde zich met
verachting van hem af, en wel omdat Ustazades eenmaal christen geweest was,
maar, toen hij met geweld was gegrepen, zich voor de zon had neergebogen. Na
deze bejegening weende Ustazades zeer, en terwijl hij zijn prachtgewaad aflegde,
trok hij rouwklederen aan, en plaatste zich al zuchtende en wenende naast het
paleis des konings. "Och," zuchtte hij, "hoe zal God nu goed jegens mij zijn,
die ik verzaakt heb, nu Simeon, mijn goede vriend, mij niet wilde toespreken, en
met gramschap van mij geweken is”. Toen koning Sapores dit vernam, liet hij hem
roepen, en vroeg hem naar de oorzaak van zijn droefheid, en onderzocht of er ook
een ongeluk in zijn huis had plaats gehad. Ustazades antwoordde: "O mijnheer
koning, in mijn aardse huis is geen ongeluk voorgevallen; maar voor hetgeen mij
nu wedervaren is, wenste ik wel, dat mij ander leed geschied ware! Ik ween,
omdat ik nog leef, daar ik reeds sedert lang had moeten gestorven zijn, omdat ik
op uw bevel, tegen mijn gemoed, de zon heb aangebeden. Het is daarom billijk,
dat ik sterf, want ik heb Christus verzaakt en u bedrogen." Terwijl hij dit zei,
zwoer hij bij de Schepper van de hemel en der aarde, dat hij zijn belijdenis
niet intrekken zou. Koning Sapores verwonderde zich over de vrijmoedigheid van
deze man, en verbitterde jegens de christenen in hoge mate, alsof hij daardoor
de lieden als het ware had kunnen betoveren. Eindelijk, na veel smeken en
bidden, na schone beloften, en veel bedreigingen, beval de koning de oude man,
die hem en zijn vader zo lange tijd gediend had, te doden. Toen Simeon dit
vernam, dankte en loofde hij God daarvoor. De andere dag liet de koning hem het
hoofd afslaan; met hem werden nog honderd anderen op dezelfde dag gedood. Simeon
onderging zijn straf het laatst, opdat hij de dood van de anderen zien zou. Hij
versterkte hen met de hoop op de toekomstige opstanding, en met het onvermengd
genot der godzaligheid, dat hij krachtig met de Schrift bewees, zeggende: "Alzo
te sterven is een waarachtig leven, maar God te verzaken is een gewisse dood. Al
worden wij ook door niemand gedood, wij moeten toch eens sterven; want dit is
het einde van allen, die geboren zijn en leven. Daarna volgt de eeuwigheid, die
voor ieder echter niet hetzelfde wezen zal, want ieder ontvangt loon naar wat
hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Onder alle schatten is er geen
beter of zaliger dan te sterven voor de naam van God." Onder deze toespraak van
Simeon, waardoor hij de martelaren voor Christus' naam zeer in het geloof
versterkte, gingen zij moedig de dood te gemoed. Eindelijk kwam de beul tot
Simeon, Abedachaäla en Ananias, welke beiden ook met Simeon gevangen genomen
waren. Bij hen stond een man, Piscius genaamd, die opziener was van het paleis
des konings. Deze zag dat Ananias beefde toen hij gedood zou worden, en zei tot
hem: "0 gij oude man, doe uw ogen een weinig toe en wees onversaagd, want
terstond zult gij de heerlijkheid van Christus zien. Toen hij dit zei, werd hij
terstond gevangen genomen, op wrede wijze hem de tong uitgesneden en gedood.
Zijn dochter werd evenzeer aangeklaagd, dat zij een christin was, gevangen
genomen en ter dood gebracht.
De geschiedenis meldt, dat daar op onderscheiden
wijzen, meer dan zestien duizend christenen werden omgebracht, zodat keizer
Constantijn hem in een uitvoerig schrijven op het hart drukte, zulke wreedheden
jegens de christenen te staken.
[JAAR 480.]
De christenkeizer Constantijn, zoon van Helena,
liet in het jaar 330 de stad Byzantium verfraaien en vergroten en naar zijn naam
noemen Constantinopel en nieuw Rome. Derwaarts bracht hij de zetel van het
Romeinse rijk over, en vestigde zich daar, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot
de verdeling van het Romeinse rijk. De opperkeizer had zijn zetel te
Constantinopel, en werd keizer genaamd van het Oosterse rijk; terwijl hij te
Rome een medekeizer had, die men keizer van het Westerse rijk noemde. Deze
verdeling bleef voortbestaan tot de tijd der koninklijke regering, zijnde het
jaar 476 na Christus' geboorte. Intussen waren sommige volken opgestaan en
hadden zich onafhankelijk gemaakt, zoals de Wandalen, Gothen, Franken,
Longobarden en Herulen, die de keizer van het Westerse rijk verdreven, Italië en
Rome overweldigden en innamen, zodat Zeno, keizer van Constantinopel, de
geweldigen Odoacer met zijn wapenen niet ten onder kon brengen wegens de kracht,
waarmee hij zich in het Romeinse rijk staande hield. Rome noemde hij naar zijn
naam Odoacria.
In deze tijd waren ook de bisschoppen niet
eensgezind onder elkaar, zij gedroegen zich zeer twistziek en oproerig, terwijl
de een de ander vervolgde en verdreef. Ieder van hen wilde de voornaamste zijn.
De les van Christus was vergeten, Matt. 20, vs. 26. "Wie onder u zal willen
groot worden, die zij uw dienaar." Zij waren allen in erge mate aan eerzucht,
overgegeven, waarvan het gevolg was, dat er dwalingen .inslopen, en sekten,
ketters, valse profeten en verleiders opstonden. Wie zou gedacht hebben, dat het
zout zo spoedig smakeloos zou worden!
Men was er getuige van, dat Cyrillus, een geleerd
man en bisschop te Jeruzalem, twist kreeg met Achatius, bisschop te Ceseraea, in
Palestina. Lucius gebruikte geweld, om het bisdom van Alexandrië in handen te
krijgen. Ursinus benijdde Damaskus de bisschop te Rome. Deze allen waren, als
het ware voorlopers van de grote Antichrist, wiens pad door deze verkeerdheden
gebaand werd. De sekten, die nu ontstonden, deden veel kwaad, en vooral de
Arianen, die vele vorsten en voorname personen tot hun sekte verleidden. Toen
keizer Valens, door de invloed van zijn vrour, een aanhanger der Arianen
geworden was, verdreef hij vele rechtzinnige bisschoppen, en onder die Meletius
van Antiochië, Eusebius van Samosata, Pelagius van Laodicea, Barses van Edessa,
Evagrius van Constantinopel. De vervolging en de onderdrukking waren zwaar;
nergens was men vrij, overal heerste onuitsprekelijke benauwdheid. Toen de
keizer te Antiochië kwam, liet hij er velen doden. Van daar vertrok hij naar
Edessa, en terwijl hij daar vernam, dat meest al de inwoners een afkeer hadden
van het Ariaanse gevoelen, sprak hij daarover de stadhouder op hoogst verbolgen
wijze, onder het geven van slagen in het aangezicht, aan, en vroeg, waarom hij
dezulken niet uit de stad had verdreven. De stadhouder, die de keizer wilde
believen, en aan de anderen kant evenwel niemand doden of vervolgen, gebood
heimelijk, dat zich niemand moest aanmelden om als martelaar te lijden. Doch dit
baatte niet, want de volgende dag liepen de moedige christenen in grote menigte
naar de tempel, om daar, wanneer dit geëist werd, gedood te worden. Onder
anderen kwam de stadhouder tegemoet een arme vrouw, met haar zoontje aan de
hand. Op de vraag van de stadhouder, waar zij zo haastig naar toe liep,
antwoordde zij: Naar de plaats, waar ik mijn ziel en die van mijn zoon wil
opofferen." Toen de stadhouder dit hoorde en zeer ontsteld werd, deelde hij het
aan de keizer mee, en zei, dat het een wrede en onmenselijke zaak zou zijn, zulk
een grote menigte, in zo korte tijd, om te brengen. De keizer verwonderde zich
hierover, en was dermate bewogen, dat hij gebood zijn wreed bevel niet ten
uitvoer te brengen.
Toen nu, zoals verhaald, de onbeschaafde naties de
overhand verkregen, en vele landen en steden verwoestten, dat als een zekere
roede en straf van de almachtige God was aan te merken, begon de Antichrist zich
hoe langer hoe meer macht aan te machtigen. Tevoren was er aangaande hem
voorzegd, dat hij uit de bisschoppen of opzieners der gemeenten zou voortkomen,
zoals Paulus zegt, Hand. 20, vs. 30, en Johannes in Zijn 1e brief, Hoofdst. 2,
vs. 19. En wat door de Heilige Geest voorzegd is, moet vervuld worden. Daarom
willen wij dit uit de oude geschiedenis wat nader
meedelen.
Tijdens het bestuur van Odoacer te Rome, zoals wij
boven verhaald hebben, begon het verborgen werk van de Antichrist zich te
openbaren. In het jaar 480 namelijk, verzocht Acbatius, bisschop van
Constantinopel, aan Simplicius, bisschop te Rome, dat hij Petrus. bisschop te
Alexandrië, in de ban zou doen. Daaruit ontstonden dadelijk twisten over de
macht van de stoel te Rome, namelijk, of hij de voornaamste was, en het Hoofd
der bisschoppen, welke twisten lange tijd onder de bisschoppen hebben geheerst.
De andere bisschoppen, opvolgers van Achatius, waren daarmee niet tevreden, maar
begeerden, dat men de bisschop van Constantinopel, waar de zetel des keizers
was, als de voornaamste en algemene bisschop zou erkennen.
Toen eindelijk Phocas door verraad en moord zich
meester van het keizerrijk gemaakt had, verlangde Bonifacius de derde, dat de
stoel te Rome de opperste zou genoemd worden boven alle bisschoppen der gehele
christenheid en het hoofd der gemeenten; wat hem werd toegestaan en
vergund.
Bedenk toch, van wie de pausen hun macht ontvangen
hebben, namelijk van zulk een, die keizer Mauritius,zijn heer en meester,
vermoord had. Tot die tijd placht men geen bisschoppen te Rome in hun ambt te
bevestigen dan alleen met de wil en de toestemming van de keizer; van daar dat
zij niets belangrijks tegen de keizer durfden ondernemen. Maar zij rustten niet,
totdat deze bevestiging was afgeschaft, hetwelk in het jaar 670 plaats had. In
deze tijd regeerde Constantinus de vierde als keizer, die aan Benedictus de
tweede, bisschop te Rome, de vergunning gaf, dat, wie door de geestelijkheid en
het volk te Rome tot bisschop gekozen werd, door ieder als het hoofd en de
stedehouder van Christus zou erkend worden, zonder enige keizerlijke aanstelling
af te wachten. Na verloop van tijd gaf dit de bisschoppen van Rome zulk een
macht, dat hun invloed en gezag voor koningen en keizers geducht geworden
zijn.
Omtrent veertig jaren daarna, begonnen zij zich
tegen de keizer te verzetten en hun macht te tonen; want paus Constantinus liet
beelden schilderen in het portaal van de St. Pieterskerk, waar keizer
Philippicus en de Griekse bisschoppen zeer tegen waren. Enige jaren later,
namelijk in het jaar 726, gebeurde het, dat Leo Isaurus de derde, keizer te
Constantinopel, die zeer ervaren was in de Heilige Schrift, een edict
uitvaardigde, om alle beelden uit de kerken van zijn rijk te weren, en beval dit
zelfs aan Gregorius de tweede, bisschop te Rome. Hierdoor maakte zich de vrome
keizer zo gehaat bij het Italiaanse volk, dat het hem een beeldstormer noemde,
en sommigen zelfs een anderen keizer wilden kiezen. Dit was ook niet naar de zin
van de bisschop te Rome, want de hooghartigheid der bisschoppen in Italië kon
zich met de keizer niet verstaan. Het volk werd zelfs zo oproerig, dat Paulus,
stadhouder des keizers, te Ravenna, met zijn zoon door het volk gedood werd.
Toen de keizer nog niet ophield om het gebod Gods te gehoorzamen, dat Exod. 20,
vs. 4 gebiedt: "Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken,"
deed paus Gregorius hem in de ban, en hitste de Longobarden tegen de keizer op,
die tot nu toe steeds een stadhouder te Ravenna hadden, en nu Ravenna belegerden
en met geweld innamen, en alzo de macht en heerschappij van de keizer in Italië
verbraken. Luitprand, koning der Longobarden, wilde het gedeelte van Italië, dat
aan het rijk van Constantinopel was ontnomen, zelf bezitten, natuurlijk tegen de
zin van de paus; hij nam al de omliggende steden in, en belegerde eindelijk ook
Rome. Hulp en bijstand zocht de paus niet, zoals hij vroeger deed, hij de
keizer, daar hij hem wegens het verbod der beelden, in de ban gedaan had. Hij
zond nu boden tot Karel Martel, de opperhofmeester van het koninklijk paleis in
Frankrijk, en bad hem om bijstand voor Rome en de heilige kerk. Karel voldeed
daaraan, door Luitprand, die zijn vader en vriend was, met vriendelijke woorden
daarvan te doen afzien. Van die tijd af werd het Romeinse rijk niet meer door de
Grieken, maar door de Franken beschermd.
Na de dood van Karel Martel, werd Pepijn, zijn
zoon, door de koning van Frankrijk, tot dezelfde eer en waardigheid verheven;
deze echter, geleid door zijn hooghartigheid, beraamde middelen, waardoor hij
het best Childerikus, zijn koning, uit het rijk kon verdrijven. Hij verzocht dit
aan het hoofd der kerk, namelijk de paus, van wiens gunst, om de wil van zijn
vader, hij zich verzekerd durfde houden. Hij liet paus Zacharias vragen, wie
meer waardig was koning te zijn, hij, die alleen de titel droeg en het rijk met
raad noch daad kon helpen, of hij die al de zorgen van het rijk alleen droeg.
Paus Zacharias verstond deze slimme streek zeer goed, kende aan Pepijn de
koninklijke eer toe, en achtte hem waardiger koning van Frankrijk te zijn, dan
Childerikus. Pepijn werd alzo koning, en liet Childerikus, zijn koning en heer,
naar een klooster voeren. En, opdat de Franken Pepijn niet als een ontrouwe en
meinedige zouden verwerpen, ontsloeg de paus hem van de eed, die hij aan zijn
vorst had gezworen, en gebood de Franken, dat zij hem als koning zouden
gehoorzamen. Dit geschiedde omtrent het jaar onzes Heeren,
753.
Toen Constantinus de vijfde, zoon van Leo, keizer
geworden was, riep hij te Constantinopel een kerkvergadering samen, waarin uit
de Griekse en Aziatische gemeenten driehonderd acht en dertig bisschoppen
verschenen, die onder andere ook spraken over het maken, eren en aanbidden van
beelden en overblijfselen van heilige personen of zaken. Er werd uitgesproken,
dat de verering en aanbidding van beelden en overblijfselen van heilige zaken en
personen loutere afgoderij was, in strijd met Gods heilig Woord. Deze Synode of
kerkvergadering werd gehouden in het jaar onzes Heeren
755.
De keizer volgde zijn vader na met de beelden uit
de tempels te doen wegnemen, en zond het besluit van de kerkvergadering aan de
paus en gebood hem, dat hij de beelden zou doen wegruimen. De paus verklaarde
zich echter daartegen, en riep een andere kerkvergadering samen te Rome, waarin
besloten werd, dat men de beelden van God, van onze Zaligmaker Jezus Christus,
van de maagd Maria, van de Apostelen, en van andere heiligen moest vereren, en
dat hij, die deze algemene gewoonte en het getrouw gebruik verachtte, en de
beelden wegnam en vernielde, buiten de gemeenschap der heilige kerk zou gesloten
worden.
Na de dood van de keizer werd zijn zoon, als
erfgenaam van het rijk, keizer van Constantinopel, onder de naam van Leo de
vierde. Tot echtgenote had hij een edele, schone en zeer kundige vrouw, Irene
genaamd, die hem een zoon schonk, Constantinus de zesde geheten. Nadat Leo
overleden was, eigende zij zich de regering toe, omdat Constantinus nog te jong
was om te regeren. Op verlangen van de bisschop Theodorus liet zij het lijk van
keizer Constantinus, haar schoonvader, opgraven, in het openbaar verbranden en
de as in zee werpen, omdat hij in zijn leven de beelden had laten verwijderen,
en de versierselen in de kerken had laten wegnemen.
Zij riep ook een kerkvergadering samen te
Constantinopel, waarin voorzitter was de patriarch Tarasius, terwijl daar ook
tegenwoordig waren de gezanten van paus Adrianus, waar de zaak der beelden op
heftige wijze werd besproken. De patriarch en zijn aanhangers waren voor het
gebruik der beelden, en Basilius, bisschop te Ancyra, en sommige anderen er
tegen. Na veel getwist, geschreeuw en oproer, van de zijde van het volk, ging de
vergadering eindelijk onverrichter zake uiteen.
Omtrent twee jaren later riep de keizerin Irene,
uit naam van haren zoon Constantinus, andermaal een kerkvergadering bijeen te
Nicea, waarin 350 bisschoppen verschenen. Eindelijk kreeg het gebruik der
beelden, op aandringen van paus Adrianus, de overhand, en werden die in alle
Griekse kerken weer ingevoerd en opgericht.
De wijze om die te vereren werd aldus
beschreven:
God wordt u door dit
beeld geleerd,
Maar God zelf is het niet;
Aanschouw het toch, opdat gij
eert
Met 't hart, wat u er in ziet.
Toen dit aldus besloten was, liet Irene bijna in
alle kerken beelden en schilderijen plaatsen, en hield niet eer op dit bijgeloof
te bevorderen, dan nadat haar zoon Constantinus zelf het keizerrijk aanvaardde.
Aangezien hij zijn vader in godzaligheid navolgde, zo liet hij weer alles
wegwerpen, verbreken en verbranden, wat zijn moeder had
opgericht.
Toen dit in de Griekse landen voorviel, werd ook
over het gebruik der beelden in Spanje druk gesproken. In de stad Elvira, thans
Granada genaamd, namelijk, werd een kerkvergadering gehouden, waaraan negentien
Spaanse bisschoppen en zes en dertig priesters deelnamen. De voornaamste onder
ben was, zegt men, zekere Felix, bisschop te Aquitanië. Na vooraf gegane
wijdlopige behandeling werd besloten, de gelovigen te vermanen, dat zij alles in
het werk moesten stellen, om de beelden uit de huizen te weren; dat men ook in
de kerken geen schilderijen moest plaatsen, opdat niet aan de wanden zou
geschilderd worden, wat men vereerde en aanbad. Toen men dit besluit te Rome
vernam, deed de paus zijn best, dat men ook in Duitsland zich niet tegen de
beelden zou verklaren, waartoe hij zijn gezanten daarheen afvaardigde.
Niettegenstaande deze voorzorg, werd er toch door koning Karel de Grote te
Frankfort een kerkvergadering bijeen geroepen, waarin verschenen twee honderd
vijf bisschoppen, uit Italië, Frankrijk, Duitsland en andere landen. Er werd
besloten, dat men de beelden niet moest vereren noch aanbidden, terwijl ook
tevens werd veroordeeld de Kerkvergadering ten tweede male gehouden te Nyeala,
daar men ontkende, dat zij algemeen was, en dat zij de naam daarvan geenszins
verdiende. Op deze wijze werd in die tijd de verering en aanbidding van beelden
verhinderd.
Omdat dit te Frankfort, in Duitsland, plaats had,
beging Irene te Constantinopel een wrede zaak. Daar zij zag, dat verworpen en
verstoord werd, wat zij met grote kosten en veel moeite opgericht had, overviel
zij, op raad en door verraad van sommige pausgezinden, haren zoon de keizer op
listige wijze, beroofde hem van de regering, liet hem de ogen uitsteken en in
een akelige gevangenis werpen, terwijl hij niet lang daarna van hartzeer en
smart stierf. Dit overkwam hem alleen van die wreedaards, welke bij wilde dieren
kunnen vergeleken worden, omdat hij het gebod des Heeren, om de beelden neer te
werpen, gehoorzaamde. In die tijd zoals Eutropius verhaalt, was de zon zeventien
dagen achter elkaar verduisterd, en gaf haar schijnsel niet, zodat de schepen op
zee verdwaalde, terwijl ieder zei, dat dit geschiedde omdat de keizer van zijn
ogen was beroofd. Deze afgodische lieden werden echter door dit wonder niet
verschrikt, maar gingen in hun boosheid voort. Dit geschiedde omstreeks het jaar
van onze Zaligmaker 797.
In deze onrustige tijd beging Leo de derde, paus
te Rome, een zeer stoute daad, en gaf de keizerlijke kroon van het Romeinse
rijk, die vroeger de keizer van Constantinopel toebehoorde, aan de Fransen over,
aangezien de bewoners van Constantinopel, om het niet toelaten van beelden in de
kerken, door de paus in de ban waren gedaan. Men kan echter wel aannemen, dat
deze verwisseling niet plaats bad zonder toelating, van keizerin Irene, daar de
paus graag een huwelijk gesloten zag tussen Karel. de Grote en Irene. Dit zou
ook geschied zijn, zo het niet ware verhinderd door Betius, de raadsheer, en
Nicephorus, de veldheer der Grieken. Deze beschuldigden Irene, en overwonnen
haar, dat zij het rijk verraderlijk aan de Fransen wilde afstaan, waarom zij te
Lesbos gevangen genomen werd. De Grieken verkozen Nicephorus tot keizer; doch
door de Romeinen en in de Westelijke landen werd hij niet als keizer erkend,
terwijl deze koning Karel de Grote tot zich riepen, hem tot keizer verklaarden,
en beweerden, dat hij door God was gekroond.
Ten gevolge der overgave van het keizerrijk aan de
Fransen door het bedrijf van de paus, ontstond er grote haat tussen de Grieken
en de Romeinen, waardoor de Saracenen en daarna de goddeloze Turken zeer machtig
werden. Want ofschoon de keizers van Constantinopel, Nicephorus, Michaël en Leo
met Karel vriendschap zochten aan te knopen, vertrouwden de Grieken de Fransen
echter niet. De Fransen hielpen ook de Grieken niet, toen zij door de Saracenen
overvallen en onderdrukt werden, zorgende indien de Grieken de overhand kregen,
en geen andere vijanden hadden, dat zij hun macht niet zouden aanwenden tegen de
Fransen, teneinde het Romeinse rijk weer in handen te krijgen. Uit haat,
voortvloeiende uit grote eerzucht, namen de Saracenen of Mohammedanen steden en
landen in, en roeiden de christelijke godsdienst uit, hetgeen plaats had omtrent
het jaar 803. Zulk een wond werd de christenen geslagen, terwijl zij, om de
afgoderij, door vreemde vorsten werden overweldigd, zoals voormaals de
Israëlieten wedervoer. Toen Karel door de paus in het rijk bevestigd was,
leverde hij hem alle landen (die vroeger aan zijn vader waren afgestaan) over,
en maakte met hem een vast verbond. Op deze wijze verkreeg de Antichrist aan de
een, en de Turk aan de andere zijde, die beiden dodelijke vijanden der ware
christenheid waren, meer en meer macht en geweld.
[JAAR 900.]
In deze tijd, toen de rijkdom, de macht en het
geweld van de Antichrist dagelijks toenamen, kreeg ook het bijgeloof de
overhand, terwijl de ware godsdienst werd verdrukt en als met de voet vertreden.
Menig godvruchtig mens klaagde daarover op Jammerlijke wijze, en zeer weinigen
hebben zich daartegen verzet, want de tirannie van de paus was zo groot, dat
ieder hem ontzagen voor hem vreesde. Het bijgeloof der monniken wies dagelijks
aan, het aantal kloosters werd hoe langer zo groter, de onderscheiding in
kleding en van spijs en drank achtte men heiligheid te zijn, als een onreine
zaak werd de priesters het huwelijk verboden, en men vereerde en aanhad de
beelden en de kruisen.
Teneinde zulke bijgelovigheden te verbreiden, had
ook de Antichrist zijn zendelingen in verscheidene landen. Tegen zulk een
zendeling, die, in de Duitse streken van het pauselijke rijk, met geweld te werk
ging en zijn leer opdrong, verzette zich een vroom geleerd man, Adelbertus
Gallus genaamd, die zich beijverde om tegen het bijgeloof te schrijven en te
waarschuwen. Men klaagde over hem te Rome, en de paus deed Adelbertus in de ban,
en liet hem in het klooster te Fulda werpen, waarin hij bleef, totdat zijn
lichaam geheel verteerd was.
Na de tijd van Karel de Grote, toen zijn kleinzoon
Karel de Kale, koning van Frankrijk, regeerde, ontstond ervoor het eerst geschil
omtrent het Avondmaal des Heeren; en wel daarover, of het brood in vlees en de
wijn in bloed veranderde. Om deze zaak werd later veel onschuldig bloed der
christenen vergoten, aangezien er een grote en schandelijke afgoderij uit
ontstond. De koning ondervroeg over dit geschil een geleerden monnik, Bertram
genaamd, die hem zeer christelijk antwoordde, dat het brood op zinnebeeldige
wijze Christus lichaam genoemd wordt, zoals Christus zelf een wijnstok, en de
Apostelen wijnranken genoemd werden. Dit was ook het gevoelen van Johannes
Scotus (hij was in Schotland geboren), een wijsgeer, die dit te Parijs leerde en
in zijn geschriften verklaarde. In het jaar 900 vatte echter Radbertus
Paschasius de pen tegen dat gevoelen op, zodat sommigen te Parijs en elders in
Frankrijk het gevoelen van Paschasius waren toegedaan, en anderen dat van
Scotus. Maar de boosheid en het bijgeloof kregen eindelijk de overhand. De
bisschoppen, wier taak was om Gods woord te onderzoeken en te onderwijzen, waren
door eerzucht dermate verblind, en beijverden zich zozeer om wereldlijke eer en
heerlijkheid te verkrijgen, dat de geestelijke belangen door hen niet geacht
werden, want zij lec,de er zich meer op toe hun rijk, dan dat van Christus uit
te breiden. Alzo schoot het verderfelijk onkruid op, terwijl zij zich aan
zorgeloosheid overgaven. Omstreeks het jaar 1020, toen aan deze grove vleselijke
tegenwoordigheid in het Avondmaal bijna door ieder geloofd werd, zodat men
meende, dat het brood en de wijn in het sacrament veranderde in het lichaam en
bloed van Christus, was er in Frankrijk zekere Berengarius, die het tegendeel
leerde en daartegen schreef. Door de tirannie en het geweld van de paus echter,
werd hij gedwongen zijn gevoelen te herroepen, terwijl Berengarius zich later
zeer beklaagde, dat hij, door vrees en zwakheid, de waarheid verzaakt
had.
[JAAR 1130.]
Ofschoon onder alle bisschoppen een ieder zocht
wat het zijn was, en niet wat van Jezus Christus is, liet de Heere toch nog
enige overblijven, opdat de wereld niet als Sodom en Gomorra vergaan zou.
Arnulph, aartsbisschop te Lyon, een zeer vermaard man, bediende het ambt eens
bisschops zelf, dat is, hij predikte Gods Woord in de overige delen van
Frankrijk, Italië en zelfs eindelijk te Rome. Hij bestrafte de zonden der
wereld, en vooral hen, die zich geestelijken noemden, en toch zo vleselijk in
alle onkuisheid, gierigheid en overdaad leefden, en niet minder hun grove
dwalingen en onkunde in de Heilige Schrift toonden. Om deze vrijmoedigheid
lieten hem de geestelijken gevangen nemen, en werd hij eindelijk opgehangen en
geworgd. Zo vervulden zij de maat hunner vaderen, opdat al het onschuldig bloed
van Abel af op hen kwam. Dit geschiedde in het jaar van onze Zaligmaker
1130.
[Jaar 1135.]
Petrus van Bruis, vroeger priester, en zijn
leerling Henricus van Toulouse, gewezen monnik, waren om hun geleerdheid door
geheel Frankrijk bekend. Zoveel zij slechts konden, berispten zij onophoudelijk
de dwalingen, die in de kerk van Christus waren ingeslopen, en spaarden daarbij
groot noch klein. Zij noemden de paus een vorst van Sodom, de stad Rome een
moeder van alle ongerechtigheid, gruwelen en vervloeking, en meest alle
geestelijken helse harpijen en grijpende wolven.
Zij leerden voorts, dat Christus’ lichaam en bloed
niet in de mis voor levenden en doden werden opgeofferd, en ontkenden aldus de
transsubstantiatie (* de verandering van het brood en de wijn bij het Avondmaal
in het lichaam en bloed van Christus).
Verder leerden zij, dat missen, geboden, aalmoezen
ten behoeve van de doden voor God niets anders waren dan goddeloosheid; dat men
de beelden,en het kruis niet alleen niet moest aanbidden. maar ook niet in de
kerken dulden; dat God meer bespot dan geëerd werd door de kerkliederen en
lofzangen der priesters; dat de aanroeping van heiligen, beloften van reinheid,
verbanningen, bedevaarten en andere instellingen van de roomse kerk, alleen
bijgelovigheden waren, en vervloekt en zonder de minste
kracht.
Petrus, Abt te Clugny, schreef tegen hen twee
brieven. Bernardas, zonder twijfel door hartstochten vervoerd zijnde, schrijft
veel kwaad van hen. Toen Petrus gedurende twintig jaren onder een groten toeloop
van mensen had gepredikt, werd hij eindelijk in de stad S. Gilles in het
openbaar verbrand, in het jaar onzes Heeren 1135.
Zijn leerling Henricus werd enige tijd daarna door
de gezant van de paus gegrepen en verborgen gehouden, zodat men niet weet, wat
hem wedervaren is.
Na de dood van beide mannen ontstond er een hevige
vervolging tegen allen, die hun leer aanhingen, van welke echter velen met
blijdschap de dood tegen gingen.
Ook op andere plaatsen verzetten zich vele
geleerde mannen tegen de transsubstantiatie, en verklaarden, dat in het heilige
Avondmaal het waarachtige lichaam van Christus niet tegenwoordig was, onder
welke waren een abt, Francus genaamd, en zeker geestelijke Lesmoriensis, in
Engeland, tegen wie zich Malachias, bisschop in Ierland,
verzette.
[JAAR 1140.]
In het jaar 1140 leefde er in Italië een geleerd
man, Arnold van Brescia, die de moed had te prediken, tegen de macht en het
gezag zo van de paus als andere geestelijken, waarom hij door paus Innocentius
in de ban werd gedaan en zeer vervolgd. Daarom vluchtte Arnold naar Zwitserland
en hield zich te Zürich op, waar hij zolang bleef, totdat paus Innocentius
gestorven was, terwijl hij gedurende die tijd de burgers te Zürich met alle
gruwelen der pausgezinden bekend maakte, met dit gevolg, dat zij die niet meer
achtten, maar al hun vroom gebaar, eerbied en godsdienst bespotten. Wat hij te
Zürich teweeg bracht, daarover klaagde Guntherinus Ligurinus, een vriend van de
paus, zeggende: "Servat ad huc uvae gustum gens illa Paterna," dat is: "Dit volk
behoudt de smaak nog van de druiven huns vaders."
Toen Arnold gedurende vijf jaren zich te Zürich
opgehouden had, keerde hij na de dood van paus Innocentius, toen Eugenius paus
geworden was, weer naar Rome terug. Ook daar maakte hij het volk wakker, en
bracht het in korte tijd door zijn prediking en zijn onderwijs zo ver, dat zijn
hoorders de hoogheid en het geweld van de paus verachtten, en er niet veel eer
meer aan bewezen. Dit was de paus een doorn in het oog, waarom hij Arnold zijn
wraak wilde doen, gevoelen, maar het volk beschermde hem tegen zijn
geweld.
Na de dood van Eugenius, omstreeks het jaar 1154,
toen Adrianus de vierde tot paus verkozen was, wilde deze zich niet laten
wijden, en zijn waardigheid uitoefenen, of Arnold van Brescia moest uit zijn
ogen verwijderd zijn. De burgers van Rome verzetten zich daartegen, en
beschermden hem, waarom zij door de paus werden verbannen, ofschoon zijn
banvloek niet veel uitwerkte. De paus rustte nochtans niet, voor hij Arnold in
handen kreeg, want zo spoedig keizer Frederik Barbarossa, over de Apennijnen
door Toskane in Italië en wel te Viterbo aankwam, ging de paus hem tegemoet, en
verheugde zich over zijn komst. Hij beklaagde zich bij de keizer, dat hij door
de burgers van Rome veracht werd, en wel ten gevolge van de prediking van Arnold
van Brescia, die een ketter was, en door hem was verbannen, maar die nochtans
door het volk werd geëerd en in de stad beschermd. Aangezien keizer Frederik
zeer vriendelijk door de paus ontvangen werd, kwam hij te Rome, hetwelk echter
de burgers zeer mishaagde, daar zij niet veel goeds verwachtten van de
vriendschap, door hen beiden besloten. Korte tijd daarna liet dan ook de keizer,
Arnold, de vrome man gevangen nemen, en op verlangen van de paus verbranden.
Zijn as werd in de Tiber geworpen, opdat het volk die niet zou verzamelen en als
een soort van relikwie bewaren, aangezien zij met al dergelijke afgodische
bijgelovigheden door monniken en andere dienaren van de Antichrist waren besmet.
Deze Arnold was zo eenvoudig in zijn leven, zo eerbaar en godzalig, dat ook zijn
vijanden hem daarin moesten prijzen.
De almachtige God nochtans, die een lankmoedig God
is, om tot boetvaardigheid op te wekken, is voor de onboetvaardigen en bozen een
geducht rechter, wat Hij bewees aan deze beide moorddadige bloedvergieters,
immers, de paus werd daarna door een mug verstikt, en de keizer door zijn
onechte zoon vergeven.
[JAAR 1160-1183.]
Omstreeks het jaar onzes Heeren 1160 leefde in de
stad Lyon een rijk en machtig burger en koopman, Petrus bijgenaamd naar zijn
geboorteplaats Waldus. Hij was in groot aanzien en daarenboven een godsdienstig,
wijs en verstandig man.
Terwijl deze op zekere tijd in gezelschap was van
vele achtenswaardige en voortreffelijke lieden, was hij ervan getuige, dat een
hunner eensklaps ter aarde stortte en de geest gaf. Hij verschrikte daardoor, en
dacht na over de onbestendigheid van het tijdelijke leven. Hij begon dan ook
acht te slaan op zijn zaken, de Heilige Schrift met naarstigheid en aandacht te
lezen, en zijn vrienden en bekenden tot gelijken ijver te vermanen. Dagelijks
onderwees hij zijn huisgenoten uit Gods Woord, hield hun de voornaamste zaken
van de christelijke godsdienst voor, en betuigde daarbij tevens, op welke wijze
de roomse kerk de hemelse leer met vele dwalingen verduisterde en het gewetens
met ongehoorde instellingen belastte. Om deze zaak bezochten vele godvruchtige
lieden dagelijks zijn huis, en spraken met hem over de godsdienst. Dit aantal
groeide hoe langer zo meer aan, en zij kregen weldra, naar Waldus de naam van
Waldenzen, Vaudois.
Benevens vele geschriften van de beste en
waarheidlievende kerkvaders, had Waldus het Oude en Nieuwe Testament in de
Franse taal doen overzetten, en liet die vertaling ten bate zijner toehoorders
overschrijven.
Toen alles wat Waldus gedaan had ter ore kwam van
de aartsbisschop te Lyon en van de andere geestelijkheid, werd hem op gestrenge
wijze en onder bedreiging van zware straffen verboden, zijn begonnen werk voort
te zetten. Daarop gaf Waldus, die van geen enkele dwaling op gezag der Heilige
Schrift kon overtuigd worden, ten antwoord, dat aan ieder bevolen was naar de
stem van Jezus Christus te horen, de Heilige Schrift te onderzoeken, en de
afgoderij na te laten; voorts, dat alle mensen priesters waren, dat het de
huisvader onbelemmerd vrij stond, zijn huisgezin in alle godsvrucht op te
voeden, dat ieder Christen verplicht was de heilzame bron, hem door God geopend
en aangewezen, te laten stromen door de onvruchtbare akker van zijn naasten;
verder dat hij, naar zijn beste weten, zonder de minste opspraak leefde, en met
zulke personen omging, die naarstig en gestadig de Bijbelse Schriften lazen; dat
het verbod onbillijk was, hem door de kerkelijke personen voorgeschreven, dat
men Gode meer moest gehoorzamen dan de mensen.
De hoofdzaken der leer, die Waldus en zijn
leerlingen, benevens vele anderen, voorstonden, waren
deze:
1. Dat in zaken van het geloof de Heilige Schrift
de meeste kracht en gezag had, dat men naar het richtsnoer van haar alles moest
beoordelen, en aannemen, wat daarmee overeenkwam, en verwerpen, wat daarmee
streed; dat men de geschriften der kerkvaders niet verder behoefde goed te
keuren, dan in zoverre zij met de Heilige Schrift overeenstemden; dat ieder
Christen niet alleen geestelijke, maar ook gewoon lid haar niet alleen mocht,
maar als een dure plicht moest lezen, en trachten haar grondig te
verstaan.
2. Dat er in de kerk van Christus maar twee
sacramenten waren: de Doop en het heilige Avondmaal; dat het genot van brood en
wijn zowel de leden der gemeenten als de geestelijken toekwam; dat de missen in
erge mate goddeloos waren; dat het dwaze razernij was voor de doden te
offeren.
3. Dat het vagevuur een menselijk verzinsel was,
aangezien de gelovigen terstond na hun sterven kwamen in het eeuwige leven, en
de ongelovigen in de eeuwige verdoemenis.
4. Dat het vereren en aanroepen van heiligen enkel
en alleen afgoderij was.
5. Dat de roomse kerk de boer van Babel was; dat
men niet verplicht was de paus en de bisschoppen te gehoorzamen, aangezien zij
niet anders waren dan de wolven van Christus' kudde; dat de paus in het geheel
geen macht had over andere gemeenten, en het wereldlijk zwaard niet mocht
gebruiken; dat het de gemeente van Christus eigenlijk was, die luisterde naar de
zuivere en onvervalste stem van Christus; dat de sacramenten door Hem ingesteld,
gebruikt wordende, overal konden bediend worden, en aan geen bijzondere plaatsen
gebonden waren.
6. Dat de zware en onnodige beloften door mensen
waren uitgevonden om Sodom te voeden; dat zovele monnikenorden karaktertrekken
en merktekenen waren van het Beest; dat het monnikenwezen een afschuwelijk dier
was.
7. Dat zovele inwijdingen van kerken, gedenkdagen
van doden, zegeningen van schepselen, bedevaarten, vastendagen feesten, gezangen
en andere plechtigheden duivelse uitvindingen waren.
8. Dat het huwelijk eerlijk en de priesters nodig
was, enz.
Vele vreemde en ongehoorde gevoelens heeft men bij
het bovenstaande gevoegd, die men ontleende aan de Gnostiken, Manicheën,
Adamiten, Katharen, Kathapbrygiërs, Nikolaiten, enz. teneinde deze eenvoudige
lieden bij ieder gehaat te maken, hetwelk onder Gods toelating de geestelijken
zo gelukte, dat zij door hun toedoen overal verachte namen kregen. Behalve dat
men hen Vaudoisen, Lyonisten en Pauvres de Lyon, dat is armen van Lyon, noemden,
leden zij ook veel in Engeland. In Duitsland en Lijfland schold men hen voor
Lollarden, in Vlaanderen en Artois voor Turlippijns; in Piemont en Dauphiné voor
Chienards, Caignards, Fretons, Dulans, in andere plaatsen voor Sabattisten, en
wel om velerlei oorzaken.
Toen de Waldenzen eerst opkwamen, bespeurden de
geestelijken, dat hun gezag door hen zeer werd ondermijnd. Zij beproefden eerst,
zoals reeds gezegd is, om Waldus door bedreigingen bevreesd te maken; doch daar
dit middel weinig baatte, verklaarden zij hem en zijn leerlingen in een
kerkvergadering te Rome voor ketters, en beroofden hen van alle goederen, waarom
zij armen van Lyon genoemd werden. Sommigen werden gevangen genomen,
onbarmhartig behandeld, in het vuur, met het zwaard, in het water en op vele
andere wijzen omgebracht. Velen vluchtten hier en daar heen, en zetten zich neer
in Provenee, Piemont, Lombardie, verder in Apulia (een deel van Napels) en
Calabrië, ja, ook in Slavonië, Rusland en Boheme; in welke landen zij
langzamerhand zeer in aantal toenamen, zonder dat men hen ooit heeft kunnen
uitroeien, en geheel ten onder brengen. Aldus is het licht, toen aan Waldus en
de zijnen opgegaan, door Gods genade, dan eens bij velen, dan weer bij weinigen,
als van hand tot hand overgebracht en bewaard, zodat het ook in onze dagen,
niettegenstaande de grote vervolgingen door Waldus en zijn aanhangers geleden,
weer velen tot grote verwondering, helder in de ogen
straalt.
Zij, die meer verlangen te weten aangaande de
Waldenzen en hun vervolgingen, leze de Geschiedenis der Waldenzen, beschreven
door Paulus Perrin te Lyon.
In het jaar onzes Heeren 1180 werden er in
Frankrijk velen omgebracht en verbrand, die buiten twijfel tot Waldus'
leerlingen behoorden.
Omtrent het jaar 1183 werden er in Vlaanderen
velen, op bevel van de aartsbisschop te Reims, Guilermus, en van de graaf
Philippus, als ketters verbrand, onder welke zonder twijfel ook aanhangers van
Waldus zullen geweest zijn, zonder dat echter de geschiedschrijver meedeelt van
welke dwalingen zij beschuldigd werden.
De pausgezinden wilden niet alleen door moord en
doodslag de gelovigen uit de christenen uitroeien maar, omdat zij bij het volk
de schijn wilden aannemen daarvoor goede redenen te hebben, en men niet menen
zou, dat zij de waarheid vervolgden, verzonnen zij grote leugens, en bedachten
hatelijke namen, waarmee zij de gelovigen bij het domme volk beschuldigden en
verachtelijk maakten. In Frankrijk noemden zij de christenen ketters, omdat zij
het schandelijke leven der pausgezinden bestraften, zich voor alle besmetting
wachtten, en geen gemeenschap niet de schandelijke werken der duisternis wilden
hebben; sommigen noemden hen ook Publikanen sommigen
Patarinos.
In het Jaar 1210 werden te Parijs vier en twintig
getuigen der waarheid gedood, omdat zij zich verzetten tegen de valse leer van
de roomse Antichrist. In dezelfde stad werden in het volgende jaar vier honderd
mensen verbrand, die niet grote vrijmoedigheid hun geloof in Christus Jezus
beleden. Nog twintig anderen werden daar om hun geloof, en standvastige
belijdenis onthoofd, die allen de waarheid met hun bloed
bezegelden.
[JAAR 1212.]
In de Elzas waren vele vrome mensen, uit hoge en
lage stand, die aan de zuivere leer des Evangelies vasthielden,dagelijks tegen
de bijgelovigheden van de paus waarschuwden, en leerden, dat men elke dag,
zonder onderscheid, vlees mocht eten: dat de mens zich met onmatige vis te eten
zowel bezondigde als met het eten van vlees; dat de gelovigen al wat geschapen
was met dankbaarheid mochten genieten; dat de huwelijke staat eerlijk was voor
alle mensen, en dat men daarom de priesters of andere mensen, die niet behoorde
te verbieden. Zij verwierpen ook de paus, omdat hij deze valse leer voorschreef
en onderwees.
Toen deze mensen standvastig vasthielden aan Gods
Woord, hingen zeer velen hen aan, terwijl zij van het een land leraars,
aalmoezen en andere noodwendige dingen naar het andere land zonden. De paus en
de bisschoppen deden hen in de ban en vervolgden hen; er werden op één dag
ongeveer honderd personen door de bisschop van Straatsburg, op, bevel van de
paus, verbrand, terwijl er zeer velen door zware martelingen tot herroeping van
hun gevoelens werden gedwongen. Dit geschiedde omtrent het jaar
1212.
In het jaar 1214 zond paus Innocentius de Derde
zekere Coenraad van Marburg, een Jakobijner monnik, als geloofsrechter naar
Duitsland, ten einde naar het geloof der inwoners te onderzoeken, en hen, die
hij met enige nieuwe ketterij besmet vond, aan lijf en goed te straffen. Dit
ambt bediende hij gedurende 19 jaren met ongehoorde en ongelofelijke wreedheid.
Allen, die voor hem beschuldigd werden, liet hij een gloeiend ijzer vasthouden,
en wanneer zij zich daarmee beschadigden werden zij, zonder verder enig
onderzoek te ondergaan, veroordeeld.
Bijna in dezelfde tijd werden ook 35 burgers te
Mainz, bij Bingen, om de Evangelische leer, gevangen genomen, en daar door de
pausgezinden wegens hun standvastige belijdenis, verbrand.
Om de belijdenis der waarheid werd ook, in
dezelfde tijd, de Prins van Armerijk door de geestelijkheid beschuldigd en
gevangen genomen. Daar hij onwankelbaar in de Christelijke leer bleef, werd hij
opgehangen en geworgd, terwijl de slotvrouw om dezelfde reden gestenigd
werd.
[JAAR 1218.]
In het jaar onzes Zaligmakers 1218 beschuldigden
de pausgezinden zekere Bargardus, te Erfurt in Duitsland, van ketterij.
Aangezien hij volstandig in de Evangelische leer bleef volharden, en van het
pauselijke bijgeloof niet wilde, werd hij verbrand.
Vier jaren daarna werd te Oxford, in Engeland, een
diaken om dezelfde reden tot de brandstapel veroordeeld.
In het bisdom Kamerijk betoonden de
predikmonniken, Dominicanen genaamd, groten ijver, om de gelovigen, die de
gruwelen van de Antichrist verwierpen, uit te roeien, zodat er dan ook sommigen,
die door hen van ketterij beschuldigd waren, werden
verbrand.
In deze tijd werden de verderfelijke sekten der
bedelmonniken door de paus erkend en in hun orden bevestigd. Als vrome dienaars
van de Antichrist betoverden zij op vreemde manieren en in zonderlinge kleding,
onder lang gebeden, geveinsde armoede en velerlei huichelarij, schier de gehele
wereld. Onder de schijn van heiligheid bedreven zij grote wreedheid jegens de
onschuldige christenen, waarom de paus hen in hun orde bevestigde en prees.
Nadat de satan deze orde in de wereld gebracht had, kreeg allerlei boosheid en
geveinsdheid de overhand, en de ware gerechtigheid, die ons de heilige Geest in
de Schrift leert, werd verbannen en verdreven, waardoor het rijk van de
Antichrist hoe langer zo geweldiger, en Christus en Diens heilig en zaligmakend
Woord verworpen werd.
[JAAR 1243.]
In het jaar onzes Heeren 1243 werden door de
bisschop van Narbonne op een kasteel niet ver van Toulouse gelegen gevangen
genomen 224 personen, die beschuldigd werden de ketterij der Albigenzen, dat is,
de ware christelijke godsdienst, aan te hangen; en, aangezien zij in hun leer
volhardden, werden zij allen verbrand.
[JAAR 1285.]
Omstreeks het jaar onzes Heeren 1285 leefden er
twee geleerde mannen, Gerardus Segarelli, van Parma, en Dolcinus van Novari, in
Lombardije, die in hun onderwijs zich met alle vrijmoedigheid verklaarden tegen
de misbruiken der zogenaamde geestelijkheid. Door de geestelijkheid werden zij
als ketters beschuldigd en verbannen, en wel om de volgende
redenen:
Dat het gebed Gode zo aangenaam is op een
ongewijde, als op een gewijde plaats.
Dat de paus de Antichrist was, en dat hij en zijn
geestelijken door God verworpen waren; dat hij en zijn kerk de hoer van Babylon
waren, zoals in de Openbaring geschreven staat.
Nadat zij geruime tijd onderwezen en gepredikt
hadden en zeer vele mensen, onder welke ook geleerde mannen hun toevielen, zond
de paus een apostolische gezant met zeer veel krijgsvolk, die deze vrome
christenen in het gebergte, waar zij bij elkaar woonden, overvielen. Daar
bevonden zich bijna zes duizend personen, van welke enige door de koude,
sommigen door de honger en weer anderen met het zwaard verdrukt werden. Toen
werd Doleinus met zijn huisvrouw gevangen genomen. hun lichamen van lid tot lid
verscheurd, terwijl de stukken verbrand werden en de as in de lucht
geworpen.
Maar, hoezeer de Dominicanen of Predikmonniken
zich ook, als kettermeesters, beijverden, om de christenen uit te roeien, er
bleven echter nog vele vonkjes over, die later tot een groot vuur werden, want
het bloed der martelaren is een vruchtbaar zaad.
In deze tijd diende een predikmonnik aan keizer
Hendrik VII vergif in het sacrament des Avondmaals toe en vergaf
hem.
[JAAR 1312.]
In het jaar 1312, de 15den Mei, werd te Parijs een
vrouw verbrand, die men voor een begijn hield, aangezien zij zich tegen de mis
en andere instellingen van de roomse kerk verklaarde.
[JAAR 1330.]
Omstreeks het jaar onzes Heeren 1330, leefde te
Heidelberg een Predikmonnik, Richard genaamd, die om de vrijmoedige prediking
van het Evangelie en het bestraffen van de misbruiken der pausgezinden als een
ketter werd veroordeeld.
Enige jaren tevoren werd een heremiet in Engeland
zeer vervolgd, omdat hij in het openbaar verkondigde, dat het geen
sacramentenwaren door Christus ingesteld, die men toen gewoonlijk in de
gemeenten gebruikte.
Johannes Aston, een zeer geleerd man, van Oxford,
werd, omdat hij leerde dat het brood in het Avondmaal onveranderd bleef. door
Aan aartsbisschop van Canterbury als een ketter in de gevangenis
geworpen.
Omstreeks het jaar 1340 woonde te Herbipoli Mr.
Coenraad Haer. Voor de bisschop van Würtzburg beleed hij, dat hij gedurende vier
en twintig jaren niet anders geloofd en de leden zijner gemeente geleerd had,
dan dat de mis geenszins een offerande voor de zonden was, en dat zij levenden
noch doden baatte. Hij zei ook, dat het geld, dat de stervenden de monniken en
priesters beschikten, om missen te doen voor hun zielen, niets anders was dan
diefstal en kerkroof, hetwelk zij aan de armen op oneerlijke wijze ontroofden.
Hij voegde er bij, dat, al bezat hij een zak dukaten, hij er niet een zou willen
geven om missen voor zich te laten doen. Eindelijk beleed hij voor dezelfde
bisschop, dat hij meende, dat het volk daarom van de missen te horen zulk een
afkeer had, omdat hij zo dikwerf daartegen gewaarschuwd en het volk zulke
gevoelens van de mis ingeplant had.
Om deze belijdenis, die bij voor de bisschop
aflegde, werd hij als een ketter in de gevangenis geworpen, doch, welke dood hij
stierf, vindt men niet beschreven.
[JAAR 1387.]
Toen de wereld geheel tot dwaling en bijna tot
tastbare afgoderij vervallen, en er als in verzonken was, verwekte God, onze
Hemelse Vader, in het koninkrijk Engeland godvruchtige, vrome mannen, die de
waarheid weer aan het licht brachten.
Onder deze was de voornaamste Johannes Wicklef,
dokter en Hoogleraar in de godgeleerdheid en leraar in de gemeente te
Lutterworth, in het bisdom Lincoln. Aan de Hogeschool te Oxford hield hij zich
bezig met de uitlegging van en het onderwijs in de Heilige Schrift. Hij, die de
waarheid onvervalst, zuiver en klaar kende, wist ook de verborgenheden en
geveinsdheid te ontdekken en te verdrijven. Maar de verblinden konden de glans
van het Evangelie niet verdragen, zodat al spoedig de monniken, en onder deze in
het bijzonder een Karmelieter, Johannes Reningannus, tegen hem opstonden. Toen
hij over het sacrament des altaars, zoals men het toen noemde, begon te spreken,
en hij zijn onderwijs verklaarde, dat het zijn voornemen alleen was, de
afgoderij, die hierin zeer groot was, uit te roeien, en het recht gebruik van
het sacrament en de onvervalste godsdienst bloot te leggen, schreeuwden allen,
die met deze besmettelijke ziekte des bijgeloofs besmet waren, en weigerden de
hand van de medicijnmeester aan te nemen. In het begin raasden en woedden de
monniken, vooral de Franciscanen, tegen hem, aangezien hun de buikspijs met de
mis zou ontnomen worden; daarom streden zij voor hun buik, die alleen hun God
is, als vrome krijgslieden. De bisschoppen begeerden, dat men dit geschil en
deze twist aan hun kennis en oordeel zou onderwerpen; maar, toen zij daarin niet
slaagden, behielpen zij zich met de pauselijke ban; want dit is het wapen om de
waarheid te bestrijden, en de vrijheid van geloof te
onderdrukken.
De artikelen, die Johannes Wicklef voorhield en
voorstond, waren onder andere deze:
1. Dat de Heilige Schrift in zaken van verschil
alleen gezag heeft.
2. Dat men alleen naar de oude leraars moest
horen, in zoverre hun leer met de Heilige Schrift overeen kwam, want er was geen
andere waarheid dan die in de Heilige Schrift is vervat.
3. Dat de opstellers en leraars der pauselijke
besluiten niet gehouden moesten worden voor getuigen der waarheid, maar voor
vijanden en verdervers.
4. Dat in het avondmaal des Heeren de blankheid en
de rondheid en andere kentekenen van het brood in geen dele zonder het
wezenlijke brood kunnen bestaan.
5. Dat de wezenlijke verandering in het sacrament
onverstandig en ongoddelijk door de priesters verzonnen was; want het brood
blijft brood en de natuur van de wijn verandert niet; dat beide hetzelfde wezen
en bestaan, die zij tevoren hadden, na sacrament te zijn geworden, ook
behielden.
Toen Wicklef dit met ijver onderwees, werd hij om
de waarheid zeer gehaat, zodat hij eindelijk, in het laatste jaar der regering
van koning Eduard de Derde, op het aandringen van de paus werd gevangen genomen.
Nadat de hertog van Lancaster en Hendrik Perseüs hem bezocht hadden, liet men
hem los, doch verbood hem te prediken en te onderwijzen. Wicklef echter nam dit
verbod niet in acht, maar ging voort met al meer en meer te prediken en te
onderwijzen, wat de priesters, monniken en bisschoppen natuurlijk niet konden
verdragen, en riepen daarom weer een vergadering van geleerden samen, waarbij
ook Wicklef tegenwoordig was. In deze vergadering sprak Wicklef andermaal over
de christelijke waarheid, en bestrafte ook de geldgierigheid en de hoogmoed van
de gezamenlijke geestelijkheid, zeggende: "Wanneer er enige giften door koningen
of prinsen aan de bedienaren der gemeente gegeven worden, dan moet men gedenken,
dat dit onder de voorwaarde geschiedt, opdat God daardoor worde geëerd en de
gemeente gesticht. Als men deze voorwaarde niet nakomt, zo moeten de vorsten, ja
zo moeten allen terugnemen, wat zij geschonken hadden, welke zware ban men ook
over hen uitspreekt. Indien de banbliksem van de paus werkelijk kracht had om
langs deze weg goederen en rijkdommen te verkrijgen en te behouden, dan zou de
geestelijkheid, die bijna uitsluitend uit geldgierige mensen bestaat, eindelijk
alle wereldse rijkdommen in hun bezit hebben.
De paus mag van rechtswege en wettelijk bestraft
en berispt worden, zelfs door hen, die hem onderdanig zijn en onder zijn macht
staan; zowel leken als geestelijken mogen hem, als het tot stichting der
gemeente dienstig is. beschuldigen; want welk een heer hij ook wezen mag,
behoort hij zich nochtans te gedragen als een broeder van de allergeringste.
Aangezien hij zondigen kan gelijk andere mensen, moet men hem ook broederlijk
vermanen en bestraffen, terwijl hij zodanige bestraffing gewillig en broederlijk
behoort te ontvangen. Vooral moet hij bestraft worden, wanneer hij enige
schadelijke ketterij of dwaling voorstelt of beschermt, opdat de christelijke
gemeente het kwaad zie, want ook in die zin heeft Paulus zich niet ontzien
Petrus te bestraffen.
Deze en dergelijke woorden hield hij der
vergadering voor; maar in die tijd werd er door hen niets tegen gedaan of
besloten. Later hield de aartsbisschop van Canterbury, met andere bisschoppen,
leraars en meesters, een samenkomst, waarin de artikelen en leringen van Wicklef
als ketters, en dus tot grote ergernis strekkende, werden veroordeeld en
verbannen.
Gedurende enige tijd week Wicklef als balling uit
Engeland; maar, aangezien er velen waren, die door hem het liefelijke voedsel
van het Evangelie genoten hadden, onder welke ook Edelen waren en anderen, die
in hoog aanzien stonden bij het koninklijke hof, werd hij terug geroepen en
ontsliep in de Heere, in zijn gemeente te Lutterworth, in het jaar onzes Heeren
1387, in het laatst van de maand December.
Een en veertig jaren na zijn dood werd zijn
stoffelijk overschot, op bevel van de paus, opgegraven, en tot poeder en as
verbrand, en de as in de rivier geworpen.
De verwaanden Antichrist was het niet genoeg, dat
hij met vervolgingen, pijnigingen, moorden en doodslag de gelovigen in hun leven
overviel en verdrukte, maar hij moest ook zijn tirannie, boosheid en wreedheid
aan de doden betonen.
[JAAR 1400.]
Omstreeks deze tijd was er in Engeland een
priester Willem Sautre genaamd. Onder het voorzitterschap van Thomas Arundel,
aartsbisschop van Canterbury, werd hij, door de provinciale kerkvergadering der
bisschoppen te Londen, wegens acht stellingen van ketterij beschuldigd, en door
die vergadering als ketter veroordeeld en te Londen in het openbaar verbrand, in
het jaar onzes Heeren 1400. Hij wordt gehouden de eerste te zijn die na Wicklef
in Engeland in het openbaar werd omgebracht.
[JAAR 1407.]
Willem Thorpe aan de hogeschool te Oxford, in
Engeland tot meester in de vrije kunsten bevorderd, was een zeer geleerd en
godzalig man, die een zeer eenvoudig leven leidde. In de verkondiging van het
Evangelie betoonde hij grote vlijt en ijver, zodat hij daarom later door Thomas
Arundel, aartsbisschop van Canterbury, te Londen gevangen genomen werd, in het
jaar onzes Heeren 1397. Maar, toen de aartsbisschop bij koning Richard de Tweede
in ongenade was gevallen, en door hem werd verdreven, werd Willem Thorpe door
Robrecht Braybroke, bisschop te Londen, op dringend verzoek van goede vrienden
losgelaten. Maar, aangezien hij niet naliet het onvervalste Woord Gods te
verkondigen, werd hij na tien jaren andermaal te Salopia gevangen genomen, door
de handlangers van de Antichrist te Canterbury gebracht, en in de gevangenis
zeer wreed behandeld. Eindelijk werd hij naar het slot Saftwoden gevoerd, waar
de bisschoppen hem ondervraagden en onderzochten.
Vervolgens werd hij ontboden, om te verschijnen
voor de reeds genoemden aartsbisschop van Canterbury, Thomas Arundel, die door
Hendrik de Vierde, de volgende koning, in zijn aartsbisdom hersteld, en
daarenboven ook benoemd was tot eerste kanselier van het koninkrijk en tot
legaat van de roomsen stoet. In het jaar 1407 werd hij derhalve van het slot
Saltwoden terug gebracht, en door de aartsbisschop ondervraagd, betreffende
enige artikelen, die men zei, dat Willem te Salopia zou gepredikt hebben,
namelijk:
1. Dat in het sacrament des altaars, ook na de
consecratie, dat is, nadat de priester de kanon gelezen had, waarachtig brood
bleef.
2. Dat men de beelden niet behoorde aan te bidden
of enige eer te bewijzen.
3. Dat men geen bedevaarten behoorde te
doen.
4. Dat de priesters geen bevoegdheid hadden, de
tienden zich toe te eigen, enz.
5. Dat men niet zweren moest,
enz.
Hierop antwoordde Willem, dat hij te Salopia in
zijn predikatie. zich op de volgende wijze over het sacrament had verklaard:
“Terwijl," zei hij, "ik op de stoet stond en predikte, gebeurde het, dat men de
mis verrichtte, de schel klonk, en men het brood zou opheffen; het volk, naar
zijn gewoonte, liep met een gedruis te hoop, en maakte een grote beweging en
onrust in de gemeente, want velen lieten de predikatie varen, en letten alleen
op de mis. Toen heb ik hen aldus toegesproken en gezegd: Gij broeders in
Christus, de levende kracht des sacraments, die in het geloof bestaat, is immers
veel krachtiger dan wat men met de ogen alleen ziet; daarom moest gij veeleer
hier blijven, en naar de zaligmakende predikatie van het heilige Evangelie
luisteren dan zulk een beweging te maken, alleen om het schouwspel van de mis te
zien: want door de predikatie van het goddelijk Woord wordt het geloof beter
geplant, vermeerderd en versterkt."
Voorts zei hij: "Van het sacrament geloof en
onderwijs ik anders niet dan wat de heilige Evangelisten, Mattheüs, Markus,
Lukas en de heilige Apostel Paulus ons beschrijven. De heilige Paulus, welke
toch een voornaam leraar der heilige kerk is, waar hij over het geloof aan dit
sacrament spreekt, noemt het brood. Hij zegt: “Het brood, dat wij breken, is dat
niet een gemeenschap des lichaams van Christus." Zo wordt het ook in uw
zielmissen, zelfs na de consecratie, en nadat de gebruikelijke woorden daarover
uitgesproken zijn, brood en wijn genoemd. En al de priesters besluiten hun mis
aldus: "O geeft toch, dat wat wij in de mond genoten hebben, in reine harten
(naar mij dunkt, is dit met waarachtig geloof) mag ontvangen. De heilige
Augustinus zegt ook, dat wat men in dit sacrament ziet, brood is; maar wat men
daardoor geniet met waar geloof, het waarachtige lichaam van de Heere Christus
is. Aldus leert ook Fulgentius, een goed leraar der kerk, die waarlijk niet te
verwerpen is. Na de geboorte van Christus, heeft de kerk gedurende meer dan
duizend jaren een zodanig gevoelen van dit sacrament omhelsd, en zich daarmee
tevreden gesteld. Wat later, bij de loslating van de duivel, door broeder Thomas
Aquinas en andere dergelijke drogredenaars in de kerk ingevoerd is, is toch
niemand, naar ik meen, verplicht of kan er toe gedwongen worden, te geloven. Uit
de aan anderen ontleende meningen en gevoelens van deze monnik, wil ik geenszins
artikelen van het geloof maken; men doe en richte met mij aan wat de genadige
wil van de almachtige God over mij beschikt."
Betreffende de verering der beelden zei hij, dat
men dit, zonder grote afgoderij en godslastering te bedrijven, niet doen kon,
aangezien de mens, het werk zijner handen aanbidt. "God wil in geest en waarheid
gediend zijn. Beelden werken niet op de geest."
Toen men hem van de wonderen sprak, zei hij: “Ik
ben er in mijn hart van overtuigd, dat dergelijke wonderen en tekenen, die aan
de beelden, om die te vereren en te verheffen, toegeschreven worden, niet door
God geschieden, terwijl die toch door de mensen bezocht, en met kniebuigingen,
offers, kaarsen en lichten vereerd worden. Daarom ook verbrak Hiskia de koperen
slang, die nochtans op Gods bevel was opgericht. Augustinus, Gregorius,
Chrysostomus en vele anderen zeggen, dat de duivel met zulke wondertekenen de
harten der ongelovigen betoveren, verblinden en bedriegen zal, en wel ter
oorzaak van hun ongeloof. Zo ziet men ook, dat het volk veel meer neiging toont,
om dergelijke tekenen en wonderen te zoeken, dan lust te openbaren om het
zaligmakende Woord Gods te horen en te geloven. Daarom heeft ook onze Verlosser
de Farizeeën, tot hun grote schande, bestraft, omdat zij tekenen verzochten.
Doch de gelovigen zal in deze zaak het levendmakend Woord Gods genoeg
zijn!"
Aangaande de bedevaarten, zei hij, dat alle
mensen, die God in geest en waarheid zoeken te dienen, zich vooral op tweeërlei
soort van bedevaarten moesten toeleggen, namelijk om het Woord Gods te horen, en
de werken der liefde jegens alle behoeftigen te beoefenen. "Zulk werk en
zodanige arbeid," zei hij, “is Gode aangenaam en een welbehaaglijke bedevaart,
want deze eist God, en heeft Hij bevolen. Maar laat ons nu eens nagaan, wat de
uw met hun bedevaarten zoeken te verkrijgen. Onder zes honderd bedevaartgangers
vindt men er nauwelijks één, die de geboden Gods kent, en recht weet, wat het
christelijk geloof is, of het Onze Vader" naar behoren bidden of uitspreken kan.
Gewoonlijk worden zij door vleselijke oorzaken geleid, om zulke bedevaarten te
ondernemen, namelijk om gezondheid des lichaams, goed gezelschap, welvaart,
voorspoed, overvloed, lust om zich dronken te drinken en hoererij te plegen.
Maar ach, wat vinden zulke lieden, nadat zij hun geld verteerd en zich geheel
afgemat hebben, anders dan doodsbeenderen en stomme afgoden? Zou het hun niet
goed zijn, te weten dat de Heilige Geest dit voor ijdele en onnutte
verrichtingen acht? Ware het niet beter, dat zij daarheen gingen, waar zij leren
kunnen alle ijdelheid te verachten? Wat baat het, of zij al vele goederen samen
brengen, zoals dit waarlijk geschiedt, daar deze toch de gierige en geldzuchtige
priesters of der schandelijke, oneerbare vrouwen en hoeren ten deel vallen? Ik
zwijg er van, dat om die bedevaarten dikwerf vrouw en kinderen gebrek moeten
lijden, voor welke een christelijk huisvader behoort zorg te dragen. Sommigen
bedelen, anderen lenen, enkelen stelen het geld, dat zij voor de reis nodig,
hebben. Zo voeren zij ook een muzikant mee, en zingen de schandelijkste en
onbetamelijkste liedjes, waardoor zij hun vleselijke lust zoeken bot te vieren.
Wanneer zij dan in hun woningen zijn terug gekomen, hebben zij niet anders dan
geveinsde en gruwelijke godslasteringen en vervloekte leugens
meegebracht.
Toen men beweerde, dat het goed was om muzikanten
te gebruiken, daar David zegt, dat men God op velerlei speeltuigen loven moet,
en dat men het gebruik van muzikanten niet in ongunstige, maar in de beste zin
moet opvatten, antwoordde Willem en zei: "Davids gezegde moet men, volgens de
gewone verklaring der oude leraars, geestelijk verstaan, zoals ook Paulus
bedoelt, waar hij zegt, dat zulks reeds in vroegere tijden op zinnebeeldige
wijze gebeurd is; wij moeten ons daarom met naarstigheid wachten, dat wij niet
alleen aan de letter blijven hangen, waardoor wij het niet goed verstaan
zullen.
De Heere Christus wilde het gestorven dochtertje
van Jaïrus niet opwekken, dan nadat de speellieden en pijpers verdwenen waren,
omdat zulken hinderlijk zijn, wanneer men het een of ander in zaken van het
geloof wil doen of behandelen; zo is het ook met de orgels in de kerken. Ik weet
wel, dat de kinderen der wereld in zulke dingen groot behagen scheppen. Maar
omtrent de volgelingen van de Heere Jezus Christus is het anders gesteld. Deze
begeren niet anders dan voorzien te worden van zielenvoedsel; want de vrees Gods
en de grote liefde, die zij hebben naar de hemelse dingen, maken hen afkerig en
drijven hen af van alles, wat het vlees welbehaaglijk is."
Omtrent het geven van tienden ondervraagd zijnde,
antwoordde hij, dat men als schatting in het Oude Testament alleen de priesters
en levieten de tienden gaf, en aangezien de priesters in het christendom niet
van de stam van Levi, maar van Juda afkomstig zijn, komen hun ook, volgens Gods
bevel, de tienden niet toe. Daar het priesterdom veranderd is, zijn ook de
wetten veranderd, zodat wij voortaan Mozes niet behoorden na te volgen, maar
onze Heere Jezus Christus en Zijn heilige Apostelen, die de ware priesters zijn
des Nieuwe Testaments. Christus en Zijn discipelen werden niet door de offers of
de tienden, maar door liefderijke handreiking van hen, die zij gediend en
onderwezen hadden, onderhouden en verpleegd. Nadat Hij naar de hemel gevaren
was, werkten de heilige Apostelen met hun eigen handen, om in hun behoeften te
voorzien, zoals dat uit vele plaatsen in Paulus' brieven blijkt. Nochtans
behoort het, en is ook noodwendig, dat, zij, die het Evangelie verkondigen, ook
van het Evangelie leven, gelijk Paulus betuigt. Men leest ook bij enige
geschiedschrijvers, dat paus Gregorius de tiende, in het jaar onzes Heeren 1271,
het geven van tienden het eerst heeft ingevoerd.
Maar het zijn ook geen ware priesters van
Christus, die de voetstappen van Christus en van de heilige Apostelen niet
navolgen, al waren zij dan ook duizendmaal gezalfd, gewijd, en beschoren.
Christus ging van de een plaats naar de andere. De Apostelen en discipelen
werden door Christus uitgezonden om het evangelie te prediken. Dit was hun ambt,
dit was hun werk, zodat Paulus uitriep: "Wee mij, indien ik het Evangelie niet
verkondigd heb!" Gregorius zegt ook in zeker besluit: die priester vertoornt de
almachtige God, van wie het volk de stem van het verkondigde Evangelie niet
hoort." Zo verklaart ook de aantekening op de profeet Ezechiël, dat een
priester, die niet predikt aan aller oordeling onderworpen is, en daarom ook zal
vergaan." "Die het ambt van bestuurders bekleden, en het Evangelie niet aan het
volk laten 'verkondigen, zijn moordenaars voor God, die het voedsel en het
onderhoud der zielen roven en stelen. Isidorus zegt: de priesters worden om de
misdaden en de ongerechtigheden van het volk veroordeeld, omdat zij de
onwetenden niet onderwijzen en de zonden niet bestraffen." Christus zegt:
“Hiertoe ben Ik geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der
waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit waarheid is, hoor Mijn
stem." Daaruit volgt, dat, naar het bevel en het voorbeeld van de Heere
Christus. het ambt en de bediening van alle priesters eist dat zij voor alle
dingen het heilig Evangelie van God verkondigen. Gregorius zegt: "Wanneer een
mens nalaat te doen, wat hij schuldig is te verrichten, hij onderneme wat hij
wil, al ware het ook iets goeds, het is de heiligen Geest niet aangenaam." Zeer
schoon zegt Lincolniënsis: “Ieder priester, die Gods Woord niet predikt, al is
hij aan geen enkele overtreding of gebrek in zijn leven schuldig, is nochtans
een ware antichrist, de duivel zelf, een dief in de nacht, een moordenaar bij de
dag, een zielemoorder, een engel des lichts, die zich in duisternis veranderd
heeft." Wanneer er geen andere dienaren waren, dan die naar het voorbeeld van
Jezus Christus en van de Apostelen, zich beijverden in de prediking van het
goddelijk Woord; zonder twijfel zou de christelijke gemeente wel zoveel samen
brengen, dat ieder zijn nooddruft zou hebben."
Deze taal hinderde een van de priesters, die daar
tegenwoordig waren, en hij zei: "Zouden wij van het volk vrijwillige gaven mogen
verwachten'? Men ziet nu wel hoe onwillig zij geven, wat zij van rechtswege
schuldig zijn." Willem antwoordde: "Het is geen wonder, dat het volk de
priesters vijandig is, want hun leven, doen en laten is juist tegen de leer en
het leven van onze Heere Christus. Wanneer in vroeger tijden in de behoeften van
de dienaren der gemeenten voorzien was, deelde men wat er van tienden,
stichtingen, testamenten of andere giften overbleef aan de armen; maar later
hebben de priesters dit zichzelf toegeëigend, en tot hun eigen voordeel
aangewend; ja, zij hebben hun bediening en hun ambt geheel verwaarloosd (het is
schande om het te zeggen), en zich aan allen overvloed en het schandelijkst
misbruik van de aalmoezen en de bezittingen der armen overgegeven. Is het dan te
verwonderen, dat het volk weigert te geven, als zij voor hun ogen zien, dat hun
giften op schandelijke, zondige en godslasterlijke wijze misbruikt worden? Want
wanneer zij gaven, zouden zij zich aan dit misbruik en deze zonde schuldig
maken."
De aartsbisschop werd toornig en riep: "Gij
schandelijke ketter, dat God u straf; waarom predikt gij en uws gelijken altijd
meer tegen ons en de geestelijken dan tegen de leken?" Willem antwoordde: "Wij
prediken zonder aanzien van personen, zeggen ieder met vrijmoedigheid, wat hij
behoort te doen, en bestraffen ook in het algemeen alle zonde en
ongerechtigheden. Maar wij beginnen eerst met de priesters, die Chrysostornus de
maag van het volk noemt, omdat wij weten, dat zij boven alle andere lieden in
grote, gruwelijke zonden en boosheid uitmunten. Zij verontreinigen en bederven
door hun hovaardij, geldzucht, brooddronkenheid, wellust, haat, nijd en andere
soortgelijke zonden alle standen en verordeningen van het gehele volk, en
brengen Gods rechtvaardig oordeel over alle mensen, want wegens zonden, die zij
zelf bedrijven, bestraffen zij niemand.
Aangaande de eed zei hij, dat hij nooit gedacht
had te Salopia te moeten prediken, dat het eedzweren zondig en in elk geval
verboden is; maar dat hij naar de getuigenis van het heilige Evangelie en van de
heiligen Apostel Jakobus gepredikt had, dat het een christen verboden is, bij
enig schepsel van God te zweren, zoals men nochtans gewoonlijk doet. "Ik heb
ook," zei hij, “gezegd, dat, als men voor de bevoegden rechter de bekende
waarheid door enige andere middelen kan bewijzen en bijbrengen, men dan in het
geheel niet behoort te zweren. Ook heb ik geleerd, dat, wanneer het niet anders
kan, men de waarheid met een eed mag bevestigen, doch dat de eed moet gedaan
worden in de naam Gods, Die de eeuwige waarheid is. Volgens mijn mening behoort
men ook de hand niet op het boek te leggen, want wat is het boek anders dan een
stoffelijk voorwerp? Wie daarbij zweert, wat doet hij anders, dan de onredelijke
en dode voorwerpen aanroepen, om de waarheid, die eeuwig is, te bevestigen, wat
door God, naar mijn gedachte, verboden is? Dit betuigt ook Johannes Chrysostomus
en hij bestraft die beiden niet alleen, welke op zulke wijze zweren, maar ook
hem die dat voorstaat."
Na deze en dergelijke woorden gesproken te hebben,
bedreigde hem de aartsbisschop van Canterbury, dat hij, indien hij niet van
mening wilde veranderen, hem zou laten pijnigen en mishandelen, dat hij spoedig
een anderen toon zou aanslaan; ja, dat hij niet rusten zou dan na deze ketterij
uit Engeland verdreven te hebben, zo zelfs, dat er geen spoor meer van zou
overblijven. Toen liet hij de opzichter van het slot Saltwoden roepen.
Tegelijkertijd drongen er ook velen van het volk de zaal binnen, die Willem
herhaaldelijk bedreigden. Sommigen wilden dat men hem terstond zou verbranden;
anderen zeiden, dat men hem naar de zee, die niet ver van daar verwijderd was,
moest slepen en verdrinken. Intussen beval de aartsbisschop, dat men hem weer
naar de gevangenis brengen zou, waar de vrome getuige van Jezus Christus de
almachtige God dankte, dat Hij hem volstandig bij zijn belijdenis bewaard had.
En aangezien de handlangers van de antichrist hem op generlei wijze met woorden
of geschriften hadden kunnen overreden en overwinnen, vielen zij hem met geweld
aan, en werd hij, op het bevel van de aartsbisschop van Canterbury, in het
geheim in de gevangenis vermoord, en wel in de maand Augustus, in het jaar
(zoals Johannes Baleüs schrijft) van onze enige Zaligmaker Jezus Christus
1407.
[JAAR 1110.]
In het jaar 1410 zat er te Londen, in Engeland,
een kleermaker gevangen, Jan Badby genaamd, die zeer standvastig betuigde en
beleed, dat in het avondmaal des Heeren, dat onder de gelovigen bediend wordt,
het lichaam van Jezus Christus bij wijze van sacrament en als een gedachtenis
wordt uitgereikt, en niet natuurlijk of in werkelijkheid als of het in een
zekere plaats bevat was.
Wat de geestelijkheid hem ook aandeed, hoe zij ook
smeekte, mooie woorden sprak en hem bedreigde, toch liet hij zich geenszins van
de waarheid afbrengen. Liever verkoos hij de gruwelijkste marteldood te
ondergaan, dan de geopenbaarde waarheid en de belijdenis van het Evangelie
schandelijk te verloochenen.
Toen hij bij deze belijdenis volhardde, werd hij
door de bisschoppen aan de wereldlijke overheid overgeleverd en een gruwelijk
vonnis over hem uitgesproken, namelijk, dat men hem in een vat moest sluiten en
met een klein vuur langzaam verbranden. Men bracht hem op het Smitsveld, waar
veel volk heen liep om dit schouwspel te zien, doch hij vreesde de onmenselijke
pijn niet, en het zich onbeschroomd daarheen brengen. De oudste zoon des konings
van Engeland, Hendrik de vierde, was daar ook tegenwoordig, om getuige te zijn
van dit gruwelijk schouwspel. Deze word met barmhartigheid bewogen over deze
beklagenswaardige mens, ging naar hem toe, sprak hem zeer vriendelijk aan en
vermaande hem, dat hij toch prijs zou stellen op zijn leven, en zodanige
meningen en gevoelens zou laten varen. Op alle mogelijke wijzen was hij bezig,
hem van zin en mening, te doen veranderen. Hij deed dat niet in bitterheid of
met bedreigingen, maar met beleefdheid en zachtheid, opdat zijn leven zou
gespaard blijven. Doch de vrome martelaar van Jezus Christus bleef vast en
onwankelbaar in het geloof, want hij bouwde dat geloof niet op een heilige, maar
op de enige hoeksteen Christus, en sloeg het beleefde voorstel van de prins met
welsprekende taal mannelijk af, en overwon aldus deze gevaarlijke verzoeking,
zich bereid verklarende liever alles te lijden, dan iets tegen de waarheid,
waarvan zijn geweten overtuigd was, te spreken of te doen. Nadat het vonnis was
uitgesproken, werd hij in een vat gesloten, en de brand in het hout dat rondom
het vat gelegd was, aangestoken. Toen de vlammen het vat aan alle zijden
begonnen te genaken, en de hitte zeer groot werd, kreet hij zo jammerlijk, dat
het hart beefde van ieder die het hoorde. De zoon des konings werd door dit
jammerlijk gekerm zeer bewogen, liet het vuur blussen, ging tot de man, die in
het vat lag en ondraaglijke pijnen leed, bood hem zijn leven aan, en beloofde
hem daarenboven uit de bezittingen van de koning zoveel geld als voor het
onderhoud van zijn leven nodig was, indien hij zijn raad wilde opvolgen. Doch
tevergeefs; hij volhardde onwankelbaar in de waarheid, verwierp het aanbod van
de prins, en schatte het lijden, om de naam van Jezus Christus, hoger dan hier
in alle weelde en overvloed te leven, en de beleden waarheid te verzaken. Toen
de prins zag, dat alle aanbiedingen en beloften tevergeefs waren, en dat hij op
generlei wijze was te vertederen, liet hij hem weer in het vat sluiten, het vuur
aansteken en de vromen martelaar verbranden.
Zo werd hij door zonderlinge en velerlei
verzoeking, door onlijdelijke pijn bezocht en op de proef gesteld, maar overwon
alles als een vroom krijgsknecht van Christus, door Hem die hem versterkte,
Jezus Christus. Hier aanschouwt men de waarheid van Paulus' woorden, dat niets
de uitverkorenen van God, hoe gruwelijk dit ook zijn mag, scheiden kan van de
liefde Gods, die er is in Jezus Christus onze Heere.
[JAAR 1414].
In het begin van de regering van Hendrik de
vierde, koning van Engeland, nadat Richard van de regering ontzet en de heer Jan
Oldecastel welverzekerd in de Tower te Londen gezet was,begonnen de godgeleerden
en bisschoppen in Engeland al zeer zonderling te handelen. Zij brachten grote
klachten in bij de nieuwe koning en toonden hem, dat de toestand van de kerk ten
enenmale omgekeerd was. Zij zeiden, dat men niet meer wilde gehoorzamen aan haar
geestelijke archidiakenen, kanselieren, kerkendienaren en andere geestelijken;
dat de wetten en verordeningen van de heilige moederkerk vertrapt werden; dat er
vrees bestond, dat de gehele katholieke kerk en godsdienst ten enenmale zouden
teniet gaan, dat men zeer weinig ontzag had voor de geestelijke rechtsmacht, de
macht der geestelijke sleutelen minachtte, niet gaf om de kerkelijke boeten en
beelden; dat er sommigen waren, die er in het openbaar de spot mee dreven, en
dat dit alles aanleiding geven zou tot een zonderlingen opstand. Zij zeiden, dat
al deze verkeerdheden haren oorsprong hadden in de vrijheid van een hoop
ketters, die hun vergaderingen hielden in kelders en donkere plaatsen, die ook
boeken schreven en tussen hagen en in bossen predikten. Zij voegden er bij, dat,
indien men dit alles nog langer gedoogde, men spoedig de verwoesting en
ondergang zien zou van de republiek. Ten gevolge van deze klachten riep de
koning zijn raad bijeen, en wel te Leicester, omdat hij het niet geraden vond
deze vergadering te houden te Londen, aangezien daar zich velen bevonden, die de
zaak van de heer Cobbam waren toegedaan. In het openbaar gebood hij daar, hun
allen zeer vreselijk te straffen, die van die tijd aan de verkeerde leer zouden
volgen. Hij veroordeelde hen zelfs dermate, dat hij hen niet alleen voor ketters
verklaarde, maar ook beschuldigde van majesteitsschennis. Daarom beval hij, dat
zij op tweeërlei wijze moesten gestraft worden en terstond daarna verbrand. De
gelovigen waren geen vrijheden noch enige voorrechten gegund, waardoor zij zich
bevoordelen konden, en wel ten gevolge van de woede des konings, waarmee hij,
door zijn boze hartstochten opgewekt, bezield was jegens de gelovigen, die in
deze tijd Wicklevianen genoemd werden. De bisschoppen, gewapend met deze
uitspraken des konings, bedreven grote tirannie jegens vele eerbare en
onschuldige lieden, van wie in de eerste plaats Jan Oldecastel, heer van Cobham,
het slachtoffer was. Voorts werden op wrede wijze omgebracht de heer Rogier
Acton, ridder van Cobbam, de heer Johan Brown, edelman, en een bedienaar van het
Evangelie: mr. Jan Beverley genaamd. Deze beleden met volharding de artikelen
van ons algemeen christelijk geloof, en terwijl zij de bijgelovigheden van het
pausdom verachtten, werden zij op het plein St. Gillis eerst opgehangen en
daarna verbrand, in welke straf nog 36 anderen, die meest van adel waren,
moesten delen. Dit geschiedde in Januari, in het jaar onzes Heeren
1414.
Op de 17den Augustus van het volgende jaar werden
ook om de belijdenis der goddelijke waarheid, veroordeeld om verbrand te worden
Jan Claidon, leerlooier, en Richard Turming, bakker, wat op het Smitsveld plaats
had.
[JAAR 1415.]
In Engeland was het licht van het heilige
Evangelie ontstoken, en verspreidde zich daar op buitengewone wijze. Andere
landen waren weinig of niet met dat licht bedeeld, en duisternis bedekte schier
de gehele wereld. Door de geschriften van Johannes Wicklef deed God, de
almachtige Vader, ook in het koninkrijk Bohemen, het licht opgaan in de ziel van
Johannes Husz, bedienaar des goddelijke Woords in de Bethlehemskerk te Praag.
Met de grootste ijver verkondigde hij het zuivere Evangelie van Jezus Christus
aan het volk, toonde hun de afgodische misbruiken aan, en waarschuwde daartegen
met allen ernst, hetwelk de roomsen antichrist grote schande en nadeel
berokkende. Ten gevolge daarvan werd hij, omstreeks het jaar 1414, door paus
Alexander de vijfde beschuldigd, en te Rome als ketter ontboden, terwijl de paus
deze zaken in handen gaf van de kardinaal Petrus de
Columna.
Toen deze oproeping van Husz, om te Rome te
verschijnen, te Praag openlijk was bekend gemaakt, zond Wenceslaus, koning van
Bohemen, op verlangen van zijn vrouw Sophie en van de gehelen Boheemse adel en
op het ootmoedig smeken der hogere scholen en burgers van Praag, zijn gezanten
en redenaars naar Rome, om de paus dringend te verzoeken, Johannes Husz van dit
onderzoek te verschonen, aangezien hij door de haat en nijd van sommige
afgunstige mensen aangeklaagd en belasterd was. Hij voegde er bij, dat het Husz
daarenboven onmogelijk was naar Rome te gaan, en wel wegens de gevaren, waaraan
hij zich op de weg aan lijf en leven zou blootstellen. En, indien de paus
meende, dat het koninkrijk Bohemen met enige valse leringen of ketterij besmet
zou zijn, dat hij dan zijn gezanten naar Bohemen kon zenden, teneinde de
dwalingen te verbeteren, te straffen en uit te roeien. Daarenboven beloofde de
koning alle kosten, daaraan verbonden, te betalen en de roomsen gezanten in
alles behulpzaam te zijn, enz. Maar alle arbeid, moeite en onkosten, welke de
koning aanwendde, waren tevergeefs en ten een male
vruchteloos.
Johannes Husz zond vervolgens op de bepaalde dag
zijn wettige procureurs, om hem te verdedigen. Maar de kardinaal wilde van geen
verdediging weten, maar ging voort en liet Johannes Husz als een ongehoorzame
ketter verbannen, omdat hij op de bepaalde dag niet in persoon te Rome
verscheen. Door de nood gedwongen, waren de procureurs genoodzaakt zich op paus
Alexander te beroepen, die weer andere rechters aanstelde, die de zaak omtrent
anderhalf jaar verschoven, en daarna hetzelfde oordeel velden en het vonnis
uitspraken. Zij stemden toe in het uitspreken van de ban over Johannes Husz, en
wilden zelfs niet, dat de procureurs meer onder hun ogen kwamen, en langer tot
verdediging van Johannes Husz spraken. En, toen de procureurs zich niet lieten
afwijzen, werden sommigen hunner in de gevangenis geworpen, waar zij geduchte
straf ontvingen, terwijl de anderen naar Bohemen
terugkeerden.
Toen het nu met de zaak van Johannes Husz aldus
gesteld en hj gebannen was, dat zijn procureurs in de gevangenis gestraft waren,
en hij te Rome geen gehoor verkrijgen kon, beriep hij zich op Christus, de
hoogste Rechter van de wereld.
Daarna werd er in het jaar van onze enige
Zaligmaker, Jezus Christus, 1414, een kerkvergadering bijeengeroepen te
Konstanz, om het geschil en de twist te beslechten van drie pausen, die, om het
roomse pausdom te bezitten, schier de gehele wereld in oproer brachten. Toen
paus Johannes de drie en twintigste en Sigusmund, koning van Rome en Hongarije,
te Konstanz aangekomen waren, zond de koning enige boheemse heren naar Bohemen,
teneinde Johannes Husz uit te nodigen in de kerkvergadering te verschijnen.
Daartoe zou hij hem een vrijgeleide geven, zodat hij zou kunnen gaan en
terugkeren zonder enig gevaar, waarvan hij hem schriftelijk bewijs gaf. Toen
Johannes Husz dit vernam en de brieven gelezen had, voldeed hij gewillig aan de
begeerte des konings, en vertrok met bovenbedoelde boheemse edelen naar
Konstanz.
Toen na drie dagen Johannes Husz te Konstanz was
aangekomen, gingen Johannes, heer van Chlum, en Hendrik van Latzenbock, die Husz
hadden vergezeld, naar de paus, en deelden deze mee, dat Johannes Husz was
aangekomen. Zij voegden er ook bij, dat zij hem door een vrijgeleide van de
roomsen koning Sigismund, dat verzegeld was, te Konstanz gebracht hadden,
teneinde in de kerkvergadering te verschijnen. Zij verzochten ook zeer ootmoedig
van de paus, dat hij, ter ere van de roomsen koning, zorg wilde dragen, dat
genoemde Johannes Husz zonder gevangenneming, vrij, zeker, onverhinderd, en
zonder bekommering en gevaar te Konstanz mocht vertoeven.
De paus antwoordde hierop: "Al had Johannes Husz
zijn eigen broeder mishandeld en gedood, zal ik nochtans, voor zoverre dit in
mijn macht is, in geen dele toelaten, dat hem, zolang hij te Konstanz blijven
zal, enige smaadheid of onbillijkheid worde aangedaan. Daarop kan hij met alle
zekerheid vertrouwen en getroost zijn."
Toen de ergste vijanden en aanklagers, die
Johannes Husz had, Stefanus Palets en Michaël de Clausis, vernamen dat hij te
Konstanz was, rustten zij niet, maar stelden met grote ijver enige stellingen
samen, waarmee zij van de een kardinaal en aartsbisschop naar de anderen liepen.
Zij toonden die aan de bisschoppen, monniken, priesters en anderen die het met
hen eens waren, en zeiden dat zij nog meerdere zulke stukken bezaten, van nog
groter gewicht, die Johannes Husz tegen de paus en de roomse kerk geschreven en
openlijk gepredikt had.
De opperpriesters, door dit vuur als in vlam
gezet, hielden raad, hoe zij Johannes Husz en zijn leringen onderdrukken en
uitroeien zouden, waarin zij het al spoedig eens waren. Op de zes en twintigste
dag nadat Johannes Husz te Konstanz aangekomen was, vaardigden zij twee
bisschoppen af, en wel die van Augsburg en die van Trier, en met hen de
burgemeester van Konstanz en een ander ridder. Omstreeks de middag kwamen zij in
de woning, waar Johannes Husz verblijf hield, en verhaalden hem, dat zij, op
bevel van de paus en de kardinalen, tot hem waren gezonden, aangezien hij
vroeger verlangd had voor hen rekenschap te geven van zijn leer. Zij verklaarden
verder, dat zij nu vergaderd en bereid waren om hem te horen, zodat hij nu voor
hen zou verschijnen. Op deze boodschap antwoordde Johannes Husz: “Ik ben daar om
niet hier gekomen, opdat ik in het geheim met de paus en de kardinalen alleen
mijn zaak zou behandelen, wat ik ook niet begeerd heb, maar het was steeds mijn
verlangen in de volle kerkvergadering te verschijnen, om daar openlijk, naar de
genade, die God mij geven zou, te antwoorden op hetgeen mij gevraagd zou worden.
Daarom weiger ik echter niet, om, volgens uw begeerte, eerst voor de kardinalen
te verschijnen. Word ik door hen niet goed ontvangen, zo heb ik toch vertrouwen
op mijn Heere Jezus Christus, dat Hij mij genade zal geven, om liever tot Zijn
eer de dood te ondergaan en te sterven dan dat ik de waarheid, die ik uit de
heilige, goddelijke Schriften ontvangen heb, verloochenen zou." Daarna volgde
hij, in gezelschap van de heer van Chlum, de bisschoppen naar het hof van de
paus, om daar voor de paus en de kardinalen te
verschijnen.
Toen Husz in die vergadering verscheen, en de
kardinalen vriendelijk gegroet had, spraken zij hem aldus aan: "Meester Johannes
Husz, wij hebben zeer veel van u gehoord, dat, als het waar is, niet is te
verdragen. Men zegt, dat gij vele grote en openbare dwalingen tegen de leer der
heilige kerk verkondigd en door het gehele koninkrijk Bohemen verbreid hebt; en
daarom hebben wij u hier ontboden, om te weten, of het is, gelijk men
zegt."
Hierop antwoordde Johannes Husz: "Hoogwaardige
vaders, uw eerwaardigheid wete, dat ik bereid ben liever te sterven, dan dat ik
mij aan enige dwaling (ik zwijg van vele) willens en wetens zou schuldig maken.
Te liever ben ik in deze algemene kerkvergadering verschenen, omdat ik mij
bereid verklaar, wanneer ik in waarheid van enige dwaling overtuigd word,
ootmoedig de straf te willen ondergaan en mij te beteren." De kardinalen
antwoordden: “Welaan, uw woorden behagen ons," waarop zij heen gingen, en
Johannes Husz daar alleen onder gewapende en geharnaste mannen goed bewaard
lieten staan, terwijl de heer van Chlum bij hem bleef. Tegen de avond kwamen de
kardinalen weer samen, vergezeld van Palets en Michaël de Clausis, die, als
onzinnigen, Johannes Husz belachten en bespotten, zeggende: "Ha, ha, ha, nu
hebben wij u in onze macht en handen; gij zult er niet uitkomen, tot dat gij de
laatste penning zult betaald hebben."
Tegen de nacht kwam de hofmeester van de paus tot
de heer Johannes van Chlum en zei tot hem, dat hij wel naar zijn logement kon
gaan, daar men met Johannes Husz wat anders zou doen. Op het horen van die
tijding werd de heer van Chlum zeer toornig en bedroefd, en wel omdat zij de
vromen man zo jammerlijk bedrogen hadden. Met de grootste spoed ging hij naar de
paus, en bad en vermaande hem, dat hij aan zijn belofte en toezegging wilde
denken, die hij enige tijd geleden hem en de heer van Latzembock gedaan had, en
dat hij ook het vrijgeleide van de roomsen koning zo lichtvaardig niet mocht
verbreken. Maar de paus wilde er niet voor uitkomen, dat, wat er met Johannes
Husz gebeurd was, op zijn bevel was geschied; en terwijl hij zich tot de heer
van Chlum wendde, zei hij: Waarom geeft gij mij de schuld, daar gij wel weet,
dat ik zelf in de macht van deze kardinalen ben.”
Treurig ging de heer Johannes van Chlum heen, en
gedurende enige dagen klaagde hij in het geheim en openbaar over de
onrechtvaardigheid en ontrouw van de paus.
Toen Sigismund, de roomse koning, vernam, dat
Johannes Husz gevangen gehouden werd, was hij er niet tevreden over, dat zijn
koninklijk vrijgeleide door de paus aldus verbroken werd. Maar de geleerden van
de paus toonden de koning uit de pauselijke rechten aan, dat men, met geen
recht, een ketter vrijgeleide kon of mocht geven of zich daaraan houden. Met
deze woorden stelden zij de koning tevreden, zodat hij de zaak het rusten, en op
het houden van zijn vrijgeleide niet verder aandrong. Nochtans werd hij door de
edelen van het koninkrijk Bohemen met woorden en brieven vermaand en gebeden,
dat hij zijn eer daarin handhaven, en zijn woord en verzegelde belofte houden
moest.
Toen Johannes Husz in een gevangenis gezet was van
het Jakobijnenklooster, die door stank en onreinheid als verpest was, kwamen
zijn vijanden, terwijl hij door de groten stank ongesteld geworden was, met
enige artikelen voor de dag, waarmee zij hem als ketter beschuldigden. Onder
deze artikelen waren de volgende, die hij als de zijne erkende en tot het einde
volstandig beleed.
1. Er is maar een heilige, christelijke en
algemene kerk; dat zijn allen, die door God ter zaligheid verordineerd en
uitverkoren zijn.
2. Petrus was nooit en is ook nog niet het hoofd
der christelijke kerk, maar alleen de Heere Jezus
Christus.
3. Indien hij, die een stedehouder van Jezus
Christus genaamd wordt, in zijn leer en zijn leven de Heere Christus navolgt, is
hij een stedehouder van Christus. Indien hij in strijd met Christus leert en
leeft, is hij een bode en Apostel van de antichrist, tegen de Heere Christus en
de heiligen Apostel Petrus, ja een stedehouder van de verrader Judas
Iskarioth.
4. De overheid met de priesters dwingen, om de
instelling van Christus te onderhouden.
5. Een priester van Christus, die naar de regel
van Christus, leeft, en de Heilige Schrift verstaat, behoort te prediken, en
zich niet om de ban te bekommeren. En, wanneer ook de paus of enig ander
geestelijke zulk een priester het prediken zou willen verbieden, moet hij hem
niet gehoorzamen.
6. Wanneer de paus, bisschop of geestelijke zich
aan doodzonde schuldig maakt, is hij geen paus, bisschop of geestelijke; want
als hij geen lid van de gemeente van Christus is, kan hij geen hoofd der
gemeente zijn.
7. Een getrouw dienaar van Jezus Christus behoort
met vlijt te onderzoeken, of de geboden van de paus in nadruk zijn de geboden
van Christus of van Zijn Apostelen. Wanneer dit zo is, behoort hij die geheel in
ootmoed te gehoorzamen. Maar ziet hij, dat het gebod van de paus geheel tegen de
Heilige Schrift strijdt, of schadelijk is voor de heilige kerk, zo behoort hij
die met vromen zin tegen te staan, opdat hij aan deze zonden niet deelachtig
worde, wanneer hij er in toestemde.
8. Ieder mens, wie hij ook wezen mag, mag de
dingen, die de zaligheid aangaan, beoordelen, zo ook de daden van zijn
geestelijken.
9. De geestelijken verdrukken de leken om zichzelf
te verhogen; zij zijn geldgierig, beschermen en verdedigen allerlei boosheid, en
bereiden alzo de weg voor de antichrist.
10. De roomse kerk heeft geen macht of gezag om
het sacrament te scheiden of te verdelen; zij heeft ook, op onbehoorlijke wijze,
de leken het ene deel, namelijk de gemeenschap des bloeds,
onttrokken.
11. De bisschop van Rome staat gelijk met een
ander.
12. Er is geen vagevuur.
13. Het is tevergeefs, dat men voor de doden bidt;
dit is ook alleen door de geldgierigheid der priesters
verzonnen.
14. De beelden van God of Zijn heiligen behoort
men in het geheel niet te achten of te verdragen, maar af te breken en weg te
werpen.
15. De biddende orden der monniken zijn door boze
geesten uitgevonden.
Hierbij waren nog vele andere artikelen gevoegd,
die echter te uitvoerig zijn om te worden meegedeeld, en welke men hij andere
geschiedschrijvers kan vinden.
Toen deze en andere opgeraapte artikelen aan Husz,
in de gevangenis, waar hij ziek lag, getoond werden, begeerde hij een advocaat
of pleitbezorger, ten einde deze zaak voor hem te behandelen. Dit werd hem
echter op harde wijze geweigerd, met de bewering, dat het volgens de pauselijke
wetten verboden is, dat iemand enige bijstand zou bewijzen aan hen, die van
enige ketterij verdacht zijn. Aldus weigerden zij de goede man alle hulp,
ofschoon de getuigenis van de andere door hen opgeraapte artikelen zo zwak
waren, dat Johannes Husz geen verdediging daarin behoefde, wanneer zijn ziekte
hem niet verhinderd had dat zelf te doen. Nadat de koorts hem enigermate had
verlaten, antwoordde hij daarop schriftelijk, welk geschrift wij echter, ter
vermijding van te grote uitvoerigheid, niet zullen
meedelen.
Geruime tijd daarna, in het jaar 1415, kwamen vele
kardinalen, bisschoppen en andere geestelijken in het Barvoeterklooster bijeen,
waar zij Johannes Husz voor de kerkvergadering brachten, hielden hem daar zijn
boeken voor, en vroegen hem, of hij die voor de zijn erkende of niet. Johannes
Husz beleed openlijk, dat hij die opgesteld en geschreven had, en toonde zich
ook bereid, indien er enige dwalingen in gevonden werden, die te verbeteren.
Treurige verschijnselen hadden hierbij echter plaats; want, zodra er een artikel
en enige getuigenissen daarop (die zeer weinig waren) waren gelezen, en Husz
daarop wilde antwoorden, overviel de gehele vergadering hem met zulk een
geschreeuw en misbaar, dat hij geen woord spreken kon. En, was er een ogenblik
stilte, waarvan Husz gebruik wilde maken, om het een of ander uit de heilige
Schrift of van oude leraars aan te halen, dan riepen zij ogenblikkelijk: "Het
doet niets tot de zaak!" Sommigen begonnen hem op lage wijze te schelden,
anderen belachten en bespotten hem, zodat Johannes Husz eindelijk besloot te
zwijgen, en de zaak Gode aan te bevelen. Toen riepen zij: "Nu zwijgt hij, dat is
bewijs genoeg, dat hij zijn dwaling in alles bekent." In één woord, het kwam zo
ver, dat het sommigen verstandigen mannen begon te verdrieten, die er zich over
schaamden, en de raadgaven, dat men voor dat ogenblik de zaak zou laten rusten.
Aldus ging de vergadering uiteen, terwijl Husz daar in het monnikenklooster
bewaard werd.
Spoedig daarna kwamen zij andermaal in hetzelfde
klooster bijeen, waar Johannes Husz, door een groot aantal gewapende mannen
omringd, werd voorgebracht. Ook verscheen daar de roomse koning zelf, vergezeld
van de ridder Wenceslaus van Tuba, de heer Johannes van Chlum en Petrus,
secretaris des konings, deze drie waren goede vrienden van Husz, die meegenomen
waren om te zien, hoe de zaak eindigen zou.
Onder vele andere dingen, bevalen zij Johannes
Husz eindelijk deze drie: vooreerst, dat hij met een ootmoedig hart zijn
dwalingen zou bekennen, die hem in de artikelen aangewezen waren; ten andere,
dat hij zweren zou, deze artikelen nu en ten eeuwige dag, nimmer meer te leren
noch te prediken; ten derde, dat hij die ook openlijk zou
herroepen.
Hierop antwoordde Husz, na vele andere woorden
gesproken te hebben, het volgende: ik ben bereid de kerkvergadering te
gehoorzamen, en door haar onderricht te worden, met de goddelijke Schrift, maar
vooraf bid ik u om Gods wil, dat gij mij niet zoekt te dwingen tot dingen, die
mijn geweten zouden bezwaren, en mij in gevaar zouden brengen om eeuwig
veroordeeld te worden. Dat ik al mijn artikelen, die mij toegeschreven worden,
zou afzweren, die toch voor het merendeel mij vals toegedicht, ja tegen mij
verzonnen en gelogen zijn, dat zou ik niet kunnen. Ik herinner mij in Katholicus
gelezen te hebben, dat afzweren niets anders is dan een dwaling, die iemand
vroeger vastgehouden en geleerd heeft, te verloochenen en te herroepen.
Aangezien mij vele artikelen toegedicht worden, die ik nooit omhelsd heb, en
nooit in mijn hart zijn opgekomen, hoe mag of kan ik die met een eed afzweren?
Maar aangaande de artikelen, die waarlijk de mijn zijn, die door mij zijn
geleerd, gepredikt en geschreven, wanneer mij iemand uit de Heilige Schrift iets
anders kan leren, dan wil ik die graag volgen, en doen, wat gij van mij hebt
begeerd en gevorderd."
Daarna sprak koning Sigismund Johannes Husz zelf
aan, en zei, dat hij zou herroepen en zich aan de genade der kerkvergadering
overgeven. Doch Johannes Husz antwoordde, dat hij voor God en zijn geweten zich
van geen dwaling bewust was, en dat hij daarom niets kon
herroepen.
Daarna traden Palets en Michaël de Clausis, de
grootste vijanden van Husz, op, en verontschuldigden zich met de bewering, dat
zij in de gehele zaak niet gehandeld of niets gedaan hadden uit haat, nijd of
enige arglistigheid, maar alleen tot nut en welvaart der christelijke kerk.
Johannes Husz voegde hun toe: "Dit beveel ik aan God, de hemelse Rechter, die
ieders zaak naar recht oordelen zal."
Na deze woorden te hebben uitgesproken, werd hij
weer naar de gevangenis geleid en welverzekerd bewaard. Toen hij daar heen ging,
stond de heer van Chlum bij hem, die hem de hand gaf, vriendelijk toesprak en
hem vermaande tot volharding. Dit verstrekte Husz tot grote vreugde en troost,
omdat hij zich zijns niet schaamde, daar hij toch van alle mensen was verlaten,
en als een boze ketter gescholden en gehaat werd.
In de gevangenis schreef hij vele belangrijke
boeken en brieven, waaruit men bespeuren kan op welk een bijzondere wijze de
Geest Gods door hem sprak en werkte. Hij betuigde, dat hij de lofzangen van
David nooit zo goed verstaan had, dan nadat hij in benauwdheid verkeerde. Wie
zijn brieven verlangt te lezen, onderzoeke de geschiedschrijvers, aangezien die
hier, om het verhaal te verkorten, niet kunnen worden meegedeeld, ofschoon ze
overwaardig zijn gelezen te worden, en er vele voorzeggingen in worden gevonden,
die in later tijd uitgekomen zijn, zoals hij die vroeger uitgesproken en
geschreven heeft.
De dag, voor Johannes Husz verbrand werd, de 6e
juli van het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1115, zond koning Sigismund vier
bisschoppen en de beide boheemse edellieden, de heer Wenceslaus van Tuba en de
heer Johannes van Chlum, tot Husz in de gevangenis om te vragen, wat zijn
voornemen was. Toen Johannes Husz uit de gevangenis tot hen geleid was, sprak de
heer Johannes Chlum hem het eerst aan en zei: "Meester Johannes, ik ben
onwetend, en weet niet, wat ik u, die een geleerd man bent, raden moet; nochtans
heb ik een begeerte aan u voor te stellen, namelijk, indien gij u aan enige
dwaling schuldig kent in de dingen, die u in de kerkvergadering voorgehouden
zijn, dat gij u dan niet schaamt om uw gevoelen en mening aan de kerk
vergadering te onderwerpen, en door haar u te laten onderrichten en alzo te
herroepen. Maar is het, dat gij, naar het rechte oordeel van uw geweten u
daaraan niet schuldig kent, zo wil ik u geen aanleiding geven, dat gij iets
tegen uw geweten doen zoudt, maar veel meer, dat gij alles lijdt, wat te lijden
is, dan dat gij de waarheid, die gij bekent, verloochenen zoudt." Met tranen in
de ogen antwoordde Husz: "Gelijk ik vroeger dikwerf gedaan heb, betuig ik nog
voor de almachtigen God, dat ik van hart bereid ben terstond mijn mening te
laten varen, ingeval de kerkvergadering mij uit de heilige Schrift beter
onderrichten en bewijzen kan, en gezind ben alsdan openlijk onder ede te
bekennen, dat ik vroeger gedwaald heb." Toen zei een der bisschoppen op zeer
bittere wijze: “Ik ben nooit zo stout of verwaand geweest om mijn gevoelen hoger
te achten, dan dat van de gehele kerkvergadering." Husz antwoordde hierop: "Ik
ben ook niet anders gezind; want indien mij de allerminste in deze
kerkvergadering een dwaling kan aantonen, zal ik die graag horen en gewillig en
bereid zijn voor de gehele kerkvergadering te herroepen." "Ziet," zeiden de
bisschoppen, "hoe hardnekkig hij bij zijn dwaling blijft." Na dit gezegd te
hebben, bevalen zij, dat men hem in de gevangenis zou sluiten, terwijl zij naar
de koning terugkeerden.
Des anderen daags werd er een algemene vergadering
gehouden in de Munsterkerk, waar koning Sigismund, met zijn koninklijke kroon
gesierd, en de rijksedelen tegenwoordig was, waarbij ook gezeten waren vele
andere geestelijken en opperpriesters. In het midden van het gestoelte was een
verheven plaats gewaakt, ter breedte van een tafel, en daar nevens stond een
houten blok, waar het heilige misgewaad op gelegd was, waarmee men Husz
ontwijden zou, eer men hem aan de wereldlijken rechter overleverde. Toen alles
gereed was, werd Johannes Husz binnengeleid, die terstond op zijn knieën viel,
en geruime tijd op hoogst ernstige wijze tot God bad. Intussen hield de bisschop
van Londen, uit Engeland, een Latijnse redevoering, en toen deze was geëindigd,
trad de procureur fiscaal op, en begeerde, dat men het proces zou voorlezen,
waaraan voldaan werd.
Johannes Husz nam de vrijheid elk artikel zo kort
mogelijk te beantwoorden; maar, zo dikwijls hij begon te spreken, verbood hem
dit de kardinaal van Kamerijk, zeggende: "Zwijg nu, later mag gij, zo veel gij
wilt, op alles antwoorden." Husz zei: "Och! hoe zal het mij mogelijk zijn in
eens op alles te antwoorden? Ik kan alles niet in mijn geheugen bewaren." Toen
hernam de kardinaal van Florence: "Wij hebben u al genoeg gehoord." Toen Husz
echter niet wilde zwijgen, lieten zij hun dienaren halen, om hem daartoe te
dwingen. Vervolgens begeerde, bad en smeekte de arme man, dat men toch naar hem
horen wilde, opdat de omstanders niet zouden denken of geloven, dat alles waar
was, wat men hem voorwierp. Toen hem dit niet werd toegestaan, viel hij op zijn
knieën, en in een vurig gebed beval hij zijn zaak zijn Heere en Verlosser Jezus
Christus aan, hopende bij Hem te verkrijgen, wat hij
begeerde.
Onder de artikelen, die hem werden toegedicht en
voorgelezen, werd ook beweerd, dat Johannes Husz geleerd had, dat de twee
naturen, de godheid en mensheid, één Christus waren. Nadat alle artikelen
gelezen waren, verzonnen zij een zeer grote godslastering, die zij Husz
aanwreven, namelijk, dat hij zou gezegd hebben, dat hij de vierde persoon in de
godheid zou worden; terwijl een bisschop, die dit artikel voorgelezen had, zei,
dat een leraar het uit de mond van Husz zelf gehoord had. Toen Johannes Husz
verlangde, dat men die leraar met name noemen zou antwoordde de bisschop: "Dat
is nu niet nodig." Op dit antwoord riep Husz uit: "O wee mij, arm mens, die
zulke godslastering moet aanhoren!" Daarna werd weer het artikel voorgelezen, en
als ketters verklaard, dat hij zich op Christus beroepen had. Toen sprak Husz:
"O Jezus Christus, Wiens Woord en Evangelie door deze kerkvergadering openlijk
veroordeeld wordt, ik beroep mij andermaal op U; want, toen Gij door Uw vijanden
uitgelachen en bespot werd, hebt Gij U ook op God Uw Vader beroepen, en Uw zaak
aan Hem, als de rechtvaardigste Rechter, overgegeven en aanbevolen, en ons
daarmee een voorbeeld gegeven, opdat wij ook in zulke omstandigheden, wanneer
wij ten onrechte en gewelddadig onderdrukt worden, een zekere toevlucht hebben
zouden."
Eindelijk las de bisschop Concordiënsis met luider
stem het besluit en het vonnis van de kerkvergadering, waarin Johannes Husz als
ketter verdoemd werd, om ontwijd en de wereldlijken rechter overgeleverd te
worden. Toen dit vonnis van de kerkvergadering voorgelezen werd, sprak Johannes
Husz tussenbeide, ofschoon het hem verboden en verhinderd werd. Toen men hem
daarom van hardnekkigheid beschuldigde, riep hij met luider stem: “Ik ben nooit
hardnekkig geweest, aangezien ik vroeger begeerd heb en nog verlang, dat men mij
uit de heilige Schrift beter onderwijze en lere. Ik beken en belijd, dat ik de
waarheid zo vlijtig en naarstig liefheb, dat ik alle ketterse dwalingen met één
woord omver zou kunnen stoten, waarom ik niet zou schromen, mij aan gevaren
bloot te stellen." Toen in dit vonnis ook zijn boeken als ketters veroordeeld
werden, zei hij: "Waarom veroordeelt gij die boeken, waarvan gij toch niet
bewijzen kunt, dat zij iets tegen de heilige Schrift of tegen de artikelen van
het geloof inhouden?” Bovendien zei hij: "Welk een onrechtvaardigheid is het,
dat gij mijn boeken, die in de Boheemse taal geschreven, die gij gezien noch
gelezen hebt, die gij wegens de taal niet verstaat, nochtans hebt
veroordeeld.”Tussenbeide sloeg hij zijn ogen naar de hemel en bad. Toen
eindelijk het vonnis gelezen was, viel hij op zijn knieën en sprak: “Heere Jezus
Christus. vergeef het mijn vijanden, want Gij weet het, dat ik door hen vals ben
beschuldigd, en dat zij met valse getuigenissen en schandelijkheden mij
bezwaren. Vergeef het hun o Heere door Uw grote barmhartigheid. Het merendeel
van hen, en vooral de opperpriesters, spotte met dit gebed, als ware het uit
geveinsdheid gedaan.
Daarna stonden er zeven bisschoppen op om hem te
ontwijden, en bevalen hem, dat hij de priesterlijke kleding zou aantrekken, wat
hij ook deed. Toen hij de lange witten rok zou aantrekken, zei hij: "Mijn Heere
Jezus Christus, toen Hij door Herodes naar Pilatus gezonden werd, is ook in een
wit kleed bespot."
Als hij het misgewaad aangetrokken had, vermaanden
de bisschoppen hem nogmaals, dat hij zijn gevoelens zou laten varen, en prijs
stellen op zijn eer en leven. Toen hij echter de stellage betrad, sprak hij met
tranen in de ogen tot het omstaande volk: "Deze heren bisschoppen raden mij, dat
ik voor allen belijden zal, dat ik gedwaald heb. Indien het nu een zodanige zaak
gold, die alleen tot schande van een mens verstrekte, zouden zij mij er
misschien gemakkelijk toe bewegen. Maar nu sta ik voor het aangezicht des
Heeren, tot Wiens grote schande en om de wroeging van mijn eigen geweten, ik dit
niet doen kan; want ik weet niet, dat ik ooit iets geleerd heb van wat zij mij
ten laste leggen. Ik heb altijd daarentegen geijverd, geschreven, geleerd en
gepredikt. Met welk aangezicht zou ik de hemel durven aanschouwen? Met welke
ogen zou ik hen mogen zien, die ik onderwezen heb, en wier aantal groot is,
wanneer ik er de oorzaak van werd, om wat zij tot nu toe voor zeker en waar
hebben aangenomen, nu onwaar werd? Zou ik zovele gewetens die door de bondigste
geschriften geleerd, door het heilig Evangelie van onze Heere Jezus Christus
onderwezen en tegen alle aanvechtingen des duivels versterkt zijn, door mijn
voorbeeld beroeren? Neen, gewis niet. Ook zal ik niet toestaan, dat dit mijn
lichaam, dat aan de dood overgegeven is, beter geacht zou worden dan mijn
zaligheid." Nadat Husz deze woorden gesproken had, verweten de bisschoppen hem
weer, dat hij hardnekkig in zijn boosheid voortging en versteend was. Men beval
hem, dat hij van de stellage zou gaan, terwijl men hem daar ontzette van het
priesterschap. Zij ontnamen hem de kelk, zeggende: "O Gij vervloekte Judas! gij
die de raad des vredes hebt verlaten, u met de Joden hebt verenigd, zie, van nu
aan ontnemen wij u deze kelk, in welke het bloed van Jezus Christus wordt
opgeofferd tot verlossing der wereld." Waarop Husz met luide stem antwoordde:
"Maar ik stel al mijn hoop en vertrouwen op mijn God en Zaligmaker, dat Hij de
kelk der zaligheid nimmermeer van mij zal nemen en ik vertrouw vast, dat ik,
door Zijn bijstand gesterkt, die heden in Zijn Rijk zal
drinken.
Daarop ging men voort, hem van de overige kleding
te ontdoen, terwijl zij, als naar gewoonte, telkens wanneer zij hem van een
kledingstuk beroofden, daarbij een schandelijken vloek voegden. Husz antwoordde
daarop, dat hij die bespotting voor Christus' naam en waarheid graag
droeg.
Toen eindelijk de bisschoppen hem van dit
veelvoudig priesterlijk gewaad ontbloot hadden, wilden zij hem verder de
geschoren kruin ontnemen. Doch hierover ontstond tussen hen een hevige twist.
Sommigen wilden hem scheren; anderen meenden, dat het genoeg was als de kruin
slechts met de schaar hier en daar werd weggeknipt. Terwijl dit plaats had,
wendde Husz zich naar de koning, zeggende: “Zie heer, hoe de bisschoppen met
elkaar over deze zaak twisten. Het verwondert mij zeer, dat, aangezien zij allen
even wreed zijn, zij in deze wreedheid niet
overeenstemmen."
Maar zij die wilden, dat men zulks met de schaar
zou doen, kregen de overhand en knipten het haar in drie delen, en wel in de
vorm van een kruis, namen de kruin weg, en voegden er de woorden bij: “Heden
ontzet de heilige kerkvergadering, hier te Konstanz bijeengekomen, Johannes Husz
van de priesterlijke waardigheid en van het ambt, waarmee hij vereerd was, en
betuigt daarmee, dat de tempel en de kerk van God deze mens van zich heeft
gestoten. En aldus beroofd zijnde van haar bescherming, levert zij hem aan de
wereldlijke macht over." Eer dit echter geschiedde, lieten zij een papieren
kroon maken in de vorm van een bisschopshoed, van omtrent een elleboog hoog,
waarop drie vreselijke duivels geschilderd stonden, en waaronder met grote
letters geschreven was: Heresiarcha, dat is: ketterhoofd. Toen Husz die kroon
zag, zei hij: "Mijn Heere Jezus Christus, Die onschuldig was, heeft Zich
getroost voor mij, ellendig mens, een scherper en veel zwaarder doornenkroon tot
de dood te dragen. Waarom zou ik ellendig zondaar, niet deze veel lichtere kroon
graag, om zijn naam en waarheid, tot mijn spot op het hoofd hebben
"'
Toen de kroon op zijn hoofd geplaatst was, zeiden
de bisschoppen: Nu bevelen wij uw ziel aan de duivelen van de hel." Met gevouwen
handen zei Husz daarop, terwijl hij zijn ogen naar de hemel sloeg: “Ik beveel
haar mijn goede Heere Jezus Christus."
In de Hoogduitse taal zei de koning toen tot
Lodewijk, Hertog van Beijeren: "Ga heen, en lever deze mens over aan de dienaren
der Justitie." Terstond ontdeed Lodewijk zich van zijn hertogelijke kleding, nam
Husz mee, leverde hem aan de scherprechters en dienaren der justitie over, en
begeleidde hem tot aan de gerichtsplaats.
Met de papieren kroon op het hoofd tot de
gerichtsplaats geleid, zag hij in het voorbijgaan voor de kerkdeur zijn boeken
verbranden, teneinde daarmee de veroordeling ervan te betuigen. Toen hij dit
zag, lachte hij even, en tot het vuur lopende, voegde hij het daarbij staande
volk toe, dat zij niet moesten denken, dat hij om enige dwaling verbrand werd,
maar dat hij vals beschuldigd, en door onwettige getuigen door zijn bittere
vijanden onderdrukt was; "aangezien zij," zei hij, "niet beter uit de heilige
Schrift hebben geleerd, zoals ik heb ondervonden, wat ik altijd zeer heb gewenst
en begeerd." Het volk, dat hem vergezelde, was voor het merendeel
gewapend.
Toen hij op de strafplaats kwam, viel hij op de
knieën, vouwde de handen, verhief zijn ogen hemelwaarts, bad enige psalmen,
vooral de 31e en de 51e herhaalde met een heldere stem en een blijmoedig gelaat
verscheiden malen de woorden; “In Uw handen, Heere, beveel ik mijn Geest;" zodat
de omstanders hem gemakkelijk konden verstaan. Toen hij aldus, gelijk gezegd is,
gebeden had, zei sommige eenvoudige mensen uit het volk tot elkaar: Wat deze
mens vroeger geleerd en gepredikt heeft, weten wij niet; maar nu horen wij hem
heilige woorden spreken en godvruchtige gebeden doen."
Anderen wensten, dat hij een biechtvader mocht
hebben. Doch een priester, die te paard zat en prachtig gekleed was, zei: "Hij
is niet waard, dat hij gehoord of, dat hem een biechtvader gegeven worde, want
hij is een ketter."
Er is niet aan te twijfelen, of deze smaadredenen
zonden het hart van Husz zeer geschokt hebben, indien het niet in zijn hart
gegrift ware, dat hij om Christus' naam leed, gelijk hij getuigt in de
zendbrieven, die hij uit zijn gevangenis heeft geschreven.
Terwijl hij bad, viel de smadelijke kroon van zijn
hoofd; toen Husz dit zag, kon hij niet nalaten even te lachen. Sommigen van de
handlangers, van welke hij omringd was, zeiden tot elkaar: "Laat ons de kroon
hem weer op het hoofd zetten, opdat hij met de duivels, die hij hier gediend
heeft, verbrand worde."
Daarna stond hij, op bevel der scherprechters en
dienaren der Justitie, op, en bad met luider stem, zodat alle omstanders hem
konden verstaan: Heere Jezus Christus, dit wrede en verschrikkelijk gericht wil
ik graag en ootmoedig ondergaan voor Uw heilig Evangelie en de prediking van Uw
heilig Woord, en bid U, dat Gij al mijn vijanden wilt
vergeven."
Terwijl hij door de dienaren der justitie werd
rondgeleid, zei hij tot alle omstanders, dat zij niet moesten geloven, dat hij
aan enige dwaling schuldig was die hij zou geleerd hebben of voorgestaan; maar
dat zij hem vals waren toegeschreven, en door valse getuigen
verstrekt.
Eindelijk verzocht hij hun, de bewaarders van de
gevangenis ook eens te mogen toespreken, tot wie hij ging en zei: “Ik dank u,
mijn lieve broeders, voor al de weldaden, die gij mij hebt bewezen; want gij was
mij zeer aangename broeders en geen bewaarders van mij. Weet, dat ik standvastig
geloof in mijn Zaligmaker, om Wiens naams wil ik deze dood gewillig onderga,
zeker vertrouwende, dat ik heden met Hem in het paradijs zal zijn." Terstond
bonden zij hem de handen op de rug, en met zes touwen zeer stevig aan een dikken
doorboorden paal, die in de grond geplaatst was. Met het eerste touw was hij
gebonden aan de enkels, met het tweede beneden de knieën, met het derde boven de
knieën, met het vierde om het onderlijf, met het vijfde om het lichaam en met
het laatste onder de armen.
Enige van de omstanders namen het zeer kwalijk,
dat hij met het aangezicht naar het Oosten geplaatst was. Zij bevalen, dat hij
met het aangezicht naar het Westen moest gekeerd worden, omdat hij een ketter
was; wat dan ook terstond geschiedde. Daarenboven was zijn hals vastgemaakt met
een zwarte, berookte keten, die wellicht vroeger in de schoorsteen door iemand
gebruikt was. Toen Husz het hoofd een weinig omdraaide, zag hij die en zei: De
Heere Jezus Christus, mijn Verlosser en zeer lieve Zaligmaker, was met veel
zwaarder en harder keten gebonden om mijnentwil; waarom zou ik, ellendig mens,
mij schamen, om Zijns naams wil, met deze vuile kelen gebonden te worden."
Verder werden onder zijn voeten, die ook geboeid waren, twee bossen hout gelegd.
Toen hij dus gebonden stond, en een boer zag, die hout aandroeg om te helpen
verbranden, zei hij lachende: Sancta simplicitas!" dat is, heilige
eenvoudigheid.
Eindelijk werd hij met hout en stro, dat dooreen
gemengd was, tot aan de hals bedekt. Voor het hout ontstoken was, traden de
hertog Lodewijk en de rijksmaarschalk naar Husz, en verzochten hem, dat hij, om
zijn leven te behouden, nu nog zijn, leringen zou intrekken en afzweren. Terwijl
hij zijn ogen naar de hemel verhief, antwoordde Husz niet luider stem: Ik betuig
voor God, dat, waarvan zij mij met valse getuigen beschuldigen, ik nooit
hebgeleerd noch geschreven. Al mijn predikatiën, onderwijzingen. en geschriften
en al wat ik heb gedaan, heb ik met zulk een hart en alleen met het oogmerk
gedaan, om de mens uit het geweld des duivels te verlossen. Daarom wil ik die
waarheid, welke ik geleerd, geschreven en met uitgegeven geschriften aan het
licht gebracht en met de wet Gods dooi, heilige leraren bevestigd heb, heden
blijmoedig met de dood bezegelen." Nadat hij dit gezegd had, gingen de
maarschalk en de hertog Lodewijk, de handen ineenslaande,
heen.
Toen nu de scherprechter het hout aanstak, riep
Johannes Husz herhaalde malen met luider stem: "Jezus Christus, Zoon des
levenden Gods, ontferm U mijner." En als hij daarna wilde zingen: "Qui natus est
ex virgine," stak er een wind op, die hem de vlam in het aangezicht sloeg,
waardoor hij stikte. Aldus liet deze vrome martelaar, om de belijdenis van
Christus, zijn leven in het vuur. Toen het hout verbrand was, en het bovenste
gedeelte van zijn lichaam nog aan de keten hing, wierpen zij de paal neer,
staken op nieuw het vuur aan sloegen zijn beenderen met stokken en kliefden zijn
hoofd, opdat het te eerder door het vuur zou verteerd
worden.
Onder de ingewanden vonden zij zijn hart nog
onverteerd, dat zij op een scherpen stok staken, het andermaal in het vuur
wierpen, met stokken sloegen en daarna lieten verbranden.
De as van de verbranden martelaar werd in de Rijn
geworpen, opdat er niets van de goede man zou overblijven.
Dit geschiedde de 6e Juli in het jaar onzes Heeren
1415.
Betreffende Johannes Husz werd het volgende versje
gemaakt:
Constantem inconstans
Constantia sustulit Hussum,
Pro Christo ardentem cum subit ille
rogum.
Dat is:
Konstanz, zeer
inconstant,
Heeft Husz met vuur verbrand,
Door kracht vervreemd van
rede.
Hij bleef constant ter dood,
Als Christus' bondgenoot,
En
heeft het vuur geleden.
[JAAR 1416.]
Toen Johannes Husz geruime tijd te Konstanz
gevangen gehouden werd, verscheen ook daar Hieronymus van Praag met grote
kloekmoedigheid, om de onschuld te bepleiten van zijn meester, en zijn leer te
handhaven. Aangezien hij een zeer geleerd en welsprekend man was, meende hij er
zich van verzekerd te mogen houden, dat hij de zaak, wanneer hij geen bijzondere
tegenstand ontmoette, zou winnen. Maar, daar hij bemerkte, dat hem daar lagen
gelegd werden, begaf hij zich des anderen daags naar Ueberlingen, een Rijksstad,
een Duitse mijl van Konstanz gelegen, om de schijn niet op zich te laden alsof
hij zich lichtvaardig in gevaar had begeven. Van daar schreef hij brieven aan
keizer Sigismund, waarin hij vrijgeleide verzocht om op de kerkvergadering te
kunnen komen. Toen hem dit niet werd toegestaan, was hij voornemens naar Bohemen
weer te keren. Op weg derwaarts werd hij betrapt, en door de dienaren van
Johannes, zoon van de hertog van Beyeren, gevangen genomen, die hem aan de
kerkvergadering overleverden, waar hij voor een ketter en navolger van Johannes
Wicklef en van Johannes Husz beschuldigd werd.
De artikelen, waarvan zij hem beschuldigden, waren
deze:
1. De roomse bisschop is gelijk aan een
ander.
2. De waardigheid van het ambt maakt geen bisschop
of pastoor, maar de heiligheid des levens.
3. Er is geen vagevuur.
4. De biddende orde is een duivelse
uitvinding.
5. Paulus is nooit een lid van de duivel geweest,
hoewel hij enige dingen deed, die plegen te geschieden door de boze
gemeente.
6. De twee naturen in Christus, de goddelijke en
menselijke, zijn één Christus.
7. De veroordeling van de 35 artikelen van
Johannes Wicklef, die door de leraars geschiedde, is geheel
onrechtvaardig.
8. Het vormsel, dat door smouten en smeren
geschiedt, is geen sacrament.
9. De oorbiecht is een ijdel verzinsel en leugen,
door mensen bedrieglijk uitgedacht. Het is genoeg, dat ieder zijn zonde aan God
belijdt.
10. De doop behoort men alleen met water te
bedienen, zonder olie of andere dingen.
11. De heiligheid, die men de kerkhoven
toeschrijft, is niets anders dan ijdel en dwaas bijgeloof of een
opraapsel.
12. Er is niet aan gelegen, waar het lichaam
begraven wordt.
13. De gehele wereld is heden de tempel of kerk;
want God wil Zijn godheid overal verbreid hebben. Zij, die enige tempels,
kapellen of bedeplaatsen bouwen, willen Gods heerlijkheid en macht op enge wijze
besluiten.
14. De klederen en versierselen, die de priesters
op de altaar gebruiken, zo ook alle gereedschappen, zijn ten enenmale onnodig en
dwaas voor de godsdienst ingevoerd en er bijgevoegd.
15. Het avondmaal des Heeren mag men ten allen
tijde en aan alle plaatsen houden, waar ook de gelovigen en ware boetvaardigen
vergaderen.
16. Zij, die de gestorven heiligen aanroepen, en
van hen enige hulp wachten, doen vergeefse arbeid.
17. Dit geldt ook van hen, die hun getijden lezen
en opluisteren of zingen,
18. Op iedere dag mogen de mensen arbeiden,
uitgenomen op de Sabbatdag.
19. De heilige dagen behoort men af te
schaffen.
20. De vastendagen, door mensen ingesteld, hebben
niets te betekenen.
Toen de geestelijke gezanten deze artikelen
veroordeeld hadden, beijverden zij zich ook om Hieronymus van Praag te
veroordelen en als ketter te doden. In de gevangenis werd hij zeer wreed
behandeld, daar zij hem gedurende een jaar in een kuil legden, waar hij zon noch
maan zag, en met water en brood gespijzigd werd, terwijl zijn voeten in een blok
gesloten waren, en zo geplaatst, dat het hoofd op de grond onder hem rustte.
Omdat hij in zulk een ellende verkeerde, herriep en verloochende hij, op
aandringen van de geestelijkheid, zijn gevoelens. Dit deed hij uit menselijke
zwakheid, maar later, door Gods genade versterkt, beleed hij de eenmaal omhelsde
waarheid met grotere vrijmoedigheid.
Op de 25e mei 1416, Zaterdags voor de Hemelvaart
des Heeren, hield men in de hoofdkerk te Konstanz een algemene zitdag of
samenkomst der kerkvergadering. Nadat de mis van de Heilige Geest gezongen was,
en de plechtigheden afgelopen waren, werd Hieronymus voorgebracht en scherp
vermaand, dat hij van al zijn dwalingen afstand zou doen, de leerlingen van
Wicklef en Husz herroepen en afzweren, en voorts al1e ketterij verloochenen, dan
zou de kerkvergadering hem alle vriendschap bewijzen.
Hierop antwoordde Hieronymus aldus: “Ik betuig
heden voor mijn God en Heere en voor u allen, dat ik mij aan geen ketterij of
valse leringen schuldig ken, want ik geloof van hart at de artikelen van het
heilige, algemene christelijk geloof, en houd vast wat de algemene christelijke
kerk belijdt. Ik kan ook Wieklef en Husz, als vrome. eerlijke en godzalige
lieden, niet verwerpen. Zij werden ook van vele dingen vals en onwaar
beschuldigd, en vele leringen van hen worden verkeerd voorgesteld. Dat ik dan
zeggen zou, dat zij niet goed geleefd, geschreven of geleerd hadden, of dat het
oordeel en vonnis, over ben uitgesproken, recht is, wil ik in geen geval doen.
Wat ik weet, ja de gehele wereld bekent het, dat zij u geen onrecht gedaan, maar
de waarheid gezegd hebben in wat zij tegen uw onrechtvaardige instellingen en
verkeerde misbruiken gesproken en geleerd hebben. En ofschoon ik voorzie, dat
gij mij doden zult, kan ik nochtans de waarheid niet verloochenen, en beveel
mijn zaak aan God mijn Heere; Zijn wil geschiedde op aarde als in de hemel,
Amen." - Hierna bevalen zij, dat het vonnis, dat uitvoerig tegen hem beschreven
was, zou gelezen worden, waarvan dit de inhoud was: de heilige kerkvergadering
van Konstanz snijdt af en verdoemt Hieronymus van Praag, als een verrotten en
dorre tak van de boom, en als een vervloekten en verdoemden ketter, en dat
wegens zijn dwalingen, lichtvaardig bestaan en hardnekkigheid, en voornamelijk,
omdat hij zijn vroegere herroeping heeft geschonden, en wel met grote verachting
van deze heilige kerkvergadering; levert hem over aan de wereldlijke overheid,
opdat zij hem straft, zodanig als zijn goddeloosheid
verdient.
Toen het vonnis aldus tegen hem uitgesproken was,
werd Hieronymus een kroon (zoals vroeger aan Husz was gedaan) gebracht, rondom
met duivels beschilderd. Zo spoedig hij die zag, wierp hij zijn hoed onder de
daarbij staande priesters, zette de papieren kroon op het hoofd en zei: “ Toen
mijn Heere Jezus Christus voor mij, ellendig mens, zou sterven, droeg Hij op
Zijn hoofd een veel zwaarder doornenkroon. Ik zal daarom ook gaarne met deze, om
Zijner genade en liefde wil, in het vuur gaan." Nadat hij die woorden gesproken
had, werd hij terstond door de gerechtsdienaren gewapenderhand uit de hoofdkerk
naar de gerechtsplaats geleid. Onder het gaan zong hij, met luide stem en een
blij gemoed, terwijl hij zijn ogen naar de hemel hief, het algemeen geloof,
gelijk dit gewoonlijk in de kerken gezongen wordt, en daarna andere lofzangen,
totdat hij buiten de poort kwam aan de plaats, waar Husz vroeger werd
verbrand.
Hij de paal gekomen zijnde, waaraan hij zou
verbrand worden, viel hij op de knieën, en hield zich geruime tijd in stilte met
bidden bezig. Daarna richtten de scherprechters hem op, trokken zijn klederen
uit, en hingen hem een bemorst kleed over de schouders. Toen hij nu aldus met
ketenen aan de paal gebonden stond, werd er rondom hem hout met stro vermengd
opgestapeld, en terwijl men hiermee bezig was, zong Hieronymus andermaal met
luider stem de lofzang van het Paasfeest: “Salve festa dies; toto venerabilis
aero, crua Deus infernum vicit, et astra tenet, &c.
Na het aanheffen van de lofzang, beleed hij het
berijmde algemeen geloof, en sprak het volk in de Hoogduitse taal aldus aan:
“Weet, zeer lieve mannen, dat ik niets anders geloof dan wat ik daar even heb
gezongen, en van de hoofdzaak van het geloof aanneem, gelijk het een christen
betaamt. Maar nu ben ik ter dood veroordeeld, omdat ik aan deze vergadering van
priesters in het veroordelen van Husz geen gelijk heb willen geven; en hij was
toch, om van de oprechtheid zijns levens niet eens te spreken, een getrouw
leraar van Gods wet en het Evangelie van Jezus Christus." Nadat zij hem van het
hoofd tot de voeten met hout hadden omstapeld, en zijn uitgetrokken klederen
daarbij geworpen hadden, wilde de scherprechter het vuur van achteren aansteken,
opdat hij het niet zien zou. Doch Hieronymus zei tot hem: “Kom vrij hier, en
steek het vuur voor mijn ogen aan, want indien ik voor het vuur bevreesd ware
geweest, zou ik op deze plaats, die ik wel had kunnen vermijden, niet gekomen
zijn." Daarna riep hij met luide stem: Heere, in Uw handen beveel ik mijn
Geest." Vervolgens sprak hij op zeer luiden toon in de Boheemse taal: Heere God,
almachtige Vader ontferm U mijner, en vergeef mij mijn zonden; want Gij weet,
dat ik een liefhebber ben van Uwe waarheid."
Toen hij eindelijk door het vuur geheel was
aangetast, zag men aan de beweging der lippen dat hij bad, totdat hij de geest
gaf. Intussen bracht men zijn bed en andere voorwerpen uit de gevangenis, en
deze werden met hem door het vuur verteerd, terwijl de as van zijn lijk, zoals
men ook met die van Husz gedaan had, in de Rijn werd geworpen. Aldus werd deze
geleerde man, om de naam van Christus, tot as verbrand, op de 30e Mei, in het
jaar onzes Heeren 1416.
Poggius uit Florence een pausgezinde, die hij de
gerichtshandel tegenwoordig was, deelt in zekere brief aan Leonardus Bruno van
Arrezzo (Aretinus), de laatste woorden van Hieronymus, aan de geestelijken mee,
waarin Hieronymus, zegt hij, een ongelooflijk verstand getoond heeft, zodat
ieder van de omstanders met verwondering werd aangegrepen. Hij voegt er hij, dat
Hieronymus nooit iets heeft verricht, dat een goed man niet betaamde. Indien hij
het geloof in zijn hart dus omhelsde, als hij met woorden beleed, kon er hij hem
niet alleen geen oorzaak des doods, maar zelfs niet van de minste belediging
gevonden worden." Aan het einde van deze brief zegt hij: aldus is deze (boven
het geloof) voortreffelijke man door het vuur verteerd. Ik heb zijn uitgang
gezien, en elke onderhandeling, met hem gehouden, naarstig onderzocht. Waarlijk,
men zou uit de school van de oude wijsgeren de dood van deze man hebben kunnen
beschrijven. Ik heb u zulke dingen verhaald, omdat zij niet ongelijk zijn aan de
geschiedenis van de ouden. Want Mutius, te weten Scaevola, heeft met zulk een
kloek hart niet geleden, toen er slechts één lid van zijn lichaam namelijk, zijn
hand, verschroeid werd; en Socrates dronk niet zo vrijwillig het vergif, als
deze zich vrijwillig in het vuur begaf."
Sommigen schrijven, dat deze Hieronymus tot de
bisschoppen en andere geestelijken, die hem veroordeelden, zou gezegd hebben:
"Ofschoon gij geen schuld of enige rechtmatige oorzaak tot veroordeling des
doods in mij hebt kunnen vinden, bemerk ik nochtans, dat gij het besloten hebt
en het uw voornemen is, mij eindelijk te doden. Nu sta ik hier voor de
almachtige God, Die alle harten kent; en op Hem, als op de opperste en
rechtvaardigste Rechter beroep ik mij, opdat gij over honderd jaren God en mij
verantwoording en rekenschap geve. Ik weet ook zeker, dat ik na mijn dood u een
scherpen steek in het hart, en een smartelijke knaging in het geweten zal
nalaten. God kome mij met Zijn genade te hulp. en vergeve ulieden uw zonden,
amen."
Door een profetische geest voorzegde hij dit
aangaande de tijden, die na honderd jaren aanbraken. Immers, deze martelaar van
Jezus Christus werd gedood in het jaar 1416; maar later heeft Maarten Luther,
door de prediking van het Evangelie, de waarheid aan het licht gebracht in het
jaar 1517.
Zo zei ook Johannes Husz door een voorzeggende
geest, tot de schriftgeleerden en opperpriesters: gij kunt nu wel de Husz
(hetwelk in de Boheemse taal gans betekent) braden, maar de zwaan, die nog komen
zal, zult gij niet kunnen braden." Waarmee hij zeggen wilde, dat Maarten Luther,
die later komen zou, door hun geweld niet gedood worden.
[JAAR 1417].
Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever, twee
priesters te Reprensburg, in Beijeren, werden, om de Evangelische waarheid, die
zij moedig hadden voorgestaan en verdedigd, in die stad, niet lang na de dood
van Hiëronymus van Praag, verbrand. Vignier zegt, dat dit geschiedde in het jaar
1417.
[JAAR 1417.]
In het jaar 1416 ging Katharina Saube van Thou,
uit Lotharingen, te Montpellier naar de parochiekerk te Sint Firmin tot
bijwoning van de mis. Vijftien of zestien dagen geleden had zij de burgemeesters
der stad gebeden, om in een nonnenklooster opgenomen te worden. De bedoelde
burgemeesters, benevens de ambachtslieden en het volk, samen meer dan 1.500
mensen, gingen in plechtige optocht naar de genoemde kerk, en brachten Katharina
als een bruid naar het nonnenklooster, en lieten haar in een cel opsluiten,
terwijl ieder naar huis terug keerde. Omtrent 2 uur des namiddags. op de 21e
Oktober van het jaar 1117, plaatste Raymond Cabasse, leraar in de heilige
Schrift, Predikmonnik, Vicarius der kettermeesters, zich op de rechter stoel in
het Hoofdstuk hij het raadhuis te Montpellier, in tegenwoordigheid van de
bisschop van Maguelonne, de luitenant des stadhouders, van de vier orden en van
het gehele volk, die het plein voor het raadhuis hadden ingenomen. Daar werd de
genoemde Katharina Saube, die op haar verlangen in het nonnenklooster was
opgenomen, volgens zijn uitspraak in het openbaar voor een ketterse verklaard en
veroordeeld, omdat zij vele veroordelenswaardige dwalingen tegen het katholieke
geloof had verbreid, te weten: dat alleen die mannen en vrouwen tot de
katholieke kerk behoren, die het leven van de Apostelen navolgen; verder, dat
zij de hostie, die door de priester gezegend was, niet wilde aanbidden, omdat
zij niet geloofde, dat het lichaam van Christus daarin tegenwoordig was;
vervolgens dat het niet nodig was aan de priester te biechten, maar dat het
voldoende was wanneer men aan God zijn zonden beleed; dat het even goed was, aan
een vroom lid van de gemeente als aan een kapelaan of priester te biechten; dat
er na dit leven geen vagevuur was, enz.
Nog vier andere artikelen stonden in het stadsboek
geschreven, waarmee Katharina beschuldigd werd.
Deze luidde aldus:
1. Dat er nooit een ware paus, kardinaal, bisschop
of priester is geweest, nadat de verkiezing van de paus niet meer door
buitengewone werken des geloofs bevestigd is,
2. Dat de goddeloze priesters en kapelanen het
lichaam van Christus niet kunnen heiligen. ofschoon zij de sacramentele woorden
daarover uitspreken.
3. Dat de doop, die door een goddelozen priester
wordt bediend, ter zaligheid niets baat.
4. Dat de kinderen, na de doop, voor zij geloven
kunnen sterven, niet zalig worden (aangezien zij niets van weten) dan alleen
door het geloof van hun peters, meters, ouders of
vrienden.
Hij de vier laatste artikelen schijnt het, dat
haar tegenpartij niet ter goeder trouw gehandeld heeft, of dat zij in alles geen
volkomen kennis had van de christelijke godsdienst.
Nadat het genoemde vonnis was gelezen, gaf meester
Raymond Katharina aan de rechter over, terwijl het volk bad, dat hij haar
genadig wilde behandelen; maar de rechter volvoerde het uitgesproken vonnis op
dezelfde dag. Zo werd dan Katharina naar de galg te Montpellier gevoerd, en daar
als een ketterse verbrand. Toen er velen waren, die zeiden, dat zij weer
rechtelijk gedood was, hield de bisschop van Maguelonne. nadat hij voor de raad
de mis bediend had, een predikatie betreffende genoemde Katharina, waarin hij de
ontevredenheid van het volk met vele en scherpe woorden op hevige wijze
bestrafte. Door de strijd en het martelaarschap van deze vrouw werden vele
eenvoudige lieden bewogen, om ook in die tijd van grote duisternis de waarheid
wat naarstiger te onderzoeken.
[JAAR 1418.]
Johan Cobham, ridder, heer van Oldcastel, van
adellijke afkomst, in het koninkrijk Engeland, maar bovenal edel door de kennis
des Heeren Jezus Christus, die de waarachtige en hoogste adel is, was een zeer
ijverig voorstander der waarheid. Met vrijmoedigheid beleed hij dikwerf in het
openbaar parlement des konings, dat het vooral nuttig voor het koninkrijk
Engeland zou zijn, wanneer men de paus van Rome daarover geen heerschappij liet
voeren.
In het koninkrijk Engeland had erin die tijd een
grote vervolging plaats, waarbij, door de geestelijke gezanten, priesters en
monniken, allen dienaren van de antichrist, veel onschuldig bloed, om de
belijdenis van Jezus Christus, vergoten werd; zodat vele godzalige lieden zeer
beangst en benauwd waren, en niet wisten, waar zij vluchten of gaan zouden,
teneinde hun leven te behouden. Maar God, de almachtige en barmhartige Vader,
'bewoog het hart van deze vromen ridder, zodat hij hen allen zeer vriendelijk
ontving, verborg, hielp, beschutte en beschermde. Ja, hij zond ook leraars uit,
die de zuivere waarheid van het Evangelie in de bisdommen van Londen, Roffen en
Hereford zouden prediken, als hoogst nodige arbeiders in de wijngaard des
Heeren. Hij schroomde niet dit te doen, in weerwil dat er, in het jaar 1401 een
vermanende bepaling was uitgevaardigd, dat men hem, die deze teer beleed, hielp
bevorderen, bijstand of gunst bewees, gevangen nemen en doden
zou.
Dat zijn rijk aldus zou verstoord worden, kon de
duivel niet lang verduren, en dreef de geestelijkheid bijeen, om te
beraadslagen, hoe men de waarheid het best kon onderdrukken en uitroeien. Thomas
Arundel, aartsbisschop van Canterbury, een groot vijand van het Evangelie, riep
daarom de geestelijkheid samen in de parochiekerk van St. Paulus, en deed daar
de vraag, welke middelen men zou aanwenden om dergelijke ketterij te
vernietigen. Eindelijk werd besloten, dat men de beschermer der gelovigen, Johan
Cobham, ridder, heer van Oldcastel, in de eerste plaats zou ontbieden, en,
wanneer hij niet ophield deze zaak te ondersteunen, dat men hem dan ook door de
wereldlijke macht zou doen straffen.
Aangezien Johan hij de koning in groot aanzien
stond, reisde de aartsbisschop met zijn geestelijke stoet naar de koning op het
slot Reningion, bracht daar zijn klachten in tegen de heer van Cobham, en bad de
koning te bedenken aan welk groot gevaar, onrust en opstand, door zulk een man,
het koninkrijk Engeland werd blootgesteld. Doch de koning, als een kloek en
verstandig vorst, haastte zich niet, na de klacht van de aartsbisschop, zijn
oordeel uit te spreken. Hij beval de aartsbisschop, dat hij met zijn bisschoppen
enige lijd deze zaak moest laten rusten, aangezien hij met de heer van Cobham
persoonlijk deze zaak wilde bespreken, om het geschil en de tweedracht, die er
tussen hem en de geestelijken bestond, zoveel. hem mogelijk was, uit de weg te
ruimen. Daar de koning echter de vromen ridder van zijn godzalige kennis en
voornemen niet kon af brengen, en de aartsbisschop niet ophield met hem te
verklagen en te beschuldigen, gaf de koning eindelijk de gehele zaak de
bisschoppen over.
Men liet hem schriftelijk uitnodigen, waaraan hij
niet wilde beantwoorden. Daarna riepen zij hem, en daagden hem hij zich door
brieven, die geslagen waren aan de deuren der domkerken te Roffen, twee Engelse
mijlen van het slot Conveling gelegen, waar de heer van Cobham woonde. Toen hij
er later op de bepaalde dag niet verscheen, deden zij hem in de ban, lieten hem
door de dienaren des konings gevangen nemen, en in de Tower te Londen opsluiten.
Toen zij hem nu in hun macht hadden, vergaderden zij, namelijk Thomas,
aartsbisschop van Canterbury, de heer Richard, bisschop van Londen, en Hendrik,
bisschop van Winchester, lieten de gevangene in de vergadering brengen, en
beschuldigden hem van de volgende artikelen:
Van het sacrament des
altaars.
Van de biecht.
Van de verering der beelden.
Van de bedevaarten.
Van de sleutelen en de macht der
kerken.
Aangaande deze artikelen begeerde heer Johan zijn
belijdenis in het openbaar te mogen afleggen. Toen hem dit toegestaan werd, las
hij een brief en beleed, dat onder het hoogwaardig sacrament, onder de gestalte
van brood en wijn, de gelovigen uitgedeeld wordt het lichaam en bloed van
Christus Jezus; dat de ware boetvaardigheid bestond in verbetering van het
leven, met zulk een biecht en voldoening als de Heilige Schrift eist en vordert;
dat de bedevaarten niet nodig waren, want hij, die uit een oprecht geloof zijn
leven betert, verkrijgt het eeuwige leven; hem, die dat niet doet, zullen geen
bedevaarten helpen; dat de beelden, te vereren, en het een hoger te schatten dan
het andere, schandelijke afgoderij is, die jegens God gepleegd wordt, Wien alle
eer alleen toekomt.
Toen hij deze bekentenis had afgelegd, wilden zij
hem verder vragen, hoe hij het woord gestalte verstond, of hij meende, dat het
brood hetzelfde wezen of dezelfde natuur behield, of dat het in vlees werd
veranderd. Doch hij antwoordde, dat hij hij zijn voornoemde bekentenis bleef
volharden. Zij bedreigden hem toen, en zeiden, dat zij de macht hadden hem voor
een ketter te verklaren, wanneer hij zijn bedoeling en gevoelens niet
duidelijker uitlegde. Maar de heer van Cobham bleef hij zijn gegeven antwoord.
Zonder verder in woordenwisseling te treden, gingen zij uit elkaar, terwijl de
heer Johan weer naar de gevangenis werd geleid.
Op Maandag de 25sten September kwamen zij
andermaal samen, terwijl hun aantal vermeerderd was met advocaten en schrijvers
om de rechtszaak te behandelen. Maar aangezien de heer van Cobham in de ban was,
vroegen zij hem, daar niemand die in de ban is voor het gerecht spreken mag, of
hij ook wenste van de ban ontslagen te worden, of vrijspraak begeerde'? Hij
antwoordde, dat hij in dit geval van hen niets begeerde, want dat God hem alleen
kon vrijspreken.
Vervolgens begeerden zij, dat hij op de bewuste
artikelen wat uitvoeriger zou antwoorden. Eindelijk beleed hij, dat het brood in
het sacrament zijn natuur niet veranderde, en, wat de roomse kerk daarvan heeft
vastgesteld, zij dat gedaan heeft tegen de Heilige Schrift, en wel tijdens zij
rijk begon te worden, en alle valse en schadelijke leringen in haar midden de
overhand kregen.
"Wat de biecht betreft," zei hij, “wanneer iemand
zich aan grote zonde schuldig maakt, die hij niet kan overwinnen, dan is het
goed, dat hij tot een priester gaat en hem raad vraagt; maar, dat hij de
priester zijn zonden zou biechten, is tot zaligheid niet nodig, want zodanige
zonden moeten door een waar berouw en zonder de biecht weggenomen en gereinigd
worden."
Wat men zegt van de verering van beelden en de
aanbidding van het kruis, zei hij, dat men alleen de Heere Christus, die aan het
kruis gehangen heeft, moet vereren en aanbidden.
Aangaande de sleutelen en het gezag der kerk,
zoveel de paus, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere geestelijken betreft,
beweerde hij, dat de paus de ware antichrist en het hoofd van de antichrist was,
en de anderen zijn leden, die men niet schuldig is te gehoorzamen, tenzij zij in
leer en leven ware navolgers van Christus en Zijn apostelen zijn; en dat hij
alleen de ware nakomeling van Petrus is, die een vroom en onschuldig leven
leidt, en niemand anders. Onder het opheffen van zijn hand, riep hij zeer luid
tot het omstaande volk: Allen, die gij hier tegenwoordig ziet, om mij in dit
gericht te veroordelen, zullen u allen en ook zichzelf verleiden, en u in de
afgrond der hel doen zinken; wacht u daarom voor hen!"
Toen de priesters deze vrijmoedigheid hoorden,
verdoemden zij hem onderling als een ketter, deden hem in de ban, en leverden
hem over in de handen van de wereldlijken rechter. Aldus werd hij als een ketter
en verachter der koninklijke majesteit, weer naar de Tower te Londen geleid, en
daar gedurende geruime tijd opgesloten.
Dit was echter bovengenoemde geestelijkheid niet
genoeg. Naar alle plaatsen zonden zij plakkaten en brieven, waarin zij
verklaarden, dat allen die onder de bescherming van de edelen heer van Cobham
stonden, als ketters veroordeeld waren, dat niemand hun verblijf verlenen,
ontvangen, bijstaan of behulpzaam wezen zou.
Toert de genoemde heer Johan Cobham geruime tijd
in de gevangenis had doorgebracht, wist hij des nachts uit te breken en zich te
verlossen, en vluchtte met enige anderen naar Cambriam, waai hij ook dagelijks
met de geestelijken streed, en niet naliet het Evangelie van Jezus Christus te
verkondigen. Vier jaren daarna echter nam men hem weer gevangen, en bracht men
hem in de gevangenis te Londen. Onder de regering van koning Hendrik de vijfde,
werd hij op de plaats St. Egidy aan een ijzeren keten opgehangen en daarna
verbrand. Dit geschiedde de 14e December in het jaar der geboorte van Jezus
Christus, onze enige Zaligmaker, 1418.
Aldus werd aan hem zijn eigen voorzegging vervuld,
die hij hij herhaling aangaande zichzelf uitsprak, namelijk, dat hij op aarde
zou omkomen en sterven zoals voormaals de Profeet Elia deze aarde verliet,
waarmee zijn heengaan enige overeenkomst had. Gelijk Elia in een vurige wagen
van deze aarde tot het eeuwige leven werd opgenomen, werd de vrome martelaar
Johan Cobbam, heer van Oldcastel, eerst aan een galg als op een wagen gezet en
opgehangen, daarna een vuur rondom hem aangelegd, en aldus op gelijke wijze door
een vurige wagen opgenomen; en, terwijl hij de geest gaf, voer hij naar de hemel
tot het eeuwige leven.
[JAAR 1420.]
Na de dood van Johannes Husz en Hieronymus van
Praag, namen velen de leer van het heilige Evangelie aan, en gaven met hun bloed
aan de waarheid getuigenis. Onder deze bevond zich, benevens vele anderen,
meester Hendrik Groenvelder, die van de orde des pauselijken priesterdoms tot de
ware kennis van Christus kwam, en te Regensburg verbrand werd, in het jaar
1420.
[JAAR 1420.]
Johannes Krasa, een der voornaamste kooplieden te
Praag, kwam te Breslau, in Silezië, om koophandel te drijven. In die tijd
bevonden zich daar keizer Sigismund en Ferdinandus, een gezant van de paus, om
te overleggen op welke wijze men het best de bewoners van Bohemen de oorlog zou
kunnen aandoen. Terwijl Johannes Krasa in het logement vertoefde, kwam het
gesprek op de godsdienst, waaibij hij de onschuld van Johannes Husz, die ten
onrechte was veroordeeld, en het sacrament van het heilige avond maal onder
beider gestalten, krachtig verdedigde, en werd ten gevolge daarvan gevangen
genomen en in de kerker gesloten.
De volgende dag werd in dezelfde gevangenis
gebracht zekere Nikolaas van Bethlehem, student, die door de gelovigen te Praag
was belast, de keizer te kennen te geven, "dat, indien hij de drinkbeker in het
sacrament des heiligen avondmaals wilde toelaten, zij hem als hun koning zonden
erkennen." Over deze woorden werd de keizer op deze bode in hoge mate
verbolgen.
Toen deze student hij Krasa was geplaatst,
versterkte hij hem door Godvruchtige toespraken, en verblijdde zich, dat hij hem
tot een metgezel in het lijden was gegeven. "Mij broeder Nikolaas, zei hij, welk
een eer is het, dat wij geroepen worden, om getuigenis af te leggen van de Heer
Jezus; laat ons met moed deze kleine onaangenaamheden ons getroosten; de strijd
is kort, de prijs eeuwig. Laat ons gedenken wat een bitteren dood onze Heere
voor ons heeft uitgestaan, door welk onschuldig bloed wij verlost zijn, en welk
lijden de martelaren en maagden hebben verduurd!" Met deze en dergelijke
vermaningen hield hij niet op hem te versterken. Maar toen zij naar de
strafplaats werden geleid, en de touwen, waarmee Nikolaas aan een paard door de
straten der stad zou gesleept worden, hem aait de voeten werden gebonden,
herriep hij, uit vrees voor de dood, en omdat Ferdinandus, de gezant van de
paus, hem het behoud van zijn leven beloofde, zijn gevoelen, namelijk, de
dwaling van Husz, zoals men die zo noemde. Doch Krasa bleef, in weerwil van
alles wat de gezant hem zei, onbeweeglijk als een rots. Langzaam werd hij door
de straten gevoerd, terwijl de gezant van de paus hem overal volgde, en
herhaalde malen uitriep, ja, zelfs gebood, dat de scherprechter moest
stilstaan:,Heb medelijden met uzelf; laat uw dwalingen varen, die de Bohemers
lichtvaardig hebben uitgestrooid!" Hierop antwoordde Johannes: “Ik ben bereid
voor het Evangelie van Jezus te sterven!" Aldus werd hij, meer dood dan levend,
naar de gerechtsplaats gesleept en verbrand. Dit geschiedde de 11e Maart in het
jaar onzes Heeren 1420.
[JAAR 1420].
In hetzelfde jaar, toen Albertus van Oostenrijk
zijn zwager Sigismund, te Praag hulp verleende, namen zijn soldaten te
Arnostowitz gevangen Wenceslaus, pastoor in die plaats; een man door God en de
mensen bemind, en zijn kapelaan, drie werklieden en vier kinderen, van welke het
oudste elf jaren was. De eerste werden gevangen genomen, omdat zij het avondmaal
onder beide gedaanten hadden bediend, de anderen omdat zij daaraan deel. genomen
hadden. Zij werden naar Bystricium, waar het leger lag, tot de overste des
legers gebracht die hen verder naar zijn bisschop zond. De bisschop gebood de
pastoor de bediening van het avondmaal onder beide gedaanten af te zweren, en
bedreigde hem, dat hij anders zijn vermetelheid met de vuurdood zou boeten. Zeer
moedig antwoordde daarop de pastoor: Leert het Evangelie u dit? Is dat in uw
Missalen vervat? Is dat recht? Door dit vrijmoedig antwoord werd de woede der
omstanders derwijze opgewekt, dat een soldaat de pastoor met een ijzeren
handschoen zodanig in het gezicht sloeg, dat het bloed hem de neus en de mond
uitliep. De bisschop zond hem weer tot de krijgsoverste en daarna de
krijgsoverste Item andermaal tot de bisschop. Toen zij hem de gehelen nacht
bespot hadden, werden zij samen des morgens vroeg, op Zondag, naar buiten
gebracht, en de kleine strijders Wenceslaus in de schoot gegeven. Als de
bisschop nog verder aanhield, dat Wenceslaus de drinkbeker in het avondmaal voor
de leken zou afzweren, antwoordde hem de getrouwe herder, zo voor zich als uit
aller naam:
“Dat zij ver van ons! Liever willen wij duizend
doden sterven, dan de waarheid, die zo duidelijk in het Evangelie is
geopenbaard, af te zweren." Terstond werd de scherprechter bevolen, het hout aan
te steken, en zond hen aldus als een welbehaaglijke offerande naar boven,
terwijl de pastoor het laatst van allen de geest gaf. Dit geschiedde de 7e Juli
in het jaar onzes Heeren 1420.
Op de 20sten April 1421 werd ook Nikolaas Hochta
te Praag, om zijn belijdenis der Evangelische waarheid,
verbrand.
[.IAAR 1421.]
De burgemeester van de stad Leitmeritz, Pichel
genaamd, een wreed en bedrieglijk mens, liet ’s nachts vier en twintig van de
voornaamste burgers, en onder die zijn eigen schoonzoon, gevangen nemen, en in
een kelder van een toren, staande aan de St.Michielspoort, werpen. Toen zij door
de honger en koude half dood waren, liet hij hen eindelijk, in overleg met de
bevelhebbers van keizer Sigismund, gewapenderhand eruit halen, sprak het
doodsvonnis over hen uit, deed hun de handen en voeten aan elkaar binden, op
wagens leggen, en beval, dat zij naar de oever van de Elbe zouden worden
gevoerd, om daar verdronken te worden.
Toen het volk dit vernam, liep het samen met de
vrouwen, kinderen, bloedverwanten en vrienden, en weenden en maakten groot
misbaar. Terwijl dit plaats had, verscheen ook de dochter van de burgemeester,
viel met gevouwen handen de vader te voet, en bad om het leven van haar man.
Maar de vader, harder dan een steen, beval haar niet langer te wenen, zeggende,
dat zij niet wist, wat zij bad. Kunt gij, vroeg hij, geen waardiger man dan deze
krijgen? Toen zij zag, dat haar vader niet te verbidden was, stond zij op met de
woorden: "Gij zult mij, o vader, niet meer uithuwelijken. En terwijl zij op haar
borst sloeg, volgde zij, met hangende haren, haren man en de
anderen.
Toen deze martelaren aan de oever van de Elbe
gebracht waren, werden zij van de wagens geworpen. Terwijl de schuiten werden
gereed gemaakt, verhieven zij hun stemmen, riepen de hemel en de aarde aan tot
getuigen van hun onschuld, namen afscheid van hun vrouwen, kinderen en vrienden,
vermaanden hen tot stand vastigheid, drukten hun op het hart, dat zij liever
Gods Woord dan menselijke verdichtselen moesten aanhangen, baden God voor hun
vijanden, en bevalen hun zielen Gode aan. Daarna werden zij in de schuiten
gebracht, naar het midden der rivier gevaren, en gebonden aan handen en voeten,
in de rivier geworpen en verdronken. Met stokken en grote vorken, beslagen met
ijzer, stonden de scherprechters aan de oevers, om te verhoeden, dat zij aan de
oever zouden komen; terwijl zij, die dit, hoewel half dood, beproefden, werden
doorstoken en naar de diepte gestoten.
Toen de dochter van de burgemeester de ogen op
haar man sloeg, sprong zij eindelijk in de rivier, en terwijl zij hem omhelsde,
poogde zij hem uit de stroom te verlossen. Maar, aangezien de rivier te diep
was, en haar man niet kon losgemaakt worden, en het ingezwolgen water hem deed
zinken, verdronken zij beiden, en werden de volgende dag, zoals zij elkaar
hadden omvat, opgehaald en begraven. Dit had plaats de 30sten Mei van het jaar
onzes enige Zaligmakers Jezus Christus 1421.
Deze gebeurtenis werd kort daarna in de
Allerheiligenkerk te Leitmeritz, tot een eeuwige gedachtenis, met gulden
letteren beschreven, en ook afgebeeld in een tafereel voor de poort van St.
Michiel. Op bevel van de commissaris der hervorming, George Micha, werd dit
schilderstuk de 8e Juli 1623 uitgewist en vernietigd.
[JAAR 1421.]
Op de 23sten Juli 1421 werd te Praag in een vat
gesloten en verbrand zekere schoenmaker, Wenceslaus genaamd. Hem werd ten laste
gelegd, dat hij, toen de Priester het sacrament ophief, niet wilde opstaan, ja
daaraan de rug had toegekeerd, en aldus het sacrament
onteerd.
De 26e Februari van hetzelfde jaar werd ook
gevangen genomen Martinus Loquis en beschuldigd, "dat hij de dwalingen van de
Waldenzen, het sacrament des avondmaals betreffende, invoerde; en dat hij met
ergerlijke ontheiliging leerde, dat het brood des avondmaals en de drinkbeker
gegeven woest worden in de handen der Avondmaalgangers."
Op de voorbede van de gelovigen te Tabor werd hij
uit de gevangenis ontslagen, en om de haat en het woeste geweld van zijn
tegenstanders te ontgaan, vatte hij het voornemen op, om met een ander leraar,
Procopius Jednooky, naar Moravië te gaan. Toen zij door Chrudim trokken, weide
zij herkend en door de bevelhebber der stad, Dionysius, gevangen genomen en in
boeien geklonken, terwijl men hun vroeg hoe zij over het sacrament des altaars
dachten. Daarop antwoordde Martinus: "Het lichaam van Christus is in de hemel;
Hij heeft één lichaam en geen meerdere gehad." De bevelhebber, die zulk een
zogenaamde godslastering niet kon verdragen, gaf hem een slag in het aangezicht,
en beval aan denscherprechter zich gereed te houden om de ketter te
verbranden.
Ambrosius echter, pastoor te Hiadisko, die daar
tegenwoordig was, verzocht dat zij aan hem zouden overgegeven worden; hij nam
hen mee naar Hiadisko, hield hen daar vijftien dagen gevangen, en poogde op
verschillende wijzen hen tot bekentenis en herroeping van hun dwalingen, zoals
hij meende, te brengen. Maar hij bevond, dat zij standvastiger waren dan hij
dacht, en zond ben naar Raudnitz. Daar werden zij in een duistere gevangenis
gezet, waar zij gedurende twee maanden, zonder dat iemand toegang tot hen had,
vertoefden, en op onderscheiden wijze werden gepijnigd. Men brandde hun gaten in
het lichaam, totdat de ingewanden er gedeeltelijk uithingen, opdat zij bekennen
zouden waar zij deze dwalingen hadden geleerd, wie hun geestverwanten te Praag
waren, terwijl men ben trachtte te dwingen enige namen der zodanigen bekend te
maken. Toen zij aangespoord werden, dat zij van de weg der dwaling tot de
waarheid zouden terugkeren, antwoordden zij al lachende: “Niet wij, maar u moet
er aan denken om terug te keren; want u bent van Gods Woord tot de bedriegerijen
van de antichrist afgedwaald, en u bidt het schepsel aan in plaats van de
Schepper.”
Als zij tot de strafplaats, waar het vuur
ontstoken was, werden geleid, vermaanden de mispriesters hen, dat zij het volk
zouden verzoeken voor hen te bidden, waarop zij tot antwoord gaven: “Wij hebben
die gebeden niet nodig. Maar christenen, bidt voor uzelf en voor hen, die u
verleiden, dat de allergenadigste Vader geeft, dat u de duisternis mag
verlaten.” Op de gerechtsplaats aangekomen, werden zij beiden in één vat
gesloten en verbrand.
Dit gebeurde de 21e augustus, in het jaar van onze
Heere 1421.
[Jaar 1421.]
Aangaande deze Johannnes Purvey verhalen de
engelse geschiedschrijvers, dat hij een leraar was in de vrije kunsten, en dat
hij van de tegenpartij en de vijanden van de waarheid veel moest lijden. In zijn
jeugd had hij Johannes Wicklef tot onderwijzer, door wie hij in de gronden van
de ware godsdienst goed onderwezen was, en die naderhand dit onderwijs zo goed
wist aan te wenden, dat hij door zijn leer en godzalig leven vele zwakke en
verdwaalde schapen uit de kaken van de wolven redde, en weer tot de schaapsstal
van Christus bracht. Daarom noemde zijn tegenpartij hem smadelijk een
boekverkoper van de Lollarden en een uitlegger van Wicklef. Deze Purvey had in
die tijd, door de kracht van de Heilige Geest, de vrijmoedigheid te zeggen, dat
Rome het verleidende hoerenhuis was van de satan, en dat zijn zo zeer
vergiftigde en geschonden kerk de hoer was, met purper bekleed en met goud
behangen, met wie de koningen en bewoners van de aarde zo lang gehoereerd waren,
dat zij dronken waren van de wijn van haar hoererij, Openb. 17. Thomas Arundel,
aartsbisschop van Canterbury vervolgde hem, liet hem in het jaar 1396 in de
gevangenis werpen, en bracht hem door velerlei pijnigingen zo ver, dat hij in de
St. Pauluskerk te Londen zeven artikelen herriep. Toen hij weer naar de
gevangenis geleid was, bekende en verbeterde hij zijn afval en kleinmoedigheid
zo, dat hij van de waarheid niet afgetrokken kon worden. In het jaar 1421 stierf
hij in de gevangenis, nadat hij onder de aartsbisschop van Canterbury, Hendrik
Chicheley, vreselijke martelingen en pijnigingen had
verduurd.
[Jaar 1422.]
Johannes Zelivaeus was een monnik van de orde van
de Premonstratensen, in het klooster ad Mariam niveam, een van degenen, die
verkozen waren tot de bediening van de consistorie, en beroemd niet alleen om
zijn geleerdheid, maar ook wegens zijn welsprekendheid. Deze had een grote
toeloop, terwijl hij de zuivere leer van de Taborieten verdeedigde; en hij
raadde de bewoners van Praag, dat zij moesten verwisselen van burgemeester. Maar
de bevelhebber van Oud-Praag, Haschok de Welish, die hij dikwijls had bestraft,
maakte met de raad, die voor de helft uit priesters bestond, een samenzwering,
en lokte, de 9e maart 1422, deze Johannes Zelivaeus, met nog twaalf anderen, in
het raadhuis, en lieten hen op staande voet onthoofden. Door het wegvloeien van
zijn onschuldig bloed werd dit bemerkt. Het veroorzaakte een geweldig oproer,
zodat het volk de deur van het raadhuis openbrak, om de lijken van de doden te
vinden. Een van hen bracht het hoofd van Zelivaeus, en terwijl hij dit aan de
voor het raadhuis verzamelde menigte vertoonde, ontstond er zo’n geween en
gehuil, dat het met geen pen is te beschrijven. Direct daarna liet zeker
priester, Gaudentius genoemd, het hoofd in een schotel door de gehele stad
omdragen, en hitste ieder, die hem ontmoette, tot wraak op, waardoor er onder
het volk een oploop ontstond, en er enige raadheren werden vermoord, en de
anderen de vlucht namen, terwijl men de colleges van de academie plunderde, de
lijken van de vermoorde gelovigen in de kerk bracht, waar zij op eervolle wijze
werden begraven.
Toen de predikant het geschrei van het volk
hoorde, en zag, dat de lieden zo verslagen waren, zo zelfs, dat er enigen in
zwijm vielen, en naar buiten moesten gedragen worden, was hij in het begin ook
als verstomd; maar moed vattende, verklaarde hij de woorden van Hand. 8. vs. 2:
“En [enige] godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen [ten grave], en
maakten grote rouw over hem.” Aan het einde van zijn predikatie toonde hij,
onder roerende woorden, tranen en betuigingen, het hoofd van Zelivaeus aan het
volk, en vermaande het ernstig, dat zij alles, wat zij van die getrouwe leraar
gehoord hadden, gedurig moesten bedenken, en al ware het dat een Engel uit de
hemel hun tegendeel leerde, zij hem niet moesten geloven.
[JAAR 1423.]
Willem Taylor, een priester in Engeland, was een
oprecht man, en leidde een onberispelijk en onbesproken leven. Met christelijke
ijver weerstond hij de pausgezinden, en als een getrouw en vroom dienaar van
God, bestrafte hij hun veelvuldige afgoderij op een moedige wijze. De
verschrikkelijke godslastering, die zij met hun valse en verleidelijke leer
dreven, weersprak hij met vrijmoedigheid, en streed daartegen met krachtige
getuigenissen der Heilige Schrift.
Inzonderheid verzette hij zich tegen de aanroeping
van schepselen, en beweerde, dat men het gebed alleen behoorde te richten tot de
almachtige, eeuwige God, waarover hij ook een boek schreef, waarin hij krachtig
bewijst, dat men de heiligen niet behoort aan te roepen.
Ofschoon de dienaren van de antichrist door
velerlei pijnigingen en martelingen hem gedwongen hadden om zijn gevoelens te
herroepen, keerde hij toch later, onder groot leedwezen over zijn afval van de
Heere Jezus Christus, tot de Evangelische waarheid terug, en deed andermaal een
goede belijdenis. In het jaar 1422 werd hij op het Smitsveld te Londen als een
volhardend martelaar en belijder van Jezus Christus verbrand, en dat alleen,
zoals Waldenus schrijft, om het artikel, waarin hij de aanbidding van geschapen
voorwerpen afgoderij noemde.
Jan Draandorp, een edelman uit Meissen, werd in
het jaar 1424, om de belijdenis der goddelijke waarheid, te Worms
omgebracht.
Petrus Tornauw ontving, om dezelfde reden, de
martelaarskroon te Spiers, in het jaar 1426.
]Jaar 1428.]
Willem White, uit Kent, was een geleerd, oprecht,
redelijk en welsprekend man en priester in Engeland. Deze verwierp de pauselijke
leerstellingen, en nam een godzalige, ernstige maagd, Johanna geheten, tot zijn
echte vrouw. Hij hield echter daarom niet op het zuivere Woord van God en het
heilig Evangelie te verkondigen, en arbeidde met des te grotere ijver, om de
kennis en het geloof van Jezus Christus door lezen, schrijven, prediken en
onderwijzen te verbreiden. De hoofdartikelen van zijn leer
waren:
1. Dat men de vergeving van zonden alleen van de
almachtige God moest ontvangen.
2. Dat het ongehuwde leven van de paus en zijn
geestelijken niets anders is dan een duivelse staat, een zware gevangenis van de
antichrist, en daarom een afval der christelijke vrijheid.
3. Dat men de beelden en de andere afgodische
schilderijen niet behoort te dulden.
4. Dat men het gebeente der gestorven heiligen
niet behoort te vereren.
5. Dat de roomse kerk de vijgenboom is, die de
Heere Christus,omdat hij geen vruchten van het ware geloof voortbracht,
vervloekt heeft.
6. Dat de gekapte, gewijde en beschoren
geestelijken, dienaren en krijgslieden zijn van Lucifer; en dat zij allen, omdat
hun lampen niet branden, zullen uitgesloten worden, wanneer de Heere Christus
komen zal.
Toen hij, onder de aartsbisschop, Hendrik
Thirheley te Canterbury, in het jaar 1124 gevangen zat, herriep hij, uit
menselijke zwakheid en uit vrees voor de dood, zijn gevoelens, en bekende, dat
hij gedwaald had. Maar gelijk hij uit zwakheid viel., werd hij later weer in
Christus Jezus veel vromer en krachtiger, en legde andermaal een vrijmoedige
belijdenis af.
Eindelijk werd hij in September, in het jaar der
geboorte van onze enige Zaligmaker 1428, te Norwich door de bisschop, Wilhelmus
genaamd, van dertig artikelen beschuldigd en verbrand.
Zijn huisvrouw, die de heilige voetstappen van
haren man navolgde, stichtte en onderwees ook vele mensen in de vrees Gods,
waarom haar ook door de bisschop veel leed en verdriet werd
berokkend.
[Jaar 1430.]
In het jaar onzes Heeren 1430, kort na de kroning
van Hendrik de zesde, koning van Engeland, leefde te Londen een burger, Richard
Hoveden genaamd, een wolkammer. die, hoewel hij maar een eenvoudig ambachtsman
was, nochtans door generlei aanvallen, aanrandingen, bedreigingen noch
pijnigingen van Wicklef, leer, die hij volgde, kon afgetrokken worden. Ten
gevolge daarvan werd hij door de roomse bisschoppen en geestelijken als een
ketter veroordeeld en hij de Tower te Londen verbrand.
[JAAR 1431.]
Thomas Bagley, een Vicarispriester van de parochie
te Momendem, in het graafschap Essex, was een voortreffelijk leerling en
aanhanger van Wicklef. Hij werd omtrent half vasten, in het jaar onzes Heeren
1431, door de bisschoppen te Londen veroordeeld, ontwijd en levend op het
Smitsveld verbrand.
[JAAR 1131.]
In hetzelfde jaar, 1431, werd Paulus Craw, geboren
in het koninkrijk Bohemen, in de nabijheid van de stad St. Andries, in
Schotland, gevangen genomen en beschuldigd, dat hij daar gekomen was om de leer
van Wicklef en Husz te verbreiden; om welke reden hij door de bisschop Hendrik
veroordeeld werd, en aan de wereldlijken rechter overgegeven, om als ketter te
worden verbrand. De reden waarom hij veroordeeld werd was, dat hij moedig
verwierp en verachtte het boze, afgodische gevoelen van de pausgezinden,
aangaande het sacrament des avondmaals, de aanroeping van gestorven heiligen, de
oorbiecht en andere dingen, die zij op schandelijke wijze in de christelijke
gemeente hadden ingevoerd.
[JAAR 1433.]
Petrus Clarcke, hoogleraar in de wijsbegeerte aan
de hogeschool te Oxford en priester, was een getrouw en ijverig leerling van de
apostolische leraar Johannes Wicklef, waarom hij dan ook in zijn predikatiën
zeer uitvoer tegen de priesters en monniken. In het jaar 1420 streed hij in het
openbaar in de scholen der godgeleerden te Oxford tegen Thomas Walden, en
verzette zich tegen de aanbidding der gestorven heiligen, beeldendienst,
overblijfselen van heiligen, offeranden, tienden, beloften, bedevaarten,
bedelarij der monniken en beweerde, dat de dom me monniken Gods Woord door hun
bijgeloof vervalst hadden. Hij behandelde tien nog met enige verschoning, omdat
hij de onreinheid van het pausdom niet al te zeer wilde aanroeren, teneinde geen
groten stank te veroorzaken. Nochtans moest hij spoedig na zijn twistgesprek,
uit vrees voor de tirannie der pausgezinde Farizeeën en om zijn leven te sparen,
naar Bohemen vluchten, waar hij, door geestelijken ijver aangevuurd, een boek
schreef tegen de synagoge van de antichrist, en nog een ander tegen de
bedelmonniken. Eindelijk werd hij in het jaar 1433 door de dienaren des keizers
gevangen genomen, en evenals Caxtomis en Fabianus omgebracht, doch men weet
niet, welke dood hem werd aangedaan.
[JAAR 1136.]
Thomas Rhedon, te Thenes in Bretagne, in
Frankrijk, geboren, was een karmelieter monnik, en reisde met enige geestelijken
uit Venetië, door Italië, hij had, hoewel hij tot de verbasterde en goddeloze
bedelorde behoorde, in zijn monnikenleven enige kennis der waarheid verkregen De
reden waarom hij Frankrijk verliet en Italië doorreisde, was de hoop, daar enige
godvruchtige monniken te vinden, met welke jij in het geheim en op godsdienstige
wijze zou kunnen leven, en zo dagelijks in alle godzaligheid meer en meer
toenemen.
Hij dacht dit nergens beter te zullen vinden dan
in de stad Rome, daar zij als het hoofd der christenheid en de zetel van de
allerheiligste Apostel Petrus geacht werd. Ziedaar waarom hij naar Rome ging,
waar hij echter alles anders vond dan hij meende. In plaats van heiligheid, vond
hij geveinsdheid; in plaats van geestelijk leven, trof hij er hoogmoed en
verkwistenden overvloed aan; in plaats van vrees Gods, vond hij er niets dan
verachting van Goden vreselijke godslastering.
In zijn predikatiën bestrafte hij eindelijk hevig
dit schandelijk leven, vooral dat van de kardinalen en opperpriesters, die zich
nog wel geestelijke hoofden der christenheid noemden. Maai, aangezien de
duisternis het licht niet kon verdragen, en de waarheid de vijandschap groter
maakte, beschuldigden zij Thomas als een ketter, om de volgende
artikelen:
1. De kerk heeft een hervorming nodig, zeker is
het, dat zij zwaar zal gestraft en hervormd worden.
De gelovige Joden, Turken en heidenen, die
Mauritanië (Noordkust van Afrika) wonen, zullen in de laatste tijd ook tot de
Heere Christus en het christelijk geloof bekeerd worden.
3. Dat Rome vol was van verschrikkelijke
gruwelen.
4. Dat de ban van de paus, wanneer die
onrechtvaardig toegepast werd, niet te vrezen was; dat ook zij, die hem
verachtten, niet zondigden.
In die tijd regeerde te Rome paus Eugenius IV,
voor wien Thomas geroepen werd. Toen hij daar verscheen, werd hij in de
gevangenis geworpen. Als hij daarin enige tijd vertoefd had, en op velerlei
wijze gepijnigd, werd hij vervolgens van zijn priesterschap ontzet en daarna
verbrand, en wel in het jaar van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1436, vier
jaren, nadat hij te Rome was gekomen.
[JAAR 1453.]
Reijnold Pebocke, bisschop te Chichester, werd
door de valse bisschoppen in Engeland, om de belijdenis van de ware leer van het
evangelie, op vreselijke wijze verdrukt; en, zoals enige schrijven, nadat hij
van zijn bisschoppelijke waardigheid ontzet was, tot aan zijn dood gevangen
gehouden, ofschoon anderen menen, dat hij in het geheim werd
omgebracht.
[JAAR 1455.]
Hij wijze van geschiedenis, zouden wij zeer veel
kunnen meedelen aangaande de gelovigen in de eerste tijd der hervorming, toen
zij nog weinig verlicht waren, en toch velerlei martelingen met standvastigheid
verdroegen, doch door het lang tijdsverloop zijn vele namen van hen verloren
gegaan. Het kan ook geen verwondering baren, dat de onderdrukking van de
zogenaamde geestelijkheid zich uitstrekte tot de burgers en de mindere standen,
aangezien zelfs de priesters en bisschoppen niet van de verdrukking verschoond
bleven. In welke staat, toestand en betrekking de mensen zich ook bevinden, wat
die ook zij, kan God, als Hem dit behaagt, enige daaruit in Zijn wijngaard
trekken. Baleüs, een engels geschiedschrijver, verhaalt van zekere Mattheüs
Hager, die, om de belijdenis van het heilige Evangelie, en omdat hij, zonder
twijfel, de zaak van Johannes Husz in Duitsland voorstond, te Berlijn werd
omgebracht in het jaar onzes Heeren 4455.
[JAAR 1473.]
In het jaar 1473, tijdens de regering van koning
Eduard de vierde, werd Johannes Goose (dat is gans) een zeer godzalig en
standvastig dienaar van Christus, om de goddelijke waarheid, als een ketter
veroordeeld, en in Augustus op het plat van de Tower, of de gevangenis te
Londen, levend verbrand.
[JAAR 1479.]
Deze man was een dokter in de godgeleerdheid en
prediker in de stad Worms, waar hij in het jaar onzes Heeren 1470, onder groten
toeloop van hoorders, het Evangelie verkondigde. Doch de vijanden der waarheid,
die dit niet konden verdragen, legden hem listen en lagen, en namen hem
eindelijk gevangen. Naar aanleiding van enige artikelen, ontleend aan zijn
predikatiën en geschriften, beschuldigden zij hem van ketterij. Onder andere
dingen hield hij vol, dat alle christenen zalig worden uit loutere genade en
door het geloof in Jezus Christus; dat de mens geen vrije wil, dat is de
genegenheid en begeerte tot het goede, had; dat men alleen het Woord van God
moet geloven en niet de uitleggingen van de kerkvaders, en dat dit Woord van God
door zich zelf moet verklaard worden, en wel door vergelijking van de ene tekst
met de ander; dat de geestelijken geen macht hebben om enige wetten te geven
voor het gewetens der mensen, of om aan de Heilige Schrift zulk een uitlegging
te geven, als hun goed dunkt. Hij verwierp ten enenmale alle inzettingen, zoals
het vasten, om daarmee iets te verdienen, de vergeving van zonden door de paus,
de bedevaarten en andere bijgelovigheden. Hij verwierp verder het laatste
oliesel en het vormsel, keurde de oorbiechten de priesterlijke voldoening af.
Betreffende de oppermacht van de paus zei hij, dat dit maar een droom was, en
dat hij vreesde, dat de godgeleerden van vroeger tijd de teksten der Heilige
Schrift zeer verkeerd uitlegden en niet verstonden. Het huwelijk der
geestelijken en de bediening van het avondmaal onder beide gestalten keurde hij
goed.
Als een ketter werd hij ter dood veroordeeld, en
te Mainz, in het jaar onzes Heeren 1479, in het openbaar omgebracht. Deze daad
mishaagde vele voortreffelijke mannen, die door de vonken der waarheid
enigermate waren ontstoken, onder wie waren Johannes Keijserbergh en Eugelinus
Bruijswijck, beide doktoren in de godgeleerdheid, die vrijmoedig betuigden, dat
de monniken hem uit haat en nijd hadden gedood, en dat het merendeel van zijn
artikelen, uit zijn predikatiën bijeengebracht, niets onberispelijks
inhield.
[JAAR 1490.]
De geschiedschrijver Faventius verhaalt, dat er op
het eiland Kandia een man was van het geslacht der hertogin, die, om de
belijdenis van de Evangelische waarheid, beschuldigd, en door Petrus Thomas,
gezant van de paus, daar als een ketter veroordeeld werd, en eindelijk terwijl
hij buitengewoon standvastig bleef, verbrand; terwijl de anderen, die om
dezelfde reden veroordeeld waren, hun gevoelens herriepen. Dit had plaats in het
jaar onzes Heeren 1490.
Bovengenoemde schrijver meldt ook, dat deze gezant
het lijk van zeker iemand, die daar gestorven was, liet opgraven, en op de aarde
werpen, aangezien hij na zijn dood van ketterij werd
beschuldigd.
[JAAR 1490.]
In Engeland bevond zich een ridder, Rogier Dule
genaamd, die, om de belijdenis en het voorstaan der goddelijke waarheid, werd
opgehangen en geworgd, en wel in het jaar 1490.
[JAAR 1494.]
Opmerkelijk is het, dat om de getuigenis van het
Evangelie te vereren, geen stand of soort van mensen uitgesloten was, die door
God geroepen waren, om van Hem en Zijn waarheid getuigenis te geven. Zo zijn er
heerlijke voorbeelden van vrouwen, die, niet mannelijke standvastigheid,
allerlei pijnigingen en martelingen, om de naam van Jezus Christus, verduurden.
In het jaar 1491t, het gle jaar der regering van Hendrik de zevende, koning van
Engeland, werd, op de 2811 April, een zeer eerbare weduwe, Johanna Bougton,
moeder van vrouw Young, die meer dan tachtig jaren oud was, op het Smitsveld te
Londen levend verbrand, omdat zij van de artikelen van Wieklef vrijmoedig beleed
en voorstond.
[JAAR 1498]
Hieronymus Savonarola, een Italiaan, de 25e
September 1452 te Ferrara geboren, werd door zijn vader Nikolaas, een voornaam
man, aan zeer geleerde onderwijzers overgegeven, om onderwezen te worden in alle
kunsten en wetenschappen, waarin hij zulke vorderingen maakte, dat hij reeds in
zijn jeugd een boek schreef over de bedeling der wetenschappen, dat het bewijs
gaf van bijzondere geleerdheid en godzaligheid.
Op rijpere leeftijd gaf hij zich geheel over aan
het naarstig onderzoek van de leer der godzaligheid. Om dit te beter te kunnen
doen, liet hij de twisten van de drogredenaars en kanonisten varen, en
onderzocht met naarstigheid en vlijt de geschriften der oude kerkleraars.
Spoedig bemerkte hij echter, dat hij in zijn vaderstad zijn studie niet goed kon
voortzetten, en vertrok daarom naar Florence, waar hij zich onder de Dominikaner
orde liet opnemen.
Hij zijn verblijf onderzocht hij met grote
naarstigheid de kerkelijke geschiedenis en de geschriften der kerkvaders,
vergeleek die met de Heilige Schrift, en bevond dat de roomse kerk zich op
jammerlijke wijze aan menselijke overleveringen en instellingen had overgegeven,
en dat het gedrag van de toen levende bisschoppen zeer afstak hij dat van de
vroegere.
Toen de monniken van het klooster zijn grote
geleerdheid bemerkten, droegen zij hem het predikambt op, dat hij gewillig
aannam en met ijver bediende. Ofschoon hij in het begin van zijn predikambt zeer
verschonend te werk ging, bestrafte hij nochtans, omtrent het jaar1483, met
grote gestrengheid in het openbaar in de Geminianuskerk, de dwalingen,
bijgelovigheden en onkuisheid der geestelijken, en beweerde, dat de roomse kerk
weldra zou ondergaan, wanneer er niet een algemene hervorming plaats had.
Hierdoor haalde hij zich vele vijanden op de hals, zodat hij genoodzaakt werd
Florence te verlaten, en zich naar andere plaatsen te begeven, waar hij, en
vooral te Brescia, met vrijmoedigheid predikte.
Na zeven jaren, en wel in het jaar 1490, keerde
hij echter naar Florence terug, waar hij, de eerste augustus, begon met de,
verklaring van de Openbaring van Johannes, en op de roomse kerk
toepaste.
In de vasten van het volgende jaar, 1491, predikte
hij in de St. Liberatakerk, en bedreigde zo hevig als ooit tevoren de
kerkdienaren met Gods gramschap, om de vele dwalingen waaraan zij schuldig
waren. Aangezien het volk in grote menigte van alle kanten toeliep, en met
gretigheid en aandacht hem de genade van God in Christus hoorde verkondigen,
verweten enige afgunstigen hem, dat hij een oproerig mens was, die het volk naar
zich zocht te trekken, dat hij wat nieuws voor had, en meer zijn eigen dan
Christus' ere zocht; wat alles nochtans valse en opgeraapte lasteringen
waren.
Maar door deze lasteringen van zijn tegenpartij,
werd hij echter niet van zijn schuldigen plicht afgeschrikt. Terwijl hij gedurig
aanhield met bidden, lezen, overdenken, schrijven en prediken, besteedde hij
zijn tijd uitermate goed, gelijk blijkt uit de talrijke en onderscheiden werken,
die hij schreef, zowel in de Latijnse als in de Italiaanse taal, en voornamelijk
uit zijn overdenkingen en verklaringen van enige Psalmen van David, zoals van de
31ste, 51ste, 80ste en het gebed des Heeren, gewoonlijk het "Onze Vader"
genaamd.
Nadat hij gedurende enige jaren het Woord Gods te
Florence gepredikt had, (zo getuigt Franciskus Guicciardino, Florentijns
edelman, in zijn geschiedenis van de Italiaanse oorlogen,) kreeg hij hij het
merendeel van het volk de naam en het gezag van profeet, en wel omdat hij ook
(zelfs wanneer men in geheel Italië geen zweem van oorlog bemerkte, en er grote
rust en vrede genoten werd,) menigmalen in zijn predikatiën voorzegde. dat er
vreemde heirlegers in Italië komen zouden, en wel met zulk een verbazende
menigte van mensen, dat er geen steden, met welke hechte muren ook, noch legers
sterk genoeg zouden zijn, om deze vreemde macht te kunnen weerstaan. Hiermee zag
op de spoedig volgende oorlog van Karel de achtste, koning van Frankrijk in
Italië, die hij voerde om het koninkrijk Napels in bezit te krijgen. En,
aangezien hij zei, dat deze en dergelijke dingen hem dooi, openbaring waren
meegedeeld, murmureerden er velen tegen hem, en haalde hij zich ook de haat op
de hals van de paus en van vele aanzienlijken te Florence.
Zijn uitwendig leven getuigde van een godzaligen
wandel, en zijn leerredenen waren tegen allerlei zouden en gruwelen gericht,
zodat hij daardoor velen tot verbetering des levens
bracht.
Toen nu, gelijk hij voorzegd had, Karel de
achtste, koning van Frankrijk, met een machtig leger in Italië kwam, om zich van
het koninkrijk,Napels meester te maken, stond Pietro de Medicis, buiten weten
van de Raad van Florence, de koning enige steden en kastelen af, teneinde
daardoor als het ware zijn gunst te kopen. Hierdoor viel hij in ongenade hij de
burgers, die hem haatten, en eindelijk noodzaakten de stad te verlaten, terwijl
hij zijn paleis en bezittingen ten roof moest achterlaten en zich door de vlucht
moest redden.
Enige kwaadwilligen verweten dit verraad aan
Hieronymus, alsof het met zijn voorkennis en op zijn raad geschied was.
Hieronymus was, integendeel, hij de komst van de koning hem tegemoet gegaan, en
drong er hij hem in de naam van God op aan, dat hij de Florentijnen hun steden
en kastelen zou teruggeven. Onder andere beweegredenen, bedreigde hij ook, dat,
wanneer de koning zijn eed, die hij op de heilige Evangeliën en als voor de ogen
van God gezworen had, niet nakwam, hij binnenkort door God zwaar zou gestraft
worden, ofschoon hij in een ander opzicht de oorlog van de koning voor een
goddelijke oorlog moest houden.
Ofschoon de koning naar Frankrijk terugkeerde,
hield Hieronymus niet op te verkondigen, dat de koning van Frankrijk andermaal
naar Italië komen zou, om de last, die God hem had opgelegd, te volbrengen, te
weten, om de kerk door, het zwaard te hervormen en de tirannie van Italië te
kastijden, en indien hij dit niet deed. God hem zeer zwaar zou straffen.
Hierdoor ontstond grote onenigheid tussen de burgers van Florence; de een hield
het met Hieronymus, en hoopte, dat de koning van Frankrijk zou terugkeren, en de
andere partij, die de talrijkste was, wilde, dat men de zijde van de ligue (het
verbond) zou kiezen, en alle hoop op de koning zou laten varen. Zij zeiden, dat
het slechts dwaasheid was, daarop te wachten, en dat broeder Hieronymus een
ketter was, die men in een zak behoorde te binden en in de rivier te werpen.
Wegens zijn vele voorstanders, die hij te Florence had, durfde nochtans niemand
de hand aan hem slaan.
Intussen schreven paus Alexander de zesde en de
hertog van Milaan herhaaldelijk brieven aan de bestuurders van Florence, waarin
zij hun verzekerden, dat zij hun de stad Pisa en andere plaatsen zouden
teruggeven, als zij de vriendschap Frankrijk zouden verbreken, en de genoemde
broeder nemen en straffen.
Om de gunst van de paus te winnen, veranderde de
regering van Florence, onder welke vele vijanden van Hieronymus waren, van
gevoelen, zoals meermalen geschiedde, en zette het volk tegen hem op, terwijl
men beval hem uit het klooster te halen, waaraan voldaan werd. Met twee andere
monniken, Dominico de Pescia en Sylvester, werd Hieronymus tot de regering
gebracht, en met zijn geestverwanten in de gevangenis gezet. In het oproer, dat
daarover ontstond, werd een der regeringsleden van de stad, Franciskus
Vallerius, een getrouw vriend van Hieronymus, dood
geslagen.
Toen de paus vernam, dat zij gevangen zaten, zond
hij twee gezanten, namelijk, de generaal der Jakobijnen en de bisschop Romolin,
om de zaak te onderzoeken.
Op de 9e april 1490 werden er enige gekozen,voor
wie Hieronymus en zijn metgezellen zouden terechtstaan, en wel vanwege de raad,
die de voornaamste ambten bekleedden, zeven mannen, vanwege de gemeente negen en
vanwege de paus twee. Men begon eerst met zachte woorden, daarna met dreigingen
en eindelijk met martelingen Hieronymus te ondervragen, en wel naar vele
zonderlinge dingen, waarvan men hem verdacht, doch die hem voor het merendeel
vreemd waren. Aangezien hij volstandig in zijn gevoelens volhardde, en deze niet
wilde herroepen, werden zij derwijze op hem verbitterd, dat zij hem die dag tot
twee malen op de pijnbank legden, en op de jammerlijkste wijze mishandelden,
welke martelingen en wreedheden hij echter met groot geduld,
doorstond.
Van de 11e tot de 19e april werd het verhoor van
Hieronymus voortgezet, doch zonder hem, zoals vroeger plaats had, te pijnigen,
maar nu op de laagste wijze hem te bespotten, en met scheldwoorden tegen hem uit
te varen, zoals gelijk bekend is, de vijanden van Christus gewoon zijn de
verdrukte belijders van de waarheid te behandelen. Eindelijk werden, op hun
eigen verlangen, zijn bekentenissen op vier en twintig vellen papier opgetekend,
en op de 19e april hem voorgelezen, terwijl hij gedwongen werd die te
ondertekenen, ofschoon er niets in gevonden werd waarom men hem met recht ter
dood kon veroordelen, aangezien hij zich op elk punt zeer gepast wist te
verantwoorden. De reden waarom hij sterven moest, was vooral, dat hij de paus en
zijn zich noemende geestelijken te veel had aan de kaak gesteld, en hun
bijgelovigheden en dwalingen in zijn predikatiën openlijk had aangewezen en
bestraft.
Hij het laatste onderzoek waren er nog meer
tegenwoordig dan hij de voorgaande, en wel de afgevaardigden Adimaris, Rainaldus
de Orsinis, Vikarius van de bisschop van Florence, voorts Castellanus de
Castellanis, dokter in de rechten, Franciskus Salviatus, prior van het St.
Markusklooster en nog vijf andere monniken van dit
klooster.
Weinige dagen daarna zond de paus naar Florence
Joachini Turranus, een Venetiaan, vikarius van de orde der predikheren, en
Franciskus Ramalithius, dokter in de beide rechten, een Spanjaard,die vanwege de
paus eisten, dat de Raad van Florence de drie gevangenen in hun handen zou
overleveren, waaraan terstond werd voldaan. De een na de ander werd door de
inquisitie in het verhoor genomen, hun leer op hatelijke wijze verdraaid,
terwijl men hen met bedreigingen daarvan zocht af te trekken. Doch Hieronymus en
zijn medegevangenen bleven volstandig hij wat zij verkondigd hadden, en wilden
dit niet herroepen, veel minder beloven iets anders aan te nemen. Vervolgens
kwam de voorzitter van de raad, met de bovengenoemde gezanten van de paus samen,
en las enige artikelen, die zij hadden opgetekend, aan het volk voor, als
redenen en bewijsstukken waarom zij Savonarola en zijn medebroeders billijk,
zoals het heette, verdoemden en ter dood veroordeelden.
Nadat zij hem deze en vele andere artikelen, die
zij of uit zijn boeken getrokken, of in zijn of hun predikatiën van hem hadden
gehoord, hadden voorgehouden, vroegen de genoemde gezanten van de paus aan
Hieronymus en zijn metgezellen of zij hun gevoelens wilden laten varen, openlijk
herroepen, en de paus om vergiffenis vragen, dan of zij het vonnis daarover
wilden afwachten. Zij antwoordden echter, dat zij, door Gods genadige hulp,
volstandig wilden blijven in de betuigde waarheid, en niet in het minst daarvan
afwijken, aangezien zij vast vertrouwden op en verzekerd waren van de zaligheid
hunner zielen.
Door de bisschop van Utasie werden zij, de een na
de ander, van hun priesterlijke waardigheid ontzet, en alzo aan het wereldlijk
bestuur van Florence overgegeven, met dringend bevel, uit naam vanwege de paus.
dat zij als onverzettelijke en hardnekkige ketters ter dood gebracht zouden
worden.
Op de 23e mei 1498 werden zij op de markt te
Florence eerst opgehangen, en daarna hun lijken tot as verbrand en die as in de
rivier de Arno geworpen. Aldus bevestigden deze godzalige martelaren hun leer
met hun bloed.
Op deze Hieronymus Savonarola heeft de geleerde
dichter Flaminius het volgende vers gemaakt:
Dum fera flamma
tuos, Hieronyme pascitur artus
Religio Sanctas delania ta comas;
Fovitae,
o dixit, crudeles parcite flammae,
Parcite, sunt isto viscera nostra
rogo.
Dat is:
Tewijl Hieronymus moest
in het vuur verbranden,
Stond Religio bedroefd met haar beide
handen
Verdrietig in het haar, en koesterde de held,
En sprak: Ach hete
vlam, doe hem toch geen geweld.
Hij is mijn hart, mijn vreugd, mijn ingewand
en leven;
En die zijn, nu met hem aan ’t wrede vuur gegeven;
ik sta daarom
bedroefd en wonder ongerust
Het schijnt nu dat het vuur de grote ijver
blust.
[JAAR 1503.]
Op de 25sten Augustus 1503 rukte Hemondt Picard,
in de kapel van het paleis te Parijs, uit de hand van een priester, die de mis
bediende, de hostie, verbrijzelde die en wierp haar ter aarde in de
tegenwoordigheid van de gehelen adel. Om deze daad werd hij in de gevangenis
gezet, en door mr. Jan Standum hij herhaling en dringend aangeraden, dat hij om
vergiffenis zou bidden. Doch, aangezien hij dit niet wilde doen, werd hij
spoedig daarna verbrand.
[JAAR 1503.1
In het jaar 1503 werd te Salisbury levend verbrand
een zekere Richard Smart en wel, omdat men bevond, dat hij de geschriften van
Wicklef gelezen en anderen geleerd had, dat het sacrament des altaars niet het
ware lichaam van Christus is, en ook omdat hij aan zekere Jan Stilman de
geschriften van Wicklef had geleend.
[JAAR 1504.]
Onder de regering van Wladislaus, koning van
Bohemen, in het jaar onzes Heeren 1504, liet de baron van Schamberg, zes mannen
behorende tot de rechtzinnigen, die zich toen Fratres unitatis, dat is, broeders
der eendracht, noemden, in het dorp Augesd hij Tusta gevangen nemen, en in de
stad Boi veroordelen om verbrand te worden. Hun namen waren Matthias Prokop,
schoenmaker, Johannes Shimonovita wever, Bartholomeus Icranovita, kuiper,
Johannes Herbeck, pottenbakker en de broeders Johannes en Nikolaas Madribka
bouwlieden. Toen zij naar de strafplaats geleid werden, vroeg hun de baron in
welk geloof zij zo hardnekkig wilden sterven. “In dat geloof," zeiden zij,
"hetwelk alleen rust op Jezus Christus, Die van God gegeven is als de enige
Verzoener der wereld, de enige hoop en zaligheid van allen, die in Hem
geloven."
Zij toonden zeer kloekmoedig hun vonnis te willen
ondergaan. Toen de overste aan Nikolaas, die hij boven de anderen zeer genegen
was, het leven beloofde, zo hij slechts enige tijd van beraad, al ware het ook
een geheel jaar, eiste, antwoordde Nikolaas, na een ogenblik te hebben
nagedacht, onmiddellijk, Ik wil liever met mijn andere broeders om de goddelijke
waarheid sterven, dan hen, na zulk een kleinen tijd alleen te volgen; en alzo
betrad hij met de anderen de brandstapel.
[JAAR 1507.]
In het jaar onzes Heeren 1507 werd Thomas Norice,
geboren te Brochfort, in Suffolk, door de bisschop veroordeeld om levend
verbrand te worden, omdat hij geweigerd had, de afgestorvene heiligen en hun
beelden te aanbidden, of die te begroeten met het gebed des Heeren. Geduldig
verdroeg hij dit lijden te Norwich en wel op de 31e Maart.
[JAAR 1508.]
Wij zullen hier een voorbeeld verhalen, waarin de
almacht en rechtvaardigheid van God zich duidelijk hebben getoond. Hierin zullen
de christenen ook zien, dat God dikwerf zijn rechtvaardig oordeel in het
openbaar bewijst, en wel in het straffen van de vervolgers Zijner uitverkoren
schapen, die om de naam van Christus liever alles leden, en gewillig allerlei
martelingen uitstonden, dan de waarheid te verzaken.
In Chepingsadhery, een stad in Engeland, in het
jaar van onze enige Zaligmaker en Heiland Jezus Christus 1508, werd een zeer
godzalige vrouw, om de belijdenis van het Evangelie, verbrand, en wel onder de
regering van Hendrik de zevende, koning van Engeland. Gelijk de standvastigheid
van deze godzalige vrouw zeer heerlijk en troostrijk is voor alle christenen,
die zich daarover zullen verwonderen, zo is ook de straf, de onrechtvaardige
vechter, de kanselier van de bisschop, overkomen, voor alle pausgezinden, die
niet ophouden de leden van Christus' gemeente te vervolgen, een afgrijselijk
schouwspel, waarin zij kunnen zien, dat God niet alleen in de toekomende, maar
ook in deze tegenwoordige wereld zulke tirannen in het openbaar,
straft.
De naam van deze vrouw, die, omwille van het
Evangelie, de wrede vuurdood niet vreesde, is niet bekend. De kanselier, die
haar onrechtvaardig ter dood veroordeelde, heette Dr. Whytington. Mr. Fox, die
het engelse martelaarsboek geschreven heeft, zegt duidelijk, dat de dood van
deze standvastige vrouw hem eerst bekend werd korte tijd voor hij het eerste
stuk van zijn geschiedenis in het licht gaf; waarin hij de geschiedenis van de
martelaren verhaalde, die in Engeland, om de naam van Christus stierven. Hieruit
is op te maken, dat God de Heere niet wilde toelaten, dat de lofwaardige
standvastigheid van deze vrouw aan de vergetelheid zou worden prijs gegeven,
maar veel meer dat haar lijden allen nakomelingen in volgende tijden openbaar en
bekend zou zijn. Niet zonder beschikking van Gods voorzienigheid werd deze
geschiedenis hem bekend, opdat hij die aan het laatste gedeelte van zijn boek
zou toevoegen, zoals hij ook met getrouwheid deed, gelijk hier
volgt.
Nadat deze godzalige vrouw en manmoedige
martelares, om de belijdenis der waarheid, door de kanselier Dr. Whytington ter
dood veroordeeld was, en de tijd aangebroken, dat deze vrouw naar de plaats zou
gebracht worden, waar, zij zich zou opofferen, had er een grote toeloop van volk
plaats, door de lieden die van alle kanten en dorpen, in de omtrek liggende, en
vooral uit de stad samen kwamen, om getuige te zijn van de volbrenging van het
vonnis. Onder de menigte volgde ook Dr. Whytington, de kanselier, teneinde het
vonnis, dat hij over deze onschuldige had uitgesproken, te zien uitvoeren. Toen
men op de gerechtsplaats kwam, werd deze gelovige vrouw en dienstmaagd van Jezus
Christus aan een paal gebonden. Nadat men om haar lichaam stroriet geplaatst
had, bereidde zij zich vrijwillig als een onschuldig lam tot de vuurdood, en na
God, haren almachtige Vader, ziel en lichaam te hebben aanbevolen, ontsliep zij
godzalig in de Hete.
Toen het volk van de gerechtsplaats naar huis
ging, gebeurde het, dat op die tijd een slachter in de stad bezig was een stier
te slachten, die hij, zoals men gewoonlijk doet, met touwen gebonden had, om het
beest beter te kunnen bedwingen. Maar, toen deze slachter, die, naar het scheen,
niet zo ervaren was in het doden van beesten, als de pausgezinden in het
vermoorden van de vrome christenen, zijn bijl ophief om het beest op de kruin
van het hoofd te treffen, sloeg hij mis, en raakte de stier op de neus of
daaromtrent. De slager had het beest wel enigermate gekwetst, maar niet minder
verschrikt, zodat het met geweld de touwen verbrak, de slachter ontliep, en de
straat in vluchtte, waar het volk zich bevond, dat van de gerichtsplaats naar de
stad keerde. Zo spoedig de lieden deze stier zagen aankomen, vluchtten zij, niet
wetende wat het beest deerde, in de grootste haast uit de straat, waar de stier
liep, terwijl ieder op eigen lijfsbehoud bedacht was. Men meende, dat het beest
dol was, wat naar men vermoeden kan, niet veel scheelde, en wel ten gevolge van
de slag, die het op de mond had gekregen. Nochtans liep de stier zo voorzichtig
door al het volk, dat hij niemand kwetste. Toen hij een tamelijke lengte van de
straat, door het gedrang van het volk heen, had afgelegd, en wel met een
voorzichtigheid alsof hij de mensen met opzet vermeed, liep hij eindelijk naar
Dokter Whytington, de kanselier, die, met enige anderen, zich in eert hoekje
verbergde. Maar helaas, tevergeefs meende hij Gods gramschap en straf te kunnen
ontgaan; want zodra zag de stier hem niet, of deze liep regelrecht met de
hoornen op hem toe, en scheurde hem derwijze de buik open, dat hij dood op de
grond bleef liggen, terwijl het beest wegliep met de darmen van de kanselier op
zijn hoornen. Dit maakte allen, die het zagen, onder grote verwondering,
verschrikt, zeer verbaasd en beschaamd.
Zie hier het wonderwerk des Heeren. Inderdaad, al
zijn wij ook door onze vleselijke gezindheden geheel blind, en hebben geen recht
inzien in de daden des Heeren, zodat wij somwijlen aan het noodlot, of aan het
blinde fortuin, toeschrijven wat eigenlijk Gods voorzienigheid heeft gedaan;
nochtans, welk mens zou zo plomp en onwetend kunnen zijn, die in dit zeldzaam en
openbaar beeld niet zou opmerken, dat dit een bijzonder werk en een straf van
God is, waarmee de Heere Zijn almacht en Zijn rechtvaardig oordeel in het
straffen van dezen goddelozen kanselier? Het was een waarschuwend voorbeeld voor
alle andere vervolgers der christenen, opdat zij de rechtvaardige hand des
Heeren zouden vrezen, wanneer zij zodanige tirannie aan de onschuldige
Christenen plegen.
Opdat niemand denken zou, dat hier iets, de
waarheid van deze geschiedenis betreffende, op lichtvaardige wijze is
meegedeeld, en om alle wantrouwen weg te nemen, is het nodig, de getuigenis hij
deze geschiedenis te voegen van enige geloofwaardige lieden, die er hij
tegenwoordig waren, en alles hebben gezien, en vooral de geschiedenis van zekere
Roeland Web, die in die tijd in de stad Chepingsadbery woonde. Deze had een
zoon, Richard Web genaamd, die later werkzaam was hij M. Latimer, met wie hij
ook vele benauwdheden, zoals een gevangenisstraf van zes jaren, met geduld
doorstond. Deze Richard betoonde in zijn jeugd grote geneigdheid tot de leer van
het Evangelie, zodat hij dikwerf door, zijn vader, die zeer tot de roomse
godsdienst geneigd was, vermaand werd, dat hij die gevoelens, welke hij ketterij
noemde, moest laten varen. En teneinde hem daarvan te beter af te trekken,
verhaalde hij hem dikwijls de geschiedenis van de vrouw te Chepingsadbery, die
hij om deze ketterij zag verbranden. Hiermede zocht hij zijn zoon bevreesd te
maken, en voegde er ook hij, dat een stier in diezelfden tijd de kanselier met
zijne hoornen had omgebracht. Dit alles heeft Richard Web in persoon aan Mr. Fox
verhaald en bevestigd, uit wiens geschiedboek wij dit getrouw hebben
overgenomen. Deze getuigenis zal, hopen wij, genoeg en voldoende zijn voor alle
onpartijdige lezers, die de waarheid zijn toegedaan.
[Jaar 1540.]
In het jaar 1510, zoals Fox meldt, werden er te
Norwich, in Engeland, om het artikel van het sacrament des altaars, twee
personen levend verbrand, van wie de een, Thomas, een priester was, die in een
klein stadje, Eckels genaamd, woonde waar hij werd ontwijd en naar Norwich
gebracht, om verbrand te worden. Terwijl hij, na zijn ontwijding, nog geruime
tijd in de gevangenis vertoefde, liet hij zich door enige overreden zijn geloof
te verzaken. Toen hij later daarover berouw had, werd hem tot straf opgelegd,
dat hij van de gevangenis tot de gerichtsplaats, waar hij als een slachtoffer
zijn leven zou eindigen, op zijn ontblote voeten op distelen en doornen die weg
moest afleggen.
Niet lang daarna werd Thomas Bongay, een eerzaam
en hoog bejaard man, in de stad Norwich, tot de brandstapel veroordeeld, omdat
hij sinds veertien jaren het sacrament van geen roomsen priester had willen
ontvangen, daar hij van de afgodische mis een gruwel had.
[JAAR 1511]
Andries Poliwka was een burger van Kuttenberg, in
Bohemen, maar die, omdat hij van godsdienst veranderde, naar Lytomistia vertrok
en, daar zijn vrouw hem niet wilde volgen, werd hij, terwijl hij haar bezocht,
verraden. Toen hij gevangen genomen was, werd hij door de priester der
calixtijnen zo lang gekweld, totdat hij beloofde hij zijn vrouw te willen
blijven, en de priester gehoorzaamheid te bewijzen. Hij willigde dit in, doch
tegen zijn gemoed. Op zekere heiligen dag geschiedde het, toen de priester zijn
toespraak bad geëindigd, en hij de ciborie voorbracht, op het altaar plaatste en
het volk de ouwel, die daarin was, aanbad, dat Andries het vuur, dat in hem
brandde, niet kon uitblussen, en met luider stem riep: “Zwijg priester: het komt
mij nu toe te spreken." En terwijl hij zich tot het volk wendde, zei hij: “Lieve
mensen, waar loopt gij toch zo gretig naar toe? Wat bidt gij aan, een God van
brood? Och, bidt de levende God aan, Die in alle eeuwigheid te prijzen is." De
priester riep tot het volk, dat zij deze schelmse booswicht zouden verbieden te
spreken; dat zij deze Picardist moesten gevangen nemen. Door de algemene schrik
sloeg niemand de hand aan hem, doch eindelijk vielen enige hem aan, sloegen hem
met vuisten, verbrijzelden hem het hoofd ten dele tegen een pilaar, en sleepten
hem zeer bebloed naar de gevangenis. De volgende dag werd hij naar het raadhuis
gebracht, waar de raad en de priesters tegenwoordig waren, en werd hem gevraagd,
of hij nog herhalen wilde, wat hij daags tevoren had gezegd. Hij antwoordde
daarop toestemmend, en verweet hun hun afgoderij, die niet beter was dan die van
de antichrist. Toen hem gevraagd werd door wiens ingeven hij dit gedaan had,
antwoordde hij met de, wedervraag: door wiens ingeven durfde Abraham zich
afscheiden van de afgodendienaren, en de levenden God aanbidden.” Zij hielden
verder aan en zeiden: "Gij moet ons duidelijk zeggen op wiens aanraden gij zulke
dingen durft te doen. Hij antwoordde: “Op wiens aanraden heeft Daniël zich legen
de afgoderij verzet?" Daarop riepen zij: "Zwijg; wij weten deze dingen beter dan
gij; in geen dele hebben wij nodig van u onderwezen te worden. Wij weten, dat
gij hierin metgezellen hebt, die gij wel niet vrijwillig wilt noemen. doch
waartoe wij u wel zullen dwingen." Daartoe werd hij weer naar de gevangenis
gebracht, terwijl men beval hem terstond te pijnigen; maar, toen men door
martelingen niets van hem kon te weten komen, werd hij, als een hardnekkig mens,
veroordeeld om verbrand te worden. De priesters verzochten dus de schout, dat
hij hem, wanneer hij buiten kwam, niet zou vergunnen te spreken, opdat hij door
zijn woorden het volk niet zou besmetten. De schout kwam met Andries overeen,
dat, indien hij niet zweeg, men hem de mond zou toestoppen. Hij beloofde dit, en
hield ook woord, daar hij op de gehelen weg geen woord sprak, maar in stilte
bad. Toen de vlammen zijn hoofd bereikten, riep hij uit: Jezus, Zoon des
levenden Gods, ontferm U, ontferm U over mij, ellendigen zondaar," en sprak
verder niets meer. De priesters riepen daarop tot het volk: .,Ziet, nu roept hij
Jezus aan, in Wie hij in zijn leven niet heeft willen geloven, en Wiens
sacrament hij niet heeft willen eren." Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren
1511.
[Jaar 1512.]
Omstreeks het jaar 1512 werd er nog een ander hoog
bejaard man, Pop genaamd, een wever van beroep, in het stadje Aye, om dezelfde
zaak van het sacrament des altaars, met dezelfde kroon van het martelaarschap
versierd.
[Jaar 1515.]
In het jaar onzes Heeren 1515 woonde te Londen, in
Engeland, een man, met name Richard Hunne, een lakenkoper. Hij was een vroom en
godzalig man, en werd gehouden voor Rooms-katholiek, ofschoon hij in het geheim
reeds enige lust had in de Evangelische waarheid. Deze man had een jong kind,
dat opgevoed werd te Midlese, in de parochie St. Maria te Marsilon, en op
vijfweekse leeftijd stierf. Thomas Drifield, pastoor in die plaats, eiste van
Richard Hunne de deken van het kind, als een gerechtigheid die hem toekwam.
Richard zei, dat de deken het eigendom niet was van het kind, en dat hij
derhalve hem de deken niet schuldig was. De priester kon deze weigering niet
verdragen en riep hem daarover voor de opziener der kerk. Op aanraden van zijn
vrienden, beklaagde zich Richard over dit onrecht hij de wereldlijke overheid,
en zei, dat de priester iets onbillijks van hem eiste, en liet de priester
dagvaarden, teneinde zijn zaak tegen hem te handhaven. Maar, aangezien de
mispriesters daartoe niet te bewegen zijn, vooral niet, wanneer zij er iets hij
verliezen kunnen, beraadslaagden zij met elkaar, hoe zij de zaak het best zouden
aanleggen, en besloten dat men de genoemden Richard van ketterij zou
beschuldigen, en hij de bisschop van Londen, Richard Fitsiam, die zelf die raad
gegeven had, aanklagen. Toen nu Richard aangeklaagd was, werd hij terstond door
de bisschop in de toren van de St. Pauluskerk, die de Lollardentoren genoemd
wordt, gevangen gezet. In die tijd had Willhelmus Horsey, kanselier van de
bisschop, over die gevangenis het opperbestuur. Charles Jozef, sergeant aan het
bisschoppelijke hof, en Jan Spaldinck, klokkenluider der St. Pauluskerk, waren
vertrouwde dienaren van de kanselier. Deze twee vatten het voornemen op om
Richard Hun in de toren van honger te doen sterven. Toen zij echter zagen, dat
dit niet wilde gelukken, vielen zij in de gevangenis op hem aan, bonden hem
handen en voeten, en verwurgden hem op gruwelijke wijze.
Daarna maakten zij hem los, en hingen hem met zijn
gordel aan een muur op. Dit geschiedde de 4de, December, in het jaar onzes
Heeren 1515.
Toen zij deze gruwelijke daad hadden bedreven,
strooiden zij het gerucht uit, dat Richard Hunne zich in de gevangenis aan zijn
eigen gordel had verhangen. Toen dit ruchtbaar was geworden, en men sterk
vermoedde, dat hij door zijn vijanden was vermoord, werden er twaalf
aanzienlijke mannen, benevens de fiskaal te Londen, Thomas Barnewel genaamd,
gelast de zaak te onderzoeken.
[JAAR 1517].
Toen de antichrist, de paus van Rome, zijn
gezanten en leerlingen, zoals de bisschoppen, priesters en monniken, meenden,
dat zij door hun moorden, verworgen, verbranden en doden het Evangelie en de
dienaren der waarheid onderdrukt, verdrukt en uitgeroeid hadden, en dat zij nu
vrij en onverhinderd konden handelen, Christus uit Zijn Rijk stoten, en
heerschappij voeren over de harten en gewetens der mensen, verdroot dit
eindelijk de almachtige en eeuwige God, die de geest verwekte van de heiligen
man Luther, door wien hij het licht van het evangelie glansrijk over het gehele
christendom deed schijnen.
In het jaar 1517 na de geboorte van onze enige
Zaligmaker Jezus Christus zond de antichrist aflaatbrieven, waarmee hij voor
geld de zonden vergaf en kwijtschold. Die aflaatbrieven werden te Wittenberg, in
Saksen, aangeprezen en verkocht door een Jakobijner monnik, Tetzel genaamd, die
in zijn predikatiën zich daarover op de schandelijkste wijze uitliet. Onder
andere leerde hij het volk, dat zo spoedig de penning op de bodem der kist
klonk, terstond de zielen der afgestorvenen uit het vagevuur naar de hemel
werden gevoerd.
Tegen hem en zijn goddeloze prediking schreef
Luther 95 leerstellingen, die hij aan de kerkdeur aanplakte. Tetzel, die de paus
wilde behagen, riep enige monniken en drogredenaars samen, en verzocht hun tegen
Luther te schrijven. Hij zelf zat ook niet stil, maar noemde in zijn predikatiën
Luther een ketter, en drong er op aan, dat men hem verbranden zou. De stellingen
en de predikatiën, die Luther geschreven had, liet hij in het openbaar
verbranden. Doch door hun grote beweging hebben Tetzel en de zijnen Luther
genoodzaakt de waarheid uitvoeriger te beschrijven.
Toen nu de drogredenaars van Leuven, Keulen en
andere dergelijke vijanden tegen Luther schreven, werd hij eindelijk als
gedwongen ook andere punten aan te roeren, namelijk:
Van het onderscheid tussen de goddelijke geboden
en de menselijke instellingen.
Van het schandelijk misbruik van het avondmaal, in
het kopen en verkopen, en in de opoffering van levenden en
doden.
Van de ware boete.
Van de vergeving der zonden.
Van het geloof.
Van de aflaat.
Van de beloften en andere dergelijke zaken meer,
gelijk men in zijn geschriften zien kan. Vervolgens werd Luther door de paus,
die nu inzag, dat Babylon, zijn hoofdstad, begon te wankelen, in de ban gedaan,
en zijn stellingen als ketters vervloekt en gedoemd, en in bijna alle landen
verbrand. De boer van Babylon, die dronken is van het bloed der heiligen, maakte
alle vorsten dronken door de wijn van haar hoererijen; zodat de keizer, koningen
en vorsten, zeer weinigen uitgezonderd, die de waarheid liefhadden, als woedend
waren om het Evangelie te vernietigen en de godzalige predikers te vermoorden.
En, ofschoon het hun door God niet toegelaten werd, de heiligen man Gods,
Maarten Luther te doden, betoonden zij nochtans hun wreedheid aan anderen, die
door de leer en geschriften van Luther tot de kennis der waarheid gekomen
waren.
[JAAR 1523.]
Te Antwerpen, in Brabant, was een Augustijner
klooster, waai, de monniken uit de geschriften en boeken van Luther de kennis
der waarheid hadden verkregen, en die aan het volk onderwezen. Om die reden
werden zij gevangen genomen en naar Vilvorde gebracht, waar de Leuvense
hoogleraars zich benaarstigden en beijverden, om deze monniken van de belijdenis
van het evangelie af te trekken, ja, dreigden zelfs hen te doden en te
verbranden, wanneer zij de waarheid niet verloochenden en herriepen, die zij
eens beleden en geopenbaard hadden.
Door hun tirannische bedreigingen brachten zij het
zover, dat zij allen afvielen, uitgezonderd drie, die volstandig aan hun
belijdenis bleven vasthouden. Deze werden door Hoogstrate en sommige andere
kettermeesters, die terecht meesters en hoofden in de ketterij en dwalingen
genoemd mogen worden, ondervraagd, en wel vooreerst, wat zij geloofden. Zij
antwoordden daarop, dat zij de twaalf artikelen des christelijken geloofs
aannamen en vasthielden, en ook alles wat in de Evangelische en Bijbelse
Schriften is vervat; dat zij ook aan een christelijke kerk geloofden, maar niet,
zoals de kettermeesters dit deden.
Ten andere vroegen zij, of zij ook geloofden aan
de instelling der kerkvergaderingen en aan de kerkvaders. Zij antwoordden, dat
zij de artikelen geloofden, in zoverre die met de goddelijke Schriften
overeenkwamen, en er niet tegen waren.
Ten derde vroegen zij, of zij ook geloofden, dat
zij zich aan dodelijke of verdoemelijke zonden schuldig maakten, die de
instellingen van de pausen der kerkvaders overtraden. Zij antwoordden, dat zij
geloofden, dat de geboden van God zalig maakten en verdoemden, en niet de
menselijke instellingen.
Nadat de kettermeesters niet nalieten, dan eens
met zachtheid, dan weer met hardheid, de goede christenen tot herroeping van hun
gevoelens te bewegen, maar tevens zagen, dat zij niet vorderden, besloten zij
ten laatste zulke hardnekkige ketters, zoals zij hen noemden, aan de
wereldlijken rechter over te leveren, zoals Christus aan Pilatus en de heidenen
werd overgeleverd, om ben te doden. Vervolgens werden zij van Vilvorde naar
Brussel overgebracht, en daar met alle voorzorg in de gevangenis bewaard. Niet
lang daarna kwamen ook te Brussel de drogredenaars van Leuven, namelijk,
Hoogstrate, Egmont, Godtschalck, Lathomus, Ruardus en Paseba, een karmelieter
van Mechelen.
Op de 1e juli liep het volk in grote scharen naar
de markt; maar er waren weinig vreemdelingen, aangezien alles in het geheim had
plaats gehad. Daar verschenen de drie bedelmonnikenorden, met kruisen en
vaandels, zoals hun gewoonte is,wanneer zij in statelijke optocht en pracht zich
vertonen willen. Toen nu de leraars der goddelijke Schrift en de abten, die de
bisschoppen vertegenwoordigden, met hun waardigheidstekenen en gewone staven,
zich in orde op het schavot hadden geplaatst, werd de jongste van de drie, een
jong, maar geleerd en welsprekend man, over de markt gebracht en binnen geleid.
Enige ogenblikken later voerde men hem, met misklederen aan, op het schavot.
Midden op het schavot stond een tafel, versierd en bedekt als een altaar. Voor
deze tafel knielde hij neer, met het aangezicht naar het volk gekeerd, en
niemand bespeurde enige tekenen van vrees of schrik aan hem. Achter hem stond de
opziener van de grauwe monniken, die begon te prediken, terwijl daartegenover
een bisschop geplaatst was, die met een geopend boek de plechtigheden begon uit
te voeren. Terwijl dit alles plaats had, van elf tot twaalf uur, en de een
predikte en de ander hem ontkleedde, bleef de jongeling in alles dezelfde, zodat
zijn aangezichtskleur zelfs niet veranderde. Zijn wezenstrekken waren zedig en
vol uitdrukking, waaruit men gemakkelijk afleiden kon, dat hij niet alleen de
dood verachtte, maar ook, dat hij een zeer bescheiden en zachtmoedig man was.
Zijn gelaat en houding deden vermoeden, dat hij zich met bidden en de
overdenking der hemelse dingen op heerlijke wijze bezig hield. Toen men hem had
ontwijd, werd hij weer binnen gebracht.
Kort daarna kwamen de andere twee voor, die ouder
waren dan de bovenbedoelde, want beiden hadden een baard, terwijl de andere
jongeling geheel glad en baardeloos was. Uit het voorkomen van deze beide mannen
kon men gemakkelijk hun volharding en vrijmoedigheid bespeuren. Zij werden ook
ontwijd en van hun priesterschap of monnikendom beroofd, en gingen van het
schavot naar binnen, waar zij veroordeeld en gevonnist
werden.
Hoewel het recht en billijk en vooral te Brussel
de gewoonte was, dat het vonnis van ieder veroordeelde, voor zij stierven, in
het openbaar moest worden voorgelezen, werd dit echter in deze zaak, uit
schaamte over de grote onrechtvaardigheid, nagelaten.
Om hen te troosten vervoegde zich Hoogstrate, de
leraar van Leuven, hij hen, en zei, dat hij, wanneer zij nog wilden herroepen,
de macht had om hen los te laten.
Een hunner antwoordde daarop: "Dit zijn de woorden
aan Pilatus: Gij zoudt geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven
gegeven ware."
Enige tijd daarna bracht men alleen de twee,
namelijk, die er eerst uitkwam en een van die laatste, voor, terwijl zij naar
het vuur werden geleid, dat men tot dit einde op de markt gereed
maakte.
Toen men hen daarheen voerde, en zij hun klederen
uittrokken, vloeiden hun monden over van heerlijke taal, waaruit ieder duidelijk
kon bemerken, dat zij vrome en godvruchtige mannen waren, die zich hartelijk
verblijdden, ontbonden te zullen worden en hij de Heere Jezus Christus te zijn.
Hij herhaling betuigden zij, dat zij als christenen stierven, dat zij geloofden
aan een heilige algemene christelijke kerk, en zeiden ook, dat nu de dag
aanbrak, waarnaar zij lang begeerd hadden.
Toen zij tot op het hemd ontkleed waren, moesten
zij geruime tijd aldus blijven staan, totdat zij, terwijl men hen bond, van zelf
naar de paal grepen, waaraan zij verbrand moesten worden. Langzaam ontbrandde
het vuur; en al zagen zij de rook opstijgen, die de vlam spoedig volgen moest,
zo werden zij nochtans niet kleinmoedig, maar waren, gelijk men uit hun gelaat
en ogen kon bemerken, hoe langer zo meer getroost, standvastig en moedig. Een
zonderlinge blijdschap bespeurde men aan hen, zodat velen meenden, dat zij
lachten.
Onder andere beleden zij de artikelen des
christelijken geloofs, en zongen het Te Deum Laudamus, de een het ene vers, de
ander het volgende. Toen een hunner zag, dat men het vuur onder zijn voeten
aanstak, zei hij, dat hij dacht, dat men er rozen onder strooide. In de vlammen
riepen zij herhaalde malen Jezus aan, maar werden eindelijk door de gloed van
het vuur verstikt, en offerden aan de Heere hun ziel op. Dit geschiedde op de
11e juli in het jaar 1523, zij waren de eerste, die om de gevoelens van Luther
werden gedood. De derde van deze mannen werd niet voorgebracht, en waarom zulks
niet geschiedde, is onbekend. Sommigen zeggen, dat hij zijn gevoelen herriep,
doch dit is niet zeer gelofelijk, want dan zou dit ongetwijfeld in het openbaar
voor het volk hebben plaats gehad. Anderen menen, dat hij in het geheim werd
gedood.
Velen van deze monniken namen de vlucht, terwijl
het klooster verwoesten vernietigd werd. Door de standvastigheid van deze
monniken werd, tegen de bedoeling van velen, de genoemde leer in de stad Brussel
derwijze voortgeplant, dat zij daar voortdurend beleden werd. Het hoofd of de
prior van het bedoelde klooster (waarschijnlijk Hendrik van Zutphen), predikte
nog vele jaren daarna de Evangelische leer in het openbaar, en bekeerde tot haar
een grote menigte van Nederlanders, zoals ook een monnik, die uit dat klooster
was gevlucht, door zijn predikatiën en standvastige raad vele mensen in de
genoemde leer versterkte.
[JAAR 1524.]
In deze tijd waren te Antwerpen en in de
omliggende plaatsen vele lieden van verschillende naties, hij wie de begeerte
naar het goddelijke Woord begon te ontwaken. Onder anderen was er te Mels, dat
twee mijlen van Antwerpen lag, een pastoor, wiens predikatiën door veel volk
bezocht werden, zodat hij dikwerf, wegens de grote menigte, op een open plaats
moest prediken. Nadat hij geruime tijd met vrijmoedigheid het Woord Gods
verkondigd, en de valsheid en boosheid der monniken bad ontdekt, beschuldigde
hij zich in zijn laatste prediking in het openbaar voor het volk, en zei, toen
hij van de mis sprak: "Wij zijn inderdaad erger en bozer dan Judas de verrader
was, want hij heeft Christus verkocht en geleverd; maar wij verkopen Hem aan u,
en leveren Hem niet."
Spoedig daarna ergerden het de priesters en
monniken, dat het Evangelie zulk een goede ingang vond; en, daar zij er tegen
wilden waken, dat hun de roof uit de mond zou genomen worden, wisten zij een
bevelschrift van de keizer te verkrijgen tegen de pastoor en een Augustijner
monnik, die te Antwerpen predikte. In dit geschrift werd bevolen en toegestaan,
dat men hun het bovenste kledingstuk ontnemen zou, die in zodanige vergadering
of predikatie tegenwoordig was, en hij die de prediker zelf gevangen nam, zou
dertig Carolusguldens tot beloning ontvangen. Alzo werd Christus weer voor
dertig penningen verkocht.
Het geschiedde nu, dat op een Zondag, in het jaar
onzes Heeren Jezus Christus 1524, het volk, dat zich niet om het bevelschrift
bekommerde, bijeenkwam op de scheepstimmerwerven. Na geruime tijd op de
Augustijner monnik tevergeefs gewacht te hebben, stond er een priester op,
Nicolaus genaamd, die zeer ervaren was in de Heilige Schrift, en zei: "Aangezien
de prediker niet is gekomen, is het nochtans niet behoorlijk, dusdanige
bijeenkomst hongerig, zonder enig voedsel van het goddelijke Woord te verlaten."
Hij klom dus op een schip, dat daar afgewerkt lag, en leerde het volk veel meer
uit de Heilige Schrift, dan ooit tevoren gehoord had.
Om deze reden werd hij later door twee
vleeshouwersknechten gevat en in de handen der overheid geleverd. Des anderen
daags, op Maandag, nadat hij de zuivere leer des Evangelies standvastig had
beleden, werd hij in een zak genaaid, en met groten spoed, omdat men het volk
vreesde, hij de stadskraan in het water geworpen, en wel in het jaar van onze
enige Zaligmaker 1524.
Omstreeks het jaar 1520, werd Mr. Georgius,
predikant te Halte, omdat hij het avondmaal des Heeren onder twee gestalten, te
weten, brood en wijn, bediende, onder opruiing der priesters, door eniae
straatschenders gegrepen en niet ver van Assenburg op jammerlijke wijze
verbrand.
[JAAR 1524.]
In het jaar 1524 ging Hendrik van Zutphen, een
Augustijner monnik, van Antwerpen naar Bremen, en begon daar, op verlangen van
enige godvruchtige mannen het Evangelie te verkondigen: hetwelk daar door de
genade des Heeren zo gretig ontvangen werd, dat in korte tijd de gehele stad
zich naar de regel van het heilige Evangelie hervormde en herstelde, en zelfs de
buikdienaars, dat is: de priester en monniken, verwierp en
versmaadde.
De bisschop van Bremen legde hem wel vele lagen om
hem gevangen te nemen en om te brengen, maar de eerbare en wijze Raad der stad
handelde daarin voorzichtig, en beschermde en bewaarde de heiligen man voor de
bloedgierige wolven. En, hoe de bisschop met zijn genoemde geestelijkheid ook
woelde en raasde, zo door het bijeenroepen van kerkvergaderingen, als door
pauselijke en keizerlijke bevelschriften, Hendrik liet nochtans niet na, het
Woord des Heeren te verkondigen, daar hij overtuigd was, dat hij in zodanige
zaken God meer behoorde te gehoorzamen dan de mensen.
Eindelijk werd hij ook geroepen door Nikolaüs
Boye, pastoor, en enige andere vrome christenen van Meldorf en Dithmarsen, om
daar het Woord Gods te verkondigen, en de mensen te verlossen uit de tirannie
van de antichrist. Hij gaf daaraan gewillig gehoor, ofschoon dit de bewoners van
Bremen mishaagde, aangezien zij de woestheid der bewoners van Dithmarsen wel
kenden, en reisde daarheen ‘s maandags voor het Kerstfeest in het jaar van onze
Heere en enige Heiland Jezus Christus 1524.
Nauwelijks was hij daar aangekomen, en had er
zelfs nog niet gepredikt, of de duivel met zijn aanhang werd toornig, en
verwekte de Jakobijner monniken en andere priesters, die met elkaar
beraadslaagden en besloten, dat men vooral zorgen moest, dat hij niet predikte;
want de zwarte nachtuilen haten het heldere licht van het goddelijke Woord, en
vreesden, dat hun werken en geveinsdheid aan het licht zouden gebracht worden,
en dat alzo hun rijk een einde zou nemen.
Daarom maakte zich de prior van de Jakobijnen op,
en reisde naar ter Heide, naar de achttien bestuurders van het gehele land, en
klaagde met groten nadruk, dat de monnik van Bremen gekomen was, om het gehele
land Dithmarsen te verleiden, zoals hij te Bremen gedaan had. Deze prior werd in
zijn klacht ondersteund door de algemene kanselier, mr. Gunther, en Pieter
Nannen, beiden grote vijanden van Gods Woord. Deze beiden hielpen de prior met
allen ijver, en hielden de anderen zestien bestuurders, die onkundige en
eenvoudige mannen waren, voor, welke groten lof zij in geheel Nederland zouden
behalen, en vooral dat zij de bijzondere dank van de bisschop verdienen zouden,
indien zij deze monnik zouden ter dood brengen.
Toen de onnozele en onkundige lieden dat hoorden,
was zijn dood reeds over hem besloten, ofschoon zij hem nooit gezien, nog minder
gehoord of naar recht overwonnen hadden. Zij schreven aan de pastoor van
Meldorf, onder bedreiging van de zwaarste straf, dat hij Hendrik zou verjagen
voor hij predikte. Doch de pastoor en Hendrik trokken zich dat niet aan, en
Hendrik betrad de predikstoel, predikte met ijver, en verkondigde het zuivere
Woord van de almachtige God, zo zelfs, dat de gehele gemeente van Meldorf daarin
rust en troost had voor haar gemoed, terwijl zij God dankte, dat zij door Gods
genade zulk een prediker in haar midden had. Hendrik ging daarmee geruime tijd
tweemaal daags voort, zodat het volk meer en meer begon in te zien, dat het door
de priesters en monniken vroeger werd verleid.
Ondertussen zat ook de prior niet stil, maar riep
de hulp in van de grauwe monniken, die zich minderbroeders noemen. Onder geen
volk zijn er geschikter te vinden om de eenvoudige mensen door geveinsdheid tot
zich te trekken en te verleiden dan deze Minderbroeders. Deze grauwe monniken
wendden zich met de grootste haast tot enige van de bestuurders, namelijk, tot
Peter Nannen, Peter Schwijn en Klaas Kode, en gaven onder het uiten van zware
klachten te kennen, dat de ketter predikte en het volk verleidde, dat hem reeds
genoeg aanhing; en, wanneer zij niet toezagen en de ketter ombrachten, zou de
lof van Maria en van de beide heilige kloosters teniet gaan. Ziedaar hun
schrijven, waarmee zij de ketter overwonnen.
Toen de onnozele en onwetende lieden dat hoorden,
werden zij toornig, en Peter Schwijn antwoordde er op, dat men de pastoor en
Hendrik geschreven had, wat zij moesten doen, en wanneer het nodig was, dat zij
dan nog wel eens wilden schrijven. Waarop de prior antwoordde: "Neen, gij moet
het anders aanleggen; want begint gij met aan de ketter te schrijven, zo zal hij
u weer antwoorden, en, eer gij het gewaar wordt, bent gij zonder twijfel ook
verleid; en, komt hij eens aan het woord, dan is het einde ervan niet te
voorzien."
Toen werd beraadslaagd, dat men hem in de nacht,
in het geheim, zou gevangen nemen, en, eer men het bemerkte, met de meeste spoed
verbranden. Die raad vonden allen goed, vooral de Minderbroeders. Vervolgens
riepen zij uit alle omliggende dorpen de boeren samen, en bevalen dat zij ‘s
nachts, in het geheim, aan het huis van de schrijver mr. Gunther, te Nieuwerkerk
zouden komen. Van daar gingen zij met de gehele schaar boeren naar Hemmingstet,
een halve mijl van Meldorf gelegen.
Toen zij daar waren samen gekomen, werd hun in het
openbaar de reden meegedeeld waarom zij daar ontboden waren; want niemand dan de
verkozen hoofdlieden waren er mee bekend. Toen allen de zaak vernamen, wilden
zij weer vertrekken, en deze boze daad niet uitvoeren. Maar de hoofdlieden
bevalen hun, met bedreiging van lijf en goed te zullen verliezen, dat er niemand
mocht heengaan. Men bracht ook drie vaten Hamburgs bier, dat gedronken werd,
opdat zij moediger zouden zijn. Aldus kwamen zij op de 9e december, omstreeks 12
uur ‘s nachts, gewapenderhand te Meldorf. De Jakobijnen of predikmonniken
voorzagen hen van toortsen en fakkels, opdat zij zouden kunnen zien, en Hendrik
hun niet zou ontlopen. Met geweld vielen zij op het huis van de pastoor aan, en
sloegen alles open en aan stukken, zoals dolle beschonken boeren plegen te doen;
en wat zij vonden van zilver, goud of andere kostbaarheden, namen zij mee.
Vervolgens grepen zij dan de pastoor, hakten naar hem, sloegen en staken hem, en
riepen "Slaat dood! slaat dood!” Sommigen wierpen hem naakt op straat in de drek
en vuiligheid, en namen hem gevangen, terwijl zij uitschreeuwden, dat hij met
hen moest meegaan. Anderen daarentegen riepen, dat men hem moest laten aan,
omdat zij geen bevel hadden gekregen om hem gevangen te
nemen.
Daarna, toen zij hun wraak aan de pastoor gekoeld
hadden, sleurden zij Hendrik naakt uit bed, sloegen, staken en sleepten hem.
Zijn handen bonden zij hem op de rug, en mishandelden hem zo jammerlijk, dat het
Peter Nannen, die echter een venijnig vijand was van Gods Woord, begon te
hinderen, en hij beval, dat men hem moest laten gaan. Naakt en barrevoets
sleepten zij hem door de koude en over het ijs naar Hemmingstet, zodat zijn
voeten geducht gewond waren. Van daar brachten zij hem, in diezelfden nacht,
naar het huis van een priester te Ter Heide, en sloten hem in een kelder, waar
de beschonken boeren hem bewaarden en de gehele nacht
bespotten.
Onder anderen kwamen tot hem de beer Simon,
pastoor te Aldenwoorden, en de heer Christiaan, te Nieuwerkerke, beide domme
vervolgers der waarheid, en vroegen om welke reden hij het heilig kleed had
afgelegd. Die vraag beantwoordde hij zeer vriendelijk uit de Schrift, doch zij
verstonden het niet. Mr. Gunther kwam ook tot hem, en vroeg, of hij liever naar
de bisschop van Bremen wilde gezonden worden, of te Dithmarsen zijn straf
ondergaan. Daarop antwoordde Hendrik: "Wanneer ik iets onchristelijks gedaan of
geleerd heb, kunt gij mij wel straffen." Toen riep Mr. Gunther: " Hoort gij wel,
mijn vrienden, hij verkiest te Dithmarsen te sterven." Het volk gaf zich
intussen die gehelen nacht aan de ergste dronkenschap
over.
Omstreeks 8 uur in de ochtend gingen zij naar de
markt, om te beraadslagen, wat men hem doen zou. Daar riepen de beschonken
boeren: "Verbrandt hem in het vuur, waarmee wij door God zullen behoed worden,
en eer behalen hij de mensen. Hoe langer hij leeft, hoe meer hij er verleiden,
zal. Wat baat het lang dralen! Hij moet toch sterven."
Daarna werd er uitgeroepen, dat allen, die hem
hadden helpen gevangen nemen, met hun wapenen hij het vuur moesten komen. Daar
verschenen ook de grauwe monniken, die de boeren in hun boosheid ophitsten, en
zeiden: "Nu doet gij goed," en stijfden, alzo het domme volk in hun opzet. Toen
grepen zij hem, en bonden hem aan handen en voeten, en brachten hem, onder groot
geschreeuw en getier, naar de brandstapel. Toen hij daar kwam, veroordeelden zij
hem, en velden over hem het doodsvonnis, dat de voogd dus uitsprak: "Deze
booswicht heeft gepredikt tegen de Moeder Gods en tegen het christelijk geloof;
om welke reden ik hem, vanwege mijn genadige heer, de bisschop van Bremen,
beschuldig en tot de vuurdood veroordeel." Toen antwoordde Hendrik: “Dat heb ik
niet gedaan; doch, o Heere! Uw wil geschiede." En, terwijl hij zijne ogen naar
de hemel hief, zei hij: Heere vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen,
Uw naam zij alleen geheiligd, hemelse Vader!"
Om hem de biecht af te nemen, kwam er een
onwetende grauwe monnik tot hem. Hendrik vroeg hem: "Broeder, heb ik u ooit enig
kwaad gedaan?" Hij zei "Neen". "Wat zou ik u dan biechten of wat van u verlangen
mij te vergeven?" Beschaamd ging de grauwe monnik heen. Toen vielen zij met alle
geweld op hem aan; de een sloeg hem met een degen op het hoofd, een ander met
een zware hamer, een derde stak hem in de zijde, de vierde in de rug, ieder,
zoals hij hem het beste kon treffen. Mr. Gunter moedigde het volk aan, ruide het
op en riep: “Toe maar, lieve vrienden, hier woont God."
Hoe men het ook aanstak, het vuur wilde echter
niet branden, en ging zelfs twee malen uit. Zij hielden en maakten dit uit voor
toverij, en lieten intussen niet na hem te slaan en te steken, dat wel twee uren
aanhield, terwijl hij gedurende die tijd alleen met een hemd bedekt en zijn ogen
hemelwaarts geslagen voor de boeren stond.
Eindelijk haalden zij een lange ladder, waarop zij
hem vastbonden, teneinde hem in het vuur te kunnen werpen. Toen begon het geloof
van de goede martelaar van Christus zich in woorden te openbaren, doch een
hunner sloeg hem met de vuist op de mond, en zei: “Eerst zult gij branden, en
daarna kunt gij spreken, zoveel gij wilt." Vervolgens zette een ander de voet op
zijn borst, en bond hem, teneinde hem te worgen, met de hals zo stevig aan een
sport, dat mond en neus bloedden; want deze beul zag, dat hij van de wonden,
waarvan men hem er twintig had toegebracht, niet sterven
kon.
Daarna richtten zij hem met de ladder op, zoals de
plaat te zien geeft en een hunner zette zijn hellebaard daaronder, om die te
helpen oprichten, aangezien de stad geen scherprechter had, doch de hellebaard
schampte van de ladder, en doorstak de heiligen martelaar, terwijl de ladder ter
zijde van de brandstapel viel.
Toen hielp Johan Holm, en nam een zware hamer, en
sloeg hem daarmee zo lang op de borst, dat hij stierf, en zich niet langer
verroerde; en daar het vuur niet branden wilde, verschroeiden zij zijn lichaam
op de kolen. Doch daar dit op deze wijze niet kon verbrand worden, hieuwen zij
het des anderen daags, zijnde acht dagen voor het kerstfeest, handen en voeten
af, staken het vuur op nieuw aan, verbrandden daarin de afgehouwen leden des
lichaams, terwijl het overschot daarvan werd begraven, en zij als onzinnigen
daarom dansten en sprongen.
[JAAR 1524.]
In dezelfde stad Dithmarsen werd ook, om de naam
van Jezus Christus en Zijn heilig Evangelie, gevangen genomen een zeker man,
Johannes genaamd. Deze heeft niet alleen grote smaadheid en verdriet geleden,
maar werd ook, daar hij zich standvastig aan de Evangelische waarheid vasthield,
ter dood gebracht.
[JAAR 1524.]
Nadat Gaspar Tauber, een burger uit Wenen, in
Oostenrijk, de kennis der waarheid uit enige gedrukte boeken verkregen had, en
de slavernij der christenen onder de tirannie van de antichrist inzag, begon hij
de christelijke vrijheid hij enige zijner medeburgers te Wenen te verdedigen en
voort te planten. Daarom werd hij gevangen genomen, en in een zeer onreine
gevangenis geworpen. Terwijl hij daar zat, zond de bisschop Johannes dikwerf
enige godgeleerden naar hem, om hem van gevoelen te doen veranderen, en tot de
schoot der roomse kerk te doen terugkeren. En, toen zij dachten, dat hij hun
enige hoop op herroeping gegeven had, spraken zij een vonnis over hem uit, dat
in de drie volgende hoofdstukken bestond.
1. Dat hij al zijn dwalingen, in al de Lutherse
artikelen vervat, op die feestdagen, na de predikatie in de St. Stephanuskerk,
voor de predikstoel overluid zou herroepen, en de verboden boeken
verbranden.
2. Dat hij op drie volgende Zondagen blootshoofds
en barrevoets, in een boetekleed, met een strop om de hals, zo lang de mis
duurde, voor de deur van de St. Stephanuskerk zou staan, en, tot een teken van
boetvaardigheid, een brandende fakkel in de hand houden; en op de Vrijdagen voor
die Zondagen niets dan brood en water zou eten, en drie arme lieden van spijs
voorzien.
3 Dat hij gedurende een geheeljaar in de
gevangenis boete zou doen, en enige van zijn bezittingen afstaan, ten behoeve
van de oorlog tegen de Turken, al de onkosten van het rechtsgeding betalen, en
zijn gehele leven een kruis dragen, opdat hij altijd uit anderen zou kunnen
gekend worden.
Toen men meende, dat hij dit alles doen zou, werd
hij op het feest van Mariaboodschap in de kerk geleid, opdat hij uit een
geschrift al de artikelen zou herroepen. Nadat de predikatie geëindigd was,
beleed hij met groten ijver in het openbaar, dat hij niet wist, dat hij in enige
zaak gedwaald had, en dat hij alleen geloofde en leerde, wat in de Heilige
Schrift was vervat. Toen de genoemde geestelijkheid door bedreigingen, noch
smeken en bidden iets vorderde, werd hij weer naar de gevangenis gebracht, en op
een verschrikkelijke wijze gemarteld en gepijnigd. Eindelijk werd hij uit de
gevangenis naar het klooster der Augustijnen overgevoerd, waar hij onverhoord
door de geestelijke orde als een ketter werd veroordeeld, en aan de wereldlijke
overheid overgeleverd, om door baar gestraft te worden, die dan ook terstond
zijn handen in boelen sloeg. Gaspar klaagde er over, dat het onbehoorlijk was,
iemand te veroordelen zonder eerst zijn verontschuldiging gehoord te hebben.
Maar daarmee vorderde hij niets, zodat de omstanders met grote meedogendheid
zich over zulk een rechtsgeding verwonderden.
Op de 17de September van het jaar 1524, des
morgens ten 6 uur, werd hij op een kar gezet, en met de meesten spoed naar de
gerichtsplaats buiten de stad gevoerd, zodat er nauwelijks honderd toeschouwers
hij deze handeling tegenwoordig waren.
Toen hij de kar verliet, bad hij zeer aandachtig
tot God zijn Heere,en antwoordde de priester die hem dwong zijn zonden te
belijden en voor zijn ziel te zorgen: "Mijn ziel is in Christus mijn Heere zeer
goed bezorgd." Daarna vermaande hij de omstanders, dat niemand hunner hen, die
het vonnis der rechters uitvoerden, later verkeerd moest bejegenen. Eindelijk
zei hij drie malen: "Heere in Uw handen beveel, ik mijn geest." En, toen hij dit
gezegd had, sloeg hem de beul het hoofd af. Daarna werd zijn lichaam verbrand,
en aldus is de vrome martelaar van Christus tot as vergaan, en de haat der
vijanden aan hem openbaar geworden.
In hetzelfde jaar werd ook te Wenen een
boekbinder, Georgius genaamd, om de belijdenis van de waarheid, door een zware
straf op de brandstapel Gode opgeofferd.
Te Praag in Bohemen, werd ook nog een ander
christen verbrand, omdat hij het goddeloze leven (Ier priesters en de
schandelijke kloosterbeloften vaarwel had gezegd, en tot een eerlijk en Gode
welbehaaglijk leven in het huwelijk was overgegaan.
Inderdaad, het is zeker, dat deze en anderen, die
voor de naam van Jezus Christus sterven, om een geheel andere reden deze
pijnigingen lijden dan dieven, rovers, moordenaars en andere misdadigers, die
een rechtvaardige straf wegens hun boze daden moeten dragen. De gelovige
christen wordt bewogen dit te lijden ter ere van God en tot stichting van zijn
naaste. Doch de wereld sluit, volgens haar gewone ondankbaarheid en
goddeloosheid haar ogen, opdat zij deze heerlijke roeping van God en de
belijdenis des geloofs in de martelaren niet zien zou; en wat nog erger is, zij
meent dat zij Gode er een dienst mee bewijst en een offer brengt, wanneer zij
aan deze dienstknechten van Christus zulke wreedheden pleegt. En toch zal dit
ongeloof der mensen nimmer de waarheid Gods teniet doen, noch de vromen beroven
van de kroon der rechtvaardigheid, die in de hemel is weggelegd voor allen, die
de waarheid hebben voorgestaan; die, naar het voorbeeld van Mozes, liever
wensten met Gods volk kwalijk behandeld te worden, en in alle armoede en
verdrukking te verkeren, dan hier met de goddeloze eer, tijdelijk gewin en de
wellusten des levens te genieten.
[JAAR 1524.]
Nicolaas Hottinger was van een oud en aanzienlijk
geslacht uit het eedgenootschap, te Zürich, en van beroep een schoenmaker. Toen
hij, tijdens de hervorming, door Ulrich Zwingi, in die tijd leraar te Zürich, de
roomse dwalingen en de evangelische waarheid leerde kennen, was hij derwijze met
ijver daarvoor bezield, dat hij overal, waar hij als schoenmaker werkzaam was,
de lieden met getrouwheid in de ware godsdienst onderwees en vele van hen
bekeerde.
Daar hij ook te Tagerfeld, in het graafschap
Baden, waar hij zich geruime tijd ophield, hetzelfde deed, en vele goedgezinde
lieden tot Christus bracht, werd hij eindelijk door de landvoogd daar gevangen
genomen, en van Baden naar Luzern gebracht, waai, hij, na een volstandig
afgelegde belijdenis der waarheid, op de 14e Maart 1524 door het zwaard werd
omgebracht.
[JAAR 1524.]
In het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1524
leefde er een dokter in de godgeleerdheid, Johannes Castellanus genaamd, geboren
te Doornik. Hij was een Augustijner monnik, en toen hij de ware kennis van Jezus
Christus en van Zijn heilig Evangelie verkregen had, werd hij een zeer getrouw
dienaar van het Evangelie, en verkondigde dat met bijzondere ijver in Frankrijk,
te Barle-Duc, niet ver van de stad Vitri gelegen, te Chalons-sur-Marne, en ook
in de stad Wijck, de woonplaats van de bisschop van Metz, daarna ook in de stad
Metz, waar hij met grote vrijmoedigheid in het openbaar het Woord Gods predikte,
en de vele gruwelen van het pausdom aan het licht bracht, waarom de dienaren van
de antichrist hem zeer vijandig vervolgden, en alle middelen aanwendden om hem
gevangen te nemen. Doch, aangezien zij dit in de stad Metz niet durfden doen,
wachtten zij, totdat hij van daar zou vertrekken. Nauwelijks had hij dan ook die
stad verlaten, of de dienaren van de kardinaal van Lotharingen namen hem te
Gorse, een abdij hij Metz gelegen, gevangen, van waar hij door hen gebracht werd
naar het kasteel Nommeny.
Dit geschiedde niet zonder grote ontsteltenis der
bewoners van Metz, die het zeer euvel duidden, dat hun getrouwe dienaar dus in
het genoemde kasteel werd gevangen gehouden; waarom zij ook enige onderdanen van
de kardinaal gevangen namen, en geruime tijd opgesloten hielden. Eindelijk
verscheen de abt van St. Anthonis, te Wenen, Theodorus Chaumont genaamd, die
zich uitgaf voor de generaalvicaris van de genoemden kardinaal, zo in het
wereldlijke als geestelijke, in de bisdommen Metz, Totil en Verdun, voorzien van
brieven en een bevel van de paus, en bracht het door velerlei bewijzen en
verzoeken aan de Raad van Metz eindelijk zo ver, dat de onderdanen van de
kardinaal werden losgelaten.
Niettegenstaande dit alles, werd Johannes
Castellanus van de 4e Mei 1523 tot de 12e Januari 1524, in het kasteel Nommeny
wel verzekerd bewaard en wreed mishandeld, gedurende welke tijd hij de leer der
goddelijke waarheid zeer standvastig beleed en getrouw verdedigde. De vijanden
der waarheid werden zeer verstoord op hem, en zeiden, daar zij hem niet konden
wederleggen: "Ziet toch, welk een verleider deze is; hij betovert alle mensen
die met hem twisten, zodat niemand hem kan overwinnen. Men moet daarom zulken
vermijden, opdat zij niemand met hun leer verstrikken." Wee echter, zodanige
lasteraars, die het goede kwaad, en het kwade goed, die het licht duisternis en
de duisternis licht noemen. Immers, zij wilden niet opmerken, dat het de Geest
van God was, die door hem sprak, en die hem mond en wijsheid gaf, die zij niet
konden tegenspreken.
Op de 12de Januari werd hij van daar overgebracht
naar de stad Wijck en het kasteel daar, waar hij met grote standvastigheid in de
genoemde leer der waarheid volhardde, zodat hij door geen vermaningen, beden
noch bedreigingen tot herroeping kon gebracht worden, maar tot het einde getrouw
bleef aan zijn Heer Jezus Christus. Om die reden zettenzij het rechtsgeding
tegen hem voort. De wijbisschop ontzette hem eerst van het priesterschap,
terwijl zijtje dienaren hem het priesterlijk gewaad uittrokken, dat hij tot
dusverre nog droeg, en deden hem een gewoon kleed aan. De bisschop sprak hem op
de volgende wijze aan: Wij willen, dat de wereldlijke overheid thans u, die van
elke geestelijken rang en alle voorrechten beroofd bent, in haar zorg neme."
Daarna zei hij, op zeer geveinsden toon, zoals hun gewoonte is: "Heer rechter,
wij bidden u, om Gods wil, dat gij met alle barmhartigheid jegens delen
ellendigen mens gezind mag zijn, en geen besluit over hem nemen, waardoor hij
zijn leven zou verliezen, of enig lid van zijn lichaam gekwetst zou
worden."
Toen Johannes Castellanus aan de wereldlijke
overheid overgeleverd was, veroordeelde hem het bestuur der stad Wijck om levend
verbrand te worden. Met een zeer standvastig en kloek gemoed onderging hij de
straf op bijna 50-jarige ouderdom.
[JAAR 1524.]
Johannes Hospinianus en zijn beide zonen werden
geboren in het vlek Stanheim, een grote en oude parochie, gelegen in het lage
rechtsgebied van de stad Zürich, maar in het hoge of halsgericht, onder het
LandGraafschap Thurgau, toebehorende aan het oude eedgenootschap. Sinds oude
tijden stond daar een zeer vermaarde kapel, die ter ere van de heilige Anna,
moeder van de maagd Maria, was gesticht, en door de bijgelovige lieden van nabij
en verder gelegen plaatsen en landen werd bezocht.
Toen in het jaar 1523, na een in het openbaar
gehouden gesprek te Zürich, de vrome Raad daar door een algemeen bevel gelast
had, uit al de kerken de beelden weg te nemen, werd in het volgende jaar 1524
ook bovenvermelde St. Annakapel daarvan gezuiverd; onder welke beelden ook een
kostbaar stuk, het geboorteregister van St. Anna, op de heiligen dag van
Johannes de Doper, werd weggenomen.
Dit werd, benevens door vele anderen, zeer euvel
geduid door de landvoogd van Thurgau, die te Frauenfeld woonde, en die dit voor
een grote misdaad beschouwde, waardoor de dood verdiend werd. Hij bedreigde dan
ook dit ten zwaarste te zullen straffen. Hij gaf hiervan alleen de schuld aan
Johannes Hospinianus, de onderstadhouder van Stanheim, en aan diens beide zonen,
die hij dan ook, zolang hij regeerde, zeer haatte, maar hen toch niet durfde
straffen.
Later kwam te Frauenfeld een nieuwe landvoogd,
geboren te Scheijts die reeds hij de aanvang van zijn regering de inquisitie
inriep, en in de nacht van de 7e Juli
Johannes Oechstlen, predikant te Burg, hij Steyn aan de Rijn, liet gevangen
nemen. Hierover ontstond een grote beweging, en er werd zelfs een moordgeschrei
aangeheven, zodat alle bewoners van Thurgao daarheen gingen, om de gevangene uit
hun handen te rukken en te verlossen. Doch het was te laat, daar hij reeds
weggevoerd was.
De bewoners van Thurgau in Zürich legerden zich te
Wingen in het Karthuizerklooster, aan de rivier Tur gelegen, en gingen zelfs op
de 8e Juli zo ver van in dit klooster te eten en te drinken, en ei, schandelijk
huis te houden.
Wel zocht de onderstadhouder Hospinianus, die niet
ver van daar woonde, en een aanzienlijk en zeer geacht man was, het volk daarvan
af te trekken, en tot stilte te vermanen, maar al zijn pogingen waren
tevergeefs.
Daarna staken enige moedwillige lieden het
klooster in brand en vernielden het. Toen dit de Raad van Zürich ter oor kwam,
het hij terstond zijn onderdanen, alsook de bewoners van Thurgau, door zijn
afgezanten aanzeggen dat zij hun verkeerdheden zouden staken, en wel omdat de
onderstadhouder Hospinianus, die aan deze daad niet schuldig was, maar wel
begreep, dat hij daarvan de schuld zou moeten dragen, hierover had
geklaagd.
Vervolgens werd er ‘s maandags voor St. Margaretha
door de regerende Stenden een vergadering te Frauerifeld belegd, teneinde
inlichting te bekomen omtrent dit oproer en de brand. Op Dinsdag na St.
Margaretha had er weer een andere vergadering plaats te Zürich, waar men de
gehele schuld van het oproer en de brand wierp op de oude onderstadhouder
Hospinianus en zijn beide zonen, als ook op Buchard Ruijteman, onderstadhouder
te Nusbaumen, mr. Coenraad Steven, de heer Erasmus Smijden, bedienaar des
goddelijke Woords te Steijn, die door de pausgezinden Stenden bedreigd werd, dat
zij hem door de rechterlijke macht zouden laten halen. Hierover ontstond zulk
een groot oproer, dat een openbare oorlog scheen te zullen uitbarsten. Intussen
verlieten de beide laatstgenoemde personen Steijn, en wisten zich te
redden.
Zürich, dat alleen volkomen de Hervorming had
aangenomen, liet de vier eerstgenoemde personen aan een onpartijdige rechter in
bewaring geven en onder borgtocht stellen, ondervoorwaarde, dat men geen geweid,
maar recht aan ben doen zou.
En, ofschoon zij, na een bedaard en onpartijdig
onderzoek en de uitspraak van het recht, aan zulk een oproer, plundering en het
verbranden van het klooster onschuldig werden bevonden, werkte het toch niets
uit; het geschiedde zelfs, dat de pausgezinde orde, die op onstuimige wijze
raasde en tierde, dreigde de gevangenen, niettegenstaande de borgtocht te halen,
wat hun eindelijk gelukte, doch onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat men hen
niet dan over het oproer en de brand zou onderzoeken. Toen zij op de Vrijdag
voor St. Bartholomeusdag naar Baden tot de algemene eedgenoten overgebracht
werden, ontstond er hij hun aankomst te Baden een grote oploop van volk,
bestaande zo uit ingezetenen als vreemdelingen, die daar toen
waren.
Toen de gevangen vader Hospinianus dit zag, zei
hij tot zijn zonen: Ziet lieve zonen, wordt heden aan ons niet vervuld, wat
Paulus zegt:, Wij zijn een schouwspel geworden der wereld en de Engelen en der
mensen." En, toen hij de stadhouder van Frauenfeld onder het volk zag, drong.hij
door het volk hem te gemoed, en reikte hem de hand toe, maar de stadhouder
weigerde die aan te nemen, waarop Hospinianus zei: “Heer stadhouder wees niet
toornig, want God in de hemel leeft, en ziet alle dingen."
Daarna werden zij naar de toren van de
Mellingerpoort geleid, en ‘s zaterdags op nieuw door de daartoe bestemde
gezanten der eedgenoten onderzocht betreffende hun geloof, alsook over het
afschaffen der beelden, dat tegen de gemaakte voorwaarde der heren van Zürich
plaatshad, die alleen hadden ingewilligd en toegestaan, dat men hen over het
oproer en de brand, en niet over hun geloof zou ondervragen, zoals ook de
Zürichse afgevaardigden van de Raad met allen ernst beweerden. Door de gezant
van Bern echter werden zij met bittere woorden bejegend. Hieruit ontstond grote
onenigheid, zodat de gezanten van Zürich opstonden, en deze heerszuchtige
handeling niet langer wilden bijwonen; doch de pausgezinde gezanten gingen
evenwel met deze ondervraging en het onderzoek voort. En hierbij bleef het niet,
want, ofschoon de stadhouder van Frauenfeld vele dingen had onderzocht, en
daarvoor getuigen verzameld had, werd toch de oude vader om deze zaken gruwelijk
gepijnigd, zodat hij met tranen in de ogen had, dat men hem toch van de
martelingen enigermate zou verschonen, en zich met het gedane onderzoek en de
bijgebrachte gebeurtenissen tevreden stellen, en wel, omdat hij de oprechte en
grondige waarheid ervan had betuigd.
Hierop werd Johannes, de oudste zoon, die in de
genoemde St. Annakapel te Opperstanheim kapelaan of tweede dienaar geweest was,
op de pijnbank gelegd, en ondervraagd, hoe hij aan zijn ketterse gevoelens
gekomen was, onder bedreiging, dat zij hem, zoals met de beelden had plaats
gehad, zouden verbranden. Verantwoording, bidden noch smeken mochten baten, daar
men, zonder enige barmhartigheid te tonen, voortging hem op de gestrengste wijze
te pijnigen, zodat hij eindelijk zei: “O barmhartige God, kom mij te hulp en
troost mij." Een van de gezanten voegde hem toe:"Waar is nu uw Christus? Gij
booswicht, zeg uw Christus, dat Hij u nu helpt!" 'Waarop hij zuchtende
antwoordde: "Hij zal het ook doen."
Spoedig daarna werd ook mr. Adrianus, de jongste
zoon, die ook in Neder-Stanheim kapelaan of tweede dienaar was geweest, naar de
pijnbank geleid, tot wie een der gezanten zei: Heer zeg ons de waarheid. Wie
heeft het klooster verbrand, en vanwaar hebt gij uw geloof? Want ik verklaar u
hij mijn ridderschap, dat ik verkregen heb aan plaatsen, waar God de pijn en de
dood heeft ondergaan, dat men u, wanneer gij het niet zegt, de een ader na de
andere zal uitscheuren. Wij hebben uw vader met uw ketterse leer onderzocht, en
wees er van verzekerd, dat wij hem zullen doden, waaraan wij ons land en onze
onderdanen willen wagen, opdat dit vuil en ketters geloof worde uitgeroeid."
Adrianus bad, dat men toch niet zo tegen hem zou woeden, maar hem genade
bewijzen, en alleen naar de waarheid vragen. De gezant antwoordde: "Adrianus, de
Apostelen hebben zo niet gehandeld, maar hun dood met vreugde
begeerd."
Hoewel Adrianus hen altijd, in alle redenen en
tegenspraak vriendelijk bejegende, werd hij toch eindelijk aan het touw
vastgemaakt en opgetrokken. Een van de gezanten zei in die ogenblikken:
"Adrianus, dat is het geschenk waarmee wij u op uw bruiloftsfeest vereren."
Adrianus had zich namelijk kort tevoren met een meisje uit Beijlingen te
Winterthür verloofd.
Eindelijk bracht men ook de bovengenoemde
Ruijteman voor, die men insgelijks omtrent alle zaken met ijver en onder vele
pijnigingen ondervroeg ofschoon het avond werd, en de gezanten vermoeid
waren.
De volgende Zondag, toen men hen samen in één
gevangenis had gebracht, vertrokken de gezanten op dezelfde dag, om hun oversten
van alles verslag te doen.
Veertien dagen daarna, des Zondags na St. Urenen,
kwamen de gezanten weer samen, en onderzochten de gevangenen onder pijnigingen
andermaal, doch bevonden niet, dat zij aan het verwekken van oproer en het
stichten van de brand schuldig waren; dat zij, integendeel, naar hun beste
vermogen dit alles hadden trachten te behoeden en te
weren.
Op Dinsdag de 6den September werd door de
secretaris van Baden hun bekentenis op schrift gesteld, en aan de overheden
afgegeven.
Drie weken later werd er weer door de gezanten een
vergadering te Baden gehouden. Ten gunst van de gevangenen werd daar een
dringend verzoek gedaan, zowel door de inwoners van Zürich alsook door de
ketterin Anna, die daar zelf verscheen, om voor haar gevangen man Hospinianus en
haar beide zonen in de bres te springen, doch alles was tevergeefs. Evenmin
hielp het, dat Hieronymus, hoog ambtenaar te Zürich, die twee malen stadhouder
van Thurgau was geweest, getuigde, dat de bedoelde onderstadhouder een eerlijk,
gehoorzaam man was, die gunstig hij de overheid stond aangeschreven, en wie zij
zeer genegen waren, die jegens vreemdelingen en landgenoten gastvrij, getrouw,
oprecht, redelijk en nooit oproerig was geweest, zodat zijn huis gelijk aan een
klooster en gasthuis was. Doch door de Raad werd hun geantwoord, dat hij moest
sterven, omdat hij de grootmoeder van Christus, de zalige Anna, de moeder van de
moeder Gods, verbrand had. Zij voegden er hij, dat, wanneer hij slechts had
gestolen, geroofd, gemoord of ketterij bedreven, zij hem dan zouden
verschonen.
Op Woensdag de 2881 September, in de avond van St.
Michaël, in het jaar 15211, kwamen de eedgenoten van de negen regerende Stenden
op het Raadhuis te Baden samen. Die van Zürich, die de Evangelische godsdienst
beleden, waren, aangezien hun voorbede niet had geholpen,afgetreden, en hadden
zich verwijderd, daar zij niet in de Raad der bozen wilden zitten. De
vergaderden spraken over de gevangenen dit vonnis uit, dat Johannes Hospinianus,
onderstadhouder te Stanheim, en Johannes, zijn zoon, alsmede Borchard Ruijteman,
onderstadhouder te Nusbaamen, door het zwaard zouden sterven; maar dat Adrianus,
als de jongste zoon, aan zijn moeder, die zoals boven verhaald is, voor hem
vergeving afgesmeekt had, zou terug gegeven worden.
Toen dit vonnis de gevangenen in de toren werd
meegedeeld, zei de vader tot Adrianus: "Mijn zoon, daar God u nu het leven wil
sparen, zie wel toe, dat gij, noch iemand van de onze zich vermeet om deze onze
onschuldige dood te wreken. De wraak behoort God in de hemel alleen toe, Die zal
te Zijner tijd al het onschuldig bloed wreken. Hij wil ons genade bewijzen, en
in het ware geloof ten einde toe versterken."
Toen nu Adrianus hierover bitterlijk weende en
zeer bekommerd was, zei Johannes, zijn broeder, tot hem: "Mijn broeder, gij
weet, dat wij Gods Woord getrouw verkondigd hebben, en wel aldus, dat wij ten
allen tijde het kruis ervan gedragen hebben; ween daarom zo niet, en houd op met
schreien. Ik breng lof en dank aan God, dat Hij mij op deze dag waardig acht, om
de wil van Zijn heilig Woord te lijden en te sterven; Zijn heilige naam zij hoog
geprezen in eeuwigheid! Het geschiedde, gelijk het Hem
behaagt."
Intussen troostten zij elkaar en bereidden zij
zich voor, totdat het uur van hun dood slaan zou met christelijke spreuken uit
Gods Woord, en bevalen Adrianus om dit ook de hunnen mee te delen, en hen te
troosten, daar zij niet wegens enige schande of oneer, maar alleen om Gods wil
moesten sterven.
Negen volle weken brachten deze vrome mannen op
verschillende plaatsen in de gevangenis door, in welke tijd zij niet van
klederen noch hemden verwisselden. Zij werden door die wrede martelingen meer en
meer ontzenuwd, afgetobd en krachteloos. Maar zij betuigden, dat zij er verheugd
over waren, omdat zij nu eindelijk van hun zwakke lichamen en zware pijnigingen
zouden bevrijd worden, en loofden daarom God in hun lijden, en hielden in
getrouwheid aan in het gebed.
Toen nu de tijd van hun sterven genaakte,
verzamelde zich een grote menigte, door welke men de drie mannen leidde, die vol
geduld en gewillig daarheen gingen, terwijl velen hun tranen niet konden
bedwingen. Voor het Raadhuis werden hun de bekentenissen voorgelezen, en
aangezien deze meer op gezegden van anderen, dan op hun eigen woorden waren
gegrond, sprak de onderstadhouder Hospinianus enige artikelen in het openbaar
tegen, en betuigde, dat die hem nooit in de zin waren gekomen. Zijn zoon
Johannes zei daarop: "Niet alzo, lieve vader, niet alzo; maar laat het alles
waar zijn en zo blijven, de Heere, Die in de hemel is, weet wel wie en wat wij
zijn, en hoe alle dingen zijn geschied. Aldus moet de antichrist Zijn zaak met
liegen en bedriegen bemantelen. Het grote gericht dezer wereld zal aanbreken,
waarin al het verborgen en de waarheid, zoals het behoort, aan de gehele wereld
zal geopenbaard worden. Met geloof en lijdzaamheid zullen wij thans alles
overwinnen."
Nadat hun de bekentenissen en het vonnis waren
voorgelezen, sloeg de beul van Locaris het eerst de handen aan Johannes, bond
hem, en leidde hem weg.
Deze sprak, ten volle vertroost, van Christus, van
Diens verdiensten, en de zaligheid, waardoor hij zelfs vele zielen in het geloof
versterkte. Daarna bond de beul van Luzern de beide onderstadhouders samen, en
volgde achter de eerste beul. Zij werden begeleid door de priester Galli,
kerkelijk dienaar te Baden, die hun veel van de pauselijke leer op het hart
wilde drukken, doch waartegen zij het hoofd schudden, en er geen gehoor aan
wilden geven.
Toen zij op de brug tegen het slot gekomen waren,
waar vroeger de kapel van St. Joost stond, doch welke, zo ook de brug in die
Lindmaat, de 28sten Augustus 1568, door een watervloed ondermijnd en weggespoeld
werd, vermaande hen de genoemde priester, dat zij zouden neerknielen en de
heiligen Joost aanroepen. Doch Johannes keerde zich terstond om en zei: "Waarom
zouden wij voor hout neerknielen, en dat aanroepen? God in de hemel behoort men
alleen aan te roepen; wend u ook tot Hem met oprecht berouw, want gij zult geen
grauwen rok meer verslijten zo min als ik." Dit gezegde van hem aan de priester
werd ook vervuld, want binnen een jaar stierf hij. Johannes wendde zich ook tot
zijn vader en zei: "Mijn vader, ik bid u, wil toch niet afwijken van wat gij
onderwezen hebt, en waarvan gij weet, dat het de waarheid is. Gij weet, dat er
maar één Middelaar is tussen Goden de mens, welke is onze lieve Heere Jezus
Christus, onze enige troost en Heiland." Daarop antwoordde de vader: “Lieve
zoon, met Gods hulp zal ik zeker daarbij blijven tot het einde." Hierop baden
zij overluid het Onze Vader, en zeiden de artikelen van het geloof op, totdat
zij op de gerichtsplaats kwamen, waar Johannes terstond afscheid van zijn vader
nam en sprak: "Vriendelijke, hartelijk geliefde vader, voortaan bent gij niet
meer mijn vader, noch ik uw zoon, maar wij zijn broeders in Christus onze Heere,
om Wiens naams wil wij thans de dood moeten ondergaan. Met Gods hulp zullen wij
tot Hem komen, Die de Vader is van ons allen, en hij Hem met alle uitverkoren
heiligen eeuwige rust, vreugde en zaligheid genieten. Daarom, vriendelijke,
lieve vader, en broeder in Christus, weesgetroost, geef u aan de Heere over, en
laat hem begaan." Daarop sprak de vader: "Amen! Zo zegene u God, de almachtige,
welgeliefde zoon en broeder in Christus! Hem zij lof, eer en dank in
eeuwigheid!" Velen waren bedroefd van hart om dit
afscheid.
De onderstadhouder Ruijteman sprak weinig; hij bad
en luisterde toe naar hetgeen Johannes en diens vader met elkaar
spraken.
Na dit alles werd Johannes het eerst naar de
gerichtsplaats gevoerd, en ontkleed om onthoofd te worden. Het omstaande volk
vermaande hij ernstig tot eenheid en christelijke liefde, en dat zij met
naarstigheid Gods Woord zouden lezen en volgen. Hij verzocht ook ieder, dat zij
hem door het Onze Vader God zouden helpen aanroepen, en vroeg om vergeving,
indien hij iemand iets misdaan had, zoals hij ook ieder gewillig vergeven had.
Eindelijk knielde hij in de naam van Jezus Christus, en werd
onthoofd.
Daarna werd ook de vader door de genoemden
scherprechter naar de gerichtsplaats gevoerd; en toen hij insgelijks knielde in
de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes, en zijn ziel Gode had
bevolen, werd hij onthoofd.
De priesters fluisterden de onderstadhouder
Ruijteman onophoudelijk in het oor, dat hij Onze Lieve Vrouw en de heiligen
moest aanroepen; maar hij bad het Onze Vader, en toen hij in Gods naam knielde,
werd hem het hoofd afgeslagen. De priesters maakten de onwetenden hoop wijs, dat
hij begeerd had een zielsmis voor hem te doen; doch niemand had dit ooit van hem
gehoord. Intussen bracht dit hun veel geld op.
Een zodanig einde hadden deze drie aanzienlijke
vrome mannen. En, of dit nog niet genoeg ware, moest de arme, bedroefde weduwe
boven dit alles aan de pausgezinde orde betalen zes honderd Duitse guldens voor
de gemaakte onkosten en bovendien honderd vijftig gulden voor de vertering,
gemaakt hij hun verblijf in de gevangenis, en voorts nog tien kronen aan de
wrede beul, zodat er in het geheel geen barmhartigheid getoond
werd.
Adrianus Hospinianus, die, gelijk boven verhaald
is, aan de moeder was teruggegeven, werd door de achtbaren Raad van de stad
Zürich in de parochie Altorf, in hun graafschaap Kijburg gelegen, aangesteld, en
spoedig daarna tot deken van dit hoofdstuk gekozen. Beide ambten bediende hij
met alle naarstigheid en getrouwheid tot aan zijn dood, waar hij ook de 9den
Februari 4563 stierf, nadat hij hij zijn tweede vrouw, Dorothea Wolphy, zuster
van Johannes Wolphy, de godgeleerde, een zoon had verkregen, Rudolf Hospinianus,
die door zijn uitnemende geschriften bijna hij ieder bekend
is.
[JAAR 1525.]
Johannes de Klerck, geboren te Melden, was de
oudste broeder van Pieter de Klerck, van wie wij later zullen spreken. Deze
Johannes werd, in het jaar onzes Heeren 1513, in de stad Melden gevangen
genomen, omdat hij aan de deuren van de grote kerk aldaar enige artikelen
aangeslagen had tegen de gezonden aflaatbrieven van de paus, waarin hij schreef,
dat de paus de antichrist was. Hierom werd het volgende vonnis over hem
uitgesproken, namelijk, dat hij gedurende driedagen, op zekere tijden, met
roeden zou gegeseld, en hem een schandteken aan het voorhoofd zou ingebrand
worden. Toen zijn moeder, die een oprechte en christelijke vrouw was, maat, een
man had, die de waarheid haatte, zag dat haar zoon gegeseld en gebrandmerkt was,
bemoedigde zij hem, en riep op luiden toon: "Zo moet Christus met zijn
merktekenen in u leven." Daarna reisde de genoemde Johannes de Klerck, gestraft
en gebrandmerkt, naar Rosoay, in Brie, en vandaar naar Metz, in Lotharingen,
waar hij enige tijd woonde, en zich met zijn ambacht het wolkammen bezig
hield.
Op zekere avond voor de dag, waarop men, even
buiten de vesting der stad, aan enige beelden in een kapel grote eer zou
bewijzen, kwam Johannes, met een goddelijke ijver, zoals de uitkomst leerde,
ontstoken, aan de plaats waar de volgende dag de beelden zouden worden
aangebeden, en sloeg die aan stukken. Toen nu de hogere geestelijken, priesters
en monniken het volk met grote pracht en in processie daarheen leidden, en
ontdekten, dat hun beelden geschonden en verbroken waren, bewogen zij de gehele
stad, om de dader van dit feit te zoeken, die dan ook zeer spoedig werd
gevonden.
Behalve dat men reeds vermoeden op hem had, hadden
sommigen hem in de vroege morgen de stad zien ingaan. Hij werd daarom gevangen
genomen, beleed zijn daad terstond. en gaf voor het gehele volk de reden op,
waarom hij dat gedaan had. Het volk ontstak daarover dermate in gramschap en
woede jegens hem, dat men terstond verlangde, dat men hem een gruwelijke dood
zou aandoen. Nadat hij de zuivere leer van de Zoon Gods, Jezus Christus, voor de
rechters en het volk met kloekmoedigheid had beleden, werd zijn vonnis geveld,
en hij naar de plaats, Champasselle genaamd, gevoerd, waar hij zijn straf
ontvangen zou. Men het hem een zeer wrede dood ondergaan. De beul hieuw hem
eerst de rechterhand af, daarna werd hem de neus met scherpe tangen afgeknepen,
zo ook de armen, de borsten afgesneden, en van zijn hoofd cirkelsgewijze de huid
afgestroopt en met vuur verschroeid. Hij dit wrede schouwspel was niemand
tegenwoordig, die zich niet ten hoogste hierover ontzette, voornamelijk toen zij
de onoverwinnelijke standvastigheid zagen, waarmee God Zijn dienaar versterkte,
die onder de grootste en zwaarste pijnigingen de volgende woorden uit de 115den
Psalm op de lippen nam en uitsprak: Hunlieder afgoden zijn zilveren goud, het
werk van mensenhanden," enz. Het leven, dat in dit ellendig lichaam nog over
was, werd daarna spoedig door het vuur verteerd.
Dit geschiedde op de 29e Juli in het jaar onzes
Heeren 1525.
In het Latijn beschreven door Willem Gnapheüs,
Rector van de Latijnse school te 's Gravenhage en medegevangene van
Pistorius.
Later in het Nederlands
vertaald.
[JAAR 1525.]
Johannes Pistorius, of de Bakker, van Woerden, in
Holland, was uit aanzienlijke ouders geboren, en overtrof van zijn jeugd af in
deugd en eerbaarheid des levens allen, die van zijn leeftijd waren. Reeds op
12-jarige leeftijd zong hij, daar hij een zeer heldere stern had, in de
hoofdkerk te Utrecht, volgens de gewoonte van die dagen, met de hogere
geestelijken, en stond hij het college der priesters in hoog aanzien. Nadat hij
die jaren van zijn leven aldus had doorgebracht, en zijn stem begon te
verzwakken, wilden de priesters hem nauwelijks ontslaan, om tot zijn studiën,
die hij enige tijd vaarwel had gezegd, ja, bijna verlaten, met een bijzondere
lust terug te keren. Tot onderwijzer had hij later meester Johannes Rhodius, een
zeer beroemd opziener over het college van Hieronymus, een geleerd en tevens
vroom man, die hem naarstig onderwees in de geboden der godsvrucht en de ware
godsdienst, alsmede in de beginselen van zijn aanstaand ambt. Al spoedig werd
deze leerling met zijn onderwijzer gehaat, daar men hem beschuldigde de
gevoelens van Luther te zijn toegedaan. In deze tijd namelijk openbaarde zich de
Evangelische waarheid reeds, en om die te bevorderen, reisde bovengenoemde
Rhodius dikwerf naar Duitsland. De goede vader van Pistorius maakte zich voor de
ondergang van zijn zoon zeer bevreesd, aangezien het vermoeden, dat hij de leer
van Luther voorstond, dagelijks meer en meer toenam. Hij riep hem daarom uit de
school naar huis, en beval hem nevens hem het kosterambt waar te nemen. In deze
betrekking liet hij niet na de lof van het meer en meer helder schijnende
Evangelie hij alle gelegenheden zijn medeburgers in te scherpen, en vele nieuwe
planten tot Christus te leiden.
Van daar werd hij, om zijn verstand nog meerder te
verrijken, naar Leuven gezonden, en aan Erasmus, de roem van Holland,
aanbevolen, met wie zijn goede vader vroeger samen had gewoond, en in zijn jeugd
veel had omgegaan, aangezien zij in één school waren onderwezen. Het was
verwonderlijk te zien, hoezeer Pistorius in korte tijd in kennis toenam. Doch de
vader, die meer zag op het voordeel, dat hij door zijn zoon behalen kon, dan op
diens studiën, overlegde hij zichzelf, hoe hij het best van zijn zoon partij kon
trekken. Hij zond hem daarom naar Utrecht, om hem als dienaar in de godsdienst
te laten wijden. De goede jongeling werd gedwongen, zich naar de wil van zijn
vader te schikken, het leven der geestelijken aan te nemen, en de gevoelens van
Luther af te zweren, wat hij in die tijd deed, voorzover de christelijke
eenvoudigheid geen sekten kende. Evenals deze levenswijze Pistorius niet
behaagde, betuigde hij ook hij herhaling, dat hij tot de slavernij van deze
kerkelijke bediening was toe getreden alleen om zijns vaders wil, of om in dit
leven er zich op te kunnen toeleggen de catechismus te beoefenen, zoals hij dit
dan ook met groten ijver in zijn vaderland heeft gedaan. Daar het gerucht
hiervan dagelijks toenam, werd hij spoedig daarna te Utrecht geroepen, om zich
daarover te verantwoorden. Maar, aangezien hij de lagen bemerkte, welke men hem
legde, weigerde hij in de vergadering der kwaadwilligen te verschijnen. De
priesters van het college te Utrecht deelden de verachting, die Pistorius der
vergadering toedroeg, aan het hof van Holland mee. Aangezien deze aanklagers
daar geloof vonden, werd hij met een van zijn medebroeders door de gouverneur
van het slot te Woerden gevangengenomen. Terwijl echter zijn tegenpartijders,
uit vrees voor de burgers, zoals men meent, hen niet langer van ketterij
beschuldigden, en wel in deze plaats, waar zij alles naar hun wil konden doen
buigen, gebeurde het, dat, toen zijn metgezel door bloedgang werd aangetast,
Pistorius, om de besmettelijke ziekte werd ontslagen uit de gevangenis, onder
belofte, dat hij zich ten allen tijde aan het rechterlijk onderzoek zou
onderwerpen. De geestelijken te Utrecht waren wrevelig dat deze prooi aan hun
handen ontgaan was, en wisten door hun scherpe bedreigingen het zover te
brengen, dat beiden een vrijwillige ballingschap aannamen. Uit liefde tot de
ware godsvrucht gingen zij naar de gemeente te Wittenberg, in Saksen. Na drie
maanden op deze reis doorgebracht te hebben, keerden zij weer naar hun vaderland
terug. Toen die van Utrecht dit vernamen, riepen zij hen op nieuw voor hun
gericht, teneinde hen van ketterij te zuiveren. Eindelijk werd hun bevolen naar
Rome te reizen, en gedurende drie jaren buiten hun vaderland te blijven.
Pistorius minachtte dit vonnis, en wilde geen voetbreed uit het stadje wijken,
en nog minder volbrengen, wat hem gelast was.
Hierdoor werden zijn tegenstanders nog meer op hem
verbitterd, zodat zij besloten hem te zullen doden, zo spoedig zij hem ergens
onder hun gebied konden betrappen. Aan een overste der ruiterij werd de last
opgedragen, zulk een ongehoorzaam mens en oproermaker gevangen te nemen en te
Utrecht te brengen. Ondertussen hield Pistorius zich buiten het gebied van
Utrecht op, doorreisde geheel Holland, en versterkte voortdurend de broeders en
gemeenten, die tot eer valt de Heere vergaderden. Te Delft bezocht hij, met
grote bereidwilligheid mij, en Cornelius Honius, een zeer kundig rechtsgeleerde,
die ook met mij, omdat hij zich tegen het monnikenleven verklaard had, gevangen
zat, en gaf ons door zijn toespraken een groot bewijs van godzaligheid. En,
opdat deze goede man, wat hij leerde ook door daden zou bewijzen, wat zij echter
voor ketterij verklaarden, trad hij, ofschoon hij priester was, in het huwelijk.
Na zijn huwelijk bediende hij de mis niet meer, verliet de geestelijken stand,
en het zich de kruin niet meer scheren. Ja, deze pas gehuwde achtte het niet
beneden zich allerlei slaafse arbeid te verrichten. Nu eens was hij aan het
bakken, dan weer aan het graven; op een anderen tijd werkte hij op het land, al
naar ieder zijn hulp vroeg. Intussen hield hij zich ook bezig met de
verkondiging van het Woord in de huizen, en bekleedde met naarstigheid het ambt
van Evangelisch predikant, zodat het bleek, dat hij er een gewetenszaak van
maakte, de minsten tijd in ledigheid door te brengen.
Terwijl hij zijn tijd met deze zaken, gelijk reeds
gezegd is, ten goede besteedde, geschiedde het, dat de paus van Rome zijn rijk,
dat dreigde teniet te gaan, ja reeds aan het zinken was, door nieuw uitgevonden
aflaten, zoals men die noemt, zocht staande te houden. Deze aflaten werden nu
niet meer, zoals vroeger, verkocht, maar tegen het gebruik om niet de
boetvaardigen en die de mis bijwoonden in de hand gestopt. Toen deze aflaten ook
in het stadje Woerden werden gebracht en aangeplakt, verzette zich deze
martelaar daartegen als een muur voor het huis Israëls. Gelijk deze goede man de
overleggingen van de satan bekend waren, zag hij ook spoedig de bedoelingen en
bedriegerijen van de antichrist in. Hij begaf zich daarom naar de biechtkamer,
en, o goede God! met welk een goede gesteldheid des harten ontdekte hij het
bedrog van de aflaten. Teneinde velen tegen deze koophandel te stemmen, en hen
voor het bedrog van deze aflaten te bewaren, nam hij geen geld aan, zoals gewone
priesters doen, van hen die hij hem ter biecht kwamen. Hij maakte er zijn werk
alleen van, om hij ieder de beginselen van de godsvrucht en van de christelijke
godsdienst in te planten, de zwakke gemoederen in Christus te versterken en de
geschokte gewetens door het Evangelie van Christus rust te schenken. Ten gevolge
daarvan liepen de burgers met grote scharen tot Pistorius, waardoor de inkomsten
van de gewone priester zeer verminderden. Deze werd daarover met wrevel vervuld,
en wendde zich hij herhaling tot de overheid met het verzoek, zulk een mens, die
het heilig sacrament, de openbare gebeden en het gezag van de paus verachtte,
uit de heilige kerk te weren. In weerwil daarvan, werd de vromen martelaar door
de broeders verzocht, dit godvruchtig begonnen werk niet te staken, opdat de
koophandel van de paus dagelijks zou verminderen. In deze tijd bediende hij eens
de mis, en liet eenmaal zijn hoofd scheren, en deed dit, omdat hij meer zag op
de liefde en de tegenwoordige omstandigheden des tijd, dan om aan verkeerde
hartstochten en begeerten toe te geven. Dit was de laatste en vierde mis, die
hij als priester in drie jaren tijd bediende. Intussen, toen de huurling, de
oude priester, gestorven was, veroorzaakte de roomse priester, die in zijn
plaats gekomen was, een nieuw treurspel. Pistorius werd namelijk voor het
stadsbestuur geroepen, en bevolen zijn zaak te verantwoorden. Daar werden hem
vele vragen gedaan betreffende het pausdom, het vagevuur en de besluiten der
kerkvaders. Met een spreuk bracht hij hen tot zwijgen, en betuigde dat God
tevergeefs wordt geëerd door geboden en instellingen van mensen. Hij zelf riep
enige priesters samen, en wel ten getale van drie, die over zijn huwelijk zouden
oordelen. Onder deze was er een, die, eer men tot het onderzoek overging, het
voornemen en de rechtschapen handelingen van de nieuwe pastoor (Pistorius)
bespotte en hem vroeg op wiens order hij in een vrije stad zulk een oproer
verwekte. Doch, daar hij van de opperste rechter daartoe geen last had bekomen,
ging hij beschaamd heen, en werd ook de vergadering opgeheven. De volgende dag
nam hij van het Bestuur van Woerden een schriftelijk bewijs van het gebeurde, en
zo bracht deze onbeschaamde lasteraar alles, zo hatelijk als hij slechts kon,
aan het Hof van Vrouw Margaretha over. Op haar bevel werd Pistorius daarna weer
gevangen genomen, en naar 's Gravenhage, zijn vaderstad, overgebracht, onder
geleide van vier gerechtsdienaren. Op deze reis had hij nu en dan goede
gelegenheid om te ontvluchten, doch hij beproefde dit nochtans niet, en betrad
zelfs niet vreugde de gevangenis te, 's Gravenhage. Het gerucht hiervan, nieuw
als het was, kwam, terwijl ik in de Latijnse school werkzaam was, Mij ter oor,
en terstond nam ik de pen ter hand, en begon een verantwoording voor de gevangen
broeder op te stellen, waarin ik zijn zaak, die rechtvaardig, en duidelijk te
verantwoorden was, poogde voor te staan en te verdedigen, terwijl ik niet wist,
dat ook mij, ten gevolge daarvan, het lot van in de gevangenis te geraken, boven
het hoofd hing. Drie dagen daarna werd ook ik in dezelfde gevangenis gestoten,
omdat ik door de kuiperij van de monniken verraden was, wier orde ik in mijn
geschrift had afgekeurd. Met stilzwijgen ga ik het zeer aangename verkeer met
deze man voorbij; en terwijl ik hier was, heb ik, bijna steelsgewijze,
beschreven, wat hij mij meedeelde, vooral wat hem van de inquisiteurs bejegende,
wat ik in de volgende samenkomsten getrouw zal verhalen.
Wilt gij, beminde lezer, dat ik u de man nader
beschrijf, weet dan, dat hij recht en lang van persoon was, met een deftig en
vergenoegd uiterlijk, een hoog voorhoofd, en een oprecht en vrijmoedig gelaat.
Hij droeg lang, zwart en dun haar. Hij was sterk van gebeente, in de bloei van
zijn jeugd, en had nauwelijks 27 jaren bereikt. In het redetwisten was hij
wakker, in het onderwijzen duidelijk, in het vermanen vrijmoedig, en zeer
ijverig in het bestraffen van zijn tegenpartijders. Zijn gang was gelijkmatig en statig, de kleur van
zijn huid helde een weinig naar het gele. Meerdere bewijzen, zo van zijn deugd
als vroomheid, die ik in die tijd in hem opmerkte, zou ik kunnen meedelen, doch
dit zou volgens het algemene spreekwoord, tevergeefs een krans van eikenloof
uithangen zijn, waar wijn te koop is. Wie hij was, en hoe hem het hart gloeide
voor God, hebben zijn martelaarschap en dood genoegzaam bewezen. Dit wilde ik
van het leven dezes godvruchtigen mans, ofschoon zeer kort, meedelen. Neem zeer
vriendelijke lezer, deze onze arbeid, die wij ten goede van de christelijke
godsvrucht verrichten ten goede aan. En, wanneer het u behaagt, ook het volgende
te lezen, zult gij met de Profeet moeten zeggen, dat God Zijn heiligen tot een
muur heeft gesteld.
Het onderzoek der drogredenaars van
Leuven, gedaan naar het geloof van Pistorius
Voorrede van
Gnapheüs
Wij geven u hier, onpartijdige lezer, de
redevoeringen, die de uitnemende martelaar, Johannes Pistorius, met de Leuvense
drogredenaars, die zich voor inquisiteurs of onderzoekers der ketterse boosheid
uitgaven, gehouden heeft, en wel met geen mindere kloekheid van het hart en
vertrouwen, als geleerdheid en godsvrucht. Wij geven u die met dezelfde
oprechtheid en getrouwheid te lezen, als wij die in de gevangenis, waar wij
samen waren, uit zijn mond vernamen, terwijl wij ons veroorloofd hebben de stijl
wat te verbeteren. Aangezien deze zogenaamde godgeleerden hij herhaling met deze
onze martelaar gesproken, en vete dingen op beuzelachtige wijze hebben
voorgesteld, dunkt het ons goed het geheel van alles, wat er toen is gesproken,
in vier twistgesprekken of samenspraken samen te vatten, opdat wij niemand door
te grote uitvoerigheid van de lezing zouden afschrikken. Als in een spiegel is
in deze samenspraken te zien, hoe deze beklagenswaardige drogredenaars zich
gelijk blijven, en hoe ongelukkig zij strijden. Ofschoon zij zich beroemen
onderzoekers der ketterijen, leraren der onwetenden, leidslieden der dwalenden
en meesters der waarheid te zijn, zijn zij dit evenwel niet; want niemand
onderwijst de onwetenden minder dan zij, en niemand leert de weg der zaligheid
aan onkundigen minder dan zij. Dit alles zal uit deze twistgesprekken, die
volgens hun wijze van handelen, en niet uit bitterheid of door ons verzonnen
beschreven zijn, duidelijk kunnen gezien worden.
Dit eerste onderzoek, waarin enige punten van
minder belang zijn voorbij gegaan, had plaats op de 14den Juli in het jaar onzes
Heeren 1525.
Eerste
samenspraak
De sprekers waren:
Magister Noster, Nikolaas a Montibus,
inquisiteur.
M. N. Godschalk Rosemundus,
bijzitter.
M. N. Ruard Tapper, van Enkhuizen,
bijzitter.
Bucho Bernhard Vries, deken en burgemeester van 's
Gravenhage.
Duvevortius Brunchus, procureur
fiscaal.
Johannes Pistorius, van Woerden,
gevangene.
Mont. Zeg mij Johannes, wilt gij dat wij Latijn
spreken of Nederlands?
Pistorius. Doe, zoals gij wilt, het is mij om het
even.
Mont. Mijn Heeren, wat zal ik dan het eerst
vragen?
Rosemund. Laat ons tot de zaak zelf
overgaan.
Tapper. In het geheel niet. Het zal beter zijn,
dat men vraagt, of hij u houdt voor een bevoegd rechter.
Mont. Heer Johannes, zult gij mij ook oprecht
antwoorden op wat ik u zal vragen?
Pistor. Ik zal antwoorden op alles wat recht
is.
Mont. Leg dan uw hand op uw borst, en zweer, dat
gij ons de waarheid zult zeggen van wat wij u vragen
zullen.
Pistor. Ik vind mij bezwaard om veel te zweren;
doch ik neem op mij te antwoorden naar de eis van deze
rechtbank.
Mont. Wat, kent gij deze hand
niet?
Pistor. Het kan wel zijn, dat zij het is; maar,
ofschoon gij mij veel vraagt, heb ik niet voorgenomen ulieden te antwoorden, dan
nadat ik eerst in het algemeen rekenschap heb gegeven van mijn
geloof.
Mont. Wat vragen wij naar uw getuigingen? Antwoord
op hetgeen wij vragen: Blijft gij nog hij deze uw
belijdenis?
Pistor. Ik zal geen titel antwoorden, zo gij mijn
protest niet inwilligt.
Mont. Maar wij zullen in geen dele toestaan, dat
gij naar uw goedvinden zult protesteren. Antwoord, wat wij u
vragen.
Pistor. Wat dwingt gijlieden mij aldus, dat ik
naar uw zin zal moeten antwoorden? Wat is dat voor een
onbillijkheid.
Duvevortius. Hij vraagt, wat billijk is, sta hem
toe, dat hij zich naar zijn begeerte verklare.
Pistor. Gijlieden schijnt om niets anders hier
gekomen te zijn, dan om mij in mijn woorden te vangen. Wat is dat voor een
manier van doen?
Tapp. Ja, wij zijn er hier geheel op uit, om u tot
betere gevoelens te brengen. Waarom weigert gij ons te
antwoorden?
Bucho. Mijn vriend Johannes, opdat gij de zaak
goed mag inzien; hier hij ons, is de commissaris van de keizer, om rechter in uw
zaak te zijn.
Munt. Ziehier het schriftelijk bewijs van mijn
last.
Tapp. Dat het artikel gelezen worde, hetwelk de
inhoud van het bevel behelst.
Pistor. Ik geloof wel, dat het door de keizer
hierheen is gezonden.
Tapp. Het is genoeg. Hij erkent de
rechter.
Mont. Wat zegt gij dan van deze uw
belijdenis?
Pistor. Wanneer ik de verklaring van mijn geloof
zal blootgesteld hebben, zult gij horen, wat ik zal
antwoorden.
Duvev. Doe dan uw beklag.
Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, beklaag mij
voor ulieden. Waarom meesmuilt gij zo?
Bucho. Heer Johannes, de Magistri nostri bespotten
u niet, maar zij glimlachen, omdat gij u laat voorstaan uw beklag zeer goed
ingeleid te hebben. Maar, eilieve ga voort.
Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor
ulieden, dat ik niet voornemens ben iets uiteen te zetten.
Duvev. Ga zo voort, als gij begonnen
bent.
Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor
ulieden, dat ik niet heb voorgenomen iets uit een te zetten, wat in de Heilige
Schrift niet is uitgedrukt.
Tapp. Zwijg een ogenblik, en geef mij uw Bijbel.
Wat, zal men alleen de Schrift en ook niet de kerkvaders geloof schenken? De
Handelingen der Apostelen geven duidelijk te kennen, dat Paulus het volk beval
de geboden der Apostelen en ouderlingen te onderhouden.
Pistor. Dit zegt de Apostel zeer goed; want die
geboden van de ouderlingen waren overeenkomstig de Heilige
Schrift.
Rosem. Maar de Apostelen zeggen in hetzelfde
hoofdstuk: “Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, dat gij u onthoudt
van hetgeen de afgoden geofferd is, en van bloed." Waaruit blijkt, dat de
Apostelen en hun navolgers iets hebben bevolen buiten de Heilige Schrift; want
zij zeggen: "Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht." Wat antwoordt gij
op het woord ons?
Pistor. De Apostelen hebben daar niet gesproken
zonder gezag van de Heilige Schrift; want de wet had de Joden wat verstikt was
of bloed te eten verboden, en bepaald, dat diens ziel zou zijn in de plaats van
de geslachte offerande. De vergadering der Apostelen had uit de geschriften der
Profeten geleerd, dat de heidenen in het christendom zouden opgenomen worden.
Dit lieten de Joden ongaarne toe, en toen dacht het de Apostelen, door het
ingeven des Heilige Geestes, goed een reden te bedenken, waardoor zo vele delen
tot de enigheid van het geloof zouden gebracht worden. Dit kon echter niet
geschieden, tenzij het een deel het andere wat toegaf, en wel uit verplichting
der liefde, die soms de wet een weinig opheft. Hieruit volgde, dat, toen de
Joden van het gestreng aandringen op de besnijdenis wat lieten vallen, en de
heidenen zich daarentegen van het verstikte en het bloed voor enige tijd
onthielden, beide volken zich met de Evangelische leer tevreden stelden. Dat nu
zulk een apostolisch besluit voor de heidenen niet van voortdurende kracht was,
blijkt daaruit, dat het thans geheel is afgeschaft. Door de Apostelen is ook
niet lichtvaardig gehandeld, en zij hebben de grenzen van hun zending niet
overschreden, die hun hij Mattheüs worden voorgeschreven.
Mont. In Mattheüs 23 zult gij wat anders vinden
dan gij gezegd hebt.
Pistor. Wat is duidelijker dan de woorden, waarmee
de Apostelen tot de wereld werden gezonden: "Gaat dan heen," zegt Christus,
"onderwijst al de volken, lerende hun onderhouden alles wat Ik u geboden
heb."
Mont. Dat bedoel ik niet; maar ik haal het 23ste
hoofdstuk van Mattheüs aan: waar staat: "De Schriftgeleerden en Farizeeën zijn
gezeten op de stoel van Mozes; daarom, al wat zij zeggen, dat gij houden zult,
houdt [dit], en doet [het]; maar doet niet naar hun werken." Hoort en verstaat
gij dit? "Wat zij u zeggen," zegt Christus, "doet het."
Pistor. Bent gij dan de Farizeeën en
Schriftgeleerden van onze tijd, naar wier woorden wij moeten horen, en wier doen
wij moeten misprijzen? Ziet gijlieden dan wel toe, dat gij met hen niet in
hetzelfde oordeel valt, die met een slecht voorbeeld van het leven de zuiverheid
van de leer van het evangelie verontreinigt. Ik erken niet, dat gij op de stoel
van Mozes zit, omdat gij de wet des Heeren, aan Mozes gegeven, niet leert;
daarom moet men ook naar ulieden niet horen. Immers, men moet de menselijke
overleveringen nalaten, en Gods Woord zuiver verkondigen, volgens de woorden van
God: "Gij zult tot het Woord, dat Ik u heden gebied, niet toedoen, en ook
daarvan niet afdoen."
Tapp. Als het waar is wat gij doordrijft, dan zijn
de Apostelen ver van de waarheid afgedwaald.
Pistor. Hoe dat, eilieve zeg mij
dit.
Tapp. Omdat zij de wijze van dopen, door Christus
met duidelijke woorden voorgeschreven, hebben durven verminken, en alleen in de
naam van Jezus hebben gedoopt, zoals te zien is in de Handelingen der
Apostelen.
Pistor. Moet men zo tegen mij schreeuwen? Moeten
de onwetenden aldus onderwezen worden, en de dwalenden op deze wijze terug
geroepen worden? Gij dondert allen uit een mond tegen mij, alsof gij mij wilt
verscheuren? Moet men alzo te werk gaan?
Rosem. Zacht wat, mijn vriend Johannes; al wat wij
doen, doen wij bepaald om uwentwil, teneinde wij u van de dwalingen terug en
weer op de rechten weg zouden brengen.
Pistor. Dat zal de uitkomst wel
leren.
Mont. Antwoord op het gezegde van de heer Magister
noster, betreffende de veranderde wijze van dopen door de Apostelen
verricht.
Pistor. Zij hebben voornamelijk in de naam van
Jezus gedoopt, die toen nog weinig bekend, en als de Zaligmaker der wereld nog
niet was aangenomen, opdat Hij meer en meer zou geprezen worden. Voorts, wat is
in de naam van Jezus te dopen, Die tegelijk God en mens was, anders dan in de
naam, dat is, in de kracht des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes te
dopen? Zoals Christus naar waarheid spreekt: “Ik en de Vader zijn één," en
verder: "Filippus, die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien." Verder
loochent hij dadelijk de personen van de Vader en de Heilige Geest, die de
allerbeste en grootste God met de naam van, Vader aanspreekt? Leerde Christus
zelf ons dan verkeerd bidden, toen Hij, Zijn naam verzwijgende, het gebed begon
met de aanbeveling des Vaders? Wat de wijze van dopen aangaat, door Christus
ingesteld, die heeft Hij ons daarom zo godsdienstig niet voorgeschreven, alsof
het een grote misdaad ware, een weinig van de voorschreven woorden af te wijken,
wanneer men in alles met de zaak overeenkomt; “Want het Koninkrijk Gods is niet
gelegen in woorden, maar in kracht." In de naam des Vaders, des Zoons en des
Heilige Geestes wordt niemand in der daad gedoopt dan hij, die, door de kracht
Gods en de zalving des Heilige Geestes gezalfd en gereinigd zijnde, vernieuwd
wordt naar de inwendige mens. Wij moeten onze inlijving niet zozeer toeschrijven
aan de punten, letters en voorgeschreven woorden, als wel aan de wederbarende
kracht en aan Hem, die ons verstand vernieuwt met een beteren Geest in dit bad
der wedergeboorte. Wie zal het kunnen loochenen, dat de Apostelen de christenen
ook in de naam des Vaders en des Heilige Geestes hebben gedoopt, daar toch van
wie Lukas verhaalt, de enige niet zullen geweest zijn, die gedoopt zijn in de
naam van Jezus?
Buch. Hier is zulk een uitvoerige redevoering niet
nodig. De heren inquisiteurs vragen alleen, of gij ook niet aan iets anders
gelooft, dat in de Heilige Schrift niet is uitgedrukt?
Pistor. Neen, geen enkele
letter.
Mont. Houdt gij het dan voor kwaad, iets te
geloven buiten de Schrift?
Pistor. Ik geloof geen schriften dan alleen de
Heilige, die alleen nodig zijn, om daaruit de zaligmakende leer te
putten.
Buch. Waarom heeft dan Christus gezegd: "Wie u
hoort, die hoort Mij?"
Pistor. Dit wordt met recht tot hen gezegd, die
tot de oogst van het evangelie werden uitgezonden; want de bedienaren des
Evangelies moeten, als Christus zelf, gehoord worden; want aangaande hen wordt
gezegd: "Want gij bent [het] niet die spreekt, maar [het is] de Geest uws
Vaders, die in u spreekt." Wanneer ook gij naar dit voorbeeld door de Heere
gezonden werd, om het Evangelie voort te planten, en wel als lammeren onder de
wolven, wij zouden ook niet weigeren naar ulieden te horen; ja, wij zouden u
voor Engelen Gods houden. Aangezien gij echter hier gekomen bent, gewapend met
de bullen van de keizer en van de paus van Rome, niet om ons te behouden, maar
om te verderven, houden wij u voor geen gezanten van Christus Jezus, maar van de
mensen; daarom mogen wij in geen dele naar u horen; want op u is niet van
toepassing, wat tot de Apostelen werd gezegd: “Wie u hoort, die hoort
Mij."
Mont. Gij bent zeer los in de
mond.
Rosem. Gelooft gij dan aan al de boeken der
Heilige Schrift?
Pistor. Aan alle, voor zover die in de canon zijn
aangenomen.
Mont. Door welke beslissing kunt gij weten, welke
boeken aangenomen en verworpen zijn, zo het niet is door de toestemming der
kerk?
Pistor. De kerk staat niet boven de Schrift, en de
Schrift ontvangt ook haar gezag niet van de kerk; maar, wanneer die samen
overeenstemmen, en de geest van het geloof ons gebiedt ons daarop te verlaten,
is het gepast, dat wij aangaande de Schrift een goed vertrouwen hebben, en
behoeven het oordeel der kerk niet af te wachten. Daarom zegt de Apostel: "Omdat
wij nu dezelfde Geest van het geloof hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb
geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook."
Dit geloof en deze Geest, Die inwendig in ons spreekt, moeten wij meer aan het
geloof der Schrift toeschrijven, dan aan het oordeel der kerk, die de macht niet
heeft ons iets te geloven op te dringen, wat door de Schrift voorgeschreven,
maar door de Heilige Geest niet versterkt wordt.
Tapp. Waarom gelooft gij ook niet de heilige
leraars der kerk?
Pistor. Door de geschriften der leraars kan ik
bedrogen worden; maar geenszins door de Heilige Schriften. Voorts heeft de kerk
van Christus slechts één Leraar der waarheid, Die hemelse Geest, Die van de
Vader uitgaat, waarom, aangezien Hij een auteur der Schrift is, die niet is van
eigen uitlegging, volgens de getuigenis van Petrus, het niet te verwonderen is,
dat Christus ons tot het geloof van haar heen wijst, zeggende: "Onderzoekt de
Schriften; die zijn het die van Mij getuigen." Ja, ons wordt bevolen, dat wij
naar Christus Zelf moeten horen, aangezien de stem uit de hemel tot ons zegt:
"Hoort Hem."
Tapp. Gij behoorde nochtans de geschriften der
geleerde mannen zo onwaardig niet te achten, want, wat de Evangelisten
stilzwijgend zijn voorbij gegaan, die al de daden van Christus niet volledig
konden beschrijven, dat is de leraars en heiligen kerkvaders opgedragen, om tot
de nakomelingschap over te brengen. Daarom zegt de Evangelist Johannes: Er zijn
nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder
geschreven werden, ik acht, dat ook de wereld zelf de geschreven boeken niet zou
bevatten."
Rosem. Er is niet aan te twijfelen, of die dingen
welke de Evangelisten niet beschreven hebben, zijn aan de nakomelingschap en de
kerkvaders later als van hand tot hand overgeleverd.
Pistor. Een fraaie redenering. Hoe verminkt en
slechts ten halve gij echter de Heilige Schrift aanhaalt, blijkt daaruit, dat
gij verzwijgt, wat Johannes er bijvoegt: "Maar deze zijn geschreven, opdat gij
gelooft, dat Jezus is de Christus de Zoon van God; en opdat gij, gelovende het
leven hebt in Zijn naam." Tot Trooster zendt ons Christus de Heilige Geest, de
leermeester der waarheid, opdat wij door Hem in alle waarheid zouden geleid
worden.
Tapp. Inderdaad, gij bent een stout mens, die er
op pocht zeker te weten welke geschriften van de Heilige Geest afkomstig
zijn.
Mont. Verstaat gij de zin des Heilige
Geestes?
Rosem. Goede God! hoe vermetel zijn deze mensen,
die menen de Heilige Geest te hebben.
Pistor. Waarom woedt gij zo tegen
mij?
Tapp. Gij beuzelaar, hebt gij de Heilige
Geest?
Pistor. "Die de Geest van Christus niet heeft,
komt Hem niet toe."
Brunch. Met verlof, mijn heren, ik zal ook wat
vragen; heer Johannes, van waar, weet gij, dat gij een priester bent, en op
welke grond gelooft gij, dat Hij uw Vader is, Die gij voor Vader groet? Wie
heeft u aangaande deze dingen verzekerd?
Pistor. Schaamt gij u niet, een zodanige dwaze en
ongerijmde vraag te doen, een vraag, waardig, dat men met recht de kinderen
daarover berispte? Het is een groot verschil, o aanzienlijke man, of gij de
heilige Schrift gelooft, die alle godvruchtigen onfeilbaar geloof schenken, en
wel door de Geest van het geloof, die zij ontvangen hebben; of dat gij enige
andere dingen gelooft buiten de Heilige Schrift.
Mont. Wat, gelooft gij niet, dat gij een priester
bent?
Pistor. Waarom niet?
Mont. Wie heeft u verzekerd, dat gij het
priesterschap ontvangen hebt? Wie heeft u tot een priester
aangesteld?
Pistor. De dienaar van de
bisschop.
Mont. Gelooft gij, dat hij de macht heeft om u
daartoe aan te stellen?
Pistor. Ja.
Mont. Maar, dat staat nergens in de Schrift. Gij
gelooft dan aan iets wat niet in de Schrift staat, namelijk aan de macht van de
bisschop om u in uw ambt te bevestigen?
Pistor. Maar wat heeft dit geloof volgens mijn
mening te maken met het rechtvaardigmakend geloof? Ik zie ook niet in, wat goeds
ik van zulk een bisschop ontvangen heb, dan dat ik priester werd genoemd,
aangezien ik door een Simonisch bisschop, zelf Simonisch zijnde, in het college
van priesters ben opgenomen.
Tapp. Hoe moet dan een bisschop volgens uw
Evangelie worden gevormd, of een priester in zijn ambt bevestigd
worden?
Pistor. Wij worden geen priesters gemaakt, maar
wij worden door de geest en het water tot priester herboren, wien bevolen wordt
de Heere te offeren. De kerk van God, de bruid van Christus, kent geen andere
priesters; intussen worden echter de dienaren des Woords en de opzieners der
kerk, door tussenkomst der kerk, door de Heere of verkoren, of
geroepen.
Tapp. O onsterfelijke goden! Wat kan er
ongerijmder gezegd worden, dan dat alle christenen priesters
zijn?
Rosem. Misschien mogen de vrouwen ook wel de mis
bedienen, en aan het volk Gods Woord prediken en dopen?
Mont. De wet van Mozes heeft geen andere priesters
dan uit de stam van Levi.
Tapp. Indien allen priesters zijn, zal de
christelijke wereld in rep en roer gebracht worden, en er zal geen orde in de
kerk heersen, en wel tegen het beweren van de apostel: "Laat alle dingen eerlijk
en met orde geschieden."
Pistor. Waarom vaart gij allen tegelijk tegen mij
uit? Laat er een uit aller naam spreken, opdat ik weet,wat ik ieder kan
antwoorden.
Mont. Gij houdt vooreerst staande, dat alle
christenen priesters zijn.
Pistor. Ja, dat zijn zij; want de Heere zegt: "De
gehele aarde is mijn. En gij zult Mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig
volk zijn." Hier spreekt de Heere niet alleen de Levieten aan, maar geheel
Israël. Wanneer gij Christus aanziet, zijn wij ook beminde uit niet beminde.
Petrus schrijft dat ook de Joden toe, die in de verstrooiing vergaderd waren:
"Gij bent," zegt hij, "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een
heilig volk, een verkregen volk." Ofschoon dit zo is, wil ik echter niet, dat
ieder het predikambt of de bediening van het 'Woord zal aannemen, want niemand
is er waardig toe, "dan die door God geroepen wordt gelijkerwijs als Aäron." Wij
zijn allen priesters, voor zover wij het priesterschap van Christus deelachtig
zijn, en voorzover wij met Christus Gode onze redelijke godsdienst als een
aangename offerande opofferen, en uit verplichting der liefde voor de nood der
broeders en ouderlingen bidden.
Tapp. O, goede God, op hoe velerlei wijzen dwaalt
deze mens!
Rosem. Schaamt gij u over deze dingen
niet?
Mont. Gij, die zegt, dat alle christenen priesters
zijn, bent buiten uw zinnen.
Pistor. Ik zal u een duidelijk voorbeeld geven:
zoveel de rede van de geschapen mens betreft, ben ik dan niet zowel een mens als
keizer Karel? Intussen wordt hij keizer genaamd, omdat hij daartoe verkozen is,
en niet wegens zijn geboorte, die ik met hem gemeen heb; doch ik, die van
nederige afkomst ben, leid een gewoon leven.
Mont. Dit is niet hetzelfde.
Tapp. Iets anders is het met de priesterlijke
orde, waarbij ons een onuitwisbaar treken wordt ingedrukt.
Rosem. Hij komt met vele vergelijkingen voor de
dag.
Tapp. Nu blijkt het, dat gij verkeerde gevoelens
hebt aangaande het sacrament der ordening, dat gij met uw meester Luther zo
goddeloos verwerpt.
Rosem. Dat is geheel waar.
Mont. Wat zal men nu verder
doen?
Tapp. Gebied hem, dat hij zijn verklaring verder
mededeelt, waarom hij hij de aanvang verzocht heeft.
Pistor. Ik weet niet, wat ik zeggen zal, omdat gij
mij gedurig in de rede valt.
Mont. Ga toch maar voort; wij zullen zo lang
zwijgen, totdat gij geheel zult hebben uitgesproken.
Pistor. Op deze voorwaarden zal ik het doen: “Ik,
Johannes, van Woerden, verklaar openlijk, voor ulieden, dat ik niet voorgenomen
heb iets bloot te leggen of met kracht staande te houden, wat niet in de Heilige
Schrift is uitgedrukt, aldus te verstaan als de Heilige Geest, Die haar
ingegeven heeft, wil verstaan hebben; tot wier uitlegging wij geen andere
woorden nodig hebben dan waarin deze Schrift is vervat. Maar in andere zaken
geloof ik alles, wat de heilige katholieke of algemene kerk gelooft; waarom ik
ook vervloek alle leringen der mensen en ketterijen, die tegen Gods Woord
strijden. Ziehier mijn protest."
Mont. Het blijkt nu zo klaar als de dag, dat gij
ook de leraren der kerk en de rechtzinnige kerkvaders niet
gelooft,
Pistor. Ik heb gezegd, dat ik al de geschriften
geloof en toestem, die met de Heilige Schrift
overeenkomen.
Mont. Het doet ons genoegen, dat de geschriften
der kerkvaders hij u nog enige waarde hebben.
Tapp. Gevoelt gij dan, dat men naar de heilige
kerkvaders moet horen?
Pistor. Gijlieden schijnt tegen mij hier een
zwaard met honig bestreken uit te trekken. Laat mij dit duidelijker voorgesteld
worden.
Buch. Heer Johannes, de heren vragen u, of gij
gelooft, dat de kerkelijke instellingen, zoals de feestdagen, het vasten, de
beloften der monniken en andere besluiten der kerkvaders, moeten waargenomen
worden?
Pistor. Wat buiten de canonieke Schriften wordt
geboden, daaraan kan ik mijn geweten niet binden.
Tapp. Maar de Heilige Schrift beveelt ons toch het
vasten aan, de biecht en de onderhouding van de Sabbat, het sacrament des
altaars, en het onderhouden van de beloften, die ons door het gezag van de
kerkvaders en van de kerk tot geboden zijn geworden.
Pistor. Dat alles, wat gij als een bundel samen
vat, staat niet gelijk.
Tapp. Zo, is het vasten niet bevolen, opdat wij
temeer geschikt mogen gemaakt worden tot alles wat op de godsdienst betrekking
heeft, volgens het voorbeeld van Mozes, die veertig dagen heeft gevast, toen hij
de woorden des Verbonds van de Heere ontving'?
Pistor. Laat dit zo zijn, wat doet dat dan af tot
uw vasten, dat ons op zekere dagen en in zekere voorgeschreven spijzen gelast
wordt, en onder bedreiging van dodelijke zonde? Het vasten, waar de heilige
Schrift van spreekt, bedoelt matigheid en soberheid, die men altijd moet
onderhouden; want Christus zegt: "Wacht uzelf, dat uw harten niet te eniger tijd
bezwaard worden met brasserij, en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes
levens."
Mont. Loochent gij, dat men moet
vasten?
Pistor. Geenszins, maar ik verlang bovenal, dat
gij mij de goddelijke oorsprong van uw kerkelijk vasten met het gezag van de
heilige Schrift bewijst; aangezien Paulus de gemeente te Galatië bestraft, omdat
zij dagen, maanden en tijden onderhielden. En hij loochent, dat het Koninkrijk
Gods gelegen is in spijs en drank.
Tapp. Gij moet weten, dat de verordening van deze
dingen aan de opzieners der kerk zijn toevertrouwd, dat, wat zij besloten
hebben, de kracht van een wet heeft.
Rosem. Heer dokter, deze twistrede kan lang duren.
Laat ons tot de instelling van de kerk terugkeren.
Mont. Welnu, gelooft gij ook alles, wat de
katholieke kerk gelooft?
Pistor. Ik geloof het.
Mont. Namelijk, dat men alles, wat zij gebiedt,
houden moet?
Pistor. De roomse kerk mag geen wetten
voorschrijven, maar behoort zich aan het Evangelie te onderwerpen, naar welk
Evangelie zij ons moet leren horen.
Tapp. Gij kunt toch niet blijven loochenen, dat de
kerkelijke plechtigheden met een goede bedoeling zijn ingesteld, opdat de mensen
niet traag in de godsdienst zouden worden. Door het vasten toch, de heilige
dagen en de herhaling van gebeden worden de trage gemoederen opgewekt,
voornamelijk in deze laatste dagen, waarin de liefde is verkoeld, en de
ongerechtigheid is toegenomen, zodat zij prikkels en aansporing van de wetten
nodig hebben. En, wanneer al deze dingen werden afgeschaft, welk een gedaante
zou de kerk eindelijk hebben?
Pistor. Goede God, wat redeneert gij dom. Hebt gij
nooit gelezen "dat God een blijmoedige gever liefheeft”? Wat dwingt u dan door
kracht der wet en vrees voor de straf tot de arbeid, die niet kan baten? "De
dienstknecht blijft niet eeuwig in het huis.” Zo staan ook de werken, die wij
zelf bedenken, en andere lieden opdringen, niet gelijk met zulken, die ons door
de goddelijke wet worden voorgeschreven. Indien Abraham, de vader van alle
gelovigen uit de werken der wet gerechtvaardigd is, bezit hij niets, waarop hij
kan roemen hij God; veel minder verkrijgen uw werkers der gerechtigheid, waarop
zij hij God roemen door het prevelen van hun getelde gebeden, vasten,
enz.
Mont. Indien er geen wetten en bepalingen
bestonden, wat zou de staat en de toestand der republiek
zijn?
Buch. Wanneer er geen galg noch zwaard bestond,
inderdaad, ik zou de gewone weg niet durven betreden, en wel, omdat het moorden
en roven zou toenemen.
Pistor. Met u beken ik graag, dat de zaak alzo
gelegen is; maar dit is de taak van de keizer, wien het zwaard van de Heere is
gegeven, om de onschuldigen te beschermen voor alle ongelukken, en de schuldige
rechtvaardig te straffen. Dat de burgerlijke wetten tot het behoud van het
algemeen onmisbaar zijn, loochent niemand. Maar wij spreken hier van de
plechtigheden, op welker onderhouding ik gezegd heb, dat zich niemand voor God
beroemen kan.
Mont. Wij loochenen niet, dat de goede altijd
gewillig het goede doen, en dat de handen van de kwaden niet dan uit vrees voor
de straf van het kwaad worden terug gehouden.
Pistor. Welk een onbillijkheid is het dan, dat gij
beiden, goede en kwaden, aan dezelfde wetten bindt, aangezien er geschreven is,
"dat de rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar de onrechtvaardigen en de
halstarrigen."
Tapp. Waarom dat?
Pistor. Omdat allen, die niet zullen gevast
hebben, de heilige dagen niet hebben gevierd, zich niet zullen onthouden hebben
van de verboden spijzen, zoals de kerk die heeft ingesteld, door u als
overtreders worden veroordeeld, en voor het gerecht gedagvaard. Ja, gij gaat ook
voort, om uw tirannie tot onze zielen uit te strekken; want gij wilt, dat wij,
of wij branden of niet, allen ongehuwd zullen blijven, daar wij uit het geloof
en door het geweten tot de huwelijken staat geroepen
worden.
Tapp. Is hier niet het hoogste recht het hoogste
onrecht? Welaan dan, antwoord mij op dit een: of wij naar de wet der liefde de
een de ander niet moeten dienen?
Pistor. Voorzeker.
Tapp. Waarom schikken zich dan de goede niet uit
liefde tot die wetten, om alle ergernis weg te nemen, waardoor de kwaden van het
kwaad worden terug gehouden?
Pistor. Het behoort de christenen een gemakkelijke
zaak te zijn, dat zij ieders dienaar worden, opdat zij allen voor Christus mogen
winnen, indien maar aan het gewetens vrijheid gelaten wordt, en het geloof geen
geweld wordt aangedaan, zoals hier gewis geschiedt betreffende het gebod van de
priesterlijke reinheid.
Mont. Hoe, zoudt gij dan, die een priester bent,
de belofte van reinheid verachtende, u tot het huwelijk durven
begeven?
Rosem. Ziet, nu komen wij zeer gevoeglijk tot de
zaak zelf.
Pistor. Alles, waartoe de Schrift, zonder
onderscheid, aan ieder de vrijheid gegeven beeft, moet men niet aan enkelen
toestaan; want, "allen vatten het woord niet," om geen vrouw te trouwen. Daarom,
als de Apostel zegt, "dat een iegelijk [man] zijn vrouw zal hebben," waarom zou
dan een priester niet mogen trouwen?
Mont. Hebt gij een vrouw getrouwd of
niet?
Pistor. Zegt gij het, dat ik er een getrouwd
heb?
Mont. Een vast gerucht is daarvan omtrent u in
omloop.
Pistor. Ik vraag niet, welk gerucht daarvan in
omloop is.
Mont. Waarom loochent gij, wat iedereen zegt, en
dat, als het nodig ware, wel door duizend getuigen zou kunnen bewezen
worden?
Pistor. Hebt gij enige getuigen voor mijn
huwelijk, breng die dan hier.
Mont. Al ontbraken er ook getuigen, zoudt gij, op
het gerucht alleen, volgens onze vastgestelde wetten veroordeeld kunnen worden;
doch, daar wij omtrent deze zaak getuigen in overvloed hebben, zullen wij u,
hetzij gij het bekent of loochent, op hun getuigenis tot de vuurdood
veroordelen.
Pistor. Indien dit ulieder voornemen is, waarom is
dan dit onderzoek nodig? Waarom bindt gij mij dan terstond niet aan de paal,
teneinde uw wraaklust te bevredigen? Gij bent bloeddorstig en blaast niet dan
vuur.
Mont. Ik zeg u vooraf, wanneer gij zo voortgaat te
weerstreven, als gij begonnen hebt, zullen wij u zo zwaar pijnigen., dat gij of
van zelf of gedwongen zult moeten bekennen, dat u gehuwd
bent.
Pistor. Zult gij dan, als rechters, mij, door geen
getuigen voldoende veroordeeld, doen pijnigen? Is iemand verplicht zichzelf te
verraden? Het is onbillijk, dat ik ulieden, die met het onderzoek aangaande mijn
geloof belast bent, tot pijnigers zal hebben.
Mont. Vooreerst getuigt uw pastoor, dat gij gehuwd
bent, waarom hij u ook hij het Hof van Mechelen heeft aangeklaagd. Ook getuigt
dat het algemeen gerucht, waarom wij reden genoeg hebben, om u naar de pijnbank
te brengen.
Pistor. Als de zaak omtrent de gevangene aldus
gesteld is, zal het gemakkelijk vallen, valse geruchten van de onschuldige uit
te strooien; en, als men daaraan zo gemakkelijk geloof slaat, zal het met ons
leven spoedig gedaan zijn. Laat de pastoor van onze kerk roepen, om hier te
getuigen, dat ik een vrouw getrouwd heb.
Mont. Wij weten, dat gij een vrouw gehuwd
hebt.
Pistor. Wanneer hebt gij dit vernomen, en in welke
kerk en voor wie is dit geschied?
Mout. Het gerucht, dat omtrent u loopt, is niet
vals.
Pistor. Inderdaad, gij bent onbillijke rechters
over mij, die alleen op het gerucht mij gedurende twee volle maanden in de
gevangenis deed vertoeven.Wanneer het u genoeg is, getuigen te hebben van horen
zeggen, gaat heen en veroordeelt mij, opdat ik eenmaal van de gevangenisstraf
verlost worde, en gijlieden ophoudt mij langer moeilijk te
vallen.
Mont. Waarlijk, uw dralen zal u niet baten, en wij
zullen ons recht tot het uiterste tegen u volhouden.
Pistor. Uw bedrog, dat gij zoekt te plegen om mij
te vangen, ken ik zeer goed; uw tijd is nu daar. Dit mijn lichaam kunt gij wel
verbranden, maar mijn ziel zal de hemelse Vader voortdurend in Zijn hand
bewaren.
Buch. Mijn lieve Johannes, wil toch uw hart tegen
de heren leraren zo niet verharden: beken liever de waarheid; en geloof mij, uw
zaak zal goed aflopen.
Rosem. Waarom stelt gij u tegen de heer
commissaris zo onschuldig aan? Wat ik u bidden mag, verklaar u duidelijker in
deze zaak.
Pistor. Mijn voornemen is niet, mij te verklaren
tenzij ik mijn beschuldigers voor u zie; opdat, indien de aanklager niets
bewijzen kan, de beschuldigde ontslagen worde.
Mont. Aangezien wij in onze voornemens weinig
vorderen, moeten wij een anderen weg inslaan.
Duvev. Het is tijd onze samenkomst te eindigen,
aangezien het middag wordt.
Mont. Wat zullen wij met de gevangene
doen?
Brunch. Laat men hem weer naar de gevangenis
brengen.
Tapp. Het is niet raadzaam, dat hij daarheen
gebracht wordt, waar ook Willem Gnapheüs zit, opdat zij niet te
samenspannen.
Mont. Wij zullen hem liever in deze kamer laten
boeien, totdat wij na de middag terug keren.
Pistor. Al werd ik ook niet geboeid, ik zou toch
niet ontvluchten.
Mont. Raadpleeg met uzelf, totdat wij terug komen,
in hoeverre gij naar ons zult luisteren, en u van de gevangenis
bevrijden.
Brunch. Waarom gaan wij
niet?
Tapp. Maar hoor eens, verlangt gij niet, dat wij
hier wachten zullen plaatsen, die de gevangene bewaren?
Brunch. Wel zeker; past gijlieden goed op
hem.
Einde van de eerste
samenspraak.
Tweede samenspraak gehouden voor de
inquisiteurs des namiddags van dezelfde dag
Ment. Hoe denkt u er nu over, hoe bent gij te
moe?
Pistor. Waarlijk, ik ben
goedsmoeds.
Mont. Hebt gij hij uzelf alle dingen goed
overlegd?
Pistor. O ja, zeer goed.
Mont. Hoe dan, zult gij eindelijk niet antwoorden
op de vraag, die u gedaan is omtrent uw huwelijk?
Pistor. Ik zal er op antwoorden, maar onder de
voorwaarde als ik gezegd heb, namelijk, dat mijn beschuldigers eerst hier moeten
komen.
Mont. Zal ik u met één woord zeggen, waar de knoop
zit?
Pistor. Ja, zeg het.
Mont. Wanneer gij ons niet duidelijk antwoordt,
zullen wij u naar de raad des keizers zenden, teneinde die u daaromtrent
pijnigt, of dat men u de laatste straf aandoe. Welaan, kom wat dichter hij mij.
Wat antwoordt gij eindelijk?
Pistor. Aangezien gij rechters bent, verwondert
het mij, dat gij zo vijandig op mij, arm mens, aanvalt.
Ment. Omdat gij u zo hardnekkig betoont, durf ik u
met niet minder vrijmoedigheid tot de vuurdood te verwijzen, dan ik de heilige
mis bedien; zo ver is het er ook vandaan, dat ik hierover Gods toorn zou
vrezen.
Pistor. Ik geloof het wel, want zo zijn de
Farizeeën en de vervolgers der christenen, dat zij met ons te doden Gode een
dienst menen te bewijzen. Maar ziet gijlieden. wel toe, of gij hierin Christus’
navolgers bent, Die nooit iemand tot het geloof heeft
gedwongen.
Rosem. Staat er niet geschreven "Dwingt ze in te
komen”?
Pistor. Het woord mijns Heeren, dat gij ten
onrechte aanhaalt, ken ik wel. God dwingt, en Hij gebiedt te dwingen, niet met
gevangenissen, niet met vuur of geselingen, maar door een krachtig gebruik van
Zijn Woord. Alzo moeten onze vijanden, opdat zij met ons verzoend worden,
gedwongen worden door vurige kolen op hun hoofd te hopen, welke dwang, zoet en
liefelijk als hij is, zich ook krachtig betoont. Och, of gijlieden insgelijks
het voorbeeld der Apostelen navolgde, en vele duizenden mensen tot Christus'
bruiloft door een goed leven en goed onderwijs, dwong!
Tapp. Maar deze besmetting is zo dodelijk, (lat,
zo zij niet wordt uitgeroeid, zij als een kanker de naaste plaatsen verderft.
Daarom is het beter, bijtijds een schurftig schaap te doden, dan toe te laten,
dat het zijn venijn over de gehele kudde verspreidt.
Pistor. Christus stond dan in voorzichtigheid hij
ulieden achter; want Hij wilde, "dat wij het onkruid zouden laten opwassen tot
de oogst, opdat wij met het onkruid ook de tarwe niet uittrekken." De Apostel
Paulus zegt ook: "Verwerpt een ketters mens na de eerste en tweede vermaning."
In het Latijn is dit: "Haereticum hominem post unam & alteram admonitionem
devita." Het Nederlandse woord "verwerpt," luidt in het Latijn
"devita."
Daarop zei Mont. boertig: "Zeer goed "devita", dat
is, neem hem weg uit het leven."
Pistor. Al schijnt gij dit nu op spottende wijze
voor te stellen, nochtans zijn er onder uw orde wel geweest, die deze soort van
uitlegging zeer snedig en gepast hebben geoordeeld. Indien ik nu een ketter ben,
voor wie ik mij niet houd, waarom bestraft gij mij niet op de gepaste wijze,
opdat ik weer ontwaken mag uit de strikken des duivels? Met meerder recht kan ik
echter zeggen, dat gijlieden ketters en tegenpartijders van Christus bent, die,
omdat wij tot uw partij niet behoren, ons in boeien sluit. Door welk voorbeeld
van Christus hebt gij geleerd aldus met mij te handelen?
Mont. Het is niet te verwonderen, dat Christus
zulk een voorbeeld niet nagelaten heeft; want Hij was te arm om een rechtsmacht
te hebben.
Pistor. Foei; evenals of de Zoon het recht niet is
overgegeven, en Hij alle macht niet heeft in de hemelen op de aarde? Wat heeft
de Apostel Petrus gedaan, wiens navolger gij zegt, dat de paus van Rome
is?
Mont. Heeft Petrus geen macht gebruikt, toen hij
Ananias en Safira vervloekte?
Pistor. Wanneer gij u op het gezag van Petrus
beroept tot de handhaving van uw zending, dood mij dan ook door de macht van
Petrus, en lever mij door uw vloek aan de hel over?
Duvev. Wel, zoudt gij u wel aan het gevaar van
zulk een vloek durven blootstellen, en de uitkomst daarvan met volkomen overgave
verwachten?
Pistor. Waarom niet? Dan zou het openbaar worden,
of de Heilige Geest de vloek van hen goedkeurde, die zich voor Apostelen
uitgeven. Maar zij zullen deze wapenen niet in de hand nemen, die aan de keizer
en de vorsten dezer wereld andere wapenen hebben ontleend, waarmee zij de
rechtvaardigen onderdrukken en doden. Christus zegt: "Wilt gij [niemand
dwingende] ten leven ingaan, onderhoudt de geboden." Maar zo zingt gij niet, uw
lied dreigt ons met de dood, tenzij wij hij uw woorden zweren. Christus heeft
niet gewild, dat de Zijnen hier heerschappij zouden voeren of macht hebben, of
dat zij niet andere wapens dan met geestelijke strijden zouden. Doch de paus
toont op allerlei wijzen, dat hij de antichrist is, en heeft ook die kracht
niet, welke de Heilige Schrift aan Petrus met lof
toeschrijft.
Tapp. Waarom zou het nodig zijn, dat wij hier lang
prediken? Komt niet alle macht van God de Heere?
Pistor. Ja.
Mont. Zo komt dan ook onze macht van God, door
welke wij u als ketter, na veroordeeld te zijn, kunnen overleveren in de handen
van de wereldlijke macht.
Pistor. Op deze wijze zou men ook Judas Iskarioth
kunnen verontschuldigen, die Christus aan de Overpriesters heeft overgeleverd,
en ook de oversten der Joden, die er een gewetenszaak van maakten Christus te
doden; maar gemakkelijk was het, Hem in handen van Pilatus tot veroordeling over
te leveren.
Want door hetzelfde recht was hun macht van God,
zoals gij zegt, dat uw macht van God is. Zie echter wel toe, dat deze goede
redenen u niet verleiden, wat gelijk de gedachtenis van Christus en de Apostelen
in zegening zal blijven, en de nakomelingen hun geboortedagen zullen herdenken,
twijfel ik ook niet, wanneer gij mij, om de belijdenis der waarheid, ombrengt,
of ik zal verheerlijkt worden, en gij daarentegen zult altijd onverheerlijkt
blijven.
Tapp. O onbeschaamd mens! vergelijkt gij ons alzo
hij de Schriftgeleerden en Farizeeën?
Rosem. Zijn wij vervolgers?
Pistor. Wat gij bent, al zweeg ik ook, tonen deze
mijn boeien. Intussen beroep ik mij op uw eigen geweten, of gij aan mij minder
doet dan de Joden, die Christus hebben gedood, aan Hem deden? Op uw bevel ben ik
gevangen genomen, en moet ik zo lang in de gevangenis zitten. En nu dreigt gij
mij, als een die om ketterij is veroordeeld, over te leveren in de macht van de
wereldlijken rechter; wat is daarvan de oorzaak?
Mont. De keizer heeft bevolen u gevangen te nemen,
wij hebben daaraan geen schuld. Zo u enig ongelijk is aangedaan, kunt gij
daarover met de keizerlijke majesteit twisten.
Pistor. Meesterlijk weet gij de heerlijke
waardigheid der keizerlijke majesteit tot een dekmantel voor uw goddeloosheid te
gebruiken; maar hij heeft de behandeling van deze zaak op uw schouders gelegd,
en wel als dengenen wie hij de godgeleerde kennis heeft opgedragen. Gij hebt de
lastbrieven hij u, welke tevoren getoond zijn, waarom spreekt gij mij dan niet
vrij, aangezien dit in uw macht is?
Mont. In onze macht? Geenszins; want gij bent de
gevangene des keizers.
Pistor. O goede mannen! dwaalt niet, "God laat
zich niet bespotten," en laat zich niet door u bedriegen.
Tapp. Foei, onbeschaamd mens, die zo stout en
ongepast durft uitvaren tegen zulke beroemde bestuurders! Gij bent niet waardig,
dat zulke lieden u antwoorden.
Pistor. Ik beroem mij niet zulk een leraar der
onwetenden te zijn als gijlieden bent, of dat ik zeer geleerd
ben.
Rosem. Aangezien gij niet zo geleerd bent, betaamt
het u niet, zo tegen geleerde lieden uit te varen.
Mont. Gij bent een zeer hardnekkige ketter, waarom
ik mij niet zou ontzien u tot de vuurdood te veroordelen.
Pistor. Och, of het mij gegeven werd voor de naam
van Christus de dood te sterven!
Tapp. Och, mijn lieve broeder, bekeer u, want gij
dwaalt zeer. Al kon ik ook de gehele wereld gewinnen, zou ik toch met u in deze
toestand niet willen sterven.
Pistor. Naardien gijlieden zo gezind bent, zou ik
met u niet willen leven of sterven. Gijlieden onderdrukt en kwelt mij, en ik
zou, al had ik er de macht toe, ulieden in het minst niet hinderlijk willen
zijn.
Mont. Hierover is nu genoeg gesproken; laat ons
terugkeren tot ons vorig voorstel en de hoofdzaak van ons onderzoek. Zeg ons met
één woord of het de priesters geoorloofd is te huwen of niet? Zwijgt
gij?
Buch. Waarom weigert gij, bid ik u, uw gevoelen
aan de heren te openbaren9
Pistor. Omdat er geen aanklagers, benevens deze
rechters, verschijnen.
Mont. Gij bent hier vroeger reeds genoeg
beschuldigd, dat gij een vrouw getrouwd hebt.
Pistor. Beschuldigd, maar door wie, wanneer en
hoe? Aangezien gij een rechter bent, is het onbetamelijk, dat gij de persoon van
een beschuldiger aanneemt.
Mont. Ja, uw huwelijk, dat gij voor velen bekend
hebt, is niet in het verborgen geschied, maar in het
openbaar.
Pistor. Waarom velt gij dan geen vonnis, gegrond
op mijn belijdenis en de getuigenis van velen.
Mont. Dat kunnen wij gemakkelijk doen, want met
mijn eigen oren heb ik gehoord, dat gij gezegd hebt, dat de ongehuwde staat der
priesters niet gegrond is in het goddelijke recht.
Pistor. Welaan dan, aangezien gij mij zo dringt,
laat mij dan op een openbare plaats mijn zaak verantwoorden. Indien ik mij daar
niet kan verdedigen, noch de ongehuwde staat der priesters met bondige redenen
wederleggen, wil ik de laatste straf dragen.
Mont. Weg met die raad; de heilige roomse kerk
laat node toe, dat wij met ketters redetwisten, want zij zijn te hardnekkig om
te bekennen, dat zij overwonnen zijn; daarom moet men hen liever met vlammen dan
met woorden overwinnen, teneinde zij geen kwaad meer zouden
doen.
Pistor. Hoe, heeft ieder er dan geen belang hij,
wat er over de artikelen van ons geloof wordt besloten, dat al het volk daarvan
kennis moet dragen?
Tapp. Wie zou in zulk een samenkomst uitspraak
doen, en de twistende partijen scheiden'? Zouden dit schoenlappers en
karrelieden doen'?
Pistor. Ja, de overeenstemming van de
tegenwoordige gemeente, hij wie alleen het oordeel over de Schrift en de
Profeten berust, en niet hij de een of de ander, die, om de titel van leraar,
geëerd wordt.
Tapp. Mij drinkt, dat gij buiten uw zinnen bent;
want aangezien het onwetende volk zonder kennis is, hoe zou het over godgeleerde
zaken kunnen oordelen?
Pistor. Welk een uitvlucht is dit! Even alsof de
Schrift zelf haar oordeel over de waarheid niet uitspreekt, zodat de gehele kerk
geen schade kan lijden door enige onwetenden. Zo er bevonden wordt, dat ik niet
oprecht noch getrouw de Heilige Schrift verklaar, niets zal verhinderen, dat zij
mij allen, met goed recht, tot de vuurdood slepen, of mij, naar verdiensten, met
stenen dood weipen. Maar, indien ik het veld behoud, en zij oordelen dat ik het
gewonnen heb, zal ik zelf liever voor u bidden en een middelaar zijn, en mij
midden in het gevaar voor ulieden begeven, dan dat ik zou dulden, dat u iemand,
al ware het met de vinger, zou aanraken. Het zal hun genoeg zijn, indien zij
maar met een woord de bekende waarheid hebben toegestemd, hoewel gijlieden niet
voor enig oproer van het volk behoeft te vrezen, daar gij zo door de bullen van
de paus, als door de macht van de keizer, voldoende bent
gewapend.
Mont. Wij willen geen vingerbreed van het gebruik
der roomse kerk afwijken, want het is betamelijker, dat het eenvoudige, domme en
onkundige volk zich aan de uitspraak der geleerden en het oordeel van de kerk
onderwerpt, dan dat de leraars en de voornaamste in de kerk naar hun wil en
begeerte zouden luisteren.
Pistor. Waarlijk, zo doende zult gij niet mee
werken, dat uw inquisitie geacht wordt, en zult gij geen ketterijen uitroeien;
want door deze geheime twistredenen, waardoor gij de waarheid zelf onderdrukt,
en de arme in het verborgen ombrengt, zult gij het volk, dat van de zaak kennis
moet dragen, en dat het ook aangaat, nimmer kunnen voldoen, tenzij het u
onverschillig is, of naar waarheid van u gezegd kan worden een iegelijk, die
kwaad doet, haat het licht.
Mont. De leken worden tot een twistgesprek over
het geloof niet toegelaten, omdat zij lichtgelovig zijn, en zeer graag wat
nieuws horen. Daarom, wanneer zij horen, dat gij Christus in de mond hebt, en
dat gij hun de Heilige Schrift inscherpt, die de ketters gewoon zijn naar hun
zin te verdraaien, zouden zij u terstond geloven; en het zou te vrezen zijn, dat
er nieuwe ellende of oproer in de republiek zou ontstaan. De aartsketter Arius
kan ons ten voorbeeld zijn, die zo vele zielen, door het zoete venijn van zijn
valse leer besmet hebbende, ten verderve bracht, terwijl hij zich ook op de
Heilige Schrift beriep, doch op zeer verkeerde wijze. Wanneer onze voorouders
die ook in het begin hadden verbrand, zou er later in de kerk van God niet zulk
een ellende zijn ontstaan.
Pistor. De ariaanse trouweloosheid met onze zaak
is voorwaar wel een onbillijke vergelijking; want wij zijn tevreden ons gevoelen
voorgesteld en dat met de Heilige Schrift bevestigd te hebben, en verwachten
daarop het oordeel van de ware algemene kerk. Wij dwingen niemand, dat hij met
ons hetzelfde gevoelt; maar Arius, wiens voorbeeld gij ijverig navolgt, door de
wereldlijken arm te hulp te roepen, want daarmee hebt gij gedreigd, heeft
buitengewone wreedheid aan de dag gelegd jegens hen, die zijn gevoelen niet
wilden aannemen. Wie handelen dan volgens het Evangelie beter, gij die met
Arius, als wrede wolven, de arme schapen slacht en verscheurt, of wij, die dit
lot der vervolging, met de Apostelen en alle uitverkorenen, lijdzaam
dragen.
Tapp. Dat gijlieden niemand dwingt, is, omdat gij
daartoe geen macht hebt.
Pistor. Maar door welke macht, u van God gegeven,
legt gij ons onder de bijl, verbrandt gij ons, slacht gij ons en brengt gij ons
om het leven?
Tapp. Staat er niet geschreven: "Er is geen macht
dan van God?" En weer: "Alle ziel zij de machten, over haar gesteld
onderworpen?" Zegt Paulus ook niet: "Zijt met alle vrees onderdanig de heren,
ook de harden?"
Pistor. O aanzienlijke man, deze laatste
getuigenis is niet van Paulus, maar van Petrus. Bent gij zo bekend niet de
voornaamste plaatsen van de heilige Schrift, dat gij de een schrijver in plaats
van de anderen noemt? En, wanneer gij ook de geschriften van Paulus goed had
ingezien, dan zoudt gij niet oordelen, dat hij sprak van deze uw macht, die gij
u aanmatigt.
Tapp. Wilt gij ons leren hoe wij Paulus moeten
verstaan? Ik denk toch, dat wij Paulus meer hebben gelezen dan gij, nietige
godgeleerde!
Pistor. Maar wat zeggen de kinderen in de scholen:
"Lezen" zeggen zij, “en niet verstaan, is dommer worden."
Rosem. Alle scheldwoorden nalatende, wat zegt gij
van de woorden: "Er is geen macht dan van God?"
Pistor. Dat deze plaats u niet betreft; want hier
geeft hij het recht van het zwaard alleen aan de overheid en aan hen, die gij de
wereldlijke macht noemt, en niet aan hen, die tot uw orde behoren, zoals de
bisschoppen en priesters, die eigenlijk behoren te strijden met het zwaard des
Geestes, hetwelk is Gods Woord naar het woord van de Apostel: "De wapenen van
onze krijg zijn niet vleselijk maar geestelijk." Christus heeft u allen lust om
over anderen te heersen en ook alle eergierigheid verboden, als Hij zegt: Doch
gij niet alzo."
Tapp. Nu zien wij duidelijk, dat gij Paulus niet
verstaat, en dat gij de Heilige Schrift niet dan terloops, als anderen doen,
leest. "Alle ziel," zegt hij, "zij de machten over [haar] gesteld, onderworpen."
Hij spreekt in het meervoudig getal van "machten," en niet van macht. Door dit
woord worden wij vermaand, niet minder de geestelijke dan de wereldlijke macht
te zullen gehoorzamen, welke beide bedieningen, zo van de kerk als van de
republiek, Christus wil uitgeoefend hebben, volgens deze woorden: "Zie hier twee
zwaarden."
Pistor. Ja, hieruit ziet gij duidelijk, tenzij
gijlieden blind bent, uw onbillijkheid en geheel verkeerde uitlegging van de
Heilige Schrift, die niet anders dan door de Schrift zelf verklaard moet worden,
en niet door dromen, die gij plaats geeft in uw hoofd. Ons wordt geboden: "alle
menselijke ordening onderdanig te zijn", naar het zeggen van Petrus, of "de
machten over ons gesteld," naar de leer van Paulus, en dat om "Gods wille". En
wanneer gij vraagt welke machten men moet gehoorzaam zijn, verklaart u Petrus
dat: hetzij de koning, als de opperste machthebbende; hetzij de stadhouders, als
die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar [tot] prijs
dergenen, die goed doen." Gij ziet dat daar onderscheiden machten bedoeld
worden, aan wie het zwaard is toevertrouwd, maar het gebruik daarvan is geheel
veranderd, want nergens worden de overspelers gestraft, de hoereerders wordt
geen schande aangedaan, dronkaards worden met vreugde en gejuich begroet,
dobbelstenen te gebruiken is een spel, valse eedzwering wordt zonder straf
geduld, de begeerte tot het geld draagt de naam van behendigheid. Zo is het ook
hij u een lichte zaak, Gods Woord door uw verklaringen en dromerijen te
bederven. Maar, wanneer er eens een Ezra opstond, die de vervallen wet van God
aan het licht bracht, die de kerkelijke mannen, die door dartelheid en
gulzigheid worden weggerukt, en die afgeweken waren terechtbracht, die zoudt gij
voor een driedubbele en misschien nog erger ketter uitschelden. Tegen deze wordt
terstond het zwaard, dat niet aan u, maar aan de wereldlijke overheid is
gegeven, uitgetrokken. Ontvangen aldus "de goede van de macht lof en de kwaden
straf en vrees”?
Mont. Maar weet gij hoe?
Pistor. Wat?
Mont. Deze, die gij hier, zoals zij ook zijn,
boosdoeners noemt, bekennen hun schuld, wanneer hun de zonde onder het oog
gebracht wordt. Daarom is het billijk dat zij, wanneer zij om vergeving smeken,
genade verkrijgen, en dat niet terstond het zwaard getrokken worde. Maar gij,
die een vrouw getrouwd hebt, bekent niet terstond uw schuld van een ongeoorloofd
huwelijk te hebben aangegaan. Wie zou zulk een hardnekkig mens genade
bewijzen?
Pistor. Maar eilieve, wat acht gij toch zekerder
of ondragelijker, dat een priester, als hij brandt, nu deze hoer, dan weer een
andere aanhangt, of dat hij zich door het huwelijk met een vrouw verenigt? Ik
beroep mij op uw geweten, dat gij mij oprecht naar de Schrift
antwoordt.
Mont. Wij prijzen geen van
beide.
Pistor. Maar, aangezien zij dan beiden volgens uw
oordeel zondigen, waarom neemt gij dan de een niet zowel als de ander om hun
zonde gevangen? Ik vrees echter, dat, wanneer dit geschiedde, in de gevangenis
geen plaats genoeg zou zijn om alle overspelers en hoererende priesters op te
sluiten.
Tapp. Deze knoop zal ik losmaken. Daar deze zich
niet op hun zonden beroemen, maar hun schuld met ootmoed afbidden, wordt hun ook
op godvruchtige wijze hun overtreding vergeven.
Pistor. Gij vergeeft hun wel, ja, gij ziet liever
hun schandelijk leven door de vingeren, maar toch tevergeefs en goddeloos,
aangezien hun de begane misdaden niet van harte leed zijn, en zij telkens weer
tot hun onreinheden terugkeren, die zij met een leugenachtige en geveinsde
belijdenis hebben uitgewist.
Rosem. Zie wel toe, dat gij niet lichtvaardig
oordeelt, want, wanneer zij dagelijks vallen, biechten zij met berouw ook
dagelijks.
Pistor. Beter ware het, om nimmer te biechten, dan
onder het deksel van een gedane belijdenis des te vrijer te zondigen; oprecht te
biechten is van harte de zonde te haten.
Rosem. Maar, goede man, zij biechten niet alleen,
maar bidden God ook zonder ophouden, dat Hij hun hun zonden
vergeve,
Pistor. Waarom pogen zij niet liever later
oprechte boete te doen, vromer te leven, en te tonen aan alle geveinsdheid
geheel vreemd te zijn?
Mont. Staat er niet geschreven: "De rechtvaardige
valt zevenmaal per dag?"
Pistor. Dit beken ik; maar deze zijn niet
rechtvaardig, en staan niet meer op, want wij zien niet, dat dit overspelig
geslacht, als onreine varkens, van hun onreinheden afwijken, daar zij zich
gulzig bedrinken en schandelijk hoereren, of de tijd in ledigheid doorbrengen.
Moeten wij aan deze geveinsde gedaante van een vernieuwd leven de lof van
gerechtigheid toeschrijven?
Mont. Wij bekennen, dat zij allen te bestraffen
zijn, indien dit kwaad maar niet onverbeterlijk is. Maar nu, aangezien zeer
velen er zich aan schuldig maken, moet, volgens de regelen, de menigte, die zich
niet goed gedraagt, gespaard worden.
Pistor. De algemeenheid der zonde behoort gij niet
als een dekmantel te gebruiken voor uw vergunning of toelating van de zonde, om
haar niet te bestraffen. Want daar het zwaard tegen de overspelers niet wordt
gebruikt, geloof ik, dat de reden daarvan is, dat zij, die dienaars van het
zwaard behoorden te zijn, zelf aan dat euvel mank gaan, en aan dezelfde zonden
zich schuldig maken. Daarom, ziet toe voor uzelf, dat, waar gij over mijn
splinter hemel en aarde beweegt, en de balken in uw eigen ogen niet ziet, niet
te eniger tijd zwaarder oordeel zult hebben te dragen. Ik word om het huwelijk,
wat mij door God toegelaten is, maar door een aardsen god kwanswijs verboden
wordt, voor een ketter gehouden, en tot een openbaar schouwspel aan de wereld
voorgesteld; maar de ergere onreinheden, die gij in uw ongehuwde staat begaat,
neemt niemand u kwalijk. Maar God ziet deze dingen, en zal die richten, hoe gij
ook de ogen der mensen blinddoekt.
Rosem. Zou dan een priester met een gerust geweten
mogen trouwen? Want dit schijnen uw woorden te betekenen.
Pistor. Indien ik het u zeg, zult gij mij niet
geloven.
Mont. Laat ons eens horen, wat gij ons wilt
zeggen.
Pistor. Maar ik vrees, dat gij als honden voor mij
zult worden, die mij veeleer zult willen verscheuren dan van mij
leren.
Mont. Goede woorden.
Pistor. Indien gij met het oordeel volgens de
Schrift wilt tevreden zijn, is het antwoord gereed.
Ment. Welaan dan, waarom draalt u te
antwoorden?
Pistor. Wel, zult gij u naar mijn oordeel
richten?
Mont. Dat zeggen wij niet.
Duvev. Staat hem, bid ik u, toe te spreken; zie,
wij geven het oordeel aan u over.
Mont. Dat staan wij u niet toe; naar wij gebieden
u te antwoorden, opdat, indien gij in iets van de waarheid afdwaalt, gij door
ons beter mag ingelicht worden.
Pistor. Met Pilatus bent gij onwaardig, dat men de
getuigenis der waarheid voor u aflegt; "want men moet het heilige de honden niet
geven, noch de parels voor de zwijnen werpen."
Mont. Maar zult gij eindelijk niet antwoorden, of
gij een vrouw getrouwd hebt of niet.
Pistor. Niet anders of de getuigen moeten
tegenwoordig zijn.
Mont. Waarom beroept gij u langs zovele omwegen op
de getuigen? Het is genoeg, dat wij u daarvan
beschuldigen.
Pistor. Bent gij dan de
aanklager?
Mont. Ja, want ik klaag u aan, dat gij een vrouw
getrouwd hebt.Verstaat gij het wel?
Pistor. Foei! gij geeft mij een monster, de
aanklager rechter.
Mont. Wel, wat zou het, of mijn knecht de
aanklager is en ik de rechter?
Pistor. Ik verbied dit niet; doe de knecht van de
aanklager hier komen, en het werk van een aanklager op zich nemen. Eilieve,
aangezien gij de aanklager bent, laat horen, wat legt gij mij ten laste? Ziet
daar een aanklager zonder tong en stommer dan een vis.
Mont. Laat mijn knecht met vrede, ik zal voor hem
spreken.
Pistor. Ik zeg u, dat ik het niet zal toestaan;
hij heeft zijn jaren, laat hem zelf spreken.
Mont. Maar gij zelf hebt hier al vroeger uw
huwelijk bekend; wilt gij het loochenen, dat gij bekend
hebt?
Pistor. Gij zingt al weer uw oud liedje. Welnu,
stelt eens dat ik, uit vrees voor straf of verdriet over mijn gevangenneming,
bekend had, dat ik een moord begaan had, zoudt gij het daarom
geloven?
Mont. Indien uw huwelijk niet waar ware, zou het
te Leuven niet bekend zijn.
Pistor. Wel zo, even alsof een vals gerucht niet
door de gehele wereld kan vliegen en die in beweging brengen. Voor iedere leugen
van het gerucht zou ik liever een penning willen betalen, dan voor ware woorden
vier gulden, want dat zou oneindig meer voordeel geven.
Duvev. Mijn vriend Johannes, bent gij vergeten,
dat gij het onlangs bekende, toen wij u ambtshalve
ondervraagden?
Pistor. Indien gij mij als rechters ondervraagt,
en in mij een daad had gevonden, die des doods waardig is, dan staat het u vrij,
het vonnis uit te spreken.
Duvev. Wij zijn uw rechters, noch
aanklagers?
Tapp. Ik bid u, waarom talmt gij zo
lang?
Pistor. Indien gij mij beloven wilt, dat gij mijn
zaak zult beslechten, niet naar uw overleveringen of menselijke instellingen,
maar naar de waarheid der Heilige Schrift, die boven alle besluiten der mensen
gelden moet, en met recht groter gewicht heeft, dan zal ik u niet langer
ophouden.
Mont. Wij beloven u niets zekers; maar wanneer gij
de zaak oprecht bekent, veroorloven wij u wel te hopen.
Pistor. Waarlijk, ik wil die hoop niet kopen met
gevaar van mijn leven en tot schade van uw zielen.
Mont. Allerliefste heer Johannes, ik zeg u, ter
liefde Gods, dat ik niet kwalijk jegens u gezind ben. Maar, indien gij voortgaat
uw huwelijk zo hardnekkig te loochenen, zal ik u waarlijk mijn tanden derwijze
laten zien, dat uw hart er van verschrikken zal.
Pistor. Wanneer gij het ergst zult woeden, zal ik
God ten ernstigste bidden, dat Hij mij goedertieren met lijdzaamheid begenadigt
onder al mijn verdrukkingen.
Mont. Ik zweer u hij de heilige mis, dat ik er
voortaan geen gewetenszaak van maken zal, vijandig met u te
handelen.
Pistor. Dat is het, namelijk wat de Apostel heeft
voorzegd: "Dat het in de laatste dagen zal geschieden, dat er mensen zullen
zijn, liefhebbers van zichzelf, laatdunkend, hovaardig, lasteraars,
achterklappers, wreed, zonder liefde tot de goede."
Mont. Dit is zo niet; want wij verzetten ons
aangezicht daarom zo tegen u, teneinde op alle manieren te beproeven, of wij
eindelijk op enige wijze uw hard en verstokt hart zouden kunnen vertederen, niet
om te verderven, maar om te behouden. Daarom raad ik u, oprecht te antwoorden en
met één woord te zeggen wat gij gedaan hebt of niet.
Pistor. Gij zult mij nimmer kunnen overtuigen, dat
ik een vrouw getrouwd heb. Hoedanig ik voor God ben, gaat u niet
aan.
Duvev. Zie wel toe, dat gij u zelf niet in het
lijden brengt, en uw eigen handschrift niet tegenspreekt, anders zal men u
dwingen uw eigen handschrift te erkennen. Het is daarom voor u beter, dat gij uw
aangegaan huwelijk bekent, en daarna met de Schrift uw daad, zoveel gij kunt,
verdedigt. Daartoe vermaan ik u.
Pistor. Ik geloof wel, mijnheer, dat gij uw best
doet mijn zaak ten beste te schikken, daarom zal ik mij niet bezwaren naar uw
raad te luisteren. Indien gijlieden de rechtvaardigheid voorstaat, om mij,
onschuldig mens, te behouden, en te bevrijden van het ongelijk, mij aangedaan,
zoals gij nu mijn raadgevers bent; en indien ik deze mijn rechtvaardige en
duidelijke zaak, die wel te verdedigen is, zo met de Schrift als met redenen zal
bewezen hebben, zal ik niet nalaten te antwoorden op wat gij mij zult
vragen.
Duvev. Wij zullen u alles toestaan, wat billijk
is.
Pistor. Welaan dan, aangezien God mij roept tot de
ontdekking van de verborgenheid mijns harten, en uw belofte er mij ook toe
roept, zal ik geen uitvluchten meer zoeken; hoort daarom nu de oprechte
belijdenis van de gehele zaak. Ik heb, dit beken ik, een vrouw getrouwd, maar in
het geheim en zonder getuigen; maar ik heb haar naar recht
getrouwd.
Mont. Eilieve, met welk recht, met goddelijk
recht, of met menselijk?
Pistor. Is het al niet naar menselijk, dan is het
naar goddelijk recht, opdat ik, deze weg inslaande: de brand in mijn vlees zou
kunnen ontgaan, en hoererij vermijden.
Mont. Beweert gij, dat dit de priesters geoorloofd
is, daar zij zich verbonden hebben door de belofte van niet te trouwen, en toch
daarentegen in het huwelijk te treden?
Pistor. Waarom niet, wanneer zij branden? Het is
toch beter te trouwen dan te branden, volgens de getuigenis van de
Apostel.
Mont. Deze woorden van de Apostel mogen niet
toegepast worden op de priesters, en op hen die enige gelofte
hebben.
Pistor. Het is te verwonderen, u deze uitvlucht te
horen maken, daar toch de Heilige Geest, de auteur van de heilige Schrift,
niemand daarvan uitsluit, priester, noch non, aangezien de Apostel zo duidelijk
zegt: "Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk [man] zijn eigen vrouw
hebben,” tenzij onze gelofte afgelegd hebbende priesters geen mensen zijn, en
daarom het woord van de Apostel hun niet aangaat.
Tapp. Met hen die reinheid beloofd hebben, is het
anders gelegen dan met de leken.
Pistor. Is dan de brief aan de Hebreeën alleen aan
de leken geschreven?
Mont. Het is altijd de bedoeling van de Heilige
Schrift, om, waar zij spreekt van het recht des huwelijks, steeds de priesters
uit te zonderen.
Pistor. Aangezien die bedoeling nergens in de
Heilige Schrift is uitgedrukt, wie heeft haar u dan geopenbaard? Men mag hij de
woorden en geboden van God niets bijvoegen of afdoen. Op wiens gezag, of liever,
uit welke lichtvaardigheid durft gij hier de Heilige Schrift zo onwaardig naar
uw zin verdraaien? Hij mijn huwelijk heb ik Christus tot raadsman gehad, Die
wil, dat, wie het woord van onthouding vatten kan, het vatte. Maar, indien gij
dit omkeert, zal het zijn, dat wie het niet kan vatten, hij het niet vatte. Op
die vrijheid steunende, beken ik, dat ik een vrouw getrouwd heb, omdat ik de
zaak overlegde, en niet grote spanning van mijn gemoed had ondervonden, dat het
niet goed is, dat de mens alleen zij, dat is, ongetrouwd, dat hij een hulp nodig
heeft, die hem gelijk zij, namelijk een vrouw. Op welke wijze kan iets
duidelijker gezegd worden?
Mont. Indien gij maar had gewild, zoudt gij
gemakkelijk in onthouding hebben kunnen leven.
Pistor. Hoe, zeg mij toch, zou ik beter de
aandrang der natuur hebben kunnen onderdrukken, dan door het gezelschap van een
vrouw, die ik genomen heb, om hoererij te vermijden? Intussen geloof ik niet,
dat in vele monnikenkloosters iemand gevonden wordt, wiens hart groter afkeer
zou hebben van het gezelschap der vrouwen, dan het mijn; ik zwijg zelfs, hoe ik
mij bevlijtigd heb en ingespannen teneinde in onthouding te kunnen leven.
Echter, hoe meer ik dat trachtte te, doen, des temeer nam het kwaad der
begeerlijkheid in mij toe.
Rosem. Maar, door welke middelen zocht gij dit
kwaad tegen te gaan?
Pistor. Door zulke, waarmee dit geslacht der
duivelen gewoonlijk wordt uitgedreven, namelijk, door onmatig vasten, gedurig
bidden en vlijtige arbeid. Ik voeg er hij, dat, terwijl ik mij zo pijnigde, ik
mij gedurende twee jaren van allen sterken drank heb
onthouden.
Mont. Deze dingen moest gij tevoren geweten en
bedacht hebben, voor gij u in deze heilige orde liet opnemen, maar nu is de
boetvaardigheid te laat.
Pistor. Indien ik mij zelf genoeg had gekend, en
deze dingen tevoren geweten, zou ik mij niet hebben laten opnemen in de
priesterorde, die mij nooit zeer behaagde.
Tapp. Wat heeft u dan bewogen om priester te
worden?
Pistor. Niet anders dan het dringend aanhouden van
mijn vader, die vooral wilde, dat ik priester zou worden, eensdeels, opdat de
kosten, die hij voor mijn studiën gemaakt had, niet zouden verloren gaan; ten
anderen ook, omdat hij een groot gedeelte van zijn dienst op mijn schouders
wilde leggen, aangezien hij het kosterambt bediende.
Mont. Laat ons deze dingen laten rusten. Gij zegt
dan, dat een pastoor zonder te zondigen een man mag
worden?
Pistor. Dit spreekt de Schrift waarlijk zeer
duidelijk voor mij uit; aan haar wil noch kan ik enige bepaling
stellen.
Mont. Gij verstaat de Schrift
niet.
Pistor. Weest gijlieden dan mijn leermeesters, ik
zal mij als leerzaam leerling gedragen.
Mont. De canonieke rechten, waaraan gij door de
eed verbonden bent, gebieden de priesters ongehuwd te blij
ven.
Pistor. (gekscherend). Nu komt gij met uw hoogste
recht voor de dag, waardoor ik nader gedrongen word. Vooreerst beken ik, dat het
canonieke recht het ongehuwde leven aan kerkelijke personen gebiedt, waarover
geen verschil bestaat; maar op grond van welk goddelijk gezag dit geschiedt,
laat ik aan ulieden over te bewijzen, want hierover loopt de gehele kwestie.
Bovendien, wat ik heb bezworen, heb ik ook gehouden. Ik heb gezworen, dat ik
naar mijn vermogen en wetenschap volgens de canones zou leven; want dat is het
formulier van de eed, die men doet. Zo ik mij langer had kunnen onthouden, zonde
ik de breidel van het huwelijk niet hebben aangenomen.
Tapp. De algemene kerk, die door de Heilige Geest
wordt bestuurd, kan, volgens haar recht, vele dingen instellen, ook dingen die
buiten de Schrift zijn, zoals Paulus, een getrouw dienaar van deze kerk, zegt
"De overige dingen zal ik verordenen als ik zal gekomen
zijn."
Pistor. Voor zoveel de burgerlijke wetten,
plechtigheden en zeden aangaan, stem ik graag toe, dat de kerk een vrije
beschikking heeft; met die verstande nochtans, dat van deze dingen ons niets als
een artikel, nodig ter zaligheid, moet opgedrongen worden. Maar, aangezien de
ongehuwde staat der priesters door geen geschrift, dat waarlijk canoniek is,
wordt bevestigd, moet hij vrij blijven; zo zelfs, dat hieruit de engelen zelf in
de hemel geen nieuw geloofsartikel mogen maken, veel minder de kerk, die door
het Woord Gods geregeerd wordt, en in geen dele over het Woord mag gebieden of
heerschappij voeren.
Tapp. Loochent gij dan, dat de kerk niet iets mag
gebieden, dan op straf van doodzonde?
Pistor. Ja, dat loochen ik; want gelijk de
menselijke macht niet bevoegd is uit kinderen des lichts en medegenoten van het
hemels Koninkrijk, kinderen der hel en der duisternis te maken, omdat dit Gode
alleen toekomt, die de duivel heeft overwonnen, en het gebied alleen heeft over
leven en dood, is geen kerk bevoegd, enig mens door haar instellingen te binden,
wanneer die niet op Gods Woord gegrond zijn.
Mont. Wel, meent gij dan, dat men de kerkelijke
instellingen vrij mag overtreden en verachten?
Pistor. Geenszins; indien die maar met de Schrift
overeenkomen; hetwelk ik dikwerf nadrukkelijk verklaarde.
Tapp. Hoe oordeelt gij dan over zulke
instellingen, die, ofschoon buiten het Woord, evenwel niet zijn tegen het Woord,
van wier soort de kerk er vele heeft?
Pistor. In deze, hoewel men, om der liefde wil,
veel moet toegeven, moet men evenwel het gewetens niet verstrikken; gelijk de
Apostel ons alzo de ongehuwde staat aanprijst, wil hij nochtans over niemand een
strik werpen. En dit zou hij doen, wanneer hij iemand door zijn woorden tot de
ongehuwde staat drong, zoals gij al te vermetel doet.
Mont. Staak uw rede, wij zullen u op een andere
wijze behandelen, daar wij dus niet vorderen.
Rosem. Ik bid u, zeer lieve Johannes, betoon u
leerzaam jegens de Magistros nostros.
Pistor. Graag wil ik dit doen, indien zij mij maar
wat goeds leren.
Rosem. Ik zal God vurig voor u bidden, dat gij
weer op de rechten weg mag terugkeren.
Pistor. Wanneer ik van de rechten weg mocht
afdwalen, bid dan voor mij.
Rosem. Nochtans zal ik morgen voor u bidden, als
ik in de heilige mis zal zijn; zal u dat niet aangenaam
wezen?
Pistor. Bid krachtig, ik heb er niets tegen, want
de Heere is machtig, het gebed van mijn vijanden, ofschoon goddeloos, tot lof en
eer van Zijn naam te wenden.
Duvev. Mijn heren, het is tijd dat wij naar huis
gaan, want de avond begint te vallen.
Mont. Morgen komen wij terug; zorg intussen, dat
gij alles wel overlegt, en van gevoelens verandert, tenzij gij wilt, dat wij u
als een hardnekkige ketter verklaren; ik heb het u
voorzegd.
Tapp. Waarlijk, ik geloof, dat het reeds over
zeven uur is.
Rosem. Zo is het.
Tapp. Zie toe, dat de overdenking in deze nacht u
wat goeds mag aanbrengen, zodat gij van gevoelens verandert, anders stelt gij
uzelf aan geen klein gevaar bloot.
Pistor. De wil des Heeren
geschiede.
Einde van de tweede
samenspraak.
Derde samenspraak met dezelfde personen
en inquisiteurs, nadat zij tevoren enige ogenblikken met Willem Gnapheüs
gesproken hadden
Mont. Wel, heer Johannes. Hebt gij nu alles met uw
hart overlegd, wat ik, heengaande, u beval?
Pistor. Ja, ik heb over alles
nagedacht.
Mont. Hoe vindt gij u dan nu
gesteld?
Pistor. Ik heb nooit zulk een gerust gemoed gehad
als nu.
Rosem. Hebt gij in uw gemoed niet de kracht
gevoeld van mijn gebeden? Toen ik heden de mis bediende, heb ik met een vurig
hart God voor u gebeden; bent gij dit niet gewaar
geworden?
Pistor. Zou ik niet gevoelen, wat het gebed van
een goed man vermag? Ik ben nu zeer wel gemoed.
Mont. Zo, dat is goed, gij bent dan bereid om
alles te herroepen, bent gij niet?
Pistor. Wat alles?
Mont. Ik ben bedrogen! Hij toont nog de oude
knecht te zijn. Uw dwalingen bedoel ik; snode boef.
Pistor. Volgens mijn weten heb ik niet gedwaald in
de gronden, die ik u van mijn geloof heb gegeven.
Tapp. Hebt gij niet gedwaald? Vooreerst hebt gij
geen godvruchtig gevoelen omtrent de instellingen der kerk, die gij, als een
ongehoorzame zoon, een vrouw gehuwd hebbende, zeer onwaardig hebt veracht. Dit
zou nog te verdragen en te vergeven zijn, wanneer gij daarover berouw had; maar
stoutmoedig hield gij staande, dat u zulks geoorloofd was door het goddelijke
recht. Is dat niet dwalen?
Pistor. Mijn huwelijk heb ik met gezonde woorden,
duidelijke plaatsen en voorbeelden uit de Heilige Schrift bewezen en bevestigd.
Boven dit alles, al mocht ik ook hij ulieden niet zijn gevorderd, zo heb ik nog
een ziel over, die ik, door de genade Gods, niet zal ontzien ook eindelijk over
te geven, opdat ik met mijn bloed bevestig wat ik, op gezag der Schrift, staande
heb gehouden. Buiten deze ziel heb ik niets meer, dat ik voor de eer van het
Evangelie en bevordering der waarheid kan overgeven. Wanneer dit geschied zal
zijn, hoop ik dat er niets zal zijn, dat men mij zal kunnen verwijten in het
hoogste gericht van Christus, alsof ik mijn leven waardiger zou hebben geacht
dan mijn Heere.
Mont. Zie wel toe, dat uw plan en voornemen niet
al te overijld mogen zijn. Ik bid u ook, dat gij u niet moet verbeelden, dat wij
naar uw bloed dorsten. Veel meer wensen wij op alle wijzen, dat gij tot de
schoot der moederkerk mocht terugkeren.
Pistor. In hoever het u te doen is mijn leven te
sparen, zal de zaak zelf wel bewijzen. Ik ben nu niet anders gezind, dan gij
vernomen hebt.
Rosem. Ach mijn zoon, wees toch uzelf genadig. Ik
bid God, dat Hij u andere gevoelens mag geven.
Pistor. Ja, ik wens veel meer, dat ulieden een
ander verstand gegeven wordt, opdat gij niet alleen ophoudt het Evangelie te
vervolgen, maar ook ons, die getuigen zijn van Gods Woord, te
doden.
Mont. Gij wilt al te wijs zijn; wil toch niet op
uw eigen voorzichtigheid steunen.
Pistor. Ik steun, voornamelijk in deze zaak. op
mijn eigen voorzichtigheid niet, maar op de vastheid der steenrots, dat is, ik
rust geheel op Christus, van Wiens woorden ik voorgenomen heb, ook zelfs in de
dood niet af te wijken.
Mont. Zo; en bewegen u niet de kerkvaders, niet
het gezag van de heilige kerk, niet de besluiten der kerkvergaderingen, niet de
overeenstemming van het volk, niet het aangenomen en hel voor deugdelijk erkend
gebruik van zo vele honderden jaren? Bent gij alleen wijzer dan allen? Uw
gevoelens tegen deze allen door te drijven, is dat niet steunen op eigen
voorzichtigheid?
Tapp. Zo moeten dan alle anderen, buiten u,
dwalen?
Pistor. "Al ware het ook, dat een Engel uit de
hemel ons een ander Evangelie verkondigde, dan wij van de Apostel hebben
ontvangen, die zij vervloekt." De Heilige Schrift geeft ons de vrijheid van te
trouwen, en deze zal ik mij door geen sterfelijk mens laten ontnemen.
Daarentegen luister ik niet naar uw kerkvergaderingen, kerkvaders, het gezag der
kerk, de gebruiken en gewoonten; al deze dingen kunnen Gods Woord niet
veroordelen, waarvan ik weet, dat het aan onze zijde is.
Tapp. Luister toe; met een duidelijke plaats der
Heilige Schrift zal ik u nu een grove dwaling wederleggen, daar gij toch wilt,
dat men u niet anders dan de Heilige Schrift zal voorhouden. Aldus zegt
Christus: “Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, en gij, als gij
eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders." Wel mens, erkent gij niet het
woord van Christus, onze Zaligmaker?
Pistor. Ik erken het graag en eer het ook. Maar
wat wilt gij hiermee bewijzen?
Tapp. Aangezien het oprecht geloof van Petrus
nooit ophield, volgt er ook uit, dat het in het pausdom van Rome niet kan
ophouden, waarover Petrus nog door zijn opvolgers het hoofd is. Wat dus deze
apostolische stoel heeft besloten zal geen rechtgevoelend mens loochenen, dat
men het ook onverbrekelijk moet houden. Zie, daar hebt gij nu de Schrift, waarop
gij u altijd beroept.
Pistor. O, valse uitleggers van de Schrift; over
die naam van godgeleerden moet men zich wel schamen, wanneer zij op deze wijze
overal de heilige dingen onderwijzen. Het geloof van Petrus, door hetwelk hij,
tegen het gevoelen des vleses, Christus heeft beleden als de Zoon van de levende
god, zal nimmer ophouden; en het zal ook nimmer ontbreken, zolang er in deze
wereld uitverkorenen zullen zijn, die Christus' naam met Petrus, door dezelfde
zekerheid van het geloof, zullen belijden. Maar in welk verband staat deze
zekerheid (les geloofs tot het rijk van de paus, tot de grootheid der roomse
kerk en tot menselijke instellingen? Christus zal hij zijn uitverkorenen blijven
tot het einde der wereld. Door welk woord niets minder dan het roomse pausdom
wordt versterkt met de woorden: "Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk
gelaat," of van de dagen, of der personen, of der plaatsen, tijden, of spijzen,
of ook der klederen en plechtigheden, waarin de paus geheel heerst, maar dit
koninkrijk is binnen ons. Wat verder het gezegde tot Petrus betreft "En gij, als
gij eens zult bekeerd zijn, zo versterkt uw broeders;" Dit wordt tot allen
gezegd, die met Petrus belijders zijn van deze Petra, dat is, van die vasten
steen Christus, door de geest van het geloof. Want ieder christen is bevoegd
zijn broeders uit christelijke liefde te vertroosten, te onderwijzen, ten goede
te vermanen en in het geloof te versterken.
Mont. Foei, welk een slecht gevoelen heeft deze
mens van de paus, van het hoogste gebied van Petrus en van het gezag der kerk!
Wanneer gij dit niet binnen weinige dagen herroept, zult gij als een ketter
verbrand worden.
Pistor. Wel aan, maakt daartoe alles gereed,
brengt spoedig het vuur aan, reeds lang genoeg hebt gij mij
gedreigd.
Mont. Gij gelooft mogelijk niet, dat u zulk een
zware straf nabij is, en ik bemerk, dat gij onze woorden voor een fabel houdt,
en dat maakt u vermetel; maar, indien gij niet spoedig berouw toont, zult gij
binnen weinige dagen gewaar worden, dat wij u niet tevergeefs
bedreigden.
Pistor. Waarom haast gij niet, mijn bloed te
vergieten, opdat gij uw handen daarin zoudt kunnen wassen?
Rosem? Ach, hoe ellendig heeft u die ketterij van
Luther verleid!
Mont. Wat moet er toch eindelijk over u besloten
worden? Wat moet er met u gebeuren?
Tapp. Heer Johannes, waarom laat gij uw
verhardheid niet wat varen? Val toch de heer commissaris een weinig hij, die uw
leven gaarne zag gespaard opdat gij niet gedood wordt.
Pistor. Wat wilt gij, dat ik doen zal? Wilt gij,
dat ik de naam van mijn God zal afzweren en mijn geloof verloochenen, en als een
verrader naar het leger des duivels overlopen! Wilt gij mij dit
aanraden?
Tapp. Geenszins; maar, dat gij de hardnekkigheid
van uw gevoelens betreffende de instellingen der kerk enigermate verzacht.
Wanneer gij dit doet, zullen wij ons beijveren, dat gij van deze banden wordt
ontslagen.
Pistor. Welaan, dat zal ik doen, en mijn gevoelen
zo veel verzachten als met het behoud van mijn geloof en de inspraak van mijn
geweten kan geschieden. Dat men mij pen en papier geve.
Mont. Dat gaat goed. Eilieve, ik bid u, stel u
toch gevoeglijk aan.
Pistor. Maar ik vrees toch, dat ik u hier weer een
deur zal open zetten, om mij te vangen en te verstrikken.
Mont. Gij behoeft niet te vrezen; wij zullen
goedertieren met u handelen, wanneer gij u goedertieren in onze schoot
werpt.
Pistor. Ziet, hier hebt gij, wat ik in het
algemeen gevoel omtrent de menselijke instellingen; maar ik geef het u over,
onder voorwaarde, dat gij mij over geen bijzondere zaken ondervragen
zult.
Mont. Heer Ruard, lees het
eens.
Tapp. Betreffende de instellingen der kerk belijd
ik, dat men die niet lichtvaardig moet schenden, maar dat men die of
noodzakelijk of prijselijk moet houden, voor zoveel die niet tegen Gods Woord
strijden."
Mont. Dat is goed.
Tapp. Wat denkt gij dan van het verboden vlees
eten in de vasten?
Pistor. Ziet toch, hoe spoedig gijlieden de
belofte vergeet, die gij mij gedaan hebt en mij weer bijzondere zaken
voorlegt.
Tapp. Volgens uw schriftelijke verklaring, die ons
behaagt, kunt gij ons nu gemakkelijk antwoorden.
Pistor. Indien gijlieden niet tevreden bent met
deze verzachting van mijn gevoelens, ziet, dan herroep ik alles, wat ik u daar
even verklaard heb.
Tapp. Aangezien wij menen, dat gij in uw gemoed
wankelt, welk ongelijk doen wij u dan aan, wanneer wij dit op de proef
stellen?
Pistor. Waarlijk, altijd heb ik van ulieden
gevreesd, dat gij niets anders zoekt dan een gelegenheid om mij te
lasteren.
Tapp. Al zouden wij ook tevreden zijn, zo moeten
wij ook toezien, dat ook zij voldaan zijn, die ons met dit onderzoek belast
hebben; want hier wordt niet alleen onze zaak behandeld, maar ook de hun en die
van alle goedgezinden.
Pistor. Gaat voort uzelf gelijk te blijven; want
hij zal de moriaan schuren, die ulieden vroom zoekt te
maken.
Mont. Aangezien gij de instellingen der kerk met
ons op prijzenswaardige wijze vasthoudt, en aan haar gezag toekent, twijfel ik
geenszins, of gij houdt het ook voor zonde, op dagen, die de kerk verboden
heeft, vlees te eten?
Pistor. “Indien de spijs mijn broeder ergert, zal
ik in eeuwigheid,” als Paulus, “geen vlees eten”.
Tapp. Maar, wanneer er geen vermoeden of vrees
voor aanstoot bestond, en zich een gelegenheid opdeed om vlees te eten, zal u
het kerkelijk gebod niet afschrikken?
Pistor. Wat bespringt gij mij toch
arglistig?
Tapp. Laat ons daarover eens
spreken.
Pistor. Christus Zelf antwoordt u hierop, Die
duidelijk zegt: "Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt de mens niet; maar hetgeen
ten monde uitgaat." De Apostel zegt: "Want het koninkrijk Gods is niet spijs en
drank." Verder: "De spijs maakt ons Gode niet aangenaam." Ja, dezelfde Apostel
gebiedt, "dat u dan niemand oordele in spijs of drank."
Tapp. Naar ik uit uw redenen kan afleiden, laat
gij u niet aan de instellingen der kerk gelegen liggen. Waarom schrijft gij dan,
dat men de instellingen der kerk niet moet verwerpen?
Pistor. Opdat gij niet zoudt dwalen, heb ik er het
woord lichtvaardig bijgevoegd.
Rosem. Wat betreft de goede week, houdt gij die
ook voor heilig?
Pistor. Gij hebt gehoord, dat Paulus de Galaten
bestraft, omdat zij dagen, tijden en jaren onderhielden.
Tapp. Dat is, wat ik zeg. De Lutheranen zoeken
niets anders dan aan het vlees toe te geven.
Pistor. Goede man, hier wordt niet gesproken over
het toegeven aan het vlees, maar over de vrijheid van het geweten en de vrijheid
der Schrift. Indien ik naar mijn smaak zou te werk gaan, zou ik vis in plaats
van vlees kiezen. Daarom, wat de spijs aangaat, laat het u genoeg zijn, dat ik u
gezegd heb, dat men hierin de liefde niet moet vergeten.
Tapp. Maar er is nog een andere reden, waarom de
kerk zich van vlees moet onthouden; het is opdat ons vlees niet te dartel
worde.
Pistor. Het vlees moet altijd bedwongen worden,
want allen, die ooit God hebben behaagd, hebben hun vlees gekruisigd met de
bewegingen en begeerlijkheden. Wat doet dat tot de leringen der duivelen, zoals
de Apostel dit noemt, om namelijk onderscheid te maken in de spijzen en ongehuwd
te blijven.
Tapp. Ik heb grote vrees, dat hij geheel met
Luthers dwalingen besmet is. Wat denkt gij van de
sacramenten?
Pistor. Ik denk er goed over, dat er sacramenten
zijn.
Mont. Gelooft gij, dat er zeven
zijn?
Pistor. Hierover zullen wij later spreken, nu moet
de zaak van het huwelijk besproken worden.
Mont. Wie in het ene dwaalt,wordt ook verdacht in
het andere.
Pistor. Het artikel van de sacramenten is het
mijne niet, daarom zal ik de verantwoording daarvan niet op mij
nemen.
Mont. Gij zoudt dat ten minste daarom doen, opdat
gij uw verstand gevangen zoudt geven onder de gehoorzaamheid van Christus, ook
wat de instellingen der kerk betreft.
Pistor. Doe ik dat dan niet, wanneer ik mij geheel
voeg naar Gods Woord?
Tapp. Behoort gij niet te bedenken “dat
gehoorzaamheid beter is dan offeranden?"
Pistor. Ik beken dit, doch niet alle
gehoorzaamheid, maar alleen de gehoorzaamheid aan Gods geboden, "naar welke niet
te luisteren een zonde is van afgoderij," volgens de getuigenis der Heilige
Schrift.
Mont. Indien wij nog langer met u redetwisten,
zult gij eindelijk nog loochenen, dat er een enige kerk is, aangezien gij haar
zo goddeloos tegenspreekt.
Pistor. Dat behoeft gij niet te vrezen; daar hij
wel dwaas moet zijn, die naar het eerste gestelde symbolum niet zou geloven, dat
de algemene kerk is een gemeenschap der heiligen. En gelijk deze kerk door de
Heilige Geest geregeerd wordt, alzo luistert zij ook, en gebiedt niet te
onderhouden dan wat met Gods Woord overeenkomt, zoals ik ook tevoren gezegd
heb.
Tapp. Gelooft gij dan, dat de algemene kerk heilig
is?
Pistor. Waarom zou ik dat niet geloven, aangezien
ik belijd, dat ik er een lid van ben?
Tapp. Geen levend lid, geloof ik, maar een verrot
lid, als die haar instellingen van ganser hart veracht.
Rosem. Hoe kunt gij weten, of gij een lid van haar
bent of niet?
Pistor. Door inwendige getuigenis des Heilige
Geestes, die in mij spreekt.
Tapp. Wat hoor ik, spreekt de Heilige Geest in
u?
Pistor. "Dezelfde Geest," zegt de Apostel,
"getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn."
Rosem. Goede God, hoe laatdunkend zijn deze
Lutheranen! Ik zou van mij zelf niet durven zeggen, dat ik de Heilige Geest
had.
Pistor. Gelooft gij niet, "dat de liefde Gods in
onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is?" Deze uw
ongelovigheid maakt, dat gij mistrouwend, goddeloos bent en niet in het bezit
van de Heilige Geest.
Tapp. Aangezien gij de kerk Gods voor heilig
houdt, waarom houdt gij ook haar geboden niet voor heilig?
Pistor. De kerk van God, waarvan Christus het
Hoofd is, schrijft niet vele geboden voor, zoals uw wetgever, de paus van Rome;
zij vermeerdert de verdoemenissen niet, zoals gijlieden
doet.
Tapp. Wat, zou hij ook consacreren, die voor een
eenvoudige tafel zonder enig heilig versiersel, en zonder waskaarsen de dienst
verricht, tegen de instelling der kerk?
Pistor. Waarom zou het, naar het voorbeeld van
Christus, niet geoorloofd zijn, het Avondmaal des Heeren alleen te bedienen
zonder plechtigheden en waskaarsen en zonder priesterlijk
gewaad?
Mout. Gij mens, gij bent snoder dan de hoofdketter
Luther zelf.
Rosem. Er is geen hoop, dat wij dit verhard hoofd
zullen overwinnen.
Topp. Wat denkt gij van het sacrament des laatste
oliesels?
Pistor. Wien is het niet bekend, dat het een
plechtigheid der kerk is?
Mont. Wij hebben arbeid en moeite genoeg gedaan om
deze ketterse mens te bekeren, doch alles is tevergeefs, aangezien wij niet met
hem vorderen, is het niet geraden langer met hem te
spreken.
Tapp. Ik zie het ook wel, dat het met zijn
zaligheid ten enenmale wanhopig gesteld is.
Mont. Wij zullen voortaan met vuur en hout jegens
u handelen, hoort gij dat wel?
Pistor. Vervult de maat uwer vaderen aan mij. Ik
bid de dood niet af, die, gelijk hij mij tot gewin, u tot een gedurige droefenis
zal zijn.
Tapp. Al gaan wij nu heen, heer Johannes, zo wordt
u evenwel nog tijd van beraad en om te herroepen gegeven; want wij zullen het
vonnis niet aan u laten voltrekken, voor ik u nog eens in de gevangenis zal
bezocht hebben.
Pistor. De wil des Heeren
geschiede!
Mont. Laat ons heen gaan.
Rosem. Heer Johannes eet, en drink, en bekrimp u
niet.
Pistor. Ik ben niet neerslachtig in mijn gemoed;
ik eet en drink van harte; ik ben zelfs nooit zo gezond geweest als
nu.
Rosen). Och, of u anders gezind
was!
Brunth. Laat hem weer in de gevangenis
brengen.
Einde van de derde
samenspraak.
Nadat al deze dingen, gelijk gezegd is, dus
uitvoerig behandeld waren, beminde lezer, geschiedde het, dat de broederlijke
Ruard Tapper, gedachtig aan zijn belofte, die hij vroeger gedaan had, onze
martelaar in zijn boeien en duistere gevangenis kwam bezoeken, terwijl hij in
zijn gelaat zekere godvruchtigheid veinsde, om hem, zo mogelijk, tot herroepen
te bewegen. Onder onbeschrijfelijk zweten was hij de wenteltrap opgeklommen; en
onbegrijpelijk mag het heten, hoe deze weelderige en verwaande mens, die de naam
had van godgeleerde, adem kon halen vanwege de stank. Nauwelijks had hij dan ook
de voeten in de gevangenis gezet, of hij begon dadelijk op zeer onwaardige wijze
over de onreinheid en de stank van die plaats uit te braken, en verfoeide in de
hoogste mate de daar zichtbare onreinheid.
Toen Pistorius aan de tralies geroepen was, om met
deze godgeleerde te spreken, bestrafte hij hem over de grote goddeloosheid, en
wel, daar de gevangenis een plaats van bewaring behoorde te zijn, dat zij hem,
die niets des doods waardig had bedreven, in zulk een stinkend hok opgesloten
hielden. Ruard verontschuldigde zich hierover, en begon op allerlei wijze de
gevangene te vleien en te vermanen, dat hij zich toch zo spoedig mogelijk uit
deze boeien zou verlossen, teneinde niet langer de onreinen stank der gevangenis
te moeten verduren. Zo min hij zich echter vroeger door dreigementen had laten
bewegen, zo weinig vroeg hij nu ook naar de hoop op de zoete vrijheid, die hem
aangeboden werd. In de loop van het gesprek wierp deze goede godgeleerde
andermaal de kwestie op over de geboden der kerk, het gezag der kerkvaders en de
besluiten der kerk. Eindelijk kwam hij zo ver, dat hij het gemoed van deze
gevangene poogde te vertroosten onder heilige betuiging, dat hij zich zeer
erbarmde over zijn val. Na elkaar gegroet te hebben, liep Ruard zo spoedig
mogelijk naar de wenteltrap, onder weg spuwende en brakende vanwege de stank
daar ingeademd. Pistorius keerde intussen naar zijn kot terug, dat krioelde van
allerlei soort van ongedierte, veroorzaakt door tien booswichten, die daar met
hem opgesloten waren, in wier midden onze martelaar neerlag, alsof hij het
opperhoofd dier booswichten was. De tijd zijner gevangenschap bracht hij door
met een bewonderenswaardige lijdzaamheid en godsvrucht, en predikte dagelijks
onder dit uitvaagsel der mensen, teneinde hun verharde gemoederen tot de kennis
van God en van het Evangelie te brengen, en tot de verachting van de dood, die
een groot deel naar hun verdiensten ondergaan hebben, te bewegen, Daardoor
werkte hij hij hen zoveel uit, dat velen openlijk betuigden, dat zij in ieder
opzicht wensten, om met zulk een vroom man te mogen
sterven.
Hij herhaling zei hij mij, dat hij er zich over
verblijdde, dat hij tot bevordering van de waarheid zulk een artikel van de
Schrift had aangehaald, dat in zich zelf duidelijk en aannemelijk was, welk
artikel hem gegeven werd te verdedigen met zijn bloed, en dat hij daarmee de
strijdkrachten van de snode godgeleerden zo had verzwakt, dat zij niet wisten,
of zij dat artikel zouden behouden of verliezen; want, indien zij hem loslieten,
zouden vele priesters zich als hij in het huwelijk begeven, en, indien zij hem
gevangen hielden, zou de knaging van het geweten zijner tegenstanders nimmer
ophouden.
Toen Pistorius hier bijna een maand had
doorgebracht, om hem door de langdurigheid van zijn gevangenschap tot herroepen
te dwingen, dat hij echter met zijn gehele hart afsloeg, geschiedde het dat
Margaretha, dochter van keizer Maximiliaan, vergezeld van de heer van Montigny,
graaf van Hoogstraten, en de gehelen Raad des keizers te ‘s Gravenhage kwamen.
Hij die gelegenheid werden, uit alle steden van Holland, allen daarheen
gebracht, die om ketterij gevangen zaten. In deze nieuwe Raad der inquisitie
bekleedde het voorzitterschap de president van Mechelen, Mr. Joost Loveringen,
een hardnekkig beuzelaar, en een beroemd rechtsgeleerde, die, zoals ik zelf
gehoord heb, zeer goed ter taal was. Gedurende veertien dagen heb ik in die tijd
met deze mensen en de inquisiteur te doen gehad, en een hevig twistgesprek
gehouden, toen zij mij tot in de kleinste bijzonderheden over mijn geloof
ondervroegen.
Toen Pistorius andermaal voor deze Raad gebracht
werd, zoals vroeger plaats had, het Loveringen niet na hij hem aan te houden en
te dringen, soms met vleiende, dan weer met dreigende en vreselijk snerpende
woorden, van tijd tot tijd ook gouden bergen belovende, en wrong zich, als een
Proteus, in allerlei bochten teneinde, het hart van Pistorius, dat onbeweeglijk
bleef, als een Marpesische rotssteen, tot herroepen te dringen. Opdat de lezers
uit é.een samenspraak mag beoordelen, hoe de andere waren, want zij komen op
hetzelfde neer, zullen wij het laatste gedeelte van dit treurspel hun voor ogen
stellen, waarin zij als in een spiegel zullen zien, hoe geweldig de duivel zijn
slaven aandrijft en in beweging brengt, en eindelijk met een woede bezielt,
opdat Christus mag worde omgebracht en de waarheid verdrukt, die echter tegen de
poorten der hel staande blijft. De samenspraak, die wij hier meedelen, was het
laatste onderzoek, dat in de grote zaal van het Hof te 's Gravenhage plaats
had.
De inquisiteurs waren in de volgende orde
geplaatst: naast de Voorzitter Loveringen zaten de heer van Angey, de heer van
Assendelft en Sasbout. Tegen hem over, tegen het Oosten. hadden de godgeleerde
inquisiteurs, Montanus, Tapper en Rosemundus plaats genomen. Naar het Zuiden
zaten aan de tafel Brunthus, de procureur fiscaal en de eerste secretaris
Sandelin. Klaas van Damme, de eerste gerechtsdienaar stond daarbij, om op de
wenken en bevelen der heren te letten. Noordelijk zat Pistorius
afzonderlijk.
De vierde en laatste
samenspraak
De sprekers waren:
Mr. Joost van Loveringen, president van Mechelen,
rechtsgeleerde;
Magister noster Nikolaas Copinus van Bergen,
godgeleerd inquisiteur;
Magister noster Gottschalk Rosemundus, godgeleerde
van Leuven;
Magister noster Ruard Tapper, van Enkhuizen,
godgeleerde te Leuven;
Johannes Pistorius, van Woerden,
gevangene.
Bijzitters van de inquisitie
waren:
De heer Mr. van Angey, raadsheer van de geheimen
Raad des keizers;
De heer Gerardus van Assendelft, ridder, raadsheer
te 's Gravenhage;
Mr. Jakobus Sasbout, rechtsgeleerde en
raadsheer;
Mr. Reinier Brunthus procureur fiscaal,
rechtsgeleerde;
Mr. Arnoud Sandelin, eerste secretaris, die het
verhandelde opschreef.
Loveringen. Hoe bent gij nu
gezind?
Pistorius. Evenals tevoren.
Lover. Bent gij nog niet bereid te
herroepen?
Pistor. Nog niet.
Lover. Gij zult of herroepen, of als een
hardnekkig ketter verbrand worden.
Pistor. Mijn oren zijn al doof van die
bedreigingen, mij reeds zo dikwerf gedaan.
Lover. Opdat gij niet meent, dat ik ijdele woorden
spreek, zweer ik u hij mijn ridderlijke waardigheid, dat gij morgen zult
sterven, want gij zult ons met uw voortdurende hardnekkigheid niet langer
ophouden.
Pistor. Maar ik bemerk, dat daartoe nog geen hout
aangebracht is. Waarom maakt gij nog geen brandstapel gereed, op het zien
waarvan mijn hart van vreugde zal opspringen.
Lover. Gij boef, spot gij nog met
ons?
Pistor. Ik bespot u niet, maar ik lach om uw
ijdele bedreigingen.
Lover. Meent gij, dat de keizer zo arm is, dat hij
niemand heeft, die het vuur voor u zou kunnen gereedmaken?
Pistor. Geenszins mijnheer, want dit nabij gelegen
eikenbos kan hout genoeg opleveren, om twee duizend mensen van mijn soort, als
het nodig is, te verbranden. Ik beschimp de uitnemende waardigheid der
keizerlijke majesteit niet, maar gijlieden bent mij tot enige satans geworden.
Gij vernieuwt zo dikwerf in mijn ogen het vuur, het hout, de paal, dat ik niet
beter weet te doen, dan u ook door verachting te overwinnen. Gijlieden denkt
wel, dat het er toe komen zal, dat ik de beleden waarheid door herroeping zal
afzweren, doch dit zal zo niet zijn, tenzij God mij van mijn kracht berooft,
want ik echter hoop, dat Hij niet doen zal.
Lover. Aangezien gij u dit voorgenomen hebt, zeg
ik u aan, dat de zekere dood u tegen morgen bereid is.
Pistor. Welaan, laat mij de dood, waarmee ik van
overlang en zo dikwerf bedreigd werd, aangedaan worden, en gebruikt gijlieden de
macht, die u van boven gegeven is. Ik zal intussen God zo veel danken als in mij
is, omdat Hij mij tot deze dag bewaard heeft.
Lover. Morgen, zeg ik, zult gij sterven; langer te
leven zullen wij niet toestaan. Daarom, bereid u tot het laatste gericht voor,
dat, zoals gij meent, u tot zaligheid te zijn.
Pistor. Ziet, hier ben ik, bereid tot alles, wat
God gelieven zal mij op te leggen. Een kort uur zal veel rust
geven.
Lover. Ik wil niet, dat gij de hoop voedt, dat uw
rechtspleging zo spoedig daar zal zijn.
Pistor. Binnen een halve dag, op het langst, zal
uw tirannie verzadigd wezen.
Lover. Alles is met hem gedaan;op de rechten weg
kan hij niet meer gebracht worden.
Montanus. Hij is zeer
hardnekkig.
Rosem. Wij hebben waarlijk grote lankmoedigheid
jegens hem gebruikt; maar wij hebben aan eens doven mans deur
geklopt.
Lover. Zie, gij snode aartsketter, ik verkondig u,
dat uw laatste dag genaakt, waarin gij naar verdienste zult gestraft worden.
Welaan, kies iemand uit, aan wie gij uw zonden,belijden
zult.
Pistor. Ik wil niet, dat men mij de voorkeur
geeft.
Lover. Weigert gij dan ook te
biechten
Pistor. Geenszins goede man; want "indien wij onze
zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde
vergeve."
Lover. Wien wilt gij dan, dat u tot biechtvader
gegeven worde?
Pistor. Wien gij wilt.
Lover. Een monnik of een wereldlijk
priester?
Pistor. Ik vraag er niet naar, kies gij
iemand.
Lover. Wilt gij aan de Magister noster Ruard
biechten?
Pistor. Welaan, laat dit zo
zijn.
Lover. Heer Magister, ik bid u, laat het u niet
vervelen, de biecht van deze aan te horen.
Tapp. Zoon, zult, gij weigeren aan mij te
biechten?
Pistor. Geenszins.
Lover. Ga in deze naaste
kamer.
Tapp. Kom, laat ons daar alleen heen gaan. Heer
Johannes, leg uw biecht af, als het u blieft.
Pistor. Ik, driedubbel zondaar, en die op velerlei
wijze Gods toorn waardig ben, beken graag, dat mijn ongeloof, waardoor wij
alleen van God worden gescheiden, de oorzaak is, dat ik mij niet zo geheel, de
dood gering achtende, aan God overgeef en mij aan Hem toewijd. Ik beken ook, dat
ik met handen en voeten, dat is, met alle neigingen mijns harten gewoon ben God
te weerstreven, zodat mijn lust, om God door het geloof en mijn naaste door de
liefde te dienen, nooit groot genoeg geweest is; want de kracht en de neiging
tot zondigen zijn zo diep in mij geworteld, en wel door gebrek aan liefde tot
mijzelf, dat ik, wanneer ik mij zelf goed bezie, niet dan zonde en enkel
onreinheid ben, waarmee ik, van het hoofd tot mijn voetzolen toe, zo
verontreinigd en er onder begraven ben, dat, zo Hij, Die door God tot een
Rechter van levenden en doden gesteld is, met mij in het gerecht zal treden, Hij
mij, naar mijn verdiensten, rechtvaardig tot het eeuwige vuur zal veroordelen.
Maar ik hoop, dat de uitnemende en dierbare goedheid van God te onswaart, dit
kwaad van mij zal afkeren, Die Zijn Zoon voor ons in de dood heeft overgegeven,
opdat in Zijn bloed, waarmee ik mij verheug besprengd te zijn, door het
onderpand des Geestes echt het bad der wedergeboorte, mijn zonden afgewassen
worden, al zou ook haar aantal de veelheid van het zand der zee te boven gaan.
Dit geloof geeft mij zo veel zekerheid en ritst, dat het mij gemakkelijk is, in
deze schaduw des doods te gaan, met een zekere verwachting van een beter lot,
dat wij verwachten, nadat wij dit leven zullen geëindigd hebben. Dit geloof
gelieve in mij te versterken God, Die boven alles te prijzen is in eeuwigheid
Amen.
Tapp. Ga voort.
Pistor. Dit is het, wat ik te biechten
heb.
Tapp. Is dit biechten, daar gij geen zonden
belijdt of met name noemt?
Pistor. Geloof mij, het ongeloof is geen geringe
zonde om welke alleen de Heilige Geest de wereld zal
oordelen.
Tapp. Weet gij dan niet, of er enige zonden door u
is bedreven?
Pistor. Wilt gij, dat ik u als op de vingers
voortel hoererij, dronkenschap, doodslag, meinedigheid en dobbelarij? Maar aan
deze ken ik mij geenszins schuldig, ofschoon ik daardoor niet rechtvaardig
ben.
Tapp. Gij behoorde uw ketterijen in mijn schoot
uit te storten, en uw hardnekkigheid af te bidden, gij deze dingen voor
hoofdzonden houdt.
Pistor. Al kunnen zij ook hoofdzonden genoemd
worden, zo zie ik nochtans zulke gebreken in mij niet; tenzij gij hem voor een
ketter houdt, die zich van Christus niet wil laten afscheiden, noch van Zijn
woord tot de menselijke instellingen afwijken.
Tapp. Die zich van de kerk vervreemdt, scheidt
zich ook van Christus af.
Pistor. Ik verblijd mij, dat ik van de kerk van de
satan gescheiden word, opdat ik als een levend lid der ware christelijke kerk
mag ingelijfd worden.
Tapp. Wanneer gij geem andere biecht aflegt, zult
gij geen vrijspraak verkrijgen.
Pistor. Al spreekt gij mij niet vrij, zo is er
evenwel Een, Die mij zal vrijspreken, en al mijn zonden vergeven, te weten
God.
Tapp. Zult gij dan, terwijl gij de priesterlijke
vrijspraak veracht, met de goddelijke tevreden zijn?
Pistor. Waarom niet? en wel omdat er geschreven
is: "Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast bent, en Ik zal u
rust geven." En wederom: “Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om
Mijnentwil."
Tapp. Teneinde gij in alles zoudt tonen, dat gij
een Lutheraan bent, veracht gij ook mijn vrijspraak! O verloren
mens!
Pistor. Maar, wat zal ik doen? Ik kan en wil u
niet tegen uw dank de vrijspraak afpersen.
Tapp. Zoudt gij alzo de dood durven tegengaan,
daar u de zouden niet vergeven zijn? Vreest gij de pijn der hel niet? Wat is dit
voor een vermetelheid?
Pistor. God is niet gelijk aan een mens, dat Hij
Zich over ons niet zou ontfermen. Ik geloof en ik weet, dat mij in Christus
Jezus de vergeving van al mijn zonden weggelegd is.
Tapp. Och, och, hoe zeer doet het mij, dat gij
alzo vreemd blijft aan de schoot der moeder, de heilige kerk, wier sleutelen gij
zo hovaardig veracht! Ik weet niet, wat ik binnen, hij de heren teruggekomen,
van u zeggen moet. Ik wilde niet, dat zij dit te horen kwamen. Daarom, om u te
verschonen, zal ik deze dingen niet meedelen, opdat ik hun gemoederen, die nu
meer dan genoeg tegen u in haat zijn ontstoken, niet meer
verbitter.
Pistor. Ik geef u verlof
daartoe.
Tapp. Maar het zou niet tot uw voordeel zijn,
wanneer ik dit deed.
Pistor. Het is mij onverschillig, of gij dat doet
of laat.
Tapp. Laat gij het dan aan mijn keuze over, dat ik
deze dingen, zoals die hier voorvielen, daar binnen geheel
meedeel?
Pistor. Ja.
Tapp. Of zoudt gij liever hebben, dat ik het
verzweeg, opdat dit u niet te hatelijker maak?
Pistor. Of gij dit verzwijgt of meedeelt, ik vraag
er niet naar; want, wat ik ook in hun ogen wezen mag, of welk oordeel zij ook
over mij vellen, is mij onverschillig, aangezien ik de zekere overtuiging heb,
dat ik ook God door geen schandelijken dood kan mishagen, want, gelijk ik Hem
leef, hoop ik Hem ook te sterven.
Ruard Tapper, de huichelaar, dit horende, liep
haastig naar binnen, tot de vergadering der inquisiteurs, terwijl hij Pistorius
in de kamer achterliet. Toen hij geruime tijd daar alleen vertoefd had, en op de
terugkomst van zijn verzoeker wachtte, verscheen hij eindelijk ongeroepen in de
vergadering. Daar vond hij de huichelaar, met krodillentranen in de ogen, de
wanhopige zaligheid van onze martelaar bewenen. Als hij, ofschoon ongevraagd,
zich neerzette, terwijl Tapper de tranen uit de ogen wiste en de anderen hem met
een strak gelaat aanzagen, begon de president van Mechelen hem weer te
ondervragen, en vervolgde het begonnen onderzoek op de volgende
wijze:
Lover. Wel, hebt gij
gebiecht?
Pistor. Ja.
Lover. En hebt gij kwijtschelding van zonden
ontvangen?
Pistor. Neen.
Lover. Waarom niet?
Pistor. Omdat mijn biechtvader mij niet waardig
achtte de handen op te leggen.
Lover. Heer Magister noster, wat is de reden, dat
gij deze mens geen kwijtschelding hebt gegeven?
Tapp. Omdat hij niet oprecht wilde biechten; want
hij heeft slechts enige dingen in het algemeen gezegd, meer de wijze van
biechten bespot dan godsdienstig geëerd, zoals deze ketters gewoon
zijn.
Lover. Zo; en weet gij niet, dat gij sterven moet?
Hoort gij niet dat het bericht des doods u genaakt? Waarom biecht gij dan niet,
zoals andere christenen?
Pistor. Ik heb gebiecht; maar aan Hem, Die mijn
belijdenis meer goedertieren heeft ontvangen dan deze
mens.
Lover. Veracht gij aldus de
biecht?
Pistor. Ik zeg niet, dat ik de vrijspraak der
christelijke kerk veracht, maar aangezien hij mij die niet wilde geven, hoe kan
ik hem die afpersen?
Lover. Wie zal u dan de zonden vergeven, wanneer
gij ter dood gebracht wordt?
Pistor. Het Lam Gods, dat de zonde der wereld
wegneemt.
Lover. Mijn heren, wat zullen wij doen? Wat zullen
wij doen?
Mont. Het is, dunkt mij, een wonderlijke zaak, dat
een mens zo verhard kan worden.
Rosem. Er is voor deze ellendigste mens geen hoop
ter zaligheid over.
Lover. Wel hebt gij zulk een verdriet in uw leven,
dat gij meer naar de dood wenst dan naar het leven?
Pistor. Mijn Christus is mij liever dan dit
leven.
Lover. Hebt gij verlangen noch begeerte naar uw
ouders? Verlangt u niet naar uw moeder?
Pistor. Waarom niet? Ik ben een mens, en al wat
menselijk is, is mij niet vreemd.
Lover. Dit schijnt nochtans zo niet, aangezien gij
hun ellende u weinig aantrekt. Gij moet wel wreed zijn, gij die door uw
hardnekkigheid aanleiding geeft, dat zij of tot hongersnood of tot de galg
geraken. Wij willen het niet voor u verbergen, dat uw oude vader door uw haat,
van zijn kosterambt, dat hij zovele jaren bediend heeft, is ontzet. Meent gij,
dat deze schande de oude man niet zeer hindert? En u zoudt hem kunnen helpen,
zodat hij niet van honger zou behoeven te vergaan, of door droefenis verteerd
worden, ik zwijg nog van erger dingen.
Pistor. Mijn ouders zijn mij lief en dierbaar,
maar nog liever en dierbaarder is mij Christus, Wiens zaak ik hier moet schatten
boven mijn bijzondere betrekkingen. Ik beveel mijn ouders Gode de Vader aan;
daar zullen zij een veilige haven vinden, om in nood hun toevlucht te nemen. Ik
twijfel niet, of de allerbeste Vader heeft zeer goedertieren de genade aan mijn
ouders bewezen, dat zij zich onder alles, wat er met mij plaats heeft, zoals hun
betaamt, geduldig in de Heere gedragen.
Lover. Maar uw vrouw, denkt gij daar niet
aan?
Pistor. Niemand heeft ooit zijn eigen vlees
gehaat." Ik beken, dat ik haar liefheb, maar in de Heere. Geen andere liefde
eist zij, en ben ik ook haar niet schuldig.
Lover. Ik dacht, dat de zaak geheel anders stond
dan gij zegt; want, naar ik meen, verdriet het u uw jeugd met haar hogen
leeftijd door te moeten brengen. En dit is de reden, waarom gij liever met uw
bedorven inbeelding van de godsdienst wilt sterven, dan tot uw droevig en
onvruchtbaar huwelijk terugkeren. Heb ik het niet juist
geraden?
Pistor. In geen dele, o aanzienlijke man! Ik heb
mijn vrouw lief, volgens de trouwbelofte, die ik haar gedaan heb en schuldig
ben. Haar liefde zal ik ook gemakkelijk ter zijde kunnen stellen, wanneer de
Heere mij dit gebiedt. Want Christus zal hem als discipel verloochenen, die niet
verlaat vader en moeder, vrouw en akkers, en Hem navolgt.
Lover. Indien wij u van deze gevangenschap
ontsloegen, dan zoudt gij toch niet tot uw vrouw terugkeren, die de oorzaak
geweest is van uw grote droefheid en moeite?
Pistor. Waarom zou ik tot haar niet terugkeren,
daar zij been is van mijn beenderen en vlees van mijn vlees? Ik schrijf haar dit
mijn kruis niet verder toe dan Christus Zijn Vader Zijn dood
toeschrijft.
Lover. Wel, zoudt gij ook met nieuwe vreugde
opspringen, wanneer wij u uit deze boeien ontsloegen, en u vrij lieten heengaan,
waar gij wilde?
Pistor. Wanneer God dit behaagde, zou het mij niet
onaangenaam zijn. Maar, aangezien gij het niet doen zult, verlies ik daarom de
moed niet. Ik geef mij in alles aan Gods wil over.
Lover. Indien wij uw vrouw hier lieten brengen,
zoudt gij met haar tot genoegen wensen te spreken?
Pistor. Ik wenste het wel, indien het mij vergund
werd.
Lover. En, zo het u vergund werd, zoudt gij haar
wel vleselijk willen bekennen?
Pistor. Foei, schaam u!
Lover. Wat?
Pistor. Dat gij mij met zulke nutteloze vragen
kwelt.
Lover. Wees goedsmoeds; uw vrouw wordt heden van
Woerden hier heen gebracht. Ja, ik bemerk, dat zij er reeds is; gij mag u wel
verblijden, men zal u toestaan haar te zien en te spreken.
Pistor. Ik laat het aan uw goeddunken over wat gij
eindelijk over mij, mijn vrouw en mijn zaak zult besluiten, ik bekommer mij
daarover niet. "De raad des Heeren zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen
doen."
Lover. Daar gij toch een vrouw moest trouwen, had
gij een jonge behoren te nemen, die u kinderen zou ter wereld gebracht
hebben.
Pistor. Foei, het ontbreekt de achterklapper
nimmer aan stof, ook in deugdelijke zaken. Wanneer ik een jongere of zeer schone
vrouw getrouwd had, zoudt gij gezegd hebben, dat dit huwelijk een werk des
vleses was. Maar nu ik een vrouw getrouwd heb, die niet rijk is, die geen
verdacht, maar een gewoon voorkomen heeft, die een gezette leeftijd heeft
bereikt, en toch niet boven de jaren der vruchtbaarheid is, vindt dit huwelijk
toch nog deze onbillijke spotter. Dat hij lastere!
Lover. Gij hebt gezegd, dat gij daarom
voornamelijk een vrouw getrouwd hebt, omdat gij door de lust des vleses u van
haar niet kon onthouden. Is het zo niet?
Pistor. Ik heb de waarheid
gezegd.
Lover. Gij hebt u van het gebruik uwer vrouw
gedurende deze vier maanden onthouden; en, wanneer wij u langer in de gevangenis
opsloten, zoudt gij dan niet gedwongen worden voortdurend ongehuwd te leven?
Waarom wendt gij dan de uiterste noodzakelijkheid voor tot een dekmantel van uw
wellust?
Pistor. Maakt gij dan God zo wreed, Hem naar uw
gemoed beoordelende, "dat Hij mij laat verzocht worden boven hetgeen ik vermag."
Tot nu toe heb ik de handen vol gehad met mijn geestelijke vijanden, zo buiten
als binnen mij, zodat het niet nodig was, dat deze dartele begeerlijkheid haar
woede tegen mij bewees. Hierbij komt nog, dat gijlieden met uw personen en met
uw bangmaken moest overwonnen worden, waardoor anders de onvoorzichtigen en
eenvoudigen zouden betoverd worden.
Lover. Waarlijk, ik wenste dat gij de duivel zelf,
als een nachtmerrie, bereden had, toen gij voor het eerst uw vrouw bekende. Ja,
ik wenste, dat gij met tien onreine hoeren had te doen gehad, toen gij voor het
eerst uw vrouw besliep, zoveel werk en moeite veroorzaakt gij
ons.
Pistor. Foei, schaam u over zulke lastering tegen
God en Zijn instelling van het huwelijk. Bent gij een rechtsgeleerde, bent gij
een voorzitter van al de raadsheren, en nog wel aan het hof van de keizer, die
zulke ongerijmde, zedeloze en goddeloze dingen uitbraakt? Zo lief mij God heeft,
schaam en bedroef ik mij om uwentwil.
Mont. Mijnheer Johannes, ik bid u, wordt toch niet
zo boos, want gij verstaat niet goed, wat de heer voorzitter zegt. Want dit is
zijn mening; zo gij met de duivel had te doen gehad of hoererij gepleegd, gij
zoudt, ernstig vermaand zijnde, uw zonde terstond beleden hebben; en dan had
niemand hem vergeving kunnen weigeren, die zijn schuld oprecht had beleden. Nu
hebt gij hij uw vrouw geslapen, en een ongeoorloofd bed houdt gij voor eerbaar.
Het is er nog ver af, dat gij uw schuld in nederigheid zoudt bekennen; en daarom
bent gij geen vergeving waardig. Deze uw hardnekkigheid, dat onboetvaardig hart,
ontstelt de heer voorzitter.
Pistor. Indien gij met zulke koude verzinselen
God, de Rechter, kunt bespotten, zal het met uw zaak niet kwalijk staan; "maar
God laat zich niet bespotten."
Lover. Laat deze verdorven en boze mens weer naar
de gevangenis brengen.
Einde van de laatste
samenspraak.
Zie hier, goedwillige lezer, het einde van deze
samenspraak, welke Pistorius, die met mij gevangen zat, mij terstond daarna
verhaalde, aangezien er maar een houten beschot tussen ons beiden was, zodat gij
aan de waarheid van het twistgesprek niet behoeft te
twijfelen.
Wat daarna geschied is, zal ik u verder verhalen,
voor zoveel ik dat zelf uit de gevangenis heb kunnen zien, of van geloofwaardige
lieden heb vernomen.
Toen de nacht van die dag genaakte, waarin het
laatste twistgesprek had plaats gehad, werd Pistorius, omtrent ten 10 uur,
stilletjes door de gevangenbewaarder uit zijn gevangenis gebracht, onder de
schijn van met zijn vrouw, die toen beneden in de gang van het huis was, te
zullen mogen spreken. Maar de kinderen des duivels, die een vader van alle
leugens is, bedrogen de goede man met leugens, en lokten hem met een valse hoop,
want hij werd niet hij zijn vrouw gebracht, maar in het blok onder de aarde,
waartoe gedurende enige dagen niemand toegang vergund werd. Door deze wijze van
gevangenschap gaven zij genoeg te kennen, dat hij bestemd was om te sterven.
Daar zat nu onze martelaar gedurende vier dagen met de voeten in het blok
gekluisterd. Voor de laatste maal werd zijn geloof en standvastigheid des
gemoeds van alle zijden bestreden, en wel door de aanzienlijken, de monniken, de
priesters, de raadsheren, en de geringe lieden, die de drogredenaars van alle
kanten daarheen hadden gezonden om hem te kwellen en tot herroepen te bewegen.
Maar allen deden vergeefse moeite, want hij wilde geen handbreed van de
belijdenis van het evangelie wijken. Ik zou hier ook kunnen meedelen de zeer
vriendelijke samenspraak tussen de waarlijk goede ouden vader, Jan Dirksen,
koster, en zijn zoon. Toen de goede man zag, dat zijn zoon standvastig was in
het geloof aan God en Zijn Woord, en dat hij zijn huwelijk met zijn bloed wilde
handhaven, zo zelfs, dat hij de dood verachtte, en niets van wat hem van zijn
voornemen zou kunnen aftrekken aanmerkte of boven Christus lief had, poogde hij
zijn zoon nog meer te versterken, en beval hem goedsmoeds en sterk te zijn, en
zei, dat hij bereid was, om, naar het voorbeeld van Abraham, zijn zeer geliefde
zoon, die hem nooit iets misdaan had, Gode op te offeren. Deze daad van de vader
mishaagde de inquisiteurs in grote mate, en ontstelde in geen geringe mate al
zijn tegenstanders. Het zou insgelijks een waardige arbeid zijn, indien ik mee
verhaalde, welke antwoorden hij ieder gaf, die hem in deze vierdaagse
gevangenschap vermaande, en met welke woorden en vermaningen hij ieder van zich
liet gaan, behalve als ik mij van het noemen van namen onthield, en de zaak zelf
geen uitvoerige mededeling vereiste.
Eindelijk, toen nu de drogredenaars en de schaar
der tegenstanders zagen, dat zij in het geheel niet vorderden, met welke soort
van wapenen zij ook de zeer standvastige martelaar aanvielen, zochten zij, die
overwonnen waren, hem te overwinnen door de vuurdood. Er werd een hoop hout
aangebracht en de gevangene werd de dood aangezegd, welke boodschap hij met een
bewonderenswaardige en zonderlinge blijdschap van het hart ontving. De gehelen
nacht hield hij zich met heilige overdenkingen en het lezen der Schrift bezig,
en bracht ook enige tijd door met slapen.
Des anderen daags zaten op stoelen, die met
fluweel waren bekleed, op een hoge stellage, die voor het Prinsenhof was
opgericht, opdat zij van ieder konden gezien worden, aan de een zijde de heer
Montigny, Graaf van Hoogstraten en de gehele Raad van Holland. Aan de andere
zijde zaten, insgelijks naar zekere volgorde, de heer Ridderus, dienaar van de
bisschop, een Dominikaner. Hij hem zaten drie abten, zeer ongeleerde, maar fraai
gekapte mannen. Op hen volgden de godgeleerden van de inquisiteurs of
kettermeesters. In het midden van de stellage stond een predikstoel, waarop zeer
luid, met een schreiende stem, riep of liever schreeuwde, een Franciscaner van
Leiden, een man, die blind was, zowel naar lichaam als naar ziel. Deze poogde,
op zeer hevige wijze, door zijn haat tegen de ketterij, voor het omstaande volk
de tegenstrijdige redenen, zoals hij zei, van onze martelaar te verzwaren. Toen
hij nu kwam aan het artikel, betreffende het huwelijk der priesters, ontkende
hij, dat Pistorius om het bijslapen hij de vrouw werd veroordeeld; maat, dat hij
met recht gestraft werd, omdat hij staande hield, dat daarin geen misdaad of
schuld was gelegen.
Toen deze predikatie, niet minder goddeloos dan
dom, geëindigd was, keerde Pistorius zijn aangezicht naar het volk, en begon
zijn verantwoording onverwachts op de volgende wijze: "Ziet," zei hij, "mijn
lieve broeders, met welk een geweld de antichrist zijn rijk staande zoekt te
houden." Daar hij voorgenomen had veel tot het volk te spreken, wilde hij zijn
rede vervolgen doch Klaas van Damme de voornaamste gerechtsdienaar, trok hem,
die gereed was zijn zaak te verantwoorden, op zeer onwaardige wijze terug, en
dreigde hem in het openbaar, dat, wanneer hij niet zweeg, men hem met een stuk
hout de mond zou snoeren. Het hart van de omstanders werd over dat woord zeer
ontsteld, doch de vrome man betoonde zich der tirannie van de goddelozen
gehoorzaam, als een lam, dat ter slachting bestemd is. Hierna werd hij door de
dienaar des bisschops, Jakobus Ridderus, tot de wereld teruggedreven, wat zij
ontwijden noemen; want, volgens de gewone plechtigheden, werd hij van alle
priesterlijke sieraden beroofd, veracht en als een schouwspel voorgesteld. Toen
het kerkelijk gewaad hem werd uitgetrokken, legde hij dat als een vervloekt
voorwerp af en zei: “Nu gelijk ik veel beter christen in deze mijn, hoewel
wereldlijke, kleding dan daar even." Daarna werd hem een geel doch kort kleed om
het lichaam geworpen; en toen men dit om het lijf schikte, zei hij: "Welaan, dit
kleed zal tot een bespotting zijn met Christus; het is zeer goed." Op zijn hoofd
plaatste men ook een hoed met oorlappen, van dezelfde kleur, opdat allen, die
hem zagen, hem voor een zot zouden houden. Met dit vreemde en nieuwe kleed
bedekt en geacht als een uitvaagsel der wereld, luisterde hij met een vrolijk en
opgeklaard gelaat naar het doodvonnis, door de secretaris voorgelezen. Daarna
haastte hij zich ter dood te gaan, en geleek meer op iemand, die een ander ter
dood leidt, dan op een die ter dood geleid wordt. In zijn wezen bespeurde men de
vroegere vriendelijkheid, en in zijn gezicht dezelfde uitdrukking tot aan het
einde zijns levens. Toen hij voorbij de gevangenis ging, wekte hij zijn
medegevangen broeders met luider stem tot het martelaarschap op, zeggende: "Zeer
lieve broeders, ik heb nu mijn voet gezet op de dorpel van mijn martelaarschap;
weest goedsmoeds, als kloekmoedige krijgsknechten van Christus, opgewekt door
mijn voorbeeld. Beschermt de Evangelische waarheid voor alle miskenning." Deze
woorden namen zij met volle toestemming en vreugde aan, terwijl er een openbaar
geroep en gejuich opging. Zijn martelaarschap vereerden zij daarna met
kerkelijke gezangen, en hieven, terwijl de vijanden van Christus intussen op de
tanden knersten, deze lofzangen aan: Te Deum Laudamus &," dat is: "O God,
wij danken u, enz.", "Certamen magnum, etc.", dat is: "Een grote strijd enz."
"Et o beata sanctorum Martyrum, solemma, &," dat is "Heil zij de strijd der
vrome martelaren, enz." Zij, te weten, deze goede mannen, de monnik Bernardus,
Gerardus Vormer en Willem van Utrecht, hielden niet met zingen op, totdat deze
onze martelaar zijn geest aan God had overgegeven. Op hetzelfde ogenblik dat men
de martelaar zag sterven, hoorde men ook het einde van hun gezang. Dit
triomflied bracht de gemoederen der vervolgers zozeer in beweging, dat des
anderen daags hetzelfde vonnis op hen zou toegepast zijn, indien niet alle
tegenstanders, door de buitengewone standvastigheid van de martelaar, temidden
der pijnigingen, zozeer ontsteld waren geweest.
Doch wij keren tot Pistorius terug. Toen deze op
de brandstapel geklommen was, bejegende hij de scherprechter, die voor hem op de
knieën viel, en, als naar gewoonte, bad, dat hij de dood, die hij hem zou
aandoen wilde vergeven, zeer vriendelijk, sprak hem met het woord van broeder
aan, en liet hem met beleefdheid gaan, terwijl hij hem de voorzegging
herinnerde, die hij het jaar tevoren te Haarlem aan hem gedaan had. Hij had die
namelijk voorzegd, dat zijn hart hem zei, dat ook hij eenmaal, omwille van het
evangelie, in de handen van de scherprechter zou vallen. Als hij nu dichter hij
het vuur gebracht werd, ontblootte hij zelf zijn borst voor de scherprechter,
opdat deze het buskruit daarop zou strooien. Toen hij op de bank klom, drukte
hij zijn rug tegen de paal. Het is niet te zeggen, toen hij gevoelde dat de
scherprechter de straf verhaastte, hoe triomferend hij de dood de overwinning
ontzei, zeggende: "Dood, waar is nu uw prikkel? Hel, waar is nu uw overwinning?
De dood is verslonden tot overwinning door Christus." Als hij zag dat de
scherprechter hem worgen wilde, deed hij zelf de strop, waarmee hij zou geworgd
worden, met zijn handen om de hals vast. Daarna sloeg hij zijn ogen naar de
hemel en zei: "Heere Jezus, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen."
En terwijl de scherprechter hem worgde, zei hij: "O Jezus Christus, Zoon van
God, gedenk, mijner, ontferm U mijner!" Toen hij dit gezegd had, was hem de
spraak benomen. Na het plegen van het wreedste geweld en de pijniging door de
verwurging, werd er geen beweging der leden, geen schudden van het hoofd, geen
draaien der ogen, zoals veelal plaats heeft, hij hem opgemerkt, wat inderdaad
wel der vermelding waardig is. Men zou gezegd hebben, dat deze onze martelaar in
een geruste slaap gevallen was, zoals ook geschiedde; want hij leeft nu met
Christus, ontheven van alle ellende, Die van de belijdenis van de naam van
Christus af tot in de dood niet van hem geweken is. Die kracht wil ons ook tot
de dood verlenen die God, Die boven alles te prijzen is tot in
eeuwigheid.
[JAAR 1525]
Wolfgang Schuch, een geboren Duitser, kwam in
Lotharingen, en wel in de stad St. Hippolyte, en werd daar tot pastoor der
gemeente verkoren. Al dadelijk verwijderde hij in de vasten alle beelden en
schilderijen, schafte de missen af, en verkondigde het zuivere Evangelie van
Christus. Dit viel hem zeer gemakkelijk, daar het volk geneigd was tot de
zuiverheid en gehoorzaamheid van het Evangelie, terwijl de lieden hem gunstig
waren en zeer lief hadden.
Door de vijanden der waarheid werd hij hij
Antonius, hertog van Lotharingen, beschuldigd, dat hij het volk opzette tegen
hun heer en overste, ja, dat zij alle overheden verachtten en verwierpen; zodat
de vorst, door zulk een beschuldiging in woede ontstoken, de stad te vuur en te
zwaard dreigde uit te roeien. Toen de goede en getrouwe pastoor dit vernam,
schreef hij de hertog een brief, waarin hij zijn ambt, onderwijs, dienst en de
zaak van het Evangelie derwijze beschermde en verontschuldigde, dat, wanneer de
vorst een rechtvaardig man geweest ware, die de waarheid en godsvrucht liefhad,
deze bedreigingen gemakkelijk op de boze beschuldigers zouden teruggekeerd zijn.
Hij toonde hem aan, hoe jammerlijk de godsdienst bedorven en het Evangelie met
de voet vertreden was, en beloofde de vorst, zo uit zijn eigen als van het volk
naam, alle gehoorzaamheid, die God de onderdanen bevolen heeft hun overheden te
bewijzen.
Voor deze aangeboden.goedwilligheid bewees de
vorst hem echter slechte dank; hij zond Casper Hassonville, edelman en
stadhouder van Blamoye tot hem, die hem gevangen nam en te Nancy bracht, waar
hij op wrede wijze werd verbrand, terwijl hij met grote standvastigheid, onder
aanroeping van de goddelijke naam en het afleggen van een vrijmoedige
belijdenis, zijn geest in de handen des almachtigen Vaders overgaf. Dit
geschiedde in het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1525.
In dit zelfde jaar werd er in de boerenkrijg een
vroom predikant in zijn huis opgehangen.
[JAAR 1525.]
Nadat de boerenkrijg gestild was, werd de een voor
en de ander na gegrepen en gevangen gezet, zodat de onschuldigen dikwerf met de
kwaaddoeners, en de eenvoudigen met de bozen zonder onderscheid moesten lijden,
wat de oproermakers verdiend hadden. Dit oproerig gespuis gaf zich voor
Evangelisch uit, zodat alle godvruchtigen en Evangelische, om hunnent wil, hij
alle mensen veracht en als boosdoeners gehaat werden. Onder deze was er een
godvruchtig en geleerd pastoor te Brisgau gevangen, die de boeren ernstig had
bestraft, omdat zij tegen hun overheden opstonden. Omdat hij het zuivere
Evangelie van Jezus Christus predikte, was hij gevangen genomen. ‘s Nachts werd
hij door de krijgsknechten gegrepen, en wreed behandeld, daar zij hem de handen
op de rug bonden, en zijn voeten met een dik touw vast maakten, en wel in de
tegenwoordigheid van zijn vrouw en kinderen; terwijl zij hem, onder bespotting
en beschimping, te paard wegvoerden. Toen hij geruime tijd in een duistere
gevangenis vertoefd had, en daar op de wreedste wijze werd behandeld, met
pijnigingen van de geheime en andere leden des lichaams, veroordeelden zij hem
eindelijk ter dood.
Hoe vlijtig zij ook onderzochten, konden zij geen
oorzaak voor de dood vinden, en hem niet van oproer, tweedracht of andere daden
overtuigen. Maar, omdat hij het gebod van God gevolgd en een echte vrouw
getrouwd had, teneinde niet door het plegen van ontucht uit het rijk van God
uitgesloten te worden, veroordeelden zij hem, dat hij in het water zou geworpen
worden en moest verdrinken.
Toen hij door de scherprechter naar de plaats,
waar hij sterven zou, werd uitgeleid, sprak hij ieder, die hem kwam vertroosten,
zeer minzaam toe. Doch de monniken en priesters, die het hem, terwijl hij bad en
tegen de verschrikkingen des doods kampte, zeer lastig maakten, met hun verzoek
van aan hen te biechten en andere beuzelingen, waarmee zij hem van het juiste
inzicht der woorden van Christus wilden afbrengen, verzocht hij hij herhaling,
dat zij zouden zwijgen, terwijl hij met een liefelijke stem zei, dat hij iedere
dag aan Jezus Christus, de Heere van de hemel en der aarde gebiecht had, en ook,
zonder twijfel, vergeving der zonden van Hem had ontvangen. "Hem," zei hij, "zal
ik heden een aangename offerande worden. Ik heb in deze zaak, waarom ik
veroordeeld word, niets gedaan wat mijn Heere en God mishaagt. De Heere heeft
mij een gerust geweten gegeven; zij, die dorsten om onschuldig bloed te
vergieten, mogen wel toezien, wat zij beginnen, Wien zij verstoren en toornig
maken, Die alle harten rechtvaardig oordeelt, want Hij zegt: “Mij is de wraak.
Ik zal het vergelden." Dit zwakke lichaam zal ik toch binnen kort moeten
afleggen; want ik weet, dat ik sterfelijk ben, en tot vergankelijkheid geboren.
Ja, vroeger heb ik al wel mijn laatste dag begeerd, en gewenst om ontbonden te
worden en met Christus te zijn. Wel ben ik waardig verdriet te lijden om mijner
grote zonden wil; maar Christus is mijn Zaligmaker, Hij heeft voor mij het kruis
gedragen, en is voor mij aan het kruis gestorven. Nu wil ik ook roemen in het
kruis van onze Heere Jezus Christus." Zulke woorden konden sommigen niet
verdragen; en zij bevalen de scherprechter, dat hij hem in het water zou werpen
en wel van de plaats, waar hij geboeid zat om gedood te
worden.
Toen hij in het water lag, bewoog hij zich geruime
tijd, zodat de rivier door zijn bloed werd gekleurd, tot een zeker teken, dat
het rechtvaardige bloed op die dag was uitgestort. Dit geschiedde in het jaar
1525.
[JAAR 1525.]
Daarna was er een godzalige pastoor in het dorp
Kempten buiten de stad onder de heerschappij van een abt, genaamd Op de Berg.
Deze was in leer en leven zeer godvruchtig, verwierp het juk van de antichrist,
en verkondigde het volk het zuivere Evangelie. Hij leerde het volk, dat de
vergeving der zonden, de genade Gods en het eeuwige leven niet om onze
verdiensten of werken, maar door een oprecht en waar geloof in de levenden Zoon
Gods, de Heere Jezus Christus, die om onzer zonden wil gestorven en om onze
rechtvaardigmaking uit de dode opgestaan is, kan verkregen worden; dat ook na
zulk een geloof, tot een getuigenis dat het waarachtig is, christelijke werken,
die in Gods Woord gegrond zijn, moeten volgen. In zijn predikatie vermaande hij
de toehoorders voor de toekomstige ergernis des kruises en des doods, die hem te
eniger tijd zou worden opgelegd en overkomen; dat zij zich aan zijn persoon of
leer niet stoten of ergeren moesten, wanneer hij, om van het evangelie wil, dat
hij nu verkondigde, gevangen genomen, bespot, gelasterd, ja gedood en verguisd
zou worden, maar dat zij dan gedachtig moesten zijn aan de goddelijke Schrift,
die betuigt, dat dit de heiligen Profeten, Apostelen, ja de Zoon van God zelf is
overkomen, en wel moesten weten, dat, naar de leer van Paulus, allen, die
godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd
worden."
In dat land is het een gewoonte der pausgezinden,
dat men ieder jaar, op St. Gordiaans en Epimachusdag het heiligdom uit de
kloosters ronddraagt, waarbij dan aan het volk volle aflaat wordt verkondigd.
Tegen deze heidense afgoderij en dit grove misbruik predikte Matthias, als een
waar ijveraar voor de eer van God en de zaligheid van vele arme zielen, met zeer
veel vuur en vrijmoedigheid, zodat hij de harten der zogenaamde geestelijkheid
tegen zich beroerde, ontstak en verbitterde.
Kort daarna zong de abt, Sebastiaan Praatsteijner
genaamd, zijn eerste mis, waarbij vele geestelijken, edelen en andere heren
tegenwoordig waren. Na deze eerste mis predikte Matthias, en bestrafte en
verwierp op hoogst ernstige wijze alle misbruiken van het pausdom, de pracht der
geestelijken, benevens hun walgelijken hoogmoed en alle roomse gruwelen, zodat
de broeder van de abt hem zeker na de predikatie zou doorstoken hebben, zo men
niet tussen beide gekomen ware.
Na die tijd bedacht de geestelijkheid allerlei
middelen, op welk een wijze uien hem zou kunnen ombrengen. Zij beproefden dat te
doen dooi, het Zwabisch verbond, dat gewapenderhand altijd bereid was, niet
alleen de oproerlingen, maar ook alle Evangelische predikanten, waar zij die
slechts vinden konden, te grijpen en gevangen te zetten.
Op Zondag na St. Bartholomëusdag in het jaar 1525,
kwam de koster in het huis van de pastoor te Kempten, waar hij toen met andere
medebroeders vergaderd was, en riep hem om een kind te dopen, en een predikatie
te houden, voor het volk, dat met het kind komen zou. En, ofschoon hem dit door
de andere broeders ontraden werd, die hem zeiden, dat hij in de stad moest
blijven, daar men wel wist, hoe de geestelijken jegens hem gezind waren, zei
hij, dat, naardien zijn ambt en betrekking dit eisten, en hij tot vervulling van
zijn dienst geroepen werd, hij daar heen wilde gaan, en afwachten, wat de
genadige God met hem doen zou. Toen hij nu de stad verliet en naar de parochie
ging, werd hij door de ruiters van het verbond en anderen overvallen, gevangen
genomen en zwaar gewond, zo zelfs dat zijn moeder, die nog leefde, zei dat zij
niet anders dacht dan dat hij ten gevolge van de wonden gestorven zou zijn. Zij
bonden hem op een paard, en brachten hem in de drie mijlen vandaar gelegen stad
Leeuwkerke, waar hij twaalf dagen gevangen zat, en niet zoveel kon verkrijgen,
dat men zijn zaak rechterlijk zou behandelen, opdat hij niet onverhoord ter dood
veroordeeld zou worden.
Toen de gemeente van Kempten vernam, dat de goede
pastoor gevangen genomen was, wilden zij hem narijden; doch dit werd op grote
straf verboden, en de poorten werden zelfs gesloten, opdat de gemeente hem niet
zou volgen. De burgers van Leeuwkerke, die mee zo begerig waren om het
Evangeliewoord te boren, gingen naar de hoofdman, en baden hem, dat hij de
gevangene in hun handen wilde overleveren. Doch de hoofdman weigerde dit met te
zeggen, dat dit niet in zijn macht was. Niettegenstaande gaf hij de burgers
goede moed, en zei, dat hij hoogstwaarschijnlijk ontslagen zou worden; doch dit
was niets dan bedrog, want spoedig daarna stegen de hoofdman en zijn volk te
paard, en reden met de pastoor naar de naaste heide hij Leeuwkerke. Daar kwamen
twee monniken, die hem zeer bespotten en uitlachten, zeggende: “Is dat de
heilige man, die zo goed predikt? en andere onaangenaamheden meer, die zij
jegens hem bedreven. Doch de vrome Matthias riep God de Heere aan, zong psalmen,
en bad voor zijn vijanden en spotters, dat God hun dit mocht vergeven. Toen zij
in het bos kwamen, zei de overste tot hem:"Pfaff, du must dein Leben lassen." De
pastoor antwoordde: "De wil des Heeren geschiede!" Toen hij gebeden had, wierp
de overste hem een strop om de hals, en hing hem aan een boom. Aldus eindigde de
godzalige Matthias zijn leven in het jaar onzes Heeren 1525. Maai, aangezien het
bloed der heiligen, dat hier op aarde vergoten wordt, wraak roept tot God in de
hemel, liet God de Heere ook de dood van Zijn dienaren hier op aarde niet
ongestraft, maar toonde Zijn gramschap geweldig. Want vele vrome mensen, die
toen leefden, hebben getuigd, dat geen enkele, die tot de dood van de goede
pastoor hebben medegewerkt, of door raad en daad daaraan hebben deelgenomen,een
natuurlijke dood gestorven is. "Zonderling is het," zeggen zij, "dat de overste
door de luizen verteerd is." Heren, wacht u dan voor het vergieten van het
rechtvaardig bloed.
[JAAR 1525.]
Onder hen, die tot het gevolg van Briçonnet,
bisschop van Melden, behoorden, was ook Jacobus Pavane, geboortig uit Boulogne,
die, om het oprecht christelijk geloof, gevangen genomen en in de kerker
geworpen werd, en wel in het jaar 1524. In deze tijd kwamen tot hem enige
mensen, die voorden christelijke godsdienst heet noch koud waren, en brachten
hem zover, dat hij herriep, wat hij vroeger godzalig had beleden, zodat hij vrij
zou worden door de boete te doen, zoals zij het noemen, welke boete hij ook
deed, 's daags na het Kerstfeest" in het jaar 1524. Nadat hij dit had gedaan,
had hij daarover zulk een groot berouw en leedwezen, dat hij er altijd over
zuchtte, en aan ieder, die hem in de gevangenis kwam vertroosten, zijn weemoed
daarover betuigde.
Terwijl hij nog gevangen zat, betuigde hij door
geschriften en, voor de rechter gebracht, met een openbare belijdenis de
waarheid, en sprak vooral over het rechte gebruik van het Avondmaal des Heeren.
Om die reden werd hij te Parijs veroordeeld en op het plein, Grève genaamd,
levend verbrand, in het jaar onzes Heeren 1525.
[JAAR 1525.]
Evert Bolt, een schippersknecht uit de Mark, niet
ver van Rappersweil, aan het meer van Zürich gelegen, werd, toen hij op zekere
tijd iets tegen de roomse mis had gezegd, en met hem een mispriester, die mede
uit het Evangelie tegen de mis het een en ander had onderwezen en gezegd, naar
de hoofdstad Schwytz gevoerd en daar levend verbrand. In weerwil echter van de
pijnigingen bleven zij beiden volstandig, en riepen Jezus Christus, het enig
volkomen zoenoffer van al onze zonden, met ernst aan, hetgeen hij vele
goedhartige lieden stof tot ernstig nadenken gaf. Dit geschiedde in het jaar
1525.
[JAAR 1526.]
Op de 14den December in het jaar 1526, werd
Nicolaas Wieretenarz, een geleerd en bejaard man door de pastoor Jakob hij de
Raad als een Picardist aangeklaagd. Toen hij geroepen was, vroeg Ezahera hem,
wat hij dacht van het sacrament des altaars. Hij antwoordde daarop: " Wat de
Evangelisten en de Apostel Paulus ons geleerd hebben te geloven." De opziener
vroeg: "Gelooft gij niet, dat Christus hier tegenwoordig is, vlees en bloed
hebbende?" Hij antwoordde: “Ik geloof, dat wanneer een godvruchtig dienaar van
Gods Woord aan de vergadering der gelovigen de weldaden, door Christus' dood
verkregen, verkondigt, dat dan het brood en de wijn het Avondmaal des Heeren
worden, waardoor zij deelgenoten worden aan het lichaam en bloed van Christus en
aan Zijn weldaden, verkregen door Zijn bloed."
Nadat zij hem enige vragen hadden gedaan aangaande
de mis, de voorbidding der heiligen en andere, werd hij eindelijk tot de
vuurdood veroordeeld met zijn huishoudster Clara, een weduwe van 60 jaren, omdat
zij de leer, welke zij van haren huisheer aangenomen had, niet wilde
verloochenen.
Toen zij naar de gerechtsplaats gebracht werden,en
bevolen om te bidden voor het kruisbeeld dat tegen het Oosten was opgericht,
weigerden zij dit, en zeiden, "dat de wet van God niet toelaat, dat men voor
enige afbeelding der dingen, die in de hemel of op de aarde zijn, zich
neerbuigt, en dat men de levende God, de Heere van de hemel en der aarde, moet
aanbidden, Die zowel in het Zuiden, Westen en Noorden woont, als in het Oosten."
Zij keerden dan de rug aan het beeld toe, knielden neer met het aangezicht naar
het Westen en baden God, terwijl zij de handen en ogen naar de hemel verhieven,
op de vurigste wijze aan. Daarna nam ieder afscheid van zijn kinderen, terwijl
Nicolaas gewillig de brandstapel besteeg, de artikelen van het geloof uitsprak,
en vervolgens met naar de hemel geslagen ogen, bad en uitriep: Heere Jezus
Christus, Zoon van de levende god, Die uit de onbevlekte maagd bent geboren, en
U verwaardigd hebt, voor mij, onreinen zondaar, de dood des kruises te
ondergaan, U roep ik aan; aan U beveel ik mijn ziel. Ontferm u mijner, en
vergeef mij mijn zonden." Daarna sprak
hij de 31ste Psalm uit: "Op U, o Heere, betrouw ik, laat mij niet
beschaamd worden." Intussen plaatste de scherprechter Clara op de brandstapel en
bond beiden aan de paal, terwijl de boeken, die men hij hen gevonden had, rondom
hen opgestapeld werden, en aldus werden zij samen
verbrand.
[JAAR 1527.]
Johannes Heuchlin, van Lindau, werd door de raad
van Ueberlingen, met drie andere priesters, die wegens de boerenkrijg berucht
waren, naar de bisschop van Konstanz te Merseburg gezonden om door hem
ondervraagd te worden. De drie priesters kwamen met een lichte straf vrij, maar
Johannes werd, omdat hij de zuivere leer van het Evangelie het volk voorhield,
vastgebonden en in zware en pijnlijke gevangenschap gebracht, en daar, onder
zware martelingen, omtrent de volgende artikelen ondervraagd. Hij werd namelijk
beschuldigd:
1. dat hij geloofde. dat de goede werken geen
zaligheid verdienen;
2. dat hij geloofde, dat Christus eenmaal geofferd
is aan het kruis. Hij nu voortaan niet meer wordt opgeofferd en dat daarom de
mis geen offerande is voor levenden en doden;
3. dat hij het er voor hield en geloofde, dat
menden leken het Avondmaal onder beide gestalten, van brood en wijn, behoorde
uit te reiken;
4. dat hij geloofde, dat de priesters echte
vrouwen mochten trouwen;
5. dat hij het ervoor hield, dat er geen vagevuur
was en dat er niet meer dan twee wegen zijn: de een tot de zaligheid, de andere
tot de verdoemenis.
Toen hij omtrent dit laatste artikel ondervraagd
werd, zei hij: "Wanneer de Heilige Schrift van geen vagevuur spreekt, wat zal ik
er dan van zeggen? Ach God, ik heb vagevuren genoeg in deze grote pijn en smart,
die ik in deze zware gevangenschap geleden heb. Wanneer dit al geen vagevuren
genoeg zijn, is het Gode geklaagd." Terwijl hij dit zei, weende hij
bitter.
Onder zijn klagen en wenen lachte de vicarius van
de bisschop. Toen de arme man dit zag, zei hij: "Och, lieve heer, waarom lacht u
mij uit? Ik ben toch een verlaten, ellendig mens, die niet waardig ben, dat er,
om mij gelachen wordt. Belach uzelf, God wil het u vergeven, want gij weet niet,
wat gij doet." Over die woorden werd de vicarius zeer rood van
schaamte.
Men vroeg hem, of hij deze artikelen voor de zijn
erkende, en, toen hij dit deed, werd hem verder gevraagd,of hij die wilde
herroepen. Daarop gaf hij ten antwoord, dat hij die niet kon herroepen, omdat
zij met de Heilige Schrift overeenkwamen.
Toen zij op deze wijze niet met hem vorderden,
werd er bevolen, dat Dr. Wendelijn, de vicarius van de bisschop, en Antonius,
een Dominicaner monnik, met de Heilige Schrift hem van dwaling moesten
overtuigen. Aangezien deze echter niets konden uitrichten, werd er de 10den Mei,
te Merseburg aan het meer van Konstanz, een stellage opgericht, waar Heuchlin
voor de bovengenoemde vicarius van de bisschop, de abt van Kreutzlingen en
Petershuwsen en andere geestelijken werd gebracht, en hem de punten van
beschuldiging werden voorgelezen. Toen hij op deze punten wilde antwoorden, werd
hem geboden, dat hij geen andere woorden zou gebruiken dan alleen: “Dat geloof
ik," en: "Dat geloof ik niet." Bovendien had alles in de Latijnse taal plaats,
opdat het volk niet verstaan zou, wat er gesproken werd. Velen toonden groot
medelijden met deze mens te hebben.
Eindelijk zei de vicarius: "Op gezag van de
eerwaardige heer, de heer Hugo, bisschop van Konstanz, veroordelen, verwerpen en
treden wij deze mens, met voeten als een ketter en tegenpartijder van de heilige
moeder de kerk, en een bestrijder van het algemene geloof, als die de heilige
orde niet waardig is; waarom wij gebieden, dat hij afgezet en van de orde
beroofd moet worden."
Daarna werd hij, als naar gewoonte, op plechtige
wijze door de vicarius ontwijd. Vervolgens klaagde Julianus Reuchlijn, de
burgemeester van Merseburg, hem hij de rechter als ketter aan, en leverde hem
aan de wereldlijke rechter over, die hem veroordeelde om tot as verbrand te
worden. Toen Johannes Heuchlin dit vonnis had aangehoord, sloeg hij zijn ogen
naar de hemel en zei: "Dat vergeve u God, want gij weet niet, wat gij doet." Met
andere woorden dankte hij God en sprak: "U zij lof en dank, o eeuwige God, dat
Gij mij verwaardigd hebt, om op deze dag, om Uws heiligen naams wil martelingen
te lijden en de dood te ondergaan." Met het grootste geduld ging hij naar de
gerichtsplaats, waar hij zou verbrand worden, en zong intussen enige psalmen en
lofzangen, zoals: “Ere zij God in de hoogste hemelen," en: "Mijn ziel maakt
groot de Heere," enz. Daarna gaf hij onder aanroeping van de naam van Jezus
Christus, de geest in het vuur, en verkreeg alzo, om de christelijke waarheid,
langs de weg van kruis en lijden, de onverwelkelijke kroon der overwinning in de
vreugde der eeuwige zaligheid. Dit geschiedde op de 8sten Februari in het jaar
onzes Heeren 1527.
[JAAR 1527].
Leonhard Keizer geboren te Raäb,in Beijeren, werd
van Wittenberg, waar hij twee jaren gestudeerd had, geroepen, omdat zijn vader
ernstig ziek lag en in doodsgevaar verkeerde. Toen de bisschop van Passau
vernam, dat Leonhard was thuis gekomen, beijverde hij zich om hem gevangen te
doen nemen. Door de vorst van Passau werd er een brief gezonden aan de rechter
te Raäb, waarin bevolen werd, dat hij deze Leonhard moest gevangen nemen. Hij
deed dit ook, en bracht hem drie dagen daarna in het Landgericht te Sherding,
waar hij omtrent zijn leer en zijn geloof onderzocht werd door enige leraren,
geestelijken, priesters en monniken.
De artikelen, die hij beleed, en waarom hij ook
verbrand werd, waren de volgende:
Dat het geloof alleen rechtvaardig voor God,
zonder toedoen der werken, en dat de werken alleen vruchten van het geloof
zijn.
Dat er slechts twee sacramenten zijn, namelijk, de
doop en het avondmaal van de Heere Christus.
Dat de mis geen offerande is voor de levenden en
de doden.
Dat hij in twee jaren geen mis had
bijgewoond.
Dat hij te Wittenberg het sacrament in beide
gestalten, namelijk in brood en wijn, zoals Christus het Zelf had ingesteld, had
ontvangen.
Dat de andere vijf geen sacramenten zijn, die in
de Schrift gegrond waren.
Dat er drieërlei biecht is: De eerste die van het
geloof, welke alle dagen nodig is. De andere die der liefde welke plaats heeft,
wanneer ik mijn naaste vertoornd heb, en mij weer met hem verzoen, Matth. 18. De
derde is die, wanneer men onder benauwdheid van het geweten raad vraagt aan een
geleerd man, of aan een dienaar der gemeente, om uit Gods Woord te mogen
vertroost worden.
Dat er geen andere voldoening voor de zonden is
dan alleen het lijden en sterven van onze Heere Jezus Christus voor ons arme
zondaars geschied.
Dat de priesters vrouwen mogen trouwen, en dat hun
gelofte Gods Woord niet krachteloos mag maken. Dat het niet in onze macht is
zich van vrouwen af te houden, maar dat Gods genade dat geven
moet.
Dat wij alleen door Christus vrij
zijn.
Dat de mens in goddelijke zaken geen vrije wil
heeft.
Dat er geen vagevuur in de Heilige Schrift
beschreven noch gevonden wordt.
Dat alle dagen even heilig zijn; dat het nochtans
goed is, dat men in de week, zoals dit des Zondags geschiedt, bijeenkomt, om het
Woord van God te horen, en te bidden voor alle noden.
Dat men geen onderscheid in spijs moet maken,
alsof de een meer verboden ware dan de andere.
Dat men de gestorven heiligen niet behoort aan te
roepen of als voorsprekers te vereren, maar God aan te roepen en Hem alleen te
dienen. Dat wij ook geen anderen Middelaar hebben dan Jezus Christus, Die ons
van God tot een Middelaar geschonken is, zoals de Schrift zegt. Dat men in de
heiligen alleen de genade en de weldaden Gods moet opmerken, en God in Zijn
heiligen prijzen en niet de heiligen zelf.
Toen hem gevraagd werd, wat hij van de maagd Maria
dacht, antwoordde hij, dat zij een persoon was, die door de almachtige God hoog
was begenadigd, om de moeder te zijn van Zijn allerliefste Zoon, doch uit genade
en niet om haar verdiensten. Hierop zei de Leraar Rosin: "Nochtans zingt de
christelijke kerk: "Quia tu meruisti portare," dat is: omdat gij hebt verdiend
te dragen."
Daarop antwoordde Leonhard, dat Maria in haar
lofzang (Magnificat) zelf anders betuigt; want zij zegt: "Hij heeft de
nederigheid van Zijn dienstmaagd aangezien en de hongerigen heeft Hij met
goederen verzadigd, en de rijken, dat is de werkheiligen, die op hun verdiensten
roemen, heeft Hij leeg weggezonden."
Dat de paus geen macht had iemand te verdoemen,
want dat zulks God alleen toekomt. Het is bekend, hoe men de ban gebruiken moet,
en wel niet om te verdoemen, maar om de weerspannige en hardnekkige te dwingen
en te beschamen, opdat hij zijn zonden belijdt en berouw krijgt, met bijvoeging,
dat hij daarom van de gemeente Gods uitgesloten is, en alzo genoopt worde tot de
gemeente terug te keren, en te begeren weer aangenomen en toegelaten te worden,
zoals hij Matth. 18 staat, en gelijk Paulus deed, 1 Kor.
5.
Deze en dergelijke artikelen beleed hij in het
openbaar, en legde sommige met groot verstand en verlichten geest zeer uitvoerig
met de Heilige Schrift uit, zo zelfs, dat de geestelijke er doorgeroerd werd en
zei: Heer Leonard, wat doet gij? wilt gij prediken?" Aldus beleed hij de
waarheid voor God en de mensen op zeer vrijmoedige en onvermoeide
wijze.
Eindelijk ontzetten zij hem van zijn
priesterschap, deden hem de priesterlijke kleding uit en andere kleding aan,
plaatsten een zwaar doorsneden muts op zijn hoofd, en gaven hem alzo als een
leek aan de rechter der stad over. De bisschop van Passau en die van Regensburg
baden voor Leonhard, dat men hem niet ter dood zou
brengen.
De rechter nam hem mee, en bracht hem andermaal in
de gevangenis, waar zijn vrienden en betrekkingen hem kwamen vertroosten, die
hem tevens baden, om niet van de waarheid, om leven noch dood, af te wijken. Een
kwam er tot hem en zei: "Heer Leonhard, gij zult verbrand worden." Hij
antwoordde daarop: "Een andere boodschap te brengen ware beter, doch de wil des
Heeren geschiede."
Daarna kwam de scherprechter tot hem, en vroeg
hem, hoe hij heette. Hij antwoordde: "Ik heet Leonhard." De scherprechter
hernam: “Ik kan u niet veel voorzeggen of leren. Gij weet, wat gij doen moet; ik
moet nu handelen volgens het bevel van mijn genadigen heer." Toen zei Leonhard:
"Lieve vriend, ik heb uw onderwijs niet nodig; doe wat u bevolen is," en hij
stak zijn handen uit, die zeer stevig gebonden werden, en daar de touwen in de
war zaten, vloekte de scherprechter op vreselijke wijze. Leonhard sprak hem aan
en zei: "Lieve broeder, vloek niet, neem er de tijd toe, ik zal niet
ontlopen."
Terwijl hij uitgeleid werd, om gedood te worden,
vermaande hij het volk op zeer vurige wijze. Toen hij hij de galg kwam, en een
grote menigte volks daar vergaderd zag, riep hij: "Hier is de oogst, hier zou
men kunnen arbeiden. Bidt toch de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders tot de
oogst uitzende." Terwijl hij aldus het volk toesprak, poogde de landsrechter dit
hem te beletten,"en zei tot de scherprechter: "Maak er een einde aan, gij weet,
wat u bevolen is."
Aldus werd de vrome getuige van Christus, tot op
het hemd ontkleed, in het vuur geworpen, en aan een paal gebonden. Een priester
kwam tot hem en zei, dat, indien hij hij enige artikelen gedwaald had, hij God
om genade moest bidden, doch de heer Leonhard. wilde hem daarop niet
antwoorden.
Toen het vuur aangestoken was, riep hij herhaalde
malen met luider stem: "0 Heere Jezus, ik bid U, maak mij zalig." Het vuur
verteerde zijn handen, voeten en het hoofd, en, toen het vuur te zwak werd,
haalde de scherprechter het lichaam daar uit, wierp weer enig hout op de
brandstapel, doorboorde zijn lichaam met een zwaard, stak een stok door dit gat,
en wierp hem weer in het vuur, waar hij verbrandde. Aldus scheidde deze heilige
martelaar van deze wereld, en wel op de 16den Augustus in het jaar
1527.
In dit jaar werd ook als ketter veroordeeld en
verbrand Johannes Reuchlin, in Silezië.
[JAAR 1527.]
Op de 15den November, in het jaar onzes Hoeren
1527, werd Wendelmoet Klaasdochter, een weduwe, van Monnikendam, in Holland, van
het slot te Woerden gevankelijk te 'sGravenhage gebracht, terwijl zeventien
dagen daarna de graaf van Hoogstraten, stadhouder van Holland, om harentwil mee
te 's Gravenhage aankwam.
De volgende dag werd zij voor de stadhouder en de
gehelen raad van Holland gebracht, waar zij de waarheid vrijmoedig in het
openbaar beleed.
Toen men haar tot herroeping vermaande, en
bedreigde haar te zullen verbranden, wanneer zij zich niet bekeerde, antwoordde
zij; Wanneer u de macht van boven gegeven is, ben ik bereid om te lijden." Toen
zei een hunner tot haar, dat zij daarom de dood niet vreesde, omdat zij die nog
niet ondergaan had, waarop zij antwoordde: "Dat is zeker waar; ik zal ook de
dood nimmermeer smaken, want Christus zegt: "Zo iemand Mijn woord bewaart, die
zal de dood niet zien in eeuwigheid."
Toen men haar aangaande het sacrament, waarom zij
inzonderheid gevangen genomen was, vroeg, wat zij daarvan dacht, zei zij: "Ik
houd uw sacrament voor brood en meel en wilt gij het voor uw God houden, dan zeg
ik u, dat het uw duivel is."
Aangaande de heiligen zei zij, dat zij geen
anderen Middelaar of Voorspraak kende dan alleen Jezus Christus, Die aan de
rechterhand des Vaders zit en voor ons bidt.
Als men haar, daar zij hardnekkig haar mening
staande hield, andermaal aanzegde, dat zij sterven moest, en dat het goed zou
zijn, wanneer zij zich daartoe met een oprechte biecht voorbereidde, antwoordde
zij, dat zij nu reeds gestorven was, maar dat de Geest in haar leefde, want zij
was in Christus, en Christus was in haar; dat zij hij de Heere Christus gebiecht
had, Die al haar zonden had weggenomen. Niettemin vroeg zij, wanneer zij iemand
vertoornd had, dat men dit haar dan vergeven wilde.
Toen zij daarna weer naar de gevangenis geleid
was, werd zij intussen door velerlei mensen bezocht en aangevochten. Onder
anderen kwam er een eenvoudige vrouw tot haar, beklaagde haar en zei eindelijk:
"Kunt gij toch niet denken, wat gij wilt en stilzwijgen, dan zoudt gij niet
behoeven te sterven." Daarop antwoordde Wendelmoet: "Lieve zuster, het is mij
bevolen te spreken, en ik word er toe geroepen, zodat ik niet zwijgen
mag."
Des Zondags morgens bracht men haar op het Hof,
waar haar weer werd aangeraden, dat zij zou herroepen; maar zij antwoordde zeer
vrijmoedig en zei: “Ik blijf hij mijn Heere mijn God, en ik zal van Hem niet
afwijken in leven noch in sterven." De deken van Naaldwijk, ondercommissaris of
inquisiteur of kettermeester, las vervolgens het vonnis, aangezien zij bevonden
was niet op de rechte wijze in het heilige sacrament te geloven, en daarin
volhardde, werd zij als een ketterse veroordeeld en overgeleverd in de handen
van de wereldlijken rechter, die echter verklaarde en betuigde, dat hij niet
toestemde in haren dood.
Daarna verliet hij als geestelijke de raad, daar
hij in bloedige zaken niet oordelen mocht. Vervolgens las de kanselier haar
vonnis, hetwelk inhield, dat zij tot as zou worden verbrand, en haar bezittingen
zouden in beslag genomen en verbeurd verklaard worden. Nadat zij onophoudelijk
door een monnik gekweld werd, om het kruis te kussen, of te vereren, wat zij
echter van haar stiet, betrad zij met een opgeruimd gemoed en onveranderd
aangezicht het schavot, waar zij door de scherprechter werd geworgd, terwijl zij
haar ogen zo zedig neersloeg, alsof zij in slaap gevallen ware. Toen zij zich
niet verroerde en de geest gegeven had, ontstak men het vuur en verbrandde haar,
hetwelk geschiedde op de 20ste November in het jaar onzes Heeren
1527.
[JAAR 1527.]
Martha Porzicz, een vrouw die uitmuntte in haar
geslacht, en door de leraars in het college als ook door de rechters in het
rechthuis werd ondervraagd, gaf op zeer kloekmoedige wijze rekenschap van haar
geloof, en bracht de valse Hussiten, die de paus vleiden, hun dwaasheid onder
het oog. Toen de opziener haar zei, dat zij zich van een kleed moest voorzien,
om daarin verbrand te worden, antwoordde zij: "Een hemd en mantel zijn mij
bereid, wanneer het mijn Leidsman zal behagen te gebieden." En, toen de omroeper
zei, dat zij de sacramenten had belasterd, antwoordde zij: "Dat is zo niet, maar
ik word veroordeeld omdat ik volgens de mispriesters niet wilde belijden, dat
Christus met Zijn beenderen, haar, zenuwen en aderen in het sacrament is."
Terwijl zij haar stem naar de zijde van het volk verhief, ging zij voort "Geef
deze mispriesters geen geloof, want zij zijn leugenachtige bedriegers,
buikdienaars, dronkaards, overspelers en Sodomieten," Toen zij uitgeleid en
geboden werd voor het kruisbeeld haar gebed te doen, keerde zij dit de rug toe,
hief haar ogen naar de hemel en zei: “Daar is onze God; daarheen moeten wij onze
ogen verheffen." Daarna begaf zij zich naar de brandstapel, en stond de smart
van het vuur met een standvastig gemoed door. Dit had plaats op de 4e December
in het jaar onzes Heeren 1527.
[JAAR 1527.]
George Carpentarius van Emering, werd te München,
een stad in Beieren, om de belijdenis van het evangelie, in een gevangenis,
Valkentoren genaamd, gevangen gehouden, en door twee scherprechters uitgeleid om
zijn vonnis te vernemen. Om hem te vermanen volgden hem twee Minderbroeders,
wien hij echter zei, dat zij thuis zouden blijven.
Toen hij voor het raadhuis stond, las men hem vier
artikelen voor, namelijk:
1. Dat hij niet geloofde, dat de priesters macht
hadden iemand de zouden te vergeven.
2. Dat geen mens God uit de hemel kan doen
neerdalen.
3. Dat God in het brood, wat de priester op het
altaar uitdeelt, niet besloten is; en dat ook het brood van nature en wezen niet
verandert.
4. Dat de water doop geen zaligheid
aanbrengt.
Hem werd bevolen deze artikelen te herroepen; doch
hij wilde de waarheid in geen dele verloochenen.
Ook de stadsonderwijzer kwam tot hem en vroeg hem:
"George, bent gij ook bevreesd voor de martelingen, die gij zult moeten
ondergaan? Indien men u losliet, zoudt gij niet tot uw vrouw en lieve kinderen
willen gaan?" Hij antwoordde: "Waar zou ik liever willen heengaan dan daar?" De
onderwijzer zei: “Herroep dan, wat gij beleden hebt, en gij zult losgelaten
worden." George hernam: Ik heb mijn vrouw en kindertjes zo lief, dat ik er al de
inkomsten van het gehele land van de hertog van Beieren niet voor in de plaats
wil nemen; nochtans wil ik die allen graag verlaten om mijn
Heere."
Toen hij naar de gerichtsplaats geleid werd, sprak
de onderwijzer hem andermaal aan en zei: "Lieve George, geloof aan het sacrament
van het altaar en belijd, dat het geen bloot teken is." Hij antwoordde. “Ik weet
zeker, dat het sacrament een teken is van het lichaam van Jezus Christus, Die
voor ons aan het kruis overgeleverd is. Deze Christus wil ik voor de gehele
wereld belijden. Hij is mijn Zaligmaker, en in Hem geloof ik." Eindelijk vroeg
de onderwijzer nogmaals, of hij in Hem geloofde en op Hem zijn vertrouwen
stelde, Die hij zo onbevreesd met de mond beleed. George antwoordde daarop: "Het
zou mij moeilijk en zwaar zijn de dood tegen te gaan, wanneer ik dit niet zo
vast geloofde, als ik het met de mond belijd. Bovendien weet ik zeer goed, dat
de toestand der christenen meebrengt, dat, waar ik Christus aanhang, ik
vervolging zal moeten lijden."
Er kwam ook een priester tot hem, die hem vroeg,
of hij het ook goed vond, dat men ira zijn dood voor hem zou bidden en hij
missen voor hem doen zou. “Ik verlang alleen van u," zei hij, "dat gij voor mij
bidt, zo langer leven in mijn lichaam is, opdat God mij geduld schenkt, teneinde
ik met allen ootmoed in het christelijk geloof de pijnigingen mag ondergaan;
maar, als mijn ziet van het lichaam gescheiden is, heb ik geen gebeden meer
nodig."
Toen hij op een ladder gebonden was, richtte hij
zeer treffende christelijke vermaningen tot het volk. Daarna bezochten hem
christelijke broeders, die hem baden, dat, wanneer hij in het vuur lag, hij dan
enig teken van zijn geloof tonen zou. Hij antwoordde: "dit zal u een teken zijn:
zo lang ik mijn mond zal kunnen openen, zal ik niet nalaten de naam van Jezus te
belijden." Hij was zo standvastig, dat zijn aangezicht niet veranderde en altijd
even blijde en vrolijk ging hij naar de brandstapel.
Terwijl de beide scherprechters hem met de ladder
oprichtten, sprak hij al lachende een christenbroeder aan, nam afscheid van hem,
en vroeg hem vergeving voor hetgeen hij aan hem misdaan had, totdat hij op de
brandstapel geworpen werd, waar hij herhaalde malen Jezus Christus aanriep. Toen
de beul hem omkeerde, verhief hij zijn stem nog en riep: "Jezus, Jezus," en gaf
aldus zijn geest aan God over, in het jaar van onze enige Zaligmaker Jezus
Christus 1527.
[Jaar 1528.]
Patrick Hamilton was geboren uit een adellijk
gedacht van Hamilton, ja zelfs verwant aan de koning van Schotland. Op bijna
23-jarige leeftijd was hij reeds, door zijn goed ontwikkeld verstand, in geen
geringe mate in Gods Woord bevestigd en opgebouwd. Uit Schotland vertrok hij
naar de hoge school te Marburg in Hessen, teneinde nog betere gronden voor de
Evangelische waarheid te leggen, waar hij dan ook zeer in kennis
toenam.
Daarna keerde hij van Marburg naar Schotland
terug, en predikte daarin het openbaar en onbevreesd het Evangelie. Toen dit de
hogere geestelijken en priesters, benevens andere dienaren van de antichrist
vernamen, vergaderden zij in de stad St. Andries, en beraadslaagden daar, hoe
zij omtrent Patrick handelen zouden. Dat hij van koninklijk bloed was, kwam hij
hen niet in aanmerking. Zij legden het er op toe om hem gevangen te nemen en te
doden, waartoe zij de koning van Schotland, die nog jong was, en geen groot
verstand had, gemakkelijk konden bewegen.
Zij gelastten Patrick ook daar te komen, teneinde
op de 1e Maart in het jaar 1528 voor hen te verschijnen. Patrick, met ijver
bezield om belijdenis van de christelijke waarheid af te leggen, kwam daar een
dag vroeger dan hij ontboden was. Nauwelijks had men vernomen, dat hij gekomen
was, of hij werd door de bovengenoemde geestelijken beschuldigd. En, aangezien
hij in de belijdenis van het evangelie volhardde, en dit niet wilde
verloochenen, deden zij hem in de ban, namen hem gevangen,en veroordeelden hem
ter dood. Aldus werd hij in het openbaar verbrand, en aan de almachtige God
opgeofferd in het jaar 1528, op de leeftijd van 24 jaren.
[JAAR 1528.]
Hendrikus, in Vlaanderen geboren, was een
Augustijner monnik, die later het monnikspak en dat leven vaarwel zei, en in het
huwelijk trad. Daarna reisde hij als een koopman, en werd te Kortrijk, om het
Evangelie, gevangen genomen, en naar Doorrijk gebracht. waar hij gedurende zeven
maanden in een diepe gevangenis geboeid lag. Eindelijk beloofde mr. Balthazar
Cordensis hem het behoud van zijn leven, indien hij belijden wilde, dat de
vrouw, die hij getrouwd had, een hoer was. Hij wilde dit in geen dele doen, maar
bleef volstandig in de eenmaal afgelegde belijdenis van het geloof. Vervolgens
werd hij van zijn priesterschap en monnikenorde ontzet, waarover hij met vrolijk
gemoed de Heere dankte en zong: “Te Deum laudamus; te Dominum
confitemur."
Daarna werd hij veroordeeld om levend verbrand te
worden, welke pijn hij, om de naam van Jezus Christus, met bewonderenswaardige
standvastigheid doorstond in het laatst van de maand April, in het jaar onzes
Heeren 1528.
[JAAR 1528.]
Te Nonnay, in Languedoc, in het aartsbisdom Vienne
gelegen, bestond een kast, die men gewoonlijk "de heilige deugden" noemde. Het
volk had zich laten wijsmaken, dat zij een groot en wonderlijk heiligdom
bevatte, hetwelk nooit iemand gezien had, aangezien de kast gewoonlijk boven aan
het gewelf der kerk bevestigd was, terwijl de mispriesters van haar zeiden, dat
toen op zekere tijd iemand erin wilde zien, die daarom blind en lam gas
geworden. Deze kast werd opzekeren Hemelvaartsdag van boven gelaten, en met
grote pracht omgedragen, zodat mannen, vrouwen en kinderen van alle zijden in
het hemd en met ontblote hoofden en voeten samen liepen, en zichzelf gelukkig
achtten, wanneer zij haar kussen mochten. Toen op zekere tijd deze kast door het
slot werd gedragen, werden alle gevangenen losgelaten, zelfs zij die de grootste
schelmstukken bedreven hadden, uitgenomen de aanhangers van Luthers
leer.
Toen deze stad in zulk een duisternis verzonken
lag, zond God, in het jaar 1528, een leraar der Heilige Schrift daarheen,
Stefanus Machapolis genaamd, een bedelmonnik, die naar Saksen gereisd was, om
Dr. Martinus Luther te zien en te horen. Deze begon tegen het bovengenoemde
misbruik en alle andere afgoderij en het bijgeloof in het openbaar te prediken;
doch hij zag zich verplicht van daar te gaan en zich naar een andere plaats te
begeven. In dezelfde stad kwam een ander, een Franciscaner monnik, Steven Renier
genaamd, die zich nog beter van zijn plicht kweet.
Deze werd daarom gevangen genomen, doch hij bleef
standvastig tot het einde, zodat hij de goddelijke waarheid met zijn eigen bloed
te Vienne verzegelde. waar hij levend verbrand werd, terwijl de Heere hem met
een bijzondere standvastigheid versterkte.
[JAAR 1528.]
Onder de regering van Ferdinand de eerste, werden
twee Hoogduitse handwerkslieden, van wie de een glasblazer en de ander een
riemsnijder was, door de monniken als Lutheranen aangeklaagd en door de
geestelijken te Praag tot de vuurdood veroordeeld. Toen zij naar de
gerichtsplaats gebracht werden, bespraken zij vele zaken uit de Heilige schrift,
zodat zij zelfs enige tot schreien bewogen. Aan de paal geplaatst zijnde,
versterkte de een de ander op bemoedigende wijze; want toen de glasblazer zei:
"Daar de Heere Jezus zeer wrede dingen voor ons heeft geleden, laat ons ook deze
dood graag ondergaan, en ons verblijden, dat ons deze genade wedervaart van voor
de wet Gods te lijden, antwoordde de riemsnijder: “Ik heb op mijn bruiloftsdag
zulk een blijdschap niet gesmaakt als ik nu gevoel. Toen het hout werd
ontstoken, baden zij met luider stem: "Heere Jezus Christus, Gij hebt in uw
benauwdheden voor uw vijanden gebeden. Wij bidden dan ook, vergeef de koning,
die van Praag en de geestelijkheid, want zij weten niet wat zij doen, en hun
handen zijn vol bloed. Allerliefste mensen, bidt voor uw koning, dat hem de
Heere de kennis der waarheid geve, want de bisschoppen en de geestelijkheid
verleiden hem." Na deze zeer godvruchtige vermaning uitgesproken te hebben,
ontsliepen zij zeer zacht in de Heere, op de 28sten Augustus, in het jaar onzes
Heeren 1528.
[JAAR 1529.]
Mr. Jakob Keyser was een bedienaar van het
goddelijke Woord te Schwarzenbach, in de heerschappij Brijsenzee, onder het
gebied van Zürich. Hij was geboortig van Uznach, uit het Baseal, hetwelk die van
Schwyz toebehoorde. Toen hij eens, op het voortdurend aanhouden van zijn
landslieden, in de week naar Oberkirch gegaan was, en daar het Evangelie
gepredikt had, werd hij in het bos te Eschenbach door enige lieden van Schwyz
gevangen genomen, en wel de 22ste Mei 1529, en van daar weggevoerd naar het
hoofdvlek Schwyz. En, ofschoon de heren van Zürich voor hem tussenbeiden traden,
teneinde hem in het leven te behouden, werd hij toch de 29sten Mei daar levend
verbrand. In het begin was hij wat kleinmoedig, maar werd daarna in de dood
gesterkt, en riep God, door Jezus Christus, zijn enige Verlosser en Voorbidder,
tot het einde vurig aan.
[JAAR 1529.]
Lodewijk van Berquin, uit het edele geslacht der
Berquinen, in Artois geboren, was een zeer geleerd man, die koning Frans de
eerste onder zijn edellieden had opgenomen. Dikwerf bestrafte hij de leraren van
de Sorbonne (de godgeleerde school te Parijs) over dwalingen. Aangezien hij naar
de beginselen der Evangelische waarheid handelde, waren zij hem zeer vijandig en
brachten hem in groot gevaar. Door hun listige toeleg viel hij in handen van de
opperste raad van Parijs, van wie hij het vonnis ontving, dat zijn uitgegeven
boeken moesten verbrand worden; dat hij de artikelen, die hem ten laste gelegd
werden, moest afzweren, en dat hij een eeuwige gevangenschap moest ondergaan met
die verstande, dat de gehele zaak aan de wil en het goedvinden van de koning zou
onderworpen blijven. En, ofschoon hij door grote en aanzienlijke mannen daartoe
aangezocht en geraden werd, wilde Berquin het vonnis van de raad in geen dele
gehoorzamen. Toen hij volstandig bleef en alles verachtte, werd hij eindelijk,
door een ander vonnis als een hardnekkig ketter veroordeeld, en wel dat men hem
eerst met een strop zou verworgen, en daarna op een plein, Grève genaamd,
verbranden. Met bewonderingswaardige standvastigheid onderging hij dit alles in
de maand Mei van het jaar onzes Heeren 1529.
[JAAR 1529.]
Dionysius van Rieux was een van de eerste, die te
Melden de Evangelische leer beleed, en met zijn bloed standvastig bezegelde. Hij
betuigde openlijk, dat de mis een ware verloochening van de dood en het lijden
van Christus Jezus was. Dit gevoelen en deze waarheid hield hij vast; doch
Briconet, de bisschop van Melden, beproefde door alle:lei middelen hem hiervan
af te brengen, en beloofde hem te zullen verlossen, en ook de jaarlijkse renten
en voordelen te zullen geven. Doch hij stond hem zeer sterk tegen, bestrafte hem
hard en zei: "Ja heer, bent gij er toe gekomen en zo uitzinnig geworden dat gij
mij tot zodanige verloochening, en verzaking van mijn God wilt verleiden? Weet
gij niet, dat er geschreven staat: "Wie Mij verloochend zal hebben voor de
mensen, die zal Ik ook verloochenen voor mijn Vader”. Deze woorden van onze
Heere Jezus Christus waren hij deze vromen man derwijze in zijn hart gedrukt,
dat hij die dikwerf met groten nadruk herhaalde, ja dikwerf verschrikte, wanneer
hij die uitsprak.
Hij werd veroordeeld om levend verbrand te worden,
en op een stuk mandwerk naar de gerichtsplaats gevoerd, terwijl hij
onophoudelijk sprak en het volk vermaande, dat zij de waarachtige leer van het
eeuwige leven en van de zaligheid moesten aannemen. Men had een houten kruis in
zijn handen gebonden, dat hij echter met inspanning van alle krachten uit zijn
handen wist los te wringen, en wierp het in een plaats, waar het water placht te
vloeien. En, daar het op die dag zeer had geregend, dreef het kruis met het
water weg, hetwelk de priesters en monniken derwijze speet en ergerde, dat zij
zich niet konden bedwingen hem allerlei leed aan te doen. Aldus werd hij levend
verbrand, en wel, volgens het verlangen van de vijanden der waarheid, onder
langzame en onlijdelijke pijnigingen. Drie malen werd hij in de lucht getrokken,
terwijl er een zwak vuur onder hem werd gestookt. Intussen liet hij niet na God
aan te roepen, totdat hij de adem had uitgeblazen. Alzo werd deze goede en
godvrezende man de Heere Christus opgeofferd, op de 3de Juli in het jaar
1529.
[JAAR 1529.]
Petrus Flysteden, geboren in Gulik, kwam in de
maand December van het jaar 1528 te Keulen, om daar de lieden de weg der
zaligheid te leren, en de dwalingen aan het licht te brengen, waarin zij
gevangen lagen, vooral de schandelijke afgoderij, die zij met het misbrood
bedreven. Teneinde daartoe een geschikte gelegenheid te vinden, en dit te beter
te kunnen doen, ging hij naar de domkerk, plaatste zich hij het altaar, en bleef
daar met het hoofd gedekt staan. Toen nu in de mis de misouwel opgeheven werd,
keerde hij zich met de rug naar het volk, zuchtte enige malen en spuwde op de
grond.
Na afloop van de mis wandelde hij nog enige tijd
in de domkerk rond. Door de priesters en de leken, die daar tegenwoordig waren,
werd dit opgemerkt, en deze verwonderden er zich zeer over, dat hij de misgod,
hun sacrament, zoals zij dit noemden, geen eer bewees, noch aanbad. Niemand
evenwel vroeg hem, zoals hij gehoopt had, om welke reden hij dit
deed.
De priesters haastten zich dit de opperrechter
bekend te maken, die op de straat stond te wachten, totdat hij de dom verlaten
zou, en hem daar aangreep en zei: Gij moet met ons mee gaan." Onverschrokken met
een lachenden mond antwoordde Petrus: "Graag, daarom ben ik hier gekomen."
Vervolgens brachten de dienaars hem als gevangene naar de
Frankentoren.
Toen Petrus daar gedurende geruime tijd gezeten
had, vaardigde de raad van Keulen enige af, die met de kettermeester en andere
leraren tot hem kwamen, en hem onder vele andere artikelen ook vroegen om welke
reden hij het hoogwaardig sacrament veracht, versmaad en zich daartegen zo
verzet had. Petrus antwoordde, dat hij het nachtmaal des Heeren Christus niet
had veracht, maar alleen het misbruik; en dat hij dit met geen andere bedoeling
had gedaan, dan dat de gemeente hem daarover aanspreken zou, en hij dusdoende
gelegenheid zou hebben, het dwalende volk, dat het sacrament als zijn God eerde,
te onderrichten en te vermanen.
Toen zij hem vroegen, of hij over deze daad berouw
had, en hij dit nog wel eens zou doen, antwoordde hij,dat het hem niet berouwde;
en hij wel te Keulen zou willen komen om dit te doen, omdat het sacrament geen
God is, en men zulke afgoderij, als uien daar bedreef, niet behoefde te dulden.
Hij verklaarde verder, dat het slechts uiterlijke tekenen waren, die men in het
geloof moest gebruiken, en daarom ook niet moesten eren, aanbidden of in een
kastje sluiten. Deze en dergelijke antwoorden brachten de heren aan de raad
over, waarop werd besloten, dat, wanneer hij zijn voornemen niet liet varen, men
hem aan de opperbestuurder van het hoogwereldlijk gericht zou overleveren, om
hem terecht te stellen. Toen hij overgeleverd werd, ging hij met een opgeruimd
gelaat naar het huis van de opperbestuurder, zodat zelfs ieder er zich over
verwonderde. Evenmin was hij mismoedig, toen hij in de kelder gebracht werd.
Daar enige tijd vertoefd hebbende, lieten de opperbestuurder en de schepenen hem
er uit halen, teneinde hem aan het gestrengste onderzoek te onderwerpen, terwijl
zij meenden hem tot herroepen te zullen dwingen. Zij pijnigden hem zo lang, dat
het de beul zelf, zoals hij betuigd heeft, begon te hinderen; die hem dan ook
niet langer wilde martelen. Zij wonnen er echter niets anders hij, dan dat hij
alleen tot God zuchtte, en Hem om troost en hulp aanriep, en ook dankte, dat Hij
hem waardig keurde, om Zijns Woords wil te lijden. Toen zij niets op hem
vermochten, lieten zij hem weer in het blok geboeid liggen, spijzigden hem met
brood en water, pijnigden hem van tijd tot tijd, en dreigden hem nu en dan met
een zwaard en de brandstapel, opdat hij herroepen zonde.
Daarna bracht men hij hem Adolf Clarenbach, die
vroeger onderwijzer te Wezel was, en te Keulen, om de Evangelische waarheid, die
hij standvastig beleed, werd gevangen genomen. Vervolgens werd hij, na veel met
de leraren en schriftgeleerden over het aanbidden van de heiligen, over de
pauselijke macht, over de mis, over het vagevuur en over andere menselijke
instellingen en geboden gesproken te hebben, aan de wereldlijken rechter
overgeleverd, en alzo hij deze vromen getuige van Jezus Christus, Petrus
Flysteden, in de gevangenis gebracht.
Terwijl zij aldus hun dagen in verdrukking
doorbrachten, rustten de bloeddorstige schriftgeleerden en leraren niet, en
zetten de rechters tegen hen op, teneinde zo hun onschuldig bloed te doen
vloeien. Een zekere ziekte,die toen te Keulen heerste, legden zij de gelovigen
ten laste, terwijl zij riepen dat God vertoornd was, omdat men de ketters in het
leven liet. Zij brachten het eindelijk door hun schreeuwen zo ver, dat men deze
beide vrome belijders der waarheid zou doen sterven, wanneer zij niet wilden
herroepen.
Toen dit besloten was, kwam op de 7den September
1529, de opperbestuurder in de avond tot hen, en vroeg hun, of zij niet wilden
herroepen. Als zij dit weigerden, vertrok hij. Daarna verschenen er hij hen
enige priesters, teneinde hen te onderwijzen, die ook tot hen zeiden, vooral het
woord tot Clarenbach richtende: "Lieve Adolf, wij zijn hier niet gekomen om lang
met u te redetwisten, maar wij verlangen wel, dat gij het einde wilt bedenken,
en niet zo hardnekkig aan uw mening blijft vasthouden; ten allen tijde zijn er
toch vele vrome en heilige mensen geweest, God de Heere laat ons immers niet
allen dwalen." Adolf antwoordde: "Zo spreken zij gewoonlijk allen; maar wij
houden ons aan de Heere Jezus Christus en aan Zijn heilig Woord, niet aan de
mensen, en zo kunnen wij niet dwalen. Dat Woord zullen wij belijden zo lang onze
mond open is en wij kunnen spreken."
Des anderen daags, omtrent 9 uur kwam de
opperbestuurder, en leidde Petrus en Adolf uit de gevangenis, terwijl de beul
beiden aan elkaar bond. Toen loofden zij God de Heere, en spraken: "Lof, eer en
dank zij U, almachtige Vader, dat Gij deze dag hebt laten aanbreken, waarnaar
wij zo lang verlangd hebben. 0 Heere, zie toch neer, want het is tijd." Daarna
werden zij naar het gerecht geleid, om het vonnis te horen, en zo verder naar de
galg, waar zij heerlijke vermaningen richtten tot het volk, elkaar vertroostten,
en de Heere dankten en prezen. Toen zij buiten op het veld kwamen, beleed Adolf,
dat zijn hart en gemoed zo vrolijk was, en hij niet geloofde, dat er grotere
vreugde op aarde gesmaakt kon worden.
Daar vroeg een monnik hem, of men ook zielsmissen
voor hen lezen zou, in dat geval wilden zij het geld daartoe hij het volk
inzamelen, zoals gewoonlijk plaats had. Adolf antwoordde: "Geenszins; ik vraag
naar uw gewoonte niet, of meent gij, dat onze zielen in de zak der priesters
moeten varen?”
Vervolgens begon Petrus in het kort zijn geloof
aan het volk mee te delen, hoewel de opperbestuurder hem herhaalde malen in de
rede viel, en maakte het volk de artikelen duidelijk, waarom zij moesten
sterven. Toen de opperbestuurder dat hoorde, zei hij tot de scherprechter: “Hang
de boef op!" Petrus zei tot de opperbestuurder: “Heer opperbestuurder, gij
begint het bloed der christenen te vergieten; zie voor uzelf toe, wat gij doet,
opdat gij het voor God kunt verantwoorden. Pilatus wist niet, wat hij deed; maar
gij weet wel, wat gij doet, en waarom gij het doet. Ga nu heen en zeg, dat gij
aan het bloedvergieten onschuldig bent. Er staat geschreven: "Gij Rechters,
oordeelt, wat recht is." Vervolgens trad de scherprechter op Petrus toe, en trok
hem de klederen, tot op het hemd, uit, en bond hem de handen op wrede wijze over
elkaar. Toen kwam Adolf tot hem, en zei: "Broeder, wees sterk in de Heere en
vertrouw op Hem; want heden zullen wij met Christus onze broeder in eeuwigheid
leven. Wees standvastig in het geloof, en vrees het vuur niet. Ik zal ook op de
Heere vertrouwen en Zijn Woord zal mijn zegel zijn." Petrus antwoordde: "Ik wil
sterven als een christenmens." Toen nam de beul hem, en leidde hem in de hut,
die van hout en stro was samengesteld, zette hem aan de paal, wierp een keten om
de hals, zodat hij niet meer spreken kan, en met zijn voeten begon te spartelen,
en hij blies daarop de laatste adem uit.
Toen Adolf zich ontkleed had, ging hij zelf
vrijwillig naar de hut, sloeg zijn ogen naar de hemel en dankte de Heere. Als
hij in de hut kwam, en zag, dat Petrus de geest gegeven had, sprak hij hij zijn
lijk: "Broeder, hebt gij de geest gegeven, dan is de Heere genadig geweest; ik
wil u spoedig volgen." Toen hij zich aan de paal geplaatst had, bond de
scherprechter hem, hing hem een zak buskruit aan de hals, en stak het vuur aan.
Adolf verlangde, dat men hem intussen de belijdenis des christelijken geloofs
zou voorlezen, wat een monnik dan ook deed. Toen dit geëindigd was, zei Adolf:
Dit geloof ik, en hij dit geloof wil ik leven en sterven."
Terwijl intussen het vuur begon te branden en al
feller werd, riep Adolf met luide stem: "0 Heere, in Uw handen beveel ik mijn
geest." Daarna ontplofte het buskruit en verstikte hem, zodat hij niet meer
spreken kon, en gaf de geest. Aldus werden hun lichamen samen verbrand in het
jaar 1529.
[JAAR 1529.]
Willem van Zwolle was vroeger in groot aanzien hij
Christiaan, koning van Denemarken, en gesteld over de vestingwerken. Toen hij
daarna in de leer van het Evangelie onderwezen was, beleed hij die, waar hij ook
kwam, met grote standvastigheid. Op aanhitsen van de schriftgeleerden en
farizeese drogredenaars van Leuven, werd hij te Mechelen, in Brabant, gevangen
genomen, omdat hij van de waarheid des Evangelies een vrijmoedige belijdenis had
afgelegd. Deze hielden hem enige schriftelijke artikelen voor, met het bevel,
dat hij die binnen twaalf dagen moest beantwoorden. Deze artikelen waren de
volgende:
1. Of het een christen vrij staat een eed te doen,
als de overheid die van hem eist.
2. Hoe ver de pauselijke macht zich
uitstrekt.
3. Of er geen vagevuur is, waarin de zielen na dit
leven gepijnigd worden.
4 Of men de gestorven heiligen moet
aanroepen.
5. Of het niet genoeg is, als men het sacrament
onder één gestalte ontvangt.
6. Of men op verboden dagen boter, eieren en vlees
mocht eten.
7. Of niet zij, die de gelofte van een kuis leven
hebben afgelegd, schuldig zijn hun gelofte te vervullen.
8. Of men de geboden der kerk en die des keizers
niet moest gehoorzamen, die verboden om boeken van Luther te kopen, te bezitten
en te lezen.
Op deze artikelen antwoordde Willem schriftelijk
en zond het antwoord toe aan de deken van Leuven.
Aangaande het 1e artikel, betreffende het
eedzweren, zei hij, dat een christen met een goed geweten mocht zweren hij de
naam van God, als hij daartoe verzocht werd van de overheid om de waarheid te
bevestigen van die dingen, welke de ere Gods en de welvaart van de naaste
betreffen; maar in onbeduidende zaken moeten onze woorden zijn ja, ja, en neen,
neen, volgens de leer van Christus, Matth. 5, vs. 37.
Op het 2de artikel, betreffende de pauselijke
macht antwoordde hij: "Zo lang de paus het wereldlijke zwaard gebruikt, en zich
aan de gehoorzaamheid der overheid onttrekt, en hij er zich niet om bekommert,
hoe hij het geestelijke zwaard zal aanwenden, namelijk Gods Woord, Ef. 6, zo
lang heeft hij geen macht, om het geweten te binden of te
ontbinden.
Op het 3de artikel, dat van het vagevuur spreekt,
zei hij, dat hij liever wilde sterven, dan te geloven dat er een vagevuur is,
zoals de pausgezinden zich inbeelden en voorgeven. Want een oprecht christen
weet hij zijn sterven, dat hij zalig is, en dat hij, die niet gelooft,
veroordeeld is, zodat de missen, de nachtwaken en jaargetijden de stervenden
niet kunnen baten.
Op het 4de, betreffende de aanroeping van
gestorven heiligen, zei hij, dat de heilige Schrift daarvan niets leert, maar
dat heiligen, zo lang zij op aarde leven, getrouw voor elkaar moeten bidden, dat
wij een enige Middelaar en Voorspraak in de hemel hebben, Jezus Christus, en dat
hij zich daarmee tevreden stelde.
Op het 5de, betreffende het sacrament van het
lichaam en het bloed van Christus, geloofde hij, dat Christus het Zijnen
discipelen tot een Nieuw Testament had gegeven, dat hij de mis niet hield voor
een offer of genoegdoening voor de doden, aangezien het bloed van Jezus
Christus, aan het kruis vergoten, voor alle gelovigen voldoende is. Verder
beweerde hij, dat het tegen het bevel en instelling van Christus was, dat men de
leken daarvan alleen het brood gaf; ja, dat dit zelfs was tegen de geestelijke
rechten van de paus. Dat men hieruit bespeuren kon, hoe onzinnig deze valse
leraars zijn, daar zij niet alleen tegen Gods Woord, maar ook tegen hun
geestelijke rechten handelen, die zij nochtans in het algemeen hoger achtten dan
Gods Woord.
Op het 6de verklaarde hij, dat het allen gelovigen
ten allen tijde geoorloofd is vlees te eten, zo het slechts matig en met
dankzegging geschiedt, doch voor zich moesten toezien, dat zij er niemand door
ergerden. "Overigens zijn alle dingen," zei hij, de gelovigen rein; maar de
ongelovigen is niets rein, omdat hun gemoed onrein is." Ik heb er nochtans niet
tegen, dat in lijden van droefheid vastendagen worden ingesteld, zoals op het
bevel van de koning van Ninevé geschiedde, teneinde men door zodanige uitwendige
handelingen het volk tot hartelijk berouw en het inroepen van Gods
barmhartigheid opwek. Wie nu in dit geval het bevel van de koning, van de keizer
of van de overste veracht en overtreedt, vertoornt daarmee God de Heere zwaar.
Wanneer overigens een gelovig christen vlees, boter of eieren eet, zo eet hij
dit, volgens de leer van Paulus, de Heere, zonder onderscheid te maken in de
dagen, waarbij hij moet zorgen, dat de naaste daardoor niet worde
geërgerd.
Op het 7de, betreffende de geloften der monniken
en nonnen, zei hij: “In de Heilige Schrift kan ik de instelling door God van
zulke orden niet vinden, maar dit geschiedt alleen door de mensen buiten het
Woord van God. Daarom behoren zulke lieden het kloosterleven vaarwel te zeggen,
aangezien hun verrichtingen, waaimede zij de zaligheid menen te verdienen,
rechtstreeks strijden tegen de Heilige Schrift.
Op het 8e, waarin over het lezen van Luthers
boeken gesproken was, zei hij “Ik heb die gelezen, niet om daardoor de
keizerlijke majesteit te verachten, maar om te onderzoeken, wat goed of kwaad
was, en vooral om de waarheid te onderscheiden van menselijke leringen en
dromerijen, opdat ik de laatste zou kunnen verwerpen.
Om deze oude afgelegde en beproefde belijdenis van
het geloof, waai in hij tot het einde toe wilde volharden, verklaarden de
bovengenoemde drogredenaars van, Leuven hem voor een ketter, en leverden hem
over aan de wereldlijke overheid.
In zijn gevangenschap heeft hij, een geleerde en
godzalige man zijnde, zijn laatste wil en belijdenis, benevens zijn gevoelens
over de rechtvaardigmaking, de sacramenten, de mis, het vagevuur, de aanroeping
van de heiligen, de pauselijke macht, de menselijke instellingen en andere
punten, in schrift gesteld, dat later door Johannes Bugenhagen Pomeranus te
Wittenberg, in druk werd uitgegeven.
Toen deze getrouwe getuige van Jezus Christus in
handen der overheid te Mechelen was overgeleverd, veroordeelde deze hem tot de
vuurdood, en alzo werd hij tot as verbrand, op de 20sten Oktober
1529.
In dit jaar verwierp men ook te Straatsburg en te
Bazel de leer van de paus, en werd daar de leer der waarheid aangenomen,
waardoor vele harten vertroost werden.
Spoedig daarna, en wel in het laatst van de maand
Februari 1531, maakten de vorst van Saksen, de landgraaf Johan Philips en enige
andere vorsten en aanzienlijken des rijks te Smalkalden een verbond, waarvan de
inhoud was, dat men de Evangelische leer zou voorstaan en
handhaven.
[JAAR 1529.]
Nadat George Scharer gedurende negen jaren
wereldlijk priester geweest was, ging hij, teneinde God te beter te kunnen
dienen, in het klooster der Barrevoetermonniken. Maar, aangezien hij het daar
anders vond dan hij wel gehoopt had, zei hij de monnikskap vaarwel; want hij
vond daar niet anders dan haat, nijd, geschil, twist en tweedracht, een geveinsd
leven, schijnheiligheid, maar geen goede daden. Toen de lust in de waarheid van
het Evangelie in hem ontwaakt was, wilde hij niet langer in de broederschap van
St. Franciscus blijven, maar ging over tot de gemeenschap van Jezus Christus,
"want St. Franciscus," zei hij, "heeft voor mij niet geleden; hij is ook voor
mij niet gestorven; hij is ook niet mijn Middelaar en Verlosser, Christus is
voor mij gestorven; die alleen is mijn Middelaar en Verlosser. Door Hem alleen
kan ik zalig worden."
Gedurende enige tijd verkondigde hij te Rastad, in
Beieren het Evangelie, en werd om die reden gevangen genomen. Toen men hem
aangaande zijn geloof ondervroeg, legde hij een vrijmoedige belijdenis af, zowel
mondeling als schriftelijk, waarom hij later werd onthoofd. Men was eerst
voornemens hem levend te verbranden, doch uit genade werd hij met het zwaard
gestraft, met de bepaling nochtans dat men zijn lijk zou
verbranden.
Toen hij naar buiten geleid werd, riep hij met een
blijmoedig hart de Heere aan, en deed een innig gebed. Daarna sprak hij de
omstanders aan en zei: "Zo zeker ik als een christen sterven wil, om het Woord
des Heeren, zo zeker zal ik u een teken geven." Hij zijn onthoofding viel hij op
de buik, en bleef een geruime tijd liggen. Daarna keerde het lijk zich langzaam
om op de rug, de rechter voet over de linker geslagen en de rechter hand over de
linker.
Toen de omstanders dit zagen, greep hen een grote
ontzetting en schrik aan. De overheid beval nu, dat men het lijk niet zou
verbranden, maar begraven. Dit geschiedde omtrent het jaar onzes Heeren Jezus
Christus 1529.
Theunis Teecksen, van Naarden in het
Gooiland
[JAAR 1530.]
Nadat Theunis Teecksen, van Naarden, geruime tijd
aan de hogeschool te Leuven gestudeerd had, en zeer in de vrije kunsten en
geleerdheid uitblonk, keerde hij naar Naarden terug, waar hij zijn tijd in
allerlei ijdelheid doorbracht, zoals dikwerf studenten gewoon zijn te doen. Zijn
dagelijkse bezigheid bestond alleen in het, in gezelschap van anderen, najagen
van vermaken. Dit duurde zo lang, totdat het God behaagde zijn verstand te
verlichten, en hem van een Saulus tot Paulus te maken.
Omtrent het jaar 1530 geschiedde het, dat deze
Theunis, terwijl hij op een wandeling buiten de stad was, door God derwijze
geslagen werd, dat hij neerviel, en door vier mannen voor dood werd tehuis
gebracht. Toen hij later tot zichzelf kwam, zag men aan hem, wat hier boven
reeds gezegd is, dat God hem in een Paulus had veranderd, want van die tijd af
liet hij zijn wild, woest en ijdel leven varen, en trad, als een discipel van
Jezus Christus Diens school binnen. Vroeger had hij het kisten maken geleerd, en
wat hij daarmee verdiende, deelde hij op milde wijze uit aan de armen.
Vervolgens benaarstigde hij zich, als een andere Paulus, om, naar de mate zijner
gaven, de mensen de rechte wegen des Heeren voor te stellen, de instellingen der
mensen te bestraffen, en te leren, dat men zich aan Gods Woord alleen behoorde
vast te houden. Hij betoonde ook een groten afkeer te hebben van de verordende
heilige dagen des pausdoms; van de gruwel der mis met alles, wat daartoe
behoorde. Om dit alles was hij hij de godvrezenden zeer bemind, zodat zij
dagelijks zijn gezelschap zochten, om van hem uit Gods Woord onderwezen te
worden, hetwelk dan ook met rijke vruchten werd gezegend.
Aangezien echter de duivel onze aartsvijand is en
een vader der leugens, begon hem dit al spoedig te ergeren, en hij zocht dit dan
ook door zijn handlangers te verhinderen, hetwelk hem ook ten dele gelukte. Was
hij hij velen, om zijn deugdzaam leven en goed onderwijs bijzonder bemind, aan
de anderen kant werd hij ook door velen gehaat. Zijn vijanden brachten het
zover, dat hij hij de procureur-generaal, Mr. Brunt, van Amsterdam, hij het Hof
van Holland werd aangeklaagd als iemand die dagelijks verleiding en oproer onder
het volk teweeg bracht. Over deze aanklacht werd hij door de procureur-generaal
aan het Hof ontboden. In gezelschap van zekere Meijnart, van Heusden, die later
de betrekking van ambtenaar te Arnemuiden in Zeeland bekleedde, verscheen hij
daar met grote vrijmoedigheid, terwijl Meijnart hij de deur van des procureurs
huis op Theunis bleef wachten.
Toen Theunis hij de procureur kwam, gaf hij met
behoorlijken eerbied te kennen, dat hij de man was, die hij van Naar de ontboden
had, en dat hij gekomen was, eensdeels om de waarheid te verdedigen en
anderdeels om zijn beschuldigers van valsheid te overtuigen. Terwijl Theunis met
de procureur in gesprek was, en zij inzonderheid spraken over de mis, stemde de
procureur-generaal met hem in, wat hij aangaande de mis gezegd had, en voegde er
hij, dat hij ook van die mening was, maar die mening, om zijn ambt en eer te
behouden, geheim hield. Na een lang samenspraak liet hij Theunis gaan, en zei
hem, dat hij moest vertrekken, totdat hij hem weer zou
ontbieden.
Nadat hij nu weer te Naarden was teruggekeerd, en
wel tot grote ergernis van zijn vijanden, liet hij niet na de christenen te
onderwijzen in het ware geloof, van de verdiensten van Christus, en verklaarde
zich tegen de mis van de paus, de aflaten, bedevaarten en het aanroepen der
heiligen. Ten gevolge daarvan was hij hij de vromen zeer bemind, en werd er een
grote menigte in het Woord des Heeren gesticht en onderwezen. Zijn vijanden
intussen, raasden en tierden daarover, en bezigden allerlei middelen om hem hij
het volk gehaat te maken. Daar zij echter zagen, dat zij daarmee Diets konden
winnen, werden zij eindelijk zo verbitterd op hem, dat zij hem, waar zij hem op
straat ontmoetten, met stenen wierpen, terwijl zij meenden aldus de waarheid te
zullen onderdrukken. Hij gedroeg zich zeer vriendelijk jegens ben, en vroeg hun,
waarom zij hem nu zo vijandig haatten, aangezien hij Christus en Diens Woord
zocht, daar zij hem vroeger, toen hij zijn leven in ijdelheid en
lichtvaardigheid had doorgebracht, zozeer beminde. Dit kon echter niet helpen,
en hij werd andermaal hij het Hof aangeklaagd, Door zijn vijanden gedrongen,
schreven de heren van Naarden aan de procureur Mr. Brunt, dat hij niet moest
verzuimen Theunis Teecksen hij hem te ontbieden. Na de ontvangst van dit
schrijven, durfde hij dit niet nalaten, liet hem door een deurwaarder ontbieden,
en zei hem toen, dat hij Naarden moest verlaten en zich uit de voeten maken;
want hij was in zijn geweten overtuigd, zoals reeds is meegedeeld, dat Theunis
niet anders dan de waarheid verkondigde. Theunis was daarover echter niet
ontmoedigd, in zijn overtuiging, en zei, dat hij zich verblijdde, daar hij inzag
dat zijn offerande nabij was, dat zijn bruiloft genaakte, en hij tot Christus
Zijn Bruidegom zou gaan. Hij bewees dit ook met de daad, want van blijdschap
trok hij zijn beste kleren aan, die hij naar 's Gravenhage had mee genomen, en
reed alzo, met de deurwaarder in een rijtuig gezeten, naar ‘s Gravenhage, waar
hij, nauwelijks aangekomen zijnde, op de gijzelkamer gevangen gezet en bewaard
werd.
Toen hij daar enige tijd had doorgebracht, werd
hij eindelijk onderzocht, inzonderheid aangaande het leerstuk van de mis, waarop
hij zich kloekmoedig verantwoordde. Daar zij niets op hem konden winnen, veel
minder hem van zijn geloof aftrekken, lieten zij hem afzonderlijk zitten,
terwijl er belet werd, dat iemand hem bezocht, en hem pen, inkt en papier
verschafte. Vroeger had hij veel aanzoek, van heren, burgers en edellieden, die
allen hun best deden, om hem van zijn gevoelens af te brengen, vooral deed dit
de heer Assendelft, wien hij met grote vrijmoedigheid antwoordde, dat hij, die
zich moedwillig van de waarheid afscheidde, zondigde tegen de Heilige Geest,
welke zonde hier noch hiernamaals konden vergeven worden. Hij zei ook, dat men
zich Christus en Diens Woord niet behoorde te schamen, en herhaalde dikwerf het
gezegde: " Wie zich Mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben." De heren
zouden graag hebben gezien, dat hij zich heimelijk zou hebben verborgen, waartoe
hem hij herhaling de gelegenheid gegeven werd; maar hij wilde dit niet doen,
daar hij verzekerd was, dat hij Gods Woord naar waarheid had onderwezen, en
tegen niemand iets misdaan had.
Toen hij geruime tijd in zijn gevangenschap had
doorgebracht, werd hij eindelijk veroordeeld om levend verbrand te worden, dat
daarna ook geschiedde. Hij het wegleiden naar de gerechtsplaats merkte men een
grote vrijmoedigheid hij hem op, daar hij God met een blijmoedig gelaat dankte,
dat Hij hem waardig keurde als een lam van Christus voor de waarheid geofferd te
worden, terwijl hij zong: “Ik arm schaapje aan de heide," enz. Vervolgens trok
hij zijn schoenen en kousen uit, en gaf die aan de armen, en, nadat hij de Heere
had gedankt, werd hij aldus te 's Gravenhage verbrand.
Men kon niets anders tegen hem inbrengen, dan dat
hij het volk verleidde. Hij was een jonge man van bijna 24-jarige
leeftijd.
[JAAR 1530.]
Thomas Hytten was een bedienaar van het goddelijke
Woord te Maidstone, die door de aartsbisschop van Canterbury en Jan Fisher,
bisschop van Rochester, werd gevangen genomen. Nadat zij hem geruime tijd door
hongerlijden en andere straffen gepijnigd hadden, waaronder hij echter
standvastig hij zijn afgelegde belijdenis volhardde, werd hij eindelijk
veroordeeld om verbrand te worden, en wel, omdat hij de Heere Jezus Christus en
Diens heilrijke genade getrouw en in het openbaar verkondigd had. Aldus
onderging hij te Maidstone de vuurdood in het jaar 1530.
[JAAR 1531].
Thomas Bilney was van zijn jeugd af aan de
hogeschool te Cambridge opgeleid. Aangezien zijn verstandelijke vermogens goed
ontwikkeld waren, nam hij hoe langer zo meer in kennis en geleerdheid toe, zodat
hij in de geestelijke en wereldlijke rechten begon te studeren. Daar hij een
getrouwen tuchtmeester had, liet hij de studie in het wereldlijke recht varen,
en hield zich alleen met het onderzoek van de ware godsdienst bezig. Door een
bijzondere ijver tot de ere Gods, trok hij velen tot zich, en deelde de genade
Gods,die hij uit de Evangelische waarheid ontvangen had, aan ben mee. Hierdoor
kwamen vele studenten van de genoemde hogeschool tot de kennis van het
Evangelie, onder wie zich Arthur en Hugo Latimers bevonden. Later verliet Bilney
de hogeschool, en predikte in steden en dorpen het Evangelie, waarbij zekere
Wolsey hem op zijn tochten vergezelde. In die tijd stond Thomas, kardinaal en
aartsbisschop te York, in groot aanzien; maar bovenal in het oog lopend waren
zijn vermetelheid en eergierigheid, waardoor hij zijn ijdelheid niet alleen aan
zijn eigen persoon, maar ook aan alle geestelijke dienaren aan de dag legde.
Daardoor vond Bilney, benevens anderen, zich gedrongen, tegen zulk een
vermetelheid van de geestelijken zich te verzetten, en zij begonnen dan ook op
sommige plaatsen tegen zulke weidse titels, als ook tegen de pauselijke
hoogmoed, zich te verklaren, en die te vernederen. Ten gevolge daarvan begreep
de kardinaal zijn zaak te moeten handhaven. Toen hij dus bemerkte, dat men hier
en daar het Evangelie verkondigde, riep hij, in December 1528, een plechtige
vergadering van vele geestelijken bijeen, en beloofde, dat hij de misbruiken,
die in de roomse kerk waren ingeslopen, met ijver wilde afschaffén. Intussen
moesten Bilney, Arthur en anderen herroepen, wat zij van de eerzucht en hoogmoed
des pausen hadden gezegd. Dit verhinderde echter Bilney niet in de uitvoering
van zijn voornemen, want in het verkondigen van de waarheid werd hij hoe langer
zo ijveriger, zodat hij niet ophield te prediken, en de gruwel des pausdoms des
te vrijmoediger te ontdekken en heviger te bestraffen. Ofschoon de satan het
goede voornemen der christenen niet kan verhinderen, mort hij er toch over en
verzet er zich tegen. Deze voortreffelijke leraar benaarstigde zich, om, zoveel
in hem was, ieder op de weg der zaligheid te leiden, die zijn ondergang zochten
te bewerken, onder wie Thomas Morus, de rijkskanselier in Engeland, een geleerd
man, maar een hevige vijand van de waarheid, de voornaamste was, en voorts de
bisschop van Norwich en Richard Rix, die niet alleen door het verlies van zijn
ogen, maar ook naar zijn verstand blind was. Morus liet Bilney gevangen nemen,
beschuldigde hem van ketterij, en bewerkte, dat hij tot de vuurdood veroordeeld
werd, vooral omdat hij na zijn herroeping had durven prediken. Daags voor zijn
marteldood wilde hij onderzoeken, of zijn vlees de verschrikkelijke hitte van
het vuur wel zou kunnen verdragen. Hij bracht de nacht met bidden door, en
terwijl de wachters sliepen hield hij zijn vinger in de kaars; maar toen het hem
pijn veroorzaakte, trok hij de vinger terug, en zei tot zijn vlees: wat mag dit
toch zijn? Kunt gij niet verdragen, dat u een vinger verbrand worde? Hoe zult
gij dan kunnen verdragen, wanneer uw gehele lichaam zal verbrand worden? Daarna
stak hij zijn vinger hij herhaling in de vlam, en bereidde zijn vlees aldus
enigermate tot het toekomstige lijden voor. De volgende dag werd hij, om de
belijdenis van Christus, verbrand, en onderging die dood met grote volharding,
in het jaar onzes Heeren 1531.
[JAAR 1531.]
In het jaar 1531 hadden geen gebeurtenissen plaats
der vermelding waard, tenzij wij hier wilden meedelen wat het lijk van zekere
Willem Thrace aangedaan werd, die in zijn leven een dapper krijgsman was. Deze
gebeurtenis komt op het volgende neer. Deze Willem stierf in een landstadje,
Todyngton genaamd, gelegen in de provincie Glocester. Voor zijn dood maakte hij
een christelijk testament, en, opdat dit als deugdelijk zou worden aangemerkt,
liet hij het enige tijd daarna door zijn zoon Richard bezorgen hij de
aartsbisschop van Canterbury, William Waram genaamd. Hij deed het, omdat dit
vanouds de gewoonte was. Toen de aartsbisschop dit testament tot aan het einde
gelezen had, hield hij raad met zijn priesters en andere handlangers, en, nadat
hij ieders mening en gevoelen gehoord had, verklaarde hij in het openbaar, dat
deze Willem Thrace, ofschoon reeds geruime tijd overleden, een ketter was.
Hiermee nog niet tevreden zijnde, beval hij, dat het lijk moest worden
opgegraven en verbrand. En, teneinde dit op ordelijke wijze en te beter zou
plaats hebben, zond hij het vonnis aan dokter Parker, die in die tijd kanselier
van het bisdom Wigorne was, met bevel, dat hij dit vonnis terstond moest ten
uitvoer brengen, terwijl deze er met nauwkeurigheid voor zorgde, dat er niets
verzuimd werd van wat hem bevolen was.
Koning Hendrik, de achtste van die naam, hoorde
van deze meer dan barbaarse wreedheid, die de leraren in de godgeleerdheid en
andere godgeleerden aan het lijk van een zodanigen goede en aanzienlijken man
gepleegd hadden. Bovendien zag hij, dat deze schijnbaar godvruchtigen zich
buiten zijn weten en toestemming zozeer vergrepen hadden, en was hij, met alle
recht, daarover zeer ontevreden en liet derhalve door een zijner dienaren de
kanselier ontbieden. De kanselier wierp de schuld van alles op de aartsbisschop,
die kort tevoren was gestorven. Hij kon zich echter niet verontschuldigen, en
werd veroordeeld tot betaling aan de koning ener som van ongeveer duizend
kronen.
Het testament van genoemde Willem Thrace was van
de volgende inhoud. In de eerste plaats beval hij zich in de handen Gods,
betuigde dat hij in geen dele twijfelde aan Diens goedheid en barmhartigheid, en
dat hij bepaald verzekerd was, dat hij genade van Hein zou verkrijgen door de
verdiensten van Zijn enige Zoon Jezus Christus, en door de kracht van Zijn
lijden, dood en heerlijke opstanding, en dat door deze middelen al zijn zonden
zouden uitgewist worden. Dat hij zeker geloofde, dat Zijn Verlosser leefde, dat
hij op de jongste dag weer met dit vlees bekleed zou worden, waarin hij de Heere
zou aanschouwen, betuigende, dat deze hoop vast in zijn hart geworteld was en
hem nimmer zou verlaten.
Aangaande de zaligheid van zijn ziel, twijfelde
hij geenszins, of dit geloof zou genoegzaam zijn ter zaligheid, zonder
bijvoeging der hulp van goede werken, menselijke aflaten of enige andere
zaken.
De hoofdinhoud en de grond van zijn geloof was
eindelijk, dat er slechts een enige God is en een Middelaar tussen God en de
mensen, de mens Jezus Christus; daarom beleed hij geen anderen beschermer of
voorspraak hij de Vader te hebben dan Zijn Zoon Jezus Christus; dat andere
heiligen zulk een macht niet hebben, aangezien zij aan niemand iets van de
genade Gods kunnen meedelen, die zij uit zichzelf niet kunnen verkrijgen. Daarom
vermaakte hij niet het minste van zijn bezittingen aan hen, die gebeden
beloofden uit te storten, offers te brengen voor de afgestorvenen, of missen te
doen voor zijn ziel; want, vasthoudende aan de beloften Gods, was het voor hem
zeker, dat "zo wie gelooft, en gedoopt is zalig zal zijn, en, wie niet gelooft,
verdoemd zal ween." Aangaande het begraven van zijn lijk maakte hij geen enkele
bepaling, en bekommerde zich ook weinig over de plaats, waar hij begraven zou
worden, bedoelende daarmee de staatsie en pracht van de begrafenis; hij voegde
er hij, wat Augustinus zeer wijs heeft gezegd, dat de pracht of heerlijkheid van
de graven meer strekt tot welbehagen der levenden dan tot hulp der
doden.
Voorts onderwierp hij zich geheel aan de wil van
zijn erfgenamen. Betreffende het deel van zijn bezittingen, dat hij aan de armen
vermaakte, betuigde hij, dat hij dit deed uit een goed hart, en hoopte, dat dit
als een vrucht des geloofs zou ontvangen worden, terwijl hij niet meende, dat
hij daarmee de gunst en de genade van God verdiende, maar veel meer, dat hij
daardoor toonde, dat God hem genade bewezen had; zodat hij met de daad geen
andere verdiensten erkende, dan die van Jezus Christus, door Wie alle goede
werken welbehagelijk zijn voor de Vader, gelijk Christus zelf zegt hij Matth.
hoofst. 25, vs. 33: “Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven”,
en verder: "Voor zoveel gij [dit] één van deze mijn minste broeders gedaan hebt,
zo hebt gij [dit] Mij gedaan."
Hij zei ook, dat men moest bedenken, dat de goede
werken geen goede mensen maken, maar dat de goede mensen goede werken
doen.
Het overige van zijn bezittingen vermaakte hij aan
zijn vrouw, Margaretha genaamd, en aan zijn zoon Richard,die hij ook benoemde
tot uitvoerders van zijn laatste wil. Hij bezegelde zijn testament met zijn
eigen hand, op de 10e Oktober 1531.
[JAAR 1532.]
Jakobus Baynham was een rechtsgeleerde en
procureur te Londen en wel aan het hof te Lincoln. Te Londen woonde ook een
zekere koffermaker. Deze beide mannen werden door de bisschop Johannes Stokesley
beschuldigd:
1. dat zij het vagevuur
loochenden;
2. dat zij weigerden de heiligen allen eerbied te
bewijzen; en werden daarom als ketters aangeklaagd. Maar, aangezien zij de
zuivere leer niet wilden verzaken, en de bovengenoemde artikelen niet wilden
herroepen, deden hun vijanden hun schrikkelijk hun toorn gevoelen. Om hun
volharding werden zij in het jaar 1532 te Londen verbrand, en droegen de
martelingen en hun dood met de grootste standvastigheid.
Op zijn doodsbed dankte bisschop Stokesley God,
dat hij in zijn leven meer dan vijftig ketters had gedood. Was dat geen
heerlijke roem, om daarmee naar de hemel te varen? Terwijl Jakobus op de
brandstapel stond,toonde hij het grootste geduld en standvastigheid, zodat hij
het brandende hout in zijn armen nam, en als de dood omarmde. Zijn wezenstrekken
veranderde niet, en hij had zijn gezicht op het volk gericht, terwijl hij dat
opwekte om standvastig te zijn in de beleden waarheid, totdat de vlammen hem de
stem en de adem benamen, en de hersenen in het hoofd begonnen te smelten.Voor
hij de geest gaf, en gevoelde, dat de hersenen werden aangetast, en door de
neusgaten begonnen te lopen, hield hij eenmaal de hand voor de mond. Hij hield
zich vast, totdat de spraak nog eens wederkeerde, zodat hij andermaal tot het
volk sprak, en hield dit vol, totdat hem de kracht en de macht des lichaams
ontnomen waren.
Tot deze martelaars kan ook gerekend worden
Richard Bayfield, een monnik van Bery en geboren te Hadler. Deze was van nature
vreesachtig en kleinmoedig, doch God schonk hem genade, dat hij sterk in het
geloof en volstandig bleef. In November van het jaar 1632 werd hij op het
Smitsveld te Londen, omdat hij de boeken van Tyndal had overgezet,
verbrand.
[JAAR 1533.]
In April van het jaar onzes Heeren 1533 werden in
de stad Arras drie mannen, om de getuigenis van Jezus Christus en Diens Heilig,
onbevlekt Woord, verbrand. De een heette Nikolaas de Schrijver, geboren niet ver
van het dorp Pas, in Artois. De ander heette Johannes a Pisis, herkomstig van
Arras. De derde was genaamd Stefanus Burlet, een kleermaker en burger van
Benrick, in het bisdom van Doornik.
[JAAR 1533.]
Mr. Johannes de Cadurco, van Limonick, een
kandidaat in de keizerlijke rechten, en die in deze rechten gestudeerd had aan
de hogeschool te Toulouse, was een zeer ervaren, vernuftig en kloekzinnig man,
niet alleen in de rechten, maar ook in het vlijtig onderzoek van de Evangelische
waarheid in de goddelijke Schrift. Hij werd beschuldigd van het volk te Limonick
op Allerheiligendag onderwezen en vermaand te hebben tot godsvrucht. Tot
verzwaring van zijn zaak bracht ook veel toe, dat hij, bij gelegenheid van een
prachtige maaltijd, bij een tafelgesprek zei: "Christus moet over ons gemoed en
hart heerschappij hebben." Daarenboven moest door zijn toedoen, na de maaltijd
ieder een verhaal of gesprek uit de Heilige Schrift meedelen, teneinde langs
deze weg alle zondige gesprekken, dansen, springen en andere lichtzinnige
handelingen te voorkomen. Toen de beurt kwam aan Cadurco om een soortgelijke
christelijke aanspraak te houden, breidde hij zijn rede langer uit dan enig
ander, die aan deze maaltijd deelnam.
Om die reden werd hij, in Januari van het jaar
onzes enige Zaligmakers Jezus Christus 1533, gevangen genomen. Toen men hem
onderzocht en ondervroeg, beloofde hij de rechters, dat hij alles zou meedelen,
wat hij van de christelijke godsdienst dacht en geloofde, namelijk wanneer men
hem boeken verschafte, en hij geleerde mannen bracht, teneinde met hen over alle
stukken te spreken. Hij verklaarde ook, dat hij in het minst geen twistgesprek
wilde beginnen, wanneer dit niet tot stichting zou plaats hebben. Hij verlangde
ook over de belangrijkste hoofdstukken en artikelen van het geloof zo te
spreken, dat er geen vreemde zaken of geschillen mee vermengd zouden worden.
Doch, aangezien hij een moedig en zeer verstandig man was, die zijn antwoorden
op alle vragen gereed had, en vooral de getuigenissen der Heilige Schrift, die
daarbij te pas kwamen, vreesden zijn vijanden, die wel wisten hoe zwak hun
bewijzen waren, waarmee zij, om hun godsdienst te beschermen, voor de dag
moesten komen, dat zij de strijd verliezen zouden. Zij legden hem daarom drie
artikelen voor, die hij bij zijn gewoon onderwijs herroepen moest, en belijden,
dat hij daarin gedwaald had, in welk geval hij zou worden losgelaten. Ofschoon
Mr.Johannes aanvankelijk wat wankelbaar was, werd hij later door de Geest Gods
dermate versterkt, dat hij in geen dele tot enige herroeping te bewegen
was.
In het begin van de maand Juni werd hij als ketter
veroordeeld en naar de St. Stevensstraat gebracht, waar hij eerst van zijn
geschoren kruin en daarna van zijn academische waardigheid werd beroofd. Bijna
drie uren was men daarmee bezig, gedurende welke tijd hij vrij mocht spreken,
zodat hij van alle zaken, waarover men hem ondervroeg en die men tot hem zei,
een daarop toepasselijke schriftelijke verklaring
gebruikte.
Er bevond zich toen daar een zwarte monnik van de
Dominicaner orde, die men Predikheren noemt, die als naar gewoonte zou prediken,
en tevens het pauselijk geloof zou uiteen zetten en beschermen. Tot bewijs van
zijn woorden gebruikte hij de plaats, die Paulus beschrijft in Zijn 1e Brief aan
Timotheüs, hoofdstuk 4: "De geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden
sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten
en leringen der duivelen." Mr. Johannes de Cadurco riep met luider stem: "Ga
voort! Ga voort!" Hij deed dit, daar de monnik niet anders dan deze plaats uit
de Heilige Schrift aanhaalde, zoals zij naar hun goeddunken gewoon zijn de
Schrift uit haar verband te rukken, en alzo de ware bedoeling te vervalsen.
Zonderling is het, dat hetgeen er volgde op de door de monnik aangehaalde
plaats, hem zelf, namelijk de geveinsden in alle kleuren beschreef en uitdrukte.
Door het geroep van Johannes werd de monnik derwijze ontzet en verslagen, dat
hij geen woord meer spreken kon. Toen zei de Cadurco “Wilt gij niet verder
lezen, dan zal ik het zelf doen." Hij begon nu te lezen wat er verder in de
brief van Paulus volgt: "Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun
eigen geweten [als] met een brandijzer toegeschroeid; verbiedende te huwelijken,
[gebiedende] van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging
met dankzegging voor de gelovigen en die de waarheid hebben bekend." Daarna gaf
hij met grote vrijmoedigheid een uitlegging van deze plaats, en wees die de
toehoorders, die er met belangstelling naar luisterden, duidelijk
aan.
Nadat hij aldus van zijn voortreffelijke bediening
was beroofd, en hem spotklederen waren aangetrokken, werd hij naar het paleis
gebracht, om daar zijn doodsvonnis aan te horen. Toen hij dit verliet, riep hij:
"O paleis der boosheid! o zetel der ongerechtigheid." Daarna het hij niet na de
Heere te loven en te prijzen, en het volk met allen ijver te vermanen tot de
zaligmakende kennis van God, en legde zelfs in het vuur, waarin hij verbrand
werd, belijdenis af van de Heere, zo lang zijn ziel in zijn lichaam was. Dit
geschiedde in het jaar 1533.
[JAAR 1533.]
In het jaar 1533 werden bij het Hof van Brussel
uitgekozen tien personen, zo schepenen als raadsheren en gezworene, om met enige
van hun commissarissen en hun procureur-generaal te beraadslagen over hen, die
te 's Hertogenbosch vanwege de Lutherse leer berucht waren. De afgevaardigden
bestonden uit de volgende heren: Adriaan van Eynthouts en Willem Pijnappel,
schepenen; Mr. Dirk de Burggraaf, Willem van Os, Matthijs Stoeters en Gijsbert
Pels, gezworene; Jan van Erp, van Bezze, Gojart Simonsz., Hendrik Dagverlies en
Aart Heym, raadsheren. Toen deze in de stad 's Hertogenbosch waren samen
gekomen, om zich van de hun opgedragen last te kwijten, veroordeelden zij enige
tot de brandstapel en anderen tot het zwaard. Zo werd, op de 3de Juli, Joost
Gerritz. Lepper, omdat hij de ware godsdienst niet wilde verzaken, onthoofd.
Vervolgens werd Pieter Hors, wever te Vucht, om dezelfde reden aan een paal op
de markt te 's Hertogenbosch geworgd en daarna geheel verbrand. Op Donderdag na
St. Katharina werd ook Emond de snijder onthoofd, en Mr. Willem glazenmaker
eerst geworgd en daarna verbrand.
[JAAR 1533.]
Alexander Canus, van Eboras, werd te Lyon, om de
Evangelische waarheid, gevangen genomen en in de kerker geworpen, waar hij de
zuivere leer van het goddelijke Woord zeer standvastig beleed. Daarna werd hij
naar Parijs gebracht, waar hij door de Hogen Raad veroordeeld werd om, met de
gebruikelijke plechtigheden, van zijn priesterschap ontwijd en vervolgens levend
verbrand te worden. Zijn bijzondere vroomheid en standvastigheid, waarmee hij
door God, temidden van zware pijnigingen en martelingen, werd versterkt, zijn
waardig beschreven te worden, doch om der beknoptheid wil
nagelaten.
Na zijn ontwijding werd hij eindelijk naar de
Malbertsstraat gevoerd, waar hij boven een zwak vuur werd verbrand, en zo
offerde hij zijn geest op in de handen van de almachtige Vader, in het jaar
1533.
[JAAR 1533.]
Johannes Pointet, geboren te Savoye, was een
chirurgijn, die deze bediening te Parijs uitoefende. Hij werd daar beschuldigd
en aangeklaagd door de grauwe monniken, die zich ook Minderbroeders noemden, en
door zulke lieden, die hij dikwerf van de Spaanse pokken genezen had. Hij had
kennis aan velen, die, tegen het goddelijk gebod, de boze en ongoddelijke
belofte onvoorzichtig hadden afgelegd geen vrouw te zullen trouwen en aanhangen.
Hij werd dus beschuldigd door hen, die hij had welgedaan, en die hij door
vermaning en onderwijs nog meer deugden poogde in te prenten. Zij gebruikten
daartoe een leraar van de Sorbonne, dokter Clericus geheten, die hem zo lang
vervolgde, totdat hij in de kerker geworpen en later veroordeeld werd, om eerst
te worden geworgd en daarna verbrand. Hier toonde hij eerst, hoe krachtig en
geweldig de Geest des Heeren in hem werkte, want, toen het uitgesproken vonnis
zou volvoerd worden, werd Pointet met een biechtvader in een kapel, die bij het
gevangenhuis stond, gelaten, waar de biechtvader hem drong, dat hij voor een
beeld op de knieën zou vallen, en bidden om vergeving van zonden. Maar Pointet
verwierp hem zeer hard en gestreng, en noemde hem de satan, die zijn best deed
om hem te verleiden, en tot de ongoddelijke beeldendienst te verlokken. De
biechtpriester verschrikte, en was verslagen over zijn woorden, en keerde met de
grootste haast naar de raad terug. Vervolgens gingen twee raadsheren met de
voorzitter tot hem in de gevangenis, terwijl zij dachten, dat Pointet razend en
krankzinnig was geworden. Doch Pointet sprak hen niet zachter aan, dan hij
vroeger de biechtvader gedaan had, maar bestrafte hen op harde wijze, en zei,
dat zij bloeddorstige moordenaars en ombrengers van onschuldigen waren, door wie
de kinderen Gods, tegen alle recht en reden, ongoddelijk en schandelijk werden
omgebracht.
De voorzitter en de raadsheren werden door deze
vrijmoedigheid zeer verbitterd, en dermate tegen hem in gramschap ontstoken, dat
zij hun vonnis herhaalden en bevalen, dat men de vromen Pointet, voor men hem
verbrandde, de tong moest uitsnijden, en dat, wanneer hij geen schuld bekende,
hij volgens het eerste vonnis zou worden gedood. Aldus werd hem de tong
uitgesneden, wat hem echter niet verhinderde voortdurend standvastig en
vrijmoedig de waarheid te belijden, en hun boosheid te bestraffen, zo veel dit
mogelijk was. Om die reden werd het derde vonnis over hem uitgesproken, namelijk
dat men hem levend zou verbranden, hetwelk ook plaats had onder zulke wreedheden
als zij slechts konden bedenken. Alzo heeft hij, standvastig in het geloof, dit
sterfelijke leven afgelegd, in het jaar onzes Heeren 1533.
[JAAR 1533.]
Johannes Frythus, die een hogen ouderdom bereikt
had, was een geleerd man, en bezat voortreffelijke gaven; maar bovenal was hij
zeergodvruchtig wat vooral bleek, toen hij, tot grote eer kunnende geraken, de
kerk van Christus liever wilde ten dienste staan. Hij studeerde eerst te Oxford,
waar hij in korte tijd grote vorderingen maakte, en bewees een man te zijn, die
voor de studie als geboren was. Vervolgens kreeg hij kennis aan Willem Tyndal,
die hem het eerst met de leer van het Evangelie bekend maakte. In die tijd
stichtte Thomas Wolsey een prachtig college, dat toen het college van Frydeswide
heette, maar later het college van Christus werd genoemd. Hij stichtte dit
college meer om aan zijn eergierigheid te voldoen, dan tot bevordering van de
vrije kunsten. Toen hij, wegens de door hem gepleegde gruweldaden, door de
koning was ontboden, nam hij vergif in, en stierf onderweg, zodat hij het bouwen
van dit college, niet kon voltooien. En, evenals de hoogmoedige kardinaal tot
verfraaiing van het uitwendig gebouw van dit college geen kosten had gespaard,
had hij ook getracht, enkel uit eerzucht, voortreffelijke mannen als hoogleraars
daarin te plaatsen. Onder deze bevonden zich Frythus, Wilhelmus Tyndal, Tavernus
van Boston, een uitstekend liefhebber der muziek, Johannes Clericus en vele
andere geleerde mannen. Zodra deze echter kennis en lust kregen in de zuiveren
godsdienst, werden zij ogenblikkelijk door de kardinaal van ketterij
beschuldigd, en in een donkere gevangenis onder de grond gezet, waar zij door de
stank van gezouten vis dodelijk verzwakt werden. Johannes Clericus en enige
anderen stierven in de gevangenis. Wegens zijn bijzondere bekwaamheden en
geleerdheid is zijn naam nog te Oxford vermaard. Frythus, die tot meer
belangrijke zaken door God werd bewaard, werd toen wel uit de gevangenis daar
ontslagen, maar bleef toch niet lang zonder kruis. Er brak namelijk een zware
vervolging tegen hem uit, zodat hij gedurende enige tijd uit Engeland moest
vluchten, en zich in geen drie of vier jaren durfde vertonen. Spoedig daarna
begon Thomas Morus hem te haten en te vervolgen, en, aangezien hij kanselier van
het rijk was, vervolgde hij hem te water en te land, liet aan alle wegen op hem
loeren, en beloofde hun, die hem aanwezen, een grote som gelds. Toen nu de
beklagenswaardige man zag, dat hij van alle zijden omsingeld was, vluchtte hij
van de een plaats naar de andere, veranderde van kleding, en bezocht, wat hij
slechts kon, doch kon geen veilige plaats vinden, zelfs niet bij zijn vrienden.
Toen hij zich te Rhedinge, een stadje bij Londen, bevond, werd hij gegrepen, en,
toen men hem vroeg, wie hij was, kon hij niet spoedig genoeg antwoorden, en
bemerkte men, dat hij zich met opzet verkleed had, waarom de overheid dier
plaats hem gevangen nam, en met de voeten in het blok sloot. Hoewel hij daar
geruime tijd moest doorbrengen, en bijna van honger stierf, wilde hij zich toch
niet verraden. Eindelijk verzocht hij, dat men de onderwijzer dier plaats tot
hem wilde toelaten, die Leonardus Coxus heette, en een geleerd man was. Toen
deze tot hem kwam, begon Johannes zich in de Latijnse taal over zijn ellendigen
toestand te beklagen. Hierover verwonderde zich Leonardus Coxus derwijze, dat
hij niet alleen medelijden met hem had, maar hem ook begon lief te krijgen. In
hun verder onderhoud spraken zij ook over de studie, de hogescholen en de talen,
en van de Latijnse kwamen zij ook op de Griekse taal. Toen Coxus hoorde, dat
Frythus die ook kon spreken, verwonderde hij zich, en kreeg hem hoe langer zo
meer lief. Hij ging daarom naar de overheid, en beklaagde zich, dat men de
jongen man, die onschuldig en zeer geleerd was, in de gevangenis onrecht en
geweld aandeed. Door zijn voorspraak wist hij het zover te brengen, dat Johannes
werd losgelaten.
Doch zijn vrijheid was spoedig geëindigd, want het
kruis vervolgde hem van alle zijden. Eindelijk werd hij' verraden, en in de
Tower te Londen gevangen gezet, waar hij menige strijd voerde met de
bisschoppen; vooral streed hij mondeling en schriftelijk met Thomas Morus, de
kanselier van het rijk, waardoor hij aanleiding tot schrijven kreeg. Met een van
zijn oude goede, vrienden hield hij een samenspraak over het avondmaal des
Heeren, dat vooral liep over de vier volgende punten:
1. Dat het geen artikel des geloofs was, waarop de
vrees der verdoemenis stond.
2. Aangezien het lichaam van Christus ons in alles
gelijk is, behalve in de zonde, dat het onmogelijk was, dat het op vete plaatsen
tegelijk was.
3. Dat het onnodig was, de woorden van het
avondmaal naar de letter te verstaan; maai, dat men op de wijze van spreken
behoorde te letten, opdat de een plaats door de andere verklaard, en Schrift met
Schrift moest vergeleken worden.
4. Dat men het avondmaal naar het bevel en de
instelling van Christus moest houden, en dat men door de grote wanorde, die de
priesters en pausgezinden hadden aangericht, niet moest dwalen. Doch, aangezien
deze samenspraak wat uitvoerig was, verzocht zijn vriend hem die schriftelijk
mee te delen, en hem die, teneinde haar te kunnen onthouden, ter hand te
stellen. Frythus bewilligde daarin, hoewel hij in het begin daartoe geen grote
lust bad, aangezien hij wel begreep, dat er gevaar aan verbonden was. Doch hij
lette meer op het verzoek van zijn vriend dan op het gevaar van zijn leven. Toen
was daar een kleermaker, Willem Holt genaamd, die vertrouwelijk kennis en
vriendschap aanknoopte met de ouden en bekenden vriend van Johannes Frythus, en
hield zeer dringend hij hem aan, hem het bewuste geschrift ter lezing te geven;
hij stond dit ook toe, zonder te denken dat daaruit iets kwaads zou volgen. Doch
de kleermaker spoedde zich naar de kanselier, en bracht hem dat geschrift,
hetwelk later de aanleiding werd tot zijn dood. Toen de kanselier het geschrift,
benevens twee andere geschriften van Frythus, die hem door de vijanden der
waarheid waren toegezonden, in handen had, benaarstigde hij zich zeer, de
geschriften van Frythus te wederleggen, maar sloeg daarbij de bal zo mis, dat
hij zich al dadelijk over zijn weerlegging schaamde, en zelfs verbood, dat men
zijn eigen boek zou verkopen, en beval dit achter te houden; dit deed hij zonder
twijfel, opdat Frythus daarvan geen exemplaar zou in handen krijgen. Nochtans
ontving Frythus van een goed vriend een exemplaar, dat hij met de meesten spoed
overschreef, en hij beantwoordde het uit de gevangenis aldus, dat er niets
uitgelaten was, wat tot verklaring der zaak diende. Het goed ontwikkelde
verstand van Frythus kan men niet alleen uit dit geschrift opmaken, maar ook uit
andere geschriften, die hij over het vagevuur schreef. In deze strijd had hij
met drie hoogmoedige tegenpartijders te kampen, te weten niet de bisschop van
Rochester, Morus en Rastal; de eerste was met vele plaatsen uit de geschriften
der kerkvaders toegerust, terwijl de tweede met de Schrift en de derde met de
natuurlijke wijsbegeerte en vrije kunsten de overwinning meende te zullen
behalen. Deze vielen hem tegelijk op het lijf; doch hij weerstond en overtuigde
hen derwijze, dat hij Bastal eindelijk tot zijn gevoelen overhaalde. Benevens
andere deugden, toonde hij zich ook in de bescherming der waarheid vriendelijk,
godvruchtig, voorzichtig en ernstig te zijn. De strijd over het avondmaal zette
hij grondig en met ernst uit elkaar, doch met zulk een bescheidenheid, dat hij
zich niet tegen de pausgezinden verklaarde, tenzij hij daartoe door de uiterste
nood gedrongen werd. Echter, indien hem de nood niet drong, was hij bereid met
ieder vrede en eensgezindheid te houden. Zelfs toen Morus met hem redetwistte,
en zich op het gezag van dokter Barnes beriep, om de tegenwoordigheid van het
lichaam en bloed van Christus in het avondmaal te verdedigen, antwoordde Frythus
hem, at hij bereid was de belofte af te leggen, over deze zaak nimmermeer te
twisten, indien men namelijk het gevoelen van dokter Barnes wilde omhelzen en
laten gelden; want hij was het met hem eens, dat men het sacrament niet moest
aanbidden. Verder, wanneer men het niet met afgoderij vermengde, dat men in het
overige gemakkelijk zou overeenstemmen, indien het vergif maar weggenomen was,
waarvoor men vrezen moest.
Nadat hij door zijn geschriften zich ridderlijk
tegen Morus, de kanselier van het rijk, tegen de bisschop van Rochester en
Rastal verdedigd had, werd hij vervolgens naar Lameth gebracht, teneinde daar
eerst voor de bisschop van Canterbury en daarna te Crodon voor de bisschop van
Winchester rekenschap van zijn zaak af te leggen. Eindelijk werd hij voor de
algemene vergadering der bisschoppen te Londen gesteld, waar hij zijn zaak zeer
goed zou hebben kunnen verdedigen, indien men hem daartoe gelegenheid gegeven
had. Het rechtsgeding, met hem gehouden, heeft hij in een geschrift
samengesteld, waarin hij toont, hoe men met hem handelde, op welke wijze hij
werd ondervraagd en welke artikelen hem werden voorgehouden, welk geschrift hij
later uit de gevangenis zijn vrienden toezond.
Eindelijk gaven deze tirannen hem aan de
scherprechter en de wereldlijke overheid over. Na de gewone plechtigheden aan
hem volbracht te hebben, voerden zij hem naar zekere plaats, Smitsveld genaamd
of de paardenmarkt, waar men hem aan een paal bond. Als een getuigenis van zijn
standvastigheid dient de mededeling, dat, toen men stro op hem wierp, om het
vuur aan te steken, hij de brandende houten met beide handen opraapte, en
openlijk betuigde, dat hij niet onwillig was zijn lichaam te laten verbranden,en
wel om zulk een goede en rechtvaardige zaak, te weten, om de wil des Heeren
Jezus Christus, de Zoon van God en Diens leer; welke getuigenis hij, tot op deze
dag, voor de gehele wereld met zijn eigen bloed heerlijk heeft bezegeld. De
pijn, welke hij leed, was des te zwaarder, aangezien de vlammen van hem op zijn
metgezel, die achter hem met de rug aan dezelfde paal gebonden was, overwaaiden.
Doch God de Heere schonk hem zulk een lijdzaamheid, dat hem de langdurige pijn
niet zwaar viel, zodat hij zich meer om zijn metgezel bekommerde dan om
zichzelf. Dit geschiedde in het jaar 1533.
[.JAAR 1533.]
In die tijd was er te Londen een jong en eenvoudig
mens, die wel niet gestudeerd had, maar toch in de zaken van het Godsrijk
grondig was onder wezen. Hij was Andries Hewet genaamd en als kleermaker bij een
burger te Londen werkzaam. De naam van zijn meester was Willem Holt, door wie
hij werd verraden en aangeklaagd. Om zijn belijdenis werd hij gevangen genomen
en bij mr. Frythus gebracht en voor de bisschoppen gesteld, waar men hem vroeg,
wat hij van het sacrament of laatste avondmaal dacht. Hij antwoordde, dat hij er
juist over dacht als Mr. Johannes Frythus. Een van de bisschoppen zei toen:
gelooft, gij dan niet dat dit het wezenlijke lichaam van Christus is, dat uit de
maagd Maria is geboren?" Hewet zei: "Neen, dat geloof ik niet." De bisschop
hernam: "Waarom niet?" Hewet antwoordde: "Omdat Christus Zelf bevolen heeft, dat
men hen niet geloven moest, die zeiden: "Ziet hier of daar is de Christus, want
er zullen vele valse profeten opstaan, enz." Sommige bisschoppen begonnen
daarover te lachen, maar Stokeley, de bisschop van Londen, zei tot hem: "Wat
praat gij van Frythus! Hij is een ketter, en reeds tot de vuurdood gedoemd en
gij met hem. Indien gij uw gevoelen niet laat varen, en uzelf niet aan ons
onderwerpt, zult gij zeker ook verbrand worden." Hewet zei: "Dat sla ik niet
af." Toen de bisschop hem nog eens vroeg, of hij zijn gevoelens wilde herroepen,
gaf hij ten antwoord, dat hij doen wilde, gelijk Frythus gedaan had. Terstond
daarop werd hij bij hem in de gevangenis gebracht, en met Frythus aan een paal
verbrand.
[JAAR 1534.]
Ofschoon de vervolgingen in het jaar onzes Heeren
en Zaligmakers Jezus Christus, 1534, in verscheidene streken zeer zwaar waren,
vooral te Parijs, in Frankrijk, gaven daarom de gelovigen de moed niet op.
Integendeel, zij, die de waarheid hadden omhelsd, beijverden zich des temeer, om
de lust daartoe in zich op te wekken. God de Heere verwekte dag op dag lieden
van allerlei staat en rang, wien Hij de ogen des verstands opende, opdat zij de
waarheid van het zuivere Woord van God hoe langer zo meer zouden inzien, zodat
er in alle provinciën van Frankrijk vrome gelovige lieden gevonden werden, in
staat om de antichrist het hoofd te bieden. De verkeerde handelingen en het
bedrog der Minderbroeders van Orleans hadden velen lieden in die stad en in
andere plaatsen en steden, langs de rivier de Loire gelegen, de ogen geopend
voor de bijgelovigheden van het pausdom, en reden gegeven om zich daarvan af te
scheiden en God op zuivere wijze te dienen. En, in weerwil dat Denys Bryon,
baardscheerder van zijn beroep, die te Santerre woonde, levend was verbrand, en
tot zijn laatste ademtocht volstandig was gebleven in het oprechte geloof,
verkoelde nochtans geen gelovig christen uit vrees, of door martelingen, welke
zij wisten, dat men anderen aandeed. Zij verzamelden zich van alle streken en
plaatsen om de standaard en de banier van het heilige Evangelie, en bestreden
met een volhardende en zuivere belijdenis der waarheid de leugens van de satan,
welke zijn handlangers verzonnen, om het rijk van hun meester in stand te
houden. Onder deze blonk vooral uit Hieronymus Vindocin, een Jakobijner monnik.
Deze had, met nog een anderen Jakobijner monnik, Fenario geheten, geruime tijd
in Gascogne gewoond, en kreeg om zijn bekwaamheden van zijn geestelijke verlof
om andere landen te bezoeken, waarvan hij dan ook, met nog een anderen monnik,
Pieter du Pont geheten, en geboortig van Tonnius, in Agenois, gebruik maakte. Op
zekere tijd vatten zij het voornemen op om Zwitserland en wel de stad Genève te
bezoeken. Toen zij daar waren, hoorden zij de zuivere en onvervalste verklaring
van Gods heilig Woord, en namen in korte tijd in de kennis daarvan derwijze toe,
dat zij hoe langer hoe meer de grove dwalingen en bijgelovigheden van de Roomse
kerk inzagen, zodat Pieter du Pont en nog enige anderen daar bleven. Vindocin
keerde intussen naar Gascogne terug, en werd daar, op bevel van de inquisiteur,
Rochet genaamd, gevangen genomen, en in de kerker van de bisschop te Agen
gesloten. Door Arnaud de la Combe, geestelijke en keurder van boeken, maar die
tevens de grootste godslasteraar ter wereld was, werd hij aangaande zijn geloof
ondervraagd. Vrijmoedig beleed hij de waarheid, en schaamde zich het. heilig
Evangelie niet, waarom hij dan ook werd veroordeeld en ontwijd; doch hij beriep
zich op het hof van het parlement. Aangezien er echter in geheel Gascogne
niemand in dit beroep bewilligde of dit goedkeurde, verkreeg de la Comba, als
vicarius of stadhouder van de bisschop, verlof van de aartsbisschop van Bordeaux
op gezag van het parlement, niet de ontwijding, niettegenstaande het beroep,
voort te gaan. Volgens dit besluit, werd Vindocin, op de 4den Februari 1534,
onder de gewone plechtigheden ontwijd, en alzo in handen van de wereldlijken
rechter overgeleverd. Op dezelfde dag werd hij door de opperrechter Jacques
Sevin, Pieter Destrades, officier van de rechtbank, Nikolaas Nadal en anderen,
veroordeeld om levend te worden verbrand, welk vonnis na de middag in een weide
bij de rivier Le Gravier, even buiten de stad aan hem voltrokken werd. Bij dit
nieuw en droevig schouwspel was een grote menigte van mensen tegenwoordig, onder
wie bijna niemand, die deze onschuldige man nog niet wat ergers toewenste; en,
ofschoon zij allen zich over zijn standvastigheid en zijn geduld moesten
verwonderen. waren de vijanden der waarheid zeer hevig op hem verbitterd. Aldus
werd hij verbrand. Tot hem werden gezonden om bij zijn dood tegenwoordig te
zijn, vier monniken, een Jakobijner, en Augustijner, een Karmelieter en een
Grauwe monnik, derhalve uit elke bedelorde één, om hem tot biechten op te wekken
en te beproeven hem van zijn geloof afvallig te doen worden. Een hunner heette
Willem Lapidanus, een Vlaams priester, die in die tijd te Agen voorlezingen
hield over de wijsbegeerte. De martelaar bleef echter volstandig bij zijn
gevoelens, maakte hen allen met hun eigen bewijzen beschaamd, en offerde,
temidden der vlammen, aan God, Zijn hemelse Vader, zijn gelukzalige ziel
op.
Kort daarna werden de inquisiteur Rochet en zijn
secretaris Richard te Tonlouse gevangen genomen, en aangeklaagd van zich aan de
zonde der Sodomieten te hebben schuldig gemaakt, en acht dagen later daarom
verbrand. Hieruit blijkt, welke rechters de kinderen Gods in deze wereld hebben,
en in wiens handen zij worden overgeleverd. Eindelijk ziet men ook hier de
geveinsde schijnheiligheid, die onder de kappen der geestelijkheid schuilt, die
zich toch als grote heiligen voordoen, en niet nalaten de gelovigen te vuur en
te zwaard te vervolgen.
[JAAR 1534.]
Omstreeks diezelfden tijd werd ook levend verbrand
Andries Bartholomeï, alleen omdat hij, toen hij naar de jaarmarkt te Lyon
reisde, voor een beeld, dat op de weg stond, niet had willen knielen. Aldus
offerde ook deze zijn ziel aan God op.
[JAAR 1534.]
Donderdags na Maria Lichtmis, in het jaar onzes
Heeren 1534, werd Joost de pottenbakker, wonende te Vucht, om de ware leer, die
men toen de Lutherse noemde, op de markt te 's Hertogenbosch onthoofd, nadat hij
omtrent acht maanden een zeer zware gevangenschap en veel verdriet ondergaan
had.
[JAAR 15311.]
In Oktober van het jaar van onze enige Verlosser
en Zaligmaker Jezus Christus, 1534, werden aan de predikstoelen te Parijs
papieren aangeplakt, waarin de goddeloze gruwelen der is en andere pauselijke
bijgelovigheden aangetekend stonden. Op verschillende plaatsen van de stad
werden vele gelovige en godvruchtige mensen omgebracht, omdat zij hun begeerte
naar de zuivere leer en onvervalste godsdienst aan de dag
legden.
Berthel Mylon, de jichtige bijgenaamd, een jonge
man, die over zijn gehele lichaam, uitgenomen zijn tong, door de jicht was
aangetast was derwijze in vuur en liefde tot de godzaligheid ontstoken, dat hij
geen ogenblik verzuimde, om ieder te vermanen, te onderwijzen en de genade van
de eeuwige God te verbeiden. Door de vijanden der waarheid werd hij gevangen
genomen, die, terwijl zij zich over zijn uitnemende kracht en standvastigheid
verwonderden, hem op de plaats de Grève levend lieten
verbranden.
Johannes du Bourg, koopman te Parijs, die in een
huis woonde, dat het zwarte paard tot uithangbord had, werd ook om het Evangelie
gevangen genomen en daar op een wrede wijze levend
verbrand.
De rentmeester van Nannettes, in Bretagne, werd
ook, om de kennis van het goddelijke Woord in de gevangenis geworpen, en te
Parijs bij het kruis, du Toroir genaamd, levend verbrand.
Hendrik Bouheron, metselaar van beroep, werd
aldaar mede, om het ware geloof, gevangen genomen, daarna zijne tong doorstoken
en met een ijzeren nagel aan zijn wang bevestigd en vervolgens levend
verbrand.
Cantella, een onderwijzeres van jonge meisjes, gaf
een heerlijk voorbeeld van standvastig geloof, waarom zij levend verbrand werd,
en wel aan het einde van de Huchetstraat.
Stefanus de la Forge, een burger van Doornik een
zeer vermaard koopman te Parijs, werd ook in die stad gevangen genomen, en,
omdat hij het Evangelie zeer genegen was, en dit trachtte te bevorderen, op het
St. Janskerkhof levend verbrand.
[JAAR 1534.]
Te Besançon, in het hertogdom Bourgondië, was een
priester Quoquillart geheten, die om de belijdenis van de Evangelische leer,
welke hij met grote vrijmoedigheid aflegde, eerst van zijn priesterlijke
waardigheid beroofd en ontwijd werd; vervolgens onderging hij de dood met een
gerust geweten, en bezegelde aldus de waarheid van de Heere Jezus Christus met
zijn bloed, in het jaar 1534.
[JAAR 1534.]
Maria Becaudette, bijgenaamd Gaborita, geboren te
Essarts in Poitiers in de heerlijkheid van het graafschap Funtenay. Zij was
werkzaam bij een burger in de stad La Rochelle, die haar ook onderwees in de
christelijke godsdienst. Later vertrok zij naar Essars, waar zij zich metterwoon
vestigde. Toen zij een grauwe monnik hoorde prediken, die het Woord Gods niet
zuiver en onvervalst verklaarde, vermaande en bestrafte zij hem alleen met
getuigenissen uit de Schrift. De Minderbroeder werd woedend, en riep meer dan
tien getuigen bijeen, en zei haar, dat zij alles nog eens herhalen moest. Zij
weigerde dit niet, en bracht de zuiverheid van het goddelijke Woord aan het
licht, beleed dat met standvastigheid, en verkondigde hem het vreselijk oordeel
des Heeren, dat hem overkomen zou. De monnik klaagde haar aan, en beschuldigde
haar, waarom zij werd veroordeeld om verbrand te worden, welk vonnis de hoge
raad te Parijs bevestigde. Onder grote en mannelijke vroomheid werd zij
verbrand, en stond de Evangelische waarheid voor tot aan haren
dood.
[JAAR 1534.]
Petrus Gaudet was geboortig uit een dorp bij
Parijs. Nadat hij de orde van de ridders van Rodus, die men St. Jansheren noemt,
had aangenomen, reisde hij met zijn vrouw naar de gemeente Gods te Genève, en
wel in het jaar van onze enige Heiland Jezus Christus 1534. Ongeveer zes maanden
daarna riep hem zijn oom, die bevelhebber was bij de bovengenoemde ridderorde,
op bedrieglijke wijze, daar hij een wreed vijand van de Evangelische waarheid
was, uit Genève terug. Hij beschikte, dat hij door enige verraders, die op het
slot Penan hun verblijf hielden en dienaren waren van de uit Genève verdreven
bisschoppen, werd gevangen genomen, hetwelk plaats had op de 23e juli, in de
avond van St.Jan.
Toen hij op het slot vijf dagen was gevangen
gehouden, en zeer gestreng werd gepijnigd en gemarteld, hield hij toch vol het
Evangelie zeer standvastig voor te staan en te beschermen.
Eindelijk werd hij op zulk een wrede en
onmenselijke wijze ter dood gebracht, dat het verhaal daarvan met recht te
verschrikkelijk is om aan te horen. Dan eens wierp men hem in het vuur, dan weer
trok men hem er uit, en werd hij andermaal daarin geworpen. Doch temidden van
zulk een gruwelijke pijniging riep hij de almachtige God zonder ophouden aan, en
gaf de tweede dag de geest, in het jaar van onze Heere en Zaligmaker Jezus
Christus 1534.
[Jaar 1535.]
In de maand Mei van het jaar onzes Heeren 1535,
werd te Mascon, om het geloof in het onvervalste Evangelie, gevangen genomen en
in de kerker geworpen, een landbouwer die zich met de akkerbouw bezig hield,
Johannes Cornon geheten. Hij was een man, die in het Woord van God zeer
godvruchtig, geleerd en goed geoefend was, hoewel hij lezen noch schrijven
kon.
Toen hij voor de rechters stond, antwoordde hij zo
gepast en standvastig, dat zij zich schaamden en verwonderden. Zij veroordeelden
hem om levend verbrand te worden, over welke veroordeling hij zo goed gemoed
was, dat hij zich op geen andere rechtbank wilde
herroepen.
Op een stuk mandwerk werd hij naar de strafplaats
gebracht, en betuigde hij het zuivere Woord van God in zijn leven, hij heeft dat
ook met zijn dood bezegeld, en wel in het laatst van de maand Juni van
bovengenoemd jaar.
[JAAR 1535.]
In de omtrek van Glocester werd in deze tijd een
Engelsman gevangen genomen, Cowbrig genaamd, en van daarnaar Oxford gebracht,
waarin die tijd Dr. Smith deken was van de hogeschool. Dr. Cootse was de oudste
na hem. Deze beiden, benevens andere godgeleerden, gedroegen zich zeer wreed en
onmenselijk jegens deze goede en onschuldige man. Immers, deze pausgezinde
nachtuilen kunnen van nature het licht van het heilige Evangelie in geen dele
verdragen, en haten en vervolgen dat te vuur en te zwaard, terwijl zij menen
daardoor de waarheid uit te roeien. Doch tevergeefs, want bij de uitkomst is
gebleken, dat het bloed der martelaren het zaad is van de kerk Gods, en dat er
meer mensen tot God bekeerd werden door het zien van de grote standvastigheid,
die God in de harten van de getuigen der waarheid stort, dan door de openbare
verkondiging van het heilige Evangelie, die zij nooit, hetzij in het openbaar,
of in het geheim wilden toelaten, zoals dit duidelijk bleek in deze goede
Cowbrig. Terstond, nadat hij gevangen genomen was en aangaande zijn geloof
ondervraagd, wierpen zij hem in een akelige kerker, Bocard genaamd, waar zij hem
bijna van honger lieten sterven, zodat hij geheel vermagerd en als uitgemergeld
was. Hij verdroeg dit echter alles met groot geduld om de naam Gods, Die hij
temidden van zijn benauwdheden loofde en prees, en dankte God zijn hemelse
Vader, omdat Hij hem waardig achtte, dit alles voor de waarheid te mogen lijden,
en betuigde, dat hij bereid was die met zijn bloed te bezegelen. Aangezien
echter deze valse huichelaars geen reden hadden om Cezen Cowbrig hij het volk te
beschuldigen, behielpen zij zich met leugens, en strooiden onder het volk uit,
dat er te Oxford een ketter gevangen zat, die, als men van Jezus sprak, dat wel
kon verdragen, maar dat hij het Woord Christus op generlei wijze kon horen
uitspreken; waarom zij het volk wijs maakten, dat hij verdiende levend verbrand
te worden, wat dan ook de meesten te Oxford geloofden. O grote valsheid en
geveinsdheid van deze Farizeeën! O grote en valse leugens, waarmee de
onschuldige verdrukt wordt! Maar de dienaar is niet beter dan zijn meester.
Christus, Die de waarheid zelf was, werd vals beschuldigd; wat wonder dan, dat
een getuige der waarheid door leugens vals beschuldigd wordt! Toen nu deze valse
beschuldiging door de gehele stad verspreid was, werd er een dag bepaald, op
welke dit onschuldig lam naar het slachthuis zou worden gevoerd. Onder de
toeloop van een grote menigte had dit dan ook plaats, terwijl zij met stokken
gewapend waren, uit vrees dat iemand hun deze prooi ontnemen zou. Toen hij op de
strafplaats kwam, waar hij zich zou opofferen, begaf hij zich vrijwillig in een
hut, die uit hout en stro was samen gesteld, en daar voor hem gereed stond om er
in verbrand te worden. Terwijl hij temidden der vlammen stond, riep hij
herhaalde malen de naam des Heeren met luider stem aan, zeggende: "Heere Jezus
Christus, wees uw armen dienaar genadig;" en beval aldus zijn geest in de handen
van zijn hemelse Vader.
[JAAR 1535.]
Vroeger werd reeds verhaald, hoe Patrick Hamilton,
uit een aanzienlijk en edel geslacht van Hamilton geboren, en vermaagschapt aan
de koning van Schotland, ter dood veroordeeld en levend verbrand werd, om de
belijdenis van de Evangelische waarheid. Zeven jaren na diens dood, in het jaar
1535 namelijk, werden te Edinburgh de hoofdstad van Schotland, op het kasteel
vijf personen tegelijk verbrand, omdat zij de duisternis van het pausdom hadden
verlaten, en het helder schijnende licht van het Evangelie aangenomen. Onder
dezen waren twee Jakobijner monniken, een priester en een kanunnik. Hun
ondervragers en rechters waren de aartsbisschop van St. Andries, Jan Majeur,
Pieter, de kapelaan, andere Minderbroeders, wier voorloper Hamilton vroeger was
geweest.
[JAAR 1535.]
Martinus Gonin werd geboren in een klein dal van
Piemont, Angrogna genaarnd, welks inwoners altijd de misbruiken der menselijke
instellingen hebben erkend en gehaat. Toen Martinus bij de Waldenzen kwam, werd
hij door tien tot een dienaar van het goddelijke Woord gekozen. De Waldenzen,
ofschoon zij goede mensen waren, bijzonder godvrezend en zeer geneigd tot het
Woord van God, zagen echter wel in, vooral nadat het licht der Evangelische
waarheid was opgegaan, dat in hun gemeenten veel ontbrak, wat tot de ware
godsdienst en de godzaligheid nodig was; ja, dat zij vele dingen, door
onwetendheid van tijd tot tijd ingevoerd, voor goede hadden aangenomen, die
nochtans van de Evangelische zuiverheid en het bevel der christelijke kerk
hemelsbreed verschilden. Zij zonden deze Martinus met Johannes Geraardt naar
Genève, tot Willem Farel, die toen in de stad bedienaar van het goddelijke Woord
was en baden hem, dat hij toch de roeping wilde aannemen, om hun kerk en
gemeenten te hervormen en te heistellen, volgens de uitspraak der Goddelijke
Schrift, zowel die gemeenten, welke gevonden werden in het gebergte in Dauphine,
Provence en bij Piemont, als in Italië, Calabrië, Apulië, die de begeerte naar
de godzaligheid en de vrees Gods hadden aangekweekt.
Toen Martinus de zaak, waarom hij was uitgezonden,
met grote vlijt en getrouwheid uitgevoerd had, keerde hij in de maand April 1536
terug, met het voornemen om naar het dal van Angrogna te reizen, teneinde zijn
ouders en vrienden te bezoeken.
Toen hij op zekere tijd uitging, onderzocht de
cipier George Borel hem, en vond enige Godvruchtige vermanings brieven, die
Willem Farel, Antonius Saunieries en andere dienaren te Genève aan enige
godvruchtige aanhangers van de Evangelische waarheid geschreven hadden De cipier
beval hem toen in de gevangenis te gaan, en sloot hem in een diep donker hol,
waar hij hem twee dagen opgesloten hield.
Op de derde dag kwam de procureur des koning
benevens enige anderen uit het departement tot hem, en zei, dat hij een
verspieder was, aangezien hij brieven bij zich had. Martinus zei: "Leest die, en
gij zult zien, dat zij van geen krijgszaken spreken, of geen andere zaken
behelzen, die de vorsten aangaan, maar dat zij alleen godvruchtige vermaningen
en geboden, om het leven naar de vrees Gods in te richten, inhouden." Enige
hunner vroegen, vanwaar hij was, en trachtten uit de brieven te bewijzen, dat
hij een Lutheraan was. Martinus antwoordde: "Ik ben geboren in het dal Angrogna
in Piemont; nu woon ik te Genève, en ben boekdrukker. Ik ben geen Lutheraan, en
begeer dat ook niet te zijn, aangezien Luther voor mij niet gestorven is, maar
Christus alleen, naar Wie ik mij noem, en word daarom een christen genaamd, voor
Wien en met Wien ik bereid ben te leven en te sterven.
Toen hem gevraagd werd, wie er te Genève predikte,
antwoordde hij: "Willem Farel en Petrus Viret." De procureur des konings hernam:
die twee hoofden van de Lutherse sekte?" met uw verlof," zei hij, zij zijn in
geen dele, wat gij meent; maar zij zijn getrouwe dienaars van de almachtige God,
die de zuivere leer van het Woord Gods verkondigen, zoals de Apostelen gedaan
hebben." Betuigt gij dan," zei de procureur, "dat alles wat onze moeder de
heilige roomse kerk leert, zoals de mis, het vagevuur, de aflaat, goede werken
en dergelijke andere dingen vals is? Martinus antwoordde, dat zij de kerk der
bozen was, die haren oorsprong en wasdom van de duivel had, waarvan de paus, de
ware antichrist, het hoofd is. "Maar," zei hij, "het zal juist zo geschieden als
bij Mattheüs geschreven is: "dat alle plant, die de hemelse Vader niet geplant
heeft, zal uitgeroeid worden." De procureur vroeg, wanneer dit geschieden zou.
Martinus antwoordde: "Wanneer de zoon der verderfenis, die in de tempel Gods
zit, geopenbaard zal wezen, zoals Paulus zegt. Geef mij de Bijbel, en ik zal het
u tonen." "Wij hebben heden genoeg daarvan," zei de procureur, "morgen zullen er
leraars komen, die u anders zullen antwoorden; zij zullen de Bijbel en het
misboek ook mee brengen."
Des anderen daags kwam tot hem in de gevangenis
een grote menigte Minderbroeders, predikbroeders, priesters, en ook enige
raadsheren van het parlement. Toen vroegen hem de procureur en de kettermeester:
"Wel, hebt gij nog meer te zeggen dan gij reeds gedaan hebt?" Martinus zei: "Ik
weet niet, wat gij mij vragen wilt." Toen begon de kettermeester, als de
stoutste, aldus te vragen: “In wie gelooft gij'?" "Ik geloof," zei Martinus, “in
God de Vader door Christus Jezus, zoals er in de artikelen van het geloof staat:
ik heb ook geen ander geloof." Toen vroeg de kettermeester weer, op welke wijze
hij God de Heere aanriep en aanbad. "Op die wijze," antwoordde Martinus, "als
onze Zaligmaker ons heeft leren bidden, namelijk: "Onze Vader, Die in de hemelen
zijt" &. Woedend vroeg de kettermeester verder, "Beweert gij dan, dat de
voorbidding van onze moeder de heilige kerk niet baat?" Martinus antwoordde:
"Gijlieden meent dit en zegt het, maar het zijn niet anders dan menselijke en
duivelse woorden, die met hun hoofd en insteller de paus vervallen zullen, zoals
er geschreven staat Openb. 17, vs. 18:" welke plaats door Martinus verklaard
werd.
Toen werden de monniken en priesters zo woedend,
dat zij met vuisten op de tafel sloegen, hun mutsen op de grond wierpen, en
riepen, dat men hem niet verder behoorde te ondervragen of te onderzoeken,
aangezien hij een verdoemd ketter was. "Zijn de profeten," zei Martinus, "en
Christus Jezus, mijn Zaligmaker, en ook de Apostelen ketters, zo wil ik één
wezen met hen; want ik houd mij aan geen andere leer dan de hunne vast, en wil
mij aan geen andere overgeven.
Op deze wijze werd het twistgesprek over de
artikelen van de godsdienst en de schandelijke misbruiken der roomse kerk
gedurende vier dagen en wel vier á vijf urenlang, voortgezet. Eindelijk
verlangde Martinus een misboek van hen, teneinde hun een bijzonder groot
misbruik aan te tonen in de Kanon, dat begint. “Te igitur clementissime," waar
zij Christus weer met vlees en beenderen, in een beet brood besloten, voor de
zonden van levenden en doden opofferen, "dat immers," zei hij, "zeer dwaas en
van alle waarheid en het geloof in Jezus Christus vervreemd is. En dit is ook
zo, want onze enige Zaligmaker Jezus Christus is eens in het heilige der
heiligen ingegaan, en heeft Zich aan het kruis voor onze zonden opgeofferd,
zodat Hij door de storting van Zijn allerzuiverst bloed, dat Hij Zijn Vader
opofferde, al de onreinheid en de smetten onzer gebreken en zonden geheel
afgewassen en ons ten enenmale, gereinigd heeft. Derhalve is zodanige offerande
tegen het Woord van God vernieuwen of herhalen niet alleen onnodig, maar ook
goddeloos, aangezien alzo de offerande van Jezus Christus wordt vernietigd."
Toen werden de monniken en hun aanhangers hoe langer zo woedender, stampten met
de voeten op de grond, sloegen op de tafel, trokken de mutsen van het hoofd, en
zeiden, dat hij een ketter was, dat hij de duivel had, omdat hij niet geloven
wilde aan de mis terwijl de cipier bevolen werd hem in een toren te sluiten.
Toen de menigte nu uit elkaar zou gaan, zei de kettermeester hun, dat het hem
het best dacht, aangezien deze mens geen Fransman was, hem in het water te
werpen, opdat het volk hem niet zou horen spreken; want er was gevaar, dat hij
het volk, dat hem horen zou, door zijn welsprekendheid nog erger zou maken dan
hij zelf was; waarom het hem goed dacht, dat de opperste landsrechter dat moest
trachten te verhoeden.
Twee dagen daarna, de 15de April 1535, des avonds
omstreeks negen uur kwam de onderstadhouder, die ook kastelein genoemd werd, met
de scherprechter en twee gerechtsdienaren, in de gevangenis, terwijl Martinus
sliep. Wakker geworden zijnde, zei Martinus tot hen: "Waar gaat gij naar toe,
mijn vrienden? Ik merk het wel, en zie, wat gij mij doen wilt; gij wilt mij
namelijk in de rivier werpen, opdat niemand van het volk mij zou zien, maar God,
die alle dingen opmerkt, kan u gemakkelijk zien. Ik ga nu, opdat ik eeuwig met
Hem leeft; en ik bid Hem, dat Hij u die kennis schenkt, dat gij uw bozen raad en
daad mag belijden. Nu, laat ons gaan in de naam des
Heeren!"
Toen hij dit gezegd had, stond hij op, en liet
zich door de scherprechter binden, om naar de strafplaats geleid te worden. Bij
het verlaten van de gevangenis beval hij al de gevangenen de Heere aan, van wie
het merendeel weende, vooral zij bij wie door hem begeerte naar het goddelijke
Woord opgewekt was, terwijl zij hem wederkerig ernstig opwekten, om welgemoed en
getroost te zijn. Toen hij de stad werd uitgeleid, bad hij God voor de overheid
en de raad, die hem alzo behandelden, en vermaande hen, die hem volgden, dat zij
zich moesten wachten voor de beeldendienst.
Toen hij aan de oever van de rivier, Isère
geheten, gekomen was, en de scherprechter hem aan de een voet gebonden bad,
verzocht hij, als een getrouw dienaar en waarachtig getuige van Jezus Christus,
de onderstadhouder, dat hij de beul zo lang wilde laten wachten, totdat hij een
weinig zou gesproken hebben. Toen hem dit werd toegestaan, leerde en vermaande
hij het volk, dat hem in grote scharen gevolgd was, dat zij met hun gehele hart
en met alle vlijt het Evangelie van onze Heere Jezus Christus moesten volgen, en
dat naarstig lezen, zo om hun zaligheid, die daarin werd voorgesteld, als ook om
de dwalingen, misbruiken en goddeloosheden in te zien, waarin de paus hen
gevangen hield.
Zo gij hem wilt volgen," zei hij, "zult gij
spoedig naar de helle varen; en hoe goddeloos hun leer en tucht is, kunt gij
gemakkelijk zien in hun leven, dat zij in allerlei boosheid en schelmerij
doorbrengen. Daarom, volgt liever de Heere en onze Zaligmaker, waaidoor gij een
zalig leven zonder gevaar vinden zult. Deze en vele andere dingen, die niet
geschreven zijn, predikte hij hun anderhalf uur achtereen, tot grote
verwondering der toehoorders, die met lust naar hem luisterden: zo zelfs, dat er
velen waren, die het beweenden, dat de goede man aanstonds zou worden
omgebracht.
Doch de goddeloze beul, die dit lang wachten begon
te vervelen, en liever een dronk wijn dan dit zaligmakend voedsel van het Woord
Gods genoot, beval hem zeer onbeleefd, dat hij zijn rede moest eindigen.
Vervolgens viel Martinus aan de oever der rivier op de knieën, richtte zijn
gebed tot God, en vroeg van Hem vergeving voor zijn zonden, door het lijden van
Jezus Christus. Zijn laatste woorden waren: "U beveel ik, o Heere Jezus
Christus, mijn geest." De beul deed vervolgens een kort touw om zijn hals, en
draaide dat zo lang totdat hij op de grond viel. Daarna stiet hij de man in de
rivier, en hield hem bij de ene voet, die gebonden was, zo lang vast, als hij
zich nog roerde. Daarna sneed hij het touw los, en liet het lichaam in de rivier
drijven. Aldus scheidde de vrome martelaar van Jezus Christus uit deze
wereld.
[JAAR 1536.]
Jezus Christus, onze enige Zaligmaker, dankte Zijn
hemelse Vader, dat Hij Zijn goddelijke wil voor de wijzen en de verstandigen
verborgen hield, en de kinderen openbaarde. Aldus heeft de Heere ongetwijfeld
wat naar de wereld veracht is verkoren, zoals Paulus zegt, opdat Hij daardoor de
machtigen en wijzen zou`beschaamd maken, zoals wij dagelijks in vele voorbeelden
zien.
In Zeeland woonde een eenvoudig landbouwer, die
gevankelijk naar Zierikzee gebracht werd, omdat hij niet wilde geloven, dat in
het misbrood waarachtig God en mens was. Hij hield deze ware mening zo vast, dat
hij in geen dele daarvan was af te brengen. En, ofschoon hij een ongeleerd man
was, versterkte God de hemelse Vader hem aldus, dat hij op generlei wijze aan de
valse en bedrieglijke woorden der mispriesters en monniken gehoor gaf. Om die
reden werd hij eindelijk tot de vuurdood veroordeeld, en naar het galgenveld
gevoerd. Hier was een Jacobijner monnik, die hij om zijn pluimstrijkerij en
dwaze praatjes een ekster noemde, zeer bezig met zijn afgodisch kruis en andere
beuzelingen hem te kwellen; maar, onder dat alles riep hij voortdurend de Heere
aan, en bad onophoudelijk: “Vader, Vader, hemelse Vader?” Hij werd aan de paal
geplaatst, terwijl men een zakje met buskruit gevuld, aan zijn hals hing.
Vervolgens zette de beul een paar bossen stro, omdat daar niet veel hout te
vinden is, om zijn lichaam, en stak dat aan. Alzo gaf deze goede man zijn leven
over en bezegelde met zijn dood de waarheid, welke hij in zijn leven had
beleden.
Wie is er toch onder alle wijze, hooggeleerde,
kloekzinnige leraren, die de waarheid door hun groot vernuft beter gevonden
heeft, dan deze man in zijn eenvoudigheid? Hun verstand was in ijdelheid
veranderd; maar deze man bezat door de genade des Heeren de kennis van God, en
daarom verwierp hij de blinden, doden en stommen afgod. Hij wist, dat Christus
zit aan de rechterhand Zijns Vaders in de hemel, en daarom geloofde hij hen
niet, die roepen: Hier is Christus en daar is Christus. O, God, dat de mensen
nog zo blind zijn en het brood of de ouwel voor hun God houden! Dat leren ons
toch de katten, muizen en honden wel anders. Het zon toch wel een arme dwaas
veel minder een God moeten zijn, die zich door deze dieren zou laten verslinden.
Verlicht hun ogen o Heere!
Johannes Scheniz.
[Jaar 1535.]
Johannes Scheniz werd, om de belijdenis der
goddelijke waarheid, op het bevel van Albertus, aartsbisschop van Mainz, op de
21sten Juli 1535, te Salsborn verwurgd. Later heeft Luther in een openbaar
geschrift, deze boze daad van bovengenoemde bisschop moedig aan de kaak gesteld
en ernstig bestraft.
[JAAR 1536.]
Tijdens de regering van Hendrik de achtste, koning
van Engeland, voor de grote hervorming der kerk plaats had, was er in En geland
een vroom en getrouw dienaar van Jezus Christus, Wilhelmus Tyndall genaamd,
geboren bij de grenzen van Wales (Engeland). Van zijn kindsheid aan was hij aan
de hogeschool te Oxford opgeleid, waar hij niet alleen opgroeide en toenam in de
wetenschappen der vrije kunsten, maar bovenal in de kennis der Heilige Schrift,
waarnaar zijn begeerte zich vooral uitstrekte. Toen hij in het college van
Magdaleria was, las hij aan zekere studenten, zijn metgezellen, enige stukken
over de goddelijke leer in het geheim voor, en onderrichtte tien in de waarheid
van God. Zijn zeden en zijn omgang waren zo, dat hij door alle mensen werd
geacht, en gehouden voor een zeer godzalig man, die met deugdelijke gevoelens
was begaafd en met een onbevlekt leven versierd. Toen hij geruime tijd te Oxford
had gestudeerd, vertrok hij van daarnaar de hogeschool te Cambridge, om daar
zijn studiën in de goddelijke leer voort te zetten. Bij het toenemen in kennis
en na het verkrijgen van verschillende graden aan de hogeschool, vertrok hij van
daar, en ging hij een ridder te Glochester wonen, mr. Welche genaamd, waar hij
zeer bemind was, en spoedig de gunst en de achting van zijn heer
verwierf.
Aangezien deze edelman een dagelijkse tafel hield,
die met goede en lekkere spijs was voorzien, kwamen er dikwerf bij hem te gast
verscheidene abten, diakonen, archi-diakonen en andere grote meesters en leraars
die voordelige ambten bekleedden. Terwijl zij aan tafel zaten, kwamen zij vaak
met mr. Tyndall in gesprek over de geschillen en andere opvattingen in de
godsdienst. Daar hij, door zijn grondige kennis in de goddelijke wetenschap,
zeer goed tegen hen gewapend was, spaarde hij hen niet, en ontzag zich niet rond
en eenvoudig zijn gevoelen bloot te leggen, en wel over zodanige betwiste zaken,
waarin hij zag, dat zij nu en dan gedwaald hadden, en weerlegde hun dwalingen
met duidelijke en openbare plaatsen der Heilige Schrift.
Deze weerleggingen en twistgesprekken duurden zo
lang, totdat zij hem eindelijk een heimelijke haat toedroegen. Zij wisten niet,
hoe zij anders hun lagen zonden leggen dan dat de kanselier zijn priesters zou
doen bijeenkomen, onder wie mr. Tyndall ook moest verschijnen. Toen hij daar
verscheen, dreigde, lasterde en berispte de kanselier hem zeer gestreng, en
richtte vele beschuldigingen tot hem, ofschoon er geen aanklagers konden
gevonden worden, die hem naar recht konden beschuldigen. Toen zij niets in hem
vonden, ontkwam hij voor ditmaal aan hun handen, en keerde tot zijn heer
terug.
Niettegenstaande dit alles, nam daarna hun haat
hoe langer hoe meer toe, zodat hun schreeuwen en razen niet eer ophield dan
nadat zij hem van zijn heer hadden verjaagd. Van daar vertrok hij naar Londen,
om zich de bisschop Cutbert Tonstal ten dienste te stellen; maar God, Die alles
in het verborgen bestuurt, had bepaald, dat hij geen gunst bij deze bisschop
vinden zou. Want, nadat hij enige hulp en bijstand van Humfred Mummots, lid van
de raad van Londen, en andere godzalige mannen genoten had, verliet hij Engeland
en ging naar Duitsland, waar deze godvruchtige man, vervuld van een innige
liefde voor zijn vaderland, geen moeite of arbeid ontzag, om zijn broeders en
landgenoten in Engeland, tot dezelfde lust en de begeerte naar Gods heilig Woord
op te wekken, waarmee de Heere hem had begiftigd.
Na daarover bij zichzelf overlegd, en met Johannes
Frythus geraadpleegd te hebben, zag hij geen beter middel om zijn voornemen uit
te voeren, dan de Heilige Schrift in de volkstaal over te zetten, opdat het
onwetende volk de klaarheid en eenvoudigheid van Gods heilig Woord mocht inzien,
vooral daar hij door ervaring geleerd had, dat, zo lang de Heilige Schrift voor
hun ogen verborgen was, het niet mogelijk was om de leek in de waarheid te
versterken. En die onwetendheid was de voornaamste bron, waaruit al het kwaad in
de kerk voortvloeide; want daar intussen de gruwelijke daden en afgoderij, welke
de farizeese priesters bedreven, gehandhaafd werden, konden deze niet opgemerkt
worden. Daarom gebruikten zij alle geweld, om de Heilige Schrift te
verduisteren, en die voor de ogen van het volk te verbergen, opdat zij niet
gelezen zou worden; en, wanneer zij al gelezen werd, de rechten zin aldus te
verdraaien en te verduisteren door de donkere nevelen van hun valse drogredenen,
zodat zij allen wisten te verstrikken, die hun gruwelijke daden wilden berispen.
En de waarheid, die men het volk zou willen leren, blusten zij door hun
schijnschone redenen en door hun wijsgerige bewijsvoeringen, door hun wereldse
vergelijkingen, en door hun verdraaiende dubbelzinnigheid uit. Ja, wat meel, is,
zij speelden er zo mee en stelden zo velerlei uitleggingen voor de ogen van de
eenvoudige en onwetende lieden, dat, ofschoon zij in hun harten verzekerd waren,
dat al wat zij spraken vals was, men nochtans hun arglistige raadselen niet kon
ontdekken, tenzij de Schrift in hun moedertaal werd
overgezet.
Hierom werd deze vrome godzalige man verwekt, ja
zonder twijfel door de Geest Gods gedreven, om eerst het Nieuwe Testament in
zijn moedertaal over te zetten, wat hij deed omtrent het jaar van onze
Zaligmaker 1527. Daarna vertaalde hij ook de vijf boeken van Mozes, en voorzag
die van verscheidene verklaringen en voorredenen, die waardig zijn door alle
vrome christenen gelezen te worden. Hij schreef ook vele andere godzalige
boekjes, die grote stichting in de kerk van God hebben bevorderd. Toen dit alles
nu, vooral zijn overzetting van het Nieuwe Testament, onder het volk werd
verbreid, was het inderdaad een wonder te zien, welk een deur voor het licht
daardoor werd geopend. En, gelijk zij in vele vrome mannen veel goeds teweeg
brachten, alzo verachtten en vermeden de goddelozen die integendeel, opdat het
volk niet wijzer zou worden dan zij; terwijl zij aan de andere zijde vreesden,
dat door de helder schijnende stralen van het heilige Evangelie hun valse
geveinsdheid en hun werken der duisternis zouden kunnen ontdekt worden, en het
volk oproerig zou beginnen te worden, zoals bij de geboorte van Jezus Christus,
Herodus beroerd werd en geheel Jeruzalem met hem. Maar inzonderheid heeft de
satan, die als de vorst der duisternis verstoord was wegens de bekendheid en de
verbreiding van het Heilige Evangelie door zijn werktuigen alle mogelijk geweld
gedaan, om de gezegende arbeid van deze godvruchtige man te verhinderen en te
beletten. De bisschoppen waren zeer verbitterd en ontstoken tegen Wilhelmus
Tyndall, vooral omdat hij het Nieuwe Testament en de vijf boeken van Mozes had
overgezet en vele andere heerlijke geschriften had uitgegeven, zoals een
voortreffelijk boek over de christelijke gehoorzaamheid en een geschrift tegen
Thomas Morus. Hun woede bedaarde niet eer dan nadat zij een bevel van de koning
verkregen hadden, om deze boeken te verbieden; en, hiermee nog niet tevreden,
gingen zij in hun boosheid voort, en bedachten allerlei middelen om hem in hun
strikken te vangen, en op een valse geheime wijze hem van het leven te beroven.
Ten gevolge daarvan vertoefde hij enige tijd in Duitsland, waar hij met Martinus
Luther en andere kloekzinnige leraars had gesproken, en vertrok weer naar de
Nederlanden, om zich metterwoon te Antwerpen te vestigen. Toen de bisschoppen en
Thomas Morus, door enige slechte lieden, die van Antwerpen kwamen, daarvan
hoorden, onderzochten zij alles naarstig, zoals uit de geschreven stukken te
Londen blijkt, wat op Wilhelmus Tyndall betrekking had namelijk, waar en met wie
hij woonde, waar het huis stond, hoe zijn voorkomen was, welke kleding hij
droeg, en met wie hij verkeerde, teneinde zo veel te beter, hem hun arglistige
lagen te leggen, zoals ook daarna plaats had. Mr. Tyndall was namelijk te
Antwerpen thuis bij een Engelsman, Thomas Points genaamd, waar tevens vele
Engelse kooplieden gelogeerd waren. Terwijl hij daar vertoefde, kwam er
opzettelijk een man uit Engeland, Hendrik Filippus geheten, die zag dat mr.
Tyndall dikwerf met deze kooplieden verkeerde. Deze maakte kennis met hem, zo
zelfs, dat Wilhelmus Tyndall, aangezien hij een geleerd man was, hem zo ver wist
te brengen, om in hetzelfde logement te komen vertoeven, en hem daarenboven zijn
boeken en andere zaken toonde, die zich in zijn studeerkamer bevonden. Hij
koesterde geen wantrouwen of achterdocht, dat hij door te bisschoppen werd
gebruikt en gezonden om hem te ver raden.
Doch Filippus vond niet goed zijn aanslag aan de
bestuurders en beambten van Antwerpen te kennen te geven, uit vrees dat de
Engelse kooplieden het mochten vernemen en Tyndall waarschuwen. Hij ging daarom
naar Brussel, en deelde alles aan de procureur-generaal van de keizer mee, en
bracht in weinig tijd zo veel teweeg, dat hij met de procureur-generaal en
andere beambten weer naar Antwerpen ging. Zodra hij te Antwerpen kwam, ging hij
naar het huis van de bovengenoemde Points, en vroeg aan de vrouw van het huis
naar mr. Tyndall, en voegde er bij, dat hij bij haar het middagmaal wilde
houden, en, omdat hij Tyndall als gast daarbij wilde nodigen, verzocht hij dat
zij goede spijzen zou gereed maken. Intussen ging hij uit om de beambten, die
hij van Brussel had mee gebracht, te waarschuwen dat zij op hem moesten passen,
en plaatste hen in de straat en voor de deur van het huis. Even na den middag
kwam hij terug en ging naar Tyndall, en vroeg hem, na hem gegroet te hebben,
twintig gulden te leen, aangezien hij op de reis van Mechelen zijn beurs
verloren had. Wilhelmus Tyndall, die zeer eenvoudig was, deed dit terstond daar
hij met de valse streken dezer wereld onbekend was.
Verder sprak hij hem aan en zei: "Mr. Tyndall, gij
zult heden mijn gast wezen!" "Neen," antwoordde hij, "met enige van mijn
vrienden ben ik reeds ten eten genodigd, en gij zult mijn gast zijn, waar gij
zeer welkom zult wezen."
Na deze gesprekken, toen het tijd werd om te eten,
gingen beiden heen, waarbij Filippus uit beleefdheid zeer grote beweging maakte,
en verzocht hem het eerst de deur uit te gaan. En aangezien mr. Tyndall een kort
man was en voor Filippus de deur uitging, stak de laatste zijn hand boven zijn
hoofd, om de beambten, die hij bij de deur geplaatst had, een teken te geven,
dat hij de man was die zij moesten grijpen, hetwelk de beambten, die zijn
onschuld zagen, zelfs bedroefde, toen zij hem aangrepen. Alzo brachten zij hem
bij de procureur-generaal, waar hij zijn maaltijd duur moest betalen, want al
dadelijk na het eten liet de procureur-generaal beslag op al zijn goederen en
boeken leggen. Van daar brachten zij hem naar het kasteel te Vilvoorde, waar
deze ijverige dienaar van Christus in de gevangenis vertoefde tot de tijd,
wanneer hij als een offerande zou vallen.
Nadat deze bloeddorstige mensen hem dikwerf,
wegens zijn geloof, ondervraagd en gepolst hadden, ofschoon hij de dood niet
schuldig was, en zij geen middelen konden vinden om hem van de goddelijke
waarheid af te trekken, veroordeelden zij hem, op het voortdurend aanhouden van
de Leuvense leraren, en op grond van het bevelschrift des keizers, gegeven in de
vergadering te Augsburg, om levend verbrand te worden. Zij leiden hem dan buiten
het kasteel naar de strafplaats. Toen hij aan de paal gebonden was, richtte hij
vele vurige gebeden tot God en Zijn enige Zaligmaker Jezus Christus, en riep met
luider stern: “Heere, open de ogen van de koning van Engeland." Na eindelijk
zijn geest in de handen van Zijn hemelse Vader aanbevolen te hebben, werd hij
eerst door de scherprechter verwurgd en daarna tot as verbrand. Aldus is deze
standvastige martelaar van Christus te Vilvoorde in de Heere ontslapen, in het
jaar onzes Zaligmakers 1536.
Men zegt, dat de procureurfiscaal van Brabant
omtrent Tyndall getuigde, dat hij een zeer geleerd, goed en heilig man was, die
een stil en deugdzaam leven leidde. Een geloofwaardig koopman heeft betreffende
deze Tyndall een zaak verhaald, die in deze geschiedenis niet mag verzwegen
worden. Te Antwerpen bevond zich een soort van tovenaar, die in vele duivelse
kunsten zeer wel ervaren was en gewoonlijk vertoefde in een herberg waar vele
buitenlandse kooplieden kwamen logeren; deze liet dan, wanneer de kooplieden aan
tafel zaten, wijn en vlees brengen, uit welke streken der wereld zij slechts
verlangden. Toen Tyndall dit vernam, verzocht hij een van deze kooplieden, om
ook eens daar tegenwoordig te mogen zijn, wanneer deze tovenaar daar weer zijn
kunst zou vertonen, wat hem werd toegestaan. Op zekere tijd, toen men wist dat
deze tovenaar daar weer komen zou. om zijn duivelse kunsten te laten zien,
bezocht ook Tyndall met enige andere kooplieden deze herberg, om eens te zien
wat deze man ten uitvoer zou brengen. De tafel werd gedekt, de spijzen werden
opgebracht, en Tyndall en de andere kooplieden namen aan de tafel
plaats.
Daarna verzochten zij deze tovenaar, om enige van
zijn kunsten te vertonen. Hij deed daarbij zijn uiterste best om te bewijzen,
dat hij in de zwarte kunst een goed meester was, doch hij kon ditmaal niets
uitrichten.
Toen hij eindelijk zag, dat al zijn toverijen
tevergeefs waren, en hij zeer terneer geslagen was, werd hij als gedwongen om
aan de maaltijd in het openbaar te belijden, dat er iemand aan de tafel was, die
al zijn pogingen deed mislukken, en belette datgene te doen, wat hij anders
gaarne zou gedaan hebben. Dusdanig was de godsvrucht van deze man, dat de duivel
in zijn tegenwoordigheid geen macht had, om door enige toverij de ogen der
mensen te bedriegen.
Een verzoekschrift, geschreven door
Wilhelmus Tyndall, aan koning Hendrik de achtste, aan zijn adel en de onderdanen
van Engeland.
Wilhelmus Tyndall bidt zeer ootmoedig zijn
koninklijke genade goed te willen overwegen en te letten op de wegen, langs
welke de kardinaal en zijn heilige bisschoppen hem geleid hebben van de tijd
aan, dat de koning aan de regering kwam, en acht te geven op de opgeblazen
hoogmoed van de kardinaal, en waar nu al de ijdele dingen gebleven zijn, waarop
hij zich beroemde, en hoe God hem en al de arglistige aanslagen der geestelijken
heeft weerstaan. Wij, die daarin niets te doen hadden, hebben, niettegenstaande
dat, in alle zaken gearbeid; ja, de verzorging van onze dienaren heeft ons meer
gekost dan iemand anders van het gehele christelijke rijk; waarvoor wij nochtans
niets ontvangen heb dan haat en smaad van alle mensen, en zijn een verachting
geworden onder alle volken, maat vooral onder hen, die wij het meest hebben
welgedaan.
Daarom bid ik zijn koninklijke majesteit, dat zij
toch medelijden heeft met haar eigen ziel, en niet langer wil toelaten, dat
onder haren naam Jezus Christus en Zijn heilig Evangelie zal gesmaad en vervolgd
worden, opdat het zwaard van Gods toorn weer mag worden ingetrokken, hetwelk
daarom voornamelijk was ontbloot.
Verder bid ik ook, dat zijn koninklijke genade
mededogen heb met zijn ongelukkige onderdanen, opdat ook zijn koninkrijk door de
boze raadslagen van deze vergiftigde priesters niet ten enenmale onderga, want,
wanneer zijn majesteit, die slechts een mens is, sterft en zijn adel en
onderdanen niet weten, wie zijn kroon zal erven, zouden er, zonder twijfel, in
het rijk grote moeilijkheden en gevaren ontstaan.
Daarom is ook mijn verzoek aan de adel en aan de
wereldlijke heren, dat zij aan de voeten van zijn koninklijke majesteit
neervallen, en haar ootmoedig bidden, dat zijn majesteit de persoon wil
aanwijzen, die hem zal opvolgen, opdat de wereldlijke heren, ridders en het volk
hem een eed van getrouwheid mogen zweren, teneinde er later geen verschil of
strijd over de opvolging ontsta, want, indien dit door het zwaard of door een
oorlog zou moeten beslist worden, ben ik van gevoelen, dat het gehele koninkrijk
daardoor zou kunnen teniet gaan.
Eindelijk wend ik mij tot de onderdanen van het
koninkrijk Engeland, en bid hun ernstig, dat zij zich tot de Heere bekeren,
aangezien de zonden der onderdanen de oorzaak zijn van kwade regeerders; terwijl
de oorzaak van het bestaan der vals leraars is, dat het volk geen liefde tot de
waarheid bezit, gelijk de Apostel Paulus zegt, 2. Thess. 2, vs. 10: "Wij zijn
allen zondaars, honderd maal meer waardig dan wat wij lijden." Laat ons elkaar
vergeven, en bedenken, hoeveel groter zondaren wij zijn, hoe heerlijker onze
vreugde zal wezen, in zoverre wij een oprecht berouw en leedwezen over onze
zonden hebben, volgens het voorbeeld van de verloren zoon. Want Jezus Christus
is voor de zondaren gestorven; Hij is hun zaligmaker; Zijn bloed is hun schat,
waarmee Hij voor hun zonden heeft betaald. Hij is het gemeste kalf, geslacht om
hen vrolijk te maken, wanneer zij zich weer tot hun genadige Vader willen
bekeren. Zijn verdiensten zijn de kostelijke kledingstukken, waarmee de
afschuwelijkheden van hun zonden zijn bedekt. Voorts, wanneer de vervolgingen
door de koning en andere wereldlijke heren, die met de geestelijkheid
samenspannen, voortkomen uit onwetendheid, dan twijfel ik niet, of hun ogen
zullen binnenkort geopend worden, zodat zij zullen zien, en berouw en leedwezen
gevoelen; en God zal hun genade bewijzen, en zich over hen ontfermen. Maar,
indien het uit opzettelijke boosheid voortkwam, uit een hart, dat wetens en
willens tegen de wet van God zich aankant, en uit een hartelijke lust tot
zondigen, om moedwillig in hun oude wegen te wandelen, zodat er geen hoop op
berouw meer overblijft, en zichzelven aan de ongebonden wellusten van zondigen
ten enenmale hebben overgegeven, die de zonde is tegen de Heilige Geest; dan
zullen zij weldra zien, dat God de scherpte van Zijn zwaard tot hen zal keren,
waarmee zij het bloed van Christus vergoten hebben, om hun eigen bloed daarmee
te vergieten, volgens de voorbeelden der Heilige Schrift.
Brief, geschreven door Wilhelmus
Tyndall, aan de vromen martelaar Johannes Frythus, tijdens hij in de Tower te
Londen gevangen zat.
Genade en vrede van God de Vader en onze Heere
Jezus Christus zij met ulieden, amen.
Allerliefste broeder Johannes, ik heb vernomen,
dat de geveinsden, nu zij hun grote zaak hebben uitgevoerd, tot hun oude natuur
zijn teruggekeerd. De wil van God worde volbracht, en wat Hij bevolen heeft, eer
de wereld gegrond was, geschiede, en zijn heerlijkheid heerse
overal.
Allerliefste, hoe het ook met uw zaak gesteld zij,
beveel uzelf geheel en ten enenmale aan uw hemelse Vader en aan uw
allergenadigste Heere; vrees de bedreigingen der mensen niet, en verlaat u
geenszins op hen, die u met schone woorden vleien; maar stel uw vast vertrouwen
alleen op Hem, Die waarachtig is in Zijn beloften, en machtig om Zijn woord te
vervullen. Bedenk, dat uw zaak het Evangelie van Christus is, een licht, dat
door het bloed van het geloof moet gevoed worden, een lamp, die dagelijks moet
bereiden gevuld worden, een olie, die iedere morgen, en elke avond moet worden
ingegoten, opdat het licht van de lamp niet uitga; want, al zijn wij zondaren,
onze zaak nochtans is rechtvaardig. Indien wij geslagen worden, als wij weldoen,
en dit dan geduldig verdragen, dat is genade bij God, want hiertoe worden wij
geroepen. Immers, Christus heeft ook voor ons geleden, en beeft ons een
voorbeeld nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen, die geen zonde
gedaan heeft. Hierin hebben wij de liefde gekend, dat Christus Zijn leven voor
ons gesteld heeft; zo zijn wij schuldig voor de broeders het leven te stellen.
Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen; en, wanneer wij met
Christus lijden, wij zullen ook met Hem verheerlijkt worden, Die ons vernederd
lichaam veranderen zal, dat het gelijkvormig worde aan Zijn verheerlijkt
lichaam, naar de krachtige werking, waarmee Hij ook alle dingen zichzelf
onderwerpen kan.
Allerliefste, heb goede moed, en vertroost uw ziel
met de hoop van dit hoge loon, en draag het beeld van Christus in uw sterfelijk
lichaam, opdat het zijn onsterfelijk lichaam mag gelijkvormig worden. Volg het
voorbeeld van al uw andere lieve broeders na, die liever hebben gekozen te
lijden in de hoop van een betere opstanding. Houd uw geweten rein en onbevlekt,
en spreek dat niet tegen. Houd u vast aan die leerstukken, welke volstrekt nodig
zijn ter zaligheid. Denk aan de lasteringen der vijanden van Christus, die
zeggen dat zij geen anderen vinden dan zulken, die bereid zijn liever hun geloof
te verzaken, dan de pijnigingen te lijden; zo ook, dat de dood van ben, die zich
aait verloochening hebben schuldig gemaakt, en daarna voor hun eens geloochend
geloof sterven, hoewel God en de gelovigen aangenaam, niet kostelijk is; want
zeggen deze geveinsden zij moeten noodwendig sterven, en verzaking kan hun niet
helpen, en, indien verzaking hen had kunnen redden, zouden zij wel vijf honderd
maal verloochend hebben. Doch, daar zij bemerkten, dat het hun niet baten kon,
zijn zij door enkel hovaardij en boosheid gestorven, terwijl zij met hun monden
betuigden, wat hun eigen geweten getuigde, dat vals was.
Daarom, allerliefste broeder bent gij bereid uzelf
Gode tot een geschikte offerande over te geven, geef u dan over, en beveel u
geheel en alleen aan uw lieven en welbeminden Vader. Dan zal Hij Zijn kracht in
u openbaren, en u aldus versterken, dat gij in het geheel geen pijn gevoelen
zult, die anderen de dood zou veroorzaken, en volgens Zijn belofte, zal Zijn
Heilige Geest in u spreken, om u te leren, wat gij zult antwoorden. Zijn
waarheid zal Hij wonderbaar door u voorstellen, en zal sterk in u werken, zelfs
boven wat gij in uw hart denken kunt; ja, ofschoon ook de geveinsden met hun
aanhangers uw dood gezworen hebben, nochtans bent gij niet dood; una salus
victis nullam sperare sulutem. Om niet van mensen hulp te verwachten, heeft hij,
die voor de ogen der geveinsden schijnt overwonnen te zijn, de hulp van God
nodig; ja, wat meer is, het zal God aanleiding geven, om u, ter wil van Zijn
zuivere waarheid door het vuur en het water te doen heengaan, in spijt van al de
vijanden zijner waarheid. Er valt niet een haar van uw hoofd tegen de wil van uw
hemelse Vader, totdat uw uur geslagen is, En, wanneer die uur geslagen is, dan
moeten wij zonder uitstel van hier verhuizen, hoe onwillig wij ook zijn. Maar,
indien wij gewillig zijn, zullen wij beloning en dank ontvangen van onze hemelse
Vader.
Zo dan, vrees de bedreigingen der mensen niet, en
laat u niet door schone woorden overwinnen, met welke middelen de geveinsden u
zullen bespringen; laat de inbeelding op menselijke wijsheid geen heerschappij
voeren in uw hart; ja, al waren het ook uw eigen vrienden, die u het tegendeel
zouden raden. Dat de vrome martelaar Bilney u een waarschuwing en een voorbeeld
zij, en laat hun masker u niet bedriegen, en laat uw lichaam niet bezwijken. Die
volstandig zal blijven tot het einde toe, zal zalig worden. En, wanneer ook de
pijn uw kracht mag te boven gaan, denk dan aan het gezegde van Christus, dat al
wat gij in Zijn naam bidden zult, Hij u dat zal geven. Bid uw hemelse Vader in
Zijn naam, en Hij zal uw pijn verlichten en spoedig doen eindigen. De Heere des
vredes, der hoop en van het geloof zij met ulieden, amen.
[JAAR 1538.]
Jan Lambert, van Norwich, was een van de eerste,
die zich in Engeland tegen de vijanden der goddelijke waarheid verklaarden. Toen
deze zag, dat in zijn vaderland verkeerde dingen plaats hadden, en hij tot de
studie, waartoe hij van zijn jeugd bestemd was, een bijzondere lust had, vertrok
hij op zeer jeugdigen leeftijd uit Engeland naar een andere plaats, waar hij
meende zich te beter in de vrije kunsten te kunnen oefenen. Daar hij hoopte, dat
het na enige jaren in zijn vaderland beter gesteld zou zijn, vooral omdat
Cromwell en Anna Boleyn leefden, en de paus van Rome zijn gezag in Engeland
verloren had, wijdde hij zich aan het evangelie. Maar, aangezien men in die tijd
geen gehuwde priesters duldde, vergenoegde hij zich in de schooljeugd te
onderwijzen, daar hij toen niet verder gaan kon. Toen hij dit gedurende geruime
tijd niet alleen op een eervolle wijze, maar ook tot nut der jeugd gedaan had,
gebeurde het, dat hij op zekere tijd in de St. Petruskerk te London een leraar
Taylor genaamd, hoorde prediken, die groten ijver in de prediking van het
Evangelie aan de dag legde. Deze Taylor was tijdens de regering van Eduard de
zesde bisschop te Lincoln, en werd daarna, op bevel van koningin Miria in de
Tower te Londen gezet, waar hij ook stierf. Na de predikatie sprak Lambert
Taylor aan, en zei, dat hij over een punt in de godsdienst twijfelde, en vroeg
Taylor, hem dit te ontnemen, en daarvan grondig te willen inlichten; het betrof
namelijk het sacrament van het lichaam en bloed van Christus. Taylor
verontschuldigde zich toen. en gaf voor, dat hij iets te doen had, zodat hij hem
niet terstond daarop kon antwoorden, en verzocht, dat hij hem te gelegener lijd
weer zou aanspreken. Lambert kwam dan ook weer tot hem, en legde hem
schriftelijk tien punten voor, die ontleend waren aan de Heilige Schrift en de
oude kerkvaders. Onder deze was het eerste en voornaamste over de woorden van
Christus, waar Hij zegt: “Deze beker is het Nieuwe Testament." Indien deze
woorden," zei hij "de wijn noch de drinkbeker in het Nieuwe Testament
veranderen, kunnen de woorden van het brood ook het brood niet wezenlijk in het
lichaam van Christus veranderen." Zijn twee punt was: "Aangezien een natuurlijk
lichaam niet op twee verschillende plaatsen tegelijk kan zijn, zo volgt
noodzakelijk, of dat Christus geen natuurlijk lichaam gehad heeft, of dat Hij,
volgens de eigenschap van alle natuurlijke lichamen, niet lichamelijk op twee
plaatsen tegelijk is, te weten, aan de rechterhand des Vaders en in het
sacrament." Voorts stelde hij nog andere punten uit de oude kerkvaders voor.
Doch, om het beknopt samen te vatten, Taylor openbaarde de zaak, om Lambert
tevreden te stellen, aan Dr. Barus. Deze Barus, ofschoon hij het Evangelie
enigermate was toegedaan, gaf hem nochtans te kennen dat zulke gevoelens hem
niet behaagden, en dat hij vreesde, dat de loop van het Evangelie zou worden
gestuit, wanneer men zulke vereerders van de sacramenten gehoor gaf. Hij gaf
Taylor daarom de raad, de zaak aan de aartsbisschop van Canterbury, Thomas
Cranmer voor te stellen: en ziedaar de aanvang van het rechtsgeding tegen
Lambert.
Toen hij voor de aartsbisschop geroepen was, moest
hij zijn zaak in het openbaar voor de rechtbank verdedigen. Men moet hierbij
opmerken, dat de aartsbisschop in die tijd de zaak van het heilig avondmaal nog
niet recht verstond; die hij echter later, toen hij tot kennis der waarheid
gekomen was, met groten ijver tegen vele lieden in Engeland verdedigde, en
daarover een boek schreef. Sommigen zeggen, dat Lambert zich van de bisschop op
de algemene raad van de koning beriep.
Koning Hendrik had zijn echte vrouw, Anna Boleyn,
laten onthoofden, hetwelk niet alleen de vorsten in Duitsland, die in dat jaar
een verbond met hem gemaakt hadden, maar ook allen vrouwen in Engeland zeer
mishaagde. Hij gebood ook alle stiften en kloosters te slechten, en hun
bezittingen te verkopen. Om dit alles en vooral, omdat hij de paus uit het rijk
verjaagd had, werd hij zo gehaat, dat het volk de wapenen opvatte, en een oproer
tegen hem verwekte. Stephanus Gardiner, bisschop van Winchester, geheimraad van
de koning, een zeer bloedgierig mens, wendde alle middelen aan om de loop van
het Evangelie te stuiten. En, aangezien hij zag, dat de zaken wat gevaarlijk
stonden, meende hij onder deze omstandigheden enig alarm te moeten maken. Hij
ging daarom naar de koning, en hield hem op scherpe wijze voor, hoe gehaat hij
zich bij de algemene man gemaakt had; vooreerst, omdat hij de pauselijke kerk
uit zijn koninkrijk had verdreven; vervolgens, omdat hij geboden had, dat men de
stiften en kloosters omver zou werpen; dat men ook niet vergeten had, hoe hij
zich van zijn huisvrouw Katharina had laten scheiden; dat het nu tijd was om
alles te herstellen, en de gunst weer te winnen van zijn onderdanen. Hij raadde
hem daarom, dat hij aan deze ketter Lambert tonen moest, welk voornemen en welke
macht hij had om zulke ketters te bejegenen, en versterkte item in de
verwachting, dat hij de openbare mening zou vernietigen, die men van hem
koesterde, dat hij namelijk de sekte en nieuwe gevoelens toegedaan was. De
koning luisterde naar deze verkeerden raad meer dan hij behoorde, vaardigde een
gebod uit, en schreef aan alle heren en bisschoppen in het koninkrijk, te
Londen, om zonder uitstel daar te komen, en hem tegen alle ketters, die hij op
priesterlijke wijze wilde verdelgen, bijstand te verlenen. Lambert werd ook
gedagvaard. Een grote menigte kwam samen, om met aandacht te vernemen, hoe deze
nieuwe beweging, waar men tevoren nooit van gehoord had, zou
eindigen.
De zaal, waar het verhoor plaats had, was geheel
gevuld met mensen. Daarna werd Lambert uit de gevangenis voorgebracht, onder
geleide van een hoop gewapende lieden om voor de koninklijke rechterstoel te
verschijnen. Alles was gereed, en men wachtte naar niemand anders dan de koning.
Eindelijk verscheen de koning met zijn lijfwacht, geheel in het wit gekleed,
zodat alle voorwerpen schitterde, en een prachtig gezicht opleverden. Aan zijn
rechterzijde zaten de bisschoppen, achter hem de raadsheren en rechtsgeleerden
op hoge banken en in rode kleding, zoals gebruikelijk was. Aan de andere zijde
waren gezeten de heren en rechtspersonen, benevens de gehele ridderschap,
terwijl daar achter de boogschutters geplaatst waren, die op de koning
wachtten.
Toen koning Hendrik op de koninklijken zetel had
plaats genomen, zag hij Lambert verachtelijk aan, en beval Dr. Day, bisschop van
Leicester, dat hij het volk met luider stem zou meedelen waarom hij dit verhoor
had bevolen, dat hij in eigen persoon wilde bijwonen; te weten, omdat hij de
ridderschap, de bisschoppen, als ook het tegenwoordig zijnde volk wilde
verklaren, dat niemand moest denken, dat hij, door de pauselijke heerschappij te
fnuiken, ook tegelijk allen godsdienst wilde uitroeien, en de ketters vrijheid
geven de vrede der Engelse kerk, waarvan hij het hoofd was, naar hun goeddunken
te verstoren. Dat daarenboven niemand menen moest, dat hij zich geroepen achtte,
om met de ketters uitvoerig in een twistgesprek te treden maar alleen zover,
opdat de ketterijen van de tegenwoordig zijnde Lambert en zijn aanhangers, zowel
door hen als door de bisschoppen weerlegd en in het openbaar zouden veroordeeld
worden. Daarna zei de koning tot Lambert: "Kom hier, gij vrome man; hoe is uw
naam?" Lambert antwoordde ootmoedig: "Ik heet Jan Nicholson, maar men noemt mij
ook Lambert." De koning hernam: "Hoe, hebt gij twee namen? Al was gij ook mijn
broeder, zo zou ik u toch niet geloven, omdat gij twee namen hebt." Lambert
antwoordde: "Heer koning, uw bisschoppen hebben er mij toe gebracht, dat ik mijn
naam heb moeten veranderen." Na vele woorden beval de koning hem, dat hij
ronduit moest zeggen hoe hij over het sacrament dacht. Toen begon Lambert over
zijn zaak te spreken, en dankte God in de eerste plaats, dat Hij het hart van de
koning zover had vertederd, dat hij zelf de strijd over de godsdienst begeerde
aan te horen. Verder zeide hij, dat er velen door de verkeerdheid der
bisschoppen onschuldig, buiten weten van de koning, werden gedood. Maar
aangezien de Koning van alle koningen hen nu had verlicht, zodat hij zelf de
betwiste zaken zijner onderdanen begeerde aan te horen, hoopte hij daarom, dat
God iets buitengewoons tot Zijn eer zou uitvoeren. De koning vertoornde zich
daarover, viel hem in de rede en zei: “Ik ben hier niet gekomen om mijn lof te
horen verkondigen: ga, en wel zonder omwegen, tot de hoofdzaak over." Lambert
verschrikte en zweeg, en bedacht, wat hij de koning eigenlijk zou antwoorden.
Doch de koning werd zeer toornig, en zei: "Wat denkt gij nu bij uzelf? Wilt gij
niet antwoorden op de vraag over het sacrament des altaars? Bekent gij dat het
lichaam van Christus daarin is of niet?' Bij deze woorden zette de koning de
muts van het hoofd. Lambert zei: “Ik antwoord met de heiligen Augustinus, dat
het lichaam van Christus enigermate daarin tegenwoordig is." De koning zei
vervolgens: "Spreek mij niet van Augustinus of anderen, maar zeg mij ronduit, of
het er in is of niet.” Deze woorden herhaalde de koning ook in het Latijn.
Lambert zei: “Ik geloof niet, dat het erin is.” Daarop hernam de koning: "Dan
bent gij veroordeeld door de uitgedrukte woorden van Christus die zegt: "Dat is
mijn lichaam." Terstond beval hij de bisschop van Canterbury, dat hij deze
dwaling zou wederleggen. Toen Cranmer een korte toespraak tot de toehoorders had
gericht begon hij op bescheiden wijze met Lambert te spreken; en zei: "Lieve
broeder Lambert, laat ons samen spreken, onder deze voorwaarde, dat, indien ik
uit de Schrift bewijs, dat uw mening vals is, gij uw dwaling erkennen zult;
daarentegen, indien gij uw mening uit de Schrift kunt bewijzen, zo beloof ik u,
dat ik gewillig de waarheid zal aannemen."
Cranmer haalde toen een plaats uit de Handelingen
der Apostelen aan, en wel die, dat Christus de Apostel Paulus op de weg was
verschenen. Met deze plaats wilde hij bewijzen, dat het lichaam van Christus op
dezelfde tijd op twee verschillende plaatsen wezen kon, aangezien Hij in de
hemel was, en in die zelfden tijd ook aan de Apostel Paulus op aarde verschenen
was. "Indien men nu zeggen kan, dat hij op twee plaatsen geweest is, waarom zou
men dan niet kunnen zeggen, dat Hij op vele plaatsen tegelijk kan zijn?” Hiermee
meende de aartsbisschop het tweede bewijs van Lambert te wederleggen, dat hij
aan Dr. Taylor had opgedragen; want de koning had zich tegen het eerste bewijs
verklaard. Lambert antwoordde: “De aartsbisschop kan met deze plaats zijn mening
niet verdedigen, want de Schrift zegt niet, dat Christus met de Apostel op aarde
gesproken heeft, maar dat hem een licht van de hemel omscheen, dat hij ter aarde
gevallen is en een stem heeft gehoord, die zei: "Saul, Saul, wat vervolgt gij
Mij!" Deze plaats verhindert niet, dat Christus, ter rechterhand Gods zittende,
met de Apostel Paulus zou hebben kunnen spreken, en door hem op aarde gehoord
worden: want die met Paulus waren hoorden wel een stem, maar zij zagen niemand."
De aartsbisschop hernam: "Paulus betuigt zelf, Hand. 26, vs. 16, dat Christus
hem in zulk een gezicht is verschenen." Doch Lambert antwoordde: "Christus heeft
ook gezegd, in deze geschiedenis, dat Hij hem verder zou verschijnen en uit de
handen der heidenen verlossen; nochtans lezen wij nergens, dat Hij hem ooit
lichamelijk verschenen is." Toen Lambert zo juist en verstandig over de bekering
van de Apostel Paulus sprak, en zich derwijze verdedigde, dat de koning daarover
ontroerd werd en de aartsbisschop hem niet genoegzaam kon wederleggen, en de
toehoorders elkaar aanzagen, trad de bisschop van Winchester voor, die de zesde
in de orde was, misschien wel uit vrees, dat iemand voor hem iets zou zeggen,
wat hij zich had voorgenomen, en verbrak, zonder bevel van de koning, de orde
van het twistgesprek, eer nog de aartsbisschop tot een besluit was gekomen, en
viel op de knieën en bad, dat men hem wilde toestaan te spreken en tegen Lambert
ook het een en ander in te brengen. Hij noemde een plaats uit 4 Kor. 9, vs. 1:
"Heb ik niet Christus Jezus onze Heere gezien?" en h. 15, vs. 5, 6, 7, 8. Hij is
gezien van Cefas, daarna van Jakobus, daarna van al de Apostelen, ten laatste
ook van mij, als van een ontijdig geborene." Lambert antwoordde, dat hij er niet
aan twijfelde of Christus gezien was, maar wel of Hij op dezelfde tijd op
verschillende plaatsen gezien was volgens de natuur des lichaams; op dit laatste
moest hij neen zeggen. Verder haalde de bisschop van Winchester de plaats van
Paulus aan, 2 Kor. 5, vs. 16: "indien wij ook Christus naar het vlees gekend
hebben, nochtans kennen [Hem] nu niet meer [naar het vlees]." Lambert
antwoordde, dat men dit niet lichamelijk verstaan moest, wanneer men in
aanmerking nam, wat de Apostel van zijn openbaring zegt: “Ik ken een mens in
Christus, die opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; en ik weet, dat deze
mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam [geschied zij] weet ik niet,
God weet het) in het paradijs opgetrokken is geweest &." "Door welke woorden
gemakkelijk kan verstaan worden, dat de heilige Paulus, in deze openbaring in de
hemel opgetrokken zijnde, zulke onuitsprekelijke dingen heeft gehoord en gezien,
even alsof Christus lichamelijk van de hemel neergedaald ware, om Zich aan de
Apostel te openbaren, inzonderheid omdat de Engel des Heeren gesproken heeft:
“Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs
gij Hem naar de hemel hebt zien heen varen." En de heilige Petrus zegt, Hand. 3,
vs. 21: "De hemel moet hem ontvangen tot de tijden der wederoprichting van alle
dingen, die God gesproken heeft door de mond al Zijner heilige Profeten van
[alle] eeuwen." Met welke woorden hij een zekere tijd aangeeft en
bedoelt.
Na de bisschop van Winchester, vatte ook het woord
op Tonstall, bisschop van Duram, en sprak veel over de almacht van God, totdat
hij aldus besloot: "Indien Christus dat niet kon doen, wat Hij aangaande de
verandering van zijn lichaam in brood gezegd heeft, zou. Hij zonder twijfel niet
beloofd hebben, dat Hij het zou doen." Lambert antwoordde: "Het staat nergens
geschreven, dat Christus gezegd heeft, dat Hij zijn lichaam in brood veranderen
zou. Het is ook niet nodig, dat Hij het doet; maar het is een zinnebeeldige en
een in de Schrift gebruikelijke manier van spreken, dat aan het teken de naam
van het betekende voorwerp gegeven wordt, gelijk te zien is in de plaatsen
waarde Schrift spreekt van de besnijdenis, van het verbond, van het Paaslam, van
de doortocht door de Rode zee, enz." Aangezien zij hem met geen bewijzen uit de
Schrift konden wederleggen, begonnen de geestelijke heren hem met lasterlijke
woorden te bejegenen.
Na deze sprak Stokille, bisschop van Londen, hield
een lang voorrede en zei, dat, indien het de toehoorders behaagde, hij bewijzen
wilde, dat de zaak, waarover zij streden, niet alleen geen wonderwerk was, maar
dat zij ook in het geheel niet tegen de natuur streed. "Want," zei hij, "het is
niet ongerijmd, dat het wezen van twee dingen, die aan elkaar gelijk zijn, het
een in het andere veranderd wordt, zodat de toevalligheden en hoedanigheden
blijven, ofschoon het wezen wordt veranderd." Hij bewees dit met het water,
hetwelk over het vuur zo lang kookt, totdat het eindelijk in damp overgaat en
verdwijnt.
Nu leren de wijsgeren, dat geen natuurlijk wezen
kan worden veranderd, tenzij er een andere stof of wezen uit ontstaat. Zo zeggen
wij, dat de stof van het water in de lucht wordt veranderd, ofschoon de
hoedanigheid van het water, namelijk de vochtigheid, ook na de verandering van
het water dezelfde blijft, want de lucht is vochtig evenals het water. Na dit
bewijs gegeven te hebben, begonnen de heren bisschoppen te triomferen en meenden
dat zij, volgens deze wijsgerige verandering der grondstoffen, de overwinning
zeker zouden behalen. Lambert wilde daarop antwoorden, doch de bisschop stemde
hem zijn sluitrede niet toe, namelijk, dat de vochtigheid van het water dezelfde
bleef, nadat het wezen daarvan in de lucht was veranderd. "Want," zei hij,
"ofschoon wij met de wijsgeren erkennen, dat de lucht van nature vochtig is, zo
is dit nochtans een andere vochtigheid dan die van het water, zodat, wanneer het
water in de lucht veranderd wordt, zo is er wel vochtigheid aanwezig, zoals gij
zegt, maar zij is geen vochtigheid meer van het water, maar van de lucht, in
welke lucht het water veranderd is. Bij de wijsgeren is het een algemene regel,
dat het onmogelijk is, dat de hoedanigheden der natuurlijke dingen zonder hun
innerlijk wezen bestaan, waarin zij besloten zijn en
blijven."
Toen begonnen de koning en zijn bisschoppen aldus
tegen Lambert te schreeuwen, dat zij hem zeker doof zouden gemaakt hebben,
indien hij aan zulk een geschreeuw niet gewoon ware geweest. Het zou te
uitvoerig zijn, en het is onnodig, alle bewijzen mee te delen, waarmee de
bisschoppen te voorschijn kwamen. Als Lambert nu aldus door zijn tegensprekers
belasterd en overbluft was en door de pracht van de plaats als verschrikt, en
door het langdurige twistgesprek, dat van de middag tot vijf uur duurde, zeer
vermoeid en neergedrukt was, en zag, dat hij bij de vijanden niets kon
uitrichten, begreep hij, dat het beter was te zwijgen, dan langer tevergeefs met
hen spreken. Aangezien Lambert nu niet meer antwoordde, zeiden de bisschoppen
wat zij verkozen. Alleen bracht Lambert enige gezegden van Augustinus bij, om er
zijn bedoelingen mee te bevestigen.
Eindelijk, toen nu de dag verstreken was, en de
kaarsen opgestoken waren, wilde de koning een einde aan het twistgesprek maken,
en zei tot Lambert: "Wat zegt gij, bent gij niet tevreden met de vele leringen
en bewijzen, die deze geleerde mannen u met grote moeite en inspanning hebben
voorgehouden? Wat wilt gij nu liever: sterven of leven? Antwoord, het staat u
nog vrij te bedenken, en het een of het andere te kiezen." Lambert antwoordde,
dat hij verplicht was, zich aan de wil van de koning te onderwerpen. "Neen," zei
de koning, "onderwerp u aan de wil van God en niet aan mij." "Ik beveel," hernam
Lambert, "mijn ziel aan God de Heere, en mijn lichaam aan uw genade." Toen zei
de koning: “Indien gij u aan mij overgeeft, moet gij sterven, want ik heb bij
mij zelf besloten geen ketter te laten leven." Toen wendde hij zich naar
Cromwell, en beval, dat hij het vonnis eindelijk moest voorlezen. In die tijd
was Cromwell een groot vriend van alle vrome christenen, en betoonde hun, naar
zijn vermogen, alles goeds. De bisschop van Winchester was hierbij zo slim, dat
hij het vonnis liever door Cromwell dan door een ander liet lezen, opdat hij
hem, indien hij dit weigerde, in hetzelfde gevaar zou kunnen brengen. Zo werd
dan het besluit, op bevel des konings, door Cromwell voorgelezen, waarin stond,
dat alle ketters verbrand moesten worden, die iets zeiden of schreven tegen de
pauselijke kerk en het sacrament des altaars. Er werd ook een ander besluit aan
de kerkdeuren aangeplakt, met bevel, dat men dat vier malen in het jaar van de
predikstoelen moest aflezen, opdat de leer van het sacrament de lieden des te
dieper zou worden ingeprent.
Dit was de veroordeling van Johannes Nicholson,
waaraan nu niets meer ontbrak, dan dat zij werd uitgevoerd. Gedurende zijn
gevangenschap stelde hij zijn antwoord schriftelijk op, met een gepaste voorrede
aan de koning, waarin hij betuigde, dat hij tweeërlei troost had, de een aan
God, de anderen aan de koninklijke majesteit. Daarna verklaarde hij de redenen
waarom hij dit boek geschreven had. Na de voorrede bewees hij zijn gevoelen
omtrent het avondmaal met vele plaatsen uit de Heilige Schrift, en inzonderheid,
dat Christus, toen Hij nog op aarde was, en ook na Zijn opstanding, hemelvaart
en het zitten ter rechterhand Gods, nooit meer dan één plaats met Zijn lichaam
ingenomen heeft. Ook wees hij uit de getuigenissen der kerkvaders aan, dat het
nachtmaal des Heeren een verborgenheid en geestelijk werk is, en dat het lichaam
en bloed van Jezus Christus waarachtig in deze verborgenheid is
begrepen.
Toen nu de dag van zijn dood genaakte, werd hij
omstreeks acht uur, uit de gevangenis naar het huis van de heer Cromwell
gebracht, waar Cromwell hem om vergiffenis bad voor hetgeen hij hem had misdaan.
Toen men hem aanzegde, dat het uur van zijn dood geslagen was, scheidde hij
welgemoed uit Cromwell's kamer, en werd van daarin een zaal gebracht, waar hij,
na de adel gegroet te hebben, zonder de minste droefheid en vrees deel nam aan
het maal. Na het eten ging hij naar de strafplaats, om God de Heere een
offerande van een aangename reuk te brengen, wat ook plaats had in het jaar
1538.
[JAAR 1538.]
Meester Petrus, wiens eigenlijke naam ons onbekend
is, was enige jaren in zekere kerk te Duway pastoor, en werd eindelijk, in het
jaar 1538, omdat hij de waarheid van het Evangelie, ofschoon niet zo rein en met
zulke vrijmoedigheid als wel betaamde, maar naar de omstandigheden des tijd en
van het land, dat nog in onwetendheid en duisternis lag, had verkondigd,
aangeklaagd, en door de opstokers en andere handlangers van de geestelijke van
Arras in de gevangenis gezet. Toen men hem voorbracht, wilden zijn
tegenpartijders naar geen verdediging horen, maar overlegden alleen, hoe zij hem
veroordelen en ombrengen zouden. Hij liet echter de waarheid niet varen, maar
verdedigde haar uit Gods Woord met meer ernst en beter, dan hij ooit had gedaan.
In die tijd was er een predikmonnik, wijbisschop te Arras, bisschop van Salybry
geheten, een onaangenaam, onhandelbaar mens, die zeer verblind, een gierigaard
en een bedrieger was. Deze zogenaamde fijne bisschop, zo ook zijn zogenoemde
geestverwanten, greep de christenen met twee woorden aan, namelijk, met de
woorden ketterij en kerk, om vooral daardoor het volk te bewegen. Het eerste
woord paste hij toe op allen, op wie het vermoeden rustte de nieuwe godsdienst
te zijn toegedaan; met het andere woord verzachtte hij zijn razen en woeden
jegens hen, die de waarheid getrouw bleven belijden. Toen hij nu met Meester
Petrus sprak, maakte hij ook daarvan gebruik, en had geen ander bewijs dan dit
zeggen: "Uw leer en woorden zijn ketters, ergerlijk, slecht klinkend,
schandelijk, en van die aard, dat heilige oren daardoor vergiftigd en geërgerd
worden." Verder: "Uw leer is tegen onze moeder de heilige kerk, haar
instellingen" enz.
Toen nu de geestelijke heren te Arras deze
godzaligen man met gevangenschap, twistgesprekken, schampere woorden en
bedreigingen lang genoeg hadden geplaagd, verklaarden zij hem eindelijk voor een
halsstarrige ketter, en werd hij als zodanig veroordeeld. Aangezien zij echter
niemand durfden te doden, ontwijdden zij hem, en beroofden hem van het
priesterschap en alle geestelijke orden en voorrechten, en alzo werd hij, zoals
zij het noemen, van hun lichaam afgesneden en aan de wereldlijke overheid
bevolen, hem als een verdoemden ketter te straffen. Overeenkomstig hun bepaling,
richtte men een soort van toneel op, opdat men het apenspel, dat met de
ontwijding der priesters bedreven werd, te beter zou kunnen zien. Vervolgens
betrad de bovengenoemde bisschop, omringd door een groot aantal priesters, het
toneel, en volbracht aan hem de zogenaamde wereldlijke
ontwijding.
Mr. Petrus prees God met een vrolijk hart, dat Hij
hem deze eer bewezen en zijn onreinen rok had uitgetrokken, waarin hij aldus
geleefd had, en waarin hij ook zou verdorven zijn, indien God hem deze
barmhartigheid niet had bewezen. Toen de dienaren van de antichrist hun gewone
plechtigheid der ontwijding verrichtten, zei Meester Petrus bij herhaling tot
hen: "Scheert, scheert, snijdt en neemt alles weg, opdat er niet overblijft,
want dat heb ik van ulieden ontvangen; maar het ware priesterschap, dat God mij
inwendig heeft geschonken, waardoor ik mij aan Hem heb overgegeven en tot een
offerande geheiligd, is niet in uw macht, om mij dat naar uw goedvinden te
ontnemen. Na de volbrachte ontwijding deed men hem een wereldlijk kleed aan, en
werd hij veroordeeld om tot as verbrand te worden. Toen men hem naar de
brandstapel bracht, bad hij God, dat Hij hem in de laatste strijd wilde
versterken, waardoor hij zich tot Zijn eer zou opofferen. Toen vele burgers uit
de stad hun pastoor zagen, weenden zij en baden voor hem tot God, terwijl
sommigen hem vervloekten, zoals er gewoonlijk onder een hoop volk goede en
kwaden worden gevonden. Vele vrome zielen weide echter door zijn gruwelijke dood
getroost en gesticht, vooral toen zij zagen, dat hij zo standvastig en met een
naar de hemel gericht gelaat de geest gaf. Doch de anderen, bij wie weinig ijver
gevonden werd, en die niet wisten, welke eer en heerlijkheid voor God de dood
van zijn lieve martelaren is, braakten het goede, dat zij van God ontvangen
hadden, weer uit, keerden, uit vrees voor hetzelfde gevaar, tot de pauselijke
goddeloosheid terug en werden verder grotere huichelaars, dan zij ooit tevoren
waren geweest.
[JAAR 1538.]
In het jaar onzes Heeren 1538 werd Geertruida
Adriaans de Roevre, vrouw van Wouter Hoogendoren om de zuivere leer der waarheid
te Vucht aan het gerecht overgeleverd, en volgens het vonnis van de regering te
's Hertogenbosch verbrand.
[JAAR 1539.]
George Buchanan verhaalt in zijn Schotse
geschiedenissen, dat er velen om de belijdenis der waarheid in 1539, in
Schotland werden vervolgd. Vijf gelovige schapen vielen in deze vervolging in de
klauwen der antichristelijke wolven, en werden in het laatst van Januari samen
verbrand, en enige anderen, die mee gevangen genomen waren, ten eeuwige dage uit
Schotland gebannen. Buchanan zat in die tijd ook gevangen, maar ontvluchtte in
het geheim uit een venster, en wel terwijl de wachters sliepen, die bij hem en
anderen geplaatst waren, om hen gade te slaan. Hij leefde nog geruime tijd
daarna. Dit geschiedde zeven of acht maanden voor koning Jakobus de vijfde in
het huwelijk trad met Maria de Guise, weduwe van de hertog van
Longueville.
[JAAR 1539.]
Louwijs Courtet, beroemd advocaat in het
graafschap Genève, in Savoye, kreeg in die tijd groten lust in het Evangelie,
dat te Genève werd gepredikt. Hij was geboren in een dorp, Vouvrey genaamd, in
het ambt van Chaumont, in het bovenbedoelde graafschap Genève, waar hij tot
schout was aangesteld. Aangezien hij om enige zaken dikwerf te Genève zijn
moest, kwam hij daar tot kennis der goddelijke waarheid, die bij hem niet leeg
of onvruchtbaar was, omdat hij daardoor niet alleen zijn leven beterde, maar ook
zijn huisgezin en andere goede vrienden de ontvangen schat deelachtig maakte.
Aangezien echter de wereld zulk een liefelijke reuk niet verdragen kon, bleef
hij ook niet lang onvervolgd, maar behoorde spoedig tot hen, die zulk een groten
en kostelijke schat de mensen voordragen. Hij werd daarop op bevel van vrouw
Charlotte van Orleans, weduwe van Filippus van Savoye, de hertog van Nemours en
graaf van Genève, die destijds als voogdes van haren zoon Jakobus, het bestuur
over het land van Genève had, en heerschappij voerde over Fossigny, gevangen
genomen. Mr. Claudius David, die toen rechter over het land was, en voor een
voornaam rechtsgeleerde wordt gehouden, en later in krankzinnigheid is
gestorven, stelde een aanklacht tegen hem in, en toen hij hoorde, dat hij
standvastig bleef, veroordeelde hij hem tot de brandstapel. Op de dag der
uitvoering van het vonnis, de 19e April 1539, sterkte God Zijn dienaar, nadat
deze uit de toren Annissi naar de strafplaats Mussière genaamd was geleid, om
verbrand te worden, derwijze, dat hij hen, die hem ter dood brachten, ernstig
uit Gods Woord vermaande. Toen de beul het hout aanstak, en het volk, volgens
het algemeen gebruik, "Misericorde" uitriep, waarmee zij wilden zeggen: God zij
genadig," zei Courtet met luide stem: "Lieve vrienden, bekommert u niet over
mij; ik ben zeer getroost in de Heere." Aldus nam hij, temidden der pijnigingen
van het vuur, afscheid uit dit leven, en had een zalig
einde.
[JAAR 1539.]
Thomas Cromwell was van geringe afkomst, doch
bezat een groot verstand, en was een goede raadgever, zo zelfs, dat Engeland in
wereldlijke zaken zijns gelijke nauwelijks bezat, waarom hij ook raadsheer werd
van Koning Hendrik de achtste. Nadat hij in Engeland veel goeds tot stand
gebracht, en de koning vele trouwe diensten bewezen had, werd hij door sommige
oproerige heren bij de koning aangeklaagd, aangezien zij hem vooral haatten,
omdat de koning hem tot graaf van Essex had verheven. Hij alleen raadde de
koning aan te doen, wat nooit enig vorst in Europa durfde beginnen, laat staan
uitvoeren. Immers, niettegenstaande de Engelsen een zeer bijgelovig volk zijn,
laadde hij alle vijandschap van de gehele geestelijkheid op zich alleen. Geen
kloosters liet hij staan, maar deed die geheel omverwerpen; ja hij dreef alle
aartsbisschoppen en bisschoppen, en bovenal de bisschop van Winchester derwijze
in het nauw, dat hij zijn geheime handelingen tegen de vrome christenen verbrak
en vernietigde. Het is niet te beschrijven, hoe vele goede lieden raad en troost
hij deze Cromwell vonden, en daarentegen hoezeer zijn vijanden hem het leven
zochten te benemen. In het begin was hij de dienaar van de kardinaal van York,
en gedroeg zich in zijn verschillende betrekkingen zo uitstekend, dat hij beter
voor koning dan voor kardinaal kon optreden. Benevens Cromwell, waren in die
tijd bij de kardinaal van York ook geplaatst Morus en Gardinerus, bisschop van
Winchester, die reeds van hun vroegere jeugd tot grote ambten werden gebruikt.
Op volwassen leeftijd beval de kardinaal hem bij de koning aan, en wist hem daar
tot grote eer te doen stijgen. Toen hij al hoger en hoger klom, spraken de
kamerdienaar en de rentmeester des konings en Cromwell samen over de jaarlijkse
inkomsten van het koninkrijk, waarbij hij betuigde, dat, indien de koning naar
hem wilde horen, hij het dus kon aanleggen, dat hij de rijkste vorst in het
gehele christelijke rijk werd. Toen de koning dit vernam, begeerde hij wel van
hem te weten, hoe dit zou kunnen geschieden. De raad, die hij daartoe gaf, was,
dat men de inkomsten, schatten en kostbaarheden uit al de kloosters van het
gehele koninkrijk moest nemen, en op eens de heilloze monniken en
schandepriesters uit het land jagen, aangezien zij leefden van het zweet des
armen volks, en er niets voor deden. Deze raad beviel de koning, en wel omdat de
paus hem had belemmerd, in de zaak van zijn huwelijk met Anna Boleyn. In die
tijd waren er vele kloosters in Engeland; want in de heerlijkheid Norfolk alleen
werden meer dan twintig kloosters gevonden van de bedelmonniken, behalve vele
andere geordende en niet geordende monniken en nonnenkloosters. En, aangezien
Engeland in 32 provinciën was verdeeld, kan men licht nagaan, welk een grote
menigte er in het gehele koninkrijk moest zijn, zodat er niet alleen vele, maar
ook zeer rijke kloosters in Engeland waren.
Toen de paus van Rome in Engeland zijn macht en
invloed verloren had, deden de bisschoppen hun best, om dat te herstellen, of
ten minste vele van zijn leerstellingen te behouden. Ten gevolge daarvan nodigde
de koning alle bisschoppen en geleerde lieden uit, teneinde met hen over de
zaken van de godsdienst te spreken. Er had dan ook een grote vergadering van
geleerde mannen plaats. Cromwell voegde zich ook bij de bisschoppen, terwijl hij
Alexander Alesius meebracht. De bisschoppen bewezen Cromwell, alsdan stadhouder
van de koning, grote eer, en ook hij groette hen allen vriendelijk. Vervolgens
zetten de bisschoppen en leraren zich op hun plaats: eerst de aartsbisschop van
Canterbury, daarna de bisschoppen van Londen, Lincoln, Salisbury, Bade, Elie,
Herford, Leicester, Norwich, Rochester, Wigorne, enz. Cromwell, als de
stadhouder en zegelbewaarder des konings, deelde aan de vergadering mee, dat het
vooral de begeerte des konings was, dat zij zich in de zaak van de godsdienst
niet naar enig menselijk gezag, maar alleen naar de toetssteen van het
goddelijke Woord moesten gedragen.
Toen Cromwell zijn reden bad geëindigd, stonden al
de bisschoppen op, en dankten de koning onderdanig, niet alleen voor de
bijzondere toegenegenheid tot de kerk van onze Heere Jezus Christus, maar ook
voor de getrouwe vermaning en waarschuwing, die hun vanwege de koning was
meegedeeld.
Daarna ging men terstond tot het twistgesprek
over. Boner, bisschop van Londen, een groot ijveraar voor de pauselijke
instellingen, werd door Cromwell bestraft, omdat hij de stoutheid had, met
sommige stellingen te bewijzen, dat er zeven sacramenten waren, die gegrond
waren op de aantekeningen van de hoogleraren, Deze Boner werd ter zijde gestaan
door zijn vrienden, de aartsbisschop van York, de bisschoppen van Lincoln, Bade,
Leicester en Norwich; tegenover hen stonden de aartsbisschop van Canterbury, de
bisschoppen van Salop, Elie, Herford, Wigorne en anderen.
Nadat zij enige tijd met elkaar hadden gesproken,
begon eindelijk de aartsbisschop van Canterbury te redetwisten, en hield een
inleidingsrede, waarin hij hen vermaande, dat zij niet als drogredenaars met
woorden moesten kijven; dat zij niet gekomen waren om over ijdele plechtigheden
te handelen, maar over de vergeving van zonden, over de waren troost van de arme
gemoederen, over de rechtvaardigmaking van het geloof, over de goede werken,
over de sacramenten enz.
Daarna beval Cromwell de heer Alesius, die daar
tegenwoordig was, en veel behagen scheen te hebben in de woorden van de
aartsbisschop, dat hij zijn mening ook zou te kennen geven. Deze wendde zich tot
Cromwell, de bisschoppen en de andere kerkelijke dienaren, en richtte met allen
eerbied zijn toespraak tot hen, en zei, dat, ofschoon hij zich niet tevoren tot
spreken had voorbereid, hij zich nochtans op de genade Gods verliet, die hun
mond en wijsheid belooft, die ondervraagd worden en bereid zijn rekenschap te
geven van hun geloof, en hij aldus zijn gevoelens vrij uit wilde openbaren. En,
aangezien de aartsbisschop het goed vond, eerst over de sacramenten te spreken,
bevestigde Alesius in zijn gesprek het gevoelen van de aartsbisschop, verklaarde
het woord sacrament, en bewees, dat er slechts twee sacramenten zijn, te weten,
de doop en het avondmaal.
De bisschop van Londen kon niet langer zwijgen, en
keurde de woorden van Alesius af. Doch de bisschop van Herford, die uit
Duitsland was terug gekomen, waarheen hij als gezant door de koning tot de
protesterende vorsten gezonden was, werd verontwaardigd over de hoogmoed van de
bisschop van Londen, keerde zich tot Alesius en bad hem, dat hij met hen niet
zou redetwisten met getuigenissen van de hoogleraren der hogeschool, aangezien
die dikwerf in de leer der sacramenten tegen elkaar streden. Daarna wendde hij
zich tot de bisschoppen, bestrafte hen scherp, en vermaande hen betreffende hun
ambt en betrekking. Alesius hierdoor versterkt, verklaarde de leer der
sacramenten duidelijk uit de Heilige Schrift. Doch de bisschop van Londen streed
daar heftig tegen, en zei, dat men niet allen uit de Schrift, maar ook uit de
geschriften der kerkvaders en kerkvergaderingen behoorde te redetwisten, en dat
men de leer van deze zo hoog moest schatten, als die van de Heilige Schrift.
Cromwell en de aartsbisschop van Canterbury lachten daarover met elkaar, en
verwonderden zich over het grove onverstand van de grote bisschop. Alesius wilde
verder spreken, doch, aangezien de tijd was verstreken, daar het bijna middag
was, zei Cromwell, dat hij zich tevreden stelde met hetgeen hij ditmaal had
gesproken, en sloot daarom deze samenkomst.
De volgende dag kwamen de bisschoppen andermaal
samen, en zetten het begonnen twistgesprek voort. Toen echter Alesius zag, dat
hij niet aan het woord kon komen, bracht hij zijn gevoelens in schrift, die
Cromwell van hem ontving en de bisschoppen toonde. Dit twistgesprek werkte zo
veel uit, dat, hoewel Cromwell voor de zaak te zwak was, en de godsdienst niet
goed kon zuiveren, de gemeente in Engeland in een veel betere toestand werden
gebracht dan zij tevoren waren.
Door bedrog en de geheime handelingen van zijn
vijanden, kwam Cromwell drie jaren later in grote nood. En, daar zij hem vooral
om de zaak van de godsdienst vijandig waren, wisten zij het zover te brengen,
dat men hem in de Tower te Londen gevangen zette, waaromtrent hij kort tevoren
een wet had uitgevaardigd, dat men hem, die te Londen in de Tower gevangen zat,
zonder verder de zaak te onderzoeken ter dood zou veroordelen; en alzo kwam de
goede man in nood door de bepaling, die hij zelf gemaakt had. Men zei, dat hij
zulk een gestrenge wet niet gemaakt had uit onbarmhartigheid of tirannie, maar
om de bisschop van Winchester, de groten vijand van Christus en van de ware
godsdienst, te betrappen. Later berouwde het de koning zeer, dat hij Cromwell
had laten doden, aangezien hij zijn liefde en genegenheid tot hem niet kon
verbergen, gelijk men later zelf van hem vernam.
Twee dagen na Cromwells dood, werden Wilhelmus,
Hieronymus en Thomas Garret, godgeleerden in Engeland,
verbrand.
[JAAR 1539.]
In het jaar 1539 werd Catharina, de vrouw van
Melchior Salassovius, raadsheer te Krakau, in Polen, door de bisschop daar,
Petrus Gamratus, tot de vuurdood veroordeeld, omdat zij niet geloofde aan de
tegenwoordigheid van Christus in het brood des avondmaals, volgens het gevoelen
van de roomse kerk. Zij verlangde naar de uitvoering van dit vonnis als naar een
bruiloft, en eindigde op de markt te Krakau met vreugde op de brandstapel haar
leven.
[JAAR 1540.]
Robertus Barnes, geboren in Engeland, niet ver van
Lynna, in de heerlijkheid Norfolk gelegen, was reeds op jeugdigen leeftijd
Augustijner monnik geworden, en daar hij een zeer goed verstand had, werd hij
bevorderd tot doctor in de Heilige Schrift. Daarna leerde hij uit Luthers
geschriften de Evangelische waarheid kennen, en verkondigde die met vlijt en in
het openbaar tegen het rijk van de antichrist aan het volk. Daarom werd hij
later in het jaar onzes Heeren 1525, door de dienaren van het Babylonische rijk,
voor het gericht ontboden, en eindelijk door de bisschoppen van London,
Rochester, Bathonies en Asaph, om vijf en twintig artikelen veroordeeld, die hij
voor de kardinaal moest herroepen. Toen zij hem in de gevangenis hadden
geworpen, wist hij in het derde jaar uit te breken en te ontvluchten, en kwam
bij Maarten Luther in Duitsland, waar hij met andere aanhangers der goddelijke
waarheid enige j aren werd onderhouden. Toen hij vervolgens vernam, dat koning
Hendrik de paus vijandig was geworden, en dat zijn gemoed tot de vrees Gods en
de kennis der waarheid geneigd was, keerde hij, uit liefde tot zijn vaderland,
en uit begeerte om daar het zuivere woord van het Evangelie te planten, waartoe
hij nu goede gelegenheid scheen te hebben, naar Engeland terug, en verkondigde
daar het reine en zuivere Evangelie. Met anderen was hij daarna belast met een
zending naar Wittenberg, waar i onder andere gesproken werd over de scheiding
van het huwelijk des konings. Toen de koning van gevoelen veranderde, en in de
meeste punten de roomse leer weer was toegedaan, werd Barnes te Londen gevangen
genomen, in de Tower opgesloten en de 29e Juni van het jaar 1540, onder grote
volharding, op het Smitsveld, met nog twee anderen om dezelfde godsdienst levend
verbrand.
[JAAR 1540.]
Stefanus Brun, een landbouwer van Rutiers in het
Bisdom van Ambrun, in Dauphiné, was in het bezit van de kennis der Evangelische
waarheid, en werd door Gaspar Augerius de Gap, rentmeester van de bisschop,
vervolgd, alleen opdat zijn goederen zouden verbeurd verklaard kunnen worden.
Met allen ijver legde hij zich daarop toe, geholpen door de kettermeester
Domicellus, een Minderbroeder, zodat Stefanus gevangen genomen werd in de maand
September van het jaar 1540; en, nadat hij zijn gevoelens over de godsdienst had
geopenbaard, werd hij veroordeeld tot de vuurdood. Toen hij naar de strafplaats
werd heengeleid, was hij zo onverschrokken en welgemoed, dat hij tot zijn
vijanden zei: "Wat wilt gij mij toch doen? Gij meent, dat gij mij van het leven
beroven zult, doch gij dwaalt zeer; want aldus wordt mij bij mijn God het
eeuwige leven gegeven, waar ik nu heenga, omdat te beërven." Daarna vermaande
hij het volk, dat zij God alleen door Jezus Christus moesten dienen en
aanroepen. Toen hij aan de plaats, Plauvol genaamd, kwam, onderging hij met zulk
een standvastigheid de dood, dat de vijanden der waarheid in het openbaar
bevalen, dat niemand over zijn dood mocht spreken, wanneer zij niet met dezelfde
straf wilden gestraft worden.
[JAAR 1540.]
Toen keizer Karel de vijfde in het jaar 1510 uit
Frankrijk naar de Nederlanden gekomen was, teneinde het oproer te Gent te
stillen, vervolgde hij, op het sterk dringen der priesters en monniken, de
christenen op de wreedste wijze, en werden er twee mannen en vrouwen ter dood
gebracht. Toen de mannen in het raadhuis waren geleid, werd het vonnis over hen
uitgesproken, dat hun lichamen tot as moesten verbrand worden, en hun goederen
aan de keizer vervallen. Nadat het vonnis was gelezen, werden zij weer in de
gevangenis gebracht, waar zij twee dagen vertoefden, gedurende welke tijd vele
monniken en priesters daar kwamen en hen op hun gewone wijze
pijnigden.
Intussen heerste er in de stad een grote drukte,
daar men zich gereed maakte om de gevangenen ter dood te brengen. En, ofschoon
het gebruikelijk was, dat men hen, die ter dood veroordeeld waren, op een zekere
plaats voor de stad bij de galg doodde, vonden zij goed, om de burgers vrees aan
te jagen, de strafoefening ditmaal op de kleine markt voor het raadhuis bij de
St. Pieterskerk te doen plaats hebben. Toen nu de derde dag was aangebroken,
waarop het vonnis zou worden voltrokken, had er zulk een grote oploop in de stad
plaats, dat het bestuur, om oproer te voorkomen, bevelen moest, dat alle burgers
zich met de wapenen op de markt moesten bevinden, en het gericht beschermen. In
zulk een oproer en groten toeloop van volk, kon men de laatste woorden van de
arme gevangenen niet goed verstaan, ook daarom niet, omdat zij wegens de
langdurige gevangenschap verzwakt en bijna half dood waren; alleen de naast
bijstaanden getuigden, dat zij hun tijd met tot God te bidden doorbrachten, en
Hem smeekten, dat Hij tien in deze laatste strijd met Zijn genade en
barmhartigheid wilde bijstaan. De Fiskaal liet een brandende waskaars halen, en
gaf die aan de beul, om het vuur daarmee aan te steken. Hij deed dit met zulk
een groten spoed en in overijling, dat hij bijna van de plaats viel, waar hij
stond. Het vuur ontbrandde allergeweldigst, zodat de lichamen van deze
martelaren spoedig verbrand waren.
De dag na deze strafoefening werden er twee
tamelijk bejaarde vrouwen, geboren te Leuven, die voor anderen de Evangelische
waarheid beleden en verdedigd hadden, tot een gruwelijke dood veroordeeld,
namelijk om levend begraven te worden. De een heette Antoinette, en was
afkomstig uit een aanzienlijk oud geslacht. Hun voorvaders hielden vroeger het
regeringsambt. Zij stierven beiden met een bewonderenswaardige, ja met een
ongelofelijke moed, hoewel zij overigens zwak en onvermogend van lichaam
waren.
[JAAR 1542.]
Te Orchies, een kleine stad, niet ver van Douay,
werd zeker iemand, Jan Marlar genaamd, op de weg, toen hij naar huis op reis
was, aangezien hij enige tijd te Leuven gestudeerd had, door de overheid van
eerstgenoemde plaats gevangen genomen, omdat hij aan sommigen de waarheid van
het Evangelie had gepredikt. De inwoners van Orchies leverden hem, de 2de
November 1541, over aan Mr. Jan de Latre, in die tijd beambte bij de gouverneur
te Douay. Marlar bleef standvastig en volhardde bij de belijdenis der zuivere
leer, zodat allen, die tot hem kwamen, om met hem te redetwisten en hem te
overtuigen, in tegenwoordigheid van de overheid, dooi, hem te schande werden
gemaakt, waarom men hem voor het gericht bracht, en tot de vuurdood
veroordeelde, welke dood hij op de 20sten Januari van het volgende jaar
standvastig en geduldig onderging.
Margaretha Boulard, een deugdzame weduwe van
George Martius, burger te Circhies, werd insgelijks door de overheid der plaats
gegrepen, en wel op de Iste November, zijnde Allerheiligendag, en de volgende
dag aan het gerecht te Douay overgeleverd. Hoe ijverig deze vrouw in de zuivere
leer en de godsdienst was, kan nauwelijks gezegd worden. Toen men haar aangaande
haar geloof ondervroeg, beleed zij zonder schroom, wat zij uit de heilige
Schrift had geleerd. En, omdat zij standvastig bij de goddelijke waarheid bleef,
en de menselijke instellingen niet wilde aannemen, werd zij veroordeeld om
levend begraven te worden, welke gruwelijke dood, die de vrouwen in Nederland
ondergaan moesten, door keizer Karel was bevolen.
Drie dagen na haar neef Marlar werd zij ter dood
gebracht, te weten op de 239ten Januari, op welke dag zij haar ziel de Heere
aanbeval en zalig stierf.
[JAAR 1542.]
Op de 1e April van het jaar onzes Heeren 1542,
werden te Vucht, door de overheid van 's Hertogenbosch, om de christelijke
godsdienst, twee vrouwen en een man levend verbrand.
Er werd ook een ander man ter dood gebracht en een
vrouw levend begraven. Zij woonden te Valenciennes, en waren Walen, die geen
Duits kenden, en vluchten moesten naar Wesel, om daar te wonen en hun godsdienst
vrij te kunnen belijden. Zij moesten sterven, omdat zij het heilige sacrament
des avondmaals niet anders dan ondertwee gestalten wilden ontvangen, zoals men
dat in vele plaatsen van Duitsland en Oostland gebruikte. Zeer gewillig en met
vreugde ondergingen zij de dood.
[JAAR 1542.]
In het jaar onzes Heeren 1542, omtrent drie weken
voor het Kerstfeest, beval het hof van het parlement van Bordeaux, dat men
gevangen zou nemen Mr. Aymont de la Voye, die het Evangelie predikte in de stad
Saintefois, in Agenois. Dooreen priester uit de parochie en andere priesters in
dezelfde stad werd hij aangeklaagd en beschuldigd, die zeiden, dat hun gewone
inkomsten door zijn prediking waren verminderd. Mr. Aymont werd drie dagen
tevoren gewaarschuwd, om te vertrekken en de gevaren te ontvluchten. “Ik ware
liever" antwoordde hij, "nooit geboren, dan dat ik dat doen zou. Het komt met de
taak van een goed herder niet overeen, om te vluchten, als men de gevaren ziet
komen, zoals Christus zegt, Joh. 10. Men moet blijven, opdat de schapen niet
verstrooid raken. Nu dan, de Heere heeft mij de genade gegeven, dat ik u Zijn
Evangelie prediken zou: en zou ik nu om eetje bezoeking weglopen? Men mocht eens
denken, dat ik niets dan fabelen, dromerijen en andere dingen aangaande God
gepredikt had, en alzo zou er grote ergernis gegeven worden. Zo bid ik u dan,
daarvan niet meer te spreken; want ik weet, dat wat ik gepredikt heb waarachtig
is, en, omdat te bevestigen wil ik lichaam en ziel verpanden, en met Paulus
zeggen: "Ik ben niet alleen bereid om gebonden te worden in de stad Bordeaux,
maar ook daar om Christus' wil te sterven." Toen zij deze grote volharding
zagen, kwelden zij hem niet meer. Als nu de beambte kwam om hem gevangen te
nemen, vertoefde hij drie dagen in de stad, in welke tijd Mr. Aymont drie
toespraken tot het volk hield, en met een buitengewoon geheugen verhaalde alles,
wat hij in vroegere tijden geleerd had, en wilde omdat te bevestigen duizend
levens daarvoor overgeven, als hij er over te beschikken had. Dit bracht het
volk in beweging, daar zij zijn onschuld en liefde bemerkten en zij zeiden: "Is
hij er de oorzaak niet van, dat men zo veel niet meer speelt, of zich dronken
drinkt, en dat vele boosdoeners van hun kwaad afstand doen?” Zij liepen daarom
op de beambte toe om hem te verlossen. Mr. Aymont wilde dit niet gedogen en
riep: "Houdt op, mijn broeders en vrienden, belet toch mijn martelingen niet;
want het is Gods wil, dat ik om Zijns naams wil zal lijden, die men niet mag
weerstaan." De raadsheren besloten en namen op zich hem gevangen te nemen, naar
Bordeaux te brengen, en bevalen, dat de beambte zou terugkeren. Drie dagen
daarna werd hij, door een grote menigte, naar Bordeaux geleid, waar al dadelijk
vele getuigen tegen hem gehoord werden, van wie het merendeel priesters waren,
uitgenomen de heer van Riverack, een grote pluimstrijker, die er zich op beroemd
had, dat hij Mr. Aymont, al zou het hem ook duizend kronen kosten, zou laten
verbranden. Ofschoon hij de getuigen weerlegde, gaven de rechters hem daarin
toch geen gehoor, maar namen de getuigenis der priesters aan, die vooral
voortdurend over het vagevuur, spraken, daar hij altijd had beweerd, dat Jezus
Christus ons alleen zuivert. Mr, Aymont weerlegde ook de eerste en tweede
president. De eerste weerlegde hij, omdat de president de parochie, die de
gevangene toebehoorde, voor een van zijn kinderen verkregen had, en de ander,
omdat hij een neef was van de eerste, welke zijn tegenpartij
was.
Voorts werd bent toegestaan zich te
verontschuldigen, dat hij deed met een aantal van zeven of achtentwintig mannen,
die met ere genoemd moeten worden, en van zijn onschuld getuigen waren, die
echter niet ontvankelijk werden verklaard, omdat men zei, dat zij verdacht
werden ook tot deze sekte te behoren.
Toen hij aldus gedurende acht of negen maanden
gevangen zat, leed hij zeer veel verdriet, maar verdroeg dit alles geduldig,
gesterkt als hij werd door het geloof en de hoop. Bij herhaling was hem in deze
tijd gezegd en meegedeeld, dat men hem binnen korte tijd zou verbranden, welke
tijding hij echter met zulk een vreugde ontving, dat zijn vijanden zich dagrover
verwonderden. Hij bleef altijd welgemoed, en zei met Paulus: “Ik begeer van dit
lichaam ontbonden te worden en met Christus te zijn; Christus is mijn gewin,
beide in leven en in sterven."
Hij beklaagde zich zeer, dat hij de waarheid niet
duidelijker aan het volk had voorgesteld, zoals God hem die had leren kennen en
geopenbaard door Zijn Woord. Ja, hij beklaagde zich ook onder zuchten en wenen,
dat hij niet had geleefd zoals het een christen betaamt, ofschoon hij voor de
mensen een voortreffelijk leven leidde, waarvan ook zijn vijanden een goede
getuigenis moesten afleggen.
Eindelijk, omstreeks de 28sten Augustus van het
jaar 1542, maakten de rechters een einde aan zijn rechtszaak, verwierpen zijn
onschuld en weerleggingen, en kluisterden hem in zware boeien, dat een zeker
teken voor zijn dood was. Des woendags daarna werd hij tegen alle bevelen zeer
wreed gepijnigd, opdat hij allen zou noemen, die zijn gevoelen waren toegedaan.
De eerste president greep hem bij de baard, en riep tot hem: “Zeg eens boef,
spreek, want gij bent veroordeeld; er ontbreekt ons niets meer dan uw
metgezellen te kennen." "Welke metgezellen bedoelt gij?” vroeg Mr. Aymont, "want
ik heb er anders geen dan die weten en doen de wil van God mijn Vader; het zijn
edellieden, kooplieden, ambachtslieden of anderen." Toen hij gepijnigd werd, zei
hij: "Dit lichaam zal sterven, maar de geest zal leven, en het rijk van God zal
eeuwig duren." Als hij bijna twee uren achtereen gepijnigd werd, viel hij in
onmacht, want hij was zwak van gestel; doch, toen hij weer bijkwam, zei hij:
"Heere mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" De tweede president zei tot hem:
"Gij erge Lutheraan, gij hebt God verlaten!" Aymont antwoordde: "Wel, mijn
heren, waarom pijnigt gij mij zozeer? 0 Heere, vergeef het hun, want zij weten
niet, wat zij doen." De president zeide: "Ziet toch, deze schelm bidt voor ons."
Onder al de martelingen noemde of verklapte Aymont niemand, maar onderging de
pijnigingen geduldig en zei: "Ik dacht veel meer medelijden bij de mensen te
vinden dan ik nu bemerk. Nu dan, ik bid de Heere, dat ik bij Hem ontferming mag
vinden."
Daarna werd hij gesloten in de gevangenis bij de
toren der vrijheren, die zeer eng is, tot Zaterdags. Ten 8 uur in de morgen werd
zijn vonnis gelezen, hetwelk inhield dat hij levend zou worden verbrand. Toen
hem dit werd, meegedeeld, was hij niet in het minst verschrikt, en loofde God
grotelijks voor Zijn genade. Toen ontboden zij bij hem Karmelieter, Augustijner
en Jakobijner monniken en Minderbroeders, om hem de biecht af te nemen. Hij
wilde die echter niet ontvangen, maar begeerde de pastoor van St. Christoffel,
en zei tot de monniken: "Maakt u allen van hier weg, ik zal de Heere mijn zonden
belijden. Gij ziet dat ik al genoeg door de mensen beroerd ben, en wilt gij mij
nog meer beroering aandoen? Anderen hebben mijn lichaam, wilt gij mijn ziel
wegnemen? Maakt u toch van hier weg."
Toen kwamen tot hem twee raadsheren van Longeau en
van Cassagne, om hem te vertroosten; maar hij was zo sterk in het geloof, dat
hij hen vertroostte. Toen hij zag, dat men de pastoor van St. Christoffel belet
had, hem de biecht af te nemen, koos hij een Karmelieter, de minste onder al de
monniken, die hij bij zich hield, terwijl hij de anderen liet heengaan. Zij
bleven zolang alleen, totdat hij de monnik bekeerde.
Daarna bracht men hem het middageten, bij welke
gelegenheid hij de vrouw en de dochter van de gevangenisbewaarder bij zich riep,
tot wie hij zei: “Van mijn God heb ik mijn begeerte verkregen, want nu is het
omtrent acht jaren geleden sinds Hij mij de kennis van Zijn Woord verleende.Toen
kwam er als van zelf bij mij op, dat ik om Zijns Woords wil te Bordeaux sterven
zou, wat nu in vervulling gaat." Omtrent een uur na etenstijd traden de
gevangenis binnen de eerste en de tweede president van Cassagne, Mongeau en
andere raadsheren. Toen begon Mr. Ayrriont over het avondmaal te spreken, en
verklaarde, dat hij geloofde, dat, zo dikwerf de christenen gemeenschappelijk
vergaderd waren, in de belijdenis van één geloof, en aldus het brood des Heeren
genoten, zij dan waarachtig gemeenschap hadden aan het lichaam en het bloed van
Jezus Christus, en verklaarde met een bijzondere genade, hetgeen Paulus
schrijft, 1 Kor. 11 en andere plaatsen der heilige Schrift. De tweede president
viel hem in de rede, en zei: “Wij moeten horen. hoe gij denkt over het vagevuur.
Aymont antwoordde: "Dat is goed gezegd, en ik zal u mijn gevoelen meedelen. Gij
weet wel, dat in de Heilige Schrift vagen, zuiveren en wassen één zaak betekent,
en er staat geschreven: "Hij heeft ons gewassen in Zijn bloed, Gij zijt niet
verlost door zilver of goud, maar door het bloed van
Christus."
"En hebt gij niet gelezen, dat Paulus in zijn
brieven menigmaal zegt, dat wij door het bloed van Christus van de zonden zijn
gezuiverd?" De tweede president zei, dat de brieven met de kinderen om mosterd
gingen. "Met de kinderen!" zei Mr. Aymont: "ik vrees, dat gij niet veel gelezen
hebt." Een monnik hernam: "Mr. Aymont, u zoudt hem met een woord tevreden
stellen, wanneer gij slechts zeggen wilt, dat er een plaats is, waar de zielen
na de dood gezuiverd worden." Hij antwoordde: “Dat geef ik u te bewijzen. Hoe,
wilt gij mij laten verdoemen en zeggen, wat ik niet weet?" De tweede president
zei: “In dit uur zult gij sterven, en denkt gij niet in het vagevuur te komen?
Indien iemand sterft in een dagelijkse zonde, zal hij terstond in het Paradijs
komen? Hij antwoordde, dat zijn geloof op God zo vast was, dat hij niet
twijfelde, of hij zou beden naar het Paradijs gaan. De president vroeg hem:
"Waar is het Paradijs?" Aymont antwoordde: "Waar God met Zijn majesteit en
heerlijkheid is." De eerste president hernam: "De canones maken melding van de
overledenen en van de gestorvenen, maar in uw predikatiën hebt gij nooit anders
dan de armen aanbevolen." Hij antwoordde "Wat ik deed, moest ik doen, moest ik
bewijzen uit Gods Woord; maar in de canones heb ik nooit gestudeerd. Toen
vroegen zij hem, of hij de kerk en haar instellingen verachtte. Hij antwoordde:
“Ik geloof, dat alles waarachtig en goed is, wat de kerk beveelt en instelt,
wanneer zij door het bloed van Jezus Christus wedergeboren en op Zijn Woord
gegrond is." De president vroeg hem: "Welke kerk is dat?" Hij zei daarop: "Gij
moet weten, dat Eclesia een Grieks woord is, en een vergadering betekent, en in
deze vergadering, waar de gelovigen samenkomen tot ere van God en tot opbouwing
van de christelijke godsdienst, daar is, naar de beloften des Heeren Jezus
Christus, de Heilige Geest met hen." De tweede president zei: "Hieruit volgt,
dat er vele kerken zijn, en wanneer ook de ambachtslieden vergaderden, dan was
dit ook een kerk." Hij antwoordde: "Het schaadt niet, dat er onder de christenen
vele gemeenten zijn, want Paulus zegt wel: "Al de gemeenten, die in Galatië
zijn, en nochtans maken alle gemeenten maar één kerk uit." Toen zei de raadsheer
van Longeau: "De kerk, waarvan gij spreekt, is die niet, waarin de artikelen van
het geloof van staat: "Ik geloof één heilige algemene kerk." Waarop hij
antwoordde: “Ik geloof waarachtig aan die." De tweede president vroeg, wie het
hoofd van die kerk was. Hij antwoordde: "Jezus Christus." De president hernam:
"Is het de paus niet?" Hij antwoordde: "Neen!" Toen zei de president: “Wat is
hij dan?" Aymont antwoordde: "Hij is een dienaar wanneer hij een man van eer is,
want de bisschoppen zijn dienaren, zoals er staat 1 Kor. 4, vs. 1, waar Paulus
zegt: "Alzo houd ons een [ieder] mens als dienaars van Christus en uitdelers der
verborgenheden Gods. Men vroeg hem, of hij niet aan de paus geloofde, waarop hij
antwoordde, dat hij hem niet kende. Zij vroegen hem, of de paus niet een
nakomeling van St. Petrus was. Hij antwoordde: "Wanneer hij gevestigd is op het
waarachtig fundament Jezus Christus, dan geloof ik, dat, wat hij dan doet, zeer
goed gedaan is." Toen zei de tweede president: “0, arm mens, gij maakt, dat ik
medelijden met u moet hebben, omdat gij uzelf gaat verdoemen. Aymont antwoordde.
"Verdoemen! Verdoemen! Verdoemen!" en riep met luider stem: "Ach, welk een
vertroosting! maar daarentegen hoop ik op wat anders; want heden zal ik mijn God
zien! "Wie zal mij scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of
benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?"
Neen, niets zal mij scheiden, maar ik heb diep medelijden met u
allen."
Daarna gingen zij van hem heen, doch de monniken
blijven bij hem. Toen hij uit de gevangenis werd geleid naar de plaats, waar hij
sterven zou, zong hij de 114den Psalm: "Toen Israël Egypteland verliet," &.
Toen hij voor St. Andries kwam, wilden zij, dat hij God, Maria en de Justitie om
vergiffenis zou bidden.
God en de justitie vroeg hij om vergiffenis, doch
zei, dat hij Maria niets misdaan had, en waar geen misdaad bedreven is, daar
behoeft geen vergiffenis plaats te hebben. Vandaar werd hij geleid naar St.
Lodewijk, en op de tamelijk lange weg daarheen verzuimde hij niet te prediken,
zichzelf versterkende en verblijdend, dat hij om de naam van Christus mocht
sterven, die om zijnentwil gestorven was. Toen zei een voerman: "Hoest eens,
hoest eens, het is te lang gepredikt." Aymont antwoordde: Die van God is, hoort
graag over Hem spreken." Toen hij een Mariabeeld voorbij ging, riepen vele
lieden hem na, en belasterden hem zeer, omdat hij het beeld niet groette, en
alleen Jezus Christus aanriep. Als hij dat hoorde, riep hij met luider stem: “Ik
bid U, o mijn Heere, mijn God, wil toch niet toelaten, dat ik van U wijk, of bij
anderen hulp zoek dan bij U alleen." Toen hij op de straf plaats aankwam, liet
de scherprechter hem op de grond neerzitten om wat uit te rusten. Daar deelde
hij de reden, waarom hij sterven moest mee en zei: "Mijn heren, ik sterf om het
Woord en het Evangelie van onze Heere Jezus Christus. 0, gij christenen hoort!"
Toen de koetsiers en gerechtsdienaren dit hoorden, maakten zij een grote
beroerte en riepen: "Maakt haast met hem, maakt haast met hem, opdat hij niet
spreke." - "Hoe," zei Mr. Aymont, "ik wil bewijzen, dat ik niet als een ketter
sterf, maar als een christen." Werd hem dit toegestaan? Zij zeiden: "Neen." Toen
fluisterde hij wat in het oor van de Karmelieter, die hij had bekeerd. Daarop
nam de scherprechter hem en liet hem de ladder opklimmen. Toen riep Aymont en
zei: "0 Heere, kom mij te hulp, en vertoef niet, en veracht het werk Uwer handen
niet, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen. Mijn broeders, mijn
heren studenten, ik bid u, legt u met ijver op het Woord van het evangelie toe;
er bestaat toch niets anders, wat eeuwig duurt, dan het Woord des Heeren; leert
de wil van God erkennen, en vreest hen niet, die alleen macht hebben over het
lichaam en niet over de geest."
Ten laatste zei hij: "Dit vlees strijdt wonderlijk
tegen de geest, maar ik zal er spoedig van ontslagen worden! 0 Heere, in Uw
handen beveel ik mijn ziel! Mijn heren, bidt voor mij!" Dikwerf bad hij: "Heere,
mijn God, in Uw handen beveel ik mijn ziel." Eindelijk werd hij door de
scherprechter verwurgd en zijn lichaam verbrand. Aldus scheidde de vrome
martelaar van deze wereld, in het jaar 1542.
[JAAR 1542.]
Richard Mekins, een jongeling van 15 jaren, had in
een gezelschap bij zijn bekende vrienden over het sacrament horen spreken. Hij
had er zoveel van gehoord, dat hij niet nalaten kon naderhand ook bij anderen
daarover te spreken. Hij werd daarom beschuldigd bij de bisschop van Londen,
Edmond Boner, die hem terstond dagvaardde en voor hem riep. En, aangezien hij
volstandig bleef, werd hij zeer spoedig daarna, niettegenstaande zijn jeugd, ter
dood veroordeeld en verbrand, in het jaar 1542.
Door deze gruwelijke tirannie maakte Boner zich
bij vele mensen gehaat. Het volk meende, dat het de bisschop meer betaamd had,
zulk een jongeling in het leven te behouden, dan hem op zulk een jammerlijke
wijze te laten doden, vooral daar hij, wegens zijn jeugd, zeer zwak en
onschuldig er uitzag.
Omstreeks deze tijd bevonden zich te Londen een
schilder, Jan genaamd, en een Duitser, Gillis geheten. Deze werden, wegens de
ware godsdienst, bij Boner, de bisschop van Londen, aangeklaagd. Toen zij voor
de bisschop en de rechters stonden, om hun zaak te verdedigen. kwam daar bij
toeval een, die tot de lijfwacht van de koning behoorde, Lancelot genaamd, een
aanzienlijk en daarenboven zeer vroom en godvruchtig man, die de zuivere leer
was toegedaan. Door gebaren gaf hij zo veel te kennen, dat hij deze beide
gevangenen geen kwaad hart toedroeg.Om die reden werd hij terstond met hen
onderzocht, de volgende dag, omtrent 5 uur in de ochtend, op de plaats St.
Gillis gebracht, en benevens de anderen verbrand. Er waren echter weinige
mensen, die dit treurig schouwspel begeerden te zien.
Richard Spenser was een mispriester niet ver van
Canterbury. Deze liet het pausdom varen, nam een vrouw, en arbeidde met zijn
handen, om op eerlijke wijze de kost te verdienen. Bovendien had men vermoeden
op hem, dat hij verkeerde leringen van het nachtmaal onderwezen had. Om die
reden werd hij door de kettermeesters gegrepen, ter dood veroordeeld en
verbrand. Te Salisbury werd hij ter dood gebracht, en wel in het jaar
1542.
In het jaar 1542 liet Johan Longlant, bisschop te
Lincoln, twee vrome christenen op een dag verbranden, de een Jakob Morton
genaamd, omdat hij aan een ander het "Onze vader" in zijn moedertaal geleerd
had; de ander, Thomas Bernhard geheten, omdat men de Zendbrief van Jakobus in de
Engelse taal bij hem had gevonden.
Omstreeks deze tijd liet Boner, bisschop van
Londen, een jongeling, Jan Porteur genaamd, een kleermaker, in de gevangenis
Newgate genaamd werpen, omdat hij in de St. Pauluskerk in de Bijbel had gelezen.
In deze gevangenis liet de moorddadige bisschop hem geruime tijd kwellen, en
eindelijk jammerlijk ombrengen, en wel in het jaar 1542.
[JAAR 1542.]
Omtrent een jaar na de dood van Jan Marlar en
Margaretha, van wie wij boven gesproken hebben, werd te Bouvignes, een dorp niet
ver van Orchies de schrijver, Hector Remy genaamd, gevangen genomen. Toen hij
een heerlijke belijdenis van zijn geloof had afgelegd, en daarin volstandig
bleef, werd hij te Douay onthoofd. Zijn vrouw, Mathinette du Buisset, een
eerbare en deugdzame vrouw, beleed insgelijks de zuivere leer van Gods Woord, en
verdedigde die zeer standvastig: waarom zij door het gerecht te Douay
veroordeeld werd en levend begraven.
[JAAR 1542.]
Te Houn, de hoofdstad van Normandië, was zeker
iemand, Constantinus genaamd, en met hem nog drie anderen, die, om het zuivere,
en onvervalste Evangelie, dat zij op vrome wijze beleden, als ketters
veroordeeld en ter dood verwezen werden. Toen Constantinus de wagen zag, waarmee
men gewoon was het slijk en de andere onreinheden van de stad te vervoeren, en
die ook bij zijn terechtstelling zou worden gebruikt, zei hij meteen verblijd
gemoed: "Wij zijn nu een uitwerpsel en onreinheid der wereld geworden, ja,
stinkende voor de mensen. Doch, laat ons blijde en vrolijk zijn, want de reuk
van onze dood zal zoet en kostelijk zijn voor God de Heere." Aldus werden zij
aan de Heere opgeofferd in het jaar na de geboorte van onze Zaligmaker Jezus
Christus 1542.
[JAAR 1542.]
Te Parijs woonde een jonge man, met name Claudius
de Schilder, een goudsmid van beroep. Hij was de zoon van een schoenmaker, nog
zeer jong en had nauwelijks de leeftijd van 20 jaren bereikt. Nadat hij drie
jaren te Genève had gewoond, en daarin de christelijke godsdienst was
onderwezen, keerde hij naar Parijs terug, om zijn ouders, vrienden en bekenden
de genade deelachtig te doen worden, die hij van God had ontvangen, en hen te
brengen tot de kennis der waarheid. Door enige lieden, en wel, zoals sommigen
melden, door hen, bij wie hij zijn handwerk uitoefende, werd hij bij de rechter
Morin als ketter aangeklaagd en door hem gevangen genomen. Hij werd beschuldigd,
dat hij van de beelden en van de wonderen, die daar onder groten toeloop van
volk niet alleen werden vereerd, maar ook aangebeden, had gezegd, dat zij niet
veel verschilden van de afgoden der heidenen, en dat men die uit de kerken der
christenen behoorde te werpen, wanneer men maar het minste vermoeden had, dat er
afgoderij mee gepleegd werd. Verder werd hij beschuldigd, dat hij nog enige
andere dingen had gesproken, overeenkomende met de gevoelens van Luther, waarom
hij op zeer wrede wijze in de kerker werd geworpen. Vijf malen werd hij zeer
zwaar gepijnigd, opdat hij zijn geloofsgenoten zou aanwijzen doch tevergeefs,
daar hij alles met een standvastig gemoed geduldig
verdroeg.
Toen hij daarna voorgebracht werd om zijn
beweringen en gevoelens te herroepen, was hij er zover vandaan, om dit te doen,
dat hij verklaarde, het met zijn dood te zullen bevestigen. Hij werd daarom in
het rechthuis geleid en veroordeeld, dat hem eerst de tong uitgesneden, en dat
hij daarna levend verbrand zou worden. Bij het vernemen van dit vonnis
veranderde zijn aangezicht in geen dele, maar hij stak zelfs de tong zover uit,
als hij slechts kon, opdat de scherprechter die te gemakkelijker zou kunnen
uitsnijden. De beul trok de tong met een tang naar voren, sneed die met een mes
los, en sloeg en de jongman bij herhaling mee in het aangezicht. Het omstaande
volk nam de tong, die zich nog verroerde, op, en wierp daarmee de martelaar in
het aangezicht. Van daar werd hij op een wagen naar de strafplaats gevoerd, wat
met zulk een opgeruimd gelaat bij hem geschiedde, dat het niet scheen, dat hij
naar de gerichtsplaats, maar naar een bruiloftsfeest of uitgelezen maaltijd
ging. Toen hij op de plaats, waar hij verbrand zou worden, was aangekomen,
verliet hij zelf de wagen, en plaatste zich aan de paal. Onder geen woorden is
het te brengen, welk een blijmoedig gelaat hij toonde, toen hij met een keten
aan de paal werd vastgemaakt, en met welk een tevreden gemoed hij het geroep en
het getier van het opgeruide volk verdroeg. Geen onbetamelijk woord of geluid
liet hij horen, het bloed, dat uit de mond van zijn pas uitgesneden tong
vloeide, spuwde hij van lijd tot tijd uit, en sloeg daarbij zijn ogen naar de
hemel, vanwaar hij zijn hulp wachtte. Toen het buskruit op zijn hoofd gestrooid
was, en de beul hem onder bedreigingen het vuur toonde, was hij daarover in het
minste niet ontzet en verlangde zelfs met een zekere beweging des lichaams naar
de vlammen. De schrijver van deze geschiedenis zegt dat het nauwelijks kan
gedacht worden, dat de wijsgeren, die zovele boeken hebben geschreven over de
verachting van de dood, met zulk een standvastig gemoed dergelijke wrede pijnen
en martelingen konden verdragen. Aldus toonde hij bovenmenselijke krachten te
bezitten. Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 1542.
[JAAR 1543.]
Mr. Johannes Beek, geboren te Essars, niet ver van
Sedan, in Brue, zat om de leer van het evangelie geruime tijd te Parijs
gevangen, en had in de gevangenis vete zware en verschrikkelijke martelingen te
verduren, maar volhardde toch zeer standvastig in zijn christelijke belijdenis.
Om die reden word hij van zijn Rooms priesterschap ontzet, en in de handen van
de wereldlijke overheid overgeleverd, die te Troyes, in Champagne, op de
wijnmarkt hem liet verbranden, en wel in de maand Juni van het jaar
1543.
[JAAR 1543.]
François Bribard werd geboren te Clemon, in
Solongue, van wie men zei, dat hij de secretaris was van de kardinaal van Beley.
Toen hij van Straatsburg te Parijs terugkeerde, werd hij daar gevangen genomen,
en, nadat hem de tong was uitgesneden, onderging hij, om de belijdenis van de
leer van het evangelie, met grote standvastigheid de pijnlijken vuurdood, in het
jaar onzes Heeren 1543. Voor zijn dood redetwistte hij zo wakker en dapper met
de leraren der Sorbonne, en maakte hen naar aanleiding van hun eigen uitgegeven
boeken derwijze beschaamd, dat de leraar Picard, terwijl hij over hem sprak, van
hem zegt: “Hij sprak aldus, dat, indien wij niet vast overtuigd waren geweest,
hij ons samen zou hebben verleid." Voor zijn dood zei dezelfde Picard: "Wanneer
men hem de tong niet had uitgesneden, zou hij de gehele wereld bedorven
hebben.”
[JAAR 1543.]
In de toren van de bisschop van Winchester werd
een priester opgehangen, terwijl er zekere Hendrik van Glocester met zijn
dienaar werd verbrand. Voorts werd er ook te Londen verbrand zekere Kirby, een
kleermaker van beroep.
In het jaar 1543 werden ook drie voortreffelijke
mannen te Windfore verbrand, namelijk, Antonius Person, een priester, die van
twee punten werd beschuldigd: vooreerst, dat hij voor twee jaren de woorden in
zijn predikatie had gebruikt: "Gelijk Christus aan het kruis tussen twee
moordenaars hing, alzo hangt Hij nog, als de priester Hem opheft, tussen twee
bloedige handen," enz. Verder, omdat hij op de predikstoel openlijk gezegd had,
dat het volk het lichaam van Christus niet moest eten, zoals het aan het kruis
gehangen had, zodat zij het een stuk na het andere daarvan beten, en hun het
bloed in de mond vloeide; maar dat men het heden moest eten zoals morgen en
overmorgen, voorts, dat Christus Zijn macht na Zijn opstanding heerlijker had
bewezen dan ooit tevoren.
Robert Testwood, een voorzanger, werd alleen
daarom tot de vuurdood veroordeeld, omdat hij tot een priester, die bij de
opheffing van de hostie zijn God zeer hoog ophief, gezegd had: "Och, hoe hoog!
Ja, nog veel hoger; maar zie toe, dat hij niet vatte.”
Jan Marbecke, mee een voorzanger, werd
beschuldigd, dat hij uit vele schrijvers een groot aantal spreuken had
getrokken, en die met zijn eigen hand had afgeschreven, die zowel tegen de mis
als tegen het sacrament des altaars waren gericht. Verder, omdat hij gezegd had,
dat de mis, waarin de priester het lichaam van Christus opofferde, enkel
afgoderij en goddeloosheid was, en dat zij aangezien zij God van zijn eet, en
heerlijkheid beroofden, billijker wijze door de christenen niet behoorde
bijgewoond te worden. Voorts, dat de elevatie, of de opheffing van het
sacrament, gelijk stond aan de kalveren van Jerobeam, die hij in de tempel had
opgericht, en dat met de mis meer afgoderij werd bedreven, dan in vroeger met de
kalveren van Jerobeam plaats had. Eindelijk, dat men er niet aan moest
twijfelen, of Christus in de mis in het openbaar werd bespot. Deze drie bleven
standvastig, en werden verbrand te Windfore, op de 20e Juli, in het jaar
1543.
[JAAR 1543.]
In de vervolging van Merindola was er een
buitenlandse boekverkoper, die onder vele andere boeken ook de Latijnse en de
Franse Bijbel te koop had. Toen de bisschoppen dit gewaar werden, vroegen zij
terstond de boekverkoper, hoe het kwam, dat hij zulke boeken op zulke plaatsen
te koop durfde aanbieden. De boekverkoper vroeg hun wederkerig, of er niet meer
aan de heiligen Bijbel gelegen was, dan aan de fraaie beeldjes, die zij onlangs
in menigte voor hun vrouwen gekocht hadden. Nauwelijks had hij dit gezegd, of de
bisschop van Aix hernam: "Mijn deel aan het hemelrijk wil ik er met een eed op
verpanden, wanneer deze boekverkoper geen Lutheraan is:" en terstond daarop liet
hij hem grijpen. Een menigtepriesters en vele slechte lieden schoten
ogenblikkelijk toe, vielen op hem aan en riepen: "Valt aan, valt aan, op deze
Lutheraan, naar het vuur, naar het vuur met hem!" Terwijl zij hem op jammerlijke
wijze voortsleepten, sloeg de een hem in het gelaat, trok de ander hem bij het
haar, en wierp hem bijna ter aarde; de derde trok hem bijna de baard uit, zodat
het bloed de straat kleurde, eer hij de gevangenis had bereikt. De volgende dag
werd hij voor de geestelijke rechters en bisschoppen gesteld, en op de volgende
wij ze ondervraagd: "Hebt gij deze Bijbels en het Nieuwe Testament in de Franse
taal niet in het openbaar te koop aangeboden?" Waarop de arme gevangene
antwoordde: Ja." "Weet gij niet, dat het in de gehele christenheid verboden is,
de Bijbel te koop aan te bieden of te laten drukken dan alleen in de Latijnse
taal?" "Het tegendeel weet ik; want ik heb vele Bijbels verkocht in de Franse
taal, die met vergunning van de keizer openbaar in druk zijn uitgegeven,
benevens andere, die te Lyon zijn gedrukt zo ook is het Nieuwe Testament onder
gunstige toelating van de keizer gedrukt." Met de grootste vrijmoedigheid zei de
gevangene verder: "Wilt gij, die hier in Avignon woont, alleen in de gehele
christenheid een gruwel van het Testament van de hemelse Vader hebben? Waarom
laat gij niet toe, dat het Testament en de geloofwaardige boeken van het genade
verbond Gods overal verkocht en verstaan worden? Wilt gij verbieden, wat de
Heere Jezus Christus bevolen heeft openlijk te verkondigen en te verklaren? Weet
gij niet, dat onze Heere Jezus Christus Zijn heiligen Apostelen macht heeft
gegeven, om in allerlei talen te spreken, opdat het heilige Evangelie aan alle
schepselen in alle talen zou verkondigd worden? Waarom verbiedt gij niet veel
meer die boeken en schilderijen, waarin verkeerdheden en schandelijkheden vervat
zijn, waardoor de mensen tot hoererij en ontucht aangespoord worden?
Uitdrukkelijk verklaarde hij hun, dat zij daarvan in het laatste oordeel Gods
rekenschap zouden moeten geven. Toen werden de bisschoppen van Aix en andere
geestelijken zo toornig, dat zij schenen te zullen barsten, en zeiden "Wat
behoeft men hem nog verder te ondervragen. Naar het vuur, naar het vuur, naar
het vuur met de ketter. en geen woorden meer verspild! Doch de rechter Laderius
en de anderen bewilligden daarin niet zo dadelijk, want hij vond geen genoegzame
reden om deze boekverkoper te doden. Daarom deed hij het voorstel, dat, indien
hij de tegenwoordige bisschoppen en geestelijken voor getrouwe en ware
geestelijken en zielenherders van Gods kerk wilde erkennen, hij alsdan voor
ditmaal met een lijdelijke boete zou getuchtigd worden, en het leven behouden.
Doch de boekverkoper antwoordde, dat hij dit met een goed geweten niet kon doen,
aangezien hij met de daad bevonden had, dat zij meer van ontuchtige, zedeloze
beelden, schilderijen en gezangen hielden, en die de voorkeur gaven boven de
Bijbel en Gods Woord: dat hij hen daarom ook billijkerwijze voor Bachus en
Venuspriesters in plaats van voor herders der algemene christelijke kerk moest
houden. Daarop werd hij op staande voet tot de vuurdood veroordeeld, en op
dezelfde dag ter dood gebracht. Tot een bewijs van de oorzaak van zijn vonnis
hadden zij hem twee Bijbels, de een voor de borst, de ander op de rug gehangen,
die aldus met hem verbrand moesten worden. En waarlijk, dit waren geen valse
tekenen, want deze arme boekverkoper had in waarheid het Woord Gods in het hart
en in de mond, daar hij niet naliet onder weg en op de gerichtsplaats het volk
ernstig te vermanen tot vlijtig lezen en betrachten der Heilige Schrift,
waardoor velen bewogen werden tot onderzoek der waarheid. Velen mensen hinderden
het zeer, dat men niet alleen de onschuldige man ter dood veroordeelde, maar dat
men ook de heiligen Bijbel zulk een schande aandeed. En, daar men vreesde, dat
er oproer uit ontstaan zou, lieten zij, om allen bevreesd te maken, in de stad
en het omliggende land de volgende dag uitroepen, dat allen, die in de Franse
taal boeken bezaten, waarin van de Heilige Schrift, op welke wijze dan ook,
melding werd gemaakt, die boeken op zekere plaats moesten brengen, en aan de
commissarissen, die daartoe aangewezen waren, overleveren met de waarschuwing
dat, indien er later bij iemand dergelijke boeken gevonden zouden worden, hij,
evenals de genoemde boekverkoper, naar lichaam en ziel gestraft zou
worden.
In dit jaar werden te Leuven 28 à 30 personen, zo
mannen als vrouwen, in hun huizen op zekere tijd gevangen genomen, en daarna aan
palen verbrand.
[JAAR 1541.]
Toen de vijanden der waarheid Joost Jusburgh te
Leuven lieten zoeken doch hem niet vonden, vernamen zij, dat hij naar een abdij
twee mijlen van die stad gegaan was, om daar de klederen van de monniken te
herstellen, daar hij een kleermaker van beroep was. Zij baden de landvoogd van
Brabant, om hem gevangen te nemen, die hem dan ook, terwijl hij aan zijn werk
was, door enige schutters in de abdij liet vatten en gevangen nemen. Toen hij
hem bezocht, vond hij het Nieuwe Testament en enige predikatiën van Luther bij
hem, over welke buit zij zich verblijdden, en hem gebonden naar Brussel
overbrachten. De volgende dag kwamen er twee raadsheren tot hem, die hem
vroegen, wat hij van de Leuvense artikelen dacht, te weten van de pauselijke
macht, van het vagevuur, van de offerande der mis, van de aflaten, van de
sacramenten en andere artikelen. Hij antwoordde daarop kort, dat hij geloofde,
dat de gerechtigheid, de heiligheid en de verlossing van het menselijke geslacht
de mensen uit loutere barmhartigheid geschonken worden. Toen zij hem vroegen,
waarom hij zulke boeken bij zich droeg, aangezien het hem niet betaamde
dergelijke boeken te lezen, antwoordde hij, dat het hem wel betaamde te lezen,
wat tot zijn zaligheid nodig was; dat de zaligheid, die in het Nieuwe Testament
vervat is, hem niet minder aanging dan grote heren of groten vorsten. Doch zij
zeiden: “Het zijn ketterse boeken." Hij antwoordde: Ik beschouw ze voor goede en
heilzame boeken."
Op zeer scherpe wijze vorderden zij van hem, dat
hij zijn geloofsgenoten, die met dezelfde ketterij besmet waren, zou aanwijzen.
Hij antwoordde echter, dat hij geen ketter was, daar hij niets anders geloofde
dan de leer van de Zoon van God, en dat hij niemand voor ketters hield, dan die
de zuivere leer vervolgen. Op het woord vervolgen, ofschoon hij niemand noemde,
werden zij zeer beroerd, en bedreigden hem, dat zij hem zo zouden mishandelen,
als zij nog niemand gedaan hadden, ja, dat zij hem met gloeiende tang het een
lid na het andere van het lichaam zouden scheuren, indien hij zijn
geloofsgenoten niet bekend maakte. Daarop zei hij, dat de landvoogd in het
klooster een aantal monniken rondom hem had gevonden, met wie hij gesproken had.
Wilden zij die gevangen nemen, dat moesten zij naar hun goeddunken
handelen.
Toen de commissarissen zagen, dat zij niets van
hem vernemen konden, lieten zij hem weer naar de gevangenis brengen, en
gedurende negen weken op een hoge afgesloten kamerplaatsen, zodat niemand met
hem spreken kon. Daarna bracht men hem naar Leuven, om zijn geloofsgenoten daar
aan te wijzen, doch tevergeefs, want hij had bij zichzelf besloten, zich liever
in stukken te laten scheuren, dan zijn lieve vrienden en medebroeders in gevaar
te brengen. Te Brussel andermaal in de gevangenis gebracht, liet de landvoogd
hem voor het gerecht stellen. In die vergadering stonden de beide bovengenoemde
raadsheren op, die zijn vrijmoedige belijdenis gehoord hadden, lazen die in het
openbaar voor, en vroegen hem, of dit zijn belijdenis niet was. Hij antwoordde
daarop: Ofschoon gij de getuigenissen, waarmee ik mijn belijdenis bevestigd heb,
er hebt uitgelaten, erken ik deze enkele artikelen, en ben bereid die op grond
van het goddelijke Woord te bevestigen." Toen zeiden zij: "Aangezien gij deze
artikelen voor de belijdenis van uw geloof erkent, verlangen wij, dat gij die
herroept, want zij zijn ketters en tegen onze heilige moeder de roomse kerk.
Maar, indien gij daarbij volhardt zal men u levend verbranden, en anderen tot
een afschrikkend voorbeeld op een ongehoorde wijze pijnigen.” Joost antwoordde:
“Ik zou met mijn weten niet graag een slecht gevoelen aanhangen, maar heb ik, op
menselijke wijze, ergens in gedwaald, dan verlang ik, dat men mij op grond der
Heilige Schrift terecht brengt." Zij zeiden: "Veel redetwisten baat hier niet,
men wil, dat gij uw schandelijke gevoelens zult herroepen." Joost antwoordde:
“Ik zie niets kwaads in mijn artikelen, en daarom kan ik ook niets herroepen, of
ik zou tegelijk de eeuwige waarheid Gods moeten verloochenen. Dat ben ik nimmer
voornemens te doen." Zij zeiden echter:,Opdat gij u niet te beklagen zoudt
hebben, dat men u zou hebben overhaast, zal men u tot morgen tijd geven om u te
bedenken." Aldus lieten zij hem ditmaal weer naar de gevangenis
brengen.
De volgende dag op Vrijdag de 5e januari, kwamen
de dienaren der stad in de gevangenis, en brachten Joost weer voor het gerecht.
Toen hij voor de rechters stond, vroegen zij hem: “Zijt gij in deze nacht van
gevoelen veranderd, en wilt gij herroepen? Indien gij u niet haast en herroept,
moet gij sterven." Joost antwoordde daarop: “Ik ben bereid uit de Heilige
Schrift van u te leren, en ben ook bereid mijn artikelen met de Heilige Schrift
te verdedigen. Wilt gij mij niet onderwijzen noch aanhoren, maar met mij tegen
recht en met geweld handelen, bedenkt, dat gij Gode daarvan rekenschap geven
moet. Wat mij aangaat, ik zal met Gods hulp de eeuwige waarheid Gods voor de
mensen niet verloochenen." Doch de rechter antwoordde: "Men behoeft hier niet te
redetwisten, maar, wanneer gij u voor zulk een goede redetwister houdt, dan
zullen wij na etenstijd twee of drie geleerden zenden; met hun kunt gij dan
zolang redetwisten, totdat gij moe wordt." Intussen veroordeelden zij hem, dat
hij als een ketter tot as zou verbrand worden. Toen Joost dit vonnis vernam,
viel hij op de knieën, en dankte God allereerst en ook daarna de rechters, dat
zij hem door dit vonnis van alle jammeren van het vergankelijke leven wilden
verlossen.
Des namiddags kwamen tot hem twee geestelijken,
van wie de één een predikmonnik en doctor der Heilige Schrift, een rechte
huichelaar, en de ander een bedelmonnik was. Men liet deze beiden in een kamer
met Joost alleen gaan, opdat zij hem de gehelen dag met hun vragen zouden
kwellen. In de eerste plaats zeiden zij, dat zij door de raadsheren waren
gezonden om hem te troosten, en de zaligheid zijner ziel hem op het hart te
drukken, aangezien hij geen hoop kon voeden om het tijdelijke leven te behouden;
daarom baden zij hem, dat hij zijn ziel niet tegelijk met het lichaam in gevaar
zou brengen. Joost verzocht hun daarentegen, dat zij maar weer naar huis zouden
gaan, en zich over hem niet moesten bekommeren, en hem geen verdriet zouden
aandoen. Of, indien zij toch iets voor hem doen wilden, dat zij de rechter
zouden verzoeken, dat hij onthoofd mocht worden; wanneer zij dit voor hem konden
gedaan krijgen, dan was alles goed, en zij konden weer naar hun klooster
terugkeren.
De monniken beloofden, dat zij hun best wilden
doen, om dit, indien het mogelijk ware, voor hem te verwerven. Zij bleven niet
lang uit, kwamen terstond terug, en bleven bijna voortdurend in de gevangenis
bij hem. Na het uitspreken van het vonnis zat Joost nog drie dagen gevangen, en
zij wilden hem niet ter dood brengen voor de volgende Maandag, op hoop, dat hij
intussen zou herroepen. Des Zondags in de vroegte, toen de monniken zagen, dat
Joost geenszins wilde herroepen, gaven zij hem te kennen, dat er hoop bestond,
dat hij met het zwaard zou worden gedood; doch de monniken zeiden hem niet, dat
de koningin toegestaan had hem met het zwaard te doden, maar gaven alleen voor,
dat dit wellicht zou mogen plaats hebben, teneinde zij hem des te beter zonden
kunnen dwingen, en van hem verkrijgen, wat zij begeerden. Zij hielden daarom
sterk bij hem aan, dat hij zou biechten opdat het volk weten zou, dat hij als
een vroom christen gestorven was. Doch Joost wilde er niet naar horen, en zei,
dat hij aan God zijn zonden gebiecht had, vertrouwende, dat hem door Jezus
Christus zijn zonden vergeven waren, en dat hij het lichaam en bloed van Jezus
Christus reeds sedert lang door het geloof in de geest ontvangen had,
enz.
Onder hen, die tot Joost kwamen, om hem van de
waarheid tot de afgoderij te doen afvallen, was ook de pastoor van de kapel,
door wiens tussenkomst hij in de gevangenis was geworpen. In de nacht voor de
morgen, dat hij zou worden ter dood gebracht, gaf men de anderen gevangen
christenen vrijheid, om Joost eens te mogen aanspreken en afscheid van hem te
nemen. Hij werd zwak, en had grote dorst. Men bracht hem wijn; maar hij dronk
weinig, en klaagde zeer over de dorst.
Toen hij in de gevangenis een groot aantal mensen
rondom zich vergaderd zag, deelde hij in een voortreffelijke rede mee, hoe
gewillig hij zich de Heere opofferde, en wekte de omstanders op tot gelijke
standvastigheid. Met vele troostrijke spreuken uit de heilige Schrift sterkten
de omstanders, onder wie zich ook Gillis Tieleman bevond, hem andermaal, en
baden met gebogen knieën voor hem tot God.
Toen zij de gehelen nacht bij Joost hadden
vertoefd, en zagen, dat de dienaars niet langer wilden wachten, namen zij
afscheid van Joost, wensten hem goede nacht en bovenal de troost des Heilige
Geestes, tot aan zijn einde. Aldus keerde ieder naar zijn plaats
terug.
Des morgens vroeg kwamen de schutters en de beul,
ook de rechter, die hem veroordeeld had, en verzocht hem om vergeving. Joost
antwoordde: "Wat mij aangaat, wil ik u van hart vergeven; maar zie toe, dat gij
het in het gericht van God verantwoorden kunt. Nadat alles, wat tot de
terechtstelling behoorde, gereed gemaakt was, werd Joost naar de markt gebracht,
en hem daar het hoofd afgeslagen. Vele goede lieden werden daarover zeer
bedroefd, omdat zij zagen, dat men iemand om het leven gebracht bad, die nergens
over had gesproken dan over God en het Evangelie. Dit geschiedde in het jaar
onzes Heeren 1544.
[JAAR 1544.]
Gillis Tieleman, woonachtig te Brussel, in
Brabant, was een godvruchtig, eenvoudig man, die veel voor de armen over had,
zodat hij dikwijls ‘s nachts werkte, en op de dag de zieken en behoeftigen
hielp. Deze man had door Gods genade zijn verkeerde neigingen dermate
overwonnen, dat hij omtrent niemand onderscheid maakte, welke mening men ook
toegedaan was, of tot welke sekte men ook behoorde. Voor ieder was hij
dienstaardig en behulpzaam, en allen bewees hij eerbied. Omstreeks het jaar 1540
was er een dame, die haar testament gemaakt had, waarin zij een groot deel van
haar bezittingen aan de priesters en monniken had vermaakt, opdat zij voor haar
zouden bidden. Gillis bezocht haar, bracht haar op zachte wijze onder het oog,
dat zij daaraan niet goed deed, en zei: "0 dame, gij weet toch wel, dat het
onmogelijk is met uw voet de zee te bedekken, alzo is het u ook onmogelijk de
buik te kunnen vullen van deze priesters en monniken." Toen de dame dus door
Gillis vermaand en terecht gewezen was, herriep zij haar testament, en vermaakte
aan de armen het geld, dat zij vroeger de priesters en kloosterlingen beschikt
had. De gemeentegeestelijke van de kapel hoorde, dat alzo de buit aan zijn
handen ontnomen was, en in aanmerking nemende, dat Gillis overal zieken ging
bezoeken, en dat, waar hij kwam, de dienst der priesters niet meer werd begeerd,
klaagde hij hem aan, en liet hem als ketter gevangen nemen. Terwijl hij gevangen
zat, en men in tangen tijd nog geen aanklacht tegen hem ingebracht, noch een
vonnis over hem geveld had, stond hij in de gevangenis de gevangenen ten
dienste, en was de gevangenbewaarder behulpzaam, en wel zo getrouw, dat hij hem
zelfs toeliet op de straat te gaan, om water, hout en andere dingen te halen.
Eindelijk benijdden de vijanden hem dit, en beschuldigden hem nog heviger van
ketterij. Toen men Gillis dienaangaande ondervroeg, beleed hij zeer onversaagd
de Evangelische waarheid, en verwierp het roomse bijgeloof en de afgoderij.
Daarna werd hij op de pijnbank gelegd, om van hem te vernemen, wie zijn
gevoelens waren toegedaan, doch hij wilde niemand verklappen. Onder de aangedane
martelingen viel hij in een erge flauwte, zodat men meende, dat hij onder de
handen van de scherprechter sterven zou. Hij lag zo lang in flauwte, dat zij hem
bij het vuur moesten brengen, en warm drinken geven, opdat hij weer zou
bijkomen. Toen zei Gilles: "0 goede God! Gij bestuurt ook, dat mijn vijanden
mijn dienaars moeten zijn, om mij te genezen. Daarna bedreigden zij hem, dat hij
om zijn hardnekkige ketterij zou verbrand worden, en dat hij schande zou
ondergaan voor het oog van alle mensen. Doch Gilles zweeg op alles, wat zij
zeiden. Hij antwoordde “Ja," en zei dat een christen niet anders had te
verwachten, aangezien Christus Zijn navolgers niet anders beloofd had. Zo werd
hij dan veroordeeld, om in het openbaar te worden verbrand, welke dood hij
standvastig om de naam van Jezus Christus onderging, in het jaar onzes Heeren
1544. De medelijdende mensen bedreven over Gillis grote rouw, beklaagden hem
zeer na zijn dood, en ieder gaf een goede getuigenis van zijn onberispelijk
leven voor de mensen.
[Jaar, 1541.]
Omstreeks dezelfde tijd, namelijk in het jaar
1541, werd Willem Husson, een apotheker, om Gods Woord, uit Blois verjaagd. Hij
kwam te Rouen, en nam des morgens in de nabijheid van de Martinvillepoort bij
een weduwe zijn intrek, die hij onder andere vroeg op welke tijd het parlement
gewoon was uiteen te gaan. Toen hij vernam, dat dit omstreeks 10 uur plaats had,
ging hij naar het paleis, en liet hier en daar op straat kleine boekjes vallen,
waarin de hoofdinhoud der christelijke leer vervat was, en de misbruiken der
menselijke instellingen verworpen werden. Het parlement kwam daarover zo in
opschudding, dat men terstond beval alle poorten te sluiten, en in de logementen
te vernemen, welke vreemdelingen er in de stad waren. Toen men bij de
bovenbedoelde weduwe kwam, verklaarde zij, dat er des morgens een man bij haar
gekomen was, die gevraagd had op welke tijd het parlement uiteen ging, dat hij
twee uren daarna was teruggekomen, had gegeten en weggereden was. Men reed hem
terstond op alle wegen na, en zond lieden te paard uit om hem te zoeken, zodat
zij hem dan ook halverwege Dieppe vonden, grepen en naar Rouen brachten.
Terstond werd hij aangaande zijn geloof ondervraagd, dat hij, zonder enige dwang
beleed, en zei, dat hij in de stad gekomen was om deze boekjes uit te strooien,
en dat hij het voornemen had dit ook te Dieppe te doen.
In de volgende week werd hij veroordeeld om levend
verbrand te worden, en, aangezien hij enige tijd gestudeerd had, gaf men hem een
leraar van de Sorbonne, de Banda genaamd, het hoofd der Karmelieters, opdat deze
hem weer tot het katholieke geloof zou bekeren.
Nadat zijn vonnis was voorgelezen, voerde men hem
terstond uit de gevangenis op een kar tot voor de Domkerk, waar de genoemde
leraar de arme lijder een kaars in de hand liet binden, en trachtte hem er toe
te bewegen, voor een Lievevrouwenbeeld boete te doen. Doch Husson wilde niet
naar hem luisteren, en liet de kaars vallen; waarom men hem dadelijk de tong
uitsneed en naar de Kalvermarkt voerde, waar genoemde leraar een uitvoerige
predikatie hield. Toen de monnik sprak van de barmhartigheid Gods, luisterde
Husson aandachtig; maar, toen hij over de verdiensten der heiligen en dergelijke
dromerijen handelde, wendde hij het gezicht en de oren van hem af. Toen deze
leraar zag, welke gebaren Husson maakte, hief hij de handen omhoog, en riep
overluid tot het volk: "Ziet, deze mens is ter dood veroordeeld, en nog van de
levenden duivel bezeten." Nadat het monnikenspel was geëindigd, werd Husson
aangevat, en met een touw door een rad in de lucht opgetrokken, terwijl zijn
handen en voeten op de rug waren samen gebonden. Toen het vuur ontstoken was,
hing hij daarover enige tijd, en verroerde zich niet; alleen, toen hij de geest
zou geven, zag men dat hij een weinig het hoofd boog. Alzo stierf standvastig
deze heilige martelaar van Christus.
[JAAR 1511.]
Op de 1e Juli 1541 werden te Haarlem, in Nederland
om de goddelijke waarheid, verdronken Geerte Stelmees en Neeltje Claas, en onder
de galg begraven.
[JAAR 1544.]
In het jaar 1511 werd er een Spanjaard, Francisco
San Roman genaamd, door de Spaanse kooplieden te Antwerpen naar Bremen in
Neder-Saksen om enig geld gezonden. En, aangezien hij graag weten wilde, welke
godsdienst er toch bij de Duitsers en Saksers, die in Spanje zo gehaat en
gevloekt was, beleden werd, bezocht hij te Bremen de kerk. Ofschoon hij weinig
van de Hoogduitse taal verstond, verleende God hem nochtans de bijzondere
genade, dat hij de predikatie ten dele begreep, en daarna met de predikanten
daar, vooral met de heer Macabes zolang omging, totdat hij de hoofdzaken der
christelijke leer juist vernomen en die geheel beleden heeft. Toen hij te
Antwerpen gekomen was, en en vernomen werd, dat hij van godsdienst was
veranderd, lieten de monniken hem daar terstond gevangen nemen, en vroegen hem
onder andere, of hij niet geloofde, dat de paus van Rome de stedehouder van
Christus en het hoofd der christelijke kerk was, die alle schatten der kerk in
zijn macht had, die naar zijn believen alle dingen binden en ontbinden, ja zelfs
nieuwe artikelen van het geloof maken en de vorige vernietigen kon. Francisco
antwoordde daarop, dat hij van al deze dingen niets geloofde, dat hij er zeker
van overtuigd was, dat de paus de ware antichrist en uit de duivel was,
aangezien hij als vijand van Christus zich goddelijke eer toeeigende, en op
aandrijven van zijn vader de duivel alle zaken met elkaar vermengde en verwarde
om zijn bedrog daarmee goed te maken en te bedekken, waardoor hij de kudde van
Christus verstrooide en zijn lammeren verscheurde en verslond. Toen nu Francisco
de majesteit van de paus dus aantastte, en daarenboven de kramerij der mis, het
vagevuur en de pauselijke aflaat verwierp, scholden zijn landslieden, de
Spanjaarden, en de monniken hem vooreen godslasteraar, en begonnen hem met de
vuurdood te dreigen. Francisco antwoordde daarop: “Ik weiger niet wegens deze
mijn belijdenis te sterven; ja ik acht het een bijzondere eer te zijn, de leer
van Christus met mijn bloed te bevestigen, Die voor mij, armen zondaar, vroeger
ook Zijn dierbaar bloed op het hout des kruises vergoten heeft. En, ofschoon gij
uzelf voor geweldige en machtige lieden acht, nochtans kunt gij mij niet anders
ontnemen of iets anders verbranden dan deze ellendigen zondigen wormenrok. Ik
heb geleerd hem te vrezen, die te gebieden heeft over het lichaam en de ziel.
Zalig zal ik mij achten, wanneer ik slechts, tot mijn heil, van uw tirannische
en boze gemeenschap verlost, in de eeuwige vreugde en heerlijkheid mag opgenomen
worden."
Deze toespraak hinderde de monniken derwijze, dat
zij de boeken van Luther, Melanchton, Oecolampadius, ja zelfs het Nieuwe
Testament, dat hij van Bremen had meegebracht, voor zijn ogen verbrandden. Toen
Francisco zag, dat deze snoodaards ook het Nieuwe Testament niet spaarden, sprak
hij hen met krachtige woorden op hoogst ernstige wijze aan. Ten gevolge daarvan
werd hij door zijn landgenoten, alsof zij uitzinnig waren, naar een toren zes
mijlen van Antwerpen gebracht, waar hij in de duisternis, in een diepe kuil
onder de grond gedurende acht maanden, onder zware verdrukking moest
vertoeven.
Eindelijk werd hij weer losgelaten, en terwijl
keizer Karel de vijfde omstreeks die tijd te Regensburg een rijksdag hield,
reisde Francisco daarheen, sprak den keizer zelf driemalen met grote vreugde
aan, en vermaande hem, dat hij zijn landen van de zwerm der valse leer zuiveren
en de ware godsdienst weer invoeren moest. Hij overtuigde hem ook, dat de Duitse
vorsten, die geprotesteerd hadden, en de Staten een betere zaak voorstonden, en
dat hun gevoelens omtrent de godsdienst oneindig oprechter en meer waarachtig
waren dan die der Spanjaarden, die in hun afgoderij en andere dwalingen ten
enenmale verblind en verzonken bleven. In het begin luisterde de keizer
goedgunstig naar hem, en antwoordde hem vriendelijk, dat hij op zijn bede wilde
letten, ja, dat hij er reeds werk van maakte, de zaak ten goede te schikken.
Toen Francisco de keizer voor de vierde maal wilde aanspreken, werd hij door de
Spanjaarden aangegrepen, en zou in hun eerste woede bijna in de Donau geworpen
zijn, indien de keizer dit niet had verhinderd. De keizer beval, dat men hem
gerechtelijk moest onderzoeken. In de eerste plaats werd hij in een onreine
gevangenis geworpen, daarna met andere boosdoeners op een wagen gesmeten, en
moest het keizerlijke hof volgen. Zoals sommigen zeggen is hij zelfs met de
keizer, die toen een tocht naar Afrika ondernam, naar Afrika en van daarnaar
Spanje gebracht, aan de inquisiteurs overgeleverd, en andermaal in een
verschrikkelijke, diepe en duistere gevangenis geworpen, en eindelijk tot de
vuurdood veroordeeld. Toen hij daaruit geleid en voorbij een houten kruis
gevoerd werd, wilden zij hem dwingen dat kruis te aanbidden. Francisco wilde dit
echter op generlei wijze doen, en zei: "De ware christenen zijn niet gewoon hout
en steen te aanbidden. Ik ben een christenmens en gevoel de hulp en de bijstand
van God in mijn hart. Gaat daarom nu maar voort en brengt mij ter plaats waar ik
sterven moet." En dit geschiedde ook. Onder het volk had er een groot geroep
plaats, dat deze ketter het kruis niet had willen aanbidden. Terstond daarna,
zoals de beeldendienaars van nature tot leugens genegen zijn, schreven zij aan
dit kruis een goddelijke kracht toe, en zeiden, dat dit kruis zoveel macht en
kracht bezat, dat het zich door zulk een vervloekten ketter niet had willen
laten aanbidden. Ja, het duurde niet lang, of het gerucht werd verbreid, dat men
een bijzonder wonderteken aan dit kruis opgemerkt had; waarom iedereen met
messen naar dit kruis liep, teneinde een stukje van dit heiligdom machtig te
worden.
Toen men aan de brandstapel gekomen was, hielden
de priesters en hun aanhangers voortdurend bij Francisco aan, om hem tot
herroepen te bewegen. Doch Francisco verzocht hun met een onbeschroomd hart en
een vrijmoedig gelaat, dat zij er een einde aan zouden maken, en het vonnis, dat
over hem geveld was, uitvoeren; dat het nodig was, de tijd niet te vergeef, te
verspillen, en zij toch met hun aanhouden niets vorderden. Zo werf] dan
eindelijk het hout aangestoken. Toen Francisco geruime tijd in de vlammen
gestaan had, trokken zij hem er weer uit, terwijl zij meenden, dat hij zou
herroepen. Alles was echter tevergeefs; want Francisco bleef standvastig. Onder
andere zei hij ook: "Hoe kunt gij toch zo nijdig en afgunstig zijn, dat gij mij
met dat talmen zulk een groot goed, waarnaar ik zozeer verlang, kunt misgunnen?"
Daarop werd hij terstond verbrand. Wel is het te verwonderen, en Gods genade en
barmhartigheid daarom zeer te prijzen, dat Hij in de grote en verschrikkelijke
duisternis, waarin Spanje nog beden meer dan enig ander volk verkeert, deze
Spanjaard en nog anderen verlichtte, en tot kennis van Zijn goddelijke waarheid
liet komen. Immers, een van de roomse basilisken heeft zelf gezegd, dat hij
Duitsland en Engeland wel had verloren, maar dat hij Spanje nog behield, als
zijn kuise en onbevlekte dochter.
[JAAR 1545.]
De bewoners en burgers van Mirandola en Cabriëra
vertrokken, zoals men zegt, voor bijna twee honderd jaren uit Piemont naar
Provence, namen daar vele woeste, onbebouwde en onbewoonde plaatsen in, en
beijverden zich dermate door zware arbeid, overleg en kloekmoedigheid, dat zij
later in overvloed koren, wijn, olie en amandelen en andere voortbrengselen
inoogstten, en er ook goed en vet vee gevonden werd, ofschoon, voor zij er
kwamen, Mirandola onbewoonbaar, woest en onvruchtbaar was.
Deze goede mensen, die God vreesden, aan wie de
Heere steeds het zaad der godzaligheid schonk, ofschoon zij verjaagd, verstrooid
en veracht werden en met de dieren in het wild moesten leven, brachten echter,
waar zij ook kwamen, de zegen des Heeren mee. De wereld haatte hen nochtans
derwijze, dat men hun alle schande en smaad aandeed, ben van oneerbaarheid en
andere zonden beschuldigde, zodat men hen niet waardig achtte, dat de aarde hen
voedde of droeg.
Onder al de verachting en versmaadheid gedroeg dit
volk, dat te Mirandola en Cabriëra woonde, zich zo liefderijk, vriendelijk en
godvruchtig, dat in hun gehele leven en handelingen de vrees Gods opgemerkt en
grote getrouwheid en rechtvaardigheid bevonden werden. In dat licht van de
kennis der waarheid, hetwelk God hun had gegeven, beijverden zij zich zeer, dat
dagelijks meer en meer te ontsteken, en spaarden daartoe geen kosten of moeite,
hetzij om boeken van de Heilige Schrift te verkrijgen, hetzij om geleerde en
verstandige mensen in de goddelijke leer hier en daar, ja, tot de verste einden
der wereld uit te zenden, waar zij vernamen, dat de glans van het zaligmakende
licht was opgegaan. Toen zij namelijk hoorden, dat in enige steden van Duitsland
en Zwitserland het Evangelie werd verkondigd, zonden zij, in het jaar 1530, twee
mannen, namelijk George Morel, geboren te Fresseur in Dauphiné, hun prediker van
het Evangelie een godvruchtig man, die zij, teneinde onderwezen te worden, in de
school gehouden hadden, en Petrus Masson uit Bourgogne. Zij zonden deze uit, om
over de leer van het geloof en der godzaligheid met getrouwe en verstandige
dienaren der gemeenten te spreken, en meer en meer met de gewoonten en gebruiken
van de godsdienst bekend te worden, zo ook om inlichting te vragen tot recht
verstand van enige zaken, waaraan zij nog twijfelden. Toen zij beiden te Bazel
met Johannes Oecolampadius, te Straatsburg met Bucer en Capito, te Bern met
Barthold Haller, gesproken en beraadslaagd hadden, werd Petrus Masson te Dyon
gevangen genomen, in de gevangenis geworpen, en als een Lutheraan ter dood
veroordeeld. George kwam alleen te Mirandola terug, en wel met, boeken, brieven
en bevelen, die hij van de Duitse gemeenten had ontvangen. Hij verhaalde in het
openbaar waarom hij op reis geweest was, in hoe vele en grote dwalingen zij nog
verkeerden, waar hun oude dienaars, die zij Baarden en Omen noemden, hen
toegebracht en van de rechten weg der godzaligheid afgeleid
hadden.
Toen het volk dit vernam, namen zij de verbetering
van hun gemeenten derwijze ter harte. dat zij uit Apulië en Calabrië bejaarde,
verstandige en ervaren mannen riepen opdat zij met hen zouden raadplegen om de
kerk te hervormen en te verbeteren.
In één woord, men bracht, het zo ver, dat dit
alles het parlement en de opperste raad van Aix ter ore kwam, en de bisschoppen,
priesters en monniken van Provence zeer in beroering bracht. Onder anderen was
er een monnik, die tot de Dominicaner orde behoorde, Johannes van Rome geheten,
een zeer wreed en hard mens, die van de bisschoppen en de gezant van Avignon
macht had verkregen, om hen te onderzoeken en gevangen te nemen die als
Waldenzen of onder de Luthersen naam bekend waren, die dan ook niet naliet de
gelovigen te kwellen, en door allerlei martelingen, die hij slechts kon bedenken
of uitvinden, te pijnigen. Onder al zijn uitgezochte martelingen was dit een der
ergste, en die hij ook het meest aanwendde. Hij vulde namelijk schoenen of
laarzen met kokend vet, die hij aan de voet liet trekken van hen, die hij zo op
een bank had laten binden, dat hun voeten over een zwak vuur hingen. De eerste,
die hij aldus liet pijnigen en martelen, waren Michelot, Serra van Cabriëra,
Merus genaamd, en Willem Melus, en vele anderen na hen, die hij ook eindelijk
met een zware en pijnlijken dood deed ombrengen.
Toen Frans, koning van Frankrijk, van de
ongehoorde wreedheid van deze monnik hoorde, zond hij aan het opperste parlement
van Provence brieven, en beval, dat men hem gevangen zou nemen, en aangaande hem
alles zou onderzoeken; en, wanneer de waarheid bleek, dat men hem moest doden.
Doch toen Johannes van Rome door hen, die hem gunstig waren, vernam, welk gevaar
hem boven het hoofd hing, vluchtte hij naar Avignon om de roof te halen, die de
wrede moordenaars uit de bezittingen der bewoners van Mirandola verkregen
hadden. De buit was echter, buiten zijn mening, door zijn eigen huisvolk
weggeroofd, die hem alles ontnamen, wat hij met ter dood brengen en moorden
bijeen geraapt had.
Spoedig daarna tastte een ziekte hem aan, waarin
hem de pijn zeer lastig en drukkend was, en waarbij men hem met geen middel
hoegenaamd enige verlichting kon aanbrengen. Er was zulk een ondraaglijke stank
bij hem, dat niemand het bij hem kon uithouden, zodat de Jakobijnen hem uit hun
klooster naar een gasthuis lieten overbrengen, aangezien niemand, ook hij zelf
niet, de stank verdragen kon, die uit zijn lichaam, dat vol zweren was en van de
wormen krioelde, opsteeg. Terwijl hij aldus in pijn en jammer verkeerde, riep
hij dikwerf: "Ach, wie zal mij verlossen! Wie zal mij doden!" Hij wilde zichzelf
ombrengen, doch de macht ontbrak hem. Aldus eindigde deze goddeloze en wrede
mens, die zo vele godvruchtige lieden vermoord had door grote en onlijdelijke
smart, onder verschrikkelijke jammeren wanhoop zijn leven.
Er werd ook niemand gevonden, die hem wilde
aanraken om te begraven, dan een monnik van dezelfde orde, die hem voor de
heerlijke eer en het recht der begrafenis, die hem niet toekwam, een haak in het
vergane lichaam sloeg, en aldus tot een graf, dat hij daartoe gemaakt had,
sleepte.
Na de dood van broeder Johannes van Rome, zette de
bisschop van Aix de vervolging voort door Perianet zijn dienaar. Deze wierp vele
lieden in de gevangenis, waar sommigen wegens de zware pijnigingen die men hun
aandeed, de waarheid verloochenden en afzwoeren. Anderen, die sterker en
standvastiger waren, werden als ketters veroordeeld en aan de aangewezen rechter
overgeleverd. Deze rechter was zekere Miranus, een wreed mens, die, zonder enig
onderzoek of kennis van zaken in te stellen allen doodde, die de dienaar van de
bisschop slechts als ketters aangewezen had. Doch ook deze heeft niet lang
daarna het loon zijner ongerechtigheid en wreedheid ontvangen, zoals wij later
vernemen zullen.
Het parlement en de raad van Aix brachten na de
dood van de goede stadhouder Cuisinette vele gelovigen om het leven, en wel
gedurende de tijd, dat de heer Revesti in de raad de president verving. Toen hij
van deze betrekking en dit ambt was ontslagen, reisde hij naar zijn huis
Revestum, waar hij door zulk een zware ziekte en vreselijke pijn werd bezocht,
dat zijn vrouw en andere huisgenoten hem niet durfden te genaken. In woede en
razernij scheidde hij uit dit leven en ontving voor zijn boosheid en wreedheid
een rechtvaardige beloning. De opvolger in zijn betrekking en ambt was Mr.
Bartholemeus Cassaneus. Terwijl deze het voorzitterschap bekleedde, werden er
tien burgers van Mirandola te Aix voor het gerecht gedaagd en wel door
tussenkomst en voor de procureur des konings.
Maar, toen zij van enige goede en toegenegen
vrienden vernamen, dat de raad voorgenomen had, hen onverhoord in de gevangenis
te werpen en ter dood te brengen, durfden zij op de bepaalde dag niet te komen.
En, omdat zij verzuimd hadden voor het gerecht te verschijnen, werden zij, als
verachters van het gerecht, veroordeeld en gevonnist. Om dit alles werd er een
vonnis uitgesproken, dat, zonder onderscheid, man, vrouw of kinderen van
Mirandola verbrand moesten worden, hun huizen vernield, hun olijfbomen en andere
vruchtbomen omgehakt en de gehele plaats verwoest. Ieders mond was vol over dit
wrede vonnis, en wel omdat men nooit iets dergelijks gehoord of gezien bad. Wie
het vernam, werd met schrik en vrees vervuld. Om dit te volvoeren, waren de
gezworen vijanden der waarheid met alle ijver, machten kracht
werkzaam.
Intussen kregen de bewoners van Mirandola, door
tussenkomst van Langeüs, die in die tijd stadhouder en gezant van de koning te
Turijn was, brieven, waarin hun werd toegestaan, dat zij hun zaken voor het
gerecht mochten verdedigen, waarvan zij ook gebruik maakten, en hun
geloofsbelijdenis aanboden. Aldus verhinderde de almachtige God het voornemen
der goddelozen voor een wijle tijd, teneinde Hij de godvruchtigen een weinig
rust schonk, dat zo lang duurde, totdat Johannes Minierus, heer van Dopeda,
president van de raad werd.
Deze Dopeda had veel invloed in die heerlijkheid,
zo om zijn ambten, die hij bekleedde, als ook omdat hij nu tijdens de
afwezigheid van de heer van Grignan, als gezant van de koning, de hoogste macht
had in Provence. Al zijn krachten en vermogens wendde hij aan, om het besluit en
het vonnis van het parlement tegen de bewoners van Mirandola, niet alleen te
versterken of met de dood te volbrengen, maar ook om als een dienaar van de
duivel en een wild dier de wreedheid, waar aan nauwelijks iets meer kon worden
toegevoegd, te verhogen, zoals verder blijken zal.
Toen nu de heer van Grignan uit Provence
vertrokken was, legde deze gruwelijke president aan Minierus alle redenen bloot,
die hem in het volvoeren van zijn plannen zouden kunnen. dienen, om het bloed
van de christenen te vergieten, en hun goederen te roven. Al de krijgssteden,
die de koning toen in Provence had, verzamelde hij, en voerde er het leger bij,
dat de gezant van de paus te Avignon en in het gehele graafschap Ventis
bijeenvergaderd had. Gewapenderhand ging deze goddeloze bevelhebber er toe over,
om de bewoners van Mirandola en Cabriëra en van andere steden en dorpen, tot
twee en twintig in getal, te verwoesten en uit te roeien. Teneinde hij dit te
gemakkelijker zou kunnen doen, gaf hij de krijgslieden verlof alles tot buit en
roof te mogen nemen, en alles te verbranden en te doden, zelfs de mannen en
kinderen. Voor hij te Mirandola kwam, beroofde en verbrandde hij eerst een stad,
Rupen genaamd, vervolgens St. Stefanus, Villelaurus, Lormarinus, Mottam,
Gabriëra, St. Martinus, Pepinus en andere plaatsen aan gene zijde van de berg
Lebrum.
Toen de inwoners van deze plaatsen, van wie het
merendeel naar Mirandola gevlucht was, die vreselijke en buitengewone wreedheid
zagen, weken zij in een bos, Laura genaamd, totdat het geweld, en de wreedheid
als een onweer zou zijn voorbijgetrokken en verkoeld. Maar, toen zij zagen, dat
hun vervolgers langer zo meer in wreedheid en boosheid toenamen, en hen hoe
langer hoe dichter naderden, vonden zij het geraden, daar zij er niets beters op
wisten, hun vrouwen en kinderen te verlaten en een goed heenkomen te zoeken,
terwijl zij meenden, dat de vrouwen en kinderen te eerder genade bij de vijanden
zouden verkrijgen, dan wanneer de mannen bij haar waren.
Onbeschrijfelijk was het verdrietelijk zuchten,
wenen, huilen, dat er gehoord werd bij het droevig scheiden, waar de man zijn
geliefde vrouw, de vader zijn zoete kindertjes in benauwdheid achterliet. Nadat
de dienaren van het goddelijke Woord een predikatie gedaan, en volgens hun
gewoonte gebeden hadden, vertrokken zij in deze grote ellende, in de laten
avond, bij het invallen van de nacht teneinde meerdere ongelukken en gevaren te
voorkomen.
In de vroegte van de anderen dag kwamen de
soldaten aan de plaats, waar de vrouwen alleen, zonder haar mannen, waren
achtergebleven. Sommige krijgsknechten, die haar goedgunstig en met
barmhartigheid bewogen waren, liepen vooruit naar de streek, waar zij in het bos
zich ophielden, om haar mee te delen hoe dicht de vijanden reeds genaderd waren.
Zij vonden haar samen eendrachtig biddende, en wel na de gewone
morgenpredikatie, die in de vroegte plaats had. Nauwelijks waren de vijanden aan
deze plaats gekomen, of deze arme lieden werden beroofd van al haar bezittingen,
die zij nog uit de plundering en de brand overgehouden hadden. De vrouwen en
meisjes werden van alles beroofd, sommigen geschonden en geschaakt, geslagen,
terwijl zij alle oneerbaarheid en onkuisheid met haar bedreven. Sommigen
verkochten zij en deden haar allerlei smaad en ellende
aan.
Intussen reed Dopeda langs de brede Cadentse weg
met zijn ruiters door het bos van Mirandola. Toen hij daar kwam, werd hij
slechts een jongeling meester, die hij aan een olijfboom liet binden en op een
wrede wijze doorschieten. Temidden van zijn lijden sloeg de jongeling steeds de
ogen naar de hemel, en wel onder luide uitroepingen, als blijk van zijn
godvruchtig gemoed. Naar men zegt, waren zijn laatste woorden: "0 Heere God,
deze mensen ontnemen mij dit ellendigen smartvol leven, maar gij zult mij, om
Uws Zoons Jezus Christus wil, het eeuwige leven schenken." Aldus blies hij, na
doorschoten te zijn, de laatste adem uit.
Mirandola werd aldus, zonder enige tegenstand,
ingenomen, beroofd en verbrand, en door de gravers en arbeiders tot de grond
geslecht. Toen Mirandola verwoest was, trokken zij met de gehele hoop naar
Cabriëra, dat zij de 20sten April belegerden. Nadat zij het geruime tijd en
menigmaal hadden bestormd en beschoten, en er geen hoop was het op een
gemakkelijke wijze in handen te krijgen, beloofden de president Dopeda en
Polinus, de bevelhebber des legers, onder belofte van zekere getrouwheid, de
bestuurders van de stad, dat zij er voor zorgen zouden, dat hun zaken voor de
wereldlijken raad, zonder enig geweld van wapenen, gebracht en beoordeeld zouden
worden, en dat hen geen geweld of ongelijk zou worden aangedaan, wanneer zij de
poorten openden. Na deze belofte openden de bewaarders en verdedigers der stad
de poorten terstond, en gaven vrije toegang aan Polinus en
Dopeda.
Toen echter dit meinedig, dubbelhartig, en
tirannisch gespuis de stad was binnengetrokken, verbraken en overtraden zij alle
geloften. Dopeda liet er vijf en twintig van hen, die hij begeerde, vangen en
binden en naar een veld buiten de stad brengen, waar de soldaten hen op wrede
wijze ombrachten.
Daarna toonde hij ook zijn onmenselijke wreedheid
aan de vrouwen, van wie hij er veertig liet vangen, van wie velen in zwangere
toestand verkeerden. Deze liet hij in een schuur opsluiten, en deed die aan de
vier hoeken in brand steken; en wanneer er enige de brand wilden ontvluchten,
werden zij door de soldaten met zwaarden en spiesen er weer in gedreven. Er
werden ook veler: gevangen genomen, die zich in holen en andere plaatsen
verborgen hadden, en bij paren aan elkaar gebonden, naar de zaal van het slot
Cambria overgebracht, aan wie de soldaten hun moedwil betoonden, totdat zij
stierven, na haar eerst te hebben bespot en aan hun lusten
overgegeven.
Eindelijk gingen de hoofden en bevelhebbers van de
wellustelingen en moordenaars van Avignon naar de tempel, en grepen een groot
aantal vrouwen, meisjes en kinderen, aan welke zij alle boosheid en wreedheid
pleegden, waarbij zij niemand, man noch vrouw, jong noch oud
spaarden.
De anderen, die in dezelfde tijd en daarna op
verschillende wijze omgebracht werden, waren omtrent duizend in getal, met wie
zij, zonder onderscheid van persoon of leeftijd, onredelijk en tirannisch
handelden, alsof zij woedend en razend waren.
Tot een eeuwige gedachtenis van zulk een
dusgenaamde heerlijke overwinning, werd er door de pausgezinden in de stad
Cabriéra een zuil opgericht, waarop zij de dag en het jaar lieten beitelen,
waarin de stad werd ingenomen en geplunderd door mr. Johan Minier Dopeda,
hoogste president in het parlement van Provence, tot een herinnering van een
wreedheid, zoals nooit werd aanschouwd, gehoord noch
beleefd.
Hieruit kunnen de nakomelingen zien, met welke
middelen de roomse antichrist zijn zetel der boosheid en der gruwelen placht te
beschutten en te beschermen, die dermate in alle ongerechtigheid en boosheid is
verzonken, dat hij zich in geen dele niet enige gerechtigheid en waarheid redden
kan. Met geweld van wapenen, met verdrukking, moorden en ombrengen, moet hij
zijn zaken drijven en beschermen. Tot die middelen alleen neemt hij zijn
toevlucht.
Intussen kwamen zij, die uit Mirandola naar het
gebergte, de steenrotsen en andere vlekken in de omtrek, tot levensbehoud
gevlucht waren, hoe langer zo meer in ellende en nood, en wel door gebrek aan
spijs tot voeding van het lichaam. Door enige van zijn vrienden verzochten zij,
voor hij deze wreedheid aan hen pleegde, de president dat het toegelaten mocht
worden, met hun vrouwen en kinderen vrij ergens heen te gaan, al ware het
slechts in het hemd, om hun ontbloot lichaam te bedekken. Doch Dopeda antwoordde
zijn vrienden: "Ik weet, wat ik doen zal; er zal niet een uit mijn handen
ontkomen; ik zal hen naar het oord van de hel zenden, opdat zij daar met de
duivelen wonen." Met deze en dergelijke dreigende woorden gaf hij de hoofdman en
bevelhebbers verlof, om alle steden, dorpen en vlekken in te nemen, daar te
worgen, en te plunderen, daar er toch niemand was, die zich verweerde, teneinde
zich met moed te beschermen. Aldus heeft deze zogenaamde machtige krijgsman, die
uit het raadhuis ten oorlog en verwoesting rondreisde, aan deze onschuldige,
eenvoudige, godvrezende en beklaaglijke mensen zijn kracht, ja zijn tirannische
wreedheid betoond.
[JAAR 1545.]
Petrus Bruly, geboren in Lotharingen, en bedienaar
van het Woord Gods bij de Franse gemeente te Straatsburg, werd door vele
gelovige broeders in Nederland, onder de heerschappij van keizer Karel, verzocht
een bezoek te brengen aan de steden in Vlaanderen, Henegouwen en Artois, waar
zich vele goede en godvrezende mensen bevonden, die hongerden naar de hemelse
spijs, en bovenal begerig waren naar de vertroosting van het goddelijke
Woord.
Met toestemming en verlof van de gemeente waar hij
toen bedienaar was, ondernam genoemde Bruly deze reis, en ging daarheen met
getuigschriften en brieven van Martinus Bucer, die toen te Straatsburg de
voornaamste bedienaar was van het Woord. Nadat hij met trouw en vlijt verricht
had waartoe hij was uitgezonden, en de steden Valenciennes, Doornik, Arras en
Rijssel bezocht had, keerde hij weer naar Doornik terug, en verkondigde daar het
Woord van God zo naarstig en vurig, dat hij nu en dan met geopende deuren het
Evangelie predikte.
Toen de overheid en de raad van de stad dit
vernamen, hielden zij de poorten van de stad bijna drie dagen achtereen
gesloten, lieten met groten ijver naar Petrus zoeken, ja beloofden hem een
beloning, die hem levend of dood kon overleveren, waarover de gelovige broeders
zeer verslagen waren.
Als zij hem enige dagen verborgen hadden weten te
houden, en hem buiten gevaar wilden brengen, plaatsten zij hem in een mand, en
lieten hem ‘s nachts over de muur neer. Toen hij echter beneden in de vest was
neergelaten, viel er een grote steen van de muur, en brak hem het been. Daar men
hem des morgens in die toestand vond, werd hij gevangen genomen en naar de
burcht der stad geleid. Toen hij daarheen gebracht werd, dankte hij God de
Heere, door Wiens wonderbare, voorzienigheid hij daar werd gevangen gehouden,
toen hij de vervolging wilde ontvlieden, waartoe hij door zijn prediking
aanleiding had gegeven. Gedurende zijn verblijf in de gevangenis gedroeg hij
zich steeds zoals een oprecht en standvastig getuige en martelaar betaamt, zowel
in het verborgen als in het openbaar bij de overheid, voor wie hij Jezus
Christus en Zijn Evangelie vrijmoedig, standvastig, zuiver en getrouw
beleed.
Gedurende zijn gevangenschap kwamen velen hem
bezoeken, sommigen uit dwaze nieuwsgierigheid om een Hoogduitse gevangen
predikant te zien, anderen uit lust om tegen hem te getuigen en hem tegen te
staan, sommigen ook met een goede bedoeling en begeerte, om door hem onderwezen
te worden in de kennis van God en de leer van het Evangelie, welke hij op
voortreffelijke wijze ten dienste stond.
Op verlangen van enige goede vrienden en broeders,
stelde hij zijn belijdenis in geschrift, en zond die ook aan zijn vrouw. Zij
luidde aldus:
Jezus Christus, de gekruisigde, zij uw
zaligheid!
Uw brief heb ik gelezen, allerliefste zuster in
Christus Jezus, die gij door Margaretha mij toegezonden hebt, die mijn hart zeer
getroffen heeft, omdat ik daaruit duidelijk zie, dat gij en al de broeders grote
zorg voor mij hebt. Wat mijn banden aangaat, of die mij zwaar en pijnlijk
onaangenaam zijn, kunt gij gemakkelijk zien in de brieven, die ik tot mijn
broeders, die met mij gevangen zitten om het Woord van Jezus Christus, dezer
dagen gezonden heb. Uit deze zult gij duidelijk bemerken, wat ik bij mij zelf
gevoelde, en wat ik anderen wilde raden. Deze tonen ook, dat ik niet begeerd heb
van hen of voor hen, dat ik in mij niet zou willen laten geschieden, en wel, God
is getuige, opdat de Heere mij in Zijn bescherming en de oprechte belijdenis der
waarheid beware.
"Ofschoon mijn huisvijand mij zeer lastig valt,
nochtans zal hij, door de kracht des Heilige Geestes ten onder gebracht worden,
want Christus Jezus, op Wie ik mijn hoop gevestigd heb, zal mij meer goeds
geven, dan ik in mijn hart maar kan bedenken. Om Zijn eer zal ik mij steeds
overgeven of aan het vuur, of aan het water, of aan andere martelingen, die mijn
vijanden kunnen bedenken, zodanige echter als God zal goedkeuren. Voorts zal ik
u schrijven, wat gij van mij vraagt, hoe men mij ondervroeg, en wat ik zowel aan
de rechters als aan de leraren heb geantwoord. Het zou echter te uitvoerig
worden u alle redenen te beschrijven, die ze mij vroegen en ik hun antwoordde:
ik zou die trouwens ook niet kunnen schrijven, doch ik meen, dat gij dit ook
niet begeert; dat gij alleen die vragen en antwoorden bedoelt, welke het geloof
en de christelijke leer betreffen. Deze zal ik u meedelen.
Vooreerst, op de 26ste November vroeg Dr. Hasard,
een monnik van de Franciscaner orde, in het bijzijn van de overste van het slot
te Doornik en de procureur-generaal van zijn keizerlijke majesteit, hoe ik over
het sacrament des altaars en over de mis dacht. Ik antwoordde daarop, dat de
gelovigen, die van de dienaar het brood en de wijn ontvangen, waarlijk het
lichaam en bloed van onze Heere Jezus Christus genieten, niet met de buik of met
de mond, maar met het hart, met de ziel en het gemoed, en door de Geest, die het
geloof in hen opwekt en versterkt, hetwelk de beloften aangrijpt, die er worden
voorgehouden, van welke beloften deze de eerste is: "dat is Mijn lichaam, dat
voor u gegeven wordt;" en de andere: "dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwe
Testaments, hetwelk vergoten wordt tot vergeving der
zonden."
Dezelfde leraar vroeg mij, of ik ook aan de
verandering geloofde. Ik antwoordde hem, dat ik die niet geloofde; maar dat het
brood brood bleef, en de wijn op gelijke wijze zijn natuur behield, dat de
Heilige Geest het brood en wijn noemde ook na het avondmaal; zodat ik dan zorgde
niet te dwalen, wanneer ik dus sprak gelijk de Schrift pleegt te
spreken.
Daarna vroeg hij mij, of ik geloofde, dat, wanneer
de priester de woorden van het sacrament had uitgesproken, op de altaar het
waarachtig lichaam en bloed van Jezus Christus was. Ik antwoordde hem, dat ik
aan geen andere inzegening geloofde, dan die door de dienaar in de bediening van
het avondmaal verricht wordt wanneer hij het volk, dat daarom samen komt, de
inzetting van Jezus Christus herinnert met zulke woorden, dat hij door ieder kan
worden verstaan, met vermelding van het lijden en de dood van Jezus Christus,
waardoor de gedachtenis van zulk een grote weldaad wordt vernieuwd; dat dit de
ware inzegening is. welke, volgens de instelling des Heeren in het avondmaal
behoort te geschieden; maar, dat zulk geheimzinnig spreken en mompelen over het
brood geen inzegening kan heten, maar wel een zodanige handeling, die meer de
tovenaars en bezweerders dan de christenen betaamt; want, zoals dit duidelijk
genoeg is, toen Christus het avondmaal instelde, sprak hij zijn woorden tot de
Apostelen, die daar tegenwoordig waren, en niet tot het brood of tot de
wijn.
Vervolgens vroeg hij mij, hoe ik over de mis
dacht. Ik antwoordde hem, dat de mis, zoals men die thans in de roomse kerk
noemt, in geen dele het avondmaal van Jezus Christus is, maar veeleer een bederf
daarvan, waarmee de Heere Jezus Christus in grote mate wordt verongelijkt, en
Zijn lijden en dood vernietigd.
Betreffende de aanbidding, die er geschiedt, zei
ik, dat zij het brood en de schepselen aanbaden. Zij zeiden daarop: "Dan zijn
wij allen afgodendienaars." "Ziet voor uzelf toe," hernam ik, "in welke ellende
zij u storten, die het Woord Gods u ontnemen, en u verleiden, om naar hun eigen
dromerijen en leringen der mensen te luisteren." Over deze zaak werd veel
uitvoeriger gesproken, maar dit was het voornaamste.
Later werden mij vragen gedaan omtrent het
vagevuur, namelijk, of ik geloofde, dat er een plaats was waar de zielen na dit
leven heengaan, opdat zij voor hun zonden gestraft worden. Ik antwoordde, dat ik
aan geen ander vagevuur geloofde dan het bloed van Jezus Christus, en dat ik
geen andere zuivering en reiniging zocht. Toen vroeg hij mij, of ik dan
geloofde, dat de schuld met de straf vergeven of kwijtgescholden werd. Ik
antwoordde daarop, dat God de mens beide kwijtscheldt, dat Hij Zijn genade niet
ten dele schenkt; maar, wanneer Hij vergeeft, vergeeft Hij beide: schuld en
straf.
Hieruit vloeide de vraag voort, wat ik dan dacht
van zovele heerlijke missen, gebeden en andere goede werken, die dagelijks voor
de doden geschieden. Ik zei, dat zulke werken verrichtingen waren, ingesteld
buiten het Woord van God, en daarom ijdel en onvruchtbaar, ja, dat het ook
zonden waren, omdat zij zonder geloof geschieden; want er staat geschreven, Rom.
14, vs. 23: "wat uit het geloof niet is, dat is zonde."
Toen zij zeiden, dat al de heiligen, die vroeger
geleefd en dit voor de doden gedaan hadden, dan gedwaald moesten hebben,
antwoordde ik dat de heiligen, die in vroegere tijden leefden, en zulke diensten
en rechten aan de doden hebben bewezen, met onwetendheid en zonden bevangen
waren; dat het ook niemand verwondering moet baren, wanneer zij de gewoonte en
het gebruik van hun tijd gevolgd hebben, dat ik hen in deze dingen niet vrij van
zonden wil spreken en onschuldig verklaren.
Ook omtrent de verering van de heiligen vroegen
zij mij, hoe ik daarover dacht. Ik antwoordde hun, dat wij de heiligen niet
beter kunnen vereren, dan door hun geloof, dat zij betoonden, na te volgen, zo
ook de liefde, het geduld, de ootmoed, waarin zij de Heere Jezus Christus
nagevolgd hebben. Daarin kunnen zij ons alleen ten voorbeeld gesteld worden,
teneinde hen na te volgen, waarin zij de Heere Christus gelijkvormig waren, en
Zijn voorbeeld navolgende, zoals de Apostel vermaant: "Weest mijn navolgers,
gelijkerwijs ook ik van Christus." Feestdagen voor de heiligen in te stellen en
te vieren, te hunner ere avonden te houden en vastendagen te gebieden, hun
beelden te schilderen en daarvoor kaarsen te ontsteken, dat is niet het eren van
de heiligen, maar afgoderij met hen plegen, en hun schande aandoen. En dat dit
zo is, blijkt genoeg daaruit, dat zij in hun leven zulke dienstbetoningen ten
allen tijde hebben bestraft en afgekeurd.
Zij vroegen mij ook, hoe ik dacht over de
aanbidding en aanroeping van de heiligen bij God. Ik antwoordde, dat dit geen
leer van God was, maar veelmeer een godslastering, welke men niet behoorde toe
te staan. Zodoende toch bewijst men hun, wat de enige God alleen toekomt, die
alleen de verborgen dingen ziet, welke men de gestorven heiligen toeschrijft,
wanneer men gelooft, dat zij de gebeden horen, als men tot hen bidt, alsof zij
de nood der aanbidders kenden. Daarenboven strekt zulk een leer tot grote
verachting van Christus, Die de enige Middelaar en Advocaat, en ook tot een
Voorbidder van God de Vader is gesteld, en dat is alleen mijn gevoelen omtrent
de gestorven heiligen, doch de anderen, die hier nog leven, mogen wel voor
elkaar bidden, en met hun gebeden elkaar helpen en bijstand
verlenen.
De vraag over de vrije wil werd ook niet vergeten,
integendeel, men ondervroeg mij zeer naarstig, hoe ik erover dacht. Ik
antwoordde daarop, dat, wilde men over de vrije wil terecht naar de eis der zaak
spreken, men de mens volgens de verschillenden staat, waarin hij verkeerd heeft,
onderscheidenlijk moest beoordelen. Vooreerst geloof ik, dat de eerste mens, die
naar de gelijkenis en het beeld van God geschapen is, vrijheid gehad heeft zowel
tot het goede als tot het kwade; en dat hij alleen de kracht en het vermogen van
de vrije wil gekend heeft, zo lang hij in onschuld verkeerde: maar de ellendige
en onzalige mens behield de gave van God niet lang, en verloor die door de
zonde; en niet alleen hij, maar ook allen, die uit het natuurlijke zaad van Adam
geboren en voortgekomen zijn, zodat zij in het geheel geen macht bezitten om,
wanneer zij in hun eigen natuur blijven, iets goeds voor God te kunnen doen,
daar alles kwaad is, wat in hen gevonden wordt. En, om de waarheid te zeggen is
er nu niemand van de kinderen van Adam, die een vonkje goeds bezit, en de mens
kan dus ook geen vrije wil hebben, want alle mensen zijn van nature tot het boze
geneigd. Daarom zegt de Apostel, dat de natuurlijke mens niet begrijpt de
dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid. Bij Hosea, zegt
de Heere aldus: Het heeft u bedorven o Israël." Op een andere plaats zegt de
Apostel, "dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen
God."
Deze getuigenissen des Geestes tonen genoegzaam,
dat er nu geen vrije wil in de mensen voor God is, om goed te doen. Ik zeg met
nadruk: voor God, omdat de mens wel vele schone werken, die in schijn goed zijn,
doen kan voor de mensen, zoals de wetten gehoorzamen ten aanzien van uitwendige
dingen, maar in het gericht voor God hebben zulke werken geen waarde, ja zijn
zelfs zonden. Wat ik tot dusverre heb gezegd, moet verstaan worden van hen, die
door de Geest van God niet wedergeboren zijn.
Laat ons nu overgaan tot de beschouwing van een
christen, gedoopt in het bloed van Christus, die nu in nieuwigheid des levens
wandelt. Aan zulk een mens geeft Christus zijn vrije wil terug, en vernieuwt hem
tot alle goede werken, echter niet volmaakt, want nimmer zal men in hem zien,
dat hij het goede werk naar behoren en volkomen doen zal, maar hij heeft steeds
bij vernieuwing Gods hulp nodig, wat de Apostel van zichzelf aan de Romeinen
betuigt: Het willen is [wel] bij mij, maar het goede te doen dat vind ik niet."
De vrije wil bezitten wij dus niet meer, zoals de eerste mens die bezat, die het
goede, zoals hij wilde, ook kon volbrengen en doelt. Dit gebrek ontstaat uit het
bederf van onze natuur, niet uit enige onmacht of ziekte, die in Christus Jezus
onze Hernieuwer zou zijn. Ziedaar wat ik van de vrije wil geloof en, hoe ik
daarover denk.
Daarna ondervroegen zij mij aangaande de goede
werken op deze wijze: "Naardien een mens in zichzelf geen macht heeft, het
goede, wat hij wil met de daad te volbrengen, kan hij dan geen goede werken
doen?" Daarop antwoordde ik, dat een mens dit uit zichzelf niet kan doen, maar,
geholpen door de Geest van God, kan hij wel goede en welbehaaglijke werken
verrichten. Wanneer de werken goed Zijn en Gode aangenaam, komt dit niet voort
uit de menselijke natuur of macht, maar alleen en geheel uit de kracht en de
genade van Christus, Die in de mens woont, en de werken volbrengt. Verder zei ik
hun, dat het met de mens is als met een boom, die eerst goed moet zijn, voor hij
goede vruchten kan voortbrengen, en dat de mens zelf hierin werkt en een
medearbeider is aan die werken, welke ook tot het eeuwige leven in de Schrift
beloofd wordt.
Daarna volgde de vraag over de rechtvaardigmaking.
Ik antwoordde daarop, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, zoals in
Rom. 3 gezegd wordt. "Hoe!" hernamen zij, "alleen door het geloof? Worden wij
ook niet door de goede werken en de liefde gerechtvaardigd?" Toen antwoordde ik,
dat men zulke werken en ook geen liefde vindt in enig mens, die niet
gerechtvaardigd is. "Mag dan," zeiden zij, "een mens, al verkeerde hij in
doodzonde, niet een aalmoes geven ter ere van God, Die hij bovenal bemint?” Neen
hernam ik, want de zondaar mag wel al zijn goed aan de armen geven, maar niet
zozeer ter ere van God, Die hij bovenal lief moet hebben, als wel uit enige
menselijke genegenheid; want indien hij God boven alles lief had, zou de zonde
hem niet behagen, en hij zou aan God vergeving vragen. Aangaande de goede werken
antwoordde ik hun, zoals boven is vermeld.
Toen vroegen zij mij, wat ik dan het geloof
noemde, hetwelk zo krachtig is, dat het alleen de mens rechtvaardigt. Daarop
antwoordde ik, dat het geloof is een gewisse verzekering des gemoeds, die door
de Heilige Geest geschiedt, van Gods barmhartigheid en van Zijn goede wil over
ons, in het Evangelie beloofd en aangeboden.
Doch deze beloften van de liefde en goedheid Gods
over ons, worden ons in Jezus Christus Zijn Zoon getoond en gegeven. Door dit
geloof houden wij voor zeker en gevoelen wij, dat God ons onze zonden wil
vergeven, om Zijns Zoons wil, in Wie wij geloven. “Dat is," zeiden zij, "de
beschrijving van het geloof niet, zoals Paulus zegt Hebr. 11." Deze, hernam ik,
vind ik toch in Paulus.
Omtrent de menselijke instellingen ondervraagd
zijnde, of ik die ook aannam of geheel verwierp, antwoordde ik, dat ik de
zodanige prees en aannam, die tot enige wettelijke of burgerlijke bedoeling
dienstig zijn, maar dat ik de andere geheel versmaadde en verwierp, zoals het
huwelijksverbod voor priesters en monniken, het verbod van vlees te eten op
zekere dagen en andere dergelijke beuzelingen en plechtigheden, waarmee zij het
gewetens der mensen willen binden, ja zelfs op straf van dodelijke
zonde.
Daarna ondervraagd zijnde aangaande de beelden, of
die de gelovigen geoorloofd zijn te bezitten, antwoordde ik, dat ik er, wat mij
aanging, in het geheel geen begeerde, en dat men die in de kerken der christenen
vooral niet behoorde te dulden, want met zulke beelden verontreinigt men de
kerken, die alleen bestemd zijn om het Woord van God te horen, de sacramenten te
bedienen en om de algemene gebeden te doen, waarvan de heiligheid hoger is dan
de beelden en schilderijen. Ik toonde ook aan, dat zulke gegoten, gesneden of
geschilderde beelden de mensen dikwerf aftrekken van Gods Woord. Doch in de
huizen zei ik, mogen die toegelaten en geplaatst worden als dingen, die goed
noch kwaad zijn, in zoverre men er geen afgoderij mee bedrijft, want dan behoort
men die het buis uit te werpen. Doch, wat mij aangaat, als ik bedenk, dat zij
door het Woord Gods zo scherp verboden worden, acht ik dat men ze geenszins
behoort te duiden of toe te laten, want hun gebruik deugt nergens toe. Zoals een
schilder en maker van een beeld door God vervloekt is, zo is dit ook met het
beeld het geval, gelijk men zien kan in het Boek der Wijsheid, h. 3, 12, 13,
15.
Daar zij, naar ik dacht, vermoedden, dat ik een
wederdoper was, vroegen zij mij ook aangaande de doop. Ik antwoordde, dat de
doop een teken was des verbonds, dat God met de christenen gemaakt heeft, waarin
hij betuigt, dat Hij de God van ons en van ons zaad wil zijn, en ons onze zonden
vergeeft. Deze belofte wordt door de waterdoop bevestigd, want, gelijk door het
water de onreinheid van het lichaam wordt afgewassen, alzo worden in de doop de
smetten der ziel afgewassen en weggenomen, en wel door de kracht van het bloed
van Christus, dat wij dan door de werking, des Heilige Geestes genieten en
deelachtig worden. Daarenboven is de doop een teken van een gedurige afsterving,
die in ons gevonden moet worden, want gelijk het water in kleine hoeveelheid en
slechts gedurende enige ogenblikken op het hoofd gestort wordt, opdat men niet
zou verdrinken, alzo betekent dit het afsterven van het vorige leven, opdat wij
weer een nieuw leven zouden beginnen en leiden. De doop moet men ieder
toedienen, zowel de kinderen als de volwassenen en bejaarden, die de naam van
christen willen dragen. Ik zeg, volwassenen en bejaarden mensen, die in hun
kindsheid niet zijn gedoopt, en die men dan dopen moet, als zij tot het
christelijk geloof overgaan. En willen zij de doop niet ontvangen, nadat zij
daartoe bekwaam zijn, zo zullen zij, als verachters der heilige instellingen van
God, nimmer het koninkrijk der hemelen beërven. Zo ook de kinderen der
gelovigen, al bezitten ze het geloof niet, dat zich krachtig in daden betoont,
noch zaken, die men behoort te geloven, zo moet men hen nochtans, om hun
leeftijd, tot de doop brengen in het geloof der ouders, want door de kracht van
Gods beloften en betuigingen behoren zij Hem toe. Aangaande de kinderen, die
zonder gedoopt te zijn sterven, van welke de ouders beiden, of een van beiden,
gelovig zijn, geloof ik, dat ook de kinderen Gode toebehoren, en niet in het
voorportaal der hel komen, zoals men tot nu toe dacht, want Gods genade is aan
het sacrament niet gebonden, alsof zij zonder de doop Hem niet zouden
toebehoren, in zoverre zij zulke kinderen zijn, die het sacrament kunnen
ontvangen.
Aangaande de beloften vroegen zij mij of een
christen enige belofte mocht afleggen, en zich met een belofte onder eedzwering
tot het een of ander verbinden. Ik antwoordde, dat een christen zodanige
beloften mag afleggen, die hij weet dat Gode aangenaam en in zijn eigen macht
zijn, en anders niet. En, daar ik bespeurde, dat zij mij inzonderheid aangaande
de beloften der monniken ondervroegen, zei ik, dat een mens geen eeuwige armoede
of gehoorzaamheid mag beloven, veel minder dan eeuwige reinheid. Daarom behoren
zij, die zulke beloften hebben afgelegd, God vergiffenis te vragen, en waar zij
tot een ander leven worden geroepen dan waarvoor zij belofte hadden afgelegd,
mogen zij dat aanvaarden, zonder enige wroeging van hun geweten, dat zich wegens
de vorige belofte ook bezwaard zou kunnen gevoelen. Het is wel waar, dat men
zulke belofte voor een zekere tijd mag doen en houden moet, doch niet voor
eeuwig.
Aangaande de biecht antwoordde ik, dat ik elke dag
en aan alle plaatsen voor mijn God en ook voor de mensen beleed, dat ik een
ellendig zondaar ben, die dagelijks de veroordeling verdien, behalve als mij
Gods genade door Christus gegeven werd, aldus moet ik mijn boosheid en zonden
voor God biechten en Hem vergeving vragen. Van zulk een biecht is de Schrift
vol, en deze hebben de Profeten en Apostelen en alle andere godvruchtige
dienaren van God afgelegd. Maar wat de mens aangaat, wanneer ik mijn naaste door
woorden of werken vertoornd heb, zo behoor ik voor hem mijn schuld te belijden,
opdat ik met hem en hij met mij verzoend worde, en alle haat en vijandschap
afgelegd en de goede vriendschap behouden worde. Er is nog een andere manier van
biechten, dat men doet in raad te vragen betreffende zulke zaken, die de
benauwde en bezwaarde gewetens betreffen, zoals wanneer ook iemand twijfelt
omtrent enige zaken, waarmee zijn geweten gedrukt is, hoewel hij de
barmhartigheid van God erkent in Zijn belofte; want, ofschoon hij die in het
algemeen opmerkt, zo past hij die niet eigenlijk op zichzelf toe, die in zulk
een bekommering verkeert; in dat geval zal hij wijs handelen, dat hij een wijzen
en verstandigen man zoekt, aan wie hij zijn zaak kan openbaren, de beklemdheid
van zijn hart te kennen geven, en hem raad vragen. Dan behoort hij, aan wie raad
gevraagd wordt, de woorden der Schrift, die ieder in het bijzonder op Gods
barmhartigheid wijzen, voor te houden, waarmee hij de ander kan vertroosten en
van alle onrust bevrijden. Zulk een biecht is zeer aan te prijzen als een
goddelijke, waaruit ook de oorbiecht baren oorsprong had; want die geschiedde in
het geheim en tussen twee personen, zoals deze willen dat de oorbiecht moet
plaats hebben, die niet van God afkomstig is, noch door de getuigenis der
Heilige Schrift bevestigd; want de Heere eist zulk een opsomming van de zonden
eens mensen niet, en kan ook niet plaats hebben, zoals de Profeet David
genoegzaam aantoont, als hij zegt: Heere, wie zou de afdwalingen verstaan?
Reinig mij van de verborgen [afdwalingen]!" Nochtans gebiedt de paus, met
bedreiging van doodzonde, dit ten minste eenmaal 's jaars. Daarom verwerp ik
zulk een biecht, die als een hel is voor het geweten, en als een diepe poel
bevonden is, om die arme zielen te verslinden en te
versmachten.
Daarenboven vroegen zij mij, hoe ik over de maagd
Maria dacht, of ik geloofde, dat zij, maagd zijnde, haar zoon heeft gebaard, en
daarna maagd gebleven is. Ik antwoordde met het artikel van het geloof: "ik
geloof dat Hij ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, en
ik geloof dat maagd gebleven is. Toen zei Dr. Hasart als een grof onwetend mens:
"Wat beweegt u daartoe om Maria als maagd te erkennen, daar er nochtans geen
plaats in de Schrift is, waarmee men dit kan bewijzen?” Hierop antwoordde ik,
dat ik zulks duidelijk en klaar daar had gevonden; want er is geschreven, dat
Jozef haar niet bekende, totdat zij haren eerstgeboren zoon baarde. Hij zweeg
toen, en sprak verder niets meer. Nog aangaande vele andere dingen ondervroegen
zij mij, maar de bovenstaande zijn de voornaamste, die wel genoeg zullen zijn.
Des Vrijdags kwamen de leraren M. Fiablus en M. Aventmus, benevens Dr. Hasart,
uit de Domkerk. Deze poogden mij voor een ketter te verklaren, vooral wat het
leerstuk van de mis betrof. Ik twijfelde ook niet, of zij verlangden dat vooral
ongeschonden te houden, want het bevoordeelt de keuken, en levert vele voordelen
op. Doch door de genade des Heeren koude de raad en de rechter wel bemerken, dat
ik niet stom of zonder woorden was, want ik gaf hun in het geheel niets toe. Wat
men van ben zeggen kon, heb ik, buiten hun bedoeling, in het openbaar en
vrijmoedig aan het licht gebracht. Toen zij tot mij kwamen, heb ik hen hard
genoeg aangesproken. En mocht ik, door vrijmoedigheid in mijn woorden, de
christelijke betamelijkheid overtreden hebben, dan bid ik de Heere, dat Hij mij
dit vergeve. De liefde en de ijver tot Zijn eer en Woord gaven mij daartoe moed,
en drongen er mij toe, en wel in de tegenwoordigheid van de overheid. Dit heeft
sommigen verblijd en anderen geërgerd, zodat zij spijtig van mij heengingen.
Maar dit ontzet mij niet, want ik ben niet beter dan mijn Heere, Meester en
Hoofd Jezus Christus. Gij, mijn zuster, en al onze broeders, bidt onze
allerbeste Vader, door Jezus Christus Zijn Zoon, dat Hij mij door Zijn Heilige
Geest versterkt in de waarheid, en mij geve de wasdom des geloofs en der hemelse
goederen. Ik zal, zoals het mij betaamt, voor de gehele gemeente bidden, en
bovenal voor u en Margaretha, mijn goede zuster. De Heere mag haar goedheid, die
zij mij beeft bewezen en nog bewijst, gedenken."
Deze vrome getuige en martelaar van Jezus Christus
schreef ook enige andere brieven vol Evangelische vertroosting, die wel waardig
zijn gelezen te worden, doch om der beknoptheid wil zullen wij die niet
meedelen.
Terwijl hij nog in de gevangenis vertoefde, werden
er nog sommige anderen, die mede om het Evangelie en de christelijke waarheid
gevangen waren, ter dood veroordeeld en levend verbrand, aangaande wie Petrus
zei, dat hij niets beters wachtte dan zijn broeders en medegevangenen wedervaren
was. Aldus werd hij, onder volstandige belijdenis der leer, die hij onderwezen
en gepredikt had, nadat hij vier maanden in de gevangenis had doorgebracht,
veroordeeld om levend verbrand te worden. Die dood onderging hij
zeerstandvastig, om de naam van Jezus Christus, op de 17e Februari
1515.
[Jaar 1545.]
Te Gent in Vlaanderen, woonde een welgesteld man,
viskoper van beroep, die de wereldse genietingen najaagde en liefhad, en ook
door de wereld werd bemind en geacht. Hij was een grote dronkaard, dobbelaar en
speler en ook door onwetendheid een vijand van de Evangelische waarheid,
waarnaar hij niet horen wilde of die verdragen kon, zoals dit met vleselijke
mensen het geval is. Op zekere tijd, toen in genoemde stad een predikant
predikte, en een groten toeloop had, omdat het scheen, dat hij de waarheid
verkondigde, had ook Maarten Huerblok zijn predikatie bijgewoond. Een goed en
godvruchtig man sprak hem aan, en vroeg hem, wat hij van zulk een prediking
dacht, en wat hij daarvan had verstaan. Toen hij niets daarop kon antwoorden,
raadde een andere vriend hem aan, dat hij hem nogmaals moest gaan horen, beter
op zijn woorden letten, en de Heere vurig, en ernstig bidden, dat hij daaruit
wat mocht opzamelen, "en ik," zei hij, "zal ook de Heere voor u bidden." Nadat
hij hem dikwerf had gehoord en geen lust noch smaak tot de goede zaak kreeg,
vroeg zijn vriend hem of hij ook bad tot de Heere. Hij antwoordde: "Wat zou ik
bidden? Ik weet niet, waarmee u mij plaagt." Op aanhoudende vermaning van zijn
vriend bad hij de Heere, dat hij toch nut mocht trekken uit de prediking wat de
Heere hem ook verleende. Toen hij namelijk op zekere tijd hoorde, dat de
dronkaards het koninkrijk Gods niet beërven zullen, nam hij dit zeer ter harte,
en begon met zijn vriend over zulke en andere zaken te spreken. En, aangezien
hij inzag, dat het gezelschap, waarmee hij gewoon was om te gaan, hem zeer
hinderde om een godzalig leven te leiden, verliet hij gedurende drie maanden die
stad, en bezocht enige godzalige broeders, die hem in alles onderwezen, en hem
leerden, hoe hij zich behoorde te gedragen.
Bij zijn terugkomst leidde hij een christelijk
leven, en onthield zich van alle pauselijke bijgelovigheden en afgoderij,
bezocht de armen, en deelde hun op milde wijze van zijn goederen. Die om de
waarheid gevangen zaten vertroostte hij, ja volgde hen door een godzalige
vrijmoedigheid met goede vermaningen uit de Schrift tot bij het schavot, en
versterkte en vertroostte hen alzo in het openbaar voor het oog van ieder met
Gods Woord.
De parochiepriester der gemeente ontbood hem eens,
en raadde hem, dat hij de bediening van het sacrament zou bijwonen. Hij
antwoordde, dat hij dit wel begeerde, en verzocht de parochiepriester, dat hij
het dan zou bedienen naar het bevel van Jezus Christus. De priester antwoordde,
dat hij dit niet zou durven doen, en verzocht hem andermaal, dat hij genoegen
wilde nemen het zo te ontvangen als de andere lieden.
Toen Maarten Huerblok meer en meer bekend werd,
kwamen tot hem allen, die de Heere lief hadden, en overlegden samen, hoe men het
best onder dit boos en afgodisch geslacht zonder enige besmetting zou kunnen
leven. En, toen sommigen beweerden, dat men wel vrij volgens het geloof zou
kunnen leven, zonder vervolging te lijden, antwoordde Maarten: "Ja, dat is wel
waar, in zoverre men Christus niet wil belijden, want die belijdenis heeft
gevolgen. Maar bedenkt ook wat Christus zegt: "Wie Mij verloochend zal hebben
voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemelen
[is]."
Eindelijk begon dit de dienaren van de antichrist,
de monniken en priesters te hinderen. En, daar zij wilden zorgen, dat hun
koophandel niet zou verlopen, wisten zij het zover te brengen, dat Maarten
Huerblok gevangen werd gezet. Terstond ondervroeg men hem, wie tot zijn
aanhangers behoorden, en poogde dit met smekingen en bedreigingen te vernemen.
Doch hij zei, dat het geen broederlijke liefde kon heten, om iemand te verraden
of te verklappen, daar toch het leven er mee gemoeid was.
Toen hem door de monniken gevraagd werd, hoe hij
dacht over het sacrament des altaars, antwoordde hij: "Wanneer het volgens uw
verordening wordt voorgesteld, is het niet anders dan een gebakken God." Zij
herhaalden hun vraag, en voegden er bij: "Gelooft gij dan niet, dat het lichaam
van Jezus Christus in de handen des priesters is als hij de mis bedient?"
Maarten antwoordde, dat Jezus Christus door de geestelijke dienaren op aarde zo
slecht is behandeld geworden, dat men Hem hier tevergeefs zou
zoeken.
Op deze wijze ging Maarten voort te betogen hoe de
christenen door het geloof het lichaam en bloed van Jezus Christus deelachtig
worden, en dat het brood brood bleef en de wijn wijn en dat men ook de beide
zaken brood en wijn behoorde te ontvangen. Wanneer het brood en de wijn zodanig
blijven, zeiden de monniken, "waarom maakt gij dan zoveel drukte, om dat in
beide gestalten te ontvangen?" Maarten antwoordde: "Al blijven zij in hun wezen,
zij zijn nochtans voor de gelovigen, die het volgens de instelling van Christus
ontvangen, heilige tekenen, van grote verborgenheid; en men behoort die te
ontvangen, zoals Christus die heeft ingesteld, namelijk in beiderlei gestalten.
Niemand behoort zo vermetel te zijn, om het bevel van Jezus Christus te
veranderen, dat is, om er iets af of bij te doen, want Christus, Die de wijsheid
des Vaders is, wist wel, wat Hij deed; en door Zijn kennis zag Hij wel de
willekeurigheid, die deze leraren opnieuw in hun kerk
invoeren."
Eindelijk, nadat hij bij herhaling op de pijnbank
was en gemarteld was geworden, vooral om zijn broeders te verklappen, en men die
van hem niet te weten kort komen, werd hij, op de 8e Mei, voor de vierschaar van
de raad van Vlaanderen in de genoemde stad Gent geleid. En, omdat hij dikwerf
met verscheidene personen een samenkomst gehouden had, en verkeerde gevoelens
koesterde omtrent de majesteit van het sacrament, van het vagevuur, van de
voorbidding voor de doden, en omdat hij dikwerf vermaand was, maar niets wilde
laten varen, noch van gevoelen veranderen, werd het vonnis over hem
uitgesproken, dat hij op de plaats, Verlen genaamd, levend zou verbrand
worden.
Op de weg naar de gerichtsplaats zei hij: "Al is
het vlees krank, de geest is bereid." Er was een monnik, broeder Lieven Stoop
geheten, die hem tot herroeping aanmaande. Doch toen Maarten dit op vrome wijze
weigerde, zei de monnik: “Ga dan van dit vuur in het eeuwige vuur." Maar hij
leed alles geduldig, daar hij wist, dat God niet oordeelt zoals de mensen. Aldus
stierf hij vroom en standvastig voor de waarheid, en werd tot as verbrand, op de
8e Mei, in het jaar onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus
1545.
Op de andere dag, 9 mei, werden om dezelfde
oorzaak te Gent onthoofd Jan de Bock en Nikolaas van der Poele, terwijl de vrouw
van Jan de Bock levend werd begraven. Alzo hebben deze de waarheid met de dood
bezegeld.
[JAAR 1545.]
Omstreeks dezelfde tijd strooide Jan Michiel, die
vroeger een Benedictijner monnik te Bourges was geweest, doch sinds het jaar
1534, lust tot de zuivere leer had verkregen, het zaad des goddelijke Woords in
de harten van vele mensen. Aangezien hij een leraar in de Heilige Schrift was,
moest hij iedere Zondag in de parochiekerk, Fourchaux genaamd, waar een grote
toeloop van mensen plaats had, prediken. Toen daar de waarheid meer en meer
wortelen schoot, reisde hij naar Zwitserland, om de gemeenten daar te bezoeken,
waar hij volkomen in de zuivere leer versterkt en bevestigd werd. Ook deed hij
een reis naar Avignon, om met de Joden over de Hebreeuwse taal te spreken. Op
zijn terugreis werd hij te Berry ontdekt, gevangen genomen, veroordeeld en naar
Parijs overgebracht, waar eindelijk zijn vonnis op het ernstig aandringen van de
president Liset door het parlement werd bekrachtigd. Nadat hij op de
gerichtsplaats een heerlijk gebed gedaan en het gehele volk door zijn
standvastigheid zeer bewogen had, werd hij in de avond van het Kerstfeest
verbrand. Enige maanden vroeger was er ook verbrand een zeer jonge student, en
wel op aandringen der monniken van St. Sulpitius.
In die tijd bevonden zich te Angers vijf getuigen
van Jezus Christus, te weten: Franciscus Fardean, Simon le Rogier, Jean de
Vignole, Dionysius Saureau en Wil de Rev. Door oogluiking van de bisschop
Johannes Olivery, hielden zij met de gemeente te Angers in het geheim
bijeenkomsten. Toen dit echter bekend werd, moesten deze vijf martelaren de
goddelijke waarheid met hun bloed en zalig sterven bevestigen, ten gevolge van
welke dood, als uit een heilig zaad, later vele honderden vrome christenen
voortkwamen.
[JAAR 1545.]
In het jaar 1565 werden er in de stad Michel, in
het hertogdom Bar in Lotharingen, zeer vele gelovige christenen gevangen
genomen, terwijl sommigen ontvluchtten. Dit geschiedde, omdat zij met elkaar
samenkomsten hielden, om de Heilige Schrift te lezen en te spreken, over de wil
van de almachtige en eeuwige God. Onder hen bevond zich ook de onderwijzer der
stad, Jakobus Chobard genaamd, die met drie mispriesters had gesproken en
geredetwist over de sacramenten. Hij beweerde zeer sterk, dat de sacramenten
namelijk de doop en het avondmaal des Heeren, niemand baten konden dan die deze
door het geloof ontvangen. De priesters vatten dit aldus op, dat hun missen
levenden noch doden helpen konden of ergens toe dienden.
Hij werd aldus door hen beschuldigd, en in de
gevangenis geworpen, waar hij gedurende veertien of vijftien weken zijn
gevoelens met redenen en getuigenissen der goddelijke Schrift standvastig
voorstond en beschermde.
Toen men hem tot herroeping opwekte, en beloofde,
dat hij en de andere gevangenen, wanneer zij boete deden of berouw toonden, vrij
zouden zijn, bezweek hij niet, maar nam te vrijmoediger en vuriger de zaak ter
harte, zodat hij later de belijdenis van zijn geloof zeer duidelijk en uitvoerig
op schrift stelde. Hij gaf die aan zijn moeder over, teneinde die aan de rechter
ter hand te stellen, maar wenste dat zij die aan niemand anders overgaf. De
eenvoudige onkundige vrouw, die niet wist, wat zij deed, overhandigde de
belijdenis aan de rechter, die deze uit vijandschap aan de hertog van
Lotharingen, Franciscus, toezond, op wiens bevel en vonnis Chobard veroordeeld
werd om levend verbrand te worden. Zonder uitstel en ook zonder de zaak naar
behoren nauwkeurig onderzocht te hebben, werd het vonnis, door de hertog geveld,
door de rechter ten uitvoer gebracht.
Toen Chobard naar de strafplaats werd geleid,
begon hij het volk, dat hem volgde, te vermanen en te onderwijzen. De
onderrechter, die ook provoost genoemd werd, beval hem te zwijgen, en zei, dat
zij, die daar tegenwoordig waren, de geboden en leringen beter kenden dan hij,
en dreigde hem, wanneer hij niet ophield of wilde zwijgen, dat hij hem de tong
zou laten uitsnijden. Chobard sprak dan ook daarna niet meer; alleen hield hij
zich bezig met God aan te roepen, te bidden en bij herhaling de woorden uit te
spreken: "Mijn God, ontferm U mijner; mijn God, ontferm U over uw getuige en
martelaar."
Daarna werd hij, zonder enige beweging van zijn
lichaam zachtmoedig als een lam levend verbrand. Na zijn dood werd hij door vele
lieden, ook door enigen uit de raad, beklaagd, dat hij, als de goede, geleerde
en godvruchtige man, zo onschuldig was omgebracht, zodat de overheid beval, dat
niemand zeggen moest, dat hij als een godzalig christen de dood ondergaan had,
maar wel als een ketter en boos mens.
[JAAR 1545.]
In het jaar 1545 trok een groot aantal
krijgslieden de stad Metz binnen. Slechts enkele voorname inwoners wisten van
hun komst. Zij kwamen daar, om de brave lieden, die zich daar, ofschoon klein in
aantal, bevonden, om het Woord Gods te horen, te overvallen en te overweldigen.
Zij werden onverwacht overvallen, en waren ongewapend, daar zij aan geen
vijanden gedacht hadden, zodat het zich liet aanzien, dat zij allen zouden
gedood worden. Naar het oordeel van alle mensen had dit ook gemakkelijk kunnen
geschieden, want de vijanden stelden zich tegen die kleinen hoop als woedenden
en razenden aan. Dit zal blijken uit het verhaal van wat zij aan een oude man
deden, die stil in de straat stond zonder enige stok of wapen, zoals ook het
merendeel der inwoners ongewapend was. Intussen geschiedde het, dat een der
inwoners aan de krijgslieden te kennen gaf, dat deze Adam het Evangelie was
toegedaan, zoals men dit ook omtrent anderen meedeelde. Toen men tegen hem
schreeuwde: "Deze zijn ketterse honden," liep een deugniet naar deze oude man en
zei: "Leg aan, leg aan." Deze brave man antwoordde alleen: "Wat wilt gij van
mij?" Terstond werd een geweer op hem afgeschoten, welk schot de braven oude man
in de buik trof. Hij gevoelde, dat hij gekwetst was, waarom hij in de grootste
jammer uitriep: "O mijn God, help mij!” De deugniet keerde zijn geweer om en
zei: "Zo schelm! gij roept uw God aan, maar Hij zal u niet helpen," en gaf hem
tevens een slag met de kolf van het geweer, zodat de ongelukkige ter aarde
stortte. Terstond liet een ruiter zijn paard het lichaam van de verslagen man
vertreden. Deze Adam, die nog niet dood was, begon God, terwijl hij daar lag,
aan te roepen, doch stierf spoedig daarna. Dit bewijst, dat het toen niet
geoorloofd was over God te spreken anders dan lasterende. Wel werd het
toegestaan over alle helse vijanden te spreken, want zij gaven voor, dat zij de
hemel verdienden, wanneer zij allen ombrachten, die de paus niet aanbaden. Aldus
gedragen zij zich, die de antichrist dienen; zij zoeken alles te vernielen, wat
goddelijk is, zoals alle ware christenen integendeel alles doen om, wat verkeerd
is, ten goede te verbeteren. Doch de monniken en hun aanhangers, die zich
beijverd hebben om deze vervolging te bevorderen, zijn er nog niet en het einde
van hun kwade voornemens is nog niet daar, doch hiernamaals zullen zij gewaar
worden wat hun bereid is. Mag de Heere echter hun de ogen openen en hun harten
bewegen, vooral hun, die door onwetendheid zondigen, opdat zij met de anderen
niet veroordeeld worden.
[JAAR 1515.]
Pieter Chapot, geboren in Dauphiné, was een
geleerde, jongeman, die in deze hachelijke en gevaarvolle tijd ook tot het volk
des Heeren geroepen werd. Hij verliet zijn woonplaats Genève, om een reis te
doen in Frankrijk, en hield zich enige tijd bij een boekdrukker te Parijs op, om
de drukproeven na te zien der boeken, die daar gedrukt werden. Terwijl hij daar
was, betuigde hij dikwerf, in tegenwoordigheid van enige geloofwaardige lieden,
dat hij bereid was, om te lijden voor de naam van onze Heere Jezus Christus,
wanneer de nood dit vereiste, wat hem God ook liet overkomen. Om tot het verhaal
van hem te komen, moet men weten dat hij enige boeken van Genève liet komen, om
door het lezen daarvan de kerk van God enig nut aan te brengen, voor hen die
enige begeerte toonden, en behoefte hadden, om zich door behulp van deze boeken
te laten onderwijzen. De grote ijver, die hij daarbij toonde, was oorzaak, dat
hij in handen kwam van zekere Jan Andries, boekverkoper aan het hof van Parijs,
die langs geheime wegen zijn best deed, om de kopers en de verkopers der boeken
te betrappen. Hij deed dit, omdat hij daartoe omgekocht was door de president
Liset en door de leden van de Sorbonne te Parijs. Eindelijk werd hij overvallen
en gestraft door een rechtvaardig oordeel van God, en wel door een beroerte,
tengevolge waarvan hij op het veld stierf, zonder berouw of belijdenis van zijn
bedreven misdaden. Toen Chapot nu gevangen werd gezet, wat door de commissaris
van de kamer te Parijs was bevolen, en wel in de vakantietijd daar, gaf hij zeer
gegronde redenen voor zijn geloof op, onder betoning van zeer uitnemende
zedigheid. De raadsheren, die met de behandeling van deze zaak waren belast,
voeren als razenden en dollen tegen hem en alle andere gelovige christenen uit.
Zij verhoorden deze Chapot niet alleen in zijn redenen, maar gingen zover, dat
zij met hem in twist geraakten in dat de tegenwoordioheid van de leraren der
Sorbonne. Voor zij dit deden, had Chapot een uitvoerige rede voor hen gehouden,
waarin hij in het brede aantoonde, wat het ambt was van de rechters van dit hof;
te weten, dat zij zich niet door de beschuldigingen van andere personen moesten
laten meeslepen in de zaken, die de godsdienst betreffen, aangezien de Heilige
Schrift daarin moest oordelen en de twist beslechten, wanneer de mensen het
daarin niet met elkaar eens kunnen worden. De Schrift was de ware toetssteen,
waaraan men beproeven kon, of een leer van goede of valse gehalte is; en dat het
hun derhalve betaamde deze toetssteen ter hand te nemen en er kennis van te
hebben, voornamelijk als er spraak is om iemand van valse leringen te
beschuldigen, en daarover geen oordeel te vellen naar de wil en de begeerte van
andere lieden. En, indien het hun behaagde zijn leer onpartijdig door de leraren
te laten onderzoeken, verzocht hij hun, om het daarbij te laten, en dat dit dan
voor de raad mocht plaats hebben, want hij was van zijn goed recht verzekerd,
alsmede van hun onpartijdig oordeel, en dat zij omtrent hem niets anders zouden
bespeuren, en ook geen ander oordeel over hem zouden kunnen uitspreken, dan dat
hij een oprecht, vroom christen was en geen ketter. Deze rede beviel de leden
van het hof zeer goed. Zij lieten daarom drie leraren roepen, te weten: Mr.
Nikolaas Clericus, deken van de faculteit der godgeleerdheid, Johan Hiccard en
Nicolaas Maillard, gezworen vijanden der waarheid, die, in het begin dit
weigerden, daar men zich aan hun mededelingen en inzichten had overgegeven, en
antwoordden, dat het onbehoorlijk zou zijn, en van verkeerde gevoelens zou
getuigen, indien men tegen de ketters zou redetwisten. Evenwel lieten zij zich
door de goedheid van Chapot bewegen, om eindelijk met hem een gesprek te houden.
Bij zijn verantwoording beriep hij zich op niets anders dan op de Heilige
Schrift; terwijl zij integendeel niets anders bijbrachten dan de besluiten van
kerkvergaderingen, gewoonten, bepalingen en andere beuzelachtige dingen. Doch
Chapot kwam gedurig terug op de onbedrieglijke regel van Gods Woord; en hield
staande, dat alle bepalingen en sluitredenen altijd behoorden gericht te worden
naar de regel van Gods Woord. Hij verlangde derhalve van de rechters, dat zij
alle meningen en aanzien van personen zouden laten varen, om eenvoudig onderzoek
te doen naar de waarheid en oprechtheid, zonder zich daarvan door iets anders te
laten aftrekken. Deze heren en leraren werden derwijze met spijt en toorn
vervuld, dat zij overluid begonnen te schreeuwen en te roepen; ja, zij knarsten
op de tanden, gingen vandaar weg, en verweten de leden der kamer van het
parlement, dat zij door hen waren misleid, om, volgens de begeerte van een
schelmse en doortrapten ketter, hen te ontbieden, teneinde in hun
tegenwoordigheid te laten redetwisten over artikelen, die reeds vroeger door hen
waren veroordeeld en bestraft, en bedreigde hen derhalve, om hen voor deze
handelwijze ter behoorlijke plaats te zullen aanklagen. Toen Chapot hun twist en
gekijf hoorde, wilde hij nog eens herinneren, wat hij reeds had voorgehouden;
doch dit werd hem niet toegestaan, en wel wegens het groot gerucht en oproer,
dat deze vervolgers en wijze leraren der hogeschool van Parijs verwekten,
terwijl zij schuimbekten van woede en op hun borsten sloegen, tot een teken van
berouw, dat zij gevoelden van zover in een twistgesprek met een ketter te zijn
getreden. Nadat zij vertrokken waren, zei de beklaagde tot de heren: "Gij hebt
geboord, mijn goede heren, dat deze lieden, op wie de waarheid schijnt te
steunen, niets anders weten bij te brengen dan bedreigingen en geschreeuw;
derhalve is het niet langer nodig u de rechtvaardigheid van mijn zaak in het
licht te stellen; want deze leraren hebben mijn zaak genoeg gerechtvaardigd,
daar zij mij niet hebben kunnen bewijzen, dat ik enige dwaling aankleef, noch
door de Schrift, noch door enige andere voldoende redenen, die zij tegen mijn
bewering konden bijbrengen.
Daarna viel Chapot op de knieën, hief de
samengevouwen handen naar de hemel, en richtte zijn bede tot God bij wijze van
dankzegging, en bad God, dat Hij hem Zijn genade wilde verlenen, teneinde zijn
zaak te kunnen verdedigen en beschermen, en Hij het achtbaar gezelschap, dat
daar verzameld was, wilde ingeven om naar waarheid te oordelen, alles tot Zijn
eer. Nadat zij Chapot hadden doen wegleiden, ontstond er grote twist tussen de
voorzitters en de raadsheren, waarbij zij derwijze op elkaar verbitterd waren,
dat er vrees bestond voor bloedstorting; zodat Chapot enig uitzicht had om
ontslagen te worden, zo niet de aanbrenger van zijn rechtsgeding, die een
gezworen vijand was van hen, die de ware godsdienst waren toegedaan, met
gestrengheid er op aangedrongen had, om hem te doen sterven, al ware het zoals
hij zei, om geen andere reden, dan dat men verboden boeken bij hem had gevonden.
Chapot werd terstond geroepen, om hem dit te vragen. Hij antwoordde, dat hij
verscheidene boeken bezat, waarvan het merendeel bijbels waren, te weten de
boeken des Ouden en Nieuwe Testaments, terwijl de andere beschouwingen en
uitleggingen daarvan bevatten. Hij zei verder, dat zij hierop met ernst moesten
letten, en wel uit vrees, dat, wanneer zij alle boeken veroordeelden, die te
Genève gedrukt waren, men hen zou belasteren, dat zij de Bijbel en de Heilige
Schrift zulk een haat en nijd toedroegen, welke boeken nochtans door Gods
wonderbaar bestuur door alle mensen aangenomen en voor heilig, ja, zelfs door de
ketters, als de onveranderlijke waarheid werden erkend. En, wanneer zij deze nu
veroordeelden en verwierpen, zou men hen van onuitsprekelijke goddeloosheid
beschuldigen. Wat nu verder de andere boeken betrof, hield hij staande, en
erkende, dat zij uit de Bijbel geput en overeenkomstig met de leer van de
kerkvaders waren. Het besluit, zijn antwoord en zijn redenen hadden derwijze op
hun gewetens gewerkt, dat zij Chapot zochten los te laten; doch de
onbeschaamdheid van sommigen dier leraren en de flauwhartigheid dergenen, die
bevreesd waren gemaakt door de hogeschool te Parijs, bracht het zover, dat deze
Chapot toch eindelijk werd veroordeeld om levend te worden verbrand. De tong
zouden zij hem laten behouden, onder voorwaarde echter, dat hij tegen hun moeder
de heilige kerk, niet zou spreken of haar lasteren.
Toen Chapot naar de gerechtsplaats, Maubert
genaamd, geleid werd, ging de leraar van de Sorbonne, Maillard geheten, tot
Chapot, en hield hem onafgebroken gezelschap, daar hij vreesde aangezien Chapot
het gehele hof tengevolge van zijn toespraken in verdeeldheid had gebracht, dat
het volk ook daardoor oproerig geworden was, en hij in hun handen mocht vallen.
Toen Chapot op de plaats Maubert gekomen was, verzocht hij verlof om op te
staan, om volgens toelating van het hof, het volk te kunnen toespreken, opdat
niemand menen zou, dat men hem als een ongelovige ter dood bracht. Maillard
wilde hem dit beletten, behalve als Chapot woorden zou spreken, die Maillard hem
zou voorzeggen. Chapot bad hem, dit niet te willen beletten, omdat het slechts
een uur geleden was, dat hij zelf in de kapel bekend had, dat zijn leer de
zuivere en ware leer der zaligheid was. Maillard antwoordde, dat er redenen
bestonden, waarom men het volk die niet moest inscherpen. Toen hij nu door twee
mannen op de kar gezet werd begon hij, zijn hoofd naar alle richtingen wendende,
het volk aldus aan te spreken: "0 christenmensen! o christenmensen!" Toen hij
wilde voortgaan, overviel hem een flauwte, die hem slechts toeliet met een
zwakke stem en de ogen naar de hemel geslagen te bidden: "Heere God, hemelse
Vader, geef mij sterkte en moed, die ik altijd van U begeerd en afgebeden
heb,opdat ik de mensen rekenschap mag geven en belijdenis afleggen van mijn
geloof, teneinde zij mogen weten en erkennen, dat ik geen ketter ben, maar in
alle opzichten en artikelen overeenstem met de ware christelijke kerk." Daarop
verhief hij weer vrijmoedig zijn stem en zei: "0 christenmensen, ofschoon
gijlieden ziet, dat men mij hier ter dood wil brengen als een kwaaddoener, en,
ofschoon ik mij voor God aan alle zonden schuldig ken, zo is het voor u allen
kennelijk, dat ik nu bereid ben als een oprecht christen te sterven, vast
gelovende in God de Vader, de almachtige Schepper van de hemel en der aarde. Ik
lierhaal het, in God, Die het begin en de oorsprong van alle dingen is, en in
Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere, Die de eeuwige wijsheid is
van voor de grondlegging der wereld, door Wie alle dingen zijn gemaakt in de
hemel en op de aarde, Die door Zijn lijden en sterven ons verlost heeft van de
slavernij des eeuwige doods, waarin wij bedolven lagen door de val en de
ongehoorzaamheid van Adam en Eva. Ik geloof ook, dat Hij ontvangen is van de
Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria." Daar hij nog verder wilde
voortgaan, viel Maillard hem in de rede en zei: Mr. Pieter, het is juist op deze
wijze, dat gij voor het volk vergiffenis moet verkrijgen van de maagd Maria, die
gij zo zwaar vertoornd hebt zonder verder iets meet, te zeggen of te prediken;
denk veeleer aan uw geweten. Daarop antwoordde Chapot: "Mijnheer, ik bid u, laat
mij spreken, want ik zal niets zeggen, wat een christen onbetamelijk is.
Aangaande de maagd Maria heb ik niets miszegd en ik zou ook niet willen, dat ik
haar had vertoornd." Maillard antwoordde daarop: "Toch moet gij haar aanbidden,
of anders zult gij levend worden verbrand." Chapot keerde zich wedernaar het
volk, en vervolgde met de twaalf artikelen des christelijken geloofs, bewees dat
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest niet meer waren dan één God, onderscheiden
in drie personen, die wij alleen moeten aanbidden door Jezus Christus, Zijn
Zoon, onze Heere. En, aangezien deze valse handhaver van de maagd Maria hem
onophoudelijk bemoeilijkte en lastig viel, betuigde hij aangaande het artikel:
"geboren uit de maagd Maria," dat hij het altijd voor zeker en gewis had
gehouden, en tot zijn dood toe zou belijden, dat zij maagd was voor, in en na de
bevalling, en achtte haar zeer gelukkig onder alle heiligen, daar zij de vrucht
van onze Verlosser gedragen had, die is Jezus Christus, onze Zaligmaker en onze
Gezalfde. Terwijl hij nu verder wilde spreken over het artikel van het
nachtmaal, en het onderscheid tussen de roomse mis en het nachtmaal des Heeren,
werd hij in het spreken verhinderd, terwijl er gemor ontstond onder de leden van
de Sorbonne. Men haastte zich, om hem zo spoedig mogelijk ter dood te brengen.
Terwijl men hem ontkleedde, richtte hij met een ijverig gemoed zijn gebed tot
God, en bad voor zijn rechters, die hem ter dood hadden veroordeeld. Maillard
zei, dat hij daaraan weldeed, aangezien hij de maagd Maria als zijn voorspraak
zo weinig had geacht. Toen Chapot ontkleed, omhoog getrokken en verheven was,
sprak Maillard andermaal: "Zeg maar eens het "Ave Maria" op, en gij zult
verwurgd worden." Dit was toen de grootste gunst, die zij betoonden aan hen, die
God wilden verloochenen. Doch Chapot riep onophoudelijk: "Heere Jezus, Davids
Zoon, ontferm U mijner”. En, aangezien Maillard hem zeer ruw duwde,
verontschuldigde hij zich en zei: Kunt gij van mij vergen, dat ik zal spreken,
terwijl ik met dit touw worden gewurgd?" Daarop zei Maillard: "Spreek alleen,
Jezus Maria," of men zal u anders levend verbranden. Sommigen zeggen, dat hem in
de benauwdheid der pijn de woorden “Jezus Maria" uit de mond vielen, maar dat
hij terstond daarop zei: "0 Heere wat heb ik gedaan? Vergeef het mij! 0 Heere, U
alleen komt de eer toe." Maillard liet daarop het touw dichter toetrekken en hem
verworgen; nochtans gevoelde hij de vlammen en de hitte van het
vuur.
Terstond nadat dit afgelopen was, ging Maillard
bij de kamer van het parlement zijn beklag doen over het verkeerde, dat men
vreesde veroorzaakt te zijn door de toespraken, die Chapot in het openbaar
gehouden had. Hij had hem, ten gevolge van hun vroegere toelating, waarover
groot gemor ontstond, niet kunnen beletten te spreken, maar, indien men dit in
het vervolg ook aan anderen zou toestaan, zou de goede zaak ten enenmale
tenietgaan. Hij viel eindelijk het hof in deze zaak zo moeilijk, dat er besloten
werd, de martelaren bij het verlaten van de gevangenis de tong uit te snijden,
zoals gebruikelijk was, zonder enig aanzien van personen, opdat het volk door
hun toespraken niet zou verleid worden. Na die tijd werd deze wreedheid gestreng
toegepast, tenzij iemand de leer van het Evangelie herriep. Die zou worden
vergund de tong te behouden, opdat de dwaling voor het volk zou kunnen herroepen
worden.
[JAAR 1545.]
Tijdens de vervolging, in het jaar 1545 5, werd
zekere Adriaan, kleermaker van beroep, met Marion, zijn vrouw, om de waarheid
van het evangelie, gevangen genomen. Doch het uiteinde van beiden was zeer
ongelijk, want Adriaan herriep uit zwakheid zijn gevoelens, en werd zeer kort na
zijn gevangenschap, op bevel van de keizer, onthoofd, terwijl zijn vrouw
integendeel volstandig bleef, en door haar standvastigheid een zeer goed
voorbeeld was voor alle gelovigen te Doornik. Hoewel de vijanden der waarheid
haar door allerlei middelen zochten wankelmoedig te maken, en haar mededeelden,
dat haar man berouw had betoond, konden zij haar niet bewegen, en gaf zij hun
geen geloof, doch trachtte steeds de waarheid voor te staan, en gaf te kennen,
dat zij geen martelingen of de dood vreesde, waarmee de rechters haar ten
strengste bedreigden. Terwijl zij dat van haar zagen, werd zij veroordeeld, om
levend begraven te worden. Toen men haar naar de strafplaats leidde op de grote
markt van de stad, hield zij niet op het volk te vermanen, en tot God te bidden
voor hen, die nog in verblindheid en onwetendheid verkeerden. Toen zij voorbij
de gevangenis, het Belfroy genaamd, ging, waar zij dacht, dat haar man nog
gevangen zat, riep zij met luider stem: "Gegroet Adriaan, ik ga naar een ander
bruiloftsfeest." Toen zij het schavot beklommen had, zag zij de aarde, de kisten
andere voorwerpen liggen, die voor haar gereed gemaakt waren, wat haar echter
geen vrees aanjoeg, maar zij sprak met een blijmoedig gelaat en een moedig hart
tot hen, die met haar op het schavot stonden: “Is dit de pastij, die gijlieden
voor mij gereed hebt gemaakt?" Waarmee zij zinspeelde op de vorm van het holle
stuk hout, waarin haar lichaam zou worden gelegd als in een pastij, want het was
gemaakt in de vorm van een doodkist, in lengte en breedte geschikt om er een
geheel volwassen mens in te kunnen leggen. En, opdat het lichaam van boven wel
gesloten zou kunnen worden, waren er drie ijzeren stangen dwars doorgebracht, de
een op de hoogte van de borst, de andere in het midden en de derde beneden op de
een. Toen deze goede beklagenswaardige vrouw in de kist gelegd was, moest de
beul veel geweld plegen voor hij de ijzeren stang in het midden over haar
lichaam kon doorschuiven, om alles goed te verzekeren eer men de aarde op haar
wierp. Aan het einde van deze kist bevond zich ter hoogte van het hoofd een gat,
waar de beul een strop doortrok om haar te verworgen, dat men onder het schavot
zou toetrekken, zodra het lichaam met aarde zou bedekt worden. Als Marion in de
kist uitgestrekt lag, ingesloten door de ijzeren stangen, zoals gezegd is, zag
zij gedurig op naar de hemel, en richtte haar gebed tot God, totdat zij met de
strop, die onder het schavot werd toegetrokken, was geworgd. Toen het aangezicht
en het lichaam van deze deugdzame vrouw met aarde bedekt waren, eindigde zij
onder schrikkelijke pijnigingen haar leven en
martelaarschap.
[JAAR 1545.]
Rochus, uit Brabant, was een bekwaam beeldhouwer,
en gedroeg zich in zijn leven en wandel eerlijk en oprecht. In het jaar 1545
woonde hij in Spanje en wel in de stad St. Lukas, niet ver van Sevilla. Toen God
de Heere hem de waarheid enigermate had geopenbaard, begon hem zijn ambacht
tegen te staan. Het hinderde hem, dat hij de afgoderij en het bijgeloof door
zijn arbeid bevorderde. Hij maakte toen enige kunststukken uit liefhebberij.
Eens tijd had hij een kunstig houten Mariabeeld gebeeldhouwd, en dat in zijn
werkplaats opgericht. Op zekere tijd ging daar een inquisiteur voorbij, die hem
vroeg, voor hoeveel hij dat Mariabeeld wilde afstaan. De beeldhouwer noemde hem
de prijs, doch de inquisiteur bood hem nauwelijks de helft daarvoor. Rochus zei,
dat, wanneer hij het voor die prijs gaf, hij er nauwelijks zout aan zou verdiend
hebben, toen hij daaraan werkte. De inquisiteur zei: “Ik geef er niet meer voor;
gij kunt het mij voor dat geld wel afstaan." Rochus antwoordde: "Gij zult het
hebben, indien gij mij betaalt, wat billijk is; doch liever sla ik het aan
stukken dan het te geven voor het geld, dat gij mij geboden hebt." De
inquisiteur zei: "Eilieve, laat zien, bekijk het eens, en sla het in stukken."
Toen greep Rochus een stuk gereedschap, wierp dat op het Mariabeeld, zodat het
gezicht van het beeld enigermate werd beschadigd. Om die reden werd hij terstond
in de gevangenis gebracht, alsof hij een grote misdaad bedreven had. Maar hij
zei: “Hoe, mag ik met mijn werk niet doen, wat ik wil? Mag, ik dat niet maken en
veranderen naar mijn goeddunken? Het was niet naar mijn zin gemaakt." Geen
verontschuldiging hielp echter, men wilde niet naar hem
horen.
Drie dagen daarna werd hij als een ketter
veroordeeld om levend verbrand te worden. En onder het volk liep het gerucht,
dat hij verbrand zou worden, omdat hij de maagd Maria had beschadigd. Toen hij
naar de brandstapel gebracht werd, riep hij met luider stern, en vroeg, of er
niemand uit Vlaanderen tegenwoordig was. Enige zeiden, dat er twee schepen in de
haven lagen, die op een goede wind wachtten, om naar Vlaanderen te zeilen. Men
verzocht hem vrij te zeggen, wat hij te bestellen had, terwijl men hem beloofde,
dat dit getrouw zou worden uitgevoerd. Toen zei hij: "Och, helaas! niets anders
heb ik te verzoeken dan mijn vader te Antwerpen te willen meedelen, dat ik in
deze stad verbrand ben om geen andere reden dan gij vernomen hebt." Aldus werd
de goede man verbrand.
[JAAR 1545.]
Nadat Pieter Mioc enige maanden in een diepe,
vochtige en stinkenden toren, onder padden en ander ongedierte had doorgebracht,
werd hij in het jaar 1545 te Doornik verbrand. Toen hij voor de overheid werd
gesteld, zei hij, "Lieve heren, hoe komt het toch, dat gij mij zo vijandig bent,
om mij naar het leven te staan, daar toch vroeger, toen ik nog een schandelijk
en goddeloos leven leidde, niemand van u een woord tot mij
sprak?"
Toen hem het voorbeeld van een zijner bekenden,
Bergibian genaamd, werd voorgehouden, die kort tevoren zijn gevoelens had
herroepen, zei Pieter, dat men in goddelijke zaken geen mens ter wereld schuldig
was te geloven dan de Heere Christus alleen.
Toen hem ook de vijanden der waarheid
onophoudelijk in de rede vielen, en hem in het geheel niet wilden laten
uitspreken, zei hij: Breng mij weer naar mijn padden, die mij in het bidden niet
zo hinderen als gijlieden.
Toen hij aan de paal gebonden was, werd hem een
zakje buskruit aan de hals gehangen; en, toen dit ontplofte en een harde slag
gaf, trachtten de monniken en hun aanhangers de omstanders met een zekere
gretigheid wijs te maken, dat dit de ziel van de brandende ketter was, die de
duivel met zulk een gedruis weghaalde.
Wat de bovengenoemde Bergibian betreft, hij was
een zeer geleerd en begaafd man, en gaf zich gewillig, zonder zich te laten
weerhouden door de tranen zijner vrouw, ouders, vrienden en huisgenoten, in de
handen der vervolgers over. Maar, aangezien hij de Heere verzocht had, werd hij
eindelijk door, ongeduld over zijn gevangenschap, uit vrees voor de vuurdood en
door het gestadig aanhouden van de roomse baalpriesters afvallig, herriep zijn
gevoelens, en werd in plaats van op de brandstapel te sterven, als een, die een
ketter was geweest, onthoofd.
[JAAR 1545.]
In Schotland leefden onder anderen vier lieden,
met name Robert Lam, Jakob Kanald, Jakob Jager en Willem Andries. Zij waren
goede bekende, kooplieden in de stad St. Jan; en, aangezien zij veel omgingen en
gemeenschap hadden met Hoogduitse kooplieden, kwamen zij tot de kennis van het
Evangelie. Toen zij op zekere tijd een monnik hoorden prediken, die de zuivere
leer zeer lasterde, spraken zij daarover met elkaar, en beklaagden zich, dat men
het Woord Gods aldus ontheiligde. De monnik bemerkte dit, sprak hen, toen de
dienst geëindigd was, aan, en drong hen hem ronduit te zeggen, wat hun in zijn
predikatie mishaagde. Een hunner nam het woord en zei: "Wij hebben u niet in het
openbaar willen tegenspreken en in de rede vallen; maar wij bidden om Gods wil,
dat gij de waarheid des Evangelies wilt prediken, en u op geen kromme wegen
begeven en daartegen strijden." De monnik werd toornig, en schold hen voor
ketters. Daarna ging hij heen, en klaagde hen aan bij de kardinaal van St.
Andries. Deze ontbood deze mannen bij zich, ondervroeg hen, en veroordeelde hen
ter dood, en wel dat zij moesten opgehangen en verwurgd worden. Hun vrouwen
leverden verzoekschriften in, deden een voetval voor de kardinaal, en baden hem
om het leven van haar mannen, zo zij niet in groten nood zouden komen, daar ook
zij beschuldigd werden, alsof zij ketters waren, vooral een van haar, Helena
genaamd, die een jong kind op haren arm aan de borst had en dat zoogde. Zij
bovenal werd beschuldigd, dat zij niet geen behoorlijken eerbied van de maagd
Maria gesproken had, hetwelk zij standvastig loochende, terwijl zij zei, dat zij
in het Evangelie geleerd had, dat de maagd Maria, de moeder des Heeren, gezegend
en zalig werd geprezen onder alle vrouwen.
Niettegenstaande dit alles, werd zij ter dood
veroordeeld, terwijl de beul haar terstond het kind uit de armen scheurde, haar
handen op de rug bond, en haar met de vier andere martelaars naar de strafplaats
voerde. Zij overwon echter haar vrouwelijke zwakheid, hield zich dapper, en
toonde de Heere Christus meer te beminnen dan haar man en haar kinderen. Toen
haar man gereed stond de ladder te beklimmen, wendde zij zich tot hem, troostte
hem op heerlijke en bijzondere wijze, en zei: "Goede nacht, lieve man, verwacht
getroost deze smadelijke dood, en bedenk, dat Jezus Christus Gode Zijn Vader
gehoorzaam is geworden tot in de dood des kruises. Het is immers een belangrijk
en kostelijk woord: Wanneer wij met Hem lijden, zullen wij ook met Hem heersen."
Wees daarom getroost, weldra zullen wij bij onze Zaligmaker Christus zijn." Toen
zij aldus haren man had getroost, werd hij met de anderen gedood, doch zij werd
naar de zee gebracht en daar verdronken. Alzo ontsliepen zij standvastig in de
Heere.
In het gebied Norfolk was een martelaar, Rogier
genaamd, een leek, die op bevel van de hertog van Norfolk verbrand werd, omdat
hij aangaande het sacrament een zuivere en christelijke belijdenis had
afgelegd.
[JAAR 1545.]
Toen Franciscus d'Augy weer van Genève naar
Frankrijk was teruggekeerd, werd hij te Nonnay, in Vivarais, gevangen genomen,
en door het parlement veroordeeld om levend verbrand te worden, zoals ook
geschiedde. Met groten ijver was hij bezield, en hij heeft een heerlijke
belijdenis zijns geloofs afgelegd. Toen hij in het midden der vlammen stond,
hoorde men hem met luider stem roepen: "Weest getroost, lieve broeders, ik zie
de hemel geopend en de Zoon Gods staan, Die mij tot Zich nemen wil." Door deze
woorden werden velen van de omstanders derwijze gesterkt, dat zij hem met luider
stem betuigden dat zij, zoveel God hun gaf, hun geloof zouden belijden, bij
welke gelegenheid er niet veel aan ontbrak, of zij hadden hem moeten volgen.
Doch in die tijd kwam niemand er door in gevaar.
[Jaar 1540.]
Johannes Diazius was geboren in de stad Cuenca,
gelegen op de uiterste grenzen van Spanje bij Granada boven de grenzen van het
rijk Toledo. Nadat hij gedurende dertien of meer jaren aan de hogeschool te
Parijs vertoefd had, reisde hij eindelijk naar Genève, om de staat en de
gesteldheid der gemeenten te leren kennen, waarvan hij gehoord had, dat zij door
de geleerde man, Johannes Calvijn, hervormd en door, de waarachtige en
Apostolische leer gereinigd en vernieuwd waren. In deze stad sprak hij met
Calvijn en andere dienaren der gemeente gedurende enige maanden over de
godsdienst.
Daarna vertrok hij naar Duitsland, om ook daar de
gemeenten te leren kennen, waar hij wist dat het zuivere en reine Woord van God
werd gepredikt. Hij kwam eerst te Bazel, waar hij de bedienaars der gemeenten,
die het bestuur over de scholen en gemeenten hadden, aansprak en vriendelijk
groette. Vervolgens ging hij naar Straatsburg, waar hij zich metterwoon
vestigde, aangezien hij daar vele geleerde mannen vond, bij wie hij zeer geliefd
was en aangenaam verkeerde, vooral bij de geleerde man Martinus
Bucer.
Toen de keizerlijke majesteit een vergadering had.
bijeen geroepen te Regensburg, besloot de wijze raad van Straatsburg, ook
Johannes Diazius met Martinus Bucer van stadswege daarheen te zenden. Toen zij
te Regensburg waren, sprak Diazius een Spanjaard aan, Petrus Malvenda genaamd,
die van roomse zijde daarheen was gezonden om aan het gesprek deel te nemen.
Toen Malvenda Diazius zag, met wie hij te Parijs zeer gemeenzaam om had gegaan,
was hij zeer verwonderd en zei, dat hij ternauwernood geloven kon hem met eigen
ogen te zien, vooral in Duitsland en onder de protestanten, die zich meer
verheffen en er mee pralen zullen, een Spanjaard tot hun gevoelens en geloof
gebracht te hebben, dan tienduizend Duitsers of ontallijk vele andere lieden
daartoe te hebben bekeerd. Hij vroeg aan Diazius, hoe lang hij in Duitsland
gewoond had, om welke reden hij daar gekomen was, en of hij de leer van Martinus
Bucer en van andere Duitsers als de ware erkende. Diazius antwoordde, dat hij
omtrent zes maanden in Duitsland vertoefd had; dat hij om geen andere reden daar
gekomen was dan om het land te leren kennen, en de Apostolische godsdienst, die
daar weer in het leven was geroepen, oprecht te belijden, en zijn gevoelens en
mening daarover met geleerde mannen te bespreken. Ja, waarlijk," zei Malvenda,
"zes maanden in Duitsland te vertoeven schijnen een godvruchtig mens geen
maanden, maar gehele jaren, ja zelfs eeuwen toe, zo ellendig is het om in
Duitsland te wonen voor hen, die de eenheid der roomse kerk lief
hebben."
Na deze eerste samenspraak ontmoette hij Diazius
twee malen alleen, en redeneerde veel met hem over de godsdienst. Bij de laatste
samenspraak vroeg Malvenda Diazius, waarom hij te Regensburg was gekomen.
Diazius antwoordde, dat hij vanwege de stad Straatsburg was gezonden teneinde
zijn gebeden te voegen bij de gebeden der kerk van Christus, en mee te werken om
eenheid tot stand te helpen brengen in die artikelen, waarover het grootste
geschil bestond. "Dan bent gij," zei Malvenda, "hier tevergeefs gekomen, want in
deze gehele samenspraak zal er niet van gerept worden. Wilt gij echter ten
algemene nut werkzaam zijn, dan behoort gij naar Trente te reizen tot de
kerkvergadering, die de paus heeft bijeen geroepen, waar alle gewone
geestelijken zullen samenkomen, en zich beijveren om dit doel te
bevorderen."
Toen Diazius dit gehoord had, zag hij gemakkelijk
in, dat de bedoeling van de priesters enkel bedrog was. Hij nam daarom afscheid
van hem, en wilde later niet meer met hem spreken.
Ten gevolge van de vrijmoedigheid van Diazius, die
hij in deze samenspraak had aan de dag gelegd, was Malvenda zeer op hem
verbitterd. Hij begon na die tijd lagen te leggen en naar middelen om te zien,
hoe hij Diazius zou kunnen ombrengen. Daar hij dit echter niet openlijk durfde
te doen, begon hij dit in het geheim met opgeraapte leugens, en zond brieven
naar het hof van de keizer, en wel aan een predik of Jakobijner monnik, die
biechtvader was van de keizer. In deze brieven deelde hij mee, dat er te
Regensburg zich een Spanjaard bevond, Johannes Diazius genaamd, die hij te
Parijs gekend had als iemand, die jegens de algemene kerk gunstig gezind en een
gehoorzaam kind van haar was. (De kerk noemen zij, die op de roomse grondslagen
van kwade en boze lieden zelf door hen gebouwd is). Verder schreef hij, dat hij
hem nu te Regensburg onder de Protestanten gevonden had, als een vijand der
heilige kerk en een vriendenvoorstander der Luthersen, en dat hij dit door een
openbare belijdenis bewezen had; waarom hij begeerde en bad, dat men toch dit
kwaad door zeer gestrenge middelen zou tegengaan.
Deze wanhopende en bloeddorstige priesters
vreesden niets anders, wanneer de zaak, die nu begonnen was, doorging, of geheel
Spanje zou eindelijk de ogen openen, en de ellende, verblindheid en ook de
slavernij en tirannie opmerken, waarin zij door deze bedriegers gehouden en
waarmee zij betoverd werden.
Toen de monnik deze brief had gelezen, liet hij de
zaak, zoals zij was. Wat hij in de zin had, wist men niet zeker. Toen nu
Malvenda geen antwoord op zijn brief ontving, en daarenboven zag, dat Johannes
Diazius zich van zijn aanbevolen dienst te Regensburg zeer naarstig kweet, zond
hij andere brieven, veel scherper en van boos opzet getuigende, naar de monnik.
Toen de biechtvader deze brieven ontving en las, stond er bij toeval een andere
Spanjaard, Marquina genaamd, bij hem, die te Rome een gezaghebbend ambt
bekleedde, en zich destijds, om enige gewone zaken aan het hof van de keizer
bevond. Toen deze vernam, wat er aangaande Diazius geschreven was, met wie hij
vroeger zeer goed bevriend was, nam hij het zeer euvel op, dat zijn lieve vriend
dus aangeklaagd en van ketterij, zoals zij het noemden, beschuldigd werd.
Aangezien hij hem zeer goed kende, en wist, dat hij een oprecht en vroom man
was, begon hij hem zeer ijverig te verontschuldigen, en zei in het openbaar, dat
men Malvenda daarin niet moest geloven, aangezien deze waarschijnlijk door
verborgen haat en nijd, of om enige andere oorzaken onwaarheid geschreven had;
dat men te eerder de algemene getuigenis van vele aanzienlijke en
voortreffelijke mannen geloven moest, die ten allen tijde voor het oprecht,
redelijk en deugdzaam gemoed van Johannes Diazius hoge achting hadden betoond.
Hij verzocht daarom de monnik deze zaak zo lang geheim te houden, en er geen
gevolg aan te geven, dan nadat men er meer zekerheid van mocht hebben. Men zegt,
dat de Monnik daarop zou geantwoord hebben, dat, indien Johannes Diazius lang
bij de ketters vertoefde, hij de kerk schade zou berokkenen; en dat het daarom
wel nodig was hem te bekeren of spoedig om te brengen. Niet lang daarna reisde
Marquina naar Rome, en verhaalde daar alles aan Alphonsus, de broeder van
Johannes Diazius. Intussen werd de bijeenkomst, die te Regensburg bepaald was,
verbroken en geheel opgelieven. Johannes Diazius reisde vervolgens naar
Nieuburg, een stad, gelegen aan de rivier de Donau, in het gebied van de
doorluchtige vorst hertog Otto Hendrik Palzgraaf, om daar alle pogingen aan te
wenden een boek te doen drukken, door Martinus Bucer
geschreven.
Terwijl dit in Duitsland plaatshad, rustte ook
Alphonsus, de broeder van Diazius, te Rome niet, maar ondernam de reis naar
Duitsland, teneinde zijn broeder van de waarachtige godsdienst af te trekken, op
zulk een wijze als dit het best zou kunnen geschieden. Hij nam ook een dienaar
mee, die te Rome geruime tijd scherprechter of beul geweest was. Met deze en nog
een ander kwam Alphonsus met de postwagen te Augsburg, en reisde van daar met de
beul naar Regensburg, waar hij zijn broeder hoopte te vinden. Hij ontmoette daar
het eerst Malvenda, en vroeg hem raad, hoe hij in deze zaak handelen
moest.
Daarna zonden zij een bode naar Claudius
Senarcleüs, die een goed vriend van Diazius was, om van hem te vernemen waar
Johannes Diazius zich ophield, daar zij vermoedden, dat Claudius vooral dit wel
zou weten. De bode zei, dat er vanwege het hof des keizers brieven naar Johannes
gezonden waren, die zeer belangrijk waren. Claudius antwoordde, dat hij waarlijk
niet wist, waar die zich thans bevond, maar, indien er iets aan hem te bezorgen
was, beloofde hij, dat hem getrouw ter hand te zullen stellen. De Spanjaard
verliet hem, schijnbaar tevreden met dit antwoord. Kort daarna keerde hij terug,
en zei tot Claudius, dat er een edelman in de Kroon gelogeerd was, die een goed
vriend was van Diazius, en voor hem enige brieven van het hof des keizers had
meegebracht, waaraan zeer veel gelegen was; hij verzocht hem daarom
nadrukkelijk, om toch de plaats te willen aanwijzen, waar Diazius was of zelf
die edelman te komen bezoeken in het logement. Claudius, die Diazius, graag een
dienst bewees, kwam met de Spanjaard in het logement, waar hij Alphonsus, de
broeder van Diazius, vond, die hem onder allerlei vriendschapsbetuigingen
verzocht de plaats te willen aanwijzen, waar Diazius te vinden was, aangezien
hij grote dingen met hem te behandelen had. Hij zei hem ook, dat hij brieven had
vanwege het hof des keizers en van zijn allerbeste vrienden, en dat hij
belangrijke zaken met hem te bespreken had, waaraan hem veel gelegen was.
Claudius gaf hem hetzelfde antwoord, wat hij vroeger aan de Spanjaard gegeven
had, dat hij namelijk niet wist, waar Diazius was; doch, om niets te verzuimen,
wilde hij dit aan andere lieden vragen, en het hem dan te kennen
geven.
Toen Claudius zijn woning verliet, deelde hij deze
zaak aan Martinus Bucer, Johannes Brentius en anderen van hun mee, en vroeg hun
raad, wat hij doen zou. De gevoelens waren daarover verschillend; de een
oordeelde, dat men hem Diazius zou aanwijzen, de ander meende, dat men dit niet
doen moest, waarvoor ieder zijn redenen bijbracht. Eindelijk werd er besloten,
dat men hem zeggen zou, waar Diazius zich bevond, wat men voor het beste hield,
teneinde er niets door onwetendheid of onvoorzichtigheid zonder noodzakelijkheid
verzuimd zou worden. Men zou echter zijn best doen, Diazius tevoren te
waarschuwen, wanneer er soms gevaar aan verbonden mocht
zijn.
Aldus gaf Claudius Alphonsus te kennen, dat
Diazius in de naaste stad Nieuburg was. Alphonsus dankte hem zeer, en verzocht
hem met hem mee te rijden, daar hij een paard tot zijn beschikking had en wat er
verder nodig was. Claudius antwoordde, dat hij dit op dat ogenblik niet kon
doen, maar dat hij wel een brief aan Diazius wilde schrijven, en hem daarin
berichten, waar hij hem ergens zou kunnen vinden. In de grootste haast schreef
Claudius een brief, en gaf hem die, waarin niets anders stond dan wat men weten
mocht. Doch de andere brieven, waarin zij Diazius waarschuwden, door Claudius,
Martinus Bucer en andere goede vrienden geschreven, stelden zij aan de bode, die
met Alphonsus reizen zou, ter hand, en drukten hem ernstig op het hart, dat hij
die aan niemand anders geven of tonen zou dan aan Johannes Diazius zelf.
Daarenboven gaven zij hem de geschiedenis van het gesprek te Regensburg mee, om
die aan de secretaris van hertog Otto te overhandigen, en duwden hem ook in het
geheim geld in de hand, opdat hij alles met te beteren ijver zou ten uitvoer
brengen.
Aldus nam Claudius afscheid van de bode maar
bovenal van Alphonsus, die hem vriendelijk dankte, en hem zijn dienst ten allen
tijde aanbood. Eindelijk bad hij hem, zo hij hem en Diazius waarlijk liefhad, om
niemand te zeggen, wat er tussen hen beiden besproken was, bovenal, dat hij dit
Malvenda niet moest meedelen, want hij wist wel, hoe Malvenda, aangezien hij hem
niet wilde volgen, jegens Diazius gezind was; daarom was het nodig, vooral van
de kant van Diazius, dat deze zaak buiten weten van Malvenda teneinde zou
gebracht worden. In één woord, hij verzocht dit zo nadrukkelijk, dat Claudius
niet anders meende dan dat het hem ernst moest zijn.
Let evenwel, goede lezer, op het schandelijk
schelmstuk van deze verrader. Zodra Claudius van hem was weggegaan, nam hij de
bode, benevens al diens brieven en geschriften, en ging daarmee dadelijk naar
Malvenda en, nadat zij alles gelezen hadden, verscheurden zij de brieven
uitgenomen het geschrift, dat over het gesprek handelde, hetwelk aan de
secretaris van de hertog Otto moest ter hand gesteld
worden.
Terstond daarna kwam dit Claudius, Martinus Bucer
en de anderen ter ore, waardoor zij nu goed inzagen, dat deze lieden niets goeds
in de zin hadden. Zij schreven daarom met een anderen bode naar Diazius, en
drukten hem op het hart, dat hij zich voor deze mens wachten
moest.
Daarop reed Alphonsus naar Nieuburg, met de
brieven bij zich, die Malvenda aan Diazius had geschreven, waarin hij hem op het
hart drukte, dat hij zijn broeder, die hem toch niet anders dan goed zou raden,
gehoor zou geven. Hij beloofde ook, dat, indien hij hem volgde tot in Italië, en
Duitsland met zijn Duitsers, die niet dan verdervers zijn van de goede en
oprechte lieden, wilde verlaten, hij bij de biechtvader der keizerlijke
majesteit zo veel zou uitwerken, dat alles wat vroeger van hem was geschreven,
zou herroepen en verbeterd worden, en dat het hem geen schade zou doen, wat hij
vroeger ook onvoorzichtig mocht neergeschreven hebben. Met deze brieven kwam
Alphonsus, vergezeld van zijn dienaar de scherprechter, te
Nieuburg.
Toen Johannes Diazius hem zag, was hij, zoals wel
te denken is, bovenmate verwonderd, aangezien hij in geruime tijd geen brieven
van hem ontvangen had, en dacht, dat hij nog te Rome was. Na hem gevraagd te
hebben naar de reden van zijn onverwachte komst, deelde hij hem de ware reden
mee, gelijk wij boven hebben geschreven, waarom hij zulk een moeilijke reis
ondernomen had. De goede Diazius, die een oprecht man was, vermoedde geen kwaad,
en meende, dat zijn broeder uit ware broederlijke liefde tot hem gekomen was.
En, ofschoon hij graag gezien had, dat hij een andere mening ware toegedaan, en
omtrent alles goede gevoelens en een oprecht oordeel mocht hebben, zo beviel hem
zijn goed hart en gezindheid zeer goed, en ontving hij hem zeer vriendelijk,
daar hij niet wist, dat hij, volgens het spreekwoord, een slang aan de boezem
koesterde, die hem later op schandelijke wijze het leven zou
benemen.
Toen zij met elkaar begonnen te spreken, zei
Alphonsus, dat hij zulk een grote, gevaarlijke en moeilijke reis om niets anders
had ondernomen, dan om te beproeven zijn broeder van zijn voornemen tot een
beter en wel tot de schoot der heilige kerk weer te brengen, en stelde hem ook
vele gevaren voor, waaraan hij bloot stond, wanneer hij bij zijn gevoelens bleef
volharden. Hij deelde hem mee, dat hij van alle voortreffelijke mannen, heren en
vorsten versmaad zou worden, die de Lutherse leer en naam in erge mate vijandig
waren. Hij hield hem voor, dat hij zijn gehele geslacht schande, zichzelf
ongeluk, gevangenschap, ellende, ja het zwaard of de vuurdood op de hals zou
halen, en vele dergelijke drangredenen gebruikte hij, om het hart van zijn
broeder wankelmoedig te maken en te doen twijfelen.
Ofschoon het Diazius van harte leed deed, dat zijn
broeder zulk een verkeerde mening koesterde, en menselijk gevaar en tirannie
meer achtte dan de kennis der waarheid, antwoordde hij hem op alles, wat hij
gezegd had, met vriendelijke woorden: "Lieve broeder, deze leer heb ik
aangenomen niet uit onverstand, noch uit enig eigen vleselijk overleg maar met
een zekere en vaste overtuiging. Ik belijd ook openlijk, aangezien ik het begin
en de voortgang door de Heilige Schrift bevestigd vind, dat zij waarlijk is de
volmaakte en eeuwig blijvende leer der heilige Profeten en Apostelen. Ik kan ook
deze leer, die ik door de bijzondere genade van God beleden heb, zonder grote
schande en lastering niet verwerpen, en derhalve zullen mij ook geen wereldse
gevaren van mijn voornemen afbrengen. Bedenk zelf, lieve broeder, of het een
voorzichtig man wel zou betamen, wanneer hij het tijdelijk ongeluk ontliep, om
zich in het eeuwige verderf te storten? En waarlijk er bestaat geen andere zonde
tegen de Heilige Geest, dan de beleden waarheid op oneerlijke wijze te
vervolgen, welke zonde hier noch in eeuwigheid zal vergeven worden. Het zijn
daarom gewichtige redenen, die mij in deze begonnen loop en deze belijdenis doen
volharden. Met geheel mijn hart wenste ik ook, mijn lieve broeder, dat gij
zoveel ijver en arbeid u getroost om de wil van God te kennen, als gij ijver
betoond hebt om menselijke zaken te onderzoeken en te behartigen. Naar uw helder
verstand te oordelen, en de oneindige barmhartigheid van de eeuwige Vader
herdenkende, zou ik niet durven twijfelen, of God zal u de schat Zijner hemelse
wijsheid openen, opdat gij ook de wil van God uit de goddelijke Schriften leerde
kennen en belijden, voorzover gij uw arbeid en uw verstand aanwendt. Ach, dat
het mij gegeven ware, lieve broeder, u deze kennis met mijn eigen bloed te
moeten deelachtig maken! Want, zoals de Zoon van God Zelf betuigt: "Dit is het
eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, Die
gij gezonden hebt." Het is waarlijk een zeer beklaaglijke zaak, dat de mensen in
zulke hoge, ernstige en gewichtige zaken zo onachtzaam en boos zijn, dat zij de
goddelijke stem, die van boven uit de hemel hun tegen klinkt, en alle schepselen
toespreekt, zo lichtvaardig verachten, of zo hoogvaardig verstoten. Zo gij de
zaken zelf recht inziet, wat zult gij toch anders vinden, waarom wij door deze
boze mensen veroordeeld en bijna iedere dag tot de dood overgeleverd worden, dan
dat wij al onze hoop niet op menselijke dingen maar op de levende god stellen,
buiten Wie geen zaligheid te wachten is? Onderzoek daarom onze zaak eerst goed,
mijn lieve broeder, en, als gij die goed onderzocht hebt, zult gij zelf zeggen,
dat men die om geen gevaren des lichaams behoort te verlaten. Waarlijk, wat mij
aangaat, mijn hart is door de milde barmhartigheid en goedheid Gods dus
versterkt, dat ik mij op generlei wijze van de leer, die ik aangenomen heb, zal
laten aftrekken."
Toen Alphonsus de standvastigheid van zijn broeder
zag, beproefde hij het op een andere wijze. Wat hij namelijk niet door schrik,
vrees en gevaren kon verkrijgen, hoopte hij teweeg te brengen door giften en
gaven. Hij zei, dat hij uit de kerkelijke goederen omtrent vijfhonderd dukaten
in het jaar inkomen had, die hij aan hem wilde uitkeren, wanneer hij met hem
naar Rome wilde gaan.
Johannes zei hierop: "Lieve broeder, ik ben zo
geldgierig, niet, als gij soms denkt; had ik rijkdom en eer willen zoeken, dan
zou ik mijn leven anders aangelegd hebben. Nu acht ik de kennis der hemelse
leer, welke de Heere mij door Zijn milde goedheid gegeven heeft voor de
allerhoogste eer, en rust voor mijn gemoed, ja voor de kostbaarste
rijkdom."
Eindelijk, toen ook dit niet gelukte, bedacht bij
nog een andere list, en peinsde op zijn doortrapte verraderij en bedrog, waarmee
hij zijn eenvoudige, goedhartige en oprechte broeder, die geen bedrog, of
valsheid in het hart had, bedrieglijk zou aanvallen. Deze boze bedrieger nam nu
de schijn van godzaligheid aan, en onder verzuchtingen van het hart sprak hij
zijn broeder met een droevig gelaat aldus aan: “Ik bemerk nu wel, lieve broeder,
dat uw volharding, geloof en oprechtheid zo groot zijn in de kennis van en het
vasthouden aan de Evangelische leer, dat gij mij ook tot uw gevoelens
overgehaald hebt; want zo onverstandig en onwetend ben ik niet, mijn lieve
broeder, dat ik deze uw godzaligheid die te bewonderen en navolgenswaardig is,
niet zou hebben opgemerkt, of ook hhet grote nut, dat de kerk van God in het
aloerneen en de lieden van onze gewesten in hhet bijzonder, uitdezeuwe leer
zouden kunnen trekken. Bovenal, laten wij samen van ganser hart en met alle
vlijt ons benaarstigen, dat de zuivere leer van de Zoon van God in de gehele
wereld, zover dit slechts mogelijk is, gepredikt, en het Evangelie ook in onze
gewesten, onder het volk, verbreid en bevorderd worde, zoals onder andere volken
plaats heeft. Tot zulk een belangrijk werk van God zult gij, lieve broeder, niet
alleen voorzichtig, maar ook niet grote ijver de genade en gaven Gods gebruiken,
die de almachtige God u, boven vele anderen uit ons gewest, verleend heeft.
Immers, wanneer gij langer in Duitsland blijft, en onder zulke lieden woont,
wier taal gij niet verstaat, wat doet gij anders, dan het talent, dat gij van
God zo rijkelijk hebt ontvangen, tot niemands nut in de aarde begraven? Gij ziet
ook, dat in dit land vele geleerde mannen zijn, bedreven in nuttige
wetenschappen, en ook zeer bekwaam en ervaren in de ware godsdienst, die uw
dienst niet verlangen. Ja, die niet alleen niet verlangen, maar ook, als ik mij
niet in hen vergis, u er toe zullen opwekken en dringen om de leer, die gij van
hen ontvangen hebt, tot stichting en verbetering van onze medemensen en tot nut
van ons vaderland aan te wenden. Maar, aangezien onze landen in deze tijd met
ongelooflijke tirannie verdrukt worden en gij daar ook niet vrij zoudt kunnen
wonen, raad en vermaan ik u om met mij naar Italië te reizen. Van deze reis durf
ik mij deze vrucht beloven, dat gij groter nut zult stichten, meet, de ere Gods
bij de verklaring van de Evangelische leer zult bevorderen, dan gij immer in
Duitsland of elders zoudt kunnen doen. Vooreerst gaan wij naar Trente, waar vele
geestelijke afgezanten vergaderd zijn, die zeer genegen zijn tot de Evangelische
leer. Indien gij daar nu ook was, om hen hiertoe te vermanen en te dringen,
zonder twijfel zouden zij, wat zij nu in hun hart besloten hadden, en door de
tirannie van de paus niet durven openbaren, openlijk belijden en er voor
uitkomen. Bedenk nu wel, welke grote nuttigheid het zou hebben, dat een gehele
vergadering, die samengekomen is om de tirannie der bozen te bevestigen, door u
zover zou kunnen worden gebracht, om de waarheid te onderzoeken en te openbaren.
Uw gevoelens kunt gij met die geleerde mannen bespreken; en bent gij beter
onderwezen dan zij, dan zult gij, ik durf u dit hunnentwege beloven, hen als
vlijtige toehoorders bij het onderwijs leren kennen; en deze uw leer, die
overigens vast staat, en door de getuigenis van God is versterkt, en die gij
door uw deugden en geleerdheid hebt opgeluisterd, die zij ook in u prijzen en
hoogachten, die u anders niet veel goeds gunnen, zult gij des te beter kunnen
bevestigen. Daarna zulten wij bezoeken Rome, Napels en de andere steden van
Italië, waarin zich ook vele lieden bevinden, die kennis der waarheid hebben,
waar gij ook met geen geringe en onwetende lieden zult behoeven om te gaan, maar
met vorsten en heren, die gij in de ware kennis zult kunnen versterken, en
wellicht openlijk de waarheid zult doen belijden. Wanneer gij alzo eindelijk
geheel Italië, ten minste de voornaamste lieden, voor uw leer en leven gewonnen
had, zou ook van zelf volgen, dat bij u de hartelijke begeerte ontstond, dat
deze leer namelijk, zonder gevaar voor u, door andere voortreffelijke mannen in
Spanje mocht kunnen verkondigd worden. Welk nut stichten die lieden toch, die al
zijn het geleerde en goede lieden, nochtans alleen onder de schijn van de
godsdienst in Duitsland als verborgen blij ven? Naar mijn mening zorgen zij
alleen voor zichzelf, terwijl het hun zeer weinig ter harte gaat, in welk een
jammer en onwetendheid andere lieden verzonken liggen.
Zoudt gij nu, lieve broeder, deze grote en
belangrijke zaak. verachten, die gij voor ogen ziet en gevoelt? Zoudt gij u aan
deze openlijke roeping Gods onttrekken? Of meent gij voor uzelf alleen te leven?
Waarom zoudt gij de zwakheid van andere lieden niet te hulp willen komen, die
tussen hoop en vrees, tussen zekerheid en twijfel verkeren, en uw hulp en uw
onderwijs verlangen, ja, met betraande ogen en opgeheven handen de kennis der
zuivere leer als van u eisen en afbidden? Waarlijk, gij mag het zuchten en
klagen van zo vele heiligen niet in de wind slaan, aangezien er op de
medewerking van zo vele voortreffelijke lieden te rekenen
is.
Nu dan, wat mij aangaat, wil ik u, als een getrouw
broeder en dienaar, in dit goddelijke werk behulpzaam zijn; u op mijn kosten en
met alle opoffering naar Italië vergezellen, u in kennis en vriendschap brengen
met de voortreffelijkste lieden, en, waar gij mij nodig hebt, daar zal ik u,
zoals ik schuldig ben, als een getrouw broeder behulpzaam
zijn."
Johannes Diazius verwonderde zich boven mate over
deze ongewone redenen van zijn broeder, en verblijdde zich zeer, daar hij dacht,
dat zijn broeder dit van harte meende. Hij behandelde hem daarom veel
vriendelijker dan hij tot nog toe gedaan had, en zei, dat hij gewillig, en
bereid was, de eer van de Heere Jezus Christus, waar hij kon of mocht, desnoods
met verlies van zijn leven, te bevorderen. Hij prees het voornemen van zijn
broeder, nam zijn raad ter harte, en beloofde, dat hij van zijn kant zich. zou
benaarstigen. Maar, aangezien het een gewichtige en grote zaak was, en er vele
zwarigheden en gevaren aan verbonden waren, moest men zich ook rijpelijk en
ernstig beraden, en met geleerde en verstandige mannen overlegd worden, hoe dit
het best tot verbreiding der ere van God en tot. stichting der mensen, ten
uitvoer gebracht zou kunnen worden. Hij zei daarom, dat het hem goed dacht, dit
gehele plan aan de mannen, die aan de samenspraak hadden deelgenomen, en die nu
te Regensburg waren, mee te delen; en, wat zij in deze zaak besloten, dat wilde,
hij doen.
Dit voorstel beviel Alphonsus zeer goed, daar hij
misschien wel dacht, dat zij, aan wie dat plan werd voorgesteld, onnadenkende
lieden waren, en zijn heimelijke en verborgen listen en verraderij niet bemerken
zouden.
Johannes Diazius schreef dus brieven aan de
betrokken personen te Regensburg, waarin hij hun de plannen van zijn broeder
meedeelde, die begeerde dat hij met hem naar Italië zou reizen, en waarbij hij
tevens de reden voegde waarom zijn broeder dit verlangde. Eindelijk betoonde hij
zijn goede wil, namelijk, dat hij in zijn hart besloten had, in deze zaak niets
te doen, dan wat de broeders goedkeurden. Een zodanigen brief schreef hij ook
aan Bernhardus Ochinus, die in die tijd het Evangelie van Christus verkondigde
te Augsburg, en verlangde van hem ook zijn gedachte en mening te
horen.
Toen deze brieven te Regensburg gelezen waren,
kwamen de leden der vergadering samen, opdat ieder zijn mening en zijn gevoelen
daarover zou uitbrengen. Zij besloten eenparig, om aan de bedrieglijke redenen
van de moordenaar geen geloof te slaan, daar zij wel bemerkten, dat hij het er
alleen op toelegde zijn onschuldige broeder te bedriegen. In die tijd waren er
ook enige, die de moord, welke deze bedrieger in het hart had voorgenomen,
tevoren vaststelden en profeteerden.
In overeenstemming met elkaar schreven zij aan
Diazius, en gaven te kennen, wat de broeders in deze zaak besloten hadden.
Hetzelfde schreef hem ook Bernhardus Ochidus.
Toen nu Alphonsus bemerkte, dat zijn plan bij
allen afgeslagen en omvergeworpen was, en dat zijn bedoelingen niet langer
verborgen konden blijven, hoewel hem dit zeer speet nochtans, aangezien hij
inzag, dat hem zeer veel gelegen was aan de goedwilligheid van zijn broeder, om
de misdaad, die hij in zijn hart had voorgenomen, te volbrengen, wilde hij hem
niet met harde woorden verbitteren, maar veinsde met alle inspanning zijn
droefheid. Hij zei, dat hij het oordeel en mening der geleerde lieden niet kon
verwerpen, dat zij in hun schrijven hadden uitgesproken; nochtans om toch enige
dank voor zijn grote moeite en arbeid te ontvangen, bad hij Johannes ernstig, om
geen bezwaar te maken met hem naar Augsburg te rijden, waar alle zaken haar
einde en beslag zouden krijgen.
Dit begeerde de bedrieglijke schelm uit grote
valsheid en boosheid, daar hij graag zijn onschuldige broeder, onder de schijn
van vriendelijkheid, op een vrij en open veld buiten de stad gebracht had,
teneinde hem op een verborgen plaats zo veel te gemakkelijker te kunnen
vermoorden. Johannes, die geen argwaan koesterde, zou hierin bewilligd hebben,
zo niet intussen Martinus Bucer, voor dat Alphonsus afreisde, te Nieuburg
gekomen was, en hem dat verboden had.
Aangezien de leden der vergadering te Regensburg
niet waren samen gekomen, en voornemens waren naar huis terug te keren, namen
Martinus Bucer en Martinus Frechtius, predikant te Ulm, hun weg naar Nieuburg,
teneinde Johannes Diazius, wat zij reeds vroeger schriftelijk hadden gedaan, nog
te beter op het hart te drukken, namelijk, dat hij zijn broeder Alphonsus niet
moest vertrouwen, en niet met hem naar Italië moest reizen. Onder de broeders
werd dus besloten, dat Alphonsus alleen zou afreizen. Hoewel Alphonsus dit euvel
opnam, betuigde hij nochtans, dat dit hem goed was, en dat hij niets anders
begeerde dan Johannes zijn broeder, die hij, zoals hij zei, bovenmate lief had,
genoegen te doen.
Des avonds voor de dag, waarop hij op reis zou
gaan, en wel na etenstijd, sprak hij zijn broeder geheel alleen, wekte hem op
tot standvastigheid in de kennis van de ware godsdienst, en beloofde dat hij,
zoveel hij slechts kon, altijd tot zijns broeders dienst zou zijn, en gaf hem
eindelijk zelfs veertien gouden kronen, om daarvoor nieuwe klederen te kopen,
welke Johannes eerst wel weigerde, doch eindelijk moest aannemen. tenslotte
hadden zij nog een drukke woordenwisseling, die blijken gaf van broederlijke
eenheid en waarachtige liefde, en scheidden alzo, niet zonder aandoening en
tranen, van elkaar, en begaven zich ter rust.
De volgende dag, in de vroege ochtend van de
25sten maart, stond er een wagen te Nieuburg gereed, waarmee Alphonsus en zijn
dienaar, de scherprechter, naar Augsburg zouden vervoerd worden. Aldus scheidden
deze broeders, en namen andermaal onder tranen afscheid van elkaar. Toen
Alphonsus vertrokken was, waren de anderen, namelijk Bucer, Frechtius en
Claudius zeer verblijd; want zij verkeerden voortdurend in vrees voor deze man.
Des namiddags van die dag reisden Bucer en Frechtius, toen zij meenden, dat er
geen gevaar meer bestond, insgelijks af.
Toen Alphonsus dicht bij de stad Augsburg kwam,
wilde hij niet, dat de voerman de stad binnen zou rijden, maar liet zich met
grote moeite buiten om de vest brengen, totdat hij aan het kruis kwam, waar hij
wilde zijn, opdat hij in de stad niet zou gezien, herkend en de moord niet zou
verhinderd worden. Als de voerman hem in zijn logement had gebracht, zei
Alphonsus tot hem, dat hij des anderen daags vroeg naar Italië wilde reizen,
doch dat hij eerst een brief aan zijn broeder zou schrijven, en verzocht hem
daarom de brief te willen komen afhalen, voor hij naar Nieuburg terugkeerde, wat
de voerman beloofde te zullen doen.
In de vroegen ochtend van de 26e Maart kwam de
voerman om de brieven. Men zei hem, dat Alphonsus nog te bed lag, aangezien hij
de voorgaande nacht zeer laat gedronken had, dat hij nu nog in de vasten slaap
was, en zij verzochten hem of hij binnen een paar uren terug wilde komen, dat
hij beloofde te zullen doen. Dit had men echter slechts voorgewend, opdat de
voerman te langer zou vertoeven, en deze moordenaars te beter tijd zouden
hebben, om hun moord met minder gevaar te plegen. Toen de voerman later terug
kwam, zei men hem, dat hij reeds naar Italië was afgereisd, dat hij te Augsburg
geen brieven had kunnen schrijven, maar beloofd had van Yzerbrug brieven te
zenden. Na de voerman met enig geld tevreden gesteld te hebben, liet men hem
gaan, terwijl hij niet beter wist, of alles was zoals men aangaande Alphonsus
gezegd had. Aldus reisde de voerman terstond met zijn metgezel, die met
Alphonsus daags tevoren in hetzelfde rijtuig te Augsburg was gekomen, weer naar
Nieuburg terug. Omtrent de middag kwamen zij in een stadje, Bothmes genaamd,
halverwege Nieuburg en Augsburg, van iedere stad drie mijlen gelegen. Daar
vonden zij, ongedacht in de herberg Alphonsus aan tafel zitten, met zijn dienaar
de beul en een bode van Auusburg die zij hadden meegenomen, en die ook hun
plannen niet kende, benevens een priester uit die stad, en verscheidene andere
gasten. Toen Alphonsus, de voerman en zijn metgezel zag, ontzette hij zich zeer,
daar hij ervoor had willen zorgen, dat, wat hij voorgenomen had te doen, niet
door hem belet of verijdeld zou worden. Hij zette echter een vrolijk gezicht, en
verzocht de voerman zich met zijn metgezel aan tafel te zetten. De voerman
weigerde dit in het begin, omdat er zo velen aan tafel zaten, en ook, omdat hij
tehuis wilde zijn; maar, aangezien zij er op aandrongen, zaten zij aan. Terwijl
zij daar zaten te eten, bedacht hij een nieuw bedrog, dat hij aan de voerman
pleegde. Hij zei, dat hem buiten zijn gedachte een moeilijke zaak voorgekomen
was, waarvan hij uit die plaats zijn broeder Johannes Diazius moest
onderrichten. Maar, aangezien er nog enige dingen te beschikken waren verzocht
hij de voerman, daar nog een dag op zijn kosten te vertoeven, teneinde hij alles
aan zijn broeder zou kunnen meedelen door een bekende en getrouwen bode.
Ofschoon de voerman die dag graag tehuis had willen zijn, bleef hij met zijn
metgezel die dag daar, en wel uit achting voor Alphonsus, die dit zozeer
verlangde, alsmede in het belang der grote zaak.
Na de maaltijd, toen zij van alles zekerheid
hadden, overlegde Alphonsus met zijn beul, hoe zij de moord plegen zouden, wat
moeilijk met een zwaard zou kunnen geschieden. Zij besloten dus een bijl in deze
stad te kopen, teneinde daarmee Johannes Diazius te doden. Een andere
voorzichtigheid mochten zij ook niet uit het oog verliezen; zij moesten namelijk
deze bijl niet bij een bijlverkoper kopen, opdat men geen achterdocht jegens hen
krijgen zou. Zij gingen daarom naar een timmerman, kochten daar een bijl, en
kwamen in het logement terug, waar zij niemand vonden dan de logementhouder en
de bode van Augsburg. Zij zeiden aan de logementhouder, dat zij ergens heen
moesten reizen, van waar zij terstond zouden terugkeren, en daar zij hun paarden
niet wilden vermoeien, bevalen zij, dat zij andere zouden gereed maken, die
vlug, en van zessen klaar waren.
Terstond daarop steeg Alphonsus met zijn beul te
paard, gevolgd door de bode van Augsburg, die wel nergens van wist, maar mee
ging, omdat hem de reis geen geld kostte.
In korte tijd bereikten zij een dorp, Veltkerken
genaamd, bij Nieuburg gelegen, waar zij die nacht bleven. De 27sten Maart kwamen
zij voor het openen der poorten te Nieuburg. Toen de dag nauwelijks aangebroken
was, verlieten zij hun paarden, bonden die aan een heining, en lieten die door
de bode van Augsburg bewaren. Vervolgens nam de beul, de dienaar van Alphonsus,
de hoed en de mantel van de bode, om minder herkend te worden, en ging met zijn
meester de stad in. De beul ging vooruit, terwijl Alphonsus volgde, daar zij
afgesproken hadden, dat de beul de moord zou plegen, en, wanneer hem dit niet
goed gelukte, zou Alphonsus hem helpen en bijstaan. Aldus kwamen zij aan het
huis van de predikant, waar Johannes Diazius thuis was. De beul klopte daar aan,
en vroeg aan de broeder van de predikant, die de deur opende, waar Johannes
Diazius was, en voegde er bij, dat hij brieven bij zich had van zijn broeder
Alphonsus. De jongeling antwoordde, dat Johannes nog te bed lag. Daar de
jongeling de beul en Alphonsus van vroeger kende, vroeg hij hem, wat de
verwisseling van kleren te betekenen had.
De beul intussen, opdat het niet zou uitkomen wat
hij van plan was te doen, beval de jongeling naar boven te gaan, en Diazius te
zeggen, dat hij gekomen was met brieven van zijn broeder. Toen Diazius dit
gezegd werd, sprong hij het bed uit, en deed, uit groot verlangen om te weten
wat zijn broeder schreef, slechts een ochtendkleed aan, en ging in een andere
kamer tegenover de zijne. Als de beul door de jongeling daar gebracht werd,
bleef Alphonsus beneden aan de deur van de trap wachten, opdat er niemand naar
boven zou gaan en de moord verhinderen. Maar, aangezien de jongeling zich ook in
de kamer bevond, was de beul niet op zijn gemak, want de tegenwoordigheid van de
jongeling verhinderde hem zijn euveldaad te bedrijven. Eindelijk zond hij de
jongeling naar de fontein, om wat water te halen.
Toen de jongeling vertrokken was, haalde de beul
de brief voor de dag, waarvan hij zei, dat deze van Augsburg gezonden
was.
Toen Johannes de brief had, ging hij, daar het nog
duister was, naar het raam, teneinde daar te beter te kunnen lezen. Zoals men
later gezien heeft, stond er in de brief, dat, toen hij nauwelijks te Augsburg
aangekomen was, hem werd gezegd, dat zijn broeder in groot gevaar verkeerde; dat
hij daarom, door broederlijke liefde gedrongen, hem vermaande, zich te wachten
voor de listen en lagen van Malvenda, de biechtvader, en zijn aanhangers, die
allen, als vijanden van Christus, om de belijdenis van de ware godsdienst, op
allerlei wijze het er op toelegden zijn bloed te vergieten. Deze en dergelijke
woorden waren in de brief vervat. Terwijl Diazius bezig was deze brief te lezen,
haalde de beul, die achter hem stond, de bijl, die hij onder de mantel verborgen
had, voor de dag, en sloeg die in de rechterzijde van de slaap zijns hoofds tot
aan de steel. Daar de hersens op wrede wijze waren gekwetst, was hij in
hetzelfde ogenblik geheel bewusteloos, zodat deze heilige martelaar niet het
minste geluid maakte.
Daarna, opdat door het vallen van het lichaam geen
gedruis zou worden gemaakt, en zij alzo van de moord konden overtuigd worden,
legde de beul, met beide handen het vallende lichaam opvangende, het lijk op de
grond, en liep terstond de trap af naar zijn meester. Dit alles ging zo haastig
en geheim in zijn werk, dat niemand er intussen iets van
bemerkte.
Claudius Senarcleüs, die nog te bed lag, en door
onaangename gedachten werd bevangen, sprong haastig uit bed, greep spoedig enige
klederen om naar de kamer te gaan en te zien, wat Diazius deed. Toen hij in de
kamer kwam, hoorde hij de moordenaars nog op de trappen; en, daar hij niet wist,
of zij naar beneden gingen of naar boven kwamen, sloot hij de trapdeur, en ging
de kamer binnen.
Toen hij daar kwam, en het lichaam op de grond zag
liggen, werd hij, zoals men wel denken kan, in zijn hart zo verschrikt en
verbaasd, dat de klederen hem uit de hand vielen, en hij geen woord kon spreken.
Eindelijk, toen hij enigszins tot zichzelf gekomen was, ging hij naar Diazius,
die daar op de vloer lag, met de ogen naar de hemel geslagen en de handen
gevouwen, alsof hij bad.
Ogenblikkelijk trok Claudius hem de bijl uit het
hoofd, om te zien, of hij leefde. Hij bemerkte, dat hij, ofschoon dodelijk
gewond, nog tekenen van leven gaf; doch na verloop van een uur blies hij de
laatste adem uit. Zijn ogen waren voortdurend naar de hemel gericht, alsof hij
Gods barmhartigheid voor zich inriep. Toen hij van God hoorde spreken, gaf hij
een teken, dat hij dit verstond. Dadelijk riep Claudius al de huisgenoten samen,
die getuigen waren van deze gruwelijke moord.
Alzo eindigde de heilige martelaar Gods, Johannes
Diazius, zijn tijdelijk leven, en werd door tussenkomst van zijn broeder, op de
wijze van Kaïn, te Nieuburg vermoord, de 27sten Maart in het jaar onzes
Zaligmakers Jezus Christus 1546.
Enige vrome burgers reden deze boze moordenaars te
paard na, en achterhaalden hen in een stad omtrent vier mijlen aan deze zijde
van Yzerbrug, waar zij in een logement vertoefden en juist sliepen. Zij reden
voort tot Yzerbrug, gaven de raad van deze zaak kennis, en drongen er op aan
deze moord niet ongestraft te laten. Toen de moordenaars te Yzerbrug kwamen,
werden zij terstond op gewelddadige wijze gevangen genomen. Zij gaven daar voor,
dat zij edellieden waren, en gezonden door de keizerlijke majesteit wegens enige
belangrijke zaken; doch men gaf hun geen geloof, omdat men bekend was met de
schandelijke moord, die zij gepleegd hadden. De Paltzgraaf Otto Hendrik zond
twee gezanten naar Yzerbrug, om de doodslagers tot de dood op te eisen, terwijl
de gezanten meegenomen hadden de slaapmuts van Diazius, de verdichte brief, en
de bloedige bijl. Intussen schreven deze moordenaars aan de kardinalen te Trente
en te Augsburg brieven, waarin zij verzochten hen te verlossen. En wat vermag
deze bloeddorstige geestelijkheid niet? Zij brachten het eindelijk zover, dat de
keizerlijke majesteit een bevel gaf, de gehele zaak van deze moordenaars uit te
stellen, en er niets in te besluiten dan nadat hij met zijn broeder daarover zou
gesproken hebben.
Een van de gezanten van Nieuburg, ziende, dat er
geen hoop was om recht te verkrijgen, keerde terug. De Paltzgraaf schreef zelf
aan de regering te Yzerbrug, dat de moordenaars onder borgstelling en
verzekering overgeleverd moesten worden naar Nieuburg, waar de moord had plaats
gehad, of toe te staan, dat hij de zaak zelf naar recht zou behandelen. Doch de
regering toonde hem het bevel van zijn keizerlijke
majesteit.
De Protestanten verzochten daarna aan de keizer te
Regensburg om de zaak volgens het recht te behandelen en teneinde te brengen;
doch zij ontvingen van hem geen antwoord.
Toen de keizer te Nieuburg kwam, verzocht de
regering hem daar ootmoedig, aan de rechters te Yzerbrug te bevelen, deze zaak
naar het recht te behandelen. Zij ontvingen echter geen ander antwoord dan dat
de keizer geen macht had om in het land, dat zijn broeder, de koning van Rome,
toebehoorde, iets te gebieden. Zo zij in deze zaak iets wilden verkrijgen,
moesten zij dit zijn broeder verzoeken; en toch was enige weinige dagen vroeger
zijn bevel uit Dinckelspeel gegeven, dat men de behandeling der zaak moest
uitstellen.
De paus en kardinalen, met hun goddeloze en
bloeddorstige geestelijken, is het te wijten, dat men de eenvoudigen en
onschuldige vervolgt, hun jammerlijk het goed en leven ontneemt, en de
boosdoeners en moordenaars voorstaat, beschut en beschermt. Maar God zal eens
rechtvaardig zonder aanzien van personen richten en oordelen. Dan zullen, zoals
er geschreven staat, de geweldigen op ernstige wijze gestraft
worden.
[JAAR 15146.]
Ensinas, ook Driander genaamd, geboren in Spanje,
was de leermeester van de godvruchtigen martelaar Johannes Diazius. Op het
aanhouden en smeken van zijn ouders en vrienden, woonde hij, tegen wil en dank
enige jaren te Rome. Toen hij door zijn broeder Franciscus Driander, die om de
zuiveren godsdienst in Duitsland woonde, geroepen werd, dat hij zich tot de
gemeente Gods begeven zou, werd hij door zijn eigen huisgezin verraden,
gevankelijk overgeleverd, en van dat ogenblik aan in een enge gevangenis
geworpen. Daarna bracht men hem in een grote volksvergadering, waar alle
kardinalen en bisschoppen, die zich toen in Rome bevonden, waren bijeen gekomen,
om hem te ondervragen. Met vrijmoedigheid en standvastigheid beleed hij de
zuivere leer van het goddelijke Woord, stond die met ijver voor, en veroordeelde
alle boosheid en het bedrog van de roomse antichrist. Door deze vrijmoedige
belijdenis werden de kardinalen en vooral de Spanjaarden, zijn landgenoten, zo
woedend, dat zij riepen, dat men hem moest verbranden.
Eindelijk brachten het deze vijanden der waarheid
en godzaligheid zover, dat deze goede man en getrouwe dienaar van de Heere Jezus
Christus zijn leven om de heerlijke getuigenis der waarheid moest overgeven, en
wel kort na de dood van Johannes Diazius, zijn leerling, in het jaar
1546.
[JAAR 1546.]
Anna Askew, uit een edel en voortreffelijk
geslacht in Engeland, in het graafschap Lincoln, een dochter van de heer Willem
Askew, betoonde zich zeer standvastig en moedig in de kennis van Jezus Christus.
Op 25-jarige leeftijd redetwistte zij twee malen met de zogenaamde
geestelijkheid, de vijanden van de Heere Christus, ontdekte en hield hun voor
ogen de gruwelijke godslastering van de mis, om welke reden zij veel smaad en
lijden moest verdragen. Nadat men haar gevangen genomen had, pijnigde en
martelde men haar zo geweldig, dat de aderen haar in het lichaam sprongen.
Daarna, omdat zij zo volstandig bleef, vervloekte men haar, en gaf haar als een
ketters en verdoemd mens aan de duivel over. Zij stond dit echter met zulk een
blijmoedig gemoed door, dat zij al zingende en de Heere lovende in de gevangenis
gebracht werd, daar zij wist, dat Christus hen allen zalig noemt, die om Zijns
naams wil door de mensen vervloekt, gelasterd en vervolg werden. Gedurende haar
gevangenschap beschreef zij op verzoek van vele gelovige mannen en vrouwen, op
welke wijze zij voor de vijanden der waarheid werd onderzocht. Haar brief luidt
aldus:
Om aan uw begeerte te voldoen, heb ik het eerste
onderzoek, dat ik onderging neergeschreven, welk onderzoek plaats had in Maart
van het jaar onzes Heeren 1545.
Vooreerst vroeg Christoffel, de ondervrager, mij
in de zaal van de Cellebroeders of ik niet geloofde, dat het sacrament, dat over
het altaar hing, het ware lichaam van Christus was. Waarop ik hem de wedervraag
deed, waarom St. Stefanus werd gestenigd. Hij antwoordde mij, dat hij het niet
wist. Toen antwoordde ik, dat ik ook zijn ijdele vraag niet zou
beantwoorden.
Vervolgens zei hij mij, dat er bij mijn onderzoek
een vrouw voorkwam, die getuigde, dat ik gezegd had, dat God niet woonde in
tempelen met mensenbanden gemaakt. Toen bewees ik hem uit de Handelingen der
Apostelen h. 7, vs. 48 en 17, vs. 24, dat dit Stephanus en Paulus hadden gezegd.
Hij vroeg mij daarop, in welke zin ik die uitspraak genomen had. Ik antwoordde
hem, dat ik de parels niet voor de zwijnen wilde werpen, want de zemelen zijn
voor zulken genoeg.
Verder vroeg hij mij, waarom ik gezegd had, liever
vijf woorden in de Bijbel te lezen dan in de kerk vijf missen te horen. Ik
beleed hem, dat ik dit gezegd had, niet om de Zendbrieven en Evangeliën te
verachten, maar omdat het een mij zeer sticht en het andere in het geheel niet,
zoals Paulus betuigt, 1 Kor. 14, vs. 8: “indien de bazuin een onzeker geluid
geeft, wie zal zich tot de krijg bereiden?"
Ten vierde vroeg hij mij, hoe ik dacht over de
belijdenis of biecht. Ik deelde hem mijn gevoelen daarover mee, overeenkomende
met de woorden van Jakobus, h. 5, vs. 16: Belijdt elkaar de misdaden, en bidt
voor elkaar."
Vervolgens vroeg hij mij, hoe ik over het boek des
konings dacht. Ik antwoordde, dat ik het niet wist, want ik had het niet
gezien.
Verder vroeg hij mij, of ik de Geest van God
bezat. Ik antwoordde hem, dat, wanneer ik Die niet had, ik een boos en verloren
mens zou zijn.
Daarna zei hij, dat hij om een priester had
gezonden, om mij te ondervragen. Toen deze kwam, vroeg hij mij terstond, hoe ik
dacht over het sacrament van het altaar. Hij was zeer begerig daarover mijn
mening te horen. Doch ik verlangde, dat hij mijn onwetendheid in deze zaak in
aanmerking wilde nemen; en ik wilde hem verder geen antwoord geven, omdat hij
een priester was.
Ten zevende vroeg hij mij, of de stille missen
voor de doden nuttig waren. Ik antwoordde, dat het grote afgoderij was, om
daarin zo zeker te geloven als in het bloed van Christus, Die voor ons gestorven
is.
Daarna werd ik geleid naar de heer schout, die mij
op gelijke wijze ondervroeg als de anderen vroeger gedaan
hadden.
Bovendien beschuldigde de schout mij van een zaak,
die ik niet, maar zij zelf beweerd hadden, hetwelk een vraag betrof, of namelijk
het gewormte, dat de hostie gegeten heeft, ook God gegeten en ontvangen had, of
niet. Ik gaf hem daarop geen antwoord, maar lachte. De kanselier van de bisschop
zei mij, dat het af te keuren was, als ik mij verstoutte van de Schrift te
spreken; "want Paulus," zei hij, "verbiedt de vrouwen te spreken, of gemeenschap
te hebben met Gods Woord." Ik antwoordde hem, dat ik de bedoeling van Paulus zo
goed verstond als hij, en ook de plaats, 1 Kor. 14, dat de vrouwen in de
gemeente niet behoren te spreken om te onderwijzen. Ik vroeg hem, hoeveel
vrouwen hij op de stoel had zien klimmen en prediken. Hij antwoordde, dat hij
dit niet gezien had. Daarop hernam ik, dat niemand de arme vrouwen mag
beschuldigen, wanneer zij niets misdaan hebben."
Vervolgens beval de schout, dat men mij zou
wegbrengen. Ik vroeg hem, of hij ook borg voor mij stellen wilde. Hij antwoordde
kortweg "neen", en zo werd ik in de gevangenis gebracht, waar ik twaalf dagen
vertoefde, zonder dat er iemand van mijn vrienden werd toegelaten om met mij te
spreken. Wel zond men een priester bij mij, die voorgaf door de bisschop bevolen
te zijn, om mij te ondervragen en goede raad te geven, wat hij echter niet deed.
Hij vroeg mij vooreerst, waarom ik gevangen zat, waarop ik antwoordde, dat ik
het niet wist. Daarna zei hij, dat het jammer was, dat ik daar zonder reden zat,
en hield zich, alsof hem dit hinderde. Hij vroeg mij, of ik gebiecht had. Ik
antwoordde van neen. Hij zei toen, dat hij iemand zou laten komen, om mij de
biecht af te nemen. Ik zei hem, dat, wanneer een van drieën tot mij kwam,
namelijk doctor Crome, de heer Willem Witehead of Huntington, ik tevreden zou
zijn; want dat ik wel wist dat het zulke wijze mannen waren als een van u of
enige anderen. "Ik veracht u niet, zei ik, "aangezien ik u niet
ken."
Daarop zei hij: "Meent gij dan niet, dat ik of een
ander, die ik u zenden zal, ook zo eerwaardig ben als die anderen? Indien zij
dit niet waren zou de koning ons niet toelaten te prediken." Toen antwoordde ik,
dat Salomo zegt, dat, wanneer ik de wijzen hoorde, ik wijsheid bekomen zou, maar
wanneer ik gemeenschap had met de dwazen, dat ik dan dwaasheid zou
verkrijgen.
Daarna zei hij: "Ik vraag, wanneer de hostie
gevallen was, en een dier had die gegeten, of dan dit dier God had ontvangen of
niet." Daarop antwoordde ik hem: "Aangezien gij mij op een anderen tijd dezelfde
vraag gedaan hebt, bid ik u, beantwoord die zelf, daar ik dit niet doen zal,
want ik gevoel, dat gij komt om mij in de strik te vangen." Hij zei, dat het
tegen de leer der hogescholen was, vragen te doen en die te beantwoorden. Ik
antwoordde, dat ik een vrouw was, en voorschriften der hogescholen niet kende.
Na dit met hem te hebben gesproken, scheidde hij van mij met schone
woorden.
De 23e Maart kwam mijn neef Britaigne tot mij in
de kerker, en vroeg mij, of er geen middel was om mij te verlossen. Nadat wij
samen gesproken hadden, ging hij naar de schout, om hem mijn zaken aan te
bevelen. De schout antwoordde, dat hij graag doen zou wat hij kon, maar dat hij
mij niet kon ontslaan zonder toestemming van de beambte der gemeente; want, daar
men om dusdanige zaak niemand mocht gevangen zetten zonder orde van een beambte
der gemeente, mocht men iemand ook niet ontslaan zonder
hem.
Daarna ging hij naar de kanselier, die hem zeide,
dat de zaak zo slecht stond, dat hij die niet zou durven uitvoeren zonder
toestemming van de bisschop van Londen, en dat hij hem daarover spreken zou. Hij
beval mij, dat ik de volgenden dag des namiddags om drie uur bij hem moest
komen; en zei ook, dat hij tevreden zou zijn, wanneer men de wijze mannen
ontbood, die ik begeerde, welke mijn verlangen zouden te kennen geven, en dat ik
zonder hardheid zou behandeld worden. Toen zij wisten, dat ik dr. Crome, de heer
Willem Witehead en Huntington verlangde, liet hij die door mijn neef Britaigne
roepen, opdat ik hun zou meedelen, wat ik op het hart had.
De volgende dag liet de bisschop mij om één uur
halen, hoewel hij dit bevolen had om drie uur. Toen ik hij hem kwam, zei hij,
dat hij zeer bedroefd was om mijn treurigheid, en verlangde, dat ik de waarheid.
zou belijden. Ik antwoordde: "Mijnheer, omdat gij het bepaald hebt om drie uur,
zullen mijn vrienden niet voor die tijd komen. En nu zult gij mij het wel willen
vergeven, dat ik u niet antwoord dan nadat zij gekomen zijn." Hij ging toen naar
de galerij en gebood zijn dienaar, dat hij mij zou ondervragen, die mij dan ook
vroeg: "Mejuffrouw, waarvan bent gij beschuldigd?" Ik antwoordde hem: "Vraag dit
mijn beschuldigers, want ik weet het nog niet." Daarna nam hij het boek, dat ik
in mijn hand. had, en zei: "Deze boeken zijn de oorzaak van uw lijden; wacht u,
wacht u, want, die deze gemaakt heeft, is verbrand geworden op het Smitsveld."
Ik vroeg hem, of hij er zeker van was, wat, hij zei. Hij antwoordde, dat hij
zeer goed wist, dat het boek gemaakt was door Jan Frethes. Ik vroeg hem, hoe hij
kon oordelen over een boek, voor hij dit had gezien. Mij dunkt zei ik, dat zulk
een overhaast oordeel, en zonder betere ondervinding, een bewijs is van een
onverstandig rechter. Met schande vertrok hij.
Vervolgens kwam mijn neef Britaigne, en de
bisschop zei tot hem, dat hij mij moest aanraden het verborgene mijns harten te
openbaren, en zei dan ook tot mij, dat hij graag zien zou, dat ik mijn vrienden
vertrouwde, dat is, dat ik hun moest te kennen geven al wat ik op mijn hart had,
en dat dit mij tot geen nadeel zou strekken. Ik antwoordde hem, dat ik niets had
te zeggen, want dat mijn hart en geweten, Goddank, niet bezwaard waren. Daarna
bracht hij een gelijkenis bij, die echter niet gepast was. "Wanneer iemand enige
wond heeft, dan zal geen wijs chirurgijn zijn hand daaraan willen staan om die
te helen, voor hij die ontbloot gezien heeft. Zo kan," ging hij voort, "ik u
geen goede raad geven, wanneer ik niet weet, waarmee uw geweten bezwaard is." Ik
antwoordde hem, dat mijn geweten niet bezwaard was; en een pleister te leggen op
een gezonde huid, is dwaasheid. Toen zei hij: "Gij dwingt mij u te bezwaren,
daar gij gezegd hebt, dat het sacrament, wanneer het in de bus of kast blijft,
niets anders dan brood is." Ik antwoordde, dat ik dit niet gezegd had, en zei,
dat de inquisiteurs mij zulk een vraag gedaan hadden, waarop ik niet wilde
antwoorden, dan nadat zij mij gezegd zouden hebben waarom Stephanus gestenigd
was. Zij zeiden, dat zij dit niet wisten en, toen zei ik tot hen, dat ik het hun
ook niet zeggen wilde.
Toen zei de bisschop, dat ik toch de Schrift
aanhaalde. Ik antwoordde, dat ik niets anders bijbracht dan wat Paulus zegt aan
de Atheners, Hand. 17, dat God niet woont in tempelen door mensenhanden gemaakt.
Hij vroeg mij, wat mijn geloof was in deze zaak. Ik antwoordde, dat ik geloofde,
zoals de Heilige Schrift mij bewees. Hij vroeg: zegt de Heilige Schrift niet,
dat het Christus lichaam is? Ik geloof het, zei ik, zoals de Schrift het zegt.
Toen zei hij: "Wilt gij zeggen, dat de Heilige Schrift zegt, dat het Christus
lichaam niet is? Ik antwoordde voortdurend, dat ik geloofde, zoals de Heilige
Schrift het uitdrukt. En daarop wachtte hij een poos, terwijl hij dacht, dat ik
hem enig antwoord zou geven, om aan zijn mening te voldoen; doch mijn antwoord
was, dat ik geloofde, zoals ons Christus en Zijn Apostelen geleerd hebben. Hij
vroeg mij, waarom ik zo spaarzaam met mijn woorden was. Ik zei, dat God mij
gegeven had de gave om het te weten, en niet om het uit te spreken, en dat
Salomo zegt, Spreuk. 19, dat het een gave van God is, als een vrouw weinig
woorden heeft.
Vervolgens zei hij mij, dat ik gezegd had, dat de
mis afgoderij was. Ik antwoordde hem, dat de ondervragers mij gevraagd hadden,
of de zielmissen de doden baten of niet, waarop ik met luider stem had
uitgeroepen: O Heere, wat grote afgoderij! dat wij veel meer de missen geloven
zouden dan in de dood uw Zoons Jezus Christus. Toen zei de bisschop: "Welk
antwoord is dat?" "Mijn heren", zei ik, "hoewel dit antwoord nietig is, toch is
het voldoende op zulk een vraag." Daarna zei ik hem, dat er een priester was,
die alles gehoord had, wat ik voor de schout en anderen betuigd had. Deze
priester was de kanselier van de bisschop en daar tegenwoordig, die zei: "Het is
waar, dat zij dus heeft geantwoord." Er waren ook nog andere priesters, zoals
dr. Standish en anderen, die mij aanvielen; maar ik antwoordde hun gedurig, dat,
wat ik de bisschop gezegd had, genoeg was. Dr. Standish zei tot de bisschop, dat
hij mij zou gebieden mijn mening te openbaren over de plaats van Paulus. Ik
antwoordde, dat het tegen de leer van Paulus was, dat een vrouw de Schriften
uitlegde, vooral waar zovele geleerde mannen waren.
De bisschop zei, dat hij wel wist, dat ik een
priester, die mij gevraagd had, of ik het sacrament met Pasen wilde ontvangen,
had bespot. Ik verlangde dat ik mijn beschuldiger wilde zien. Doch de bisschop
stond dit niet toe, en zei: “Ik had er u een gezonden om u te raden, maar bij
het eerste woord hebt gij hem uitgescholden. Ik zei, dat ik dit niet loochende,
want dat ik bespeurd had, dat hij een pausgezinde was, en gaf hem toen verder
geen antwoord. Toen zei hij, dat ik zou gezegd hebben, dat er zestig priesters
te Lincoln tegen mij gewapend waren. Inderdaad, zei ik, dat heb ik gezegd; want
mijn vrienden hadden zij meegedeeld, dat, wanneer ik daar kwam, de priesters mij
zeer veel leed zouden aandoen, waarop zij zich beroemd hadden. Ik maakte
nochtans geen zwarigheid daarheen te gaan, want ik wist, dat mijn belijdenis
goed was, en bleef er negen dagen, om te zien, wat men mij te zeggen had.
Terwijl ik daarin het klooster was, en in de Bijbel las, kwamen tot mij van twee
tot vijf ja soms zes paar mensen, om met mij te spreken; doch zij keerden terug
en zeiden niets evenals onwetende en onverstandige mensen. De bisschop vroeg, of
zij niet met mij gesproken hadden. Ik antwoordde hem, dat er eindelijk een
geweest was, die iets tegen mij gezegd had, doch dat zijn woorden niet veel
betekenden, zodat ik ze mij ook niet meer herinnerde. Hij zei mij toen: "Velen
zijn er, die de Schrift lezen en kennen, maar zij volgen haar niet na." Ik
hernam daarop, mijnheer, ik wenste wel, dat alle mensen met mijn handelingen
bekend waren, daar ik verzekerd ben, dat er niemand is, zo hij de waarheid wil
spreken, die iets van mij zou kunnen zeggen, wat niet recht en billijk is. Kent
gij iemand, die iets anders getuigen kan, ik bid u, laat hij bij mij gebracht
worden."
Daarna vertrok hij, en zei, dat hij mijn gevoelens
bij wijze van artikelen optekende. Hij schreef dan ook iets, maar, wat dat was,
weet ik niet, want ik kon er geen afschrift van bekomen.
Eindelijk bood de bisschop haar een geschrift aan,
waaronder hij verlangde, dat zij haren naam zetten zou. Maar aangezien dit in
alles niet billijk was, onderschreef zij het op deze wijze: “Ik Anna Askew
geloof alle dingen, vervat in het geloof der christelijke kerk," enz. En omdat
zij schreef "der christelijke kerk," ging hij woedend zijn kamer in, terwijl
Britaigne, de neef van Askew, hem volgde, en smeekte haar genadig te zijn. De
bisschop zei, dat zij niet eerlijk gehandeld had, om dus te schrijven, aangezien
zij een vrouw was. Britaigne verzocht hem, dit ten goede op te nemen, daar dit
vrouwelijke zwakheid was, en hij wijzer behoorde te zijn dan een
vrouw,
Docter Weston ging tot hem en zei: "De reden
waarom zij geschreven heeft "christelijke kerk" is, omdat zij niet verstaan had,
dat het woord "kerk" reeds vroeger in het geschrift opgenomen was." Later ging
de bisschop andermaal tot haar om haren naam en die van haar borgen te hebben.
De vrienden en Anna dachten vrijheid te verkrijgen, volgens de bepalingen van de
wet, doch zij werd naar de gevangenis terug geleid tot de volgende dag. Op die
dag las men haar het geschrift van de bisschop voor, dat zij, zoals gezegd is,
aldus had ondertekend, en zij werd weer naar de gevangenis gebracht. De volgende
dag beval men haar borgen, om te verschijnen in de St. Pauluskerk, hetwelk zij
deden. Na veel moeite en drukke gesprekken, namen zij van de borgen zekerheid,
om haar voor te stellen en te doen komen zo dikwijls zij ontboden werd. Zo werd
zij eindelijk verlost.
Enige tijd daarna werd Anna voor de raad des
koning ontboden, om te verklaren, of zij in haar belijdenis wilde volharden, en
wie haar in deze leer had onderwezen. Zij, antwoordde, dat zij aangaande haar
geloof genoeg gezegd had, maar dat zij niet gezind was om iemand te
beschuldigen. En, wat zij daar meer sprak, beschrijft zij aldus: ”Ik ben hier
niet om verantwoording te doen voor mijn medegevangenen, omdat ik bij hun
ondervraging niet geweest ben. Met mij ging het aldus. Toen ik voor de raad
stond, werd ik ondervraagd door Mr. Kyme. Ik antwoordde, dat mijnheer de
kanselier met mijn gevoelen in deze zaak zeer goed bekend was. Zij waren echter
met dit antwoord niet tevreden, maar zeiden, dat de koning verlangde, dat ik hem
de bijzonderheden zou openbaren. Ik zei hem ronduit, dat ik dit niet doen zou,
maar, indien de koning mij wilde aanhoren, zou ik hem de waarheid zeggen. Toen
zeiden zij, dat dit niet nodig was, want dat de koning gewichtiger zaken te doen
had. Ik antwoordde, dat de allerwijste koning Salomo zich wel verwaardigd had
het geschil aan te horen van twee arme, onzedelijke vrouwen; veel meer behoort
hij naar zijn genade te horen naar een eenvoudige vrouw, zijn gehoorzame
gelovige dochter. Zodoende gaf ik hem geen ander antwoord. Toen vroeg mij de
kanselier hoe ik over het sacrament dacht. Ik antwoordde, dat ik altijd wanneer
ik in de christelijke vergadering met dankzegging het brood ontving van de
gedachtenis van de dood van Christus, volgens de instelling van Christus, de
zegeningen van Zijn heerlijk lijden deelachtig werd.
De bisschop van Winchester gebood mij rechtuit te
spreken. Ik zei, hoe zou ik een nieuw lied zingen in een vreemd land. Toen zei
de bisschop dat ik figuurlijk sprak. Ik antwoordde hem, dat dit voor hem zo veel
te beter was; want zei ik, wanneer ik de waarheid zei, zoudt gij haar toch niet
aannemen. Hij begon toen te lachen en te spotten, en zei, dat ik een papegaai
was. Ik zei, dat ik gewillig was, alle spotternij van hem te verdragen. Door de
raad werd ik toen ernstig bestraft, omdat ik, in alles wat zij verlangden, mijn
gevoelen niet wilde uitspreken. Aldus heb ik hun van tijd tot tijd voldoende
geantwoord betreffende zaken, die te uitvoerig zouden zijn om mee te delen; want
meer dan vijf uren bracht ik bij hen door.
Daarna bracht mij de klerk van de raad naar de
jonkvrouw Garnisch. De volgende dag werd ik weer voor de raad gesteld, waar zij
wilden horen, wat ik van het sacrament dacht. Ik antwoordde, dat ik gezegd had,
wat ik zeggen kon. Na vele redekavelingen bevalen zij mij dichter bij te komen.
Vervolgens kwamen de heer van Lysie, de heer van Essex en de bisschop van
Winchester, die hartelijk begeerden, dat ik belijden zou, dat het sacrament
vlees, bloed en been was. Ik zei toen tot de heer Par en tot de heer Lysie, dat
het schande voor hen was, om mij dingen aan te raden waarvan zij het tegendeel
wisten; waarop zij met weinige woorden antwoordden, dat zij wel wensten, dat
alle zaken wel waren. De bisschop verlangde vriendelijk met mij alleen te
spreken. Ik zei, dat Judas dit ook deed, toen hij Christus verried. Hij wilde
mij toen er toe dwingen, doch ik weigerde het hem, waarvan hij de reden vroeg.
Ik antwoordde hem, dat, gelijk de Schrift zegt, in de mond van twee of drie
getuigen alle waarheid bestond. Daarna begon de kanselier alleen met mij te
spreken en van het sacrament te ondervragen. Ik vroeg hem, hoe lang hij aan
beide zijden zou hinken. Hij wilde toen weten, waar ik gevonden, had dat van aan
beide zijden te hinken gesproken wordt. Ik zei, in de Schrift, 1 Kon. 18, vs.
21. Na deze woorden vertrok hij.
Na vele redenen en gesprekken over en weer,
bestrafte de bisschop Anna, omdat zij de Schrift gelezen had."Hierdoor," zei
hij, "bent gij tot dwaling vervallen, en blijft er hardnekkig in; het is der
vrouwen ambt niet; ieder moet in zijn roeping blijven. Het betaamt een vrouw
evenmin over de Schrift te oordelen, als een zeug om een zadel te dragen." Anna
begon te lachen en zei: "Mijnheer, het is even betamelijk, dat een zeug het
zadel draagt, als een ezel een bisschopsmijter."
De bisschop dreigde haar met de vuurdood. Zij
antwoordde, dat zij de gehele Schrift had doorzocht, maar nog nooit gevonden
had, dat Christus of Zijn Apostelen iemand hadden doen sterven, "Welaan," zei
hij, "God zal uw bedreigingen bespotten."
Daarna kwamen dr. Core en dr. Kobinzon tot haar,
maar zij konden het met elkaar niet eens worden. Zij schreven haar een briefje
over het sacrament en wilden, dat zij dit zou ondertekenen, hetgeen zij echter
weigarde. Daarna werd zij weer gevankelijk naar de kerker gebracht waar zij
ernstig ziek werd, en dacht te zullen sterven. Zij verlangde daarom met Latimer
te spreken, dat haar echter niet werd toegestaan. Hoe het verder met haar gegaan
is beschrijft zij aldus:
"In deze plaats werd ik een ketterse genoemd, en
veroordeeld voor de wet, wanneer ik niet van mening wilde veranderen. Ik
antwoordde hem, dat ik niet ketters was, en volgens de wet van God, alleen om
deze reden, de dood niet verdiend had. Ik betuigde, dat ik de belijdenis van
mijn geloof, en wat ik de raad geschreven had, geenszins wilde verloochenen,
omdat ik wist, dat het de waarheid was. Toen vroegen zij mij, of ik ook
loochende, dat het sacrament het lichaam en bloed van Christus was. Ja, zei ik,
want de Zoon van God, die geboren werd uit de maagd Maria, is thans verheerlijkt
in de hemel, en zal van daar ten jongste dage komen, gelijkerwijze Hij is
opgevaren. En, wat gij uw God noemt, is een stuk brood. Wilt gij dit beproeven?
Let er eens op: sluit het in een kast, en eer drie maanden zijn verlopen, zal
het verschimmeld en verloren gegaan zijn. Dit geeft mij de verzekering, dat het
geen God is Daarna wilden zij mij een priester zenden, doch ik begon te lachen.
Zij vroegen mij, of dit niet goed was. Ik zei, dat ik mijn misdaden voor God zou
belijden, en dat ik verzekerd was, dat Hij mij door Zijn genade zou verhoren. Zo
werd ik veroordeeld.
Wat ik omtrent mijn geloof aan de raad schreef
was, dat het gewijde brood ons beschikt wordt, opdat wij het met dankzegging
gebruiken zouden ter gedachtenis van de dood van Jezus Christus, teneinde het
enige geneesmiddel voor onze ziel te verkondigen; want in het nachtmaal
ontvangen wij de weldaden en zegeningen van Zijn heerlijk
lijden.
Daarna wilden zij weten, of het brood, dat zij in
hun bussen hadden, God was of niet. Ik zei"God is Geest,en wil in geest en
waarheid aangebeden zijn." Verder vroegen zij:"Loochent gij dan ten enenmale,
dat Jezus Christus in het sacrament is?" Ik antwoordde, dat ik geloofde, dat
Jezus Christus, de enige Zoon van God, daar niet in woont.
Op zekere Dinsdag daarna werd ik uit de gevangenis
naar de kroon geleid, waar zekere Mr. Riche en de bisschop van Londen met allen
ijver en onder vleierijen beproefden mij van God afvallig te maken. Doch ik
verwierp en verachtte hun ijdele aanhalingen uit verschillende schrijvers. Een
hunner, wiens naam Nikolaas Sarton was, raadde mij aan om te doen,zoals hij
gedaan had, doch ik antwoordde hem, dat het beter voor hem zou zijn, indien hij
niet geboren ware geworden, en ik sprak vele andere woorden
meer.
Toen liet Mr. Riche mij in de gevangenis van de
Tower te Londen brengen. Nadat ik daar enige tijd had vertoefd, bevalen Mr.
Riche en een ander lid van de raad mij, met alle gehoorzaamheid te zeggen, of ik
geen mannen of vrouwen van mijn geestverwanten kende.
Ik antwoordde van neen. Aangaande vele vrouwen van
het hof ondervroegen zij mij, en zeiden, dat het de koning gezegd was, dat ik
velen van mijn sekte kende. Ik zei, dat men de koning zeer slecht had
ingelicht.
Daarna vroegen zij mij, wie mij in de gevangenis
had geholpen, en de raad gegeven om mijn gevoelens vast te houden. ik zei, dat
geen schepsel mij de mond had gegeven; dat al de hulp, die ik in de gevangenis
genoten bad, mij door mijn kamenier betoond was. Toen zij namelijk te Londen
door de straat ging, hebben vele bedienden en leerlingen uit de winkels mij geld
gezonden maar, wie zij waren, weet ik niet. Zij zeiden, dat vele vrouwen en
jonkvrouwen mij geld gezonden hadden. Ik beleed, dat dit waar was, maar dat ik
ze, niet kende, dan alleen een man, die mij twee kronen bracht, welke de vrouw
van Hertford mij toe zond, en een andere, die mij ongeveer anderhalve kroon deed
toekomen, die ik echter niet kende. "Bovendien," zei hij, "bevinden zich in de
raad zeer velen, die u bijstand verlenen." Ik zei, dat het niet zo
was.
Dit voorbij zijnde, werd ik op de pijnbank gelegd,
omdat ik niet zeggen wilde, wie mijn geestverwantenwaren. Mijn pijnigingen
duurden zeer lang. En, aangezien ik lijdzaam genoeg, en geen groot misbaar
maakte, deden de kanselier zelf en Mr. Riche alle moeite, om mij met hun eigen
handen te trekken en te pijnigen, zodat ik bijna bezweek. Doch de stadhouder van
de Tower liet mij losmaken, waarop ik terstond in onmacht viel, evenals iemand
die sterft. Nadat ik een weinig moed had herkregen, sprak de kanselier omtrent
twee uren met mij, terwijl ik op de grond lag uitgestrekt, en meende mij van
mijn gevoelens af te trekken; doch de Heere mijn God, Die ik eeuwig danken zal,
bewees mij de genade volstandig te blijven, wat ik hoop te zullen blijven tot
het einde toe.
Toen werd ik in een huis gedragen, en op een bed
gelegd, waar ik in mijn tedere leden zulk een grote smart leed, als, geloof ik,
nooit iemand uitstond. Ik dankte God de Heere. De kanselier vroeg mij nog eens,
of ik mijn gevoelens wilde laten varen, dan zou ik weer in eer hersteld worden
en niets zou mij ontbreken; maar, wanneer ik het niet deed, zou hij mij weer in
de gevangenis opsluiten en daarna laten verbranden. Ik zei hem kortweg, dat ik
liever wilde sterven dan mijn geloof jegens God verzaken. Aldus werd ik
eindelijk weer in de kerker gebracht, waar ik de volgende verklaring
schreef:
"Ik Anna Askew, in vrome hoop, weet zeer wel, dat
mijn barmhartige Vader mij geeft het brood der lichamelijke pijnen en het
lijden, maar toch zo zwaar niet als mijn misdaden wel verdiend hebben. Ik
belijd, dat ik een arme zondares ben voor Zijn majesteit, en bid om Zijn eeuwige
genade. Want ofschoon ik ten onrecht door de mensen om mijn gevoelens
veroordeeld word, neem ik de eeuwige God, Die hemel en aarde gemaakt heeft, tot
getuige, dat ik geen gevoelens aankleef tegen Zijn goddelijk Woord; en ik hoop
van Hem, Die een uitdeler van alle genade is, dat Hij mij beschermen zal tegen
alle leringen, die tegen Zijn heilige waarheid strijden.
Dat ik als een ketter veroordeeld ben, is omdat ik
belijd, dat het gewijde brood, na de inzegening van de priester, is en altijd
blijft brood, terwijl zij geloven, dat, wanneer de priester de woorden der
inzegening gesproken heeft, het dan geen brood meer blijft, maar het lichaam van
Christus is, dat aan het kruis hing, bestaande in het vlees, bloed en beenderen,
hetwelk ik niet geloof. Immers, de artikelen van het geloof zouden vals moeten
zijn, daar zij uitdrukkelijk zeggen, dat Hij zit ter rechterhand des Vaders,
vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ziehier nu de
ketterij, die ik belijd, waaraan ik vasthoud, en waarom ik sterven moet.
Betreffende het heilige nachtmaal des Heeren geloof ik, dat het een
noodzakelijke gedachtenis is van Zijn dood en lijden. Voorts neem ik ook alles
aan, wat mijn Verlosser Jezus Christus gebiedt te geloven. Eindelijk geloof ik,
dat al de Schriften waarachtig zijn, die Hij met Zijn dierbaar bloed bezegeld
heeft. Ja, gelijk Paulus zegt, dat de Schrift, die Hij ons beschikt heeft,
genoegzaam is tot onze lering en zaligheid, zodat ik geloof, dat ons geen andere
waarheid nodig is, dan deze beschreven, waardoor God Zijn gemeente
regeert.
En, aangezien Hij mij die met Zijn eigen Woord in
het Evangelie geleerd heeft, heb ik die, door de genade Zijns Geestes, in mijn
hart weggelegd, en mijn volmaakte hoop is, dat Zijn Woord, zoals David zegt, een
lamp voor mijn voeten wezen mag. Er zijn er, die zeggen, dat ik de eucharistie
verloochen, of het sacrament der dankzegging, doch dit is vals en ergerlijk van
mij gezegd; want ik belijd en geloof, dat, wanneer de sacramenten bediend
worden, zoals Christus die heeft ingesteld, en ons heeft nagelaten, zij een
bijzondere versterking voor ons allen zijn. Maar aangaande uw missen, zoals men
die nu bedient, zeg ik, dat het de gruwelijkste afgod is, die ter wereld
bestaat; want mijn God wil niet met de tanden gegeten worden, en Hij sterft niet
weer. Voorts ben ik bereid de dood te sterven op wat ik gezegd en beleden heb."
Voor zij gedood werd, deed zij met een vurig hart het volgende gebed: "0 Heere,
ik heb nu meer vijanden dan haren op mijn hoofd, maar laat niet toe, dat ik door
hen met ijdele woorden overwonnen word. Strijdt Gij voor mij, want ik hoop
alleen op U. Helaas, ik ben uw arm schepsel! 0 zoete Heere, geel mij voortdurend
vrijmoedigheid, om tien te verachten, die tegen U opstaan, want in U is al mijn
welbehagen! 0 Heere, van ganser hart begeer ik, dat Gij door Uw barmhartige
goedheid hun wilt vergeven, die mij leed aandoen of aangedaan hebben. Open ook
hun ogen, die bezwaard of overvallen zijn door blindheid, opdat zij hierna doen
mogen, wat U welbehaaglijk is, en dat u we waarheid eenmaal verschijne in dit
koninkrijk, en alle menselijke leringen uitgeworpen worden. 0 Heere alzo moet
het geschieden!"
In diezelfden tijd werden ook drie godvruchtige
mannen, Jan Lacels, Jan Adlams en Nikolaas Belenian een priester te Shropshire,
gevangen genomen, omdat zij de schandelijke afgoderij der beelden bestraften en
de beelden, zoals de goddelijke Schrift doet, verwierpen en
vervloekten.
Zo werden dan eindelijk Anna Askew en deze drie
vrome mannen ter dood veroordeeld, en tegelijk, om de getuigenis der
Evangelische waarheid op het Smitsveld te Londen verbrand. Goedsmoeds gingen zij
naar de gerichtsplaats, en prezen uit de vlammen met lofzangen de eeuwige en
almachtige God. Dit gebeurde op de 16e juli in het jaar
1546.
Ten zelfden tijde werd er in de wolken aan de
hemel een zeer zonderling geluid gehoord, en God de Heere wreekte van stonde aan
de dood van Zijn onschuldige getuigen voor de ogen der mensen, en wel aan de
wrede heer van Norfolk en diens zoon, tot een voorbeeld van alle anderen, die de
Heere Christus Jezus en Zijn leden vervolgen, vermoorden en
ombrengen.
[JAAR 1546.]
Tot de steden van Frankrijk, waar het Evangelie
van Jezus Christus gepredikt was, en die het Woord Gods met ijver hadden
aangenomen, moet vooral gerekend worden de stad Meaux, in Brie, aan de rivier de
Matne, tien mijlen van Parijs gelegen. Onder de heerschappij van de bozen
antichrist waren er zeer weinige steden, waar de godzalige leer met zulk een
groten ijver werd ontvangen, met zo vurig verlangen begeerd, zo gemakkelijk zich
uitbreidde, en met zulke standvastigheid werd beschermd en vastgehouden als in
genoemde stad.
Het middel, waardoor God de Heere deze stad heeft
verlicht door Zijn helder schijnend Woord, was Willem Briçonnet, bisschop in
deze stad, een geleerd man, bezield met ijver om de waarheid te belijden, en
vervuld van de zucht om die te verbreiden.
Toen hij pas in zijn bisdom kwam, ging hij, zoals
een goed herder betaamt, zijn gemeente, in zijn bisdom gelegen, bezoeken, en
vond daar het volk geheel vervreemd van de kennis van God en als verlaten, want,
wat hun door de Minderbroeders en andere bedelmonniken onderwezen was, diende
alleen tot voordeel van de kloosters en tot vulling van de buik der monniken.
Toen de bisschop hun loosheid en hun bedrog zag, verbood,hij hun, door een
heiligen ijver bezield, in zijn gehele bisdom te prediken, en stelde in hun
plaats andere godvruchtige mannen aan, onder wie zich bevonden Jakobus Faber,
Stapulanus, Michaël Arandensis, Martialis en Gerardus Rufus, door wier vlijt en
ijver, als ook door de goede gezindheid van de bisschop, die de waarheid Gods
verkondigde, en geen kosten spaarde om geschikte boeken daartoe te verkrijgen,
de kennis van het Evangelie spoedig werd uitgebreid. Door het gehele koninkrijk
weerklonk dit lofwaardig gerucht, dat menigeen met ingenomenheid hoorde, maar
anderen zeer verbitterde en ergerde.
Intussen schoot het zaad, dat in de gemeente
uitgestrooid was, dagelijks meer en meer op, en bracht overvloedige vruchten
voort tot vertroosting en zaligheid der uitverkorenen, totdat de satan, de vorst
der duisternis en de vijand van het zalige licht, de val van zijn rijk zag, en
van zijn gewone middelen begon gebruik te maken, namelijk van de grauwe
monniken, die de bisschop Briçonnet voor de hoogste raad lieten roepen en hem
van ketterij beschuldigden. Bij deze monniken sloten zich de leraars van de
Sorbonne en andere vijanden der Evangelische waarheid aan. De handlangers van de
duivel vielen eerst de bisschop aan, die zij gemakkelijk tot afval wisten te
verleiden. Daarna besprongen zij met meerder geweld de anderen. Van ben, die zij
vast en sterk in het geloof bevonden, werden sommigen verbrand, onder wie zich
een jongeling bevond, meester Jakob genaamd. Hij was een onderwijzer, die met
zulk een ijver de leer der waarheid bevorderde, dat hij het eerst te Parijs
verbrand werd om de zuivere leer van het avondmaal, die toen bij zeer weinig
mensen bekend was. Sommigen werden gegeseld, anderen onder grote schande op het
schavot tentoongesteld, verjaagd of uit Frankrijk gebannen. Ja, de vijanden van
het evangelie rustten niet, voordat de vrijheid tot de verbreiding der waarheid
was ontnomen, en het heldere licht en de zaligmakende kennis die vroeger zo
heerlijk scheen en bloeide, was onderdrukt en vernietigd. Nochtans konden zij,
met alles wat zij deden, niet zoveel uitrichten, dat zij de kennis der waarheid,
die in de harten van vele mensen was ingedrukt en bevestigd, uitroeiden of
vernietigden. Want, toen de goedgezinde lieden, in wier harten de vrees Gods en
de kennis leefden, ondervonden, dat de waarheid in het openbaar niet meer kon
worden beleden, begonnen zij geheime vergaderingen samen te houden, naar het
voorbeeld der Profeten, die onder Achab, en van de christenen, die in de eerste
bloei der kerk leefden, die, om de gruwelijke vervolgingen te ontgaan, geheime
plaatsen bezochten, die geschikt waren om te bidden. Aldus kwamen ook deze
godvruchtige lieden, naar de gelegenheid zich voordeed, nu eens in een huis, dan
weer in een grot, soms ergens in een wijngaard of woud samen. In zodanige
samenkomst vertroostte, vermaande en onderwees hij, die het meest in de Heilige
Schrift ervaren was, de anderen uit Gods Woord. Wanneer dit afgelopen was, baden
zij eendrachtig vurig de Heere aan, wensende en hopende, dat Frankrijk weldra
het Evangelie mocht aannemen, en niet langer het boos en goddeloos geweld van de
antichrist verdragen.
Eindelijk, nadat zij geruime tijd gewacht hadden,
en er in het geheel geen verbetering of verandering in de godsdienst plaats had,
ja, de verfoeilijke bijgelovigheden en schandelijke gruwelen, door de paus
ingevoerd, dagelijks toenamen en ingang verkregen, begonnen sommigen, die wat
vuriger van geest waren, en zich van de tijd aan, dat zij de kennis der waarheid
hadden ontvangen, van alle afgoderij onbesmet bewaard hadden, volgens zekere
regel van een christelijke gemeente zich te verenigen in het jaar onzes Heeren
1546. Om dit tot stand te brengen vonden zij bijzondere aanleiding in de
buitengewoon schone verordening der Waalse gemeente te Straatsburg ingesteld,
die bij ieder godzalige bekend is, welke ook enige van hen hebben bezocht, die
met vlijt er kennis van namen. De voornaamste ontwerpers en bestuurders in deze
gehele zaak waren Stephanus Manginus, een zeer goed en bejaard man, Petrus de
Klerck, een wolkammer van beroep, doch in de Heilige Schrift zeer goed geoefend,
in de taal, die men in Frankrijk gewoonlijk spreekt. Met enige anderen, ten
getale van veertig h vijftig, hielden deze samen raad, om een dienaar onder ben
te kiezen, die hun het Woord Gods zou verkondigen en de sacramenten bedienen.
Deze zaak werd niet lichtvaardig en onbedacht begonnen, want, toen zij allen met
eenparige harten enige dagen met vasten en bidden hadden doorgebracht, werd
Petrus de Klerck met algemene stemmen tot hun dienaar gekozen, die zijn ambt met
naarstigheid en ijver bekleedde, en al de broeders des Zondags en op heilige
dagen samen bracht in het huis van Stefanus Manginus. In zulke vergaderingen
legde hij hun de Heilige Schrift uit, naar de genade en het verstand hem door
God geschonken. Zij zonden ook samen hun gebeden tot de almachtige God, en
zongen psalmen en geestelijke liederen. Daar vierde zij ook eens of meermalen
het avondmaal zoals het door Christus was ingesteld, na de belofte te hebben
afgelegd de roomse afgoderij niet meer te willen aanhangen. Deze kleine
vergadering breidde zich in korte tijd dermate uit, dat het aantal, dat daar
samenkwam, spoedig klom tot drie of vierhonderd mensen, zowel mannen als
vrouwen, jongen en bejaarden, niet allen uit de stad, maar ook uit de dorpen,
zelfs vijf á zes mijlen in het rond. Dit was de reden, dat zij door enige boze
mensen werden verraden en beschuldigd. Hierbij werden zij door sommige
goedgunstige lieden gewaarschuwd, dat zij zich voor de lagen en listen zouden
wachten. Zij antwoordden echter, dat al de haren van hun hoofd geteld waren dat
er geschieden moest, wat de Heere behaagde.
De 8sten September in het jaar 1546, de dag waarop
de roomsen de geboorte van Maria vierde, des ochtends omtrent zeven uur, kwam er
een bode bij de overheid, die zei, dat zij nu hun samenkomst aanvingen. Toen de
overheden dit vernamen, kwamen zij en de ambtman met zijn dienaren, handlangers
en ook de provoost of Rooderoede met zijn dienaren en knechten, die belast zijn
het land te beveiligen tegen moordenaars en ander slecht
gespuis.
Deze kwamen aan het huis van Manginus, en gingen
de kamer binnen, waar de anderen waren samen gekomen. Petrus was juist bezig aan
de gemeente een plaats uit te leggen en te verklaren uit de eerste brief van
Paulus aan de Korinthiërs. Enige ogenblikken bleven zij stil staan, alsof zij
verwonderd waren. Eindelijk vroeg de overheid, wat al die lieden daar deden, en
waarom zij niet naar hun kerken. gingen. “Zij doen," zei Petrus, "wat gij nu
ziet, doch houdt u een weinig stil, totdat wij geëindigd
hebben."
De anderen zeiden, dat zij gevankelijk met hen
moesten mee gaan. " Welaan," zei Petrus "wanneer dit de Heere alzo behaagt;" en
hij liet zich terstond binden. Deze zachtmoedigheid volgden de anderen ook na,
zo mannen als vrouwen, ten getale van twee en zestig.
Onder deze bevond zich een meisje, dat door haar
jeugd niet wist, met welke groten haat de waarheid van het Woord Gods werd
verdrukt, Toen deze zag, dat zij gevangen genomen werd, omdat zij in zulk een
heilige en eerwaardige vergadering tegenwoordig geweest was, zei zij tot de
overheid: "Wanneer gij mij in een bordeel of andere schandelijke plaats had
gevonden, zoudt gij mij niet aldus laten binden."
Doch de overheid legde haar het zwijgen op, en
aldus werd deze gehele menigte naar de stadsgevangenis gebracht. Het was
waarlijk een wonderlijke zaak, te zien hoeveel mannen en vrouwen zo gewillig en
zachtmoedig door zo weinige dienaren geleid werden. Indien zij enige
weerspannigheid hadden willen betonen, zouden zij gemakkelijk door ouders en
vrienden, die in de stad waren, zijn verlost geworden. Zij wilden dit echter
niet doen, en gingen zelfs vrolijk en opgeruimd langs de straat en zongen
psalmen, vooral de 79sten psalm: "Heere, de heidenen zijn in uw erfdeel
gevallen; zij hebben uw heilige tempel ontheiligd."
Toen zij in de gevangenis waren gesloten, begon
men hun aangaande hun samenkomsten te ondervragen. Onder andere dingen, waarmee
zij hen beschuldigden, was het voornaamste en ergste, dat zij het avondmaal des
Heeren gehouden hadden. Men behoeft niet te vragen, hoe de pausgezinden en
monniken om deze zaak alleen beroerd en woedend waren, vooral toen zij zagen,
dat zij geheel in verachting zouden geraken wanneer deze hun grote waardigheid,
die zij reeds lang ongedeerd hadden opgehouden, vallen zou in de handen der
ongeleerde ambachtslieden; wanneer ook de vette offerande, die niet gehouden
werd ter gedachtenis van Christus, maar alleen ten bate van de keuken en de
buik, als rook verdwijnen zou.
Toen men nu alles ondervraagd had, wat tot
verdrukking der onschuld en der waarheid dienen kon, bond men ben als schapen en
lammeren, wierp hen op de wagen zonder stro of iets anders, dat tot gemak kon
dienen. Aldus werden zij zonder verwijl met de grootste spoed naar Parijs
gevoerd; zodat sommigen van hen, die door ouderdom en zware arbeid zwak en
gebrekkig waren, door de ongebaande weg en het schokken van de wagen, zeer
gekneusd en verminkt waren voor zij op de pijnbank, waarop men hen zou
ondervragen, gelegd waren. Zij leden daar zware pijnigingen, vooral de veertien
mannen, die door de hogen raad te Parijs ter dood veroordeeld
werden.
Deze mannen waren: Petrus de Klerck, Stefanus
Manginus, Jakop Bouchebee, Jan Brisebarre, Hendrik Hutinot, Thomas Honoratus,
Jan Boudovin, Jan Flesche, Jan Piquery, Pieter Piquery, Jan Matheston, Filippus
Petit, Michiël Caillon, en François de Klerck, die allen werden veroordeeld om
op een stuk gevlochten tiendwerk voorgesleept en levend verbrand te worden op de
grote marktte Meaux, op een geschikte plaats, naast het huis van Manginus, waar
zij hun samenkomst hadden gehouden.
De anderen, die niet zo vast en volstandig waren
in de godzalige leer, ondergingen niet zulk een wreed vonnis, maar moesten toch
veel uitstaan; want sommigen werden gegeseld, anderen gebannen, enige werden te
schande gesteld, om namelijk toeschouwers te zijn van de dood der genoemde
mannen, onder wie er een was, die onder de armen met touwen werd gebonden en
alzo opgehangen, met een strop om de hals, opdat hij te beter het ter dood
brengen der anderen zien zou. Sommige vrouwen werden ook veroordeeld, om haar
mannen met schande te zien ombrengen.
Eindelijk bepaalde de raad ook en beval, dat het
huis van Matiginus, waar zij gewoon waren geweest samen te komen, tot de grond
moest worden afgebroken, tot een eeuwige gedachtenis van zulk een boze daad,
zoals zij dit noemden; en dat men op die plaats een kapel zou oprichten, waar
men ter ere van hun afgod, die zij uit het brood scheppen en maken elke
Donderdag een plechtige mis zou doen, waarvan de kosten betaald zouden worden
uit de bezittingen van hen, aan wie alles op wrede wijze ontnomen was. Ziedaar
wat in het voortreffelijke vonnis te Parijs vervat was.
Toen het vonnis door de raad was geveld, was de
duivel niet tevreden met het bloed der rechtvaardigen, daar hij zag dat daarmee
niets gewonnen was, om zijn rijk te versterken, maar veel meer, dat hij
overwonnen en beschaamd zou worden, wanneer deze in de belijdenis der waarheid
standvastig bleven. Op allerlei wijze benaarstigde hij zich dan ook, om hen van
hun geloof af te trekken, en hun standvastigheid aan het wankelen te brengen,
wanneer hij die niet met geweld kon verbreken. Als een vorst en ingever van
allen kwaden raad blies hij de rechters in, dat zij deze veertien, die ter dood
veroordeeld waren, in de kloosters moesten plaatsen, de een van de ander
gescheiden, en dat zij alzo ieder in het bijzonder moesten
beproeven.
Doch, toen zij alles beproefd hadden, en bevonden,
dat deze mannen standvastig en onwankelbaar waren, en men hen niet in het minst
van hun geloof kon afbrengen, leverden zij hen aan Gillis Berthelot, de beambte,
over, om hen naar Meaux over te brengen, en daar het vonnis aan hen te
voltrekken. Deze veertien mannen werden op een wagen gelegd, en, om hun allerlei
verdriet aan te doen en van allen troost te beroven, reden er twee leraars van
de Sorbonne, dokter Maillard en dokter Picard, op ezels nevens de wagen, die hen
zonder ophouden met schandelijke woorden aanvielen, om de godvruchtigen van het
geloof af te trekken, zo zelfs, dat Petrus de Klerck met een verontwaardigd
gemoed tot Picart zei: "Ga van ons, gij Satan, en verhinder ons niet aan God te
denken."
Terwijl zij deze treurigen tocht met grote moeite,
pijn en onderverzoeking deden, liet God iets geschieden, dat waardig is te
worden verhaald, en dat die beklaaglijke lieden, welke naar lichaam en ziel zeer
gekweld, benauwd en verslagen waren, zeer versterkte en bemoedigde. Toen zij
namelijk door het bos van Luren, dat drie mijlen van Parijs licht, reden, kwam
hen uit het naaste dorp Couberon, iemand tegen, die wever van beroep was. Hij
liep naast de wagen, en vermaande hen, dat zij vromelijk in de belijdenis der
waarheid moesten volharden. "Mijn broeders en vrienden," zei hij "weest
welgemoed en sterk van hart, weest niet versaagd om van het Evangelie, zoals het
behoort, een vrijmoedige getuigenis te geven."
Doch, aangezien de wagen met grote snelheid
voortreed, zodat hij door de voorsten niet goed kon worden verstaan, stak hij
zijn hand omhoog, en riep luide: "Broeders, denk aan Hem, Die daar boven in de
hemel is." De dienaars en knechten, die de beambte volgden, dachten, dat hij een
Lutheraan was, en wierpen hem, zonder hem iets te vragen, op de wagen, waar de
anderen op lagen.
Zo zijn de wonderbare wegen des Heeren, welke
niemand erkent dan zij, die Zijn wil en Zijn voorzienigheid opmerken en
ondervinden. Immers, deze man, die door zulk een goddelijke ijver hen aansprak,
heeft hun flauwhartigheid en moedeloosheid derwijze verzoet, vertroost en
versterkt en hun krachten alzo vernieuwd, dat sommigen beleden, dat de komst van
dezen man hen dermate verheugde, alsof er een Engel uit de hemel tot hen
gezonden was, om hen te vertroosten; zo zelfs, dat zij, die vroeger wegens grote
droefheid hadden gezwegen, hun hoofd begonnen op te heffen en zich in de geest
verblijdden. Alzo boezemde deze ambachtsman, uit een woest bos komende, hun
goede moed in, teneinde het Evangelie van Jezus Christus te handhaven. Toen zij
in het dorp te Liuren kwamen, en het volk met grote scharen naar de weg liep,
waar de wagens voorbijgingen, en dezen man zagen, die zij goed kenden, riepen
sommigen, dat hij een Lutheraan was, en nog meer dan enig ander, die bij hem
zat, verdiende verbrand te worden, hetwelk de beambte en zijn dienaars
aanleiding gaf, om hem stevig te binden.
Toen zij te Meaux kwamen, sloot men hen andermaal
in de gevangenis, legde hen op de pijnbank, pijnigde en ondervroeg ben, vooral
de veertien mannen; doch zij verrieden niemand van hen, die de Evangelische leer
hadden aangenomen. Terwijl zij op de pijnbank uitgerekt en als vaneen gescheurd
werden, was er een van hen, die zeer vrijmoedig de pijnigers en beulen toeriep
en opwekte, dat zij het onzalige lichaam niet sparen moesten, dat zich zozeer
tegen de Geest en de wil Zijns Scheppers weerspannig betoond
had.
Des anderen daags, toen zij ter dood zouden
gebracht worden, begonnen de leraren weer met hen te redetwisten, vooral over
het avondmaal. Toen Picart en de anderen in het geheel niet wisten wat zij
zeggen zouden, vroeg Petrus de Klerck hun, waarop zij hun verandering of
transsubstantiatie grondden, en waaraan zij wisten, of zij ook, wanneer zij het
brood aten en de wijn dronken, enige smaak van vlees of brood
ondervonden.
Eindelijk hield men hun voor, dat wie in de oren
der overpriesters wat fluisteren, dat is, hun zonden biechten wilden, deze enige
genade zouden ondervinden, namelijk, dat men hun tongen niet zou uitsnijden. Van
de genoemde veertien waren er, zeven, die door enige moedeloosheid, of omdat zij
dachten, dat er niet veel aan gelegen was, de voorgestelde voorwaarde aannamen,
en wel tot grote droefheid van de anderen, die door generlei bedreigingen of
beloften hun belijdenis wilden verzaken.
Omtrent twee uur in de namiddag werden zij uit de
gevangenis gehaald. De beul eiste toen van Stephanus Manginus het eerst de tong
die hij gewillig uitstak. Toen de beul die uitgesneden had, spuwde Manginus het
bloed uit, en sprak nog zo verstaanbaar, dat men hem drie malen hoorde zeggen
"De naam des heeren zij geprezen!" Hij werd terstond op een stuk tiendwerk
geworpen, wat men ook aan Petrus de Klerck deed, en weggesleept; de anderen
werden op een wagen vervoerd.
Zij, die niet ter dood veroordeeld waren, volgden
hen terstond te voet tot op de grote markt. Daar waren, tegenover het huis van
Manginus, veertien galgen opgericht, en wel in het rond, ringsgewijs en nog een
andere galg, wat verder van de anderen staande, waaraan men de Jongeling Michiel
Piquery onder de armen hangen zou, en wel omdat zij zich schaamden hem, jong als
hij was, te verbranden.
De beulen bonden hen als schapen, die naar de
slachtbank geleid werden. En, toen zij, wien de tong was uitgesneden, de Heere
loofden, en de anderen psalmen zongen, begonnen de mispriesters, als dolle en
woedende lieden, ook te roepen en te zingen: "0 salutaris Hostia," en “Salve
regina" en dergelijke schandelijke godslasteringen meer; en hielden niet dit
geroep en geschreeuw niet op, dan nadat deze heilige offeranden als in een zoete
reuk door het vuur waren verslonden.
Des anderen daags, de achtsten der maand hielden
de vijanden van het Evangelie, alsof zij hun zaken goed hadden gedreven, een
prachtige en weelderige processie, alsof zij de waarheid nu als gevangen en in
triomf rondleidden. Bij deze processie droegen zij hun hostie, verlicht en
versierd met een groot aantal kaarsen en flambouwen. Toen zij aan de plaats
kwamen, waar deze heilige martelaren waren verbrand, en het vuur nog brandde,
zetten zij daar hun hostie neer. Bij die gelegenheid klom Picart op de
predikstoel, waarboven een goud laken uitgespannen was, opdat de zon zijn hoofd
niet zou beschijnen. Daar begon de zogenaamde voortreffelijke en geleerde dokter
te prediken en te schelden tegen hen, die daar verbrand waren, en zei, dat het
ter zaligheid nodig was te geloven, dat deze in het diepst der hel veroordeeld
waren; en, al kwam er een engel uit de hemel, die wat anders verkondigde, men
die niet moest geloven; ja, dat God geen God zou zijn, wanneer Hij die niet in
eeuwigheid verdoemde. Doch met al hun schelden en verdoemen konden zij de
vrouwen, wier mannen verbrand waren, er niet toe brengen dit ook te belijden.
Integendeel, deze verklaarden, dat zij in al de tijd, die zij met haar mannen
hadden geleefd, van hen niet anders ondervonden en aanschouwd hadden in de vrees
Gods en alle godzaligheid, waarna immers de eeuwige verdoemenis niet volgen
kan.
Intussen waren deze bloeddorstige mensen nog niet
verzadigd bij al het storten van dit onschuldig bloed; maar gingen met allen
ijver als grijpende wolven voort, om de kudde des Heeren te verdrukken en om te
brengen, en alzo Zijn erfgoed te vernielen. Tijdens deze vreselijke en
gruwelijke vervolgingen, vluchtten velen naar andere steden in de nabijheid en
verafgelegen. Deze verstrooiing intussen was het Evangelie zeer bevorderlijk;
want ieder, naar de gaven en gelegenheid hem verleend, betuigde, beleed en
bevorderde de waarheid, zoals Pharon Mangenius te Orleans en in andere plaatsen
met groten ijver deed, en ook Petrus Bonpain te Aubigny. Deze werd later te
Parijs verbrand.
[JAAR 1516.]
Toen de bovengenoemde veertien mannen verbrand
waren, zocht men ook naar zekere Sanctus Nivet, geboren te Meaux, in Brie
gelegen. Gedurende enige tijd vertrok hij met zijn vrouw naar het Evangelische
land. Toen hij echter bemerkte, dat hij in de stad Montbeliard niet veel kon
doen, aangezien hij zwak van gestel was, en geen zwaar werk kon verrichten,
wilde hij terugkeren. De bedienaar van het Woord Gods en ook diens vrouw rieden
hem dit af. Hij antwoordde echter, dat zij daar een veel te gerust en
gemakkelijk leven leidden, hetwelk oorzaak was, dat zij niet zo ijverig waren om
Gods Woord en eer te verbreiden, want onder het kruis worden de harten te beter
door Gods Woord in ijver ontstoken.
Hij keerde alzo naar Meaux terug, en hield zich
daarin de openbare straat in een burg, te St. Martijn bezig met het verkopen van
enkele kleine artikelen. Terstond werd hij herkend en gevangen genomen. Zijn
vonnis was spoedig geveld, aangezien hij meer beleed dan de rechters wel wilden
horen.
Onder meer zaken is vooral der vermelding waardig,
dat hij eens een rede gehouden had, waarbij de rechters, om hem bevreesd te
maken, vroegen "Wilt gij dat voorstaan of verantwoorden?" Hij antwoordde daarop:
"En gij, mijn heren, zoudt gij wel durven loochenen, wat zo openbaar en waar
is?” Toen men hem beval, dat hij genade zou vragen, bad hij de rechters
ootmoedig, zowel te Meaux als te Parijs, dat zij om de ere Gods, medelijden
zouden hebben met hun eigen zielen, en aan hun zaligheid denken, aangezien zij
zo veel onschuldig bloed vergoten en krijg gevoerd hadden tegen Jezus Christus
en Zijn heilig Evangelie.
De stadhouder van Meaux, die de vroomheid van deze
man zag, die naar zijn beweren erger was dan die van de genoemde veertien samen,
verzocht aan de president, meester Pieter Liset, dat men hem niet te Meaux ter
dood zou brengen, en wel uit vrees, zoals hij zei, dat deze hardnekkige man het
volk zou verderven, dat is, het geringe volk meeslepen. Zij lieten hem de dood
ondergaan te Parijs, omstreeks het jaar 1546.
[JAAR 1547.]
In deze geschiedenis wordt ons op treffende wijze
beschreven de onbeschaamde en hoogmoedige goddeloosheid van een wrede Schotse
kardinaal, wiens voortdurend streven was de voortgang van het evangelie zo veel
mogelijk te verhinderen, en die een getrouw bedienaar van het Woord Gods liet
ombrengen. Maar, gelijk aan de een zijde de wijsheid en de barmhartigheid van
God aan deze George Sophocardius gebleken zijn, alzo deed God aan de anderen
kant Zijn rechtvaardig oordeel blijken in de dood van deze kardinaal, die hem
werd voorzegd door deze uitnemende getuige des Heeren.
Jakobus de vijfde, koning van Schotland, was in
het laatst van helt jaar 1 542 overleden, en Maria de Guise, zijn nagelaten
weduwe, Jacques Hamilton, de stadhouder van de koning, en David Betune,
kardinaal van St. Andries, hadden het bestuur aanvaard, doch zo, dat van de een
kant, wat de adel betrof, velen hunner in slechts weinige jaren door velerlei
handelingen werden onderdrukt. Ook de koningen van Engeland en Frankrijk hadden
zich van ver met de zaak bemoeid, zo zelfs dat zij door hun dienaren geheel
Schotland in beweging brachten. De kardinaal, gedrongen door zijn eigen
eerzucht, door de gezantschappen van de paus, door brieven uit Frankrijk, maar
voornamelijk door het huis van Guise, dat zijn klauwen van ver en nabij begon te
tonen, en zich een groot vijand toonde te zijn van hen, die in Schotland de
godsdienst waren toegedaan. Nog erger werd de woede bij hem gewekt, toen hij
bemerkte, dat vele heren en edellieden hun oren neigden, om het pausdom recht te
leren kennen. De vrees maakte zich daarbij van hem meester, dat zij spoedig
zouden inzien, welke verkeerdheden er waren ingeslopen, en dit een rede zou
kunnen worden, waardoor hun kerkelijke tirannie niet langer zou worden geduid.
Daarom legde deze kardinaal jegens enige edellieden zonderlinge lagen, en
verzette zich ook tegen hen, die de godsdienst waren toegedaan, en meende
zodoende de een of andere partij afbreuk te doen. En, aangezien hij voortdurend
twist zocht te stichten onder de edellieden, bracht hij eindelijk zoveel teweeg,
dat in het laatst van het jaar 1545 tussen beide partijen zulk een geweldig en
wreed gevecht uitbrak, dat er meer dan honderd op de plaats dood bleven. Daarna
raadpleegde hij met de koning over andere noodzakelijke zaken, en begaf zich
omstreeks de maand Februari 1511 naar Edinburg. Drie weken vroeger hadden de
geestelijken een algemene vergadering gehouden, waar onder andere werd besloten
en goedgekeurd, dat men George Sophocardius, een bedienaar van het Evangelie, en
een zeer welsprekend man, zou gevangen nemen. Deze Sophocardius vertoefde toen
een mijl van daar, ten huize van Jan Cowburn, een Schots edelman. Tengevolge van
dit besluit, zond men terstond volk te paard om George te grijpen en gevankelijk
binnen te brengen. Maar aangezien Cowburn hem met alle moeite probeerde te
verbergen, hield hij het afgezonden volk geruime tijd aan de praat, om zo doende
de geschikte nacht af te wachten. Toen de kardinaal door zijn verspieders van de
bedoeling van Cowburn werd onderricht, ging hij zelf daarheen met de stadhouder
van de koning, en plaatste op alle wegen en uitgangen wachten. Nadat hij deze
voorzorg genomen had, deed hij zijn best om George in handen te krijgen, wat hem
echter niet gelukte noch door woorden noch door belofte noch door bedreigingen.
Hij liet tot zich roepen de graaf van Bothwel, die op een van zijn pachthoeven
woonde. Daar nu deze Bothwel met veel volk kwam, aangezien hij een zeer
aanzienlijk heer was, verkreeg hij eindelijk zoveel, dat men hem George zou
toevertrouwen, en legde een eed af, dat hij hem voor alle kwaad en overlast zou
bewaren. Toen de priesters hun gewenste roof in handen hadden, zonden zij hun
gevangene van Edinburgh naar St. Andries. Nadat hij daar enige weken geweest
was, vergaderden de priesters daarin groot aantal, niet om met hem te spreken,
maar om hem te veroordelen en te verdoemen. Dit had plaats op aanhitsing van de
kardinaal, die er zich op beriep, dat het hem door een besluit van de paus niet
geoorloofd was iemand ter dood te veroordelen. Hij schreef aan de stadhouder des
konings, en verzocht deze een commissie te benoemen, en te bevelen, dat er een
rechter van lijfstraffelijke rechtspleging zou benoemd worden, die zich tegen
George zou verklaren, welke reeds door de priesters en de geestelijkheid voor
een ketter was verklaard.
Ogenschijnlijk was er niets, dat deze zaak zou
hebben kunnen verhinderen, maar David Hamilton, die een bloedverwant van de
stadhouder des Konings was, zocht met smeken en bidden, met vermaningen en
bestraffingen de stadhouder te winnen, terwijl hij betuigde, dat hij zich
verwonderde over de grote vrijheid, die de stadhouder zich veroorloofde, om de
bedienaren van het goddelijke Woord alzo te overvallen; welke bedienaren men
toch van geen andere misdaad kon beschuldigen dan dat zij het Evangelie van
Christus predikten. Hij zei ook, dat het een ongeoorloofde zaak was de
onschuldige te verlaten, en die over te leveren in handen van mensen, die in
wreedheid de wilde dieren overtreffen, en alzo door hen gekweld, gepijnigd en
gemarteld te worden. Verder zei hij, dat hij zeer goed wist, dat de roomse leer
een valse leer was, die een opraapsel was van mensen; dat de priesters zelf
genoegzaam in hun harten overtuigd waren, dat hun vervalste leer een gruwelijke
afgodendienst was.
Dit betuigde hij, aangezien hij vroeger het
pausdom ook toegedaan was, doch om de afgoderij daarvan was afgevallen. En, toen
hij eenmaal belijdenis van de leer des Evangelies had afgelegd, verklaarde hij,
dat hij die zou vasthouden, rijken en armen zon vermanen die te lezen, om die te
leren kennen en te openbaren door woorden en werken. Toen hij niet de stadhouder
des konings sprak, voegde hij er bij: "Bedenk en zie eens, wat men van u denken
en zeggen zal; denk daarom aan de genade, die God u gegeven heeft, dat de
koning, die een hard en wreed man was, en ook uw vijand, uit de wereld werd
gerukt, toen hij de weg bewandelde, die gij nu betreedt, terwijl zij, die hem
door hun raad dus veranderd en tot het kwade aangezet hebben, ook u nu in het
verderf zoeken te storten In het begin hebben zij al hun macht aan u betoond; en
nu zoeken zij door hun bedrieglijke raad u ook in de strik te vangen. Denk aan
de overwinning, die u verkregen hebt op de weerspannigen, zonder iets te
verliezen, en over de vijanden, die veel machtiger waren dan gij, en die toch
tot hun grote schande en tot geluk van velen door u werden overwonnen en
verslagen. Bedenk vooral, wie zij zijn, voor wie gij God verlaat, en alzo uw
vrienden verstoot. Ontwaak toch, en verlaat toch dien duistere nevel van
leugens, die deze valse mensen en booswichten rondom u ophopen. Stel u Saul, de
koning van Israël voor ogen, die van geringe afkomst was, en toch verheven werd
tot hoge waardigheid en koninklijke eer. Hoe goedgunstig en goedertieren was God
jegens hem gezind, toen hij zich goed en godzalig gedroeg, en integendeel, met
welke ongelukken werd hij bezocht, zo spoedig hij zich ongehoorzaam betoonde
jegens God. Vergelijk aldus de vooruitgang van uw zaken met de voorspoed van
Saul, en bedenk, dat, indien gij de verkeerden weg blijft volgen, die men u
geeft, gij geen andere uitkomst dan Saul ondervond te wachten hebt, ja, God
geve, dat zij nog niet erger zij dan die van Saul; want wat deed hij anders dan
gij nu doet, namelijk, de goddeloze mensen behagen, die hun boosheid niet konden
bedekken."
De stadhouder des konings was door deze toespraak
zeer bewogen, en schreef aan de kardinaal, dat hij zich met het rechtsgeding van
Sophocardius niet te zeer haasten moest, maar dat hij de gehele zaak zou laten
rusten tot zijn komst; en verklaarde dat hij niet zou instemmen in de
veroordeling van George Sophocardius, wanneer niet de zaak van zijn rechtsgeding
naarstiger zou onderzocht worden; en, in geval de kardinaal haastig in deze zaak
te werk ging, zou de wraak daarover op zijn hoofd neerkomen. Verder betuigde
hij, dat, voorzover hem aanging, hij zijn handen daarvan afwies, en verklaarde
geen deel daaraan te hebben, noch oorzaak te willen zijn van het vergieten van
dat onschuldig bloed. De kardinaal antwoordde daarop zeer scherp, dat, aangezien
hij zeer goed wist, zo hij traag en nalatig was in zijn antwoord, de gevangen
man, die door het geringe volk zeer bemind werd, van zijn hand zou verlost
worden, hij ook niet wilde dat zijn rechtsgeding in enige samenkomst of
twistgesprek zou behandeld worden, omdat hij zijn eigen ongelijk inzag; derhalve
had hij geen hoop op een goede uitkomst. Verder, aangezien hij niet verlangde,
dat na het besluit hetwelk in de volle vergadering van de priesters genomen was,
men enig onrechtvaardig vonnis zou vellen, antwoordde hij in de grootste
gramschap, dat hij aan de stadhouder des konings niet had geschreven, alsof het
in diens macht ware, maar begeerde, dat hij zijn naam voegen zou hij de
veroordeling en het vonnis des doods, dat nu reeds over de gevangen persoon
geveld was.
Aldus vertoornd, liet hij George uit de gevangenis
halen, en beval Jan Vinirarn een zeer geleerd man, die de leer van het evangelie
in het geheim was toegedaan, dat men in het openbaar uitspraak zou doen, zoals
de zaak zich dan zou toedragen. Tot grondslag voor zijn uitspraak koos Viniram
de plaats der Heilige Schrift uit Matt. h. 13, en zei, dat het Woord Gods het
goede zaad was, en de ketterijen rechtstreeks tegen het Woord Gods strijden, en
nochtans met opzet onderhouden en beschermd worden, en dat deze voortspruiten
uit en aangekweekt worden door de onwetendheid van hen, die zich herders der
kerk laten noemen, die geen hoop hebben het geestelijke zwaard van het Woord
Gods te kunnen gebruiken, en langs die weg de ketters niet konden overwinnen,
noch de verdwaalde mensen op de rechte weg brengen. Nadat hij daarna op gezag
van Paulus in de eerste brief aan Timotheüs het ambt van een ware bisschop
aangetoond had, bewees hij, dat het enige middel, om alle ketterijen te
bestrijden, het Woord Gods is, en dat men ze moest tegenstaan door de leer der
Heilige Profeten en Apostelen, als zijnde de ware toetssteen van het Woord
Gods.
Ofschoon het vertoog, of de redevoering van
Viniram een ware veroordeling was tegen de opgeblazenheid en listigheid der
pausgezinden, die daar verzameld waren, niet opdat zij George Sophocardius en
anderen van ketterij beschuldigen zouden, maar opdat zij met woorden en daden
zouden tonen, dat zij zelf ketters waren, daar zij hen ombrachten, die zich
tegen hun dwalingen en opgeblazenheid verzetten; niettemin legden zij alles, wat
er gezegd was, tot hun voordeel uit, en om de schijn aan te, nemen, alsof zij in
hun uitspraak en handeling met goed overleg te werk gingen, brachten zij George
in de kerk, en lieten hem een hoge predikstoel beklimmen, tegenover welke nog
een andere stoel stond, waarop zich een priester vertoonde, Jan Lander genaamd,
die omringd was van zijn geestverwanten, die daar waren gekomen, om over de zaak
te oordelen. Er was echter aan geen vergelijking of een onpartijdig oordeel te
denken, want deze Lander braakte allerlei schandelijke en afgrijselijke
smaadredenen tegen Sophocardius uit, zoals zulke lasteraars gewoonlijk doen, en
altijd hebben gedaan tegen ben, die de ware godsdienst voorstaan. Dit duurde
zeer lang, en toch miste de verdediging, allen grond, zodat zij eindelijk Georfe
weer vandaar naar het kasteel terugleidden, waar hij de gehele nacht in de kamer
van de kastelein vertoefde, en de tijd in het gebed tot God doorbracht. Des
anderen daags zonden de bisschoppen tot hem twee Franciscaner monniken, die hem
bekend maakten, dat hij moest sterven, en hem vroegen, of hij bij een van beiden
wilde biechten. Hij antwoordde, dat hij niets niet hen te doen had, en dat hij
hun ook niets wilde openbaren of te kennen geven. Indien zij hem echter enige
vriendschap wilden bewijzen, verzocht hij hun de vergunning om nog eens te mogen
spreken met de persoon, die daags tevoren zulke schandelijke smaadredenen over
zijn lippen had doen vloeien. Door toelating van de bisschoppen verkreeg Viniram
toegang tot het kasteel, en sprak geruime tijd met George. Nadat Viniram zijn
ogen gewassen had, daar hij zijn tranen niet had kunnen bedwingen, vroeg hij
George stil, of hij het heilige sacrament des avondmaals ook wilde gebruiken.
George antwoordde hem daarop zeer vriendelijk: "0 ja, zeer graag, mits het
geschiede onder de beide gestalten, volgens de instelling van onze Heere en
Zaligmaker Jezus Christus." Toen Viniram tot de bisschoppen was teruggekeerd,
verklaarde hij hun, dat George met allen eerbied voor God de Heere bekend had,
dat hij zich onschuldig hield aan al de misdaden, die men hem oplegde. En wat
men nu aan hem bewees, was niet om het leven voor hem af te smeken, daar hem de
dood toch reeds was aangezegd, maar om allen een duidelijk getuigenis te geven
van zijn onschuld, die hij wist, dat voor God te prijzen was. De kardinaal werd
toornig en zei: “En gij, Viniram, wij kennen u al sedert geruime tijd." Op het
uitgedrukt verlangen van George, om het nachtmaal onder beiden gestalten te
ontvangen, zei deze kardinaal, nadat hij met de bisschoppen in het geheim
gesproken had, als met hun raad en voorweten, dat het onredelijk zou zijn
wanneer een hardnekkige en verdoemde ketter, die door de kerk was veroordeeld,
enige voorrechten of weldaden van haar genieten zou.
Nadat men dit had meegedeeld, was het omtrent
negen uur in de morgen, en alzo de tijd, waarop de bedienden en huisgenoten van
de kastelein zich gereed. maakten om te ontbijten. Zij vroegen George, of hij
bij hen wilde blijven, waarop deze antwoordde: Ja, veel liever dan ik nog ooit
tevoren gedaan heb, omdat ik bemerk, dat gijlieden oprechte mensen bent, en u
met mij verenigt tot een zelfstandig lichaam van Christus; en vooral ook, omdat
ik bemerk, dat dit het laatste maal zal zijn, dat ik in deze wereld genieten
zal." Daarna zijn woord richtende tot de beambte of kastelein, zei hij hem: “Ik
vermaan u, in de naam van God, en om de liefde, die gij onze Zaligmaker Jezus
Christus toedraagt, om u aan deze tafel neer te zetten, en naar mij te willen
horen, totdat ik naar mijn begeerte u kort zal hebben vermaand, en de zegen over
het brood zal hebben uitgesproken, dat wij eten zullen als broeders in de
Heere;daarna wens ik u Gode aan te bevelen." Toen de tafel niet een wit
tafellaken was gedekt, en het brood er op gebracht, begon George met korte en
duidelijke woorden bijna een half uur te spreken over het nachtmaal en het
lijden en sterven van Jezus Christus. Hij vermaande ook voornamelijk de
broeders, dat zij alle gramschap, toorn en boosheid moesten afleggen, een
bijzondere liefde in hun harten laten wonen, opdat zij mochten betonen ware en
oprechte leden van Christus te zijn, Die altijd bij de Vader voor ons
tussentreedt en voor ons bidt, opdat onze offerande der dankzegging hem
aangenaam zij tot het eeuwige leven. Na dit gezegd en God gedankt te hebben,
brak hij het brood, zette het voor zich, en gaf aan ieder van de aanzittenden
een stukje. Na de wijn gedronken te hebben, bad hij hun allen, dat zij in deze
dankzegging zouden denken aan de dood des Heeren en voegde er bhij, dat ei, voor
hem een veel bitterder drank gereed stond om te drinken dan voor tien, en wel om
geen andere reden, dan omdat hij het Evangelie had gepredikt. Na de dankzegging
te hebben uitgesproken, ging hij naar zijn kamer, waar hij zijn tijd met bidden
doorbracht.
Kort daarna verschenen er twee beulen in de kamer;
de een deed George een lang zwart hemd aan, terwijl de ander aan verschillende
plaatsen van zijn lichaam zakjes met buskruit bond. Aldus toegerust, brachten
zij hem in een andere kamer, en bevalen hem daar te blijven, totdat zij hem
zouden komen halen. Terzelfder tijd werd er op de binnenplaats van het kasteel
een schavot opgericht, om George daarop te verbranden. Tegenover dit schavot
bevonden zich enige ramen, die sierlijk belegd waren met tapijtwerk en kussens,
waarop de kardinaal en zijn raad rustten, om zo hun ogen te verzadigen aan dit
schouwspel, daar hun de dood van deze vromen martelaar hoogst aangenaam was. Ja,
wat nog meer is, hij liet de plaats, met soldaten bezetten, opdat hij temeer zou
worden geacht. Aan alle hoeken van het kasteel werd ook het geschut gereed
gemaakt om te schieten. Daarenboven liet zich ook het trompetgeschal horen,
terwijl George naar beneden gebracht werd en het schavot beklom, waar hij
terstond aan de paal werd vastgemaakt.
Terwijl hij begon te bidden, vooral om de spoedige
verbreiding van het Evangelie, wenkte de kardinaal de beulen, die terstond het
hout aanstaken waardoor de vlammen het buskruid bereikten, waarmee zij George
hadden omhangen. De kastelein stond zo dicht bij de paal, dat de hitte van het
vuur hem verwarmde. Niettemin wekte hij George tot volharding op, en zei, dat
hij goede moed moest houden, en zijn ziel in de handen van God aanbevelen.
George antwoordde hem: "Deze vlam kwetst wel mijn lichaam, maar verzwakt mijn
ziel niet." Verder zei hij: "En hij," waarmee hij de kardinaal bedoelde, "die
mij met hoogmoedige en spijtige ogen gadeslaat, zal binnen zeer weinige dagen
smadelijk en schandelijk verstoten en tot schande gemaakt worden, in plaats van
mij nu zo rustig en trots aan te zien." Terwijl hij dit zei, verworgde de beul
hem met het touw, dat jij om de hals had, en benam hem bijna de kracht om de
woorden goed uit te spreken. Het lichaam werd tot stof en as verbrand, terwijl
de bisschoppen die in hun nijd en boosheid volhardden, op straf van verbanning,
geboden, dat niemand voor de ziet van George zou bidden. Dit zou echter ook
doelloos geweest zijn, want deze gelukkige ziel verblijdde zich in de hemel met
Jezus Christus, volgens de plaats in het 14e hfst. van de Openbaring van
Johannes: "Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de
Geest opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen." Zo
hoog de kardinaal geëerd werd door en in aanzien stond bij de bijgelovige
mensen, en wel wegens deze onrechtvaardige zaak, zoveel temeer werd hij
integendeel door dergelijke, eerbare en vrome lieden veracht en veroordeeld, en
wat George hem had voorzegd, zag men hem spoedig overkomen. Nadat namelijk enige
weinige weken verlopen waren, had de zoon van de graaf van Rethuse een groot
verschil en twist met de kardinaal, waarbij hij het voornemen opvatte de
kardinaal, door de hulp van enige edellieden, de voet te lichten. Kort daarna
kwamen zij dan ook met hun zevenen te St. Andries, waar zij er nog enige vonden,
die hun partij hadden gekozen, en vonden daar een goede gelegenheid om op zekere
vroegen ochtend in het kasteel te komen, en er zich meester van te maken. Toen
zij in de kamer van de kardinaal kwamen, brachten zij hem daar met dolken om.
En, daar de lieden uit de stad toeliepen om hem te helpen, lieten zij
ogenblikkelijk de kardinaal, die geheel bebloed was, uit hetzelfde raam hangen,
waaruit hij George Sophocardius had zien ombrengen, zodat ieder verbaasd en
beschaamd naar huis ging. De gelovigen loofden God wegens Zijn wonderbare
oordelen, die Hij openbaarde tot wraak van het onschuldig vergoten bloed aan
George Sophocardius zoals Buchanan dat beschrijft in het 15e boek der
geschiedenis van Schotland.
[JAAR 1547.1
Omstreeks deze tijd werd de stad Langres, een der
oudste en voornaamste bisschoppelijke steden van Frankrijk, verlicht door de
glans van het heilige Evangelie. De satan echter, die zag, dat zijn rijk
hierdoor zou worden omver gestoten, verzuimde niet alle middelen door zijn
dienaren aan te wenden,om dit, op welke wijze dan ook, te beletten. Zo werd dan
ook een goed man, Jan Seraphin genaamd,van Tours in Touraine, die daar reeds een
vrij talrijke gemeente had verzameld, gevangen genomen, en met Michiël
Mareschal, Jan Camus de Grote van Dijon en nog een ander, wiens naam niet bekend
is, in de gevangenis te Parijs geworpen. Zij werden daar omtrent hun geloof
ondervraagd; doch met standvastigheid beleden zij Christus en Zijn Evangelie,
verwierpen alle menselijke instellingen en roomse bijgelovigheden, en hielden
vast aan de zuivere en onvervalste leer, die ons door de Apostelen en hun ware
navolgers is overgeleverd. Om die reden werden zij samen in het jaar 1547 te
Parijs levend verbrand; in welke pijniging zij zich tot verwondering van allen,
die het zagen, zeer standvastig gedroegen. Bij de uitvoering van dat vonnis
dezer vijf martelaren, was vooral opmerkelijk, dat François Picart een der
leraren van de Sorbonne, die verbaasd stond over de grote en buitengewone kracht
van God, die zich bij deze martelaren openbaarde, in plaats van als naar
gewoonte te roepen en te razen, hun tot geduld begon op te wekken. Een der
martelaren zei met lachenden mond zo luid tot hem, dat ieder het kon horen:
mijnheer, geloofd zij God, dat gij uw verkeerde venijnige woorden terugneemt;
maar, wanneer gij nu in mijn plaats was, zoudt gij u dan wel durven beroemen
zulk een taai geduld te hebben, als de goede God mij thans verleent?" Aldus
offerden deze vijf vrome getuigen van Christus met grote standvastigheid
temidden der vlammen, hun zielen op in de handen van hun hemelse
Vader.
[JAAR 1547.]
Meester Johan, de Engelse genaamd, was een
advocaat te Sens, in Bourgondië. Om de christelijke godsdienst, welke hij door
zijn belijdenis betoond had, werd hij door de Hogen Raad te Parijs veroordeeld
om levend verbrand te worden. Met grote standvastigheid onderging hij dan ook de
marteldood in de maand Maart van het jaar 1547.
[JAAR 1547.]
In de maand Juli van het jaar onzes Heeren 1547
werd meester Leonard du Pré, een zeer geleerd man, te Limoges geboren in de stad
Bar aan de rivier de Seine gelegen, gevangen genomen. Door twee valse broeders,
die met hem van Dyon te Bar gekomen waren, was hij verraden. Toen de bestuurders
der stad hem aangaande alle artikelen van de christelijke godsdienst ondervroeg,
legde hij omtrent alles een standvastige belijdenis af. Ten gevolge daarvan
kwamen tot hem de monniken en andere geveinsde huichelaars, die weldra van hun
valsheid en goddeloos geloof overwonnen werden, en door de kracht der waarheid
enigermate moesten bekennen, dat hij een getuige van het Evangelie
was.
Hij werd echter niet losgelaten, maar naar de
Hoogste Raad te Parijs gezonden, waar hij werd veroordeeld om levend te worden
verbrand. Dit had ook plaats in de maand Augustus van het jaar 1547, terwijl de
martelaar tot zijn laatste ademtocht de evangelische waarheid beleed en
handhaafde.
[JAAR 1517.]
Omstreeks de laatste dagen van de maand September,
in het jaar van onze enige Zaligmaker 1517, werden te Langres, om het Woord van
God, verbrand Johannes Taffignon en zijn vrouw Johanna Sejournam, Simon
Mareschal en zijn vrouw Johanna Bailly, Willem Michaut, Jakob Boulereau en Jakob
Bretenay, allen burgers geboren in de stad Langres. Hun voortreffelijke
vroomheid en standvastigheid in de belijdenis der waarheid brachten vele
godvruchtigen en liefhebbers van de waarheid groten troost en vreugde aan, maar
niet zonder grote verwondering aan de vijanden gramschap en
toorn.
Onder alle anderen toonde Johanna Bailly, de vrouw
van Mareschal, een zeer vroom en mannelijk hart te bezitten. Toen zij naar de
brandstapel gingen, wekte zij de anderen en vooral haar man met een vroom gemoed
tot geduld en christelijke volharding op. Men verhaalt, dat zij, onder andere
Godvruchtige toespraken, tot het volk ook zei, dat de eenheid en gemeenschap des
levens en des lichaams, die zij in de huwelijken staat beoefend hadden, niets
anders dan huwelijksvoorwaarden en beloften waren; maar, dat de Heere Jezus
Christus zich aan hen waarlijk ten huwelijk zou geven op die dag, wanneer zij
samen door hun dood Hem zouden belijden.
Aangezien zij de jongste was, werd zij tot het
laatst gespaard, teneinde haar met schone beloften tot herroepen te bewegen.
Doch ook zij, evenals de anderen, volhardde zeer standvastig en onwankelbaar tot
het einde toe in de belijdenis der waarheid.
[JAAR 1547.]
In de stad Blois in Frankrijk leefde een zeer oud
burgerlijk geslacht van de Peloquins, hetwelk met twee godvruchtige gebroeders
God de Heere wilde vereren, en die Hij vormde tot twee vrome strijders in de
orde van zijn Zoon Jezus Christus. Zij hadden beiden gestudeerd, en waren in de
christelijke godsdienst onderwezen in de stad Genève. Vandaar gingen zij naar
Frankrijk, om de geestelijken strijd voor de waarheid te ondernemen. Stefanus,
die ouder was dan zijn broeder Dionysius, wei het eerst tot de strijd
uitgezonden, en vertrok van Genève, waar hij zijn huisgezin had, naar Orleans en
Blois, om vandaar enige gelovige christenen over te brengen naar Genève. Doch de
Heere, die door Zijn wonderlijke macht gedurig werkt, en al de handelingen van
Zijn schepselen leidt, bestuurde het, dat Zijn dienaar, met zijn gehele
gezelschap, door een beambte van de maarschalk vastgehouden werd in een stad,
Chateau Renard genaamd. Anne Audebert, wier dood hierna zal worden verhaald, was
ook bij het genoemde gezelschap, dat op weg was naar de stad Genève. Hun weg,
echter werd verkort en hun voornemen verijdeld, en in plaats van een
toevluchtsoord, dat zij hier op aarde zochten te vinden, beschikte God hun een
blijvende en eeuwigdurende stad. Stephanus werd van Chateau Renard naar Parijs
gevoerd, waar zij hem ondervroegen en hij getuigenis aflegde van de evangelische
waarheid, zodat hem de heren van de vurige kamer te Parijs, zoals zij genaamd
werden, veroordeelden, dat de tong hem uitgesneden en hij daarna door een zwak
vuur levend moest verbrand worden. De grote kloekmoedigheid, waarmee hij deze
zware pijnigingen op de plaats van het St. Janskerkhof doorstond, wekte bij alle
aanschouwers van zijn dood verbazing en bewondering op.Vijf jaren later hhet de
Heere zijn broeder Dionysius Peloquin dezelfde weg bewandelen, en getuigenis
afleggen van de waarheid in de stad Lyon, zoals wij later horen
zullen.
[JAAR 1547.]
Steven Poulliot, geboren in de stad St. Aubert bij
Caudebec, in Normandië, vertrok van daarnaar Meaux, in Brie, waar hij niet lang
buiten vervolging bleef. Hij werd gedwongen te vertrekken, en ging naar La Fère,
in Tretenois, vier mijlen van Soissons, waar hij gevangen genomen werd en naar
Parijs gezonden, en daar onder grote benauwdheid en verzuchtingen vertoefde.
Toen het de heren van het parlement gelegen kwam, werd het vonnis over hem
uitgesproken, en wel dat de tong hem zou uitgesneden en hij levend verbrand
worden. Bij de uitvoering van zijn vonnis legde men een pak boeken op zijn
schouders, die met hem werden verbrand.
Toen hij uit de gevangenis werd geleid, voor de
tong hem was uitgesneden, zei hij op klagende toon: “Helaas, mijn God, wat is de
wereld nog in duisternis! Nog belijdt zij de waarheid niet!" Aldus kwam hij op
de plaats Meauber genaamd, en werd daar om de evangelische waarheid verbrand in
het jaar 1547.
[JAAR 1547.]
Jan Brugier in een plaats Formaal genaamd, zijnde
een dorp in Auvergne geboren, werd door de beambte des konings van Frankrijk
gevangen genomen te Siège van Montferrand. Hij wist echter met nog een ander,
die daar om dezelfde reden gevangen zat, uit de gevangenis te breken. Deze
medegevangene sprong ‘s nachts het eerst over de muur, zonder zich te kwetsen;
en, toen Brugier hem nasprong brak hij een been, ten gevolge waarvan hij onder
zware pijn en met grote moeite ontkwam. Daarenboven hinderde hem geweldig de
gedachte, dat hij zo schandelijk door de vlucht zich onttrokken had aan de
roeping die God hem had aangewezen, om Zijn naam te belijden. Dikwerf beklaagde
hij zich daarover, en betuigde, dat, wanneer God hem zo veel levenstijd
vergunde, hij deze schade met gewillige gehoorzaamheid wilde vergoeden, wat hij
ook later toonde. Immers, spoedig daarna werd hij weer door de dienaren van de
beambte van Montferrand gevangen genomen, waarbij hij op echt vrome wijze de
waarheid beleed en voorstond.
Toen zijn rechtsgeding in orde was, werd hij naar
Parijs gezonden, in de gevangenis la Concergerie genaamd opgesloten, en daar
door Mr. Pieter Liset ondervraagd, die in die tijd de eerste president was van
het parlement. Toen het parlement zag, dat hij standvastig en onwankelbaar bleef
in het geloof, veroordeelde men hem om in de stad Issoire levend verbrand te
worden, en wel met de boeken, die bij hem gevonden waren, voorts dat zijn
bezittingen verbeurd verklaard moesten worden, en bij het eigendom des konings
gevoegd.
Vervolgens werd Brugier weer in de bovengenoemde
stad Issoire gebracht, waar ook gekomen was de inquisiteur, Orri genaamd, een
oude vijand der waarheid, die in het openbaar op de markt predikte, dat ieder
zich zou wachten voor de bedriegerij van deze Lutheranen.
"In waarheid," zei hij, "al wat zij zeggen is
waar; maar in hetgeen zij zeggen is valsheid gelegen. Zij komen wel met ons
overeen in het geloof, dat God almachtig, en waarachtig is; dat Christus is de
Zaligmaker der wereld; dat de Heilige Schrift door de Heilige Geest geopenbaard
is, en ook in alles wat vervat is in de artikelen van ons geloof. Maar het
venijn bestaat vooral in het verloochenen; want zij zeggen u, dat God niet in de
heilige hostie is; zij loochenen het vagevuur, de vergiffenis der zonden door
onze heiligen vader de paus, de aanroeping der heiligen en andere instellingen
en besluiten, vastgesteld en bevestigd door onze moeder de heilige kerk. Vooral
daarin is hun dwaling gelegen. Daarom moet gij samen u daarvoor
wachten."
Alzo vermaande deze valse en bedrieglijke profeet
het arme onwetende volk, zoals hij dit overal deed, waar hij kwam. Toen nu het
vonnis van het parlement tegen Brugier in de raad van Issoire door de stadhouder
van Montferrand, en in tegenwoordigheid van de advocaat, de procureur en andere
beambten van de koning bij de genoemde rechtbank, gelezen was, verzocht Orri om
de gevangene aan te spreken, en hem aangaande het artikel van het sacrament te
onderwijzen, terwijl hij wilde betogen, dat de hoedanigheid van het brood en de
wijn verloren ging, en Christus' lichaam en bloed daarvoor in de plaats kwamen,
ja, zelfs zo lang en breed als hij gehangen had aan het kruishout. Brugier
antwoordde: "Veronderstel eens, dat onze lichamen konden gevoed worden door die
naakte gedaante zonder enige zelfstandigheid, dan zou, hetgeen gij zegt
enigermate doorgaan; maar,aangezien dat niet geschieden kan, welk onderscheid is
er dan tussen de beelden, en hetgeen er mee aangeduid wordt?" Dit wordt toch in
alle sacramenten vereist; want anders zou het niet anders zijn dan een
verbeelding, ja, een afgod, wat ik niet belijd." Orri zei: "Wanneer gij
loochent, dat het lichaam van onze Heere in de hostie is, nadat de priester de
woorden der inzegening, met de bedoeling om te zegenen, uitgesproken heeft, dan
zeg ik u, dat gij de almacht van God loochent, die alles doen kan, wat Hij wil."
Brugier antwoordde: “Ik loochen de almacht van God niet; want wij twisten niet
daarover, of God de macht heeft omdat te doen of niet; maar wat hij in zijn
avondmaal gedaan heeft en ook wat Hij wil, dat wij doen zullen." Orri bedaarde
wat, en zei tot hem: "Wel nu dan, waarom sprak gij niet alzo te Parijs voor
mijnheer de president? Brugier hernam: “Ik heb nooit anders voor de president
gesproken, en men zal in mijn gehele rechtsgeding niet zien, dat ik iets anders
beleden heb. Toen vertrok Orri, en zei tot sommigen, dat men deze armen mens
groot leed en onrecht aandeed, en dat zijn gevoelens over het sacrament niet
kwaad waren. Een van hen, die dat hoorde, zei tot hem: "Waarom hebt gij dan zijn
doodsvonnis ondertekend en daarin bewilligd? Gij had dit het hof moeten
bewijzen, en u tegen het vonnis moeten verklaren." "Wat moest ik doen?" zei
Orri, "ik zou waarlijk niet weten, hoe ik daarmee had moeten beginnen. Is er
mogelijkheid om het vonnis te veranderen, zodat hij niet verbrand worde, ik wil
mijn best daartoe doen." Doch de beambten van de koning wilden in het geheel er
niet naar horen, terwijl zij zeiden, dat zij niet zouden durven veranderen, wat
door het parlement was besloten, uit vrees van te zullen worden
gestraft.
Daarna kwamen er priesters bij Brugier, om hem te
vermanen. Zij hielden hem een lang houten kruis voor, met een beeld daarop
gehecht, dat gewoonlijk deze heilige vaders op Goede Vrijdag aan het volk
vertonen, met de uitroep: "Misericordia, Misericordia," en zij zeiden: "Nu,
ziedaar, Brugier, gij spreekt zoveel van Jezus Christus, en zegt, dat gij op
niemand betrouwt dan op Hem alleen; thans is het uur geslagen, dat gij dit met
daden tonen kunt. Wilt gij dan dit waarachtig en waardig kruis niet aanbidden,
waaraan Hij gehangen heeft om uwent en onzentwil?" Brugier zag hem van ter zijde
aan, schudde het hoofd en zei: "Och arme mensen! ik bid het maaksel van
mensenhanden niet aan, maar wel de waarachtige God en Vader in geest en in
waarheid."
Men wilde hem dwingen, om de maagd Maria aan te
roepen. Een van de beambten zei tot hem, dat hij haar verachtte en onteerde;
"daar zij nochtans", zei hij, "een voorspraak is voor arme zondaren." Brugier
zei: "Ik wenste wel, dat gij mij met vrede liet, en toestond, dat ik een weinig
aan mijn God kon denken, eer ik sterf. Ik ben met de enige advocaat tevreden,
Die door God gegeven is voor de zondaren; daarmee doe ik de maagd Maria geen
oneer aan; wat ik wel doen zou als ik zulk een gruwelijke heiligschennis beging.
Wilt gij, dat ik haar lieve kind van het ambt als voorspreker beroof om het haar
als een gestolen zaak te schenken? Dat kunt gij toch niet begeren! Wilt gij
echter toestaan, dat ik voor al het volk betuigen zal, wat ik uit de Heilige
Schrift geleerd heb, dan zult gij horen, hoezeer ik haar in waarde houd." De
beambten des konings wilden dit niet toestaan, maar zeiden, dat hij zich wachten
moest het volk te schande te maken.
Toen men hem een kruisje wilde geven, riep hij
luide: "Neen, neen, dat is het kruis niet, dat ik dragen moet; weldra zal ik het
mijn in al mijn leden dragen, en wel met de hulp en de bijstand des
Heeren."
Op Zaterdag werd hij naar de gerichtsplaats op de
markt gebracht, waar een grote menigte mensen tezamen was. Op de markt was een
kruisgalg opgericht, met twee katrollen van boven en een grote ijzeren keten,
welker beide einden even lang waren, teneinde Brugier daaraan vast te maken,
opdat men hem zou kunnen omkeren en optrekken. Even onder de kruisgalg waren
twee palen geplaatst, op de hoogte van een volwassen mens, waarop dwars een
smalle balk lag, en daaronder het hout en andere brandstoffen. Bij het zien van
dit alles schrikte Brugier echter niet, maar sprak de scherprechter zelfs moed
in. Toen hij hem zou vastmaken, viel hij onder het klimmen; en Brugier riep hem
toe: "Houd moed, meester Pouchet! Bent gij niet gekwetst?" Nadat hij om het
midden des lichaams aan de grote keten was vastgemaakt, en de handen en voeten
met koperdraad waren gebonden, hief hij de ogen naar de hemel en zei: "Ik bid u
ootmoedig, hemelse Vader! om de liefde Uws Zoons, mij in deze uur te versterken
met Uw Heilige Geest, opdat Gij het werk, dat Gij in mij begonnen hebt,
volbrengt tot Uw eer en tot stichting van Uw arme gemeenten." Na voor zijn
vijanden te hebben gebeden, keerde hij zich met een gewillig hart naar het vuur,
dat achter hem brandde. Vervolgens wierp de beul de dwarse balk naar beneden,
zodat Brugier in het midden van het vuur bleef hangen, en wel zonder schreeuwen
of wenen, totdat hij zijn hoofd liet zinken en in stilte de laatste adem
uitblies.
Wegens de grote standvastigheid van de heiligen
martelaar geraakte het volk in beweging, en maakte groot misbaar en geschreeuw.
Sommigen zeiden: "Ziet de wonderlijke kracht van God!" Anderen dankten God, dat
zij in hun leven een martelaar hadden zien sterven. Aldus was er grote verbazing
en gemompel onder het volk. Toen de beambte des konings, Orri en de
scherprechter dat zagen, waren zij derwijze bevreesd, dat zij ijlings naar hun
woning keerden, alsof zij vervolgd werden, en hun grote gevaren boven het hoofd
hingen. Zij gingen de weg op naar Montferrand, wel zes mijlen van Issoire. Daar
de scherprechter zag, dat de anderen heen gingen, liet hij de vrome martelaar
half verbrand hangen. Toen de pastoor van de stad, die bij Brugier gestaan had
en een grote huichelaar was, door sommigen gevraagd werd, wat zijn gevoelen van
deze zaak was, antwoordde hij duidelijk, zodat velen het hoorden: "God verlene
mij de genade, in Brugiers geloof te mogen sterven!" Dit was de vrucht van de
dood des heiligen martelaars, in het jaar 1547.
[JAAR 1547.]
Te Yperen in Vlaanderen leefde een zeer jeugdig
jongeling. Hij was schoenmakersknecht en zeer ijverig in de kennis der
evangelische waarheid. Toen hij daarom gevangen genomen werd, ging hij
vrijmoedig en onversaagd tot ieders verwondering naar de
gevangenis.
In de gevangenis werd hij zeer aangevochten door
vier bedelmonniken, die alles aanwendden om hem als ketter te doen veroordelen.
Aangezien daar slechts weinigen om die reden gedood waren, en de overheid goed
wilde onderzoeken, of het billijk was iemand om die reden te doden, werd deze
zaak met allen ijver behandeld, aangezien daar toen zulk een ijver niet bestond,
om het bloed der christenen te vergieten, als wel later. De monniken deden
intussen hun best, maar moesten dikwerf met schande en schaamte wijken. Zulk een
tong en mond gaf de Heere aan deze jongeling, dat het zelfs de overheid en
allen, die hem hoorden, zeer verwonderde.
Terwijl hij gevangen zat, kwam op zekere tijd een
rijk man van zijn familie tot hem, die hem vriendelijk aansprak en zei, dat hij
steeds bij zijn vrienden was bemind geweest, en zich nu van hun goede
vriendschap niet behoorde te beroven. Hij antwoordde, dat hij zich geenszins aan
die liefde wilde onttrekken, en dat hij ook hoopte, dat zijn vrienden geen reden
zouden hebben, om hem hun gewone vriendschap te ontzeggen. De bezoeker zei: "Zij
zijn ook bereid om u te helpen, en uit deze gevangenis te verlossen, wanneer gij
niet hardnekkig aan uw gevoelen blijft vasthouden. Bescherm uw leven, gij bent
nog jong. Wat beweegt u meer te doen dan anderen? Al is ook het leven der
priesters slecht en. hun leer vals, wat gaat u dat aan? Leef voor uzelf goed en
zwijg; laat hen voor hetgeen zij zijn en red uw leven!" Met een vertoornd gemoed
keerde Marten zich om en zei: "Ach, gij satan, ga weg van mij, want gij bent mij
een aanstoot. Zal ik de kelk niet drinken, die de Heere mij zal geven?" Toen
monniken noch vrienden iets bij hem konden winnen, werd hij eindelijk
veroordeeld om levend te worden verbrand. Daarna lag hij uit een raam en zag het
hout aandragen, waardoor hij zou worden verbrand, terwijl een hunner hem
toeriep: "Ziet gij het wel? dat is om u te verbranden." Hij antwoordde:
"Vergeleken met het eeuwige is dit een zeer klein vuur; en voor weinig leed zal
ik eeuwige vreugde ontvangen." Toen hij aan de paal gebonden werd, vroeg een
monnik hem, of hij van zijn gevoelen geen afstand wilde doen. Hij antwoordde:
"In geen de1e" De monnik verdoemde zijn ziel, en verkondigde hem de eeuwige
veroordeling, waarover het volk zeer beroerd werd. Een uit de schare riep in
drift tot de monnik, dat hij de macht niet had, om de ziel te doden. Eindelijk
werd hij levend verbrand, en offerde zeer standvastig zijn ziel op aan de
Heere.
[JAAR 1548.]
Aangezien de antichrist en zijn gezanten, de
bisschoppen, priesters en monniken niets anders najagen dan geldzucht, en
daarvoor alles veil hebben, zoals vasten, bidden, waken, missen, sacramenten en
al hun goede werken en verdiensten, bracht het hun bijzonder veel voordeel aan,
dat zij de afgodische heiligen in zulk een grote eer wisten te houden. Hieruit
toch vloeide voort de aflaat. Van daar de bedevaarten, beloften en ontheffing
van beloften en dergelijke winstgevende handelingen meer.
Toen echter door de predikatie van het goddelijke
Woord de aflaat ten dele niet meer werd geacht, telden de lieden de bedevaarten
ook niet veel meer, zodat de voordelen zeer inkrompen en met gehele vernietiging
werden bedreigd. Doch, opdat dit alles niet geheel zou vervallen, en door
ongewoonte in de schaduw geplaatst worden, zonden de bisschoppen deze lieden,
die nu de heiligen niet meer uit eigen beweging bezochten, de heiligen als
thuis. Zij, die vroeger heren waren, in tempels zaten, en door de lieden bezocht
werden, werden eindelijk bedelaars, in kisten en kasten gesloten, en bezochten
de lieden; ja liepen zelfs van huis tot huis, teneinde enig geld op te zamelen.
Heere, God, wij moeten ons schamen, dat mensen, laat staan christenen, de
onredelijkheid zover drijven, en wel met doodsbeenderen, klederen en andere
dergelijke voorwerpen!
Een dusdanige afgezant kwam op zekere lijd, met de
kas dezer gestorven heiligen te Bygaerden in Brabant. Nadat hij in de kerk zijn
kramerij had ten toon gesteld, om daardoor in het bezit van geld te komen, klom
hij volgens oude gewoonte op de predikstoel, om zijn koopwaren ten hoogste aan
te prijzen. Hij deed dit zo, dat alle godvruchtige harten, die lust hadden in
het goddelijke Woord, verschrikten wegens deze schandelijke afgodische
prediking. De vrouw van Bvgaerden die zeer ijverde voor de eer van de eeuwige en
almachtige God, die hier zo lasterlijk vertrapt werd, zond haren zoon, die deze
godslasteraar dwong de predikstoel te verlaten, opdat de eenvoudige lieden door
zijn valsheid niet zouden verleid en bedrogen en hem de mond gestopt zou worden,
en hij de eer, die de almachtige God alleen toekomt, niet langer zou
toeschrijven aan zijn schepselen.
Toen deze bedrieglijke priester met grote schande
uit de predikstoel verjaagd was, beijverde hij zich om zich daarover te wreken,
en berichtte deze zaak aan zijn bisschop. Deze deed derwijze zijn best, dat hij
het eindelijk zover bracht, dat de vrouw van Bypaerden en haar zoon gevangen
gezet, en deze beiden om deze reden van het leven beroofd werden. Dit geschiedde
op het slot te Vilvoorden, waar zij zeer standvastig de waarheid met hun bloed
bezegelden.
[JAAR 1548.]
Michiel, bijgenaamd Miquelot, te Froyennes bij
Doornik geboren, was een jong man en kleermaker van beroep. Om de belijdenis van
het Evangelie werd hij gevangen genomen en veroordeeld om onthoofd te worden,
indien hij zijn gevoelens niet wilde herroepen, of om te worden verbrand,
wanneer hij bij zijn belijdenis bleef. Toen de rechter hem vroeg, wat van beide
hij koos, antwoordde hij met een vriendelijk en blij gelaat: "Die mij de genade
zal geven, teneinde om Zijns naams wil gewillig te sterven, zal mij ook genade
verlenen, om de pijn van het vuur ter wille van Zijn eer goedsmoeds te kunnen
verdragen. Alzo werd hij als een vroom getuige der waarheid levend
verbrand.
[Jaar 1549.]
Octavianus Blondel, te Tours in Touraine geboren,
was een juwelier, en hield zich veelal te Lyon op. Nadat hij sedert enige tijd
de evangelische waarheid had leren kennen, gedroeg hij zich in zijn handel en
gehele leven zeer oprecht, zodat hij niet alleen bij zijn geloofsgenoten, maar
ook bij andere kooplieden, met wie hij omging, bemind was, en zeer hoog door hen
werd geacht. In het jaar 1518 liep er een gerucht dat hij een koffer met goud en
edelgesteenten liet maken, en dat hij die, zoals men zei, te Konstantinopel
wilde verkopen. Daarin vonden sommige vijanden van hem aanleiding om op zijn
doen en leven te letten. Hij logeerde in genoemde stad in de "Kroon”. En,
aangezien hij een vrijmoedige en ernstig, maar tevens vriendelijke man was, kon
hij van de logementhouder niet vele onaangename woorden en bijgelovige
afbeeldsels verdragen, en bestrafte die in het openbaar en onderwees hem betere
dingen. De logementhouder had echter in die vrijheid geen behagen, begon hem te
haten, en verklaagde hem bij Gabriël de Saconnex, zanger in de dom te Lyon. Deze
Saconnex stelde zijn verraderij niet lang uit, en liet Blondel door een edelman
uit Dauphiné aanspreken en geld te leen vragen. Toen Blondel dit afsloeg,
dachten deze hongerige wolven, dat zij goede vrienden in het parlement hadden,
door wie zij een goede buit uit zijn bezittingen konden bekomen, en lieten hem
in het begin van Februari grijpen en gevangen nemen, Toen hij de volgende dag
omtrent zijn geloof werd ondervraagd, legde hij in het openbaar een christelijke
belijdenis af. Toen de zanger dit vernam, maakte hij zich reeds vrolijk in de
hoop bezitter te worden van Octavianus' goederen, en beijverde zich daarom, dat
men hem alles zou ontnemen. Doch zijn goede vrienden bemerkten het, zodat de
hoop van Saconnex in rook vervloog; waarom Saconnex niet verzuimde Octavianus
tot de dood te vervolgen. Gedurende zijn gevangenschap deed hij aan de andere
gevangenen zeer veel goeds; want sommigen bevrijdde hij, door hun geld te geven
om hun schuldeisers te betalen; anderen voorzag hij van klederen en van
levensonderhoud. Zijn vrienden baden hem zijn gevoelens te herroepen, opdat hij
het leven er mocht afbrengen. Toen hij geruime tijd volstandig gebleven was,
veranderde hij eindelijk door gedurig aanhouden uit menselijke zwakheid tot
droefheid en hartzeer van vele vromen zijn belijdenis, en zei, dat hij, wat hij
vroeger beleden had, niet recht en genoegzaam had verstaan. Doch deze
huichelarij hielp hem niet, en God verbeterde door Saconnex deze zijn val weer
en bracht hem terecht. Toen laatstgenoemde namelijk zag, dat alle hoop vervlogen
was, beijverde hij zich uit grote bloeddorstigheid, dat Blondel, ofschoon hij
zijn gevoelens had herroepen, ter dood werd veroordeeld. Blondel wilde zich dat
niet getroosten, en beriep zich op het parlement te Parijs. Toen hij de
gevangenis verliet, en naar Parijs overgebracht zou worden, sprak hem een vroom
christen aan, en verweet hem zijn zware val, zei, dat hij de mensen meet, had
gevreesd dan God, en vermaande hem, dat hij God om vergiffenis zou bidden, en
weer tot zijn vroegere goede christelijke belijdenis zou terugkeren. Octavianus
nam deze vermaning ter harte, die door Gods genade zoveel bij hem uitwerkte, dat
hij, nadat hij te Parijs aangekomen was, en door de rechters gevraagd was, bij
welke belijdenis hij volhardde, blijmoedig en zonder ontzetting antwoordde, dat
hij nu de eerste belijdenis vasthield, teneinde Gode te behagen. Aangaande zijn
latere belijdenis verklaarde hij, dat hij in gene dele daarbij wilde blijven,
aangezien de satan, door aansporing van zijn vrienden en de zwakheid van zijn
vlees, hem daartoe had gebracht en verleid. Daarom bad hij God, hem zijn val te
vergeven en Zijtje genade te bewijzen, teneinde bestendig bij Zijn waarheid te
mogen volharden.
Na deze verklaring werd het reeds over hem gevelde
vonnis bevestigd, namelijk dat hij levend zou worden verbrand, hetwelk terstond
te Parijs plaats had” Het is nauwelijks te zeggen, hoezeer zich de vijanden met
de uitvoering van het vonnis haastten, daar zij vreesden, dat men zijn
vrijverklaring zou afbidden en deze volgen zou, aangezien de hovelingen hem lief
hadden en hoogachtten. Tot het einde legde hij een bijzondere opgeruimdheid aan
de dag, waardoor vele onwetende lieden gesticht werden en bewogen, om de enige
Zaligmaker en Middelaar en de leer van het heilige Evangelie te leren
kennen.
Er was ook een arme boekverkoper, die gewoon was
in de tijd der vervolging evangelische boeken van Genève naar Frankrijk te
brengen. Aan Franciskus Vasseijs, een koninklijk raadsheer te Bourges, had
Urias-brieven gebracht, door wie hij terstond aangeklaagd en in de gevangenis
gebracht werd. Toen de koninklijke raadsheer hem onderzocht, en hem aangaande
zijn geloof ondervroeg, beijverde deze zich zeer, om hem van zijn belijdenis af
te brengen, en zei eindelijk: "Welaan, daar u sterven wilt, zult gij ook
sterven." De boekverkoper antwoordde hierop: "Ofschoon ik mij over de brief, die
ik u gebracht heb, heb te beklagen, wil ik daarin berusten, en u alleen vermanen
en waarschuwen in deze zaak niet tegen uw geweten te handelen." Door deze
woorden had de koninklijke raadsheer zich billijk van zijn boos voornemen moeten
laten afschrikken; maar hij volhardde in zijn kwaad, en onderschreef tegen zijn
geweten het vonnis van deze arme boekverkoper. Toen hij daarna vernam, dat deze
boekverkoper langs deze weg was verbrand geworden, werd Vasseüs zo
verschrikkelijk door Gods hand aangegrepen, dat hij zich naar bed begeven moest.
En, ofschoon hij nog een jeugdig man was, en men geen bijzondere ziekte hij hem
kon bespeuren, nochtans eindigde hij door zijn onrustig geweten onder het
grootste ongeduld en een gruwelijk geschreeuw binnen weinige dagen zijn
leven.
[JAAR 1548.]
Te Doornik woonde een zeer geleerd man, Mr.
Mattheüs genaamd, die om van het evangelie wil vandaar verdreven werd, en te
Gent in Vlaanderen ging wonen. Hij hield daar een school, en bevlijtigde zich
zijn toehoorders en leerlingen boven het gewone onderwijs ook het zuivere
Evangelie in te planten, en de gruwelen van de priesters voor te houden. Toen
hij zag, dat er enige om het Evangelie waren gevangen genomen, waarschuwde hij
de raad van de stad Gent, dat zij hun handen niet moesten verontreinigen door
het vergieten van het onschuldig bloed der rechtvaardigen, terwijl hij hun de
rechtmatige toorn van de rechtvaardige God voor ogen stelde. Hij schreef dit in
een brief, en stelde die de raad zelf ter hand. Om die reden werd hij gevangen
genomen, en als ketter gevonnist om de vuurdoor te sterven. En, aangezien hij
niet zoveel Hoogduits kende, om het omstaande volk te vermanen, ging hij
stilzwijgend als een lam naar de gerichtsplaats, en wel onder betoning van groot
medelijden van de zijde van het volk. De monnik, die hem gedurig met zijn
afgoderij kwelde en plaagde, beval hij bij herhaling heen te gaan, en alzo werd
hij, zeer standvastig en met een goed vertrouwen op de Heere,
verbrand.
[JAAR 1549.]
Hubert Burre, zoon van Jan Burre, te Dijon, was
ongeveer negentien jaren oud en kleermaker van beroep. Om de belijdenis der
waarheid, werd hij te Dijon gevangen genomen. Onder alles bleef hij standvastig,
zo zelfs dat noch het smeken van zijn ouders, noch de gevaren des doods, hem
afschrikten, om de waarheid, die hij eens beleden had, te verloochenen. In de
maand Maart van het jaar onzes enige Zaligmakers Jezus Christus 1549 werd hij
verbrand, en wel onder de grootste volharding.
[JAAR 1549.]
Leonhard Galimard, geboren te Vendôme, werd
omstreeks de 15den Mei in het jaar van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1549
te Chery bij Blois gevangen genomen. Vandaar werd hij naar Parijs overgebracht,
en in de gevangenis gezet. Toen hij zijn belijdenis had afgelegd, en de zuivere
leer van het Evangelie goed en getrouw had voorgestaan, werd hij door de raad
veroordeeld om levend verbrand te worden. Bij onderging die dood met grote
standvastigheid op dezelfde dag, waarop Florentius Venot, van wie wij hierna
spreken zullen, werd verbrand.
[JAAR 1549.]
Op de 20sten Mei 1549 werden te Valladolid, een
stad in het koninkrijk Kastilië, een en dertig personen gestraft, die
beschuldigd werden van de Lutherse leer aan te hangen. Bij het vellen van dit
vonnis waren de prins Don Karel, zoon van koning Filippus, en Johanna, koningin
van Portugal, weduwe, zuster van de koning van Spanje tegenwoordig. Van de een
en dertig personen werden er vijftien, zo mannen als vrouwen, levend verbrand.
De anderen werden op andere wijze gestraft en hun bezittingen naar de grootheid
van de zaak, aangezien zij in de aangenomen leer bleven volharden, verbeurd
verklaard en verdeeld. Niettegenstaande de meesten hunner van oude geslachten
afstamden, van adel waren, en machtige vrienden hadden, onder wie zelfs kinderen
van hertogen en markgraven, werd deze straf zeergestreng toegepast, opdat Spanje
met deze leer niet zou besmet worden, daar de Lutherse leer reeds aanhangers
kreeg onder de adel.
[JAAR 1549.]
Meester Florentius Venot, geboren in Courgivot bij
Sedan in Brie, legde een bijzondere grote standvastigheid in al zijn lijden en
pijnigingen aan de dag, zelfs tot grote verwondering der vijanden van het
Evangelie. Boven beschrijving vele en velerlei pijnigingen leed hij tijdens hij
te Parijs om de christelijke waarheid gevangen zat, welke gevangenschap vier
jaren en negen dagen duurde. In de gevangenis te Parijs was er onder andere een
plaats, die men Hypocrates' gat noemde, omdat zij van onderen smal en puntig en
van boven wijd was, in de vorm van een kruidenierszak, waarin men de drank,
Hypocras geheten, maakt.
Zoals de beulen zelf getuigden, had in deze plaats
nog nooit iemand langer dan veertien dagen doorgebracht, zonder in gevaar van
zijn leven te hebben verkeerd, of zonder woedend of krankzinnig te zijn
geworden. In deze gevangenis werd Florentius gebracht, waar hij staan, zitten
noch liggen kon, en vertoefde daar bijna zeven weken. Het plan van deze wrede
tirannen, en bovenal van Mr. Pieter Liset, de president, was om de onwankelbare
standvastigheid van deze vromen martelaar van Jezus Christus te verbreken, of
hem ten minste in de gevangenis te doen sterven, opdat hij door de liefelijke
reuk van zijn dood, wanneer hij die in het openbaar onderging, geen vruchten zou
nalaten tot stichting van andere lieden. Door de bijzondere genade van de
eeuwige en almachtige God werd hij echter tegen alles derwijze gewapend, dat hij
al hun voornemens verijdelde, en hun martelingen en pijnigingen overwon. Toen
hij bij de raad in een kamer gebracht was, die men de brandkamer noemde, zei hij
ook tot de president en de anderen, dat zij allerlei martelingen en pijnigingen
konden aanwenden, om de kracht des Geestes in hem uit te roeien, of hem in de
gevangenis te doen sterven, maar dat het vergeefse moeite was, daar hij hoopte,
dat God hem de genade zou bewijzen, om teneinde toe te volharden, en de
allerheiligste naam van God met zijn dood te loven, te prijzen en groot te
maken.
Door Zijn overvloedige barmhartigheid schonk God
hem, na een korte tijd, deze goede begeerte. Hij gaf hem goede en geschikte tijd
om belijdenis af te leggen volgens zijn wens,opdat deze hoogmoedige en verwaande
lieden zien zouden, dat de kracht der waarheid zo groot is, dat de raad van alle
mensen daarvoor moet wijken, en dat God door alles, wat door de wereld zwak en
dwaas wordt geheten, Zijn grote macht en wijsheid openbaart, en toont hoe ijdel
en dwaas zij is.
Op zekere tijd, toen men een algemene processie
had gehouden, weinig tijd na de intocht van koning Hendrik te Parijs, werd
Florentius met enige anderen, die mede om het woord Gods waren gevangen genomen,
voorgebracht. Daar ontwijdde men hem, en beroofde hem van zijn Rooms
priesterschap. Nadat deze handelingen waren afgelopen, werd het doodsvonnis over
hem uitgesproken, namelijk., dat men hem eerst de tong zou uitsnijden en daarna
levend verbranden. Teneinde hem grotere schande en oneer aan te doen, en, ware
het mogelijk, vrees aan te jagen, bevalen zij, dat hij al de anderen, die toen
op verscheidene plaatsen van de stad gedood werden, moest zien ombrengen. Maar,
al had men Florentius' tong uitgesneden, zodat hij niet spreken kon, nochtans
boezemde hij de anderen moed in door gebaren, met de ogen naar de hemel te
slaan, en meer andere tekenen, zoveel hij slechts vermocht. Hij werd ook zeer
versterkt, toen hij in ben de wonderbaarlijke genade des Heeren
aanschouwde.
Zo werd hij eindelijk, na veel pijn en smart
geleden te hebben, in Malbertsstraat, op de 9e Juli, in het jaar onzes Heeren
Jezus Christus 1549, des middags ten 3 uur levend
verbrand.
[JAAR 1549.]
In de St. Anthoniestraat te Parijs woonde een arme
man, kleermaker van beroep, die zeer spoedig na de intocht en de huldiging van
de koning van Frankrijk, Hendrik de tweede, te Parijs door de onderbeambte van
het koninklijke hof werd gevangen genomen, omdat hij op een roomsen heiligendag
had gewerkt. De onderbeambte vroeg hem, waarom hij op zulk een dag zijn werk
verrichtte, en of hij niet wist, dat het verboden was op die dag te werken. Hij
antwoordde, dat hij werkte om in zijn behoeften te voorzien, en tot onderhoud
van zijn leven, en dat hij geen anderen dag kende dan de Zondag, op welke dag
hij niet met een gerust geweten zijn werk zou mogen doen. De onderbeambte vroeg
hem nog naar vele andere zaken, waarop hij zulk een antwoord gaf, dat hij hem
daarna gevangen liet zetten.
Daarna kwam de onderbeambte in het paleis van de
koning, en, om de schijn aan te nemen zijn ambt goed te hebben vervuld, deelde
hij de regenten en heren van het paleis mee, dat hij een Lutheraan gevangen had
genomen, die op de heiligen dag had gewerkt, die hij aangaande vele dingen had
ondervraagd, en daarop zulke antwoorden had gekregen, die van zoveel boosheid
getuigden als hij nog nooit van een mens gehoord had. Toen dit daarna de koning
werd meegedeeld, nam men hem gevangen, en werd hij op verlangen van enige
regenten voor de koning geroepen, en in zijn kamer gelaten, om hem te
horen.
De edelen en andere dienaars werden uit de kamer
verwijderd, en slechts weinigen van de voorname heren waren daar tegenwoordig.
Vervolgens gebood de koning de bisschop van Maltscon, Petrus Castellanus, die
onder de hovelingen de geschiktste en geleerdste scheen te zijn, dat hij de
kleermaker zou ondervragen. Toen de kleermaker was binnen gebracht, bewees hij
de vorst de eer, die hij hem schuldig was, en dankte God voor de grote eer, die
hem te beurt viel, voor zulk een machtige vorst te mogen verschijnen, om daar
rekenschap te geven van zijn geloof.
Als nu Castellantis hem uitvoerig ondervroeg
aangaande de belangrijkste en gewichtigste artikelen van de christelijke
godsdienst, antwoordde hij zo goed en gepast, en zonder in het minst te haperen,
als de zuivere, eenvoudige en onvervalste leer vereist. En, ofschoon Castellanus
en de andere edelen hem schandelijk en smadelijk op het lijf vielen en ernstig
bedreigden, leed hij nochtans alles met een onwankelbaar gemoed. en bezweek in
geen dele, welke gevaren men hem ook voorspiegelde. Met grote vrijmoedigheid
beleed hij voortdurend de waarheid, stond die voor en beschermde haar. Die dit
hoorden en zagen, verwonderden zich bovenmate, dat een gering en eenvoudig man
met zulk een vrijmoedigheid en standvastigheid bij de koning op alle vragen zo
goed en gepast wist te antwoorden.
Doch de bisschop en de andere regenten van het
koninklijke hof maakten de koning wijs, dat hij een bij uitstek boos en zeer
hardnekkig, moedwillig mens was, en dat men hem weer naar de rechter behoorde te
zenden, om daarnaar verdienste gestraft te worden. Zo werd dan door de
onderbeambte bevolen, dat men zijn zaak volgens het recht zou behandelen,
hetgeen dan ook spoedig daarna geschiedde. Binnen weinige dagen werd hij door de
beambte van 's konings hof veroordeeld om levend te worden verbrand. En alzo
werd hij, volhardende in de belijdenis der waarheid om de naam van Jezus
Christus, van zijn leven berooid, in het jaar onzes Heeren en Heilands Jezus
Christus 1519.
Er wordt geen melding gemaakt van enige anderen,
die voor de koning gebracht en verhoord zijn, dan alleen van deze handwerksman,
door wien de almachtige God wilde, dat de vorst de eenvoudige waarheid zou
horen. Hoewel er te die tijd vele, ja zelfs kloeke en verstandige mannen
gevangen en omgebracht zijn, zodat men geen uitvluchten zou hebben, alsof het
hoge en onbegrijpelijke dingen waren, waarover alleen bisschoppen priesters en
monniken zouden mogen spreken en handelen.
[JAAR 1519.]
Claudius Thierry, geboren te Chartres, was een
jonge man en apotheker. Op reis van Genève naar Frankrijk werd hij te Orleans
gevangen genomen, waar hij het geloof, dat hij in de gemeente Gods uit de
evangelische leer ontvangen had, op eenvoudige wijze beleed. Om die reden werd
hij ter dood veroordeeld, en wel om levend verbrand te worden. Hij was met dit
vonnis tevreden, maar zijn ouders en vrienden baden hem zo dringend, dat hij
eindelijk aan hun verlangen voldeed, door zich van dat vonnis op de Hoge Raad te
Parijs te beroepen. Het vonnis werd daar echter bevestigd; en alzo zond men hem
naar Orleans terug, waar hij met grote standvastigheid de smarten des doods
onderging, en levend werd verbrand, wat geschiedde in het jaar
1519.
[JAAR 1549.]
In hetzelfde jaar werd Anna Oudebert, geboren te
Orleans, weduwe van Peter Genest, apotheker in het stadje Castrorenard gevangen
genomen, terwijl zij op weg was naar Genève, om de gemeente Gods te bezoeken.
Met haar nam men ook gevangen Stefanus Peloquin, een getrouw getuige en
martelaar van Jezus Christus. Nevens haar waren er ook nog enige andere gevangen
genomen, die uit mensenvrees het Evangelie niet durfden
belijden.
Van Castrorenard werd Anna naar Parijs
overgebracht, en daar door de Hoge Raad ter dood veroordeeld, en wel om in haar
stad Orleans levend te worden verbrand. Op Zaterdag de 28e September kwam zij in
de stad, en werd des namiddags ten twee uur naar een brandstapel gevoerd om
gedood te worden.
Men verhaalt, dat, toen zij uit de gevangenis naar
de plaats werd geleid, Matroy geheten, en met een touw gebonden was, zij met een
verblijd en opgeruimd gemoed zei "Och, hoe schoon is deze riem, die mij mijn
Bruidegom geeft! Op Zaterdag huwde ik mijn eerste man, en op Zaterdag zal ik
weer met Christus Jezus mijn Bruidegom in de echt treden."
Toen zij zag, dat er een wagen gebracht werd,
waarop men gewoon was het slijk en de onreinheden weg te brengen, sprak zij met
een verblijd en vrolijk gelaat: “Is dit de wagen waarop ik zitten moet?”en klom
er met een opgeruimd gemoed op. Die kracht en standvastigheid behield deze
weduwe tot het einde, zodat allen, die haar zagen, zich verwonderden; terwijl de
gelovige en godvruchtige lieden door haren dood werden versterkt in het geloof.
Aldus werd zij, om de getuigenis der evangelische waarheid levend verbrand, in
het jaar van onze Zaligmaker 1549.
[JAAR 1549.]
Omstreeks het jaar 1549 nam de vervolging in
Henegouwen zeer toe; velen werden er gevangen genomen, en onder die Mr.
Nikolaas, geboren in Frankrijk, Barbara, zijn vrouw, Augustijn, een barbier en
diens vrouw Maria, geboren in een dorp bij de stad Bergen, in Henegouwen.
Gedurende enige tijd hadden zij te Genève gewoond, en vergezelden elkander naar
Nederland, om daarna in Engeland te gaan wonen. Toen zij in Henegouwen gekomen
waren, verzocht Augustijn de geleerden Mr. Nikolaas, dat zij de kleine kudde des
Heeren te Bergen zouden bezoeken, om hun de gave en genade mee te delen, die hun
van God gegeven was, waaraan hij volvaardig voldeed. Zo kwamen zij dan in de
genoemde stad samen, waar zij vriendelijk door de broeders ontvangen werden,
terwijl de, gemeente door de goede vermaningen van Mr. Nikolaas zeer werd
versterkt en getroost. Nadat zij daar enige tijd hadden vertoefd, namen zij
afscheid van de gemeente, en gingen naar Doornik, om alzo verder te reizen naar
Engeland. Bij het vertrek werden Augustijn en zijn vrouw herkend, en bij de
beambte beschuldigd, en tot op vier mijl nabij Doornik vervolgd, waar zij allen
werden gevangen genomen, uitgezonderd Augustijn, die de dienaars niet zagen,
noch wisten, waar hij was gebleven. Met Mr. Nikolaas en de twee vrouwen keerden
zij terug, die onderweg door de beambte wreed werden behandeld en
bespot.
Toen zij aan tafel zaten om te eten, deed Mr.
Nikolaas zijn gebed tot God, zoals de gelovigen gewoon zijn. De beambte hoorde
dit, en zwoer bij de dood en de wonden van Christus en zei: "Nu zullen wij zien,
of God u uit mijn handen verlossen zal, gij ketterse boef!" Mr. Nikolaas
antwoordde hem zeer vriendelijk: "Mijn vriend, wat heeft Jezus Christus u
gedaan, dat gij Hem als vaneen scheurt in uw lastering? Ik bid u, in de naam van
God, dat gij ophoudt. En is uw hart zozeer verbitterd door haat tegen de Zoon
van God en Zijn Woord, dat gij niet laten kunt de Heere Jezus Christus te
bespotten, wreek u dan aan mij, en koel daarmee uw gemoed, want dat zal mij veel
aangenamer zijn." Alzo kwamen zij in de stad Bergen als arme schapen op een
wagen gebonden, en zongen psalmen met een blij gemoed. Vervolgens werden zij
naar het kasteel der stad gevoerd, in een duistere gevangenis gezet, en geketend
aan de voeten alsof zij moordenaars waren. Na enige dagen kwam tot hem de hertog
van Aarschot met vele priesters en Minderbroeders, onder wie de opziener een
doctor in de godgeleerdheid was. Zij vroegen hem, vanwaar hij was, waar hij naar
toe ging en welk geloof hij had. Mr. Nikolaas gaf op alles, wat hem gevraagd
was, zulk een antwoord, dat hij de Minderbroeders dikwerf beschaamd maakte, die
niet wisten, wat zij zeggen zouden, en als uit één mond niet anders riepen dan!
"Hij heeft de duivel! naar het vuur, naar het vuur met de Lutheraan!" Mr.
Nikolaas hernam: “Hoe, mijne heren, gij zoudt de verantwoording van een Jood of
Turk wel willen aanhoren, en vreest gij nu verleid te zullen worden? Indien uw
leer de waarheid van God is, behoeft gij niet te vrezen overwonnen te zullen
worden." Na langdurige ondervraging verlangde hij de toestemming, om zijn
belijdenis te mogen schrijven, wat hem werd toegestaan in de gevangenis, en
waarbij hij goede en genoegzame rekenschap van zijn geloof
gaf.
Intussen kwamen zijn vijanden tot hem, en vroegen,
waar hij gelogeerd had, toen hij door Bergen reisde. Hij antwoordde, dat hij in
die stad niet thuis behoorde, en daar niet meer dan eenmaal geweest was, waarom
hij geen plaats kon noemen. "Wanneer ik echter," zei hij, "het huis zag, dan zou
ik dat mogelijk wel herkennen." Hij werd stevig gebonden en door de stad geleid,
doch hij wees hun de plaats niet aan.
Toen zij zagen, dat zij in hun voornemen bedrogen
waren, gingen zij naar Barbara, zijn vrouw. Onder vleiende woorden nam de hertog
van Aarschot haar bij de hand en zei: "Barbara, mijn vriendin, ik bid u, uw
leven te sparen; gij bent nog zulk een jeugdige vrouw. Wanneer u ons het huis
wilt wijzen, waar u gelogeerd hebt, beloof ik u uit de gevangenis te ontslaan en
los te laten." Door deze beloften werd de arme vrouw overwonnen, en wees het hun
aan, hetwelk een oorzaak was van grote vervolging, want velen werden daar
gevangen genomen.
Nadat men tegen Mr. Nikolaas de rechterlijke
behandeling van zijn zaak gevorderd had, werd hij uit de toren van Aubron voor
de rechters gebracht, waar het doodsvonnis over hem werd uitgesproken, en wel om
levend tot as verbrand te worden. Toen Mr. Nikolaas dit vonnis vernam,
verblijdde hij zich in de Heere en zei: "Geprezen zij onze God, Die mij zoveel
eer en aanzien bewijst, mij te verkiezen om in de dingen van Zijn geliefde zoon
een getuige te zijn." Daarna zong hij met zulk een vuur een psalm, dat de
dienaars, die hem bewaarden, zich zeer verwonderden. Terwijl hij het uur van
zijn sterven afwachtte, werd hij in de kamer van de wacht der gevangenis geleid,
waar hij zijn klederen van het stro reinigde, en zei: "Mijn vrienden, ik reinig
mij, omdat ik geroepen word tot de bruiloft en het avondmaal van het Lam." Toen
hij zich aldus gereed maakte en reinigde, kwam er een dienaar van de stadhouder,
die hem verbood het volk aan te spreken. Toen hij dit hoorde, verlangde hij de
stadhouder zelf te spreken. Deze verscheen, en verbood het hem, onder bedreiging
hem anders een bal in de mond te laten stoppen. Mr. Nikolaas antwoordde: "Omdat
gij het mij verbiedt, zal ik gehoorzaam zijn. Maar ik verzoek u, mij toe te
staan God te bidden en te loven, daar ik de dood tegenga." Dit werd hem
veroorloofd, onder voorwaarde van niet tot het volk te
spreken.
Ten twee uur na de middag kwam men hem halen om
ter dood gebracht te worden. Toen hij het kasteel verliet, hief hij de ogen
verblijd naar de hemel en riep de Heere aan. Toen hij aan de gerichtsplaats
gekomen was, volgden hem vele monniken, om hem inliet bidden te hinderen.
Terwijl hij zich naar het volk wendde, riep hij met luider stem: "0 mannen,
mannen, hoe lang zal uw hart versteend zijn!" Men liet hem niet verder spreken;
maar er kwam een dienaar, die hem in het gezicht sloeg. Toen zei Mr. Nikolaas:
"Och, arm volk, gij bent niet waardig, dat men u Gods Woord voorhoudt."
Vervolgens werd hij aan een paal gebonden. De Minderbroeders belasterden hem
gruwelijk, en zeiden, dat hij de duivel had; doch hij herinnerde hun het vers
uit de 6den Psalm . Wijk van mij alle boosdoeners," &. Terstond werd het
hout aangestoken. Toen hief hij zijn aangezicht naar de hemel, riep de Heere aan
en zei: "0, eeuwige Vader, in Uw handen beveel ik mij," en aldus scheidde hij
zalig uit deze wereld.
[JAAR 1549.]
Na de laatst verhaalde terechtstelling namen de
rechters Maria, de vrouw van Augustijn, onder handen, en vroegen haar, wat men
te Genève deed, als men het avondmaal uitdeelde, en of zij daar ook het
avondmaal had bijgewoond. Ze antwoordde toestemmend, en zei, dat men het daar
waarlijk bediende volgens de instelling van de Heere Christus Jezus. Op alle
andere vragen antwoordde zij naar de mate van het geloof, door de Heere haar
geschonken, en bleef zeer standvastig, zodat zij noch door belofte, noch door
pijnigingen van de kennis der waarheid kon worden afgebracht. Het doodsvonnis
werd over haar geveld, en wel om levend te worden begraven: hetwelk volgens de
bepaling van de keizer de straf was, waarmee de standvastige vrouwen in
Nederland zouden worden omgebracht.
Vervolgens werd zij op de plaats gebracht, waar
zij begraven zou worden. Daar hief zij haar ogen naar de hemel en loofde de
Heere wegens de genade haar bewezen, door haar uit de gruwelijke duisternis en
verblindheid te verlossen. In het graf viel zij op de knieën, en deed een gebed
tot de Heere. Toen de scherprechter haar zou neerleggen, verzocht zij om een
neusdoek over haar aangezicht te spreiden, hetwelk plaats had. Vervolgens werd
haar gehele lichaam met zand bedekt, terwijl de beul op het zand sprong, met
zijn voeten derwijze op haar lichaam stampte, dat zij haar ziel zalig aan de
Heere overgaf.
[JAAR 1549.]
Toen Mr. Nikolaas en Maria gedood waren, bezocht
Augustijn de markten, en verkocht specerijen en andere kleine koopwaren, om zo
de kost te verdienen. Onder andere kwam hij in de stad Beaumont, omstreeks zes
mijlen van Bergen, in Henegouwen. Toen hij zijn koopwaren daar uitgestald had,
werd hij herkend en bedrogen. Toen hij zag, dat men toebereidselen maakte, om
hem gevangen te nemen, liet hij zijn waren op de markt staan, en vluchtte de
stad uit. Hij was bovenmate vreesachtig en kleinmoedig, zodat hij dikwerf,
alleen op het zien of de ontmoeting van gerechtsdienaren schrikte en beefde, en
bovenal vreesde hij voor gevangenschap. Toen hij onder grote vrees de stad
ontvlucht was, ging hij naar het dichtst nabij gelegen bos, om zich daar te
verbergen, doch tevergeefs, want zijn uur was geslagen. Op de muren van de stad
waren enige lieden, die zagen dat hij zich in het bos verbergde, en dit terstond
de gerechtsdienaren te kennen gaven. Gevankelijk werd hij de stad Bergen binnen
geleid, om daarin verhoor genomen te worden, aangezien Bergen de hoofdstad was
van Henegouwen. Daar ondervroeg men hem aangaande zijn leven en geloof, waarop
hij met grote vrijmoedigheid antwoordde. Met reden verwonderde men zich
daarover, aangezien hij altijd zo vreesachtig en versaagd was, en zich nu in de
grootste nood en het ergste gevaar zo vroom en vrijmoedig betoonde, dat zijn
tegensprekers zich schaamden. Hoe wonderbaar zijn toch 's Heeren werken, en hoe
waarachtig openbaarde Hij zich in zijn belofte, die gezegd heeft: “Wanneer zij u
overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want
het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Want gij zijt
[het] niet, die spreekt, maar [het is] de Geest uws Vaders, die in u
spreekt."
Toen men zijn vrijmoedige belijdenis gehoord had,
en zijn rechtsgeding geëindigd was, werd hij veroordeeld om levend te worden
verbrand. Ongeveer acht dagen voor het vonnis zou worden uitgevoerd en hij naar
Beaumont gebracht werd kwam de opziener van de Minderbroeders van Bergen, een
groot vijand van de evangelische waarheid, en hield een lang aanspraak, waarin
hij trachtte te bewijzen dat hij ketters en verdoemd zou wezen, indien hij de
leer, die hij aangenomen had, niet verloochende. Doch Augustijn hield de mond
niet gesloten, want, terwijl de monnik daar stond en predikte, viel hij hem
dikwerf, in tegenwoordigheid van de gehele vergadering in de rede en zei:
"Bevestig, wat gij zegt met het Woord Gods, en men zal het geloven. Gij zegt
veel, en bewijst weinig, waarmee gij te kennen geeft, dat gij een leraar der
leugens zijt,die men niet behoort te geloven. Wat mij aangaat, ik geloof de leer
van Profeten en de Apostelen, en deze is mij tot mijn zaligheid
genoeg."
Na deze toespraak werd Augustijn naar de herberg,
de Engel geheten, gebracht, om daar een paard te bestijgen, en naar Beaumont te
worden vervoerd. In de herberg was een edelman gelogeerd, die hem een volle
beker wijn overreikte en zei: "Mijn vriend, heb medelijden met uzelf; en wilt
gij uw leven niet behouden, behoud ten minste uw ziel. Ik heb groot medelijden
met u." Augustijn antwoordde: “Ik dank u voor de goede gunst, die gij mij
bewijst. Gij ziet immers, dat ik zulk een groot mededogen met mij en mijn ziel
heb, dat ik mijn lichaam overgeef om verbrand te worden, liever dan tegen mijn
geweten te zondigen. Ik acht dit echter mij tot zaligheid; want, wat ik lijd, is
niet om mijn zondig leven, maar, alleen om het Woord van Jezus Christus, om wie
alle martelaren hun bloed hebben gestort, wat ik ook wens te
doen."
Daarna werd hij te paard gezet, en naar Beaumont
gevoerd, vergezeld van een grote menigte van dienaars, die met stokken en
wapenen hem geleidden. Toen zij in de stad kwamen, werden zij nauw ingesloten,
aangezien men daar de uitvaart hield van de zoon van de hertog van Aarschot, die
omgekomen was; zodat er vele prinsen en hertogen gekomen waren, die ook de
gevangene bezochten, en hem aangaande zijn geloof en de godsdienst ondervroegen,
die hij allen vriendelijk antwoordde. Onder anderen sprak de graaf van Alam
geruime tijd met hem.
Eindelijk werd hij buiten de stad op een berg
geleid, om aldaar als opgeofferd te worden. Om zijn volharding en zijn geduld
was het merendeel van het volk zo woedend op hem, dat zij riepen, dat die hem
met de voeten achter een paard behoorde te binden, en alzo naar de berg slepen.
Toen hij op de plaats aangekomen was, waar hij gericht zou worden, riep hij de
Heere aan, en daarna werd hij aan een paal gebonden. Toen nu de brand in het
stro gestoken was, en hij de hitte gevoelde, begon hij de Heere te loven.
Eindelijk riep hij, temidden der vlammen, met luider stem: "0 eeuwige Vader! aan
U beveel ik mijn ziel;" en gaf kort daarna zijn ziel aan de Heere
over.
Het zal niet ondienstig zijn, beminde lezer, voor
wij met de geschiedenis der martelaren in het begin van het jaar 1550 voortgaan,
het een en ander mee te delen aangaande de staat en de toestand van Christus'
kerk in Nederland en van de oorzaken, waardoor de vervolging tegen haar in grote
mate werd verzwaard en uitgebreid.
Het had de almachtige God behaagd vele
koninkrijken, vorstendommen en landen enige lust tot Zijn heilig en alleen
zaligmakend Woord te verlenen, en daardoor de pauselijke bijgelovigheden en
afgoderij te verloochenen; zo zelfs, dat men ook in Nederland, niettegenstaande
er vele strenge bevelen gegeven waren, om de godsdienst uit te roeien en de
belijders om te brengen, meer en meer toenam in de kennis der zaligheid. In
verscheidene landen was er reeds veel bloed vergoten, doch het bleek allerwegen,
dat het niets hielp. Immers, daarna volgde de openlijke verandering van de
godsdienst in Engeland, Schotland, Denemarken, Zweden en eindelijk ook in
Frankrijk, alzo in meest alle landen om Nederland gelegen. En aangezien de
Nederlanders een belangrijke handel dreven in al deze landen en koninkrijken, en
dagelijks daarin verkeerden en handelden, en ook de inwoners van die landen, om
handel te drijven, Nederland bezochten, zo werden daardoor meer en meer lieden
van lieverlede tot deze godsdienst getrokken, waartoe ook zeer veel bijdroeg het
verspreiden van de boeken en de geschriften der leraars die de hervormden
godsdienst beleden in andere landen opgesteld en gedrukt. In verscheidene steden
en plaatsen van Nederland werden vele geheime vergaderingen gehouden, toespraken
en predikatiën gehouden, en het volk in deze godsdienst geoefend, onderwezen en
versterkt, en wel zo, dat velen zich daarin zo ijverig betoonden, dat zij,
wanneer zij ten gevolge van de bevelschriften gevangen genomen en ter dood
veroordeeld werden, met blijdschap en vrijmoedigheid naar de strafplaats gingen,
alsof zij aan een heerlijk bruiloftsfeest werden genodigd. Onder weg zongen zij
psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, onderwezen het Volk in de ware
godsdienst, wekten die op om de roomse kerk te verlaten, die verklarende voor de
kerk van de antichrist, ja, voor een moordkuil, en wendden alle middelen aan,
die zij slechts konden, om het volk van haar af te
trekken.
Aangezien nu, zo hierdoor als door vele andere
middelen, de bewoners van Nederland meer en meer tot de genoemden godsdienst
werden getrokken, werd ook de vervolging tegen hen hoe langer zo heviger, en
wist de geestelijkheid zijn keizerlijke majesteit, na vele verzoeken, zover te
brengen, dat hij op 29 April in het jaar 1550 een zeer gestreng bevelschrift
tegen de belijders van de hervormden godsdienst liet uitvaardigen, waaruit ten
duidelijkste bleek, dat men voor had de geestelijke inquisitie overal in
Nederland in te voeren, en niettemin door de wereldlijke macht de wrede en
bloedige bevelschriften op gestrenge wijze te doen voltrekken. Het bevelschrift
luidde als volgt:
Verordening, wet en eeuwig besluit om uit te roeien
en te vernietigen de sekten en dwalingen, opgestaan tegen ons heilig christelijk
geloof, en tegen de bepalingen van onze moeder, de heilige kerk, gegeven te
Brussel, op de 29e april 1550.
Karel, bij de gratie Gods Rooms keizer, gedurig
uitbreider van het rijk, koning van Germanië, Kastilië, Leon, aartshertog van
Oostenrijk, hertog van Bourgondië, Lotharingen, Brabant, Limburg, Luxemburg en
van Gelre, graaf van Vlaanderen, Artois, Bourgondië, paltzgraaf van Henegouwen,
Holland, Zeeland, enz. Allen dengenen, die deze zullen zien,
saluut!
Al is het zo, dat wij boven alle zaken bijzonder
toezicht en eenparige zorg altijd gedragen hebben, om het oude oprechte geloof
en de christelijke godsdienst in en over al onze koninkrijken, landen en
heerlijkheden te onderhouden en te doen onderhouden en alle betamelijke middelen
en wegen aangewend hebben, om de vele en verschillende sekten, dwalingen en
ketterijen, reeds sedert lang in het christenrijk bekend gemaakt en verspreid,
tegen ons genoemd geloof en de leringen en bepalingen van onze moeder, de
heilige christelijke kerk te verdrijven en uit te roeien, en tot dat einde
gerechtelijk doen besluiten en bekend maken in onze landen, waar ook gelegen,
door verschillende bevelschriften, wetten, besluiten en geboden, waarin grote en
zware straffen gesteld zijn tegen de overtreders daarvan. Niettegenstaande dit
alles, vernemen wij, tot ons groot leedwezen, dat verscheidene lieden, die in
onze genoemde landen van elders handel drijven en verkeren, met de bedoelde
sekten, dwalingen en ketterijen besmet en verpest zijn, en medewerken anderen
dagelijks op geheime wijze te verleiden, te bedriegen en tot hun vervloekte,
valse en kwade leringen te vervoeren, en het onwetende volk in die mate te
onderwijzen, dat wij het zeer nodig vinden, dat men op naarstige wijze de
inquisitie toepast en onderzoek doe jegens zulke verleiders, hun medeplichtigen,
begunstigers en aanhangers, en dat bovendien onze genoemde besluiten, wetten en
geboden vernieuwd en weer uitgevaardigd en afgekondigd worden in en over al onze
genoemde landen, waar ook gelegen, en de naleving daarvan daar geschiede en
gestreng gehandhaafd worde, om ten enenmale teniet te doen en uit te roeien de
oorsprong, de grond en de wortel van deze besmettelijke pest. Hebbende in de
algemene vergadering der Staten in onze genoemde landen, die de laatste maal
gehouden is in deze onze stad Brussel, hen vermaand, en op het hart gedrukt en
bevolen, dat een ieder, zich zou benaarstigen, om zich en de zijnen te houden
aan en voort te gaan met ons genoemd oud en oprecht geloof en christelijke
godsdienst, en met alle zorgvuldigheid mee te werken tot uitroeiing van alle
genoemde dwalingen en nieuwe en valse meningen, daar men, bijvoorbeeld, bij onze
naburen kan zien de rustverstoringen bij het gemene volk, beroerten en
verwarring van de algemene staat, rust en welvaart en andere ongelegenheden, die
voortspruiten en volgen, buiten het verlies der zielen. Zo is het, dat wij,
begerende met ons gehele hart en uit al onze macht daarin te voorzien en
verbeteringen te brengen, op nieuw, n goed en rijp overleg van de raad en
voorlichting van onze zeer lieve en beminde zuster, de Koningin-weduwe van
Hongarije, Bohemen, enz., en voor onze bestuurders en bevelhebbers in onze
genoemde landen, waar ook gelegen, de ridders van onze orden, en van de hoofden,
voorzitters en lieden van onze raad van State en geheime beambten, en volgens
onze rechte wetenschap en op eigen gezag, geboden, besloten, bevolen en
verordend hebben: verbieden, besluiten, bevelen en verordenen voor een eeuwige
bod en wet, wat hierna, volgt.
Vooreerst, dat niemand, van welke stand of rang
hij ook zij, zal mogen drukken, schrijven, uitschrijven, overschrijven, noch met
zijn weten onder zich hebben, ontvangen, dragen, bewaren, verbergen, verzwijgen,
noch onder zich houden, verkopen, kopen, geven,verspreiden, uitstrooien of laten
vallen, in kerken, op straten of andere plaatsen, enige boeken of geschriften,
gemaakt door Maarten Luther, Johannes Oecolampadius, Ulrich Zwingli, Martinus
Bucer, Johannes Calvijn, of andere ketters of stichters van hun, of van andere
kwade en valse sekten, verworpen door de heilige kerk, of van hun aanhangers,
medeplichtigen en begunstigers, dwalende buiten ons voornoemd heilig
christengeloof, breder uiteengezet in zekere verklaring, op ons bevel op nieuw
uitgevaardigd door de rector en die van de hogeschool van onze stad Leuven, van
de 26sten Maart laatstleden, welke verklaring wij voor geldend geoordeeld hebben
en nog voor geldend houden, willende en bevelende, dat deze nagekomen,
onderhouden en afgekondigd worde met deze onze brief; noch ook enige andere
boeken, die sedert dertig jaren allerwegen zijn geschreven of gedrukt, of later
geschreven of gedrukt zullen worden, zonder vermelding van de schrijver,
drukker, van tijd of plaats. Verder, niet te schilderen of te doen schilderen,
verkopen, of te koop aan te bieden, te hebben, houden, bewaren of te behouden
enige beelden, schilderijen of schandelijke beeltenissen van de maagd Maria, of
van de heiligen, heilig verklaard door de heilige kerk of door de geestelijken
staat. Te verbreken, in stukken te houwen en te vernietigen de beelden en
schilderijen, die ter ere of tot gedachtenis daarvan mochten vervaardigd zijn,
niet in huis of elders te houden of gedogen te houden enige geheime samenkomst
of onbehoorlijke vergadering, noch in zulke zich te laten vinden, waarin de
genoemde ketters en verleiders in het geheim hun dwalingen zaaien en
onderwijzen, herdopen en op verschillende wijzen samenspannen tegen de heilige
kerk en de algemene welvaart.
Insgelijks verbieden wij allen leken en anderen
briefwisseling te houden en te redetwisten over de Heilige Schrift, in het
openbaar of in het geheim, vooral in twijfelachtige of strijdende zaken of
anderen de Heilige Schrift voor te lezen en te onderwijzen, tenzij zij
godgeleerden zijn of in de godgeleerdheid gestudeerd hebben, door een hogeschool
of anderen bevoegd verklaard, en daartoe door de geestelijken van de plaats
toegelaten. Verder, niet te preken, verdedigen en te beweren, in het openbaar of
in het geheim, enige leringen van de genoemde schrijvers, op straffe, wanneer
iemand bevonden wordt overtreden of gedaan te hebben tegen een van de bepalingen
boven gemaakt, behandeld te zullen worden als oproerige personen en
onruststokers in onze staat en van de algemene welvaart, en gevonnist te zullen
worden met het zwaard, te weten, de mannen, en de vrouwen met levend te
begraven, ingeval zij haar dwalingen niet willen blootleggen of verdedigen. En,
wanneer zij in hun dwalingen, meningen of ketterijen blijven volharden,
gevonnist te worden met de vuurdood, en in elk geval hun bezittingen verbeurd
verklaard en in beslag genomen ten onze voordee1e Verklarende, dat zij van de
dag af, dat zij tegen ons bevel, onze wet en ons verbod gehandeld zullen hebben,
of tot de genoemde dwalingen vervallen zijn, onbevoegd zullen zijn om over hun
goederen te kunnen beschikken, en zullen alle verpandingen, giften,
afstanddoeningen, verkopingen, overdrachten en opdrachten, testamenten en
laatste wilsbepalingen, door hen gedaan en gemaakt sedert de genoemden dag,
zonder kracht en van geen waarde zijn.
Wij bevelen voorts en gebieden, dat niemand, van
welke stand of rang hij ook zij, zich verstoute te herbergen, logeren en in zijn
huis te ontvangen, te onthalen, te onderhouden en te verzamelen en met enige
levensmiddelen, klederen, geld en goederen bij te staan of met zijn weten te
begunstigen enige, die voor ketters gehouden of daarvan verdacht worden. En dat
allen die deze herbergen, logeren, ontvangen en onthalen zullen, wetende dat zij
ketters zijn, gehouden zijn die aan te klagen en te beschuldigen bij de
inquisiteur of bij de beambte van hun plaats, voorzover die daartoe bevoegd is;
en, in geval hij dit niet is, aan de voornaamste beambte van de naaste goede
stad van hun verblijf; op straffe, indien zij daarin in gebreke blijven,
gevonnist te worden als begunstigers van genoemde ketters.
Dat zij, die besmet en overvallen mochten geweest
zijn door enige dwaling, ketterij of verkeerde opvatting in het geloof, in de
sacramenten of verordeningen van de kerk, uit onnozelheid, onwetendheid,
menselijke zwakheid en broosheid, zonder opzet en zonder de opzettelijke wil van
te scheiden en zich af te zonderen van de unie der heilige kerk, en zonder
tegenstand geboden of iets gedaan te hebben tegen enig artikel van dit bevel, of
last gegeven te hebben tot enig openbaar schandaal of een andere zaak of
handeling, strekkende tot rustverstoring of verleiding van iemand anders,
waarvan het wereldlijk recht kennis moet dragen, doch zich in tijd en gewillig
bekeerd en berouw gehad te hebben, en deswegens bij de Apostolische inquisiteur,
de bisschop of zijn dienaar tot boete, afzwering en gratie te zijn toegelaten,
zullen nochtans niet terstond mogen verkeren, omgaan of met elkaar mogen
handelen over enige zaak ons genoemd geloof aangaande en betreffende, op straf
van gehouden te zullen morden voor een afvallige.
Desgelijks, indien iemand niet geheel vervuld is
met ketterij of dwaling, maar als verdacht daarvan aangemerkt wordt, en uit die
hoofde door de geestelijken rechter bevolen wordt de genoemde ketterij te laten
varen, of veroordeeld zijnde door het wereldlijke recht enige boete en openbare
belofte van verbetering te doen, wat wij toestaan en verklaren de kracht te
hebben van afzwering, later weer besmet was met ketterij, ofschoon het niet
bleek, dat hij overtreden of iets gedaan had tegen enig artikel van onze
geboden; willen wij nochtans bepalen, dat deze, volgens verklaring van het
geestelijk gerecht, gehouden worde voor een afvallige, en volgens die gestraft
met verbeurdverklaring van leven en bezittingen, zonder enige hoop van
verzachting, of vermindering van genoemde straffen.
Bevelen voorts, dat zij, die betrapt zullen
worden, of bij voorafgaand onderzoek verdacht worden van ketterij of dwaling als
bovengenoemd, ofschoon zij tot het doen van boete of verkrijging van gratie
waren toegelaten, zoals gezegd is, zullen deze nochtans niet mogen bezitten noch
bedienen in onze genoemde landen, waar ook gelegen, enig voortreffelijk ambt,
wat dat ook zijn mag, noch in onze raad zitting hebben noch in een onzer steden.
Gebiedende daarom zeer scherp aan onze beambten en commissarissen, belast met de
vernieuwing van de wet, die te stellen tot Staat van schepenen of anderen,
gelijk gezegd is.
Verder, wij willen bevelen en besluiten, dat
niemand, van welke staat, rang en stand hij ook zij zal toegelaten en ontvangen
worden in een stad of in een dorp van enig land, waar ook gelegen, om daar te
wonen, tenzij hij overlegt een bewijs van omgang en verkeer van de geestelijke
van zijn laatste woonplaats, welk bewijs hij verplicht zal zijn te vertonen en
over te leveren in handen van de voornaamste beambte van de stad of het dorp,
waar hij zich zal willen vestigen, op straf, dat zij, die zulk een bewijs niet
meebrengen, niet toegelaten zullen worden om daar te wonen, maar als verdacht
zullen worden gehouden. En wij gelasten de beambten of particulieren heren en
hun onderhorigen, dat het niet geoorloofd is zulken lieden enig geleide of enige
brief van goed gedrag te verlenen.
Idem, willen ook, dat al onze justitieraden,
beambten en rechters en onze dienaren en onderdanen, wereldlijke heren en hoge
raadsleden, op verbeurte van hun genoemde ambten, rechtsmacht en hoge
rechtsbedeling of andere straffen, naar bevind van zaken en de billijke
uitspraak toe te passen, zich gehouden zullen achten naarstig te onderzoeken en
rechterlijk te behandelen bij de inquisitie en die met de handhaving van deze
genoemde zaak belast zijn, jegens alle personen, van welke rang of stand zij ook
mogen zijn, vooral wat de overtreding van ons genoemd bevel betreft en in zaken,
die tot hun kennis behoren, en van hun wereldlijke en tijdelijke rechtsuitspraak
afhangen.
En dat zij voorts op begeerte en verzoek der
inquisiteurs van het geloof en van de gewone rechters van de bisschop, wanneer
zij samen, of bij wijze van mededinging, indien het de geestelijke beslissing
van ketterij betreft, tegen iemand in rechten willen opstaan, hun te verlenen
alle hulp, gunst, bijstand en medewerking tot de uitvoering en het volbrengen
van hun last. En voorts, in het gevangen nemen, vasthouden en verzekeren van
hen, die zij besmet en verpest bevinden, na te komen de bepaling, die de
genoemde inquisiteurs van ons hebben, en de voorschriften, die wij hun tot dit
einde hebben doen geven, aan welke beambten, rechters en dienaren wij bevelen de
voorschreven bijstand te verlenen, zonder enig uitstel of beletsel, onder de
dekmantel van de voortduring van het rechtsgeding, voorkeur, of om enige andere
reden, op straffe van naar bevind van zaken gekastijd te worden. Bevelende onze
procureurs-generaal en hun dienaren de nalatigen in rechten te betrekken, en het
vonnis op te maken, op straf van verlies van hun staten en bedieningen, hun
rechtsgebied en andere tuchtigingen, zoals naar bevind van zaken zal worden
geoordeeld.
Vermanen voorts, en verzoeken zeer ernstig, zowel
de aartsbisschoppen, archi-diakenen, abten en hun dienaren, beambten en anderen
geestelijke rechters, als ook de genoemden inquisiteurs en hun
onderafgevaardigden in onze genoemde landen, en ieder van hen, zoals hij
betaamt, dat zij tot het volbrengen van hun last, eerst en tevoren onderzoeken
of bij hun afgezanten en commissarissen laten onderzoeken, met alle
naarstigheid, of van de geestelijke personen ook besmet zijn en beschermd worden
de genoemde dwalingen, en tot vereffening, straf en verbetering daarvan zich met
vlijt te verzetten, en tegen hen de lijfstraffelijke rechtsgedingen voeren,
zoals het behoort, zonder enige verschoning of draaierij. En, indien boven de
genoemde geestelijke beslissing of het vermoeden van ketterij enige tegenkanting
plaats heeft tegen onze bevelschriften of openbaar verfoeilijk schandaal, zijnde
een openbare misdaad, in zulk een geval, wanneer het algemeen misdrijf door de
geestelijken rechter aangetoond zal zijn, in geval van veroordeling, wanneer zij
in hun dwalingen blijven volharden, of die herroepen bij eeuwige gevangenschap,
afzwering onder ede of anderszins, zal niet te min, door onze genoemde
wereldlijke rechters tegen hen, als gevaarlijke personen, rechtsingang moeten
verleend worden, met aanranding en verbeurdverklaring van hun tijdelijke en
erfelijke bezittingen en anderszins, zoals de zaak gebieden
zal.
Item, dat al degenen die enige kennen, of kunnen
kennen, die met ketterijen zijn besmet, verplicht zijn terstond en zonder
uitstel, die aan te brengen, te verklagen en bekend te maken aan de inquisiteurs
of beambten van de bisschoppen, en bij hun afwezigheid aan de priesters en
geestelijken van de gemeenten, teneinde hun overste daarmee bekend te maken.
Insgelijks, indien er iemand gevonden wordt, die iets gedaan heeft tegen onze
bevelen en geboden, wat vooral aanleiding geven kan tot schandaal, beroerte
onder het volk of oproer, dat degenen, die deze kennen, verplicht zijn daarvan
terstond kennis te geven aan onze zaakgelastigden of hun beambten en dienaren,
of de bestuurders van de plaats, waai, zulke besmette medeplichtigen
wonen.
En desgelijks zullen zij verplicht zijn, indien
zij de plaats kennen, waar enige dier ketters zich ophouden en verbergen, die te
kennen te geven aan de bestuurders dier plaatsen, op straf van gehouden te
zullen worden voor begunstigers, voorstanders en aanhangers der ketterijen, en
gestraft worden met hetzelfde vonnis, als aan de ketter of misdadiger zou
voltrokken worden, indien hij aangetast of gevangen genomen
ware.
En, om zoveel te gemakkelijker kennis te
verkrijgen van de ketterijen, dwalingen en verkeerde meningen, bevelen wij, dat
de aanbrengers wanneer er een zeker bewijs van misdaad bestaat, en de
beschuldigde overtuigd wordt, zullen genieten de helft van de bezittingen van de
genoemden beschuldigde, indien deze niet meer bedragen dan honderd pond groot
Vlaams (f600). Maar in geval de bedoelde bezittingen meer mochten bedragen dan
de genoemde som, zullen zij alleen de tienden penning ontvangen van hetgeen de
genoemde goederen meer zullen bedragen na aftrek van de
gerechtskosten.
En, om de genoemde vergaderingen en onbehoorlijke
en geheime samenkomsten te beletten, waarin de voornoemde dwalingen en
ketterijen worden gezaaid en gepredikt, willen wij, dat degene, die iemand zal
aanklagen of aanbrengen, die de genoemde vergaderingen en samenkomsten gehouden
heeft, indien hij tot de vergadering behoort, voor dit maal zal vrij verklaard
en ontslagen worden, zonder dat hij, omdat hij daar zou geweest zijn, zal mogen
gestraft of getuchtigd worden, onder belofte zich daarmee niet meer te bemoeien,
en in geval zulk een aanbrenger of beschuldiger aangaande ons heilig
christengeloof en van de heilige sacramenten der kerk goede gevoelens heeft, en
tot de genoemde vergadering niet behoort, zal hij hebben de helft van de
verbeurd verklaarde goederen, wanneer deze de bedoelde honderd ponden niet te
boven gaan.
Dat al onze genoemde beambten en rechters, en die
van de steden en particuliere personen, verplicht zullen zijn, zorgvuldig en
voortdurend toezicht te houden, en hun plicht te doen en zich te bevlijtigen tot
onderhouding van dit ons bevel en gebod, gelijk gezegd is; welverstaande, zover
onze beambten voorkwamen en prevenieerden de beambten van de particuliere heren
of de rechters van hun steden, landen of heerlijkheden, kennis nemende, in geval
van verhindering van genoemde zaken, verplicht zijn de verbeurdverklaring toe te
wijzen en toe te staan, volgens de inhoud van dit ons bevel, behoudens, wat hun
verbeurdverklaringen en de gerechtskosten aangaat, hun recht, uitvoerig vervat
in zekere verklaring van ons, door ons daarop gemaakt, en gezonden naar onze
vorstelijke hoven en provinciale raden, op de 20sten November II anno
1519.
En, opdat onze genoemde rechters en beambten, die
de genoemde ketters, wederdopers en overtreders van ons voorschreven bevel en
gebod, gevangen genomen en gegrepen zullen hebben, onder voorwendsel, dat de
straffen te groot en te zwaar zouden schijnen te zijn, en alleen gesteld tot
vrees van de beschuldigde en misdadiger, geen reden zouden hebben, met hen hun
medeplichtigen en begunstigers te huichelen, of hen lichter te straffen dan zij
verdiend hebben, zoals men dikwerf bemerkt heeft, dat geschied is, willen wij,
dat degene, die zich met hun weten tegen dit bevel zullen gedragen hebben, door
bij zich te houden, te drukken, verkopen, verspreiden of bekend maken enig
ketters en schandelijk boek, geschrift of schilderij of iets gedaan en verricht
te hebben tegen de artikelen hierboven of onder vermeld, of iets van die aard,
waarlijk gestraft en gekastijd zullen worden, zoals boven is verklaard.
Verbiedende al onze leden van de rechtbank, beambten en rechters, mitsgaders
onze onderhorigen en onderdanen, wereldlijken heren, behorende tot het hoge
gerechtshof en hun beambten, de voorschreven straffen te verminken, te
verzachten en te veranderen; maar als hun gebleken zal zijn de voorscheven
overtreding, de voorschreven straffen zonder achterhouding te verklaren en te
bevelen, navolgende het tegenwoordig bevel, op straf van verlies van hun staten,
ambten, rechtsgebied, en hoge rechtelijke bedieningen, en onbevoegd verklaard
worden ten eeuwige dag om enig ambt te mogen bezitten of te bedienen, en
daarenboven nog naar goedvinden te worden gestraft. Bevelende al onze beambten,
ons mee te delen of aan onze genoemde zuster, de koningin-regentes, wanneer de
rechters en raadsheren of anderen, kennis hebbende van de voorschreven
overtreders, bezwaar maken onze voorschreven bevelen op te volgen en de
voorschreven straffen vast te stellen en toe te passen, om tegen hen
rechtsingang te verlenen bij de voorschreven straffen; en onze procureurs zulke
besluiten jegens hen te nemen, als zij naar de aard der zaak redelijker wijze
zullen goedvinden.
Verder, wanneer enige van de bedoelde ketters of
wederdopers, die beschuldigd of gedaagd werden, naar het buitenland vertrokken
of gevlucht zijn, en zich hebben verborgen gehouden, zodat men hen niet
behoorlijk kon straffen, maar alleen in de ban doen, wetende, dat hun
geestverwanten en aanhangers gestorven of ter dood gebracht zijn, zodat het de
beambte onmogelijk zou zijn omtrent hem overtuigend en genoegzaam te doen
blijken, dat zij ketters of wederdopers zijn, en onder dit voorwendsel, en hen
in dit opzicht vertrouwende, hen dagelijks helpende met verzoekschriften om
brieven van ontschuldiging, of andere voordelen in rechterlijke zaken te
verwerven, wat de bedoelden ketters en wederdopers ongepaste aanleiding en reden
zou geven tot hun dwalingen en verkeerde leringen terug te keren, en die in onze
genoemde landen te verspreiden, tot groot gevaar, schande en ontering van hen en
van onze onderdanen, willende daarin voorzien, verbieden wij de hoofden van onze
vorstelijke hoven en voorzitters van onze provinciale raden, de bovenbedoelden
verdachten en beschuldigden wegens genoemde ketterij en herdoop, die eens
rechterlijk opgeroepen, doch niet verschenen waren, maar zich bij voortduring
laten uitbannen, te schenken, verlenen of doen verlenen enige ontheffing van
rechterlijke straf, om hen van die blaam te zuiveren of in onze voorschreven
landen toe te laten te vertoeven; maar verklaren, dat zulke vluchtelingen en
ballingen als overwonnen zullen worden beschouwd, en tegen hen rechtsingang zal
worden verleend met toepassing van de voorschreven
straffen.
Insgelijks verbieden wij ook een iegelijk, van
welke staat of rang hij ook zij, op straf van gehouden te worden voor
begunstiger van de ketters, ons of aan onze raden macht hebbende, gratie te
verlenen aan de bovenbedoelde vluchtelingen, ballingen of wederdopers of andere
besmetten, verzoekschriften te helpen indienen, om gratie te bekomen van hun
misbruiken, dwalingen, ketterijen en overtredingen van onze bevelen, welke wij
zonder enige schikking door wie het ook wezen mag, zonder weten en bepaald bevel
van ons of van onze genoemde zuster de koningin, op straf van eeuwig onbevoegd
te worden verklaard, om te mogen hebben of bedienen enig opperbestuur, ambt of
staat in onze genoemde landen, en daarenboven naar goedvinden gestraft te
worden. Verbiedende ook allen advocaten, procureurs, schrijvers, rechtsgeleerden
en lagere beambten, zulke verzoekschriften te maken, te schrijven of aan te
bieden, onder bedreiging van dezelfde straf.
Bevelen en gebieden ook, dat niemand
kwijtschelding zal mogen toestaan van een vonnis, gegeven door de inquisiteurs,
bisschoppen en hun beambten, zonder eerst en tevoren de bedoelde kwijtschelding
te vertonen aan de leden van onze geheimen raad, en daarop te verwerven onze
brieven van toelating in zoverre de zaak daarvoor vatbaar
is.
Voorts, aanmerkende dat de bedoelde sekten en
dwalingen voornamelijk voortgevloeid zijn zowel door de menigte van
verschillende boeken, geschreven door veroordeelde en ketterse schrijvers, zo
ook, dat verscheidene drukkers, boekverkopers, en verhuurders van boeken en hun
bedienden en medehelpers, vervalst hebben de Bijbels en andere goede boeken van
verschillende wetenschappen, overgezet in vele talen. En dat enige onderwijzers
hen hebben ter zijde gestaan met de kinderen voor te lezen en te leren vele
boeken, die niet betamelijk zijn, noch dienstig om de jeugdige scholieren er uit
te onderwijzen; begerende daarin te voorzien, en een orde vast te stellen,
waarnaar de bedoelde drukkers, boekverkopers en onderwijzers zich voortaan
hebben te gedragen, hebben wij bevolen en bepaald, bevelen en bepalen voor gebod
als boven:
Dat niemand, van welke staat, rang, stand of natie
hij ook wezen mag, zal mogen drukken of doen drukken in onze landen, waar ook
gelegen, enige boeken, verzen, balladen, liederen, brieven, voorspellingen en
almanakken, noch enige andere zaken, oude of nieuwe, van de Heilige Schrift, of
van enige anderen aard en in welke taal het ook zij, tenzij hij eerst en tevoren
van onzentwege vergunning zal hebben ontvangen om te mogen drukken, en daartoe
onze toestemming en toelating te hebben verkregen. En dat de genoemde boeken,
verzen, balladen, liederen, brieven, voorspellingen en almanakken eerst
onderzocht zullen worden door de beambte van die plaats, of door enige daartoe
bevoegd verklaard of daartoe de bevoegdheid te geven, en dat men daarop
vergunning en verlof van ons zal verkregen hebben om te mogen drukken; op
gelijke straf als boven, indien in de genoemde boeken, verzen, balladen,
liederen, brieven, voorspellingen en almanakken enige dwaling gevonden wordt bij
overtreding daarvan gebannen te worden ten eeuwige dag uit al onze genoemde
landen, waar ook gelegen, en bovendien te betalen de boete van drie honderd
Karolusguldens, en die te verhalen op en te ontvangen uit de bezittingen van de
overtreders.
En zullen de meesters en voorname drukkers
gehouden worden het werk te verantwoorden van hun metgezellen en knechten, die
bij hen in de drukkerij werkzaam zijn, en de zaak helpen uitoefenen. Welke
metgezellen en knechten wij verbieden, op deze straf, iets te drukken in hun of
andere huizen, of in andere geheime of ongewone plaatsen, buiten de werkplaats
en de winkel van hun meesters.
Dat men onze brieven van verlof, toestemming en
vergunning om te mogen drukken, niet zal mogen geven, dan nadat de bedoelde
drukkers bewijzen zullen hebben gegeven van hun betrekking, toestand,
bevoegdheid, goede naam, faam en gerucht.
Dat al degenen, die zulke brieven van verlof,
toestemming en vergunning verkrijgen, gehouden zullen zijn, voor zij daarvan
gebruik maken, de eed te doen in handen van zulke personen en beambten, als bij
de genoemde brieven daartoe bevoegd zullen zijn verklaard en te onderhouden en
te onderzoeken wat hierna volgt, op verbeurte van hun
leven.
Vooreerst, dat zij niet zullen drukken, noch doen
drukken enige boeken, verzen, balladen, liederen, brieven, voorspellingen,
almanakken, of enige andere zaken, hetzij oud of nieuw van de Heilige Schrift,
of van anderen aard en in welke taal het ook zij, tenzij die eerst onderzocht
zijn door enige van hen, die wij daartoe aangewezen hebben, of zullen aanwijzen,
en van ons hebben verkregen verlof, vergunning en bijzondere toestemming,
verleend en gegeven na het genoemde onderzoek, om de genoemde boeken, verzen,
liederen of enige andere zaken te mogen drukken.
Dat zij ook niet zullen drukken of doen drukken
enige der voorschreven zaken, anders dan in die stad, waar hun dit bij de
gezegde brieven is veroorloofd en toegestaan. Dat zij voorts gehouden zijn bij
alles, wat zij drukken de korte inhoud voor het werk te stellen van genoemde
brieven van octrooi of privilegie met handtekening van de secretaris, die deze
afgegeven heeft, benevens de naam en toenaam des drukkers en de plaats en het
jaartal van de druk des werks.
Dat, als zij genoemde brieven van octrooi en de
kopie der boeken of stukken waarvoor zij consent hebben, ondertekend door de
gecommitteerde der visitatie, zullen hebben bekomen, zij gehouden zijn alvorens
dezelve te verkopen of verspreiden, de kopie en een der gedrukte boeken of
stukken aan gezegden gecommitteerde ter hand te stellen om dezelve behoorlijk te
vergelijken. En, als dezelve conform worden bevonden, gezegde kopie te laten in
handen van de gecommitteerde, om, des nodig, daarmee verantwoordelijk te zijn,
ten allen tijd en stond als hem zulks zal worden verzocht; alles op straf van
verbeurte van gezegde brieven van octrooi en naar bevind van zaken te worden
gekastijd.
En, om te voorzien in de gevallen, dat boeken als
anderszins niet in onze Staten gedrukt, bij boekverkopers of uitgevers worden
gedeponeerd, bevelen en gebieden wij, dat niemand, van wat staat of beroep, zal
mogen verkopen of doen verkopen enige boeken, verzen, balladen, liederen,
brieven, almanakken of andere geschriften, in het openbaar of het geheim, tenzij
hij bij ons of onze gezanten in de landen, waar hij gezegde werken zal willen
verkopen of doen verkopen, daartoe geapprobeerd zij.
Dat bij degenen, wie het vergund is om boeken en
ander drukwerk te verkopen, zulks niet mag geschieden tenzij zij gedrukt zijn
bij gezworene en geadmitteerde drukkers met bijvoeging der bovengenoemde
privileges. Ook zullen zij geen boeken of anderszins in vreemde landen gedrukt,
mogen ver' kopen zonder kennisgeving aan de gecommitteerde, alvorens hun balen
te ontsluiten en te ontpakken, opdat deze of zijn zaakgelastigde daarbij
tegenwoordig zij, om de boeken na te zien voor het te koop stellen of verkopen,
met verbeurte van het leven, indien men bevond, dat zij enige boeken verkocht
hadden, die dwaling bevatten, en een boete van twintig Karolusguldens voor elk
boek, geen dwaling inhoudende.
Dat van onze raad niemand worde veroorloofd boeken
te verkopen dan die ter goeder naam bekend zij en zwere deze onze ordonnantie na
te komen. Ook zal deze moeten wonen in vaste of geprivilegieerde steden, in
welke stad hij alleen zijn boeken zal mogen verkopen.
Dat van nu voortaan alle boekverkopers in hun
winkels openlijk ten toon moeten hangen een lijst van alle verboden boeken
volgens de verklaring van de Universiteit van Leuven, teneinde de kopers geen
onkunde zouden kunnen voorwenden, op straf van honderd Karolusguldens. Alsook
een lijst van de boeken in hun winkel voorhanden, zonder een enkele daarvan te
verzwijgen, met toepassing van dezelfde straf. En, opdat dit alles te beter
worde nagekomen, zullen de beambten van de plaatsen waarboeken verkocht worden,
met een deskundige tweemaal des jaars al de winkels visiteren van de voorzegde
boekverkopers, teneinde op hen de voormelde straf toe te passen, indien hij hen
enige verboden boeken gevonden worden.
En zullen gezegde beambten ten allen tijde en
stonden, zo dikwijls hun goeddunken zal, deze visitatie houden, en zullen
verkopers verplicht zijn telkens, als hun dit verzocht wordt, hun huizen en
winkels open te stellen en de lijst te vertonen, op straf van honderd
Karolusguldens. Deze visitatie zullen zij ook verplicht zijn te ondergaan, al is
het dat zij enige vrijheden en privileges te die opzichte genieten zonder
onderscheid van jurisdictie of rechterlijke macht, en zullen wij zonder aanziens
des persoons in deze handelen, om de algemene welvaart te bevorderen, onrust en
stoornis te voorkomen, bovenal ten gunst van ons heilig christelijk
geloof.
Ook wordt bij deze aan alle kramers of venters,
uitgezonderd aan gepriviligeerde boekverkopers, verboden, enige boeken,
getijboekjes, liedjes, balladen, verzen, almanakken of anderszins gedrukte
stukken uit te stallen of in de achterbuurten uit te venten, op verbeurte van
gezegde boeken en straf naar bevind van zaken.
En, om te voorkomen dat de kinderen in hun eerste
jeugd verkeerd zouden worden onderwezen, zo bevelen wij, dat voortaan niemand,
van wat staat of stand hij zij, een openbare school zal mogen houden, om de
jeugd, jongens en meisjes te leren lezen, schrijven en spreken in wat taal ook,
tenzij hij eerst bevoegd worde verklaard door de hoofdbeambte der plaats en van
de geestelijke der parochiekerk, onder welke hij zijn verblijf zal willen
houden, of van de hoofdstukken en superintendenten, die daarop vanouds toezicht
hadden, op straf van twaalf Karolusguldens bij een eerste overtreding,
vierentwintig bij een tweede en voortdurende verbanning van de plaats zijner
woning. Wel te verstaan dat voorzegde beambten, geestelijken, superintendenten
of andere autoriteit van toezicht over de schoolmeesters, goed toezicht zullen
houden om daartoe aan te stellen personen van goede naam en faam, die onder geen
verdenking liggen van valse lering, op straf dit op ben te verhalen, indien
daarin enige nalatigheid bevonden worde. Dat degenen, die alzo bevoegd verklaard
zijn om school te houden, geen boeken zullen mogen voorlezen of gebruiken in de
bijzondere scholen, dan zulken, die daartoe aangewezen zijn met toestemming en
verklaring van onze Universiteit te Leuven, gedateerd als
boven.
En, hoewel naar onze mening onze tegenwoordige
ordonnantie van voortdurende kracht is, zonder de noodzakelijkheid deze telkens
bekend te maken en uit te roepen na de eerste publicatie, zo willen wij, opdat
niemand der vreemdelingen of der jonge lieden onkunde voorwende, dat om de zes
maanden, namelijk St. Jansavond in de zomer en Kerstavond in de winter, door
elke beambte van de voornaamste steden en andere plaatsen van onze landen, waar
men gewoon is te publiceren en uit te roepen, opnieuw worde bekend gemaakt, op
straf van tien Karolusguldens, die bij gebreke van die, door de beambte zullen
betaald worden ten onze profijt voor de eerste maal, en twintig Karolusguldens
voor de tweede maal. En indien hij voor de derde maal mocht bevonden worden
nalatig te zijn, zal hij van zijn ambt, zonder nadere verklaring, vervallen
verklaard worden en hetzelve mitsdien als vacant worden beschouwd. En bevelen
wij, of de nieuwe publicatie al of niet gedaan zij, dat de overtreders zullen
worden gekastijd met de daarop gestelde straffen, zonder aanzien des persoons en
zonder geldigheid van het voorwendsel, alsof de nieuwe publicatie niet ware
gedaan.
Waarom wij onze Raad van State, onze geheimen
raad, de president en de leden van onze groten raad in Brabant, de stadhouder,
de president en de leden van onze raad in Luxemburg, de stadhouder, de kanselier
en de leden van onze raad in Gelderland, de stadhouder van Limburg, Valkenburg,
Dalhem en andere onzer landen in het Overmaassche, de gouverneur, de president,
en de leden van onze raad in Vlaanderen en Artois, de Groot-Baljuw en de leden
van onze raad in Henegouwen, de stadhouder, de eerste en anderen raden in
Holland, de gouverneur, de president en de leden van onze raden in Namen, de
stadhouder en de leden van onze raad in Friesland, de stadhouder van Overijssel
en Groningen, de stadhouder, de president en de leden van onze raad in Utrecht,
de gouverneur van Rijssel, Douai en Orchies, onze provoost van Valenciennes, de
rentmeester van Bewester- en Beooster-Schelde in Zeeland, de schout van Mechelen
en allen anderen onze rechters, leden der rechtbank en officieren van Justitie,
en die van onze vazallen, hun stedehouders, allen en een iegelijk bevelen en
gelasten wij bij deze, dat ze ons tegenwoordig bevelschrift, wet en gebod naar
de voorschreven wijze zullen uitroepen en publiceren, of doen uitroepen en
publiceren, een ieder in zijn gebied en behoorde, om ten eeuwige dag te
onderhouden en waar te nemen al de artikelen daarin vervat; in rechten
betrekkende en doende betrekken alle overtreders en ongehoorzamen bij toepassing
van de bovengemelde straffen, zonder enige gratie, verschoning of verzachting,
zonder recht van beroep, of enig aanzien van ordonnantiën, statuten, privileges
en gebruiken daarmee in strijd, welke wij geen geldigheid in deze toekennen;
maar hebben wij naar wijs beleid, gezag en volle macht tot hetzelve besloten en
besluiten bij deze, al zulks te doen met onze volkomen macht, gezag en bijzonder
bevel. Waarom wij elk en een iegelijk bevelen en gelasten, dit ernstig ter harte
te nemen en daaraan te gehoorzamen, als zijnde dit ons stellig believen. Tot
welk einde wij deze oorkonde van ons zegel hebben
voorzien.
Gegeven in onze stad Brussel, de voorlaatste dag
van April, in het jaar onzes Heeren Duizend vijf Honderd en vijftig, van ons
keizerrijk het een en dertigste en van ons rijk van Castilië en andere het vijf
en dertigste.
Aldus omschreven:
Bij de Keizer in zijn raad.
Was getekend,
VEREYCKEN.
En hoewel dit Plakkaat zonder enig bezwaar in
verschillende provinciën en steden naar ouder gewoonte is afgekondigd geworden,
zo heeft hetzelve terstond in alle landen bij ieder grote vrees, opspraak,
morren en achterdocht verwekt, en enige steden, daarin bezwaar ziende, hebben
niet willen gedogen, dat hetzelve daar zou afgekondigd worden, omdat zij
duidelijk inzagen, dat dit met haar ondergang zou eindigen. Antwerpen vooral
heeft daartegen zwarigheid gemaakt en geweigerd hetzelve uit te roepen, alvorens
zelf daartegen eerst gehoord te zijn. Want, zodra was dit plakkaat niet bekend
geworden, of vele kooplieden maakten zich gereed om te vertrekken; zij schorsten
hun handel, kochten en verkochten geen goederen meer, zodat de gewone nering in
grote mate verminderde, de waarde der huizen daalde, en de gemene burger zich
nering en geldeloos bevond, en stad met ondergang werd bedreigd. Daarom hebben
zij door verstandige mannen, nauwkeurige kennisneming laten doen van alle
ongevallen, die reeds uit vrees voor de Inquisitie waren voortgesproten, en nog
dreigden voort te spruiten. Deze hebben een groot aantal kooplieden, inwoners
der stad en anderen in de brede gehoord, en hun getuigenis en verklaring naar
behoren op geschrift gesteld, al hetwelk zij met uitvoerige schriftelijke
bewijzen uit de genoemde kennisneming, de Plakkaten, privileges en herkomsten
van de Lande en de stad en anderszins door hun eed bevestigd, door hun
afgevaardigden ten hove hebben gezonden, ter inzage van de loffelijke koningin
Maria van Hongarije, Landvoogdes vanwege de keizer in de Nederlanden en
buitendien aan alle heren en raden voorgesteld het kwaad, dat daaruit zou
voortkomen, met verzoek dat zij benevens de keizerlijke majesteit zou willen
vergunnen en gebieden, dat hun stad van de Inquisitie mocht verschoond blijven,
en volgens hun privileges niet aan het geestelijk onderzoek onderworpen
worden.
De raad van Brabant de zaak overwegende, heeft de
vrijheid der landen voorgestaan, en tot sterking van Antwerpen zich tegen de
Inquisitie en het Plakkaat verklaard; ook de andere steden van Brabant hebben
evenals Antwerpen geweigerd het Plakkaat af te kondigen. Kortom, de klachten en
vertogen, de benauwdheid en opspraak van groot en klein, zijn zo menigvuldig
geworden, en de ondergang des lands was voor allen zo duidelijk, dat de
goedhartige en vaderlandlievende koningin in persoon naar haren broeder, de
keizer, op de rijksdag te Augsburg is gereisd, en zijn Majesteit zozeer
overtuigd heeft, dat het plakkaat enigszins is gewijzigd en verzacht; nochtans
heeft Antwerpen zwarigheid gemaakt het Plakkaat te laten afkondigen, omdat zij
vernomen hadden, dat enige geestelijken in het geheim tot inquisiteurs waren
aangesteld, totdat men hun vast beloofd en toegezegd heeft, dat zij met generlei
Inquisitie hoegenaamd zouden gekweld worden, maar dat de inwoners en kooplieden
zouden blijven bij hun oude vrijheden en privileges, waarom zij ook tegen de
toelating der voorzegde uitroeping bij twee afzonderlijke akten hebben
geprotesteerd op de vierde en vijfde November vijftienhonderd
vijftig.
Hoewel het nu scheen, dat het ontstane gemor en de
gevreesde oproerigheid der gemeente gestild en gedempt was, zo is de haat en
afkeer van velen tegen de Inquisitie en de vervolging zeer toegenomen, want, hoe
groter de vervolging werd, hoe groter menigte de roomse kerk verliet en de
gereformeerde religie aannam. Temeer was dit het geval, omdat zij bespeurden,
dat niettegenstaande de gemaakte bezwaren tegen de Inquisitie, degenen, die door
de paus en de keizer tot geheime inquisiteurs waren aangesteld, zoals Ruard
Tapper en Remigius Driutius niet aflieten alles in het werk te stellen om aan
hun last gevolg te geven, en niet alleen zij, maar ook andere geestelijken, hun
ondergeschikten, als Mr. Petrus Titelmannus, Wilhelmus Lindanus, Franciscus
Sonnius en anderen daartoe aangesteld, die zich niet hebben ontzien, in sommige
provinciën, waar het genoemde Plakkaat van April was uitgeroepen, in gevolge hun
last enigen te vervolgen en te doden, voornamelijk in Vlaanderen, Holland,
Henegouwen, Artois, Doornik, Rijssel en elders, hetwelk het volk zeer verdroot,
als zij vernamen en hoorden de wreedheid, gierigheid en zonderlinge
voorstellingen der inquisiteurs, en als zij zagen het verloop van veel volks als
gevolg van de kwellingen en vervolgingen der inquisiteurs, zo zelfs dat
West-Vlaanderen en andere plaatsen geheel ontbloot werden van rijkdom en
handwerkslieden. Dit was de aanvang van de ondergang der
Nederlanden.
Na de lezer aldus ingeleid te hebben, gaan wij
voort met het verhaal van de martelaren, die in het jaar vijftienhonderd vijftig
hun leven gewillig voor de getuigenis der goddelijke waarheid hebben
afgelegd.
[JAAR 1550.]
Faninus, uit een stad in Italië, Faventia genaamd,
had in zijn jeugd geen kennis aan de goddelijke waarheid, doch later heeft hij
de Heilige Schrift met allen ijver gelezen, voorzover die in het Italiaans was
overgezet, wel wetende, dat de kracht des eeuwige, almachtige Gods niet gebonden
was aan een bepaalde taal, als Hij de mens Zijn goddelijke wil en Zijn kennis
wil openbaren, zo heeft hij zich beholpen met zijn gewone taal en daarin zeer
naarstig de goddelijke Schrift onderzocht.
Nadat hij dit gedurende lange tijd bad gedaan en
de zoete vrucht der godzaligheid had gesmaakt, wilde hij uit dankbaarheid aan
God, de schat, hem gegeven en toebetrouwd, niet voor zichzelf alleen behouden,
maar die aan zijn broeders deelachtig maken, want hij wist maar al te goed, dat
het de mens niet betaamt, als God hem door Zijn Geest heeft verlicht en de
kennis van Zijn wil geopenbaard, die zo kostelijke en dierbare waarheid verholen
te houden en te begraven. Zo is hij begonnen deze kennis van het Evangelie van
onze Heere Jezus Christus in verscheidene plaatsen te openbaren en te
verbreiden. Niet dat hij zijn gevoelen openlijk aan een ieder bekend maakte,
maar het dacht hem genoeg, als hij iemands lust daartoe kon
opwekken.
Maar, daar de dienaren van de paus zijn voornemen
gewaar werden, hebben ze met allen ijver getracht om Faninus gevangen te nemen,
zoals dan ook geschied is.
Toen hij daar in de kerker lag, werd hij door
bidden en smeken van zijn vrouw, kinderen en vrienden zo ver vervoerd, dat hij
de leer en de waarheid van het heilig evangelie verloochende, en dientengevolge
uit de kerker is vrijgelaten.
Maar, nadat hij uit de gevangenis was verlost,
werd hij zo beroerd en weemoedig van hart, dat hij tot algehele wanhoop scheen
te zullen vervalen. En voorzeker, ware hij niet door de alvermogende hand Gods
behouden, en door zijn overvloedige barmhartigheid bewaard, dan zou hij tot de
verschrikkelijkste wanhoop vervallen en daarin bezweken zijn. Want hij wist zeer
goed, dat hij Jezus Christus, Die Hij tevoren met alle macht had aangegrepen, en
met goede vrucht des Geestes had beleden, nu meinedig en onwaardig had
verworpen, opdat hij in dit leven bij zijn huisvrouw en kinderen zou mogen
blijven, en daarmee had getoond, dat hij de zijn liever had dan de ere en liefde
des Zoons Gods. Zijn geweten plaagde hem zozeer, dat hij dag noch nacht rusten
kon. Hij begon dan ook zijn zware zonden bitterlijk te bewenen, omdat hij Jezus
Christus de Heere der heerlijkheid, Die voor hem was gestorven, en Zijn Heilig
Woord, zo schandelijk verloochend had. Hij sleet zijn leven dan ook zo droef
geestig, dat niemand hem na die tijd vrolijk heeft gezien, totdat hij tijd en
gelegenheid vond om met moed zijn arbeid en dienst de Heere getrouwelijker te
bewijzen, dan hij tevoren gedaan had.
Als hij nu moed had gevat om de zaak der waarheid,
welke hij had verzaakt, met een vroom gemoed wederom aan te vatten, en alle
vrees voor gevaar had overwonnen, is hij begonnen de Romagna, waarin Faventia
gelegen is, te doorreizen, en verkondigde met zulke kracht en vuur in de steden
het Evangelie, dat allen, die het hoorden, zich zeer verwonderden. Kwam hij in
plaatsen of steden, waar men niet gewoon was het Woord Gods openlijk te horen,
dan ging hij tot afzonderlijke mensen, opdat hij weten zou, wie er geschikt was
de leer van het Evangelie te vatten, die hij dan ook met grote naarstigheid
poogde te brengen tot de kennis van de wil van God en van hun eigen
zaligheid.
In het onderwijzen der mensen had hij de gewoonte,
zei hij, eerst hun goddeloze meningen en dwalingen uit hun hart te verbannen,
waarin zij verstrikt waren, opdat zij de boosheid, waarin zij tot dusver
verkeerd hadden, zouden bekennen en gevoelen; daarna bracht hij hen tot een
beter leven en gevoelen en onderwees hen in dier voege, dat zij naderhand tot
meerder kennis der waarheid kwamen. Hij achtte het zeer veel, als hij bij het
verlaten ener plaats twee of drie in de goddelijke leer wel onderwezen had,
opdat een iegelijk hunner ook anderen leren en onderwijzen konden, en als zij
dit deden zou der gelovigen getal zeer toenemen.
Terwijl Faninus aldus arbeidde, werd hij weer
gevangen genomen in een plaats, Bagnacanallo genaamd. Toen hij daar veroordeeld
was, om verbrand te worden, begon hij te lachen, zeggende, dat zijn uur nog niet
was gekomen, maar dat dit slechts de aanvang was zijner onderwijzing, om anderen
des te beter te helpen; en dit is ook bewezen de waarheid te zijn, want terstond
daarna werd hij naar Ferrara gevoerd, waar vele gelovige mensen door zijn
godvruchtige vermaningen geen kleinen troost ontvingen, in de vrees Gods en de
waarachtige godsdienst geleerd, en in de genade des Heeren meer en meer zijn
versterkt geworden.
Maar de paus, vrezende dat zijn bedoelingen aan
het licht zouden komen beval, dat men Faninus in een sterke en enge gevangenis
zou sluiten. Zo was hij zestien maanden in het binnenste van het slot
opgesloten, waar hij zware pijnigingen heeft ondergaan, en hij zou nog meer
geleden hebben, als de Jakobijner monniken hem in hun macht hadden kunnen
krijgen. En, ofschoon zij zijn gevangenschap gedurig verzwaarden en veranderden,
en hem in vuile hokken opsloten, is hij toch niet van gezindheid veranderd, maar
steeds volhardend en standvastig gebleven in zijn geloof in Jezus
Christus.
Soms was hij met anderen in een kerker, soms
alleen, maar onder alles was hij tevreden; was hij alleen, dan schreef hij iets,
waar hij anderen door stichten kon; was hij met anderen, zo leerde en vermaande
hij hen tot alle godzaligheid. Ten laatste was hij samen in een kerker met velen
die hoofden en aanvoerders waren van de oproermakers, die Italië dikwijls in
geschil en tweedracht brachten, door wie deze godvruchtige man dikwijls is
bespot geworden. Want dit gespuis dacht slechts, als hij zo sprak, dat hij
droefgeestig van aard was en niet wel bij zijn verstand, en, als waren zij
verstandige lieden, begonnen zij hem te vermanen, zeggende, dat men zulke
gedachten behoorde af te leggen en met de mensen in vrijheid leven; dat men
zichzelf daarmee niet behoorde te kwellen, maar die zaken moest laten rusten,
tot er door het algemeen concilie over beslist was. Faninus, als een zedig en
liefderijk mens, bedankte hen voor de zorgvuldigheid ten opzichte van hem; maar,
bewees hun tegelijk, dat de leer, die hij standvastig voorstond, uit geen
menselijke hersenschimmen of dromerijen ontstaan was, maar dat zij was de
zuivere waarheid Gods, geopenbaard in het Woord en Evangelie van Jezus Christus,
in deze tijd wederom aan het licht gebracht; dat hij ver af was deze waarheid te
willen verlaten en de leugens der mensen aan te hangen. En omdat hij een
christen was, gebruikte hij de volkomen vrijheid, want, zei hij, in welke plaats
wij ons ook bevinden, zijn wij in de gevangenis naar het lichaam en de zonde,
maar naar de ziel genieten wij evenwel de heerlijkste vrijheid. Wat het concilie
betreft, zo verwachtte hij geen ander besluit dan dat wij in het Evangelie
lezen; want toen Jezus Christus de blijde boodschap en zaligheid op aarde
bracht, gaf Hij geen ander concilie of bevel, maar heeft het met zijn dood
bevestigd, waarom men geen andere bevestiging of versterking van concilie nodig
heeft. Met dergelijke redenen bracht hij hen zozeer aan het wankelen, dat hij
hen tot een beter leven bracht, en zij zich zeer over hem verwonderden, en hem
als een heilige man beschouwden. Toen hij dit bemerkte, sprak hij ben dus aan:
“Mijn lieve broeders, ik belijd zelf een ellendig en zondig mens te zijn; maar
door het geloof, waardoor ik de genade onzes Heeren Jezus Christus deelachtig
ben, worden mij al mijn zonden vergeven, gelijk die ook u zullen vergeven
worden, zo gij de zekere getuigenis van het evangelie van de genade Gods vast
gelooft."
Daar waren ook nog andere gevangenen, die wat
zachter en eerlijker leven gewoon waren, aan welke het harde en benauwde lot des
kerkers en de ongewoonte zeer bang en pijnlijk viel: maar in de tijd dat Faninus
in de gevangenis was, waren zij zo verheugd, dat zij de ongewone benauwdheid
niet gevoelden, hun gevangenschap hun niet zo zwaar viel, en zij niet zo sterk
naar hun verlossing reikhalsden, maar zich in zulk een gevangenschap leerden
verblijden, waardoor zij tot grotere vrijheid geraakten dan ze ooit tevoren
hadden genoten.
Toen de ouders van Faninus vernamen, hoe het met
hem gesteld was, begrepen zij maar al te duidelijk, dat hij in groot
levensgevaar verkeerde. Daarom kwamen tot hem zijn huisvrouw en zijn zuster
wenende, omdat zij zozeer verlaten waren. Het was een hartroerend toneel, om te
zien, hoe deze twee vrouwen hem met vele tranen baden en vermaanden, dat hij,
als hij al geen acht op zichzelf hebben wilde dan toch acht wilde nemen op zijn
kinderen om voor hen te zorgen. En, hoewel dit zijn hart diep schokte en roerde,
heeft hij met verwonderlijke en mannelijke kracht van het geloof deze verzoeking
weerstaan, zodat allen, die het hoorden en zagen, zich verbaasden. "Mijn Heer en
Meester," zei hij, “heeft mij niet geboden, dat ik Hem zal verloochenen, om mijn
huisgezin voor te staan. Laat het u genoeg zijn, dat ik om uwentwil eenmaal tot
ontrouw ben vervallen, zoals gij ook zeer wel weet; doch ik zou tot zulk een
schandelijken val niet gekomen zijn, indien ik zulk een grote kennis had gehad,
als Hij mij na de val heeft geschonken. Ik bid u daarom, gaat naar huis in
vrede, want ik weet voorzeker, dat God mij tot deze dag, in Zijn dienst heeft
gebruikt. Nu is mijn einde naderende, dat ik uit dit leven tot Hem gaan zal.
Toen gingen de vrouwen heen onder veel zuchten en geween, maar zijn hart bleef
ongeschokt in deze wonderlijke vroomheid standvastig
volharden.
Maar na de dood van paus Paulus, zond zijn
opvolger, Julius de derde, brieven met het bevel om hem te doden. Daarop werd
een dienaar der overheid tot hem gezonden, om hem aan te zeggen, dat hij des
avonds naar de gewone gevangenis zou vervoerd worden, omdat hij ter dood
veroordeeld was en sterven moest. Toen omhelsde Faninus de dienaar, die hem de
dood aankondigde, kuste hem zeer hartelijk, en dankte hem voor zo blijde en
aangename boodschap. "De dood," zei hij, "lieve broeder, die gij mij aankondigt,
onderga ik van hart graag, om mijns Heeren en Zaligmakers Jezus Christus wil,
die Zijn eigen leven niet heeft gespaard, om mij van de dood te verlossen."
Daarop hield hij een treffende aanspraak over het eeuwige leven en de eeuwige
zaligheid voor degenen, die daarbij tegenwoordig waren. Onder deze vroeg hem
een, in welke toestand hij nu zijn kinderen achterliet en wie hun Da zijn dood
tot beschermer en bewaarder zijn zou? "Ik bid u, lieve Faninus," zei hij tot
hem, "dat gij u over uw kleine kinderkens, en over uw huisvrouw, die gij zozeer
bemint, wilt ontfermen." “Ik heb die," zei Faninus "aan een goede Voogd en
Beschermer aanbevolen, in wiens trouwe bewaring en toezicht zij altijd zijn
zullen." "Wie is dat?" vraagde deze. "De Heere Jezus Christus," antwoordde
Faninus, "de allergetrouwste Voogd en Bewaarder."
Bij zijn vertrek uit die plaats werd hij aan de
wereldlijke overheid overgeleverd, en daarna aan een kist van de strafrechter
gebonden. Toen hij nu in een kamer gesloten was, bevestigde men zijn voeten in
boeien, alleen aan zijn handen de vrijheid latende, overigens was hij aan zijn
gehele lichaam gekluisterd. Intussen mocht niemand uit de stad bij hem komen,
dan alleen van het huis en de dienaars van de strafrechter, of degenen, die bij
hem wat vermochten. Allen, die tot hem mochten komen, en dit waren er velen,
zeiden, dat hij van de duivel was bezeten, en dat hij door diens kracht alzo kon
spreken, want zo oordelen de verblinde wereldse mensen over de waarheid Gods;
maar toen zij zijn grote kloekmoedigheid en standvastigheid zagen en zijn
zachtmoedigheid en gerustheid van het hart tegenover de vervaarnissen en
afgrijselijkheden des doods, over niets sprekende dan over het Woord Gods,
brandende in ijver des goddelijke Geestes, begonnen zij, even als de anderen, op
hem te zien en aandachtig naar hem te luisteren.Als zij hem zo aangenaam en
overtuigend hoorden spreken, konden de vrouwen der raadsheren zich niet van
tranen onthouden, ja de scherprechter zelf, die hem van het leven moest beroven,
was bewogen. Faninus zei tot hen: "Mijn broeders, God zij met u. Bent gij hier
gekomen om u met mij te verblijden, dat ik uit deze wereld Daar de hemel ga tot
de Heere mijn God? En zijn ogen opslaande bad hij met zoveel aandrang, alsof een
vuur des ijvers in hem brandde. Na dit gebed was hij zo opgewekt en vrolijk van
hart en aangezicht, dat ieder hem begeerde te zien en bij hem te zijn, zo zelfs
dat degenen, die tot hem kwamen om hem moed in te spreken, zelf van hem
vertroost werden.
Een zekere notaris vermaande hem om te herroepen,
wat hij geleerd had, want dat het de wil van de paus niet was, hem te doen
sterven. Faninus antwoordde lachende: wanneer hij iets dat vals of kwaad was had
geleerd, dan zou hij licht door straf overwonnen worden; maar dat de waarheid zo
krachtig is, dat zij door geweld niet kan worden onderdrukt. Ook begeerde hij
niet verlost te worden, als daardoor de waarheid zou verduisterd of uitgeblust
worden. Maar de notaris daar latende, omdat het niet veel te beduiden had, wat
hij voorbracht, begon hij de Heilige Schrift te verklaren, altijd uit het hoofd,
de tekst in het Latijn aanhalende, zonder zich daarin te vergissen, tot grote
verbazing van zijn hoorders, die wel wisten, dat hij daarin niet zeer geoefend
was, waaruit zij besloten dat hij door de Geest Gods sprak. Vooral sprak hij
over die plaatsen, welke handelden over de rechtvaardigmaking, de Voorzienigheid
Gods en de andere hoofdwaarheden van het geloof.
In geheel zijn wijze van doen straalde vrolijkheid
en blijdschap door en hij scheen zich bovenmate te verheugen. Een der omstanders
vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zo vol vreugde en blijdschap was, daar toch de
Zaligmaker zeer bedroefd was, en, in zware strijd Zijns harten, bloed en water
had gezweet, Zijn Vader biddende, dat Hij niet zou sterven. Faninus antwoordde:
"De Heere Jezus Christus heeft, hoewel Hij zelf geen zonde gedaan heeft, het
oordeel Gods genoeg gedaan, door al onze krankheden op zich te nemen, en alle
smart en straf daarvoor te dragen, die wij voor onze zonden schuldig waren te
lijden, daarom heeft Hij in de hof en aan het kruis de smarten des doods en de
angsten der hel gedragen. Maar ik, die door het geloof de zegen van Jezus
Christus bezit, wordt daardoor boven mate met blijdschap vervuld, omdat ik door
de dood het eeuwig zalig en onvergankelijk leven zal
beërven."
Faninus aldus getroost en bemoedigd werd drie uren
voordat de dag aanbrak, naar de straat gevoerd, waar hij sterven moest, opdat
het volk niet horen zou, wat jij voor zijn dood zou zeggen. Men bracht tot hem
een kruis, zoals men bij misdadigers gewoonlijk doet. Toen hij het zag, zei hij
"Meent gij, dat gij de gedachtenis des Heeren Jezus Christus, Die in de hemel
leeft en regeert, maar door dit stuk hout kunt verlevendigen dan ik die in mijn
hart gedrukt heb? En, vallende op de knieën, bad hij de Heere vurig, dat Hij de
verstokte en verblinde harten dergenen, die er bij tegenwoordig waren, wilde
verlichten. Daarna zelf zich naar de paal begevende, met de strop om de hals,
beval hij zijn ziel aan God zijn hemelse Vader, en zo werd hij geworgd en daar
verbrand in het jaar onzes Heeren 1550.
[JAAR 1550.]
Niet lang daarna, in hetzelfde jaar en dezelfde
maand als dit te Ferrara geschiedde, handelde men op gelijke wijze te Piacenza,
want de slang moet het zaad der vrouw in de verzenen wonden, en zijn leden
kruisigen tot de jongste dag. Dominicus a Domo Alba, een burger van de stad
Basana, in het Venetiaanse, had in het vorig jaar Karel de vijfde tegen de
Duitsers gediend, en te die tijde het Evangelie van Jezus Christus in Duitsland
omhelsd. Hij verliet daarop spoedig de krijgsdienst, legde de wereldlijke
wapenen af, en nam de geestelijke aan, en werd alzo van een wereldlijk krijgsman
een krijgsknecht van Jezus Christus, en wendde alles aan, wat in zijn vermogen
was, wat hem in de leer van het evangelie kon stichten.
Zo is hij in korte tijd zeer toegenomen in de
kennis van Jezus Christus, zodat hij zeer vele vruchten gedragen heeft, zowel in
het leren als in het vermanen.
In het jaar vijftienhonderd vijftig is hij eerst
naar Napels gereisd, om daar het Woord Gods te verkondigen, en de listen en het
bedrog van de antichrist aan het daglicht te brengen. Ditzelfde deed hij ook in
vele steden en dorpen van Italië. Ten laatste kwam hij te Piacenza en begon daar
zeer vrijmoedig in het openbaar op de markt te prediken, sprekende vooral van de
oorbiecht, het vagevuur, de aflaten en andere dwalingen der roomse kerk onder
groten toeloop van een menigte volks, dat hem met grote belangstelling
hoorde.
Des anderen daags daaraan sprak hij weer op
dezelfde plaats van het zaligmakend geloof in deszelfs kracht en werking, ook
van de goede werken en van de mis, belovende de volgende dag nog breder daarover
te handelen, en de antichrist in al zijn kleuren te tekenen. Als hij nu die dag
zich bereidde om te prediken, kon de duivel het niet langer dulden, dat op deze
wijze de veelvuldige afgoderij en zijn opperste dienaar aan de kaak gesteld
zouden worden; daarom verwekte hij sommigen van zijn dienaren en werktuigen, die
zulks verhinderden, want, terwijl hij bezig was met prediken, kwam de
oppermarktmeester, sprak hem aan, gebood hem af te komen, waarop hij zijn
dienaars beval hem aan te grijpen en in de gevangenis te werpen. Dominicus was
weltevreden, zeggende, dat hij alles doen wilde, wat hij van hem begeerde, en
gewillig heengaan, waar hij het wenste. "Het verwonderde mij in grote mate," zei
hij, "dat de duivel dit zo lang kon lijden, en mij zo onverhinderd heeft laten
prediken."
Hem, werd door de vicaris des bisschops in het
Latijn gevraagd, of hij een priester was, en van wie hij de macht ontvangen had
om openlijk te prediken. Dominicus antwoordde hem in het Italiaans, zeggende,
dat hij geen Latijn verstond. Hij was geen Rooms priester, maar een priester van
Jezus Christus door wie hij ook, als van de hoogste en opperste bisschop, tot
het predikambt beroepen en gewijd was.
Voorts werd hem gevraagd, of hij al hetgeen hij
tegen de Roomse kerk gepredikt had, herroepen wilde, of dat hij het voor goed
hield en daarbij blijven wilde, met de bedreiging, als hij niet wilde herroepen,
dat hij de dood zou moeten sterven.
Dominicus antwoordde hierop getroost en
onverschrokken, dat hij al hetgeen hij geleerd had voor gewis, recht en
waarachtig erkende, dat hij ook, om die waarheid voor te staan, bereid was te
sterven en dezelve met zijn bloed te verzegelen; dat hij, wel ver van zulk een
dood te ontduiken, Gode veelmeer daarvoor dankte, dat Hij hem waardig, keurde
tot Zijn eer de dood te lijden.
Men wierp hem daarop in de gevangenis, waar hem de
monniken vermaanden zijn predikatie openlijk op de markt te herroepen in
tegenwoordigheid van al het volk; maar hij weigerde dit beslist en bekende
ongedwongen, dat hij liever tienmaal wilde sterven, dan van de Heere Jezus
Christus afvallen of Hem verloochenen.
De dag daaraan bracht men hem naar de markt, waar
men hem zou ophangen en worgen. En toen men hem vele roomse kunstenarijen en
dwaasheden voorhield, wendde hij zich daarvan af, en bad uit de grond zijns
harten tot God, dat Hij zijn moordenaars en allen, die aan zijn dood schuldig
waren, wilde vergeven al wat zij hem aandeden, omdat zij in hun onwetendheid
zich aan hem bezondigden.
En zo ging hij met grote vreugde en hartelijk
verlangen de Heere Jezus Christus in deze kostelijke dood te gemoed, in de
leeftijd van bijna dertig jaren, in het jaar 1550.
[JAAR 1550.]
Om de belijdenis der Evangelische waarheid werd
Maceüs Moreau te Troyes in Campagne gevangen genomen, en, aangezien hij
onwankelbaar en standvastig bij de godzalige belijdenis bleef, werd hij, in het
jaar na de geboorte van onze Heere Jezus Christus 1550, daar
verbrand.
[JAAR 1550.]
Johannes Godeau, te Chinod in Touraine geboren, en
Gabriël Beraudin, van Lodunen, die te Genève bij de gemeente Gods woonden,
werden te Chaffiberar gevangen genomen, omdat zij een priester, die in zijn
predikatie de naam van God had gelasterd, bestraften en vriendelijk
vermaanden.
Johannes Godeau werd het eerst in dezelfde stad,
waar hij de Evangelische leer onbevlekt en met kracht beleden en beschermd had,
verbrand, en wel in de maand April van het jaar 1550.
Beraudin was aanvankelijk bij het nadenken over de
gruwelijke dood een weinig wankelmoedig; maar later na de dood, die Johannes
onderging, werd hij in de belijdenis der waarheid derwijze bemoedigd en
versterkt, dat hij binnen weinige dagen op dezelfde wijze ter dood gebracht
werd. Bij die dood betoonde hij zich zo vroom, dat de vijanden der waarheid zijn
tong lieten uitsnijden, opdat hij niet meer spreken zou. Doch, bijgestaan door
de kracht des Geestes, begaf hem de spraak niet, en sprak hij bij voortduring zo
goed, dat men hem geschikt kon verstaan.
Toen de rechter, die hem ter dood bracht, dit
hoorde, bestrafte hij de beul, alsof deze de tong niet goed had uit gesneden. De
beul antwoordde hem zeer scherp en luid, zodat velen het hoorden, dat het in
zijn macht niet stond hem het spreken te beletten.
Deze beiden hebben zeer vele onwetende mensen tot
de kennis van de goddelijke waarheid gebracht, vooral door hun grote
standvastigheid van het geloof., die hun door Gods genade gegeven was, en welke
zij tot hun laatste ademtocht bewezen. Alzo hebben deze vrome martelaars het
geloof, dat zij te Genève in de gemeente Gods onderwezen hadden, zeer vroom
beleden en met hun bloed bezegeld, in het jaar 1550.
[JAAR 1550.]
Toen men te Edinburgh een rechterlijk vonnis over
Adam Wallach, die om de zuivere leer gevangen zat, vellen wilde, werd er de
17den Juli 1550, achter de kanselarij van het Jakobijnenklooster, een stellage
met vele banken en stoelen opgeslagen. Daarop plaatsten zich de stadhouder, vele
bisschoppen, abten, priors, graven, leraars en andere geestelijke en wereldlijke
personen. Bovendien werd er een stoel geplaatst, waarop de aanklager mr. Jan
Lande met een rood kleed en een rode muts, zitten en zijn aanklacht doen zou.
Nadat alles gereed was, werd Adam Wallach, een arm eenvoudig mens, door Jan van
Arnoek, de dienaar van de aartsbisschop van St. Andries, op de stellage
gebracht, en in het midden recht tegenover Jan Lande de aanklager en fiscaal
gesteld, die hem terstond naar zijn naam vroeg. De beklaagde antwoordde:"Ik heet
Adam Wallach." De aanklager zei: “Het doet mij van harte leed, dat gij ellendig
mens met uw schandelijke woorden deze eerwaarde vergadering lastig valt." Adam
zei: "Ik heb gesproken, zoals God mij geleerd en genade geschonken heeft, en
mijn woorden waren niet ergerlijk noch schandelijk." De aanklager: "Och dat gij
nooit in een van uw levensdagen een woord gesproken had! Want gij hebt zulk een
ketterij uitgeworpen, die zelfs niemand ooit heeft kunnen bedenken. Ik vrees,
dat bij het meedelen daarvan, enige zwakke zielen zullen geërgerd worden. Maar,
aangezien ik daartoe bevel heb, zo luister naar de artikelen, die ik u zal
voorlezen.
Vooreerst hebt gij gezegd, dat het brood en de
wijn in het sacrament des altaars na de zegening het lichaam en het bloed van
Christus niet zijn." Toen wendde Adam zich naar de stadhouder en de andere
heren, en zei: "Ik kan niet bedenken, dat ik iets geleerd of gesproken heb, wat
mij de Heilige Schrift niet reeds geleerd heeft (tegelijkertijd wees hij naar de
Bijbel, die hij aan een riem had hangen). Wilt gij daarmee tevreden zijn, dan
zal dit boek rechter wezen." De aanklager: "Wat hebt gij dan geleerd?” Adam
deelde de woorden der inzetting van het Heilige Avondmaal mee, en betuigde, dat
hij niet anders geleerd had. Daarop zei de aartsbisschop van St. Andries en een
ander geestelijke: "Dit alles weten wij wel." De graaf van Huntle zei: "Gij
antwoordt eigenlijk niet op de vraag: zeg ronduit, of gij deze woorden gesproken
hebt of niet, en predik niet lang." Adam antwoordde: "Indien Gods Woord bij
ulieden ingang vond, zouden mijn woorden u niet vreemd toeschijnen, want ik heb
niets anders geleerd dan wat daarin vervat is. Dat woord zal de rechter zijn van
mij en van de gehele wereld." Toen zei de graaf van Huntle: "Meent gij niet, dat
wij u een goed hart toedragen en bevoegde rechters zijn? Denkt gij niet, dat ook
wij God kennen en Zijn Woord verstaan? Antwoord alleen op wat men u vraagt." De
aanklager werd vervolgens gelast, dat hij het eerste artikel nog eens herhalen
zou. Jan Laude zei: "Gij hebt geleerd, dat het brood en de wijn in het sacrament
des altaars, na de zegening, het lichaam en het bloed van Christus niet zijn".
Wallach antwoordde: "Ik heb geleerd dat, wanneer men het sacrament des altaars
getrouw bedient, zoals Christus het heeft ingesteld, de Zoon van God daar, door
Zijn goddelijke kracht en werking, die zich overal in de hemel en op aarde
uitstrekt, tegenwoordig is." Toen zei de bisschop van Orkney. "Gelooft gij niet,
dat uit het brood en de wijn in het sacrament des altaars, na de zegening, het
ware lichaam, vlees, bloed en gebeente van Christus worden?” Zeer uitvoerig
bewees Adam, volgens de natuurlijke eigenschappen van hhet lichaam van Christus,
dat het brood en de wijn van het sacrament niet wezenlijk in het lichaam en het
bloed van Christus veranderd worden, en dat het verleiders waren, die zeiden:
"Ziet, hier of daar is Christus." Toen riep de bisschop van Orkney met luider
stem: "Dit is een vervloekte ketterij."
Als nu de aanklager, Mr. Jan Laude, weer begon te
spreken,en de stadhouder vroeg, of Adam goed of verkeerd gesproken had, riep de
bisschop van St. Andries in hhet Latijn: "Ad secundum, ad secundum," dat is: "Ga
over tot het tweede artikel." De aanklager zei: "Gij hebt gepredikt, dat de mis
ware afgoderij en een gruwel voor Gods aangezicht is." Adam antwoordde . “Ik heb
de Bijbel geheel gelezen, maar ik heb het woord mis nergens gevonden. Ik heb ook
gelezen, dat wat tegen Gods Woord strijdt, afgoderij is. Indien mij nu iemand de
mis in de Heilige Schrift aanwijzen kan, wil ik mijn dwaling graag erkennen,
maar anders niet." Toen zei de aartsbisschop van St. Andries: "Ad tertium," dat
is: "Ga over tot het derde artikel." De aanklager zei: "Gij hebt openlijk
geleerd, dat de God, Die wij aanbidden, uit de aarde komt, in de aarde gewassen,
gezaaid en door mensenhanden gebakken is." Adam antwoordde: “Ik bid God de
Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan, maar ik weet niet, welk een soort van
God gij aanbidt." De aanklager: "Gelooft gij dan niet, dat het sacrament des
altaars, na de woorden der zegening, het ware lichaam en bloed van de Zoon van
God, ja God zelf is?" Adams antwoord was: “Ik heb u vroeger uit de heilige
Schrift aangewezen, welke de natuurlijke eigenschappen van het lichaam van
Christus zijn." De aanklager: "Gij hebt nog vele andere gruwelijke ketterijen
tegen de zeven sacramenten geleerd, die ik, om alles te bekorten, voorbij ga.
Maar wat zegt gij van de genoemde artikelen? Erkent gij niet dat gij deze
gepredikt hebt? Wilt gij, dat ik u die nog eens voorlees, opdat gij uw antwoord
kunt bedenken?" Vervolgens herhaalde de aanklager de genoemde artikelen, en
vroeg andermaal: "Wat antwoordt gij hierop?” Adam antwoordde standvastig en
onversaagd: "Ik weet niet, dat ik iets geleerd heb, wat met Gods Woord niet
overeenkomt, God roep ik daartoe aan tot een getuige, en besluit, door Gods
genade, tot het einde toe daarin te volharden, tenzij iemand mij uit Gods Woord
beter onderrichte."
Daarna wendde hij zich naar de stadhouder en de
andere heren, en zei: "Wanneer gij mij veroordeelt, omdat ik Gods Woord
verdedig, dan zal mijn bloed van uw handen worden geëist voor de rechterstoel
van de Zoon van God, Die machtig genoeg is deze zijn en mijn onschuld te
verdedigen, voor Wie gij ook niets zult kunnen loochenen, veel minder zijn
streng oordeel tegenstaan. Hem wil ik de wraak aanbevelen, gelijk er geschreven
is: "Mij is de wraak en de vergelding", Deut. 32, vs. 35.
Niettegenstaande dit alles werd hij naar hun
wetten veroordeeld, en aan de wereldlijke arm van Jan Campbel, die toen rechter
was, overgegeven, die hem aan de provoost te Edinburgh overgaf, om op de plaats
Castlehil verbrand te worden. Voor dit vonnis echter werd uit gevoerd, brachten
zij hem in het bovengedeelte van een gevangenis, Tolbuith genaamd, boeiden zijn
voeten, en gaven de sleutel der gevangenis aan de kruisdrager van de
aartsbisschop van St. Andries, Hugo Curry genaamd, die een zeer bloeddorstig
mens was, in bewaring. De bisschoppen zonden twee bedelmonniken naar Adam, doch
hij wilde met hen niet spreken. Zij zonden ook Jakobijner monniken, een Engelse
monnik en een redenaar, Abercromby genaamd, tot hem. Graag had Adam de Engelse
monnik het een en ander willen meedelen, en belijdenis van zijn geloof gedaan,
daar hij vermoedde, dat deze lust tot de ware godsdienst bad; maar de arme
monnik antwoordde, dat hij geen bevel had, om met hem te redetwisten en aldus
verlieten de monniken hem. Daarna werd de deken Lastarig tot hem gezonden, die
een wereldsgezind man was, en vrees noch liefde voor God had. Deze wilde Adam
nog wijs maken, dat het sacrament des altaars na de zegening het wezenlijke
lichaam van Christus was, doch Adam geloofde het niet.
Toen het avond geworden was, en leder hem verlaten
bad, bracht Wallach de tijd met bidden en psalmzingen door, daar hij nog een
klein psalmboekje bij zich had, nadat zij hem de Bijbel hadden ontnomen. Als
echter Hugo Curry bemerkte, dat hij nog een boek bij zich had, kwam hij
aangelopen, en rukte hem dat psalmboek uit de hand, lasterde en vloekte hem
bovendien op gruwelijke wijze, teneinde hem van zijn standvastigheid en zijn
geloof af te brengen. Aldus bleef de getrouwe dienaar van God tot de volgende
dag in ijzeren boeien gekluisterd, terwijl men het vuur gereed maakte om hem te
verbranden. Op diezelfden dag reisde de stadhouder met de anderen heen. Nadat
zij vertrokken waren, kwam de deken van Lastarig terug, en beijverde zich om
Adam afvallig te maken. Doch Adam sprak weinig met hem en zei: Al kwam er ook
een Engel, die mij van mijn geloof trachtte af te brengen, zo zou ik toch niet
naar hem horen." Toen kwam Curry naderbij, en belasterde hem schandelijk, en
zei, dat hij hem voor de avond wel een ander liedje zou leren zingen. Adam
antwoordde: "Ik wenste wel, dat gij enige godsvrucht bezat, en mij, in plaats
van te lasteren, vertroostte. Toen ik uw komst vernam, bad ik God, dat ik uw
aanvechting mocht weerstaan. Daarom bid ik u, ga heen, en laat mij met
vrede.
Toen er een dienaar kwam en hem wilde halen, vroeg
hij: “Is het vuur nog niet gereed' Toen zei hij: “Ik ben ook gereed, waarom
vertoeven wij langer?" Als hij naar buiten gebracht werd, sprak hij een vroom
christen onder de hoop aan en zei: “In de hemel zullen wij gewis weer samen
komen." Daarna heeft niemand meer met hem gesproken. De beambte riep ook
openlijk uit, dat hij onder weg niet meer mocht spreken, en dat ook niemand hem
mocht toespreken, daar dit het bevel van zijn heer was. Het volk volgde hem, en
bad God, dat Hij Zich zijner wilde ontfermen. Toen hij bij het vuur gebracht
was, sloeg hij zijn ogen twee of driemalen op naar de hemel, en zei tot het volk
. “Ik bid u, erger u niet aan de dood, die ik om der waarheid wil moet
ondergaan; want de discipel is niet beter dan zijn Meester." Doch de beambte
werd toornig, en beval hem, dat hij zijn mond moest houden. Doch Adam zag
andermaal op naar de hemel, en zei: “Heere, zij willen mij niet laten spreken."
Daarop werd hem de strik om de hals geworpen en het vuur aangestoken, waarin
hij, tot schande van zijn vijanden, zalig is gestorven.
[JAAR 1551.]
Mauritius Secenat was geboren op het gebergte
Cevennes, te St. Saturnin, bij de berg Coletum in Deza. Toen hij te Nimes
studeerde, oefende hij zich zowel in alle godsvrucht als in geleerdheid, daar
hij ook anderen in hun woningen vermaande en leerde, waar hij slechts kon of
mocht. In het jaar van onze enige zaligmaker 1551 werd hij gevangen genomen, en
in de burcht der stad besloten.
Korte tijd daarna werd hij door iemand, die de
plaats van de rechter innam, zeer geslepen en listig ondervraagd wegens zijn
geloof, waarop hij derwijze antwoordde, dat hij de waarheid, die hij openlijk
behoorde te belijden, ontveinsde, zodat hij op deze wijze gemakkelijk zou
ontslagen zijn. Aldus doen zij gewoonlijk vooral jegens hen, die enige kennis
der waarheid bezeten hebben. Zij weten namelijk hun vragen en onderzoekingen zo
dubbelzinnig en bedekt te doen, teneinde de gelovigen, die Christus beleden
hebben, van de oprechte en waarachtige belijdenis af te trekken of af te wenden.
Toen Mauritius daarna echter andermaal door de opperste rechter ondervraagd
werd, had hij over zijn dubbelzinnigheid en geveinsdheid zozeer berouw, dat hij
die met een openlijke belijdenis verbeteren, en de waarheid, welke hij vroeger
verborgen en bedekt hield, met een christelijke getuigenis ontdekken en
verklaren wilde. Voor de rechter heeft hij dus de Evangelische waarheid zuiver
en onvermengd met vrijmoedigheid betuigd, waarom hij eindelijk veroordeeld werd
om verbrand te worden. Deze dood onderging hij met zulk een standvastigheid en
vreugde, dat al de gelovigen, die in de provincie Dauphiné woonden, daardoor
vooral in het oprecht geloof van Christus en in de ware godsdienst versterkt
werden. Alzo werd deze vrome martelaar, om de naam van Jezus Christus van het
leven beroofd, de 16den Augustus in het jaar 1551.
De 26sten Augustus 1551 ontbood men, zeer vroeg na
de predikatie, de predikanten te Augsburg, die tien in getal waren, en beval hun
te verschijnen in het huis van Granvelle, bisschop van Arras. Toen nu de een na
de ander daar gekomen was, en zij niet wisten, wat bun geschieden zou, beval men
hun, dat ieder op een bijzondere plaats moest staan, en niet met een ander zou
spreken.
Daarna, toen zich de bisschop van Arras, Hendrik
Hasius, Seldius, Malvenda en enige anderen hadden neergezet, riep men de een na
de ander binnen. Seldius voerde het woord, en deed hun, zoals hem belast was,
enige vragen, namelijk, of zij geloofden dat het avondmaal des Heeren zowel
onder een gestalte als onder beide is begrepen; daarna, hoeveel sacramenten er
zijn; eindelijk waarom ze niet hadden gepredikt naar het voorschrift, dat hun
voor drie jaren door de keizer was voorgeschreven, aangezien zij hadden beloofd,
dat zij dit niet minder wilden nakomen dan de raad en de andere Staten. Hierop
antwoordde ieder in het bijzonder, dat Christus het gehele avondmaal heeft
ingesteld, Wiens voorschrift men moet volgen. Voorts, dat men in de Heilige
Schrift slechts twee sacramenten vindt, de doop en het avondmaal des Heeren.
Verder, dat zij geenszins in de voorgestelde leer hadden bewilligd, daar deze
strijdt tegen de Heilige Schrift.
Met een toornig gemoed zei de, bisschop: Wat,
meent gij, dat de keizer niet bevoegd is, om in geestelijke zaken zoveel wetten
te maken, en een voorschrift te geven, als in wereldse zaken?” Daarop zeiden de
predikanten: "Wij wisten er niet over, wat de keizer mag doen, maar, zoals wij
vroeger gezegd hebben, wij hebben dit voorschrift niet aangenomen; wij mogen ons
dit ook niet laten welgevallen." Hierdoor werd de bisschop nog meer vergramd;
en, ten enenmale in toorn ontstoken, liet hij hen, onder het uiten van
vreselijke scheldwoorden, verwijderen. Toen zij dit ook van de sacramenten
beweerden, stelde zich Seldius, een dokter in de rechten, dapper te weer. Aldus
verliet men hen allen, en plaatste ieder door de dienaren op een afzonderlijke
plaats, opdat zij met elkaar niet zouden kunnen spreken.
Spoedig daarna riep m . en sommige van de
voornaamste raadspersonen der stad samen, en terwijl deze waren opgekomen,
ontbood men al de predikanten, en beval hun scherp, dat zij binnen drie dagen
voor zonsondergang de stad moesten verlaten, en dat zij verder niet meer binnen
de grenzen van het rijk, en, zover zich het gebied van de keizer uitstrekte,
enige predikatiën voor het volk moesten houden; verder, dat zij niemand van hun
vrienden of betrekkingen mochten toespreken, noch de reden van hun vertrek aan
iemand bekend maken, en ook na hun vertrek aan niemand schrijven, of wat met hen
was voorgevallen meedelen. Zoals gebruikelijk is, hebben zij dit met opgestoken
vingers, uit vrees beloofd. Daarna werd aan de raad bevolen, dat zij in die
kerken, waar de Lutherse leer was gepredikt, staking zouden verordenen, totdat
de keizer andere bevelen zou hebben gegeven.
De onderwijzers, die men beschuldigde dit besluit
niet na te komen, werden verdreven.
Op dezelfde wijze handelde men ook met de bewoners
van Memmingen en andere steden in Zwaben, van wie de keizer had vernomen, dat
zij met de Saksers waren verenigd; waarom hij daarna de genoemden Hasius
uitzond, om overal de stand van het gemenebest te veranderen, een nieuwe raad in
te stellen, en de predikanten en de onderwijzers, wanneer zij dit gebod niet
nakwamen, af te zetten. Insgelijks verbood men de predikanten en onderwijzers,
die te Augsburg geroepen en daar verschenen waren, te prediken, en tot de hun
terug te keren. En, toen een hunner zei, dat zijn vrouw haar bevalling zeer
nabij was, en die alle uren verwachtte, en daarom dringend verzocht en bad, haar
nog eens te mogen bezoeken en te spreken, zei Granvelle, terwijl hij zich tot
hem keerde: "Hij noemt haar zijn vrouw, terwijl zij een hoer is." Zo werden zij
verdreven en uitgeworpen, niet zonder grote droefheid van alle vromen. Enige van
hen namen de vlucht naar Zwitserland, anderen naar elders. En, ofschoon zij
vertrokken waren, dienden vele burgers, en bovenal Johannes Frederik Hertog van
Saksen, hoewel ook gevangen, door zijn dienaars hen met geld en
troostredenen.
Men meende, dat de keizer dit deed, vooreerst.
omdat hij door sommigen, en vooral door Granvelle, daartoe was opgehitst; ten
tweede, omdat hij het ervoor hield, dat de predikanten de kracht van zijn
besluit in de godsdienst verzwakten; eindelijk, omdat het hem was gezegd, dat de
predikanten van Saksen, Zwaben en Straatsburg .gemene zaak met elkaar maakten.
Doch die de keizer waren toegedaan meenden, dat het de beste weg was, om de
handelingen van de kerkvergadering te Trente te bekorten; want, wanneer de
predikanten en de godgeleerden uit de steden verdreven waren, zouden de vaders,
die daar vergaderd waren, minder tegenstanders vinden. Toen deze daad ruchtbaar
werd, waren er vele lieden door verschrikt. Maar ziet, toen de vrees algemeen
was, beschikte God het, dat de koning van Frankrijk tegen de keizer opstond, die
hem de oorlog aandeed, en enige Nederlandse schepen aanviel, vermeesterde en in
zijn havens bracht, en bovendien vele steden in Piëmont en Touraine innam,
waardoor deze begonnen tirannie en vervolging in Duitsland werd gestuit en
gestaakt.
[JAAR 1551.]
In de provincie Dauphiné in een stad, Uzès
genaamd, woonde een eenvoudig man, die zich met boomsnoeien en houtkloven
ophield, Jan de geneesheer genaamd. Deze verkreeg de leer en:de kennis der
Evangelische waarheid in een tijd, toen alle dingen in rust en vrede waren,
zonder enig gevaar van vervolging, en de bisschop van het land en de stad het
Evangelie zuiver en onvervalst liet prediken, zo te Uzès als in zijn gehele
bisdom, door de dienaren, die hij daartoe had geroepen en aangesteld. Daar had
deze Jan met vlijt de predikatie bijgewoond, en de leer gehoord, door welke hij
tot de kennis der waarheid kwam.
De reden, waarom hij bij de rechter werd
beschuldigd, was gelegen in een geschil over een put, die hij met een ander
burger te Uzès had. Teneinde aan de zaak een goede glimp te geven en zijn zin te
krijgen, bedacht zijn tegenpartij hem van ketterij te beschuldigen. Om dit te
beter te kunnen bewijzen, huurde hij alle arbeiders, die met Jan in de wijngaard
gewerkt hadden, en ondervroeg hen, wat hij van de godsdienst gezegd had, en
welke gevoelens hij daaromtrent aankleefde, en bracht dit alles aan de schout of
beambte over. Zo werd Jan, toen men deze zaak onderzocht en de getuigen
ondervraagd had, gevangen genomen en in de kerker
geworpen.
Toen hij in de gevangenis zat, ondervroeg men hem
aangaande zijn geloof, dat hij zuiver beleed. Omtrent het avondmaal des Heeren
gaf hij, ofschoon hij ongeleerd was, zulke goede antwoorden, dat een geleerde
dit niet kon verbeteren. Hij zei dat hem geleerd was, dat de Heere Christus in
geen dele in het stuk brood besloten was, en haalde het artikel van het geloof
aan: "Hij zit ter rechterhand Gods des almachtigen
Vaders."
Om die reden velden de rechters het vonnis over
hem, dat men hem worgen zou en daarna verbranden. Als hij intussen in een kleine
kapel bewaard werd, totdat de rechter gereed was, werd daar een misdadiger
voorgebracht, die om zijn bedreven boosheid gegeseld werd. Toen Jan deze zag, en
de zaak vernam, waarom hij gestraft werd, riep hij luide, dat zij zalig waren,
die om der gerechtigheid wil leden. Jan hief daarop een lied aan, dat daarop
betrekking had, en zong dit tot hij de plaats bereikte, waar men hem zou
doden.
Voor men hem met de strop worgde, riep hij de
Heere aan en zei het gebed op, dat men gewoonlijk te Genève des Woensdags in de
gemeente uitsprak. Daarna maakte hij zich, zachtmoedig als een lam, tot de dood
gereed, en offerde de Heere zijn ziel op. Hij werd eerst geworgd en daarna
verbrand, en wel op zekere Maandag in de maand Augustus van het jaar onzes
Zaligmakers Jezus Christus 1551.
[JAAR 1551.]
Thomas van St. Paulo, uit Soissons, kwam in het
jaar 1549 met zijn moeder, broeders en vele andere bloedverwanten te Genève in
de gemeente des Heeren om daar God de Heere zuiver en onverhinderd te kunnen
dienen. Om enige zaken te regelen, reisde hij later, in het jaar 1551 weer naar
Frankrijk. Op zijn reis kwam hij in velerlei gevaren, omdat hij, door de
aandrang van de Geest Gods, de lasteringen niet kon verdragen, maar die openlijk
bestrafte. Dit deed hij ook jegens alle andere misbruiken, die in dat koninkrijk
derwijze tot een gewoonte geworden waren, dat men die zonder groten ondank en
gevaar niet bestraffen kon. Doch bij dit alles heeft de almachtige God hem
geholpen en verlost, want door Zijn bijzondere voorzienigheid bewaarde Hij hem,
teneinde in een meer vermaarde plaats de naam van God te belijden, namelijk in
de stad Parijs.
Toen hij in de stad gekomen was, en enige
koopwaren verkocht, bestrafte hij iemand vrijmoedig wegens godslastering; en,
daar hij zeer beleefd en zachtmoedig was, vermaande en onderrichtte hij hem op
zachte wijze, en zei, dat hij zulke woorden, die de christen niet betamen, en
waarmee de allerheiligste naam van God gelasterd wordt, moest schuwen. De ander,
die deze christelijke vermaning hoorde, welke onder de roomsen ongewoon was,
ergerde zich daaraan, en dacht, dat hij een Lutheraan was, want aldus werden zij
genoemd, die de Evangelische waarheid aanhangen. Met nauwkeurigheid lette hij,
in welk huis Thomas zou ingaan. En, toen hij dit gezien had, klaagde hij hem
terstond aan bij Johannes Andreas, een berucht en wreed vijand van de
rechtgelovige dienaren van God, gelijk hij reeds vroeger bewezen
had.
Eindelijk werd Thomas gevangen genomen, en op het
slot, dat men Chátellet noemde, gebracht, waar hij door de raadsheren van het
hof, meer uit zijn eigen woorden en belijdenis, dan uit enige andere
geschriften, die men bij hem vond, werd aangesproken en
beschuldigd.
Aangezien hij echter nog zeer jong en nog niet
boven de achttien jaren oud was, deden zij hun uiterste best, om hem tot
herroepen en verloochenen te brengen. Zij stelden hem het vreselijke van de
dood, de verschrikkelijke pijn, de aangenaamheid des levens, zijn jeugdige jaren
en dergelijke meer voor ogen; ja, opdat hij weten zou, dat hij zonder enige
schade zou kunnen ontkomen, beloofden zij hem, dat hem alleen een boete zou
worden opgelegd, zo hij slechts daar, in hun tegenwoordigheid, wilde herroepen,
wat hij had beleden. Doch al hun voorstellen waren tevergeefs; want Thomas,
versterkt door de kracht van de almachtige God, wilde om leven noch om dood de
waarheid, waarvan hij verzekerd was, verloochenen, maar bleef standvastig bij
haar volharden.
Daarna pijnigde men hem op harde wijze, en
mishandelde hem erger dan een booswicht, opdat hij ook noemen zou, die hij wist,
dat de Evangelische waarheid aanhingen. Doch de Almachtige God versterkte en
bewaarde hem door Zijn overvloedige genade zo, dat hij aangaande niemand een
woord sprak, dan alleen van hen, die buiten de macht der rechters en aan het
geweld van de antichrist ontkomen en nu in de gemeente Gods woonachtig waren. De
raadsheren, die hem aldus lieten pijnigen, sprak hij aldus aan: "Waarom pijnigt
gij mij zo wreed? Is het,opdat ik u zovele eerbare lieden zou noemen? Wat zou
het u toch baten, hen zo te mishandelen, als gij mij nu doet? Wanneer ik wist,
dat gij hun voorbeeld zoudt volgen, dan zou ik u hun namen noemen, zoals ik aan
anderen doe; maar ik ben er zeker van, dat gij hen immers ook zo lelijk zoudt
behandelen, als gij mij nu doet." Maar, wat hij ook zei, zij pijnigden hem
evenwel geruime tijd, zodat het de beul begon te vervelen. De anderen riepen,
dat hij zijn metgezellen moest noemen, daar zij anders zijn lichaam zouden
verscheuren en vaneentrekken.
Doctor Maillard van de Sorbonne, en anderen van
zijns gelijken, die daar gekomen waren om Thomas te bekeren, riepen, toen zij
zulk een grote en verwonderlijke standvastigheid in de jongeling zagen, dat men
hem wreder behoorde te pijnigen. Geloofwaardige lieden hoorden dit zelfs van
Aubert, de raadsheer, die dit toen moest ten uitvoer brengen. Hij was een bitter
en zeer wreed mens, vooral als het de godsdienst betrof; nochtans heeft hij
zodanige pijnigingen niet kunnen aanzien zonder te wenen, zodat hij zich naar
een andere plaats moest verwijderen. Hij zei ook, terwijl het meer dan vijf en
twintig lieden hoorden, dat hij met veel mensen over de godsdienst, zo in het
geheim als in het openbaar had gesproken, maar dat deze jongeling hem oprecht en
goed toescheen.
Toen nu hun wreedheid door de standvastigheid van
de vrome jongeling overwonnen, en het vonnis des doods om in Malbertsstraat
levend verbrand te worden, gelezen was, werd hij daarheen gebracht in
tegenwoordigheid van de meest boze mens en ergste vijand van de waarheid, Doctor
Maillard, teneinde hem ten uiterste toe te kwellen, en alles in het werk te
stellen, om hem van de aanroeping van de Naam Gods af te leiden, en tot andere
gevoelens en gedachten te brengen. Bij herhaling zei en vermaande hij hem, dat,
wanneer hij zijn eerste belijdenis wilde herroepen, en daartegen getuigen, hij
macht had van de raad, hem het leven te schenken. Toen Thomas daarop antwoordde,
dat hij liever duizend doden wilde sterven, werd hij, daar hij aan een wipgalg
gebonden was, terstond in de lucht opgetrokken. Als hij het volk van de genade
des Heeren en van de eeuwige zaligheid begon te spreken, werd het vuur
aangestoken en het ontbrandde. Toen de pijn hoe langer hoe heviger werd, beval
Maillard hem spoedig daaruit te trekken, terwijl hij tot hem zei en beloofde,
dat, wanneer hij zich nog op de hogen raad wilde beroepen, hij, als hij van
gevoelen veranderde, zou worden vrijgelaten. Dit deed deze booswicht, om hem,
bij het zien en gevoelen van de vreselijke dood, afvallig te doen worden, en hem
te overwinnen. Doch de waarachtige en getrouwe God opende de ogen van de vromen
martelaar, opdat hij de onverderfelijke overwinning zou aanmerken, waartoe hij
geroepen werd, en die hij van ganser hart begeerde. Met luider stem riep hij hun
allen toe: "Aangezien ik op de weg ben, om tot mijn God te gaan, laat mij daarop
blijven, en laat mij tot Hem gaan." Aldus slingerden zij hem weer in het vuur en
werd hij verbrand. Dit geschiedde te Parijs, de 19e september, in het jaar onzes
Heeren 1551.
[JAAR 1551.]
Claudius Monieux, geboren in de stad St. Amant de
Talenda, in Auvergne, werd, toen hij in deze en ook in de stad Clermont
onderwijs gaf, en de jeugd in de vrees Gods en in de kennis van Zijn heilig
Woord onderwezen had, door de vijanden der waarheid, die deze godsvrucht niet
konden uitstaan, verdacht, en van zijn onderwijzerspost
ontzet.
Daarna doorreisde hij de streek Auvergrie en
omliggende plaatsen, verkondigde en leerde daar het Woord Gods, totdat hij door
de grote vervolging vandaar werd verdreven, en vluchtte naar een plaats, waar
hij hoorde, dat de Evangelische leer ontvangen werd, en de kerk door het
goddelijke Woord hersteld, vernieuwd en verbeterd was.
Zo kwam hij in de stad Lausanne, gelegen in de
heerlijkheid Bern; en, omdat daar een hogeschool was, niet alleen voor de
christelijke en waarachtige godsdienst, maar voor alle vrije kunsten, ging hij
daar enige tijd studeren. Van daar reisde hij naar Lyon, waar hij het opzicht
had over enige kinderen, om die te leiden en te leren. Hij onderwees die zo goed
in de Heilige Schrift, dat hij daardoor hij vele godvruchtige lieden bekend, en,
om zijn heilige wandel en leven, zeer gezien en bemind was; want hij was zeer
vriendelijk, goed en zachtzinnig, zoals vele gelovigen daarvan zouden kunnen
getuigen, die in de stad zijn leven en leer onderzocht en bevestigd hebben.
bewees dit vooral in het teken, dat de gelovigen eigenlijk om de waarachtige en
godzalige leer placht te geschieden. Toen hij namelijk, in deze stad enige tijd
aldus zich in leven en leer betoond had, geschiedde het op de Zondag van de 15e
Juli, dat hij in het huis ging van een zijner vrienden, met wie hij altijd goede
omgang gehad had, om hem te waarschuwen en bekend te maken, wat hij van de
beambte der stad te wachten had. Toen hij hem van de gevaren gered en weggeleid
had, ging hij andermaal naar dat huis, om de vrouw en de kinderen te
vertroosten. Daar verscheen ook de beambte, en uit achterdocht, dat hij Monieux
in dit huis vond, liet hij hem gevangen nemen, en naar de geestelijke der stad
brengen.
Toen hij nu door de geestelijke ondervraagd werd
aangaande de voornaamste hoofdstukken van de christelijke godsdienst, en van de
aangenomen bijgelovigheden, die men in het pausdom aankleeft, antwoordde hij zo
gerust en vrijmoedig, alsof hem het onvoorziene gevaar niet aanging, maar veel
meer als iemand, die tot alles bereid is, wat een christen om van het evangelie
wil te wachten heeft.
Des anderen daags werd hij voor het gerecht
gebracht, en, toen hij omtrent vele dingen werd ondervraagd, antwoordde hij met
grote standvastigheid en op een zeer gepaste wijze. Hij gaf daarbij zulk een
getuigenis van de waarheid, dat men daardoor in hem opmerkte de uitgebreide
kennis van de Heilige Schrift en de grote standvastigheid in de waarheid van de
Evangelische leer.
Toen men van hem verlangde hen te noemen, die deze
leer volgden, noemde hij niemand dan hen, die in veiligheid waren, en geen
gevaren meer te vrezen hadden.
Gedurende zijn verblijf in de kerker van de
aartsbisschop te Lyon, versterkte hij door brieven de gelovigen en godvrezenden
in het geloof en in de christelijke roeping, en vermaande vrijmoedig de raad en
de rechters te Lyon aangaande de onmenselijke wreedheid jegens de kinderen Gods
en aangaande hun onverdraaglijke tirannie. Om die reden bracht men hem in een
meer duistere en diepe gevangenis, waar hij, onder een groot ongemak en
verdriet, tot de 26e oktober verbleef, met geduid en voortdurende volharding in
de belijdenis van het geloof, die hij vroeger godzalig had afgelegd, hoewel hij
dikwijls aan sterke verzoekingen bloot stond, op de proef gesteld en zijn geloof
door de satan bestreden werd. Ofschoon ook zijn vijanden hem op velerlei
manieren van zijn goede gevoelens zochten af te trekken, nochtans bewaarde God
hem voortdurend door Zijn onmetelijke genade in de zuivere leer en standvastige
belijdenis des geloofs.
Op dezelfde dag, zijnde een Maandag, werd hij in
de grote straat bij de grootste tempel, die men St. Jan noemt, gebracht en daar
als ketter veroordeeld. Daarna werd hij door de vicarus of wijbisschop van Lyon
ontwijd en van zijn rooms priesterschap ontzet, en alzo in de handen van de
wereldlijken rechter overgeleverd. Vandaar werd hij, zeer verblijd, omdat hij
van dat schandelijk teken bevrijd was, naar een andere gevangenis, Roana
genaamd, gebracht, en daar in een duister hol geworpen tot de volgende Zaterdag,
zijnde de avond van Allerheiligen, volgens de bepaling van de pausgezinden. Op
deze dag werd het doodsvonnis over hem geveld, om levend verbrand te
worden.
Daarna bracht men hem in de plaats, Sacellum
genaamd, waar hij blijven en de tijd afwachten zou, totdat de rechters zouden
hebben gegeten. Daar gaf men hem ook een weinig vis, brood en wijn, opdat hij
wat zou eten. Toen hij geruime tijd met gebogen knieën de eeuwige almachtige God
aangeroepen en gebeden had, en wat brood begon te gebruiken, kwamen er twee
grauwe monniken, die zich minderbroeders noemen, tot hem, die een druk gesprek
met hem hielden, doch waarbij Monieux hen krachtig antwoordde en hun redenen
weerlegde. Eindelijk vielen zij hem met een andere verzoeking aan, en verweten
hem, dat hij zo gulzig at, en zei dat het nu geen tijd van eten was, maar wel om
belangrijker en meer noodzakelijke dingen te bedenken. Waarop hij met grote
zachtmoedigheid vriendelijk antwoordde, dat hij niet uit lekkernij of om de buik
te vullen at, maar alleen om het lichaam een weinig te versterken, opdat dit,
aangezien het zwak was, in de ijver des geestes niet mocht bezwijken, en in de
zware en bittere strijd, die het van stonde ondernemen moest, niet ontroerd
werd. Met zulk een zacht antwoord maakte hij deze mens zeer beschaamd, ook bij
het volk, dat er bijstond.
Omtrent twee uren na de middag werden hem de
kleren uitgetrokken, en werd hij op een wagen naar de plaats gebracht, waar men
hem zou ombrengen. Toen de rechters zijn zachtmoedigheid en geduld zagen, konden
zij hun zuchten niet onderdrukken, en sommigen schreiden ook en weenden tot een
bewijs van zijn onschuld.
Voor hij vandaar zou gaan begeerde hij van hen de
vrijheid zijn gebed te mogen doen, wat hem ook werd toegestaan, met de bepaling,
dat hij tegen hen niet zou spreken, of men zou hem, zoals besloten was, de tong
uitsnijden. Zo werd hij dan gebracht naar de plaats, Territorium genaamd, altijd
met gevouwen handen, en zijn ogen hemelwaarts geslagen, met een vlijtig en gans
vrolijk gelaat.
Toen hij door de stad werd geleid, en hem een
grote schaar volk tegen kwam, was er iemand onder, die hem groette en zei:
"Blijft vroom in Christus." Door tussenkomst der grauwe monniken, die er bij
tegenwoordig waren, werd deze terstond gevangen genomen.
Toen hij nu aan de genoemde plaats gekomen was, en
zijn geloof en het gebed, dat Christus ons geleerd heeft, uitgesproken had, werd
hij met een keten aait een wipgalg gebonden,en, toen het vuur ontstoken was,
omhoog getrokken. Geruime tijd was hij aan het vuur blootgesteld voor hij
stierf, doch hij bad onophoudelijk temidden der pijnen, en herhaalde dikwerf de
woorden: " Mijn God, mijn Vader," en aldus gaf hij aan God, zijn hemelse Vader,
zijn ziel over.
[JAAR 1551]
Omstreeks deze tijd heerste er een zeer grote
vervolging in Waalsland door de heer van Lalain en inzonderheid te Valenciennes.
Onder vele anderen waren daar ook Gillot Vivier, een wolwever, geboren in een
dorp, drie mijlen van Doornik, St. Salvator genaamd, en Jacques le Fèvre, een
bejaard man van zestig jaren, met zijn zoon en zijn dochter. De zoon was genaamd
Michiel le Fèvre, een jonkman van negentien jaren. De dochter, die de vrouw was
van Gillot Vivier, werd later gevangen genomen, en heette Anna le Fèvre. Ieder
hunner beleed de waarheid van het Evangelie op vrome wijze, en stond die
standvastig tot de dood voor.
Jacques le Fèvre, die eerst op hoge leeftijd tot
de kennis der waarheid kwam, bleef niettemin altijd zeer standvastig in deze
belijdenis. Wat de vervolgers der waarheid ook deden, hoe zij hem ook poogden te
verstrikken, hij beleed toch openlijk; en al kon hij zich niet genoegzaam
verantwoorden of in alles voldoen, zo wilde hij nochtans in de belijdenis van
het Evangelie bestendig volharden.
De standvastigheid van zijn dochter was ook
bewonderenswaardig en zij volgde het voorbeeld van haren vader en broeder op
heerlijke wijze na, die, evenals de anderen, om de getuigenis des geloof§ werd
veroordeeld om te worden verbrand. De anderen werden reeds vroeger verbrand,
terwijl zij, aangezien zij zwanger was, werd bewaard tot na haar bevalling, doch
toen met bewonderenswaardige en mannelijke kloekheid aan de vuurdood werd
overgegeven.
Michaëlla de Caignoncle was een eerbare juffrouw,
de weduwe van Jakob de Klerck, die beide ook te Vallenciennes geboren waren.
Voor zij doar de vijanden der Evangelische waarheid gevangen werd genomen, was
zij ten huwelijk gevraagd door een gelovigen en voortreffelijke man, die haar
wilde brengen in de gemeente Gods, waar men de Evangelische leer en het rechte
gebruik van de sacramenten naar het bevel van Christus verkondigde en bediende,
hetwelk zij zeer beleefd weigerde, haar onschuld betuigende, dat zij door de
Geest van God er nog niet toe bewogen was, om haar vaderland te verlaten. Verder
betuigde zij, dat zij door de genade des Heeren in haar voornemen der wijze was
gesterkt, dat zij zich wel onbevlekt zou weten te bewaren van alle roomse
afgoderij en al de gruwelen aanzien; en mocht zij al eens op de proef gesteld
worden, dan zou de Heere, door Zijn grote goedheid haar zulk een kracht geven,
dat zij Zijn naam standvastig zou blijven belijden.
Toen deze nu niet de bovengenoemde gevangen
genomen was, en haar doodsvonnis ontvangen had, om met Gillot Vivier en de
anderen levend verbrand te worden, toonde zij welke kracht God hun geeft, die om
Zijns naams wil lijden, waarin zij alle vrouwen een uitnemend voorbeeld
was.
Als zij met de anderen werd uitgeleid, om de straf
des doods te ondergaan, vermaande zij tien allen tot volharding, en betuigde,
dat de rechters, die hen veroordeeld hadden, en die nu gereed waren om hen van
het leven te beroven, niet anders zouden verkrijgen dan de eeuwige verdoemenis.
"Wij," zei zij, "die nu lijden moeten, zijn in onze harten gerust, en verkrijgen
de eeuwige zaligheid." Toen hiel zij met de anderen psalmen en lofzangen voor de
Heere aan, ging alzo met een vrolijk gemoed naar de brandstapel, en gaf haren
geest aan de Heere over, om Wiens wil zij werd verbrand.
[JAAR. 1551]
Johannes Jocry was geboren in een dorp Saint Jocry
genaamd, twee mijlen van de stad Alby, en opgevoed te Montauban, uit welke stad
hij te Genève kwam, om daarmeer en meer in alle godzaligheid toe te nemen, en in
de gemeente Gods de Heere zuiver te dienen. Toen hij daar geruime tijd had
gewoond, was hij voornemens een reis te doen naar zijn vaderland, welke hij ook
ondernam in de maand Juli van het jaar 1551, op tweeëntwintigjarige leeftijd.
Een jongen, die hem diende, vergezelde hem op deze reis. En om enig nut te
stichten, en ook de gelovigen in dit land te vertroosten, waren zij met een
voorraad van goede boeken voorzien. Dit werd de oorzaak, dat zij te Mende, in
het land van Languedoc, gevangen genomen, en daarna tot de vuurdood veroordeeld
werden. Jocry, die dikwerf tot zijn vrienden en geloofsgenoten placht te zeggen
dat wanneer de Heere hem riep om de waarheid te betuigen, hij bovenal zou
begeren, die getuigenis te Toulouse te doen en met zijn dood te bezegelen,
beriep zich van dit vonnis op het hoge gerechtshof. Aldus werden zij naar
Toulouse tot de hoge raad gezonden, waar Jocry een heerlijke belijdenis zijns
geloofs aflegde en die met de Schrift bevestigde, waarin hij zeer geoefend was.
In al zijn antwoorden gedroeg hij zich zeer betamelijk.
De jongen, zijn dienaar, betoonde zich ook zeer
vroom, en beleed hetzelfde geloof met zijn meester. En aangezien hij, wegens
zijn jeugd en onbedrevenheid in de Heilige Schrift, niet genoegzaam de vragen
der tegenpartij kon beantwoorden, en in het nauw gebracht door hen, wien dit
rechtsgeding was toevertrouwd, wees hij hen naar zijn meester, betuigende, dat
hij bij zijn vorige belijdenis bleef volharden, en zei, dat, wanneer zij
meerdere verklaring eisten in de beantwoording van hun vragen, zij dan zijn
meester slechts behoefden te vragen, die hen wel zou antwoorden. Toen zij
zeiden, dat hij zijn meester niet behoorde te geloven, die een ketter was en ten
enenmale verworpen, antwoordde hij hun, dat hij hem hield voor een goed man,
heilig van leven, en dat hij er zeker van was, dat hij hem niet anders geleerd
had dan de waarheid, die in Gods Woord is vervat.
Op de dag, toen zij hun doodvonnis ontvangen
hadden, kwamen er vele priesters en monniken tot hem in de gevangenis, om met
Jocry te redetwisten, wien hij Zo onbeschroomd en goedsmoeds antwoordde, alsof
hij ontbonden, vrij en zonder gevaar was.
Toen zij nu op de bestemde plaats gebracht waren,
waar het vonnis zou worden volvoerd, namelijk in St. Georgiusstraat, werd de
jongen het laatst gebracht. En, terwijl Jocry op de laatste vraag antwoordde,
begonnen intussen de huichelaars de jongen te raden, dat hij de maagd Maria zou
aanroepen en alzo zijn gevoelens laten varen; waarbij zij de jongeling zo
moeilijk vielen, dat hij begon te wenen. Jocry, die nog met de anderen aan het
spreken was, keerde zich toen om, en toen hij zag dat de jongen door de vijanden
der waarheid besprongen werd, haastte hij zich tot hem te gaan. Toen hij hem zag
wenen, sprak hij hem aan en zei: "Waarom weent gij toch, mijn broeder? Weet gij
niet, dat wij gaan tot onze allerbeste, genadigste God, en dat wij terstond
verlost en vrij zullen zijn van deze ellende, waarmee wij nu gekweld worden?" De
jongen zei: “Ik weende, omdat gij niet bij mij was." "Het is nu geen tijd," zei
Jocry, "om te wenen; laat ons liever de Heere zingen." Toen hieven zij een psalm
aan en zongen. Toen het vuur het lichaam van Jocry aantastte, dacht hij niet aan
zichzelf, maar was veel meer bezorgd voor de jongen dan voor zichzelf, en klom
hij de paal op, en keek om naar de jongen, om hem te versterken en moed in te
spreken. Toen deze daarna zag, dat hij gestorven was, ontving hij ook met open
mond de vlammen, en terwijl hij zijn hoofd boog, gaf hij zijn geest aan God
over, in het jaar 1551.
[JAAR 1551.]
Jan van Ostende, Tromken bijgenaamd, uit het land
van Vlaanderen, wist zich, in een grote vervolging van de christenen, die met
wagens vol te Gent gevankelijk werden binnen gebracht, door de vlucht te redden.
Later echter werd hij te Antwerpen gevangen genomen, waar hij de christelijke
waarheid zeer vrijmoedig voorstond.
Terwijl hij in de gevangenis zat, schreef hij
brieven aan de predikanten der Nederlandse gemeente te Londen, bovenal aan
Martinus Micron, waarin hij hem en alle anderen vermaande, dat zij de vrede, die
de almachtige God de gelovigen christenen in En;eland door Zijn grote genade
gegeven had, niet moesten misbruiken, en de zegen des Heeren met dankbaarheid en
vrees genieten. Hieruit blijkt, dat de goede martelaar al vooruit zag, dat
Engeland, om de ondankbaarheid van het volk, een zware plaag boven het hoofd
hing, wat wij, helaas, met onze ogen hebben aanschouwd.
In de gevangenis werd hij door verschillende
personen ondervraagd, hetwelk hij zelf in vragen en antwoorden aldus heeft
beschreven.
Vraag. Hoe lang is het wel geleden, dat gij
gebiecht hebt?
Antwoord. Zeven jaar.
Vr. Hoe komt het, dat gij in zo lange tijd niet
hebt gebiecht?
Antw. Omdat de biecht uit de mensen is en niet uit
God.
Vr. Gelooft gij dan niet, dat gij door berouw,
boete en vergeving van de priester van al uw zonden wordt
gereinigd.
Antw. Het bloed van Jezus Christus maakt mij
alleen rein van alle zonden.
Vr. In hoeveel tijd hebt gij het sacrament niet
genoten?
Antw. In twee jaren niet.
Vr. Hoe kan het samengaan, dat gij, die een
godvrezend man wilt zijn, en met recht daarvan alle maanden of om de zes weken
gebruik behoort te maken, in zolang daar niet geweest
zijt?
Antw. Omdat men het niet gebruikt naar de
instelling en het bevel van Christus Jezus. Want Christus heeft wijn en brood
verordend, en zij geven alleen brood.
Vr. Sommigen geven toch wijn, vooral de
monniken.
Antw. Dat is waar; maar zij geven het alleen als
wijn en niet als een deel van het sacrament.
Vr. Dat is waar. Wat dunkt u van het sacrament;
gelooft gij, dat het brood Christus' lichaam is?
Antw. Neen; maar ik geloof, indien ik het ontvang
naar de instelling van Christus, dat ik door het geloof het lichaam en bloed van
Christus ontvang, namelijk, al de krachten en verdiensten, die mij door het
verbreken van het lichaam en het uitstorten van het bloed van Jezus Christus ten
goede komen.
Vr. Gelooft gij dan niet, dat door de vijf
woorden, die de priester spreekt, Christus in de handen van de priester
komt?
Antw. Neen; want Chrysostomus zegt, dat die de dis
heiligde in het avondmaal, die heiligt hem nog, en dat uit zichzelf, uit loutere
genade."
Vr. Wat dunkt u van de aanroeping der
heiligen?
Antw. Ik houd mij aan het gebed, dat Christus mij
geleerd heeft: "Onze Vader, die in de hemelen zijt," enz,
Vr. Hoe denkt gij over het
vasten?
Antw. Ik vast in het geheel
niet.
Vr. Christus heeft toch zelf gedaan, moet men dan
Christus niet navolgen?
Antw. Ja, in alle mogelijke dingen; maar, dat is
een wonderwerk, en een onmogelijke zaak, die niemand heeft verricht dan Mozes,
Elia en Christus. Want, wanneer wij Christus daarin navolgen, dan moeten wij,
zonder iets te eten of te drinken, vasten,
Vr. Houdt gij ook de
quartertemperdagen?
Antw. In het geheel niet.
Vr. Moet men dan nimmer
vasten?
Antw. Ja, wanneer de kerk in nood verkeert, en zij
zich voor God verootmoedigt en Hem om genade, hulp en verlossing bidden
wil.
Vr. Vast gij dan ook?
Antw. Ja,
Vr. Wanneer?
Antw. Als de nood dit eist.
Vi,. Wat wil het zeggen: als de nood dit
eist?
Antw. Dat is, wanneer ik mijn vlees kastijden, of
iets bijzonders van God bidden wil, dat ik van hart verlang te
ontvangen.
Vr. Wat noemt gij dan
vastenpijs?
Antw. Zoals ik dit heb, hetzij vlees of vis, maar
dat matig.
Wij spraken ook nog lang over de kinderdoop, over
de rechtvaardigmaking en meer andere dingen, die te uitvoerig waren om te
beschrijven; wij hebben ons alleen bij het bovenstaande
bepaald.
Na deze samenspraak redetwistte hij nog eens met
enige monniken, die de schout tot hem gezonden had, om hem te ondervragen en te
onderzoeken, die hem ook vroegen, of de paus het hoofd der kerk
was.
Toen hij antwoordde, dat dit Christus was, zeiden
zij: "maar gelooft gij niet, dat ook de paus het hoofd is?” "Neen," zei hij,
"want anders moest de kerk twee hoofden hebben, en zou ze een monster zijn.
Christus is alleen het hoofd, en al de anderen zijn Zijn leden." Ja," zei de
monnik, "dit zeggen al de ketters. Is St. Pieter dan niet het hoofd der
Apostelen geweest, die Christus voor alle andere Apostelen altijd aansprak, daar
Hij op hem zijn kerk grondvest; daar Hij hem beval de penning uit de vis te
halen; en daar Hij hem tot driemalen toe beveelt zijn schapen te weiden? Jan
antwoordde"De Apostelen hebben gelijke macht en hetzelfde bevel van Christus
ontvangen, en in één onderwijst Hij hen gewoonlijk allen, die hetzelfde ambt en
dezelfde bediening hebben. Daarom, wat Petrus bevolen is, is allen anderen
Apostelen en pastoren bevolen. Want pastor betekent een herder, en een herder is
een verzorger van schapen of schaaphoeder; dus gaat hun het bevel gezamenlijk
aan: "Hoed mijn schapen."
Zij vroegen hem, waarom hij het Evangelie
geloofde. Hij antwoordde: "Omdat het de kerk heeft aangenomen." "Waarom gelooft
gij dan niet," zei zij, "al wat de kerk houdt, gebiedt en leert?” Hij antwoordde
daarop: Omdat zij houdt, gebiedt en leert, wat tegen het Evangelie strijdt, wat
zij goed heeft aangenomen, en waaraan zij zich behoort te
houden."
Toen zeiden de monniken: "Zijn dan al onze ouders
verdoemd?" Jan antwoordde: "Dat wil ik aan het oordeel van God overlaten. God
zal de tijd der onwetendheid aanzien, en hun genadig zijn; maar het licht des
Evangelies schijnt, dat geruime tijd verborgen was. Laat ieder voor zich toezien
dat hij het waarneemt. Christus heeft nu Zich onzer ontfermd, en het Evangelie
weer aan het licht gebracht, met kracht laten doordringen, en de gehele aarde er
mee vervuld, hoewel de paus met al zijn aanhangers daartegen
is.
Na nog vele woorden te hebben gesproken, zeiden de
monniken eindelijk "Wij zijn hier niet gekomen om met u te redetwisten. Wij
hebben al genoeg van u. Als men redetwisten wil, moet men het in de scholen
doen."
Nadat deze vrome getuige der waarheid aldus de
waarheid beleden, de vijanden der waarheid overwonnen en beschaamd had, werd hij
door de raad van Antwerpen ter dood veroordeeld, en in de maand Oktober van het
jaar onzes Heeren 1551 verbrand.
Vijf studenten van Lausanne,
Petrus Scriba, Martialis Alba, Bernhardus Seguinus,
Carolus le Fèvre en Petrus Naviherus
Deze vijf studenten uit de stad en hogeschool
Lausanne werden samen te Lyon gevangen genomen en in de kerker geworpen,
namelijk: Martialis Alba, geboren te Montauban, in Cruera; Petrus Scriba, van
Bologne, in Gascogne; Bernhardus Seguinus, van Reole, in Basadois, Carolus le
Fèvre, geboren te Blanzac, in Angoumois, en Petrus Naviherus van
Linioges.
Toen deze te Lausanne gestudeerd hadden de een
korter en de ander langere tijd, vatten zij het voornemen op, om voor de tijd,
die men in het pausdom Pasen noemt, ieder naar zijn vaderland te reizen; de een
naar Toulouse, een ander naar Bordeaux, de derde naar Santon, de vierde naar
Limoges, ieder naar de plaats, waar hij geboren of woonachtig was. Zij deden dit
teneinde daar de heerlijkheid des Heeren te openbaren, en de genade en kennis,
die zij van God ontvangen hadden, hun ouders mee te delen, en, ware het mogelijk
hen alzo tot de christelijke kennis te lokken en te leiden. Zij waren bereid,
dit niet alleen hun ouders en vrienden, maar ook allen anderen, die de
almachtige God door hun dienst zou willen roepen, mee te
delen.
Deze goede raad en dit voornemen vatten zij op in
overleg met de gemeente van Lausanne, hetwelk de gemeente zeer prees als een
goed en heilig voornemen tot voorbereiding en uitbreiding van het rijk van
Christus. En, opdat ook hun toekomst de gelovigen te aangenamer zou zijn, gaf de
gemeente aan drie hunner ieder een getuigschrift mee van hun geloof en
godzaligheid, die zij in hen hadden gezien en bevonden, daar zij in de stad
Lausanne gewoond hadden. Deze getuigschriften werden ook, op verlangen van
Petrus Viret door Johannes Calvijn ondertekend. De beide anderen hebben geruime
tijd in de stad hun diensten betoond en onderwezen; de een bij de getrouwen
dienaar des goddelijke Woords Petrus Viret, de ander bij de goede en godzaligen
man Theodorus Beza, waar zij aldus van hun dienst en hun leven getuigenis gaven,
dat hun eenvoudige getrouwheid bij de gehele gemeente bekend was. Daarna bleven
zij enige dagen te Genève, en reisden van daarnaar Lyon.
Op de reis kwamen zij in kennis met een burger van
Lyon, die hun vriendelijk verzocht toch niet te vertrekken, dan nadat zij hem
bezocht hadden, wat zij beloofden te zullen doen.
Toen zij te Lyon kwamen, gingen zij in een
herberg, waar drie vissen uithingen, want zij vonden geen geschikter plaats dan
die, om twee of drie dagen te vertoeven. Ten twee of drie uur op de volgende dag
gingen zij naar het huis van de burger, die hen op de weg zo vriendelijk had
uitgenodigd, en wiens huis aan de rivier de Rhóne stond, in dat gedeelte der
stad, dat Ennay genaamd werd. Toen zij daar geruime tijd in de tuin gewandeld
hadden, werden zij door de burger ter maaltijd genodigd. Aan tafel zittende,
riepen zij de naam des Heeren aan, zoals de gewoonte der godvruchtigen is, en
aten van hetgeen hun werd voorgezet. Toen zij intussen de gaven des Heeren met
dankbaarheid genoten. en vrolijk waren in de Heere, kwam de overste der stad,
Poullet, en zijn stadhouder, vergezeld van een grote menigte van hun dienaren.
Toen hij in de kamer kwam, waar zij zaten, vroeg hij aan ieder hunner de naam,
de voornamen, hun vaderland, hun betrekking en dergelijke meer. Daarna liet hij
hen twee aan twee binden, ofschoon zij in de stad noch ergens elders iets tegen
het bevel des konings geleerd of gedaan hadden. Zonder enige beschuldiging of
reden, tegen alle rechtvaardigheid, bracht hij hen in de gevangenis van de hoge
geestelijke, en wierp hen in een diepe en donkere plaats. Omtrent een uur daarna
werd ieder van hen, de een voor, de ander na, voor de beambte geroepen, en
werden op die dag omtrent alle hoofdstukken van godsdienst, die de pausgezinden
met kracht en geweld voorstaan en beschermen, ondervraagd. Door de kracht van de
bijzondere genade, waarmee zij door God begiftigd waren, antwoordden zij op alle
vragen zeer standvastig uit Gods Woord, vereerden Hem, en beleden Zijn naam voor
hen, die dit niet graag hoorden.
Des anderen daags werden zij andermaal
ondervraagd. Daarna kregen zij vrijheid, om hun belijdenis in schrift te mogen
stellen, welke zij met zulk een groten spoed moesten overgeven, dat zij geen
afschrift daarvan konden maken. In de volgende week werden enige van ben
geroepen om ondervraagd te worden, waar zij over zekere hoofdstukken van de
godsdienst met de drie sekten van monniken, Jakobijnen of predikers, grauwe
monniken en Karmelieters moesten redetwisten.
Eindelijk, toen men hen nog eens geroepen had, om
te beproeven, of zij in hun gevoelens bleven volharden, en zij hun
standvastigheid bespeurden, lieten zij hun de belijdenissen, die daar waren
afgelegd, ondertekenen, en ieder hunner in de voor hen bepaalde gevangenis
werpen.
Des anderen daags, zijnde een Vrijdag, op de 13den
Mei, bracht men leder hunner afzonderlijk in de raadskamer van de hogen
geestelijke. Toen zij daar, temidden van een grote menigte mensen, als ketters
verdoemd werden, en in handen van de wereldlijken rechter overgeleverd,
verklaarde ieder van hen zich tegen dit vonnis, en zij beriepen zich op het
parlement te Parijs, alleen daarom, wijl zij als ketters veroordeeld en
beschouwd werden. Ofschoon de hoge geestelijke zich hierover zeer verwonderde,
stond hij hun beroep toe. Toen een van de dienaren van de bisschop een hunner
zich om die reden op een andere rechtbank hoorde beroepen, vroeg hij, of hij dit
ook om een ander gedeelte van het vonnis deed. De aangesprokene antwoordde
daarop, dat hij vernomen had, dat het voornaamste gedeelte van het vonnis daarop
neerkwam, om hen als ketters te veroordelen, en dat hij daarom, aangezien dit
niet waar was, zich op een andere rechtbank beriep. "Omtrent het andere," zei
hij, "weet ik niet wat gij daarmee bedoelt." De hoge geestelijke zei, dat het
voldoende was zich daarom op een andere rechtbank te beroepen. Aldus werd hun
zaak gedurende dertien dagen door hun tegenpartij onderzocht en behandeld. Wat
er voorts meer door hen gedaan is, zal, men het best uit hun geschriften en
brieven kunnen opmaken.
Martialis Alba heeft niets geschreven, want hij
was daarin niet zo goed geoefend als de anderen, maar hij hield zich veel met
bidden bezig. Petrus Scriba en Bernhardus Seguinus hebben niet alleen in
godsvrucht, maar ook in moed en geleerdheid uitgemunt, en waren zeer ervaren in
de heilige goddelijke Schrift, waarvan hun brieven, die wij hier opgenomen
hebben, getuigenis afleggen. Wat Petrus Scriba gedaan en voor de rechtbank
geantwoord heeft, beschrijft hij in de eerste brief aldus:
Petrus Scriba, gevangene om het Woord Gods, wenst
alle gelovige Christenen genade, vrede en zaligheid, van God de Vader en de
Heere Jezus Christus!
Wanneer ik naga, allerliefste, broeders en zusters
in Christus, welke vruchten de gehele kerk zou plukken, wanneer de bewijzen, die
onze tegenstanders te Lyon in de kerker omtrent het geloof mij hebben
voorgeworpen, en wat ik daarop heb geantwoord, alles ware beschreven, zo heb ik
toch deze mijn belijdenis voor u willen optekenen tot troost van alle gelovigen
en ook tot verbreiding van het rijk van Jezus Christus. Hierbij zal ik ook
opnemen de artikelen, die ik behandeld en opgenomen heb in de belijdenis, welke
ik met mijn eigen hand geschreven, en aan mijn tegenstanders na die gelezen te
hebben, overgegeven heb.
Toen wij in de gevangenis van de aartsbisschop van
Lyon gesloten waren, en de een van de ander verwijderd was, en wij God van
ganser hart baden dat Hij ons met Zijn Geest wilde versterken, om Zijn naam met
alle standvastigheid en vrijmoedigheid te mogen belijden, kwam de
gevangenbewaarder tot mij, en opende de beide deuren van het hok, waarin ik
opgesloten was. Hij was vergezeld van de stadhouder van de overste, die mij naar
de raadkamer voor de hoge geestelijke en de andere lieden bracht, die daarin
groot aantal vergaderd waren. Toen vroeg mij de hoge geestelijke: "Hoe is uw
naam?" Petrus Scriba, zei ik. En wat is uw bedrijf?" vroeg hij. Ik antwoordde,
dat ik een student was.
Hij vroeg verder, vanwaar ik kwam. Ik
zei, dat ik kwam uit het land van de Prins van Bern. “Uit welke stad? vroeg hij.
Ik antwoordde uit Lausanne. Hij vroeg mij, wat ik daar deed. Ik zei, dat ik daar
studeerde in het Woord van God. "Welke leer" vroeg hij, "kleven zij te Lausanne
aan?" Die van het goddelijke Woord, zei ik. "Hoe weet gij toch," zei hij, "dat
het Gods Woord is, wat zij daar geloven?" "Omdat ik geruime tijd", zei ik, "in
die stad gestudeerd en ook de predikatie gehoord heb, die men daar alle dagen
houdt. Ik heb daar niet anders horen prediken dan het zuivere Woord van God, en
daarom geloof ik het. Want de Heilige Geest geeft in mijn hart daarvan
getuigenis, en verzekert mij dat, zodat ik er geenszins aan twijfelen kan of
mag". "wilt gij dan," zei hij, "zijn wet ontvangen en daarnaar leven?" Ja," zei
ik, "want het is het waarachtige Woord van God. "Gelooft gij," zei hij, "dat het
lichaam van Jezus Christus in het sacrament des altaars is?" "Nee," zei ik,
"want dat strijdt tegen het artikel van ons geloof, waarin wij geloven en
belijden, dat Hij zit ter rechterhand van God de Vader, dat Hij vandaar weder
komen zal voor de groten en heerlijke dag des oordeels. Ik belijd wel, dat Zijn
godheid over de gehele wereld verbreid is, maar, opdat gij niet zoudt menen, dat
ik het heilig sacrament loochen, dat door Jezus Christus ingesteld is, zo geloof
en belijd ik het sacrament van het Heilige avondmaal, in hetwelk ik het lichaam
van Jezus Christus eet en Zijn bloed drink, doch niet op die grove en plompe
wijze des vleses, gelijk de Kapernaïten en pausgezinden menen; maar ik zeg,
wanneer ik het brood neem, en de wijn drink, dan eet ik waarlijk het lichaam van
Jezus Christus, en ik drink Zijn bloed, en wel door het geloof en in de
geest.
De procureurfiscaal, een man van grote
geleerdheid, zoals ik later vernam, die men de heer Clepier noemde, en die naast
de hoge geestelijke zat, zei: "Gij zegt, dat gij in het avondmaal, als gij brood
en wijn neemt, dan ook het lichaam en bloed van Christus ontvangt." Ja," zei ik,
"op geestelijke en niet op vleselijke wijze; want ofschoon Christus nu in de
hemel is, waar ik Hem door het geloof zoek; nochtans, door de kracht Zijns
Geestes, die verwijderde en verschillende dingen bijeenroept, worden onze zielen
gevoed, onderhouden en verblijd op een wonderdadige wijze, wat door het
menselijke verstand niet kan begrepen worden, en bewerkt op die wijze, dat wij
lidmaten zijns lichaams zijn, been van Zijn beenderen, en vlees van Zijn
vlees."
"Gelooft gij ook," zei hij, "dat er een vagevuur
is, waar de zielen gereinigd worden, voor wie wij moeten bidden?“ "Ik geloof,"
zei ik, "dat wij door het bloed van Jezus Christus gereinigd worden, waardoor al
onze zonden worden . afgewassen; want daarom is het gestort. Ik geloof aan geen
andere reiniging der zonden. Want de Schrift stelt ons twee dingen voor, de een
weg van het geloof tot het eeuwige leven, de anderen des ongeloofs, waarop alle
ongelovigen, die in Christus niet geloven, tot de eeuwige dood gevoerd worden.
Want er staat geschreven: "Die in de Zoon van God gelooft, die heeft het eeuwige
leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de
toorn Gods blijft op hem." Daarom moet men voor de doden in het geheel niet
bidden; want zijn zij in het Paradijs, dan is het gebed tevergeefs, en geheel
onnodig voor hen, die nu de vruchten genieten van de dood en het lijden van
Jezus Christus en van alle beloften, die in het Evangelie gedaan zijn; maar zijn
zij veroordeeld, zo zal het gebed hun niet baten, aangezien zij in eeuwigheid
door God vervloekt zijn.
"Gelooft gij niet," zei hij",dat men bij de
priester moet biechten?" “Ik geloof," zei ik, "dat men alleen bij God moet
biechten, zoals David in vele plaatsen zegt, en vooral in de 32sten psalm: “Ik
zei: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor de Heere; en Gij
vergaaft de ongerechtigheid mijner zonden." Dit is een ware biecht, waarop
terstond de vergeving en de kwijtschelding der zonden om niet volgt. "Gij
gelooft dan niet," zei hij, "dat men bij de priester biechten moet?"
"Geenszins", zei ik, "want dat strijdt geheel tegen het Woord Gods, waar ons
geleerd wordt, dat wij God alleen onze zonden moeten belijden, zoals David toont
in de 5lsten psalm: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is
in uw ogen.”
"Wat denkt gij," zei hij, “van de plechtigheden
van de kerk, zoals van de klokken en andere ingestelde dingen?" "Aangezien wij",
zei ik, "met vlees bekleed zijn, die de goddelijke dingen niet kunnen begrijpen,
hebben wij, naar mij dunkt, zodanige hulpmiddelen nodig, om onze zwakheid te
ondersteunen
Daarom ook moet men in de gemeente onzes Heeren
zekere plechtigheden onderhouden, aan een plaats samen komen, om Gods Woord te
horen, en om de sacramenten, dooi, de Heere ingesteld, uit te delen en te
genieten, welke plechtigheden ik zeer prijs. Maar die, welke door de paus in de
kerk ingevoerd zijn, verwerp ik geheel als schadelijk en buiten het Woord van
God ingesteld, waardoor de lieden van alle godsvrucht en van de ware godsdienst
worden afgekeerd."
Toen zei hij: "Gelooft gij, dat men de maagd Maria
aanbidden mag en ook de andere heiligen, die in de hemel zijn, en dat zij onze
voorsprekers en beschermers zijn?” “Ik geloof," zei ik, "dat er geen andere
voorspraak is, die bij de Vader voor ons bidt, dan Jezus Christus; van Wien wij
zekere en gewisse beloften hebben, dat in Zijn naam onze gebeden door God de
Vader zullen verhoord worden. Hij is ook alleen de Middelaar tussen ons en God,
zoals ook de Apostel zegt; en er is ook geen ander Aangaande de maagd Maria
geloof ik, dat zij onder alle andere vrouwen zeer zalig is, omdat zij geloofde,
en Jezus Christus in haar schoot heeft gedragen; dat zij maagd was voor en na
zij Hem ter wereld bracht, en dat haar geloof en leven waardig is te worden
nagevolgd; maar dat men God alleen, ook volgens haar voorbeeld, moet aanroepen
en aanbidden, zoals zij ook in haren lofzang zegt. Zo denk ik ook over de
heiligen, die ik zalig acht, en geloof dat men hun voetstappen drukken moet, en
God prijzen, dat Hij hen met zulke weldaden en gaven heeft begaafd en versierd;
maar men zal er mij in het geheel niet toe brengen, om hen aan te roepen of te
aanbidden, want zij zelf begeren deze eer niet.
Toen ik bemerkte, dat wat ik sprak door de
Schrijver niet werd opgetekend, en dat de plaatsen der Heilige Schrift, die ik
bijbracht, in het schrijven werden voorbijgegaan, bracht ik dit de hoge
geestelijke onder het oog, en begeerde van hem papier en inkt, om mijn
belijdenis in schrift te stellen en uit de zekere getuigenis van de Heilige
Schrift mijn geloof te bewijzen, en te tonen, dat mijn belijdenis geheel met de
waarheid van het goddelijke Woord overeenkwam. Als hij mij dat toezegde, en
beloofde mij de volgende dag papier en inkt te laten brengen, beval hij, dat ik
mijn belijdenis zou ondertekenen, en ik door de gevangenbewaarder en de
onderbeambte in de kerker zou worden gebracht. Daar dankte ik mijn God, door
Jezus Christus zijn Zoon, dat Hij mij door de kracht des Geestes had gesterkt,
om voor de vijanden Zijn heiligen naam te mogen belijden, en bad Hem, mij in de
belijdenis van dit geloof tot het einde toe standvastig te bewaren. Ofschoon ik
in een duistere en afzonderlijke plaats zat, waar ik nauwelijks adem kon halen,
was ik nochtans na dit gebed door de kracht des Geestes, verblijd en versterkt,
en ontving zulk een troost en blijdschap, dat mijn droefheid en verdriet
overwonnen en weggenomen werden. Des anderen daags, op Maandag de 2e Mei, bracht
mij de gevangenbewaarder, ten acht uur, in een andere plaats, waar ik wat te
schrijven, en gaf mij een half blad papier, om mijn belijdenis op te tekenen.
Onder aanroeping van de Heere heb ik dit gedaan, en Hem gevraagd om mij te
besturen en te regeren, teneinde mijn belijdenis naar behoren neer te
schrijven.
De volgende dag kwam de gevangenbewaarder bij
herhaling tot mij, en dwong mij zeer, dat ik het geschrift terstond zou afmaken.
Ik zei hem, dat ik dit niet doen kon, omdat ik te weinig licht had om te
schrijven.
Omstreeks twee uur in de namiddag bracht mij de
onderbeambte in een grote zaal, waar de hoge geestelijke, de rechter Courrier en
vele andere aanzienlijken vergaderd waren, alsmede advocaten, burgers,
kooplieden, en vele andere mensen, alsook vele monniken, Jakobijnen, grauwe
monniken en dergelijke valse profeten, die het teken van het Beest op het hoofd
en over het gehele lichaam hadden.
Toen vroeg mij de hoge geestelijke, of ik bij mijn
vroegere gedachten en gevoelens bleef volharden.
"Aangezien ik," zei ik, "niets anders dan het
zuivere Woord van God beleden heb, wil ik dit op elke wijze voorstaan en
beschermen, daarbij blijven, leven en sterven." "Hebt gij uw belijdenis
geschreven en gereed?" vroeg hij. Ik antwoordde: "Gedeeltelijk heb ik haai,
geschreven; maar ik bid u dat ik niet uw toestemming die mag vervolgen, en dat
mij de gevangenbewaarder daartoe papier geve." "Lees," zei hij, "wat gij
geschreven hebt." Toen begon ik met luider stem te lezen, en toen dit gedaan
was, vroeg mij de hoge geestelijke, of ik, wat ik geschreven had, wilde
voorstaan en beschermen. Ik antwoordde:,..Ja, ja, tot de dood toe: want het is
het zuivere en onvervalste Woord van God." Toen hij mij later beval,om mijn
belijdenis te ondertekenen, heb ik dit gewillig en met ijver gedaan. Vervolgens
zei hij: "Hier zijn leraars, die u wel wat anders dan uw gevoelens en uw
belijdenis tonen zullen."
"Laat hen beginnen", zei ik, "want ik ben bereid
om te antwoorden." Toen kwam er een monnik, die de anderen mijnheer de Doctor
noemden. "Wel, mijn vriend," zei hij, "gij zegt in uw belijdenis, dat de paus
het hoofd niet is van de kerk; maar ik zal het u anders bewijzen. De paus is de
opvolger van St. Pieter: en dan is hij ook het hoofd der kerk." “Ik loochen,"
zei ik, "uw eerste gezegde, namelijk, dat de paus de opvolger is van St.
Pieter.",”Ik zal het u bewijzen", zei hij. "De paus bewaart de plaats van St.
Pieter, en zo is hij dan ook zijn opvolger." "Ik loochen", zei ik, "dat beide;
want de paus verkondigt het Woord van God niet, zoals St. Pieter gedaan heeft.
En wie St. Pieter opvolgen wil, moet hem ook navolgen in de prediking van Gods
Woord en in de zorg voor de schapen van onze Heere Jezus Christus, wat de paus
niet doet, zoals ik u in mijn belijdenis aantoon.
Daarenboven, al ware de paus een waar verkondiger
van het Woord van God en een Herder der gemeenten, en alzo een navolger van de
voetstappen van St. Pieter, zo zou hij daarom het hoofd der gemeente van
Christus Jezus niet zijn, maar alleen een lidmaat of een dienaar en Apostel. Zo
is er dan geen ander hoofd der gemeente, en ik ken ook geen ander dan alleen de
Heere Jezus Christus, zonder enige stedehouder of opvolger; want Paulus stelt
Hem alleen tot het hoofd der engelen en der mensen. Toen antwoordde de monnik:
“Ik weet wel, dat Paulus Christus het hoofd der gehele kerk noemt; maar, zijn
stedehouder, die zijn plaats bewaart, is nochtans hier op aarde gesteld."
"Geenszins," zei ik, "want door zijn mogendheid en goddelijke kracht vervult Hij
alle dingen; en waar Hij dus tegenwoordig is, daar kan geen stedehouder zijn."
"Ik wil u tonen," zei de monnik, "dat Christus, ofschoon Hij Koning is over het
gehele hemelen aardrijk, vele stedehouders hier op aarde heeft, koningen en
prinsen, die Hij wil, dat over Zijn volk gesteld zijn." "Met burgerlijke zaken,"
zei ik, "is het geheel anders gesteld dan met geestelijke zaken; want in
burgerlijke en menselijke handelingen, wil Hij koningen en prinsen hebben, die
daar de overhand hebben moeten, om eendracht onder de mensen te bewaren, maar in
de gemeenten en in het rijk van Christus, dat geestelijk is, daar is zulke
heerschappij en bestuur niet nodig". Toen bracht hij andere vergelijkingen bij,
die ik, omdat zij dwaas en bespottelijk waren, wil voorbij
gaan.
Toen nu de andere geschoren kruinen zagen, dat
deze grote leraar in dit twistgesprek door mij was overwonnen, schreeuwden soms
verscheidene tegelijk tegen mij, om mij door hun misbaar te overbluffen. Onder
deze was een minderbroeder, dokter Decombis genaamd, die mij aldus op het lijf
viel: "Gij zegt," zei hij, "dat St. Pieter het hoofd der kerk niet geweest is."
Dit is waar, zei ik. "Dat zal ik u anders bewijzen," zei hij. "Onze Heere zei
tot Petrus: "Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult Cefas genaamd worden, en
Cefas betekent een hoofd." "Waar haalt gij toch, zei ik, deze betekenis vandaan?
Johannes legt dit in het eerste hoofdstuk van zijn Evangelie geheel anders uit,
en schrijft aldus: "Gij zult Cefas genaamd worden", hetwelk betekent Petrus."
Toen nam Vilard, de rechter, een nieuw Testament in zijn hand, om te zien of de
betekenis was zoals ik gezegd had, wat hij ook alzo bevond. Aldus sloeg de
monnik met grote schaamte zijn ogen neer en zweeg.
Vervolgens vatte de Jakobijner of Predikmonnik
zijn afgebroken twistgesprek weer op, en wel op deze wijze: "Gij zegt," zei hij,
“in uw belijdenis, dat de mens geen vrije wil heeft, en ik zal u dat anders
bewijzen. In het Evangelie staat geschreven, dat er een mens ging van Jeruzalem
naar Jericho, en onder de moordenaars viel, door wie hij beroofd en gewond werd,
en half dood achtergelaten. Thomas Aquinas past deze gelijkenis toe op de vrije
wil, waarvan hij zegt, dat deze enigszins gekrenkt is, maar niet geheel bedorven
en vernietigd, alsof de mens geen kracht meer bezitten zou." "Deze uitlegging
stem ik niet toe" zei ik. "Wat!" zei hij, "bent gij dan geleerder dan Thomas? Ik
antwoordde: "Zoveel vermeet ik mij niet, om mij zelf geleerder te achten; maar
ik ontken dat men deze gelijkenis alzo behoort uit te leggen. Ik beweer, dat
onze Heere Christus met dat voorbeeld de liefde voor ogen wilde stellen, die wij
voor onze naasten moeten hebben en hun bewijzen. Maar in de vrije wil of de
verkiezing, hebben wij al onze kracht en macht verloren, zoals ik in mijn
belijdenis bewezen heb; want wij zijn geheel dood, en niet in een deelalleen,
zoals ook Paulus zegt; wanneer wij nu iets goeds doen, dan moeten wij dat aan
onszelf niet toeschrijven, maar aan God, Die in ons werkt door Zijn Geest; die
ook, zoals dezelfde Apostel betuigt. in ons werkt, dat wij het willen, en dat
wij het volbrengen. Wanneer het nu God is, Die zulk een wil en kracht in ons
werkt en volbrengt, zo behoren wij dit, zonder het minste recht, onszelf niet in
enig opzicht toe te schrijven.
"Gij zegt," zei hij, "in uw belijdenis, dat wij
alleen door het geloof gerechtvaardigd worden." Ja," zei ik. "Maar ik zal
bewijzen," zei hij, "dat wij door de werken gerechtvaardigd worden. Wij
verdienen door de werken, en worden dan ook daardoor gerechtvaardigd. Ik ontken
uw eerste gezegde," hernam hij. "Paulus zegt in het laatste hoofdstuk van de
brief aan de Hebreeën: " Vergeet geen weldadigheid en mededeelzaamheid, want met
zulk een offer wordt God behaagd." "Hoort gij wel," zei hij, "behaagd betekent
daar verdiend; zo verdienen wij dan door onze werken." "Ik ontken", zei ik, "dat
men daar, als men de juiste vertaling wil volgen, aldus leest. De hoge
geestelijke monniken zeiden: "Zeg gij ons dan, hoe men deze plaats behoort te
lezen." "Willen wij," zei ik",de eigenlijke bedoeling en de zin van de Apostel
volgen, dan moet men dus lezen: “In zulk een offerande heeft God een
welbehagen," of "zulk een offer is Gode behaaglijk en aangenaam." Toen keek
Vilard, de rechter van de Minderbroeders, het Nieuwe Testament in, en bevond,
dat het was, zoals ik zei. Deze valse profetenwaren toen derwijze beschaamd, dat
zij niet meer spreken konden, ofschoon zij anders onbeschaamd en vermetel genoeg
zijn.
Naar waarheid kan ik u betuigen, broeders, dat ik,
toen ik met deze twijfelende mensen redetwistte, zo vrij en moedig was, dat ik
op alles wat mij voorgelegd werd, altijd een zachtmoedig en liefderijk antwoord
gaf. Doch zij waren geheel verslagen en verbaasd. Sommigen lieten het hoofd
hangen; anderen knarsten op de tanden, zoals ik gemakkelijk kon bemerken; vooral
waren de grauwe monniken in dit twistgesprek zeer beschaamd, wat hun van harte
leed deed.
Men vroeg mij, hoe ik over de biecht dacht. Ik
antwoordde daarop, dat men aan God alleen behoorde te biechten. Ik beweerde
verder, dat de plaatsen, die hij aanhaalde om de oorbiecht te bewijzen, zoals
van de Apostel Jakobus, daarvan niet waren te verstaan, en deze dit niet
betekenden, maar veel meer van de broederlijke vereniging. Aldus zwegen die arme
mensen.
Toen zei de hoge geestelijke: "Ik zie wel, mijn
vriend, wat deze tot uw vermaning bijbrengen; maar gij blijft steeds hardnekkig
aan uw dwaling vasthouden; daarom, denk eens na hoe uw zaken nu staan." "Gij
bemerkt toch wel," zei ik, dat hun tegenspraak, redenen en bewijzen, die zij
bijbrengen; mij in geen dele bestraffen of overwinnen konden, in hetgeen ik
beleden en erkend heb; evenmin konden zij wederleggen wat ik uit Gods Woord
voortgebracht heb. Ik ben dus niet hardnekkig en verkeer in geen dwaling. Ik
breng ook niets voor dan het zuivere Woord van God, dat ik ook bereid ben tot de
laatste adem mijns levens te beschermen.
Hij beval vervolgens, dat men mij weer naar mijn
gevangenis zou leiden, waar ik vertoefde tot de volgende Dinsdag; zijnde de 10de
Mei, terwijl ik de Heere bad, mij met de kracht Zijns Geestes te willen
versterken tot bescherming van Zijn zaak.
Aangezien men mij in het laatste twistgesprek niet
aangevallen had over het sacrament des avondmaals bereidde ik mij om te
verantwoorden, wat ik in mijn belijdenis daarvan geschreven had; waarin de
allergenadigste God mijn hoop en begeerte heeft vervuld.
Op Dinsdag de 10e Mei, omtrent zeven uur, riep mij
de gevangenbewaarder, teneinde wij te brengen naar de hogen geestelijke, waar
zich ook bevonden de hoge geestelijke de la Primace, een vijand van Jezus
Christus, de heer de Clepi, procureur en hoge geestelijke, enige andere dienaren
van de antichrist, en de beschermers der goddeloze zaken en sekten, onder wie
ook was een Jakobijner of Predikmonnik, die bij ons twistgesprek tegenwoordig
was geweest, maar niet met mij gesproken had. Toen ik bij deze gebracht was, zei
de hoge geestelijke: "Mijn vriend, wilt gij nog aan uw gevoelens en belijdenis
blijven vasthouden, die gij hebt afgelegd?` "Ja," zei ik, "want die heb ik
gedaan uit het Woord van God, waarvoor ik bereid ben te leven en te
sterven.”
Toen zei de Predikmonnik: "Gelooft gij ook, dat
het lichaam van Christus op lichamelijke wijze en tegelijk op een zekere plaats
in het sacrament besloten is?" "Neen," zei ik; "want het Woord Gods leert ons,
dat Hij in de hemel is, en dat Hij daar zo lang zal blijven, totdat Hij weer
komen zal, om te oordelen de levenden en de doden; en het is een artikel van ons
geloof, waarin wij belijden, dat Hij naar de hemel gevaren is, en zit aan de
rechterhand van de almachtige God. Daarom is Christus in de hemel naai, Zijn
mensheid, en moet daar zijn, totdat alle dingen hersteld worden, zoals Petrus
zegt. Aldus behoort men hem in het sacrament niet te zoeken als in een plaats
hier op aarde besloten."
"Toen Jezus Christus," zei hij, "het brood nam,
heeft Hij gezegd: "Dat is mijn lichaam," zo is zijn lichaam dan het brood." "Dat
is zo niet," zei ik, "want Christus wilde niet zeggen, dat het brood, dat hij
zijn discipelen gaf, zijn lichaam was, maar alleen een teken daarvan. Want het
woordje is wordt daar niet genomen voor een wezenlijk en natuurlijk zijn, maar
het beduidt: het betekent, zoals de Schrift dikwijls spreekt, waar het teken de
naam draagt van hetgeen er mee betekend of bedoeld wordt. Gelijk de Heere, in
het eerste boek van Mozes de besnijdenis zijn verbond noemt; nochtans was de
besnijdenis het verbond niet, maar het was een teken of zegel des verbonds,
zoals het in het boek wordt genoemd, en door Paulus genoemd, wordt een zegel van
Abrahams rechtvaardigheid. Ook omtrent het lam is in Exodus geschreven, dat het
is het Pascha, dat is, de doorgang des Heeren; nochtans was het lam de doorgang
niet, maar het had de betekenis van de zaak, die geschied was, namelijk van de
heerlijke verlossing, waardoor God Zijn volk uit Egypte leidde. Zo wordt dan het
woordje is in deze twee plaatsen voor het betekenende genomen, wat plaats heeft,
vooral als men van sacramenten spreekt."
Toen zei de monnik: "Er is een groot onderscheid
tussen de sacramenten des Ouden en des Nieuwe Testaments; want de sacramenten
des Ouden Testaments gaven geen genade, zoals die doen, welke in het Nieuwe
ingesteld zijn." Daarop zei ik, dat de sacramenten van het Nieuwe noch die van
het Oude Testament genade geven, maar alleen bewijzen, dat ons de genade van
Jezus Christus gegeven wordt. Want de dienaar deelt ons alleen de sacramenten
uit; maar Jezus Christus geeft ons de genade door de kracht Zijns Geestes, en
Hij maakt ons de dingen deelachtig, die ons beloofd worden, en die zijn in de
sacramenten beduid en verzegeld. "Zijn dan," zei hij, "de vaderen van het Oude
Testament dezelfde beloften en dezelfde genade deelachtig geweest, die thans ons
deelachtig worden?" "Ja zeker," zei ik; "want Paulus schrijft aan de
Corinthiërs, dat de vaderen des Ouden Testaments met ons dezelfde geestelijke
spijs gegeten en dezelfde geestelijken drank gedronken hebben, waaruit volgt,
dat zij dezelfde genade en dezelfde beloften der rechtvaardigheid en des levens
met ons gemeen gehad hebben door het geloof, waardoor zij Christus, Die hun
beloofd en door zinnelijke tekenen voorgebeeld was, verwachtten. "Jezus
Christus," zei de monnik, "spreekt in het Evangelie van Johannes aldus: "Uw
vaders hebben het manna gegeten in de woestijn, en zijn gestorven;" zo zijn zij
dan dezelfde genade met ons niet deelachtig geweest." Ik antwoordde: "Jezus
Christus spreekt van hen, die het manna, door het geloof, niet ontvangen hebben,
hetwelk een teken was van het levende brood, dat Hij van de hemel gaf; maar Hij
spreekt niet van hen, die deze spijs door het geloof ontvingen, zoals Mozes,
Aäron, Josua, Kaleb en andere godvrezende lieden gedaan hebben, die onder zulke
beelden en schaduwen des Ouden Testaments de toekomstige Christus als van ver
aanschouwden. Want van Abraham, zegt de Heere in het Evangelie van Johannes, dat
hij zijn dag gezien heeft en verblijd is geweest; en Abraham heeft Jezus
Christus gezien, niet met lichamelijke ogen, maar met de ogen van het geloof."
Toen was mijn heer de doctor zeer ontzet en zo beteuterd, dat hij in het geheel
niet wist, wat hij deed, of waar hij zich wenden zou. En zo menigmalen ik zijn
betoog had wederlegd, zocht hij altijd uitvluchten, om de schijn van zich te
werpen overwonnen te zijn. Dikwerf sprak hij mij met deze woorden aan: "Luister,
mijn vriend, en maak u niet zo driftig, of schreeuw zo niet, wacht wat, wacht.
Ik zal bewijzen," zei hij, "dat de mensen van het Oude Testament dezelfde genade
met ons niet deelachtig zijn geweest; want Paulus zegt: De wet wekt toorn; en op
een andere plaats; "die onder de wet zijn, zijn onder de vloek." Zijn zij dan
onder de toorn en de vloek, dan volgt er wel uit, dat zij dezelfde genade, die
wij hebben, niet deelachtig zijn geweest." "Paulus", zei ik, "bewijst in deze
plaatsen, dat de wet ons niet kan rechtvaardigen, omdat niemand haar kan
volbrengen; en dat allen, die daardoor rechtvaardig voor God willen zijn, vallen
in de vloek en toorn Gods; maar dat men tot Christus moet vlieden, die haar in
alles volbracht heeft, en dat door het geloof in Hem, ons de rechtvaardigheid
gegeven wordt, die voor God bestaan kan, en voldoende is in het gericht van God.
Zo werkt dan de wet toorn, en veroordeelt ons allen, niet uit haar natuur, die
tot het leven en de zaligheid gegeven is, maar door onze schuld, omdat wij haar
niet konden volbrengen. Wij zien ook, dat de vaders des Ouden Testaments de
rechtvaardigheid niet in de wet gezocht hebben, maar in Christus Jezus, Die het
einde der wet is, in Wie zij geloofd hebben." Toen zei de monnik: "Paulus toont,
dat in het Oude Testament niet anders heerste dan toorn en bedreiging; maar ons
wordt in het Nieuwe genade en barmhartigheid voorgesteld als hij zegt: “Ik
ellendig mens, wie zal mij eerlossen van hel lichaam des doods? de genade Gods
door Jezus Christus." "Paulus", zei ik, "spreekt in die plaatsen niet van het
Oude en van het Nieuwe Testament, maar, van de strijd des vleses en des geestes,
waarin de mens verkeert, die door de Geest wedergeboren is. Deze strijd, waarin
het vlees de geest bevecht, toont de Apostel in zichzelf. Daarenboven, in de
boeken, die goed uit de Griekse taal overgezet zijn, leest men niet: "De genade
Gods;" maar: “Ik dank God door Jezus Christus."
Terwijl ik dus met deze monnik redetwistte, werd
de hoge geestelijke de la Premace dol van woede, en hij noemde mij bij herhaling
met groot geschreeuw en misbaar een ketter. Toen hij zag, dat de mond van
mijnheer de doctor gesloten was, en hij niets kon antwoorden, schreeuwde hij
tegen mij: "Gij boze ketter, loochent gij het heilige sacrament?" "Geenszins,"
zei ik, "maar ik geloof het en belijd het, zoals het door Christus ingesteld, en
door Zijn Apostelen uitgedeeld is". "Gij loochent," zei hij, "dat het lichaam
van Jezus Christus in het sacrament is. en noemt het sacrament brood." "De
Schrift" zei ik, "vermaant ons, dat wij Christus' lichaam in de hemel moeten
zoeken. En in de brief aan de Colossensen, in het 3de hoofdstuk, zegt Paulus:
"Indien gij dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt gij dan de dingen die boven
zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter[hand] Gods." Wanneer ik zeg, dat
het sacrament het lichaam van Christus niet is, maar brood, dat zijn eigen
natuur behoudt, dat doet ook Paulus in de eerste brief aan de Corinthiërs in het
11e hoofdstuk, want vier of vijf malen noemt hij het sacrament brood. Toen zei
de monnik: Jezus Christus noemt Zichzelf het brood des levens." De hoge
geestelijke de la Premace zei: "Gij boze ketter, Jezus Christus zegt, dat Hij
een wijngaard is en de deur, daar Hij immers figuurlijk en bij wijze van
gelijkenis spreekt; maar de woorden van het sacrament zijn zo niet te verstaan."
"Deze getuigenissen," zei ik "die gij bijbrengt, helpen mij meer dan
u."
"Welaan, gij booswicht," zei de hoge geestelijke,
wilt gij zeggen, dat het brood van het avondmaal en wat wij dagelijks als gewoon
voedsel gebruiken, één zaak is?" Ik antwoordde: “In de natuur of in de
hoedanigheid is er geen onderscheid, maar wel in het gebruik en in de handeling;
want het brood van het avondmaal, hoewel het van één zelfstandigheid is met dat
wat wij dagelijks eten, zo is dit nochtans anders in het gebruik, wanneer het
als een sacrament uitgedeeld wordt, en tot bezegeling der belofte van het
geestelijke en enige leven wordt gegeven."
Toen zei hij in grote woede: "Ga heen, gij boze
ketter; gij zult met vuur verbrand worden, en naar de duivel varen." "Zal ik,"
hernam ik, "om de bescherming van het goddelijke Woord verbrand worden, dan zal
ik daarom niet naar de duivel varen. Gij oordeelt nu, en stelt alle dingen naar
uw wil en mening; maar, zie wet toe,wat gij doet; want er is een opperste
Rechter, die onze zaak naar recht en zonder aanzien van personen zal oordelen.
Hij zal de onschuldigen rechtvaardig oordelen, omdat zij Zijn zaak en Zijn
waarheid hebben voorgestaan, maar de kwaden en bozen, die nu Zijn Woord
goddeloos vervolgen, die zal Hij verdoemen. Toen begon hij te schreeuwen, alsof
hij dol en razend was: "Weg met de booswicht, werpt hem in de gevangenis". Maar
ik zei tot de hogen geestelijke Ruathier: "Met uw verlof, ik bid u heer, dat ik
mijn belijdenis geheel mag afschrijven." Doch hij, de monnik en de andere hoge
geestelijke bevalen, dat ik naar mijn plaats moest terugkeren. Zo verliet ik hen
met groten weemoed en droefheid, die ik vooral gevoelde, omdat ik mijn geloof
niet genoeg bewijzen en verklaren mocht.
Toen ik op mijn plaats was teruggekomen, begon ik
God aan te roepen, en de overwinning te bedenken, die ik op deze goddeloze
lieden, de dienaren van de antichrist, had behaald, en die ik met Gods Woord
geheel verslagen had. De Heilige Geest bracht mij te binnen, wat Christus hun
beloofd heeft, die, om Zijn zaak te beschermen, voor Zijn vijanden moesten
verschijnen: Gij zult voor stadhouders en koningen gesteld worden om Mijnentwil,
hun tot een getuigenis. Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen
kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u verzetten" O grote
vertroosting en blijdschap, die ik, mijn allerliefste broeders, ontvangen heb,
als ik bedenk, dat deze belofte van Christus in mij volbracht is, en dat het
Woord van God de overhand gekregen had tegen de satan, de antichrist en zijn
dienaars.
Wel heb ik vroeger grote vertroosting van de Geest
Gods ontvangen, nadat de Heere mij tot de kennis geroepen heeft, en vooral toen
ik in de kerk van God en in de heilige gemeente en vergadering der gelovigen
woonde, maar de minste vertroosting en blijdschap, die ik in deze mijn banden
heb ontvangen, gaat alle vreugde en blijdschap te boven, die ik ooit in mijn
leven gesmaakt heb; want nu brengt mij de Heilige Geest de liefelijke beloften
te binnen, welke hun zijn gegeven, die om Zijn naam lijden. Ja, Hij verheugt mij
met de smaak der hemelse blijdschap. "Gij bent gelukkig en zalig," zegt hij, "in
deze duistere en onreine plaats, hoewel gij door de gehele wereld als ellendig
en onzalig verworpen en als een gruwel geacht wordt, nergens anders om, dan
omdat gij Mijn naam belijdt. Gij bent nu in benauwdheid, verzuchting en
verdriet: maar het is tijd, dat gij moed schept, en in God, Die u zulk een
heerlijke roeping beschikt heeft, u verblijdt, en een gelukkigen uitslag van
deze strijd en een heerlijk loon der overwinning verwacht en u voor ogen stelt.
Wordt gij ook al in deze tijd met grote schande en oneer tot lijden gebracht, zo
bent gij toch een zalig mens, die voor God en zijn engelen, alle koningen en
keizers dezer wereld in eer en heerlijkheid te boven gaat. Want immers wordt gij
alzo het beeld van de Zoon Gods gelijkvormig, zodat gij Zijn onsterfelijkheid en
heerlijkheid deelachtig wordt. Daarenboven heerst in u de Geest der heerlijkheid
op krachtige wijze, hetwelk zo dierbaar is, dat al de vreugde en blijdschap, hij
Zijn vertroosting en vreugde vergeleken, als stof verdwijnen. In één woord, gij
bent nu in de school en in het tuchthuis van Gods Zoon, waar de hemelse Vader
alle rijkdommen en schatten der genade, die wonderbare geheimen van Zijn
wijsheid en Zijn diep verborgen oordelen uitlegt en leert, in welke school alle
Profeten, Apostelen en martelaren geweest zijn, en, de een meer de ander minder,
verdriet en schande ondergaan hebben, en als met vuur in een oven beproefd en
onderzocht zijn, voor zij de kroon der onsterfelijkheid ontvingen, welke hun
bereid is, die de zaak van Christus en Zijn eer tot de dood voorstaan en
beschermen." Dit is de les, mijn allerliefste broeders, waarmee ons de Heilige
Geest, de allerbeste Leraar der kinderen Gods, en de allervriendelijkste
Vertrooster van hen, die in benauwdheid zijn, dagelijks in deze onze ellende
vertroost en vermaant.
De volgende dag, zijnde een Woensdag de lijden der
genoemde maand, werd ik naar een ander verblijf van de gevangenis gebracht, dat
zo duister niet was, en waar ook een andere broeder en medegevangene om de
Evangelische waarheid zat, met wien ik mij gedurende twee dagen vertroost heb.
In deze plaats werd ik door de wonderbare voorzienigheid Gods gebracht; want,
als ik daar met deze broeder was, werden wij opgewekt ons op een hogere
rechtbank te beroepen, en wel wegens de onrechtvaardigheid van het vonnis,
waarin wij als ketters verklaard waren. Dit zou ons en de anderen broeder, die
in de benedengevangenis zat, nooit in de zin gekomen zijn, wanneer men ons die
raad niet gegeven had. Daarom, toen ik des avonds weer in mijn oude gevangenis
gebracht was, heb ik het de broeder, die beneden mij zat, door een geheime
plaats medegedeeld.
Des anderen daags, op Vrijdag de 13den der maand,
riep mij de gevangenbewaarder, om bij de hogen geestelijke te komen, bij wie
niemand anders zich bevond dan de portier en nog iemand anders, die mij vroeg,
of ik ook vroeger wel eens in de stad Charitas geweest was. Ik antwoordde
daarop: "Geenszins, en ik weet ook niet vaar de stad ligt." "Bent gij dan," zei
hij, "niet geweest bij hen, die Richard verlosten, toen hij gevankelijk gebracht
werd naar het Parlement te Parijs?” "Neen mijnheer," antwoordde ik, "ik heb
Richard gezien noch gekend voor hij de andere dag door Saone reisde,en daar
gezegd werd, dat hij het was. En wees verzekerd mijnheer, op de eed, die ik u
gedaan heb, dat ik daar niet geweest ben, en dat ik ook niet wilde, dat ik daar
geweest was, daar ik deze daad in genen dele prijs, want dit is het middel niet,
waardoor men Gods Woord moet beschermen, of hen, die dat voorstaan." "Wilt gij
dan," zei hij, "aan uw dwaling en opgevatte gevoelens vasthouden?" "Wat ik
behoud," zei ik, "en voorsta, is anders niet dan het Woord Gods, waar ik niets
tegen inbreng." "Hoe weet gij," zei hij, "dat wat gij belijdt, het zuivere Woord
van God is? "Omdat het," zei ik, met de leer der Profeten en Apostelen van Jezus
Christus zelf overeenkomt. De Heilige Geest geeft mij daarvan getuigenis, zodat
ik er van verzekerd ben. En gij hebt ook, mijnheer, zelf gezien en opgemerkt,
dat mijn tegenstanders geen redenen konden bijbrengen, noch mij overtuigen, dat,
wat ik zeg, niet waar is. Want gij hebt wel gezien, dat hij overwonnen was, die
met mij over het sacrament en sommige andere dingen redetwistte.""Gij loochent,"
zei hij, “het heilige sacrament." "Geenszins," zei ik, "maar ik vat dit op,
zoals het door de Heere Christus is ingesteld, en gelijk het Augustinus
uitlegt."
Toen ik zag, dat de hoge geestelijke een ander
kleed aangedaan had dan hij placht te gebruiken, en omdat hij dit mij vroeger
ook gezegd had, meende ik, dat hij nu het vonnis zou uitspreken, door mij als
ketter te verklaren, en dat het weldra met ons gedaan zou zijn. Ik zei tot hem:
“Toen wij door Lyon wilden reizen, werden wij gevangen genomen zonder enige
reden, daar wij tegen de geboden des konings niets gezegd of gedaan hadden. Gij
hebt ons aangaande ons geloof ondervraagd, en wet hoe wij over de godsdienst
dachten, en wij hebben u uit het Woord van God geantwoord. Men laat aan een Turk
of Jood wel toe, dat hij reden van zijn geloof en van zijn leer geve, zonder
enig gevaar van het leven; waarom laat men het ons dan niet toe, die niets
voorbrengen buiten het Woord van God? Wij weten voorzeker, dat wij niet
onvoorziens en hij toeval in uw handen zijn gevallen, maar door de wil en de
zekere voorzienigheid van de almachtige God. Door God bent gij ook tot rechters
aangesteld, opdat gij over onze zaak, die goed en rechtvaardig is, zoudt
oordelen. Daarom, zie toe, hoe gij oordeelt of uitspraak doet. Want, wanneer gij
anders oordeelt dan recht is, en een goede zaak en de waarheid veroordeelt, zo
is er een ander opperste Rechter, voor Wiens rechterstoel gij eens zult moeten
verschijnen, om ook jegens uzelf het oordeel te horen, wanneer gij iets
onrechtvaardigs tegen ons, die getuigen van de waarheid zijn, bewijst of
aandoet.
Toen ik dit met groten ijver en kracht des Geestes
uitsprak, stond die arme man daar zo verbaasd en verslagen, dat hij geen woord
spreken kon. Hij was zo blijde en vrolijk van gelaat niet als vroeger, toen hij
mij begon te ondervragen maar hij was bedroefd en bleek, en, als bewijs van
grote ontroering, was hij zeer onrustig. Toen ik hem Gods oordeel voorhield,
sprak hij in het geheel niet, en toch kon hij mij niet verlaten, zo greep de
Heere hem in het hart, en gaf mij grote vrijmoedigheid om te spreken. En, toen
hij later veel sprak, zei hij eindelijk in het heengaan, dat men toch het Woord
van God behoorde te beschermen. Na mij dit gezegd te hebben, bracht de
gevangenbewaarder mij weer in de kerker. Omtrent een kwartier daarna riep hij
mij andermaal, om mij naar het rechthuis tot de hogen geestelijke en de andere
rechters te brengen, waar ook een grote menigte volks vergaderd was. Daar begon
de hoge geestelijke Ruathier mijn veroordeling en vonnis te lezen, door mij
namelijk als een ketter en twistzoeker te veroordelen en te verdoemen. Toen zei
ik, dat ik van dit vonnis mij op een hogere rechtbank beriep, omdat zij mijn
zaak, die goed en recht was, veroordeelden, en daarom van deze veroordeling m ij
beriep op een hogere rechtbank. Toen zei de hoge geestelijke: "Waarom beroept
gij u op hogere rechtbank? Daal even sprak gij zo niet." "Ik heb," zei ik, "in
mijn belijdenis tegen het misbruik en niet tegen het woord gesproken; daarom
beroep ik mij van uw vonnis op hogere rechtbank, omdat uw vonnis onbillijk is."
Maar na het lezen van het vonnis en ons beroep op een hogere rechtbank zijn onze
tegenstanders begonnen te razen van woede. Toen de hoge geestelijke, stadhouder
van de aartsbisschop van Lyon, ons veroordeeld had, ging hij bevende en
schuddende naar huis, zodat hij zeer van zijn stukken en weemoedig was, als hij
van ons beroep op een hogere rechtbank sprak. Omtrent anderhalf uur na zijn
tehuiskomst, kwam de rechter Melier tot hem, die hem zei, dat hij door de
stadhouder des konings gezonden was, om de Lutheranen, zoals hij hen noemde,
naar de koninklijke gevangenis te Rouaan te brengen, en die de volgende dag te
doden. De hoge geestelijke antwoordde hem, dat dit niet geschieden kon, omdat
wij ons op een hogere rechtbank beroepen hadden, en hij dit niet weigeren kon.
Toen brulde de ander als een leeuw, “Wilt gij dan niet, dat men deze booswichten
zal straffen?" “Ja, ik wil dat wel," zei de hoge geestelijke; "maar wij moeten
vooraf raad schaffen, en naar Parijs schrijven om te weten, of hun beroep recht
is of niet." Aldus beschermde God ons wonderbaar door hen, die ons vroeger
veroordeeld hadden, en de leeuw was ons enige tijd een herder geworden, om ons
voor de muil van andere leeuwen te beschutten. Hierin heeft God Zijn krachtig en
vermogend werk aan onze ogen getoond, opdat wij al ons vertrouwen op Zijn
goedheid en barmhartigheid zonden stellen, en zeker weten, aangezien de
allerbeste Vader zulk een liefde en zorg voor ons draagt, dat er niet zulk een
groot geweld des duivels of van de wereld bestaat, dat ons zou kunnen hinderen,
en dat er geen haar van ons hoofd zal verloren gaan. Zo moeten wij dan God
hartelijk danken en prijzen voor zulk een verlossing, waarin hij ons wonderbaar
beschermd heeft, ons leven temidden van de dood bewarende, en vele godvrezende
lieden opwekkende van wie wij dagelijks grote verlichting naar het lichaam en
troost der zielen ontvangen hebben. Laat ons daarom vertrouwen en hopen op de
Heere, Die ons alzo heeft bijgestaan, dat ons nimmer een ding ontbreken zal, en
laat ons altijd aan Zijn goedheid denken, en al ons betrouwen daarop stellen,
laat ons die prijzen en heerlijk maken. Wij hebben immers tot nog toe Zijn
bijzondere genade en hulp in ons gevoeld, zodat de verschrikkelijke gevaren des
doods, noch de liefelijke aangenaamheid des levens, die ons door onze
tegenstanders voorgehouden werden, kracht hadden om ons wankelmoedig te maken,
om het geloof op God en Christus niet zuiver en standvastig te behouden en te
belijden. Laat ons dan ten enenmale ons op Zijn getrouwheid en hulp verlaten,
Die bevolen heeft Zijn zaak, eer en heerlijkheid te beschermen, en laat ons Hem
onze naarstigheid en ijverige dienst, met alle standvastigheid, getrouwheid en
gehoorzaamheid bewijzen.
De belijdenis van het geloof, die Bernhardus Seguinus
afgelegd, en daarna aan de rechters van Lyon schriftelijk overgegeven heeft, in
Mei van het jaar 1552.
De Heilige Geest, sprekende door de mond van de
Heilige Apostel Petrus, vermaant ons, dat wij altijd bereid zullen zijn tot
verantwoording aan een iegelijk, die ons rekenschap afeist van de hoop, die in
ons is, met zachtmoedigheid en vrees." Hij zegt ook door de mond van Paulus: Dat
men met het hart gelooft ter rechtvaardigheid, maar met de mond belijdt ter
zaligheid." Aangezien het nu God behaagd heeft, dat ik in deze banden ben
gesloten, niet om enige doodslag, dieverij, hoererij of andere dergelijke
misdaden en schelmerij, die ik zou hebben gedaan; maar omdat ik, ondervraagd
zijnde aangaande mijn geloof, sommige artikelen niet wilde toestemmen, waarover
thans wordt getwist, en die niet voor waar wilde belijden, omdat zij tegen het
Woord Gods en mijn geweten strijden, en terwijl ik het bevel van de Geest
volgde, heb ik mij daarin beijverd. Aangezien ik nu in de tijd, toen men mij
ondervroeg, niet geschikt mijn geschreven belijdenis kon overgeven, heb ik die,
toen mij dit werd toegestaan, en God mij daartoe bekwaamheid gaf, opgetekend,
opdat gij weten zoudt,dat het geen ijdel voornemen of hardnekkigheid is, welke
ik onvoorzichtig in mijn hart opgevat en daarin bevestigd had, die mij zou belet
hebben in deze artikelen van de godsdienst toe te stemmen; maar dat het is een
vaste verzekering der waarheid en gewisheid van het hart, waardoor ik zeker
weet, dat zulks ten enenmale tegen het Woord van God strijdt. Dit hoop ik, door
Gods hulp, ordelijk in ieder stuk te bewijzen. Ik zal niet spreken over de
zaken, die ik met allen, die christenen genaamd worden, gemeen heb, waarvan ik
al de artikelen erken en belijd, welke daarin vervat zijn.
Wat vooreerst de vrije wil betreft, waarbij zij
aan de mens toeschrijven, dat hij uit zichzelf goed en kwaad zou kunnen doen. Ik
zeg, dat de mens, aangezien hij, zoals Paulus getuigt, na de val van de
stamvader Adam vervloekt is, en een kind des toorns en van de dood, van nature
niets anders vermag dan God vertoornen en zichzelf ven verdoemen. Want de
Schrift betuigt, "dat het gedichtsel van 's mensen hart boos is van zijn jeugd
aan," geneigd tot kwaad, en dat er niets goeds van kan komen; dat er onder de
mensen niet een verstandig is, en naar God vraagt; dat zij allen samen goddeloos
zijn geworden," en alzo van alle boosheid en ongerechtigheid vol zijn, dat alle
gedachten en gevoelens der mensen voor God hatelijk zijn, dat de mens zo vol
gruwelen is, dat hij de boosheid opslurpt als een vis het water, en ijdeler is
dan de ijdelheid zelf.
Aangezien dit nu alles waar is, wat zou een mens
uit zichzelf anders kunnen voortbrengen dan zonde, zoals een kwade boom kwade
vruchten oplevert?
Daarom kan geen mens, aangezien hij zodanig is,
iets goeds, zelfs niet het allerminste, uit zichzelf doen, maar, het is nodig,
dat God dit in hem werkt. Dus mogen wij dan van al het goede, dat God in de mens
werkt, onszelf geen eer toeschrijven. " Want wat hebt gij," zegt Paulus, "dat
gij niet ontvangen hebt? En, zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof
gij het niet ontvangen had? Zo behoren wij dan de gehele eer van al het goede,
wat wij doen, alleen aan God, van Wie het komt, toe te schrijven. Het geloof is
een heerlijk werk, maar het is een bijzondere gave van God." Wan niemand kan,"
zegt de Heere, "tot Mij komen, dan die de Vader trekt." En andermaal: "Niemand
kan tot Mij komen, tenzij het hem van de Vader gegeven zij." Paulus zegt
openlijk, "dat wij niet bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelf, maar dat
onze bekwaamheid uit God is; dat het God is, die in ons werkt het willen en het
werken, naar Zijn welbehagen." Eindelijk, dat Hij het ook alleen is, Die, wat
Hij in ons begonnen heeft, op de laatste dag volbrengt. Daarom is het begin, het
midden en het einde onzer zaligheid aan God alleen toe te schrijven. Want van
Hem is de oorsprong en de voortgang; tot Hem moet de uitgang van onze zaligheid
uitlopen. Daarenboven zegt Jeremia: “Ik weet, o Heere, dat bij de mens zijn weg
niet is: het is niet bij een man die wandelt, dat hij zijn gang richt." Op een
andere plaats: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn." Ezechiël betuigt ook evenals
David, dat het het eigen werk des Heeren is, het hart te vernieuwen, en zijn
hardheid te vertederen, zijn wet te schrijven in onze harten, en die zo te
veranderen, dat zij van stenen vlezen harten worden; ook in de weg zijner
geboden te wandelen, en de vrees van Zijn naam alzo in onze harten te prenten,
dat wij nimmermeer van Hem wijken. Wanneer wij eenmaal in God geloven, en in de
heiligheid des levens volharden, dan is ons dit niet ingeboren, maar het komt
van God, en wordt tot het einde door Hem bewerkt. Voor wij geloven, kunnen wij
niets anders dan zondigen, zoals de Apostel zegt: "Wat uit het geloof niet is,
dat is zonde." Verder: Het geloof is een gave Gods." Zo zijn dan ook de goede
werken en het eeuwige leven een gave van God, want zij vloeien uit het geloof
als uit de bron en de oorsprong voort. Hieruit kan men genoeg verstaan, welke
krachten en vermogens er in de mens te vinden zijn van de vrije wil, daar hij
toch van zichzelf niets vermag te doen dan kwaad, en niets goeds kan beginnen,
tenzij God het in hem werkt. Hetzij in de wil hetzij in gedachten kan de mens
niets goeds ontvangen, wanneer hij in zijn eigen natuur blijft: maar, zoals ik
boven bewezen heb, God werkt in hem, wekt in hem open volmaakt al wat goed en
rechtvaardig is.
Van de rechtvaardigmaking geloof ik, dat de mens
alleen gerechtvaardigd wordt door het geloof, dat door de liefde werkzaam is,
zodat men aan de werken geen deel der rechtvaardigheid die voor God geldt, mag
toeschrijven. Want gelijk het nodig is, dat een boom goed moet zijn, voor hij
goede vruchten voortbrengt, alzo moet een mens door het geloof rechtvaardig
zijn, voor hij enig goed werk kan doen. De persoon moet God eerst behagen voor
Hij diens werk aanziet, of voor Hem dit behagen kan, zoals duidelijk is in het
voorbeeld van Abel, die God eerst aanzag, voor Hij diens gaven aanzag. Zo is het
dan het geloof alleen, dat ons voor God rechtvaardig maakt, en niet de werken,
zoals Paulus in al zijn brieven bewijst, en vooral in die aan de Romeinen en
Galaten, waarin hij al de eer van mensen uitsluit, en in de rechtvaardigmaking
geeft hij alleen de prijs en eer aan de genade en de barmhartigheid van God.
"Want is de rechtvaardigheid." zegt hij, "uit de wet, zo is Christus tevergeefs
gestorven. Zij hebben allen gezondigd, en worden nu zonder de wet om niet
gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is,
Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in zijn bloed.
Maar deze rechtvaardigheid wordt ons geschonken als wij die uit het Evangelie,
waar zij ons geopenbaard en voorgesteld wordt, door het geloof aangrijpen, en de
vergeving der zonden wordt de gelovigen in de Zoon van God gegeven, want deze
rechtvaardigheid is gelegen in de vergeving der zonden, die om niet geschiedt,
als ons de zonden niet toegerekend worden, of niet in de tegenwoordigheid Gods
worden gebracht, maar bedekt door Zijn barmhartigheid, zoals David de mens zalig
roemt, "wien de overtreding vergeven, en de zonde bedekt is." Zo behoren wij
dan, wanneer wij behouden en zalig willen worden, alle eigengerechtigheid der
werken, en het vertrouwen daarop, ten enenmale te verwerpen, en alleen te
steunen en te betrouwen op de rechtvaardigheid des geloofs, opdat wij genade bij
God verkrijgen. Dit willen wij alleen in ootmoed op prijs stellen, en al de hoop
en het betrouwen van onze zaligheid alleen gevestigd en gegrond houden op de
barmhartigheid van God. Wij mogen de Farizeeër niet navolgen, maar de tollenaar,
opdat wij, arm aan eigen gerechtigheid, ootmoedig de toevlucht nemen tot Zijn
genade en barmhartigheid, die rijk is in barmhartigheid. Laat ons het voorbeeld
der Joden niet navolgen, die, toen zij hun eigen rechtvaardigheid poogden op te
richten, aan de rechtvaardigheid van God niet onderworpen
waren."
Omtrent de doop geloof ik, dat hij ons tot een
inlijving is in de gemeente, gelijk de Joden de besnijdenis was; dat de macht,
om die te bedienen,de Apostelen gegeven is, toen ei, geboden werd, dat zij
zouden heengaan, leren en dopen in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige
Geestes. Die nu aan het water, dat God tot het sacrament ingesteld heeft, iets
anders toevoegen, zoals speeksel, zout en andere dergelijke nietigheden, menen
dat Johannes de Doper en ook Christus Jezus zelf, niet wijs genoeg waren om die
in te stellen, want van zout of van gewijd water vindt men in het Nieuwe
Testament nergens gesproken, maar wel dat Johannes de Doper in de rivier de
Jordaan doopte, en dat Filippus de kamerling van de koningin van Ethiopië, in
het eerste water, wat hij vond, heeft gedoopt. Daar dit nu slechts zuiver water
was, en een goed voortbrengsel van God, en tot zulk een goddelijk gebruik
geheiligd, waartoe was het dan nodig, andere dingen daarbij te voegen, die
alleen ten onnutte en bederf daarbij gevoegd zijn?
Ook de mening, dat de kinderen, die voor de doop
sterven, verdoemd zouden zijn, of van Gods aangezicht verworpen, hetwelk een
zware veroordeling is, acht ik vals en goddeloos, want aldus wordt de macht van
God beperkt, alsof Hij op geen andere wijze kan zalig maken, dan Hij ingesteld
heeft, en alsof de zaligheid aan de tekenen en vergankelijke stoffen verbonden
ware, daar men toch veel meer de belangrijke beloften behoort aan te merken,
waar God eerst aan Abraham en diens zaad, daarna ook allen gelovigen, die
Abrahams nakomelingen zijn, belooft hun God te zijn. Daarom zegt Paulus, dat de
kinderen der gelovigen heilig zijn, ook als zij zich nog in het lichaam der
moeder bevinden, want Jeremia en Johannes de Doper, van wie wij niet lezen, dat
zij gedoopt zijn, zijn nochtans van zulk een heiliging niet verstoken geweest.
Hoewel dan God dit sacrament heeft ingesteld, om langs deze weg de kinderen in
zijn gemeente op te nemen, en alzo tot de zaligheid te brengen,is het nochtans
niet zulk een noodzakelijke wet, alsof God hen niet zou kunnen of willen zalig
maken, wie Hij de weldaad van dit licht en het leven niet zo lang gegeven heeft,
om het sacrament van de doop te kunnen ontvangen en
gebruiken.
Het avondmaal is een sacrament door de Heere in
Zijn gemeente ingesteld, waarin Hij jegens ons, die Zijn huisgezin zijn, het
ambt en de betrekking van een goed huisvader aanneemt, voedende niet alleen onze
lichamen, maar ook onze zielen met Zijn vlees en bloed, waarin de gezonde spijs
van onze zielen gelegen is. Daarmee worden wij dan waarachtig gevoed, als wij de
ogen onzes harten naar de hemel opslaan, om alzo Christus Jezus te aanschouwen,
Die aan de rechterhand Gods des Vaders zit, en als wij de weldaad van onze
verlossing bedenken waarin Hij Zich tot een offerande voor onze zonden
opgeofferd heeft. Zo zijn wij dan zo zeker het vlees en het bloed van onze Heere
deelachtig, als wij door het geloof het brood en de wijn, als gedenkteken en
zinnebeelden van het geestelijke voedsel, wat de ziel aangaat, gebruiken en
ontvangen, en geloven dat de Heere Christus, Die voor ons gekruisigd en
gestorven is, niet minder gegeven en meegedeeld wordt, dan het brood door de
dienaar de gelovigen wordt uitgereikt. Daarom verwerp ik ten enenmale de
verandering of transsubstantiatie zoals deze instelling des Heeren geheel vals
en door de satan en bedrieglijke geesten uitgevonden, en tot grote schade en
verderf in de christelijke gemeente is ingevoerd. Want het brood kan geenszins
het lichaam van Christus Jezus zijn, dat, zoals wij in onze artikelen van het
geloof belijden, en door de Heilige Geest in de Heilige Schrift onderwezen
worden, na de opstanding in de hemel is ontvangen, en met grote eer geplaatst
aan de rechterhand van God de Vader, Hij is ook niet meer met het lichaam op de
aarde, en zal ook niet eerder wederkomen, dan om de levenden en de doden ten
oordeel te roepen. Zo kan ook de natuur van het lichaam, noch de tekenen en de
sacramenten zodanige verandering, of lichamelijke tegenwoordigheid van Christus
in het brood, ondergaan, want een waarachtig lichaam kan op een tijd niet meer
dan aan een plaats zijn. Maar het lichaam van Christus; al is het met
heerlijkheid en onsterfelijkheid bekleed, en de zwakheid des vleses niet meer
onderworpen, die Hij om onzentwil had aangenomen, behoudt nochtans de natuur van
het lichaam, zodat het naar zijn uitgebreidheid een zekere plaats beslaat, en
niet op dezelfde tijd hier en daar op verscheidene plaatsen verspreid
is.
Daarenboven, aangezien het lichaam van Christus
verheerlijkt is en geheel onverderfelijk, en het brood langzamerhand bederft,
welke verandering of herschepping kan er dan geschied zijn? Verder, de aard van
een teken getuigt, dat er nog iets anders moet bestaan, waardoor het een teken
is, namelijk, dat dit zichtbaar en tastbaar is, maar dat het voorwerp van nature
en hoedanigheid geheel anders is en onderscheiden, hoewel het in enig opzicht
gelijk is aan het teken. Daarom, gelijk het water in de doop in het bloed van
Christus, waarmee wij gewassen worden, niet veranderd wordt, zo kan ook het
brood in het avondmaal in het vlees van Christus niet veranderd worden aangezien
van beide sacramenten enerlei reden is, en de aard der tekenen en zinnebeelden
meebrengt, dat zij in het wezen onderscheiden moeten zijn van die dingen, welke
zij uitdrukken en betekenen. Geenszins kan ik ook prijzen de goddeloze gewoonte
en lasterlijke vermetelheid, waardoor zij het avondmaal des Heeren verminkt
hebben, en het een deel aan de leken ontnomen en geroofd. Want het strijdt met
de instelling des Heeren, Die gewild heeft, dat zij allen uit een beker zouden
drinken, en het strijdt ook met de getuigenis van Paulus, die zegt, dat hij aan
de Corinthiërs geleerd had het avondmaal te vieren, zoals hij het van de Heere
ontvangen had. De Heere toch, toen Hij beide tekenen instelde, wilde daarmee
Zijn onverdeelde en gehele gemeenschap tonen. Daarom is het niet nodig, om het
lichaam en het bloed van Christus deelachtig te worden, dat deze in de stoffen
besloten zijn. Want, ofschoon het lichaam van Christus in de hemel is, nochtans
zijn wij, door het geloof, dat alle onderscheiden zaken in zich bevat en
begrijpt, en wel door de kracht des Geestes, Die zulke dingen bijeenvoegt, dit
alles deelachtig. Zo zijn dan de woorden: “dit is mijn lichaam" figuurlijk te
verstaan, evenals het lam het Pascha of de doorgang des Heeren genoemd wordt, en
de steen Christus, daar zij alleen tekenen waren der vorige dingen, waaraan zij
herinnerden, of van de toekomende dingen, die zij op heerlijk zinnebeeldige
wijze beduidden en voorbeeldden.
Aangaande de mis, die zij beweren, dat door
Christus is ingesteld, en een offerande is voor levenden en doden, betuig ik,
dat zij vals is en geheel strijdt met Woord van God. Want de verordening van
Jezus Christus vermaant ons geheel anders, welke beveelt te eten en te drinken,
en niet, dat wij Hem Gode tot een offerande moeten opofferen. Daarenboven komt
het ambt om te offeren geen sterfelijk mens toe, maar eigenlijk en alleen
Christus, hetwelk Hij ook gedaan heeft, zoals de Apostel zegt, Hebr. hoofdstuk
9: "Hij heeft Zichzelf eens opgeofferd, en met deze offérande heeft Hij de
zijnen in eeuwigheid geheiligd." Nu deze offerande volbracht is, is er geen
andere, offerande meer nodig. Want daarom is Hij tot een priester gesteld, naar
de ordening van Melchizedek, opdat Hij in Zijn ambt en ere geen medegenoot en
navolger hebben zou. Zo wordt dan Christus van Zijn eer des eeuwige
priesterschaps beroofd, wanneer het recht van offerande te doen anderen bevolen
wordt, wie dit offeren toegelaten wordt te herhalen, te vernieuwen, te
bevestigen en andere lieden op te dragen. In een woord: "Niemand behoort," zoals
de Apostel zegt, Hebr. h. 5, "die eer zich toe te eigen, tenzij hij daartoe van
God geroepen wordt”, maar wij lezen niet, dat er iemand anders tot zulk een eer
geroepen is dan Christus Jezus. Daarenboven, aangezien de beloften, die in deze
woorden begrepen zijn: "Dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt," alleen
betrekking hebben op hen, die het sacrament ontvangen, zo kan het nut en de
kracht de doden niet ten goede komen, die in deze gemeenschap niet begrepen
zijn. Daarom bestaat ook de vrucht der missen, die zij willen, dat de doden zou
toekomen, in het ijdel en opgeraapt vagevuur, tegen het zuivere Woord van God
voortgebracht, hetwelk ons leert, dat er geen andere reiniging is dan het bloed
van Jezus Christus.
Zie hier, wat ik geloof en omhels aangaande de
artikelen van het geloof en van de godsdienst, waar hedendaags zo over wordt
getwist. Hierin zult gij gemakkelijk zien, dat het geen eigen mening is, wat ik
betuig, maar dat ik het naar de genade, die God mij gegeven heeft, alles met
Zijn heilig Woord betuig en bevestig. Wilt gij nu die verachten en verwerpen, en
voortgaan om mij als een ketter te veroordelen, zoals gij reeds vroeger gedaan
hebt, ziet dan toe, hoe gevaarlijk het is aldus tegen hem te handelen, die u het
zuivere Woord van God voor ogen stelt. Maar ik beveel de gehele zaak de
almachtige God aan, Die er mij toegeroepen heeft, en beveel die in Zijn handen,
Hem biddende, dat Hij mij geduld en standvastigheid geve, opdat ik niet alleen
met een goed gemoed, maar ook gewillig verdraag, wat Hij mij om Zijns naams wil
zal willen opleggen. Hem zij de eer en heerlijkheid in eeuwigheid,
amen.
De belijdenis van het geloof, die Petrus Naviherus
voor de rechters te Lyon afgelegd en daarna schriftelijk overgegeven heeft, in
mei van het jaar 1552.
Aangezien alle christenen bereid moeten zijn
rekenschap te geven van de hoop, die zij hebben, aan ieder die daarnaar vraagt,
met alle bescheidenheid, zachtmoedigheid en eerbied, zo heb ik, mijn heren, daar
ik wegens mijn geloof ben ondervraagd, gedacht, dat het mij befaamde op uw
vragen te antwoorden. En, daar ik gevoel, dat ik in de Heilige Schrift niet zo
ervaren ben, om dit te kunnen doen, zoals de belangrijkheid en waardigheid der
zaak wel zou vereisen, begeer ik en bid u, het mij ten goede te houden, wanneer
ik u in alles niet geheel voldoe. Nochtans meen ik, dat ik niets leren zal dan
wat met Gods Woord overeenkomt, zoals alle gelovige lieden dit wel verstaan
zullen, en gij ook zult kunnen erkennen. Vooreerst geloof ik in een
onsterfelijke, onzienlijke God, drie onderscheiden personen, Vader, Zoon en
Heilige Geest, Die van een en gelijke hoedanigheid en wezen zijn. Tot die kennis
van God kan de mens van nature niet komen, omdat hij in goddelijke zaken blind
is, en er niet over kan oordelen, zoals Paulus zegt: "De natuurlijke mens
begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want ze zijn hem dwaasheid,
en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden." Want de
eerste mens, toen hij zich van God gekeerd en vervreemd had, is derwijze tot de
slavernij der zonden vervallen, dat hij daaronder verkocht en als een slaaf
gehouden wordt. Opdat hij nochtans geen verontschuldiging zou kunnen voorwenden,
is in zijn hart de getuigenis gelaten, waardoor hij weten kan, dat er een God
is. Maar zover is hij ervan verwijderd, om tot de rechte kennis van God, die er
is door Christus Jezus, te kunnen komen, dat Hij hem alleen erkent als een
rechtvaardig Rechter over hen, die Hem hebben vertoornd. Zo zeg ik, dat de mens
een algemene wetenschap en verstand bezit, en wel in zijn hart van nature, opdat
hij niet onschuldig zou zijn. Maar de kennis, die wij hebben door Christus
Jezus, door Wie wij Hem een Vader mogen noemen, kan de mens in geen dele
bezitten. Om hem te kennen, is het nodig, dat Hij ons de ogen opent, en ons hart
alzo verandert, dat het van een stenen een vlezen hart worde, en daarin Zijn
Woord prent. Maar al dit goed komt alleen van God en niet van de mens, zoals
Augustinus betuigt: "Want naardien," zegt hij, "de mens door de zonde zichzelf
van God gekeerd heeft, zo is het alleen de genade Gods, die hem bekeren en
terugbrengen kan, en alzo in de gehoorzaamheid en de liefde van Zijn naam
behouden."
Daarenboven geloof ik, dat de mens niet
gerechtvaardigd kan worden dan alleen door het geloof, hetwelk een gave Gods is,
zonder hetwelk alles zonde is wat de mens doet. Maar, nadat hij de gave van
verkregen, zo is Gode alles aangenaam, wat hij doet, en hij wordt door dit
geloof voor God rechtvaardig geacht. Dit geloof is ook in de mens niet leeg en
dood, maar levend en krachtig, en brengt vruchten voort, die de Geest Gods
waardig zijn, Die in hem woont. En, wanneer God deze vruchten verzegelt en
beloont, dan doet hij dit alleen uit Zijn genade, niet om enige van onze
verdiensten, want van nature kunnen wij niets goeds doen. Als God dan de goede
werken, die in ons zijn, kroont, dan kroont Hij niet wat ons toebehoort, maar
alleen wat Hij ons door Zijn Geest gegeven heeft. Wat Jakobus in het 2de h. zegt
van de werken, weet gij zeer goed, dat hij van hen spreekt, die meenden, dat zij
het geloof hadden, wat zij met geen werken, die het geloof waardig waren,
toonden. Daarom, wie geloof voorwendt, dat van goede werken is vervreemd,
dwaalt; want het geloof kan veel minder zonder goede en godvruchtige werken
bestaan, dan een goede boom zonder goede vruchten.
Ik geloof ook, aangezien God een geest is,
onsterfelijk en onzichtbaar, dat men Hem niet door enige verderfelijke dingen
mag of behoort te dienen, maar alleen in geest en in waarheid. Daarom, die Hem
door beelden en gelijkenissen voorstelt, en Hem daarin dient, hij handelt tegen
Zijn gebod, dat van deze verering gegeven is, zoals blijkt Exod. 20. Die zich
ook voor enig beeld neerwerpt, knielt of buigt, en^ dit enige eer bewijst, hij
dient een afgod. Want zoals Paulus zegt, 1 Kor. 8 vs. 4: "Een afgod is niets in
de wereld." In het 5de hoofdstuk van Johannes eerste brief vermaant hij ons
nadrukkelijk, dat wij zulke beelden moeten vlieden. Men moet ook geen
uitvluchten zoeken, door te zeggen: wat de beelden aangedaan wordt, geschiedt
niet om hunnentwil maar om zijnentwil, die het beeld voorstelt. Augustinus zegt:
"De afbeeldingen trekken de harten der mensen meer van de hemel, dan zij die
hemelwaarts wijzen of sturen; omdat wij deze zo zien voorgesteld en naar onze
gelijkenis gemaakt, hebbende ogen, mond, oren, armen en een, menen wij, dat zij
wat heiligs moeten zijn, en wij hangen hen alzo aan met grote dwaling." Dezelfde
Augustinus zegt: "dat het Goddeloos is in de tempels der christenen enige
geschilderde menselijke beelden, gelijkenissen of figuren op te hangen, en dat
het onbehoorlijk is, enige beeltenissen van God te hebben." Op een andere plaats
zegt hij: "Alle beeltenissen zijn door het Evangelie verworpen, vergeten en als
begraven."
Van de verering der heiligen na hun dood wordt in
de Schrift geen melding gemaakt, en wij vinden geen gebod om hun hulp en
voorbidding te begeren; maar alleen, dat wij tot God zullen gaan door Jezus
Christus, Die alleen onze Voorbidder en Beschermer is, en ons niet beveelt tot
Petrus of tot Paulus de toevlucht te nemen, maar in Matt. 11, vs. 28 roept Hij
hen allen goedertieren tot zich, die door benauwdheid verdrukt zijn, en Hij
belooft hun verlichting en rust. Daarna, in Joh. hoofdstuk 14, 15 en 16, belooft
Hij ons met vele woorden, dat ons de Vader geven zal, wat wij in Zijn naam
begeren. Van andere namen of voorbidding van heiligen wordt zelfs niet
gesproken. Augustinus schrijft, "dat onder hen, die dit menselijk vlees
aangenomen hebben, Jezus Christus alleen voor ons bidt," Op een andere plaats
zegt hij, "dat het gebed, hetwelk niet alleen door Christus geschiedt, de zonde
niet kan uitroeien, maar veel meer tot zonde strekt." Eindelijk, wanneer
godvruchtige lieden des Ouden Testaments iets van God begeerden, voorstellende
en gedenkende de naam van Abraham, Izak en Jakob, dan doen zij dat, door te
denken aan de beloften Gods, die de Aartsvaders gedaan
zijn.
Aangaande de doden gebiedt Paulus ons, 1 Thess. h.
4, dat wij ons over hen niet moeten bedroeven, evenals de heidenen en
ongelovigen, die geen hoop hebben weer te zullen opstaan. De Apostel gebiedt
niet, dat wij voor hen zullen bidden, wat hij zeker niet zou verzuimd hebben,
wanneer hij gedacht had, dat het hun zo nodig en onontbeerlijk zou geweest zijn,
als het volk nu gewoonlijk zegt en gelooft. Augustinus zegt, "dat de geesten der
doden niet toekomt, dan wat zij in hun leven gedaan hebben." En hebben zij het
niet gedaan, terwijl zij hier leefden, zo komt het hun, nu zij dood zijn, in het
geheel niet toe. Daarenboven, wanneer men hen tot hun zaligheid met gebeden kon
helpen, dan zou Christus niet meer dan de helft van onze verlossing volbracht
hebben, en de andere helft zouden wij moeten volbrengen. Maar, het is duidelijk
en zeker, dat Hij geheel en volmaakt het handschrift, heeft uitgewist, waarmee
wij aan de duivel verbonden en onderworpen waren. Petrus bewijst in zijn 1e
hoofdstuk, "dat wij niet door zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van
het onbevlekte Lam Jezus Christus verlost zijn, en dat er in geen anderen naam
zaligheid is." Chrysostomus zegt: “Als men barmhartigheid van God begeert,
geschiedt het daarom, opdat er over de zonde geen onderzoek zou plaats hebben,
en niet geoordeeld zou worden naar de gestrengheid van Gods rechtvaardigheid;
want, waar barmhartigheid is, daar is geen hel meer, noch onderzoek, noch
gestrengheid, noch straf." Daarom, zij, die eens barmhartigheid door Jezus
Christus verkregen hebben, behoeven, wanneer zij dit leven hebben verlaten, geen
reiniging meer, en hun wacht ook geen smart of ellende, maar zij worden, vrij
van alle rampen, overgebracht in het eeuwige leven en in de eeuwige blijdschap.
Het bidden voor de doden vindt men in de boeken van de Machabeën, en gij weet
toch, dat die boeken niet opgenomen zijn in de Heilige Schrift, zoals Hiëronymus
bewijst.
Twee sacramenten vinden wij in de christelijke
gemeente door Jezus Christus ingesteld: de doop en het heilige avondmaal. De
doop is een sacrament der boete of van de verbetering des gemoeds, en als een
inlijving in de. gemeente Gods, en een inplanting in het lichaam van Jezus
Christus. In dit sacrament wordt ons de vergeving der zonden voorgehouden, zowel
van de gedane als nog te doene, welke ons alleen de dood van Jezus Christus
geheel en volkomen heeft verworven. Daarenboven wordt ons daarin aangeduid en
bewezen de afsterving van ons vlees en de vernieuwing tot een goed, godzalig
leven, wat samen door het water, over het kind uitgestort, wordt afgebeeld,
waarin een heerlijk en uitdrukkelijk teken des Heilige Geestes gelegen ligt, die
de smetten van onze zonden afwast en reinigt. En alzo worden wij vermaand, om,
zoals de machtige Farao in de Rode zee verdronken is, ook alzo onze oude adam,
en al wat wij van hem hebben, ten onder te brengen en als te verdrinken; en
evenals het water op het kind gegoten wordt, niet opdat het daaronder blijven
zou en smoren, maar opdat het zou leven, dat wij ook alzo moeten wandelen in
nieuwigheid des levens, voortaan niet voor onszelf leven, maar voor Christus
Jezus, met Wie wij alzo zijn verenigd. Niets anders leest men, dat door Christus
aangaande dit sacrament is ingesteld of bevolen, dan de wijze waarop men dit in
de gemeente bedient, hetwelk men in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige
Geestes aan het sacrament toevoegt.
Aangaande de olie en andere plechtigheden, daarvan
leest men in de Schrift niets. Wij kunnen het ook niet goedkeuren, dat men de
uitwendige doop, die door het water geschiedt, zo noodzakelijk tot de zaligheid
acht, alsof zij, die de doop niet ontvangen hebben, niet zalig kunnen worden;
wij noemen dit een goddeloos gevoelen. Want op deze wijze zou de genade Gods aan
die uiterlijke dingen alzo uw gebonden zijn, alsof zij zonder hulp daarvan geen
zaligheid zou kunnen schenken. Wel lezen wij in het Oude Testament, dat de
besnijdenis, welke een afbeelding van de doop is, die toen op de achtsten dag
werd volbracht, dikwerf verzuimd werd buiten de schuld van de ouders of zonder
gevaar voor het kind. Dat zelfde kunnen wij evenzeer van de kinderen der
christenen zeggen en aannemen, want de sacramenten van het Nieuwe Testament
hebben niet meer kracht dan de sacramenten van het Oude Testament gelijk Paulus
genoegzaam bewijst 1 Cor. h. 10, als hij zegt, "dat de vaders dezelfde
geestelijke spijs met ons gegeten hebben, en dezelfde geestelijke drank
gedronken." En, ware er ook enig onderscheid in deze sacramenten, dan was dit
aan de tijd en aan de sacramenten zelf toe te schrijven. Want de sacramenten van
het Oude Testament betoonden de hoop in Christus, de toekomende Zaligmaker; de
onze bewijzen, dat Hij gekomen is, zoals ook Augustinus zegt. Hetzij echter
daarom verre van ons de sacramenten te verachten. Zo zijn ook de kinderen der
gelovigen in de belofte begrepen, waarin God verzekert, dat Hij een God wil zijn
van de ouders, van hun kinderen en hun nakomelingen tot in het duizendste
geslacht, en zij zijn ook, zonder enige twijfel de zaligheid deelachtig, welke
door God, Die niet liegen kan, is beloofd. Want Ambrosius zegt: “Het is
duidelijk genoeg, dat de Heilige Geest zonder oplegging der handen is gegeven,
en dat hij, die niet gedoopt was, vergeving der zonden verkregen heeft; maar,
die de gave van de doop heeft ontvangen, hij is met het zichtbare teken
gedoopt." En Augustinus zegt: "dat de heiligmaking soms plaats heeft en gevonden
wordt zonder het zichtbare sacrament; en dat het uitwendige wel eens bestaat
zonder de inwendige heiliging. Daarom zeg, ik en besluit, dat de uitwendige
doop, die door water geschiedt, niet nodig is tot zaligheid, en dat de mens door
de hulp van het water niet zalig wordt, maar door de getuigenis van het geweten,
welke het water afbeeldt, van de vergeving der zonden, onsdoor de dood van Jezus
Christus verworven, welke wij deelachtig moeten zijn, of wij moeten verloren
blijven.
Voorts zullen wij spreken van het andere
sacrament, van het heilige avondmaal, dat, zoals de vier Evangelisten en Paulus
1 Kor. h. 11 getuigen, de Heere Jezus, Christus in de nacht waarin Hij leed,
heeft ingesteld. Hij nam toen het brood, brak het, en gaf het Zijn discipelen,
zeggende: "Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt." Toen Hij
gedankt had, nam Hij ook de beker, en zei: .Dat is het Nieuwe Verbond in Mijn
bloed; drinkt allen daaruit. Zo dikwijls als gij dit doet, zo zult gij de dood
des Heeren verkondigen, totdat Hij komt." Dit is de inzetting van het heilige
avondmaal, waaruit gij vooral zien kunt, hoe het gebod, om uit de beker te
drinken, is overtreden, wanneer men die aan het volk weigert. Al de oude leraars
hebben eenparig en openlijk bevolen, dat allen de beide delen van het sacrament
moesten gebruiken, namelijk het brood en de wijn, opdat zij alzo het lichaam en
het bloed des Heeren deelachtig zouden worden. Johannes Chrysostomus zegt, "dat
het met dit sacrament niet is als onder de oude wel, waar de priesters een
onderscheiden deel van het volk namen. Maar in het sacrament der dankzegging
heeft het volk alle dingen met de priesters gemeen; want hetzelfde lichaam en
dezelfde drink beker wordt ieder aangeboden." Gelasius, bisschop van Rome, heeft
ook bevolen, dat men hun, die anderen de drinkbeker onthielden, het sacrament
geheel moest weigeren. Want hij zegt, dat de scheiding van deze verborgen heden
zonder groten kerkroof niet kan geschieden. Doch laat ons nu spreken over
hetgeen men in dit sacrament op het oog heeft. Gij zegt, dat men daarin het
lichaam en bloed van Jezus Christus ontvangt. Dat belijd ik ook; maar laat ons
nu eens zien hoe. Gij zult immers toch niet loochenen, dat wij Christus Jezus op
geen andere wijze tot zaligheid deelachtig kunnen worden, dan door het geloof,
want, aangezien het geen lichamelijk voorwerp is, zo is het niet betamelijk om
Jezus Christus te ontvangen en te eten dat wij onze tanden van de mond
meebrengen, maar alleen de geest en de ziel, die naar zulke zalige spijs
hongerig zijn. Dit geschiedt slechts door het geloof, waardoor wij alleen Jezus
Christus tot onze zaligheid ontvangen. Het werk en de bediening van het geloof
is: geloven en vertrouwen. Zo wie dan in Jezus Christus gelooft en op Hem
vertrouwt, die eet Hem in de geest. Ik denk daar eveneens over als Augustinus,
die zegt, dat wij geen tanden en buik behoeven te gebruiken, maar, wanneer wij
slechts geloven, dan hebben wij gegeten. En het besluit der boete luidt evenzo.
Daarom is dit zijn mening en gevoelen, dat, zo wie gelooft, dat Jezus Christus
neergedaald is van de hemel, Hij voor hem geleden heeft, gestorven is, en door
Zijn dood hem van de eeuwige dood verlost heeft, en een erfgenaam van de hemel
heeft gemaakt, ook gelooft, dat Hij is opgestaan, ten hemel gevaren, van waar
Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden, dat deze geheel, zeg ik,
Jezus Christus deelachtig is, Zijn vlees eet en Zijn bloed drinkt; en op deze
wijze, zoals Augustinus zegt, woont Christus in ons en wonen wij in Christus.
Want de ware gemeenschap, die wij met Hem hebben, is die welke door het geloof
geschiedt, want de vereniging en gemeenschap, dat Christus een zoon van Adam is
geworden, en zichzelf met het gehele menselijke geslacht verenigd heeft, en de
waarachtige mensheid aangenomen, zou ons in geen dele baten, wanneer er geen
andere geestelijke vereniging, die door het geloof geschiedt, aan ware
toegevoegd, waardoor wij alleen wedergeboren en onder het aantal kinderen Gods
worden opgenomen, welke zij alleen deelachtig worden, die van God uitverkoren
zijn, en in Christus geloven. Daarom is mijn gevoelen en mening, dat het
vleselijk eten van het natuurlijke lichaam en bloed van Jezus Christus, waarin
zij zeggen, dat het brood en de wijn veranderd worden, geenszins in het
avondmaal geschieden kan. Maar ik geloof, dat Hij zit ter rechterhand van God de
Vader, wanneer het hoofdartikel van ons algemeen geloof en de geschiedenis van
Zijn hemelvaart mij niet bedriegen, gelijk die mij trouwens niet bedriegen
kunnen. Maar door dit zinnebeeld worden wij alleen vermaand, dat, gelijk onze
lichamen niet brood en wijn gevoed en onderhouden worden, alzo dan ook onze
zielen met het vlees en bloed van Jezus Christus gevoed, onderhouden en
versterkt worden, als wij dat door het geloof en in de geest ontvangen. Doch,
opdat dit meer openlijk betoond en bewezen worde, laat ons dan letten op de ware
betekenis der woorden van Christus. Hij zegt: "Dit is mijn lichaam." Och, laat
ons hier niets van het onze bijvoegen, maar alleen ons geweten raadplegen.
Tertullianus legt deze woorden aldus uit: "Dat is het teken en beeld van mijn
lichaam." Augustinus zegt: "De Heere heeft niet, getwijfeld om te zeggen: “Dat
is mijn lichaam; ofschoon Hij niets anders uitdeelde dan een teken van zijn
lichaam." En daarna: Jezus Christus heeft, Judas met de discipelen aan de
maaltijd ontvangen, aan wie Hij het teken en het beeld van, Zijn lichaam
voorgesteld en gegeven heeft." Ja, al de oude leraars gevoelen en zeggen
hetzelfde. Irenaeüs zegt: “Het aardse brood, dat de zegen van God ontvangt is nu
niet meer gewoon brood, maar het brood der dankzegging, bevattende twee dingen,
waarvan het een aards en het andere goddelijk is." Zo ook Augustinus, als hij
van dit sacrament spreekt, zegt: "Gelijk het knechtelijke zwakheid is, de letter
geheel te volgen, en de tekens te nemen voor de dingen, die zij betekenen, zo is
het ook een schadelijke dwaling, de tekens als overbodig te beschouwen." Mocht u
dit echter nog niet genoeg zijn, laat ons dan deze zaken nog wat dieper inzien.
Gij belijdt immers, dat het avondmaal van Christus een sacrament is? Laat ons
dan nu alleen nagaan wat toch een sacrament is. Augustinus zegt: “Een sacrament
is een teken van een heilige zaak of een zichtbaar teken van de onzichtbare
genade." Zo kan het dan zelf niet zijn wat het betekent, want dan zou het niet
langer de natuur of de naam van het sacrament mogen hebben. Maar het avondmaal
is een sacrament en een zodanig teken, dat iets aanduidt, doch alzo, dat
hetgeen, wat daarmee betekend en aangewezen wordt, waarlijk uitgedeeld en
gegeven wordt aan hen, die dat door het geloof ontvangen, en anders niet.
Daarenboven weet gij wel, dat het woordje is dikwerf in de Heilige Schrift in
plaats van het woord “betekent” wordt genomen, zoals Genesis, hoofdstuk 41: "De
zeven koeien en de zeven aren zijn zeven jaren. De steenrots was Christus.
Johannes is Elias." Ik denk wel, dat gij allen mij wel toestemt, dat men deze
plaatsen moet verklaren met het woord betekent. Wat zou ons nu beletten,
hetzelfde te doen met deze woorden van Jezus Christus, bovenal, omdat de oude
leraars dit ook zo hebben verklaard.
Eindelijk. Wanneer zij zeggen, dat de verandering
van het brood en de wijn in het lichaam en bloed van Jezus Christus op
wonderdadige wijze geschiedt, dan hebben zij daartoe geen belangrijke redenen.
Want welk wonder zoudt gij uit de gehele Schrift kunnen bijbrengen, dat niet zo
openbaar was, dat allen, die het zagen en hoorden zich daarover verwonderden?
Zoals over de wonderen, die Mozes in Egypte deed. Maar in het avondmaal zien wij
niet, dat het brood en de wijn veranderd worden, en een andere kleur of smaak
krijgen, waarover wij ons zeer zouden moeten verwonderen. Zo is er dan geen
wonder in. Gij zegt, dat men het geheel door het geloof moet begrijpen, waardoor
aan de woorden van Jezus Christus niet te twijfelen valt, door wier kracht deze
diepe verborgenheden verstaan worden. Ja, ik geef u daarin gelijk. Doch het
blijft nochtans mijn mening en gevoelen, dat het geloof zo grof en vleselijk
niet is, dat het in deze verborgenheid iets vleselijks of aards ziet of geniet,
want het is een waarachtige hemelse en geestelijke verborgenheid. Zo moeten wij
dan daarbij niet denken, dat het met de aarde of het vlees gemeenschap heeft, en
wij mogen, zoals in de eerste Canon van de Niceese kerkvergadering besloten is,
onze ogen niet op het brood en de wijn vestigen, welke ons in het avondmaal
worden uitgedeeld, maar onze ogen des harten, des geestes en van het geloof
moeten wij naar de hemel verheffen, om het Lam te aanschouwen, dat eens voor ons
opgeofferd is, en geplaatst is aan de rechterhand van God. Ik bid u, in de naam
van God, zelf te bedenken of het niet zo is. Het is u ook wel bekend, dat de
Canon van de transsubstantiatie of verandering geen anderen oorsprong vroeger
had dan van Paus Gregorius de zevende. Dat dit sacrament door de oude godzalige
leraars een sacrificium of offerande werd genaamd, geschiedde ter gedachtenis
van de allerhoogste en eeuwige offerande, die Jezus Christus aan het kruis eens
voor onze zonden heeft volbracht. Het is ook genaamd Eucharistia, dat is,
dankzegging, welke offerande ons alleen bevolen is Gode op te offeren; zoals in
de brief aan de Hebreeën de vrucht der lippen, en door David een benauwd en
verootmoedigd hart offeranden genaamd worden. Alle andere offeranden zijn door
Jezus Christus afgeschaft, die zichzelf Gode de Vader eenmaal heeft opgeofferd,
en niemand kan Hem dus meer opofferen.
In de gehele instelling van het heilige avondmaal
en in de gehele Schrift vindt men nergens van de mis of van haar instelling
gesproken, waaraan men thans zo grote waarde hecht. Daarom weet ik niet, welke
reden zij er voor hebben, die zeggen, dat Jakobus te Jeruzalem de eerste mis
gedaan heeft. Anderen zeggen, dat zij het eerst bediend werd door Petrus te
Antiochië. Weer anderen zeggen, dat zij afkomstig is van Gregorius, en nog
anderen van Ambrosius. Men vindt dus hier geen zekerheid om de waardigheid van
de mis te bewijzen, die zij onder de grootste en belangrijkste artikelen des
christelijken geloofs willen rangschikken. Paulus zegt, dat hij de Corinthiërs
overgeleverd heeft, wat hij van de Heere ontvangen had, en er is geen twijfel
aan, of de andere Apostelen hebben dit ook gedaan. Maar zeker is het, dat de
Heere Jezus de mis nooit heeft ingesteld. Wanneer nu Petrus en Jakobus die
hebben ingesteld, volgt er uit, dat zij geen getrouwe dienaars noch Apostelen
van Jezus Christus geweest zijn, aangezien zij dan anders onderwezen en verricht
zouden hebben, dan hun van hun Heere en Meester onderwezen en bevolen was, wat
men toch van hen niet denken kan. Mij dunkt, dat gij wel weten zult, dat de mis
haren oorsprong heeft uit de gewoonte van de oude gemeenten, waarin sommige
psalmen gezongen werden of enige hoofdstukken van de Heilige Schrift gelezen,
terwijl het volk samen kwam. En wat nu geofferd wordt, is afkomstig van de
inzamelingen, die de ouderlingen of diakenen voor de armen deden. Ziet nu toch
eens, welke grote veranderingen in dit alles hebben plaats
gehad.
Voorts heb ik over geen andere sacramenten
gesproken dan over deze twee, waarvan ik weet, dat zij door Christus ingesteld
en verordend zijn. Want voor het vormsel, de oplegging der handen en het laatste
oliesel, zie ik geen ware reden, waarom men die zou behouden, aangezien de gave
om wonderen te doen, om welke zij waren ingesteld, nu heeft opgehouden. Want
gijlieden geeft toch de Heilige Geest niet uit, daar Hij alleen een gave van God
is, zoals Ambrosius schrijft; en met uw olie maakt gij geen zieken gezond, zoals
de Apostelen deden, maar gij geeft daarmee veel meer een bewijs van het sterven,
of van een dodelijke ziekte.
Ik geloof ook, dat de heilige kerk geen ander
hoofd heeft dan Christus Jezus, Wiens leden alle gelovige mensen zijn, van wie
de een niet waardiger is dan de ander, en niemand de macht heeft anderen aan
zich te onderwerpen. Zij zijn toch allen broeders in de Heere, om elkaar
onderdanigheid en gehoorzaamheid te bewijzen, en de een de ander onderdanig te
zijn; zoals dit ook in de eerste gemeenten het geval was, gelijk men uit de
geschriften daarvan zien kan. In de brief, die Cyprianus te Karthago schreef,
vinden wij de woorden: Wij zullen allen samen komen, opdat ieder zijn gedachte
en mening mededele. En wanneer iemand een ander gevoelen heeft en tegenspreekt,
die zullen wij toch niet uit onze vergadering werpen; want niemand is er onder
ons, die zich de opperste bisschop zou durven noemen, of de ander tot de
aanneming van zijn gevoelens dwingen." Nu ziet gij wel, dat er toen geen
bisschop was, die zich heerschappij aanmatigde over een ander, veel minder over
koningen en vorsten, zoals thans de paus zich wil aanmatigen. Gij weet, dat
Gregorius deze naam verwerpt, wanneer hij zegt: "Dat hij, die die gebruikt en
aanneemt, de voorloper van de antichrist is." Hetzelfde zegt ook Ammianus, de
diaken, aangaande Johannes, de bisschop van Constantinopel, die deze naam zich
hovaardig aanmatigde. Onbekend is het u ook niet, wat het ambt en bediening der
andere bisschoppen was, en welke wijze van leven, leer en handelen Paulus hun
heeft voorgeschreven, en dat Gregorius ben, die hun bediening niet waarnamen,
stomme honden noemde. Gij weet ook wel, wat het ambt der priesters is, en welke
kracht die naam heeft. Met de naam alleen stellen zich thans de mensen tevreden;
het leven en de zuivere leer worden door hen niet geacht.
Daarenboven belijd ik, dat alleen het Woord de
mensen de zonden kan vergeven; en dat de mens, zoals Ambrosius zegt, alleen een
dienaar is van de vergeving. Daarom, wanneer hij iemand verdoemt, dan geschiedt
dit niet door zijn kracht en macht, maar door de kracht van het Woord, dat door
hem wordt verkondigd. Dit komt geheel overeen met het gevoelen van Augustinus,
dat in zijn besluit staat uitgedrukt, als hij zegt: "Dat het niet geschiedt door
de verdiensten van de mensen, dat de zonden vergeven worden, maar door de kracht
des Heilige Geestes. Want de Heere had tot zijne Apostelen gezegd: “Ontvangt de
Heilige Geest," en daarbij gevoegd:" wanneer gij iemands zonden vergeeft, dan
doet gij dat niet, maar de Heilige Geest, Die gij ontvangen hebt." Cyprianus
zegt ook, dat een dienaar niet kan vergeven wat tegen zijn Heere misdaan is."
Daarom ken ik ook geen andere biecht, dan die wij aan God behoren te doen, de
broederlijke Verzoening, en de openba