.HOLYHOME.NL - BRON VAN VREDE
 
 
   
 
HISTORIE DER MARTELAREN

De Christelijke Vervolging begon bij Jezus zelf. Hij werd tijdens zijn berechting ronduit gevraagd: "Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?" Jezus liet geen ruimte voor twijfel - Zijn eerste woorden waren "Dat ben ik". De religieuze elite in Jeruzalem wist wat Jezus hiermee zei - Het was ontzettend duidelijk voor hen dat Hij beweerde dat Hij God was. Daarom werd Jezus voor de misdaad van godslastering aan een Romeins kruis ter dood veroordeeld en werd Hij zo de eerste martelaar voor wat later de Christelijke Kerk zou worden.

Hoewel Christelijke vervolging in de 21e eeuw nog steeds doorgaat, is de stem van de martelaar nog steeds het meest treffende bewijs dat het leven, de dood en de wederopstanding van Jezus Christus geen door de mens verzonnen bedrog was dat door een groep discipelen in elkaar zou zijn gezet. Omdat de apostelen en velen onder de vroege discipelen ooggetuigen waren van het leven van Jezus, was hun verhaal niet slechts gebaseerd op een religieus geloof, maar op feitelijke historische gebeurtenissen.

Historie der martelaren

Adrianus Haemstedius

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655.

Vermaning aan de overheid

Voorrede aan de christelijke lezer

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655

Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker

Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de overspelige Herodias gebracht

Stefanus, de diaken, gestenigd

Jakobus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd

Jakobus, de zoon van Alfeüs, doodgeslagen

Barnabas te Salamis verbrand

Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept om verbrand te worden, en onderweg gestorven

De tien bloedige vervolgingen van de Christenen onder de Heidense keizers van Rome

De eerste vervolging van de christenen onder keizer Nero

Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero

Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer Nero

Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje gekruisigd

Filippus, de Apostel, te Hiërapolis gemarteld

Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië gekruisigd en de huid afgestroopt

Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden vermoord

Mattheüs, de Apostel en Evangelist

De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus

Matthias, de Apostel

Lukas, de Evangelist

Johannes, de Apostel en Evangelist

Sommigen van de zeventig Discipelen en andere medereizigers der apostelen

De tweede vervolging van de christenen onder keizer Domitianus

Timotheüs, een leerling van Paulus

De derde vervolging van de christenen onder keizer Trajanus

Simeon, bisschop van Jeruzalem

Ignatius, bisschop van Antiochië

Ptolemeüs en Lucius

De vierde vervolging van de christenen onder keizer Antoninus

Justinus, de wijsgeer

Germanicus

Meliton

Polycarpus

Felicitas en haar zeven zonen

Vetius Epagathus

Sanctus, de Diaken

Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander

Photinus, bisschop te Lyon

Apollonius

De vijfde vervolging van de christenen onder keizer Septimeus Severus

Leonidas

Irenaeus, bisschop

De zesde vervolging van de christenen onder keizer Maximinus

De zevende vervolging van de christenen onder keizer Decius

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem

Babylas, opziener der gemeente te Antiochië

Metranus en vele anderen te Alexandrië

De achtste vervolging van de christenen onder de keizers Valerianus en Gallienus

Cyprianus, bisschop te Karthago

De negende vervolging van de christenen onder keizer Aurelianus

Marinus

Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster verbrand

De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus de Grote

Het eerste jaar van de vervolging

Petrus, Dorotheüs en Gorgoneüs

Phileas en Philoromus

Het tweede jaar van de vervolging

Het derde jaar van de vervolging

Romanus

Het vierde jaar van de vervolging

Het vijfde jaar van de vervolging

Het zesde jaar van de vervolging

Het zevende jaar van de vervolging

Het achtste jaar van de vervolging

Het negende jaar van de vervolging

Potamina, een jonge dochter

Het tiende en laatste jaar van de vervolging

Lucianus, een ouderling

De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse rijk

De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong van de Antichrist

Adelbertus Gallus

Arnulph, Aartsbisschop te Lyon

Petrus van Bruis en Henricus van Toulouse

Arnold van Brescia

De Waldenzen te Lyon

Burgers in de Elzas

Vijf en dertig burgers te Mainz

De Prins van Armerijk

Bargardus

Twee honderd vier en twintig personen verbrand

Gerardus Segareill en Dolcinus van Novari

Een Begijn

Richard, een Predikmonnik

Johannes Wicklef

Willem Sautre

Willem Thorpe

Jan Badby, kleermaker

Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna verbrand

Johannes Husz te Konstanz verbrand

Hieronymus van Praag

Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever

Katharina Saube

Johan Cobham

Hendrik Groenvelder

Johannes Krasa

Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht anderen verbrand

Vier en twintig burgers te Leitmeritz verdronken

Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius Jednooky

Johannes Purvey

Johannes Zelivaeus

Willem Taylor

Willem White

Richard Hoveden

Thomas Bagley

Paulus Craw

Petrus Clarcke, Engels priester

Thontas Rhedon

Reijnold Pebocke

Mattheüs Hager

Johannes Goose

Dr. Johannes de Vesalia, of Wesel

Een edelman van Kandia of Kreta

Rogier Dule

Johanna Bongton

Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en Sylvester

Hemondt Picard

Richard Smart

Zes mannen te Bor verbrand

Thomas Norice

Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de kanselier werd omgebracht door een stier

Thomas, een priester

Andries Poliwka

Pop, van Aye

Richard Hunne

De opkomst van Mr. Maarten Luther

Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee Augustijner monniken, te Brussel verbrand

Nicolaus, een Augustijner monnik, van Antwerpen

Meester Georgius

Hendrik van Zutphen

Johannes, van Dithmarsen

Gaspar Tauber en Georgius, een boekbinder

Nicolaas Hottinger

Johannes Castellanus

Johannes Hospinianus of Weert, en zijn beide zonen, Johannes en Adrianus, benevens Burchard Ruijteman

Johannes de Klerck

Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus Christus, Johannes Pistorius, van Woerden

Wolfgang Schuch

M. Pet. Spengler, pastoor te Brisgau

Matthias Weybel

Jakobus Pavane

Evert Bolt

Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster, in Bohemen verbrand

Johannes Heuchlin

Leonhard Keizer

Wendelmoet Klaasdochter

Martha Porzicz te Praag verbrand

George Carpentarius

Patrick Hamilton

Hendrikus, uit Vlaanderen

Steven Renier

Een glasblazer en een riemsnijder

Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd Schlosser

Lodewijk van Berquin

Dionysius van Rieux

Petrus Flysteden en Adolf Clarenbach

Willem van Zwolle

George Scharer, van Salveld

Thomas Hytten

Thomas Bilney

Willem Thrace

Jakobus Baynham en Richard Bayfield

Drie mannen te Arras verbrand

Johannes de Cadureo

Vier mannen te 's Hertogenbosch gedood

Alexander Conus

Johannes Pointet

Johannes Frythus

Andries Hewet

Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend verbrand

Andries Bartholomeï

Joost de pottenbakker

Verscheidene martelaars te Parijs

Quoquillart, van Besançon

Maria Becaudette

Petrus Gaudet

Johannes Cornon

Cowbrig, te Oxford levend verbrand

Vijf martelaren in Schotland verbrand

Martinus Gonin, een Waldenzer

Een landbouwer te Zierikzee

Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde verbrand

Jan Lambert, ook genoemd Nicholson

Mr Petrus, pastoor te Duway

Geertruida Adriaans

Vijf martelaren in Schotland verbrand

Louwijs Courtet

Thomas Cromwell, graaf te Essex

Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau, verbrand

Robertus Barnes

Stefanus Brun

Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen levend begraven

Jan Marlar

Vijf personen te Vucht gedood

Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in Agenois, boven Dordogne

Richard Mekins

Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du Huisset

Constantinus en drie anderen

Claudius de Schilder, een goudsmid

Mr. Johannes Beek

François Bribard

Sommige Engelse martelaren

Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een Bijbel op zijn borst gebonden

Joost Jushurgh

Gillis Tieleman

Willem Husson, apotheker

Geerte Stelmees en Neeltje Claas

Francisco San Roman

De bewoners van Mirandola en Cabriëra

Petrus Bruly

Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der Poele en de vrouw van Jan de Bock

Jan Michiel

Jakobus Chobard geeft aan zijn moeder in de gevangenis zijn schriftelijke belijdenis om aan de rechter te overhandigen

Adam van Metz

Pieter Chapot

Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te Doornik

Rochus, een Brabander

Pieter Mioc

Vier martelaren uit Schotland verbrand

Frauciscus d'Augy

Johannes Diazius

Eusinas, ook Driander genaamd, een Spanjaard

Anna Asker, Jan Lacels, Jan Adlams en Nicolaas Belenian

Veertien burgers te Meaux, in Brie verbrand

Sanctus Nivet

George Sophocardius

Vijf martelaren te Parijs

Mr. Johan, de Engelse

Mr. Leopard du Pré

Acht burgers van Langres

Stefanus Peloquinus

Steven Poulliot

Jan Brugier

Marten, de schoenmaker

De vrouw van Bygaerden en haar zoon

Michiel Miquelot

Octavianus Blondel

Mr. Mattheüs, een onderwijzer

Hubert Burre

Mr. Leonhard Galimard

Een en dertig personen te Valladolid gestrafd

Mr Florentius Venot te Parijs verbrand

Een kleermaker te Parijs voor de koning van Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna verbrand

Claudius Thierry

Anna Oudebert, een weduwe

De marteling van Mr. Nikolaas, in Henegouwen

Maria, de vrouw van Augustijn, de barbier

Augustijn, de barbier

Staat en toestand van Christus' kerk in Nederland, en de oorzaken waardoor de vervolging tegen haar in grote mate werd vermeerderd

Faninus, van Faventia

Dominicus van Basana

Maceüs Moreau

Johannes Godeau en Gabriël Beraudin

Adam Wallach

Mauritius Secenat

Vervolging in Duitsland tegen de predikanten, die het geloofsvoorschrift weigerden aan te nemen en zich daarnaar te regelen

Jan van der Put, de geneesheer genaamd

Thomas van St. Paulo

Claudius Monieux

Gillot Vivier, Michiel le Fèvre, Jacques le Fèvre, Amna le Fèvre en Mechaëlla de Caignoncle

Johannes Jocry te Toulouse

Jan van Ostende, bijgenaamd Tromken

Vijf studenten van Lausanne, Petrus Scriba, Martialis Alba, Bernhardus Seguinus, Carolus le Fèvre en Petrus Naviherus

Petrus Bergier

Dionysius Peloquinus

Godefroy van Hamelle

Renatus Poyet

Willem Gardinerus

Hugo Gravier

Vervolging, te Brugge, in Vlaanderen

Nikolaas Nail

Autonius de Grote

Mattheüs Dimonnet

Lodewijk Marsacus

Johannes Mollius en een Perugiaanse wever

Simon Laloé

Steven le Roy en Pieter Dinocheau

Jan Snell

Willem d'Alençon

Paris Panier

Pieter de la Vau

Gileyn de Muelere

Thomas Calberge

Richard le Fèvre

Petrus Serra

Franciskus Gamba

Dionysius le Vayr

Jan Filleul en Juliaan Leveille

Paulus Musnier

Nicolaas le Chesne

Vervolging in Oostenrijk

Wilhelmus de Dongnon

Willem Neel

Hoste

Pomponius Algier

Jan Vernou, Guyraud Tauran, Autonius Laborie, Bertrand Bataille en Jan Trigalet

François en Nicolaas Thijs

Bertrand le Blas

Jan Malo

Damiaan Witcoek

Walrue Carlyer

Jan Porceau

Twee Martelaren te Autun

De vervolging in Engeland

Engelse martelaren in het jaar 1555

Johanna Gray

Johannes Rogerius

Laurentius Sanders

Johannes Hoper

Doctor Rowland Taylor

Wreedheid aan de lijken van Martinus Bucerus, Paulus Fagius, en Catharina, echtgenote van Petrus Martyrus

Thomas Tomkins

Willem Hunter

Thomas Causton en Thomas Higbed

Steven Knight

Rawlins White

Johannes Laurentius en Willem Digel

Robert Farrar

Jan Alcock

Joris Mars

Johannes Cardmaker en Johannes Warne

Thomas Haukes

Thomas Wats en anderen

Johannes Bradford

Hunfroy Middleton en Nikolaas Scheterden

Jakob Abbes

Jan Denley en Jan Newman

Robert Smith en anderen

Robert Samuel en enige anderen

Robert Glover en enige anderen

Nicolaas Ridley en Hugo Latimer

Jan Philpot

Hier volgt de geschiedenis van de martelaren in het algemeen in het jaar 1556

Adriaan van Lopphen

Juliaan van de Sweerde

Claudius van Canesiere

Robert Oguier, zijn vrouw en beide zonen

Johanna, de moeder, en haar jongste zoon Maarten Oguier

Jan Rabec

Pieter van Rosseau

Laurens, de schoenmaker, en Jan Fasseau

Arnoud Monier en Jan de Cazes

Jan Bertrand

Bartholomeüs Hector

Hiëronymus Casaubone

Andoche Minart

Engelse martelaren in het jaar 1556

Thomas Witthle

Bartelet Greene

Thomas Crammer

Agnes Potten en Johanna Trunchfield

Willem Tyms en anderen

Johannes Hullier

Christoffel Lyster, Jan Mace, Jan Spenser, Simon Joyne, Richard Nicols en Jan Hamoud

Rugo Laverocke, een kreupele en Jan Apprice, een blinde

Hendrik Adlington, Laurens Parnam, Hendrik Wije, Willem Hallywel, Thomas Bowyer, Joris Searles, Edmond Hurst, Lyon Caweh, Rase Jackson, Jan Derifal, Jan Routh, Elisabeth Pepper en Agnes George

Julius Palmer en twee anderen

Katharina Cawehes en haar beide dochters en haar dochters kind

De martelaren in het jaar 1557

Arnoud Diericks

Mr. Philibert Hamelijn en enige anderen

Joriaan Simonsz en Clement Dirkz

Carolus de Koninck

Nicolaas Sartorius

Jan Biron

Angelus Herula

Een grote en zware vervolging van de kerk van Christus te Parijs in het jaar 1557

Nicolaas Clinet

Taurin Gravelle

Philippina de Luns

Het zalig uiteinde van de drie genoemde martelaren, te weten Nicolaas Clinet, Taurin Gravelle en vrouw van Graveron

Nicolaas le Cene en Pieter Gabart

Franciscus Rebezus en Frederick Danville

Verstrooiing en verdrukking van de kerk van Christus, onder Gods bestuur geplant in Brazilië, in Zuid-Amerika

Matthias Vermeil

Andreas de Lafon

Pieter Bourdon

Vervolging in Engeland

Engelse martelaren in het jaar 1557

Jan Bradhridge, Walter Appelbey,Petronella, zijn vrouw, Edmond Allen, Catharina, zijn vrouw, Johanna Mannings en Elisabet, een blinde maagd

Richard Woodman, met nog negen anderen, vier vrouwen en vijf mannen, verbrand

Mejuffrouw Joyce Lewes

Joris Eagles

Jan Noyes

Cicely Ormes

Jan Rough

Geschiedenis van de martelaren in het jaar 1558

Mr. Jan Du Champ

Johannes Morellius

George Tardif, Nicolaas Guilotet, Jan Caillou en Nicolaas van Jeuvife

Jan Barbeville

Benedict Roman

Een zware vervolging van de gelovigen te Valladolid, in Spanje, in het jaar 1558

Dr. Augustinus Casalla, Franciscus de Bevero, mejuffrouw Blaucel de Bevero, mejuffrouw Constance de Bevero, Alphouse Peres, een priester, Christoffel del Campo, Christoffel de Padilla, Antonius Huezuelo, Catharina Boinain, Franciscus Erren, Catharina Ortegue, Isabelle de Strade, Johanna Velasques en een ambachtsman

Renatus du Seau en Jan Almarie

Aonius Palearius

Mr. Geffroy Varagle

Godefroy Guerin

Nicolaas Burton

Gillis Verdict

Genird Hagens

Engelse martelaars in het jaar 1558

Cutbert Simson

Rogier Hollandt

De huisvrouw van Prest

Willem Fetty, een kind van acht jaren

Verscheidene gelovige christenen in Engeland

De martelaren in het jaar 1579

Antonius Verdict

Adriaan de schilder en Hendrik Bockhalt kleermaker

Boudewijn de Heu

Cornelis Halewijn en Herman Jansz

Pieter Chevet

George de Gese

Nicolaas Ballon en Nicolaas Guenon

Marin Maria

Margaretha le Riche

Johannes Pontius

Johannus Gonsalvus

Isabella Vaenia, Maria Viroësia, Cornelia en Bohorquia

Ferdinandus van St. Jan en Morsillius

Julianus Ferdinandus

Jan van Leon en Ferdinandus van Valladolid

Françisca Chavesia

Chrystophorus Losada

Christophorus Arellanius

Mr. Garsins Arias

Dr. Johannes Egidius en Dr. Constantinus Pontius

Thomas Moustarde

Antonius de Richend, heer van Mouvans

Honoratus Auldol

Adriaau d' Aussi

Martin Rousseau, Gillis le Cotart en Philips Parmentier

Pieter Malet

Petrus Arondion

Andries Coiffier

Anne du Bourg.

Jan Ysabeau

Jan Jullet

Jan Geoffrey

Jan Masson

Christiaan de Quekere, Mr. Jakob Dieussart en Janneken Salomes

Jan Lodewijk Paschal

Jan Herrewijn

Verscheidene martelaren in Frankrijk

Jan de Creus

Jan Buisson en enige anderen

Jan de Lauoy

Jacob van Lo

Jan de Bosschere

Jan de Keijser

Pieter Annood en Daniël Galland

Een linnenwever

Een groot aantal gelovigen, om de belijdenis van het heilig Evangelie, in Calabrie omgebracht

Bartholomeüs van Hoy

De benarde toestand der kerk van Christus in de Nederlanden

Florentijn van Keulen

Thomas Watelet, uit het land van Luik

Andries Michiel

Autonius Caron, Reinholdina Fransz en enigeanderen

Jan van Namen

Karel Elinck

Franciscus Varlut en Alexander Daycke

De la Faye, Jan Greffin en de beambte van Pontoise

Willem Cornu

Wouter Oom

Jan de Wolf

Michiel Rovillart

Farresier, Pieter Bonnet en enige anderen

Nicase de le Tombet

Rogier du Mont

Een jong kind gemarteld

Jan de Madock

Christoffel Fabritius en Olivier de Bock

Paulus Millet, bijgenaamd de Ridder

Joos de Creul

Jan Disreneaux

Jan de Grave

Hugo Destailleur en Jan Pick

Jan Catel

Lieve de Blekere

Julius Guirlanda en Antonius Ricetto.

Franciscus Sefra en mr. Franciscus Spinola

Pierrette Curtet

Willem Hosens

François Soete

Maarten Bayaert, Glaude du Flot, Jan Dautricourt en Noël Tournemine

Jan Tuseaen

Andries Berteloot

Jan Cornelisz. Winter

Jakob de Wever

Mailgaert de Hongere, dienaar des Woord

Martinus Smetius en anderen

Jan Goris en Joris van der Assche

Lowijs van Heeke

Guido de Bray en Peregrin de la Grange, dienaren des Woords

Michiel Herlin, de Oude

Jan Mahieu

Michiel Herlin, de Jonge

Michiel de Messère

Maarten Tachard van Montauban

Bartholomeüs Bartocci

Pieter Mon, Wonter Oensel en Gerrit N.

Twee jonge juffrouwen

Vervolgingen in West-Vlaanderen van dat jaar

Maarten Clerewerck

Cors Stevensz

Carolus de Bruijne

Gillis Vertrecht

Jan Schakele

Marcus van Waerde

Gillis de Meyère

Joost van Busecum

Pieter van Keulen en Betteken, zijn dienstmaagd

Cristoffel Gauderijn, Jan Liebaert, Willem van Spiere en Tanneken Baerts

Cornelis de Meen

Jan le Grain

Heynzoon Adriaansz., Barend van Utrecht en Jan Heymen

Vier burgers

Michiel Rombouts

Lowysken Kijckenpoost

Schoblandt Barthelsz, Hans van Hues en Joris Coomans

Twee burgers

Mr. Cornelis de Lesenne en Mr. Carel van Oudenaarde

Gillis Annike, Jan Annike en Louis Mieulen

Moord te Blois

Weyn Oekers en haar dienstmaagd

Joos Spiering

Een kort verhaal aangaan de vele christenen, die te Doornik en te Valenciennes werden omgebracht

Enige gelovigen omgebracht in het hertogdom Limburg

Jan Laute

Gerard Koopman

Nicolaas Croquet, Filippus en Richard de Gastines, vader en zoon

Marcus de Lannoy en Jan le Grand

Willein Touwart

Coenraad van der Belijen

Jan Sorret

Claas Cornelisz.

Mr. Pieter Hamon van Blois

Een Pottenbakker

Gerard Moyart en Pieter de Meulen

Michiel van Ro

Arend Dierixsz. Vos, Sybrand Jansz., Adriaan Jansz. en Wouter Simonsz.

Anneke Jans

Hans Tierens

Maarten van Schorenback

Joris de Makelaar

Jan Missuens, de Oude

Gestreng schrijven van de graaf van Megen aan de graaf van Arnhem

Hendrik Alertsz. Schouten, deurwaarder te Mechelen

De wrede en afgrijselijke moord, die plaats trad te Parijs, op zondag de 24e augustus en volgende dagen, van het jaar 1572

Jeanne d'Albret

Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk

Moord van de edellieden des Konings van Navarre en van de Prins van Condé

De Graaf de Rochefoucault

Teligny

De Markies de Kenel

De Baron van Soubrise

De heer de Guerchy

De heer de Briou

Pieter de la Place

Petrus Ramus

Denys Perot

De Predikanten Buyrette, Horeen Desgorris

Antonius Merlanchon

Claude Robert

De luitenant Taverny en zijn zuster

Oudin Petit

Marturin Lussaut, zijn vrouw, zoon en dienstbode

Mouluet en zijn vrouw

Philippe le Doux en zijn vrouw

Pieter Faret en zijn vrouw

De Pluimgraaf des Konings en zijn vrouw

Autonius Silvius

Pieter Baillet

Montault en enige anderen

De weduwe van Gastines de Jonge en anderen

De moord van de Hervormden te Meaux, in Brie

De vervolging van de gelovigen te Troyes, in Champagne

De moord te Orleans

De verschrikkelijke moord van de gelovigen te Lyon

De vervolging te Rouaan

De moord te Toulouse

Vervolging te Bordeaux

Besluit over de moord aan de hervormden in Frankrijk

Arnoud de Croos Mielfiel de Seeldraaier

Jasper Stevens

Mauris van Dalen

Simon Simonsz

Lieven van de Meern

Antonius uit de Hove

Jan de Buck

Joos de Jonge, Quirijn de Palme en Rogier Joosten

Goris

Jasper de Metser

Johannes Gelasius

Pieter Panis

Simeon van Torre

Wouter Wilge

Neesken de Greef

Jan Missuens de Jonge

Wilhelmus Pressius

Mr. Arent en Mr. Adriaan

Johannes Florianus

Christophorus Fytrerus

Radegronde en Claude Foncaut

Jan de Lerm

Antonius Hilairet

Antonius Oldevin

Margriete Pieronne

Een Engelsman

Een bejaard man

Jan Cateau

Anneken uit den Hove

Arnoud le Maire

Werner Hessu

Pieter Motte

Antonius Moreau

Bartholomeüs Copin

Nicolaas de Soignie

Maarten van Voisin

Franco di Franco

Antoine Mibais

De verschrikkelijke moord door de pausoezinden aan de hervormden in Valtellitia

Melchior Balthazars

Het lijk van Jan Wevers

Maria van Provins

Johan Avontroot

Onmenselijke wreedheid door de pausgezinde Ieren gepleegd aan de hervormde christenen in Ierland

Verhaal van het verschrikkelijk bloedbad in het jaar 1655 onder de gemeenten in Piëmont, en van hetgeen er verder plaats had tot de vrede

Korte geloofsbelijdenis der hervormde gemeenten in Piëmont

Besluit van dit boek

 

 

 

Vermaning aan de overheid

 

Aan alle eerbaren, wijzen en edelen heren, overheden, bestuurders, stadhouders en Staten in onze Nederlanden, van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Bolland, Zeeland, Friesland, enz., wensen wij een godzalige voorzienigheid om het volk te regeren, te onderhouden en te leiden tot zaligheid, vrede, eendracht en voorspoed, van God onze hemelse Vader, door Jezus Christus, Zijn welbeminde Zoon, onze enige Zaligmaker. Amen.

 

Rom. 13, vs. 4. 1 Petr. 2, vs. 14. De overheid moet Gods woord kennen. Pred. 10, vs. 16.

Eerbare, wijze heren, die Gods dienaren bent, tot prijs en bescherming der goeden en wraak en straf der bozen. De almachtige God heeft u in deze wereld verkozen, om hoofden te zijn van het volk. Daar nu het lichaam niet ziet, noch riekt, noch smaakt, noch verstand bezit als het hoofd bedorven is; zo is het ook niet mogelijk, dat een gemeente goed geregeerd en in goede orde gehouden wordt, wanneer de hoofden verstandeloos en onwetend zijn, want een onverstandig vorst zal zijn volk verwoesten.

Daarom verkoos Mozes, om het Israëlitische volk te regeren, bejaarde wijze mannen, die de Heere vreesden, de waarheid bezaten en de gierigheid haatten. Zonder de vrees des Heeren toch is er geen wijsheid, zonder de kennis der waarheid en gerechtigheid kan men niet goed oordelen, en de gierigheid verblindt de ogen der wijzen.

Deut. 17, vs. 18, 19.

Doch, om hiertoe te geraken, is het nodig de raad van de heiligen Profeet Mozes aan te nemen, die leert, het boek der wet iedere dag des levens te lezen, opdat zij God de Heere mogen leren vrezen, en zijn woorden en plechtigheden, in de wet geboden, onderhouden.

Joz. 1, vs. 7, 8.

Aldus sprak ook de Heere tot de vorst zijns volks, Jozua: "Wees sterk en heb goede moed, dat gij onderhoudt en doet de gehele wet, welke Mozes mijn knecht u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt, in alles wat gij doet. Dat het boek der wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen."

Gods Woord eist de bevordering van Zijn rijk.

Derhalve is het openbaar, dat de wet des Heeren bijzonder en vooral eist Gods naam te heiligen en Zijn Rijk uit te breiden. Daartoe behoren de overheden hun grootste naarstigheid te besteden, willen zij Gods dienaren zijn en blijven. Is het iedere christen bevolen, de bekommeringen van het tijdelijke leven te laten varen en Gods Rijk en Zijn gerechtigheid te bevorderen; hoeveel temeer betaamt dit een christelijke overheid.

Voorbeelden van hen, die de godsdienst bevorderen.

Daarvan vindt men een voorbeeld van hen, in de heilige aartsvaders, Abraham, Izak en Jakob, ja reeds voor hen in Henoch. Welk een godzalige vorst David was, om de ware godsdienst te bevorderen getuigt de bijbelse geschiedenis overvloedig. Doch vooral hebben wij een goed voorbeeld voor alle vorsten van onze tijd in koning Hizkia; want, gelijk het in zijn tijd gesteld was met het uitverkoren volk des Heeren in Israël, zo is het ook thans met de christenen: zij maakten beelden, zij verzonnen vreemde godsdiensten buiten Gods Woord, en brandden wierook voor de koperen slang. De godsdienst was verbannen, de tempel des Heeren was gesloten.

2 Kon. 18, vs. 4.

Doch de godzalige vorst vernielde nu de beelden, wierp de hoogten en bossen om, en verbrak de koperen slang, die Mozes gemaakt had. Hij opende het huis des Heeren, en richtte de ware godsdienst weer op.

2 Kron. 30, vs. 1.

Ja, wat meer is, zelfs buiten zijn koninkrijk, wat alleen Judea was, zond hij boden en leraars tot het koninkrijk van Israël, die daar predikten, dat zij zich bekeren zouden tot de ware godsdienst, doch zij werden door velen bespot en beschimpt. Dit deed ook voor hem Josafat in Judea, waarvoor hij door de Heere gezegend werd.

2 Kron. 23, vs. 4, enz. 2 Kon. 34, vs. 3, enz.

Zulk een godzaligheid zag men ook in Josia, die een opvolger was n de regering van de beide koningen Manasse en Ammon, die altaren oprichtten voor de afgoden, en de hemellichamen vereerden en aanbaden. Het wetboek was verloren gegaan, en de kinderen werden in het vuur geofferd. Doch Josia roeide al hun afgoderijen uit, bracht de Heilige Schrift aan het licht, en liet die voor al het volk in het Huis des Heeren lezen.

Van onze tijden.

Op soortgelijke wijze ging het ook in deze tijden onder de christenen; zij riepen beelden, altaren, offeranden en vreemde godsdiensten buiten Gods Woord in het leven. Van het avondmaal, dat ons bevolen is te houden tot een gedachtenis van de dood van Christus, maakten zij een afgod, brandden er wierook en fakkels voor; de ware godsdienst was verbannen, Gods Woord mocht men niet prediken, de tempel was er voor gesloten; het wetboek der heilige Schrift te lezen was verboden. Men achtte Gods Woord als bedrog en vergif. Als de Heere enige godzalige vorsten verwekte, die predikers uitzonden, om de ware godsdienst te onderwijzen, en het volk van hun dwalingen te genezen, zoals God de vrome koning van Engeland, Eduard de zesde, en enige Duitse vorsten verwekt bad, werden de predikers beschimpt, belasterd, gevangen genomen en gedood.

Men verbood het Woord des Heeren te onderzoeken.

O gij, goede heren, slaat hierop acht! omdat het wetboek aan uw handen is ontvallen, de Bijbel in een hoek ligt, en Gods Woord niet wordt onderzocht, daarom wordt het volk slecht geregeerd, de rechtvaardige verdrukt, en de onrechtvaardigheid ten hoogste verheven; daarom vervalt de gemeente tot velerlei dwalingen en sekten; want de opzieners zijn blind, en de herders stomme bonden, die niet blaffen kunnen, en er is geen wetenschap bij hen.

Jes. 56, vs. 10. Jes. 1, vs. 2, 3.

Terecht mocht de Heere zich over zijn volk beklagen, en roepen over het onverstand der lompe onwetendheid: "Hoort gij, hemelen, en neemt ter oren, gij aarde! wat de Heere spreekt! Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren, maar Israël heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet.

Jes. 30, vs. 9, 10, 11.

Zij tergen Mij tot gramschap, de leugenachtige spruiten, die de wet Gods niet willen horen, die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet, en tot de schouwers: Schouwt ons bedriegerijen. Wijkt af van de weg, maakt u van de baan; laat de Heilige Israëls van ons afhouden!"

De onwetendheid heeft onkunde als gevolg.

Door zulke onwetende blindheid en onkunde komt het, dat er zoveel onwetendheid onschuldig bloed wordt vergoten, en dat de rechtvaardigen vervolging en verdrukking lijden. Want hoe kunnen de rechters naar waarheid oordelen, die deze zaken niet verstaan? En hoe zouden zij die kunnen verstaan, als zij de Schrift niet onderzoeken, waarin het recht en de gerechtigheid wordt verklaard? Maar zij haten het licht, omdat zij in de duisternis verkeren. Zij vervolgen de waarheid, omdat zij door de leugens verblind zijn.

Joh. 15, vs. 21, en 16, vs. 3. Luk. 23, vs. 34. 1 Kor. 2, vs. 8.

"Dit zullen zij u doen," zegt de Heere, "omdat zij noch de Vader noch Mij gekend hebben." Hij bad ook voor zijn vervolgers, toen Hij zei: "want zij weten niet, wat zij doen." Want, indien de vorsten dezer wereld de wetenschap bezaten, en niet verstandeloos waren, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben."

Zo was het van het begin van de wereld, en zal het duren tot het einde dat de duistere, blinde en onwetende wereld de gelovige kinderen des lichts vervolgde, en vervolgen zal. Christus en al de leden van Christus zijn enkel licht, leven en waarheid; en de wereld en allen, die Christus niet recht kennen, zijn enkel duisternis, dood en ijdelheid. Als nu het licht in de duisternis schijnt, zijn alle nachtraven, vleermuizen en nachtuilen in beroering, want zij kunnen het licht niet verdragen.

Joh. 3, vs. 19. Joh. 7, vs. 7.

Daarom zegt Christus: "Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos." En wederom: "De wereld haat Mij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn." Zo is het ook met de christenen, als zij de zonden aan het licht brengen en bestraffen: als zij de ijdelheid en de leugen uitroeien door de waarheid, dan stelt de gehele wereld zich te weer, en ieder brengt hout aan, om zulke ketters te verbranden, want zij spreken en leven tegen de gehele wereld, omdat de gehele wereld zich tegen de waarheid en gerechtigheid verzet.

Boek der wijsheid, h. 2.

Dit heeft ons de wijze man zeer juist afgeschilderd, waar hij de bozen laat zeggen: Wij willen de rechtvaardige onderdrukken, want hij is ons onnut en tegen al onze werken; hij verwijt ons, dat wij tegen de wet zondigen, en beschuldigt ons, dat wij tegen de tucht handelen; hij geeft zich uit, dat hij de wetenschap van God bezit, en noemt zich een Zoon van God, hij bestraft ons voornemen en opzet, hij is ons zeer lastig om te zien, want zijn leven is zeer verschillend van de anderen, en hij verandert zijn wegen; wij worden door hem gehouden voor beuzelaars, en hij wacht zich voor onze wegen als voor onreinheid, en het slechtste der rechtvaardigen roemt hij hoog, en beroemt zich, dat hij God tot een Vader heeft, enz. Met verdriet en moeite willen wij hem onderzoeken, en zijn lijdzaamheid beproeven; wij willen hem met een schandelijken dood veroordelen, en zo kan hij denken aan zijn woorden. Dit hebben de boze lieden gedacht, en zij hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hun hart verblind.

De predikers van de waarheid worden altijd vervolgd. 1 Kon. 22, vs. 24, 27. Jes. 36, vs. 23. Dan. 6, vs. 16. Amos 7, vs. 12.

Denkt er toch over na, gij christelijke heren, welke onwetendheid en blindheid gij bewijst, hoe men tegen hen opstaat, hen vervolgt en doodt, die het waarachtige licht van het goddelijke Woord verkondigen, en de wetenschap en de kennis van God onderwijzen. Daarom kreeg Micha kinnebakslagen, werd in de gevangenis geworpen, met het brood der bedruktheid gevoed en met water der benauwdheid gedrenkt; daarom werden de boeken van de Profeet Jeremia verbrand, en hij in een put van slijk en modder geworpen; daarom werd Daniël geworpen in een leeuwenkuil, de Profeet Amos door de priester van Bethel als een oproermaker voor de koning Jerobeam beschuldigd, en verboden te prediken in de heerlijkheid en het gesticht van de koning; daarom hebben Johannes de Doper, Christus en zijn Apostelen hun bloed gestort; om deze redenen werden de heilige leraars, door de tirannie der heidenen en pausgezinden verdreven, vermoord en verbrand, en als onwaardig geoordeeld de wereld te bewonen.

Matth. 10, vs. 16.

Deze zijn de getuigen en martelaren, van welke Christus spreekt, als Hij hen uitzendt als lammeren en schapen onder de wolven; waar zij overgeleverd, geslagen en gedood zouden worden, de koningen, vorsten en heidenen tot een getuigenis, waarom zij ook getuigen of martelaren genoemd worden. Ja, niet alleen hebben enige verstandeloze en verblinde vorsten de leraars en predikanten van het goddelijk Woord omgebracht, maar ook hen steeds vervolgd, die Gods Woord gehoorzaam en onderdanig waren; opdat al het bloed, van Abels tijden af tot het einde der wereld toe vergoten, op hun hoofd zou komen, en van hun handen geëist worden.

Tot de gelovige heren.

Daarom bid ik u, o gij heren en overheden van het volk Gods, weest voorzichtig in uw oordelen; onderzoekt de zaken, voor gij het vonnis velt. Wacht u een vonnis over een zaak uit te spreken, die gij niet zelf onderzocht en goed hebt leren kennen. Ziet niet langer door de ogen van anderen, opdat de blinde leidslieden u niet in een put der verderfenis storten.

Joh. 19, vs. 7.

Wanneer de Schriftgeleerden en Farizeeën zeggen: "Volgens onze wet moet Hij sterven. Hij is een ketter; wij hebben Hem onderzocht; indien Hij geen boosdoener ware, zouden wij Hem u niet hebben overgeleverd;" weest dan niet onredelijker dan de heidense Pilatus was, en gij zult hun dikwerf ten antwoord geven: "wij vinden geen oorzaak des doods in hem; neemt en oordeelt hem naar uw wetten."

Ik weet en het is bekend, dat er velen onder u zijn, wiens ogen door Gods Woord zijn verlicht, zodat zij maar al te goed weten, dat de christenen ten onrechte door de zogenaamde geestelijkheid beschuldigd, en voor ketters en oproermakers gescholden worden. Zij weten, dat zij om de gerechtigheid lijden, en wegens de waarheid hun bloed storten. Maar uit vrees, dat ook zij door de geestelijkheid als ketters geacht en beschuldigd zouden worden, durven zij de beleden waarheid niet belijden, en de gerechtigheid voorstaan of beschermen. De een zegt: "Ik wil de bijen niet tergen, noch de slapende honden wakker maken." Anderen zeggen: "Wij kunnen niet alleen dansen, dit moet gemeenschappelijk geschieden," en intussen worden de rechtvaardigen omgebracht. Och, mijn heren, openbaarde en beleed ieder, naar de kennis, die hij van God ontvangen heeft, de waarheid, de priestermacht zou spoedig in rook verdwijnen. Maar nu ieder terugtreedt, bevlekt gij uw handen met het onschuldig bloed, dat vergoten wordt. Want, indien gij u beijverd had, zoudt gij voor de Heere onschuldig zijn, al had dit niet plaats volgens uw verlangen.

Voorbeelden van hen, die de onschuldigen helpen. Gen. 37, vs. 29. 2 Kon. 18, vs. 4. Jer. 38, vs. 8, 9, vs. 7.

Och, of gij de vrome mannen navolgde, die hun leven stelden als een muur voor het Huis des Heeren, en de rechtvaardigen en onschuldigen zochten te verlossen uit de macht van hen, die hen verdrukten, zoals Ruben de onschuldige Jozef zocht te verlossen uit de handen der bloeddorstige broeders; zoals Obadja, de hofmeester van de koning Achab, toen Izebel, de koningin, de Profeten des Heeren doodde, hen bij vijftig tegelijk verbergde, spijzigde en onderhield. Zo ging ook Ebed-melech, de moor, tot Zedekia, de koning en verzocht hem vriendelijk om de Profeet des Heeren te verlossen. Ja, ook een vrouw waagde het, voor het volk des Heeren, de koning Ahasveros te bidden met gevaar van haar leven. En zouden dit de mannen niet durven doen? Waarlijk, dat zou te beklagen zijn!

Luk. 19, vs. 17. Matth. 10, vs. 40, 41.

Denkt toch eens, o gij dienaren van God, aan de heerlijke beloften, die u de Zoon van God doet, wanneer gij uw dienst getrouw waarneemt, hetwelk bestaat in de goede tegen de onderdrukkers te beschermen. "Wel, gij goede dienstknecht," zal Hij zeggen, "omdat gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden." "Gaat in, in de vreugde uws Heeren," zegt Hij met een heerlijke belofte, tot hen, die zijn volk ontvangen en bijstaan. "Die u ontvangt, ontvangt Mij," zegt Hij, "Die een Profeet ontvangt in de naam eens Profeten, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En, zo wie één van deze kleinen te drinken geeft, alleen een beker koud waters, in de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen." Wat zal hij dan doen als gij de rechtvaardige uit de macht der bozen en bloeddorstigen verlost?

Luk. 12, vs. 42, 45.

Ziet, de Heere heeft u over zijn Huis gesteld, omdat voor te staan en te verzorgen. Zalig bent gij, als Hij bij zijn komst u aldus bevindt. Maar, als gij in uw hart zegt "De Heere; vertoeft te komen," en gij begint uw mededienstknechten te verdrukken, en de lust van uw hart op te volgen; dan zal voorwaar de Heere komen op de dag, waarin gij Hem niet verwacht, en zal u in stukken houwen, en uw deel zetten met de ontrouwen; want een dienaar, die de wil zijns Heeren kent, en die niet wil volbrengen, en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden; en die veel gegeven is, van die zal ook veel geëist worden. Denkt daarover toch na!

Tot de onwetenden, Joh. 16, vs. 2. 2 Thess. 2, vs. 10, 11.

Ten anderen. Zij, die door onwetendheid kwaad en boos zijn, en menen God een dienst te doen, wanneer zij iemand om Gods Woord doden en verbranden, deze volgen juist de voetstappen van hun voorouders, en zullen ook hun loon ontvangen. Tot zulk een val moesten zij komen, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben ontvangen tot hun zaligheid. Daarom zendt de almachtige God hun krachtige dwalingen toe, opdat zij de leugens zouden geloven, en zij allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar de ongerechtigheid beschermd. Waarlijk, die de tirannie van Farao navolgen, Gods woorden ongehoorzaam zijn, en het volk des Heeren met geweld onderdrukken, zullen ook door de krachtige hand des Heeren in de wateren der verderfenis verzinken en vergaan.

Voorbeelden van de straf van de vervolgers.

Is het ooit gebeurd, dat zulke bloeddorstige lieden zonder een vreselijke dood deze wereld hebben verlaten? Waarlijk, zelden of nooit geschiedt dit, als ons oude en nieuwe geschiedenissen betuigen. Denkt aan Kaïns dood tot op onze tijden; ten allen tijde was God een wreker van het bloed zijner uitverkorenen, dat om wraak roept voor zijn oren. Hoe geweldig heeft de Heere zo vele machtige koningen vernield, die zijn volk, dat Hij uit Egypte bracht, wilden verdrukken. Hoe schandelijk zijn de koningen opgehangen en verwurgd!

1 Sam. 31, vs. 4.

Welk een verschrikkelijk einde had de boze koning Saul, nadat hij David zo vaak had vervolgd, en de priesters des Heeren met het zwaard gedood, heeft hij eindelijk met zijn eigen zwaard zich van het leven beroofd. Jerobeam, de koning, door God over Israël gesteld, versloeg de Heere met zijn gehele geslacht, omdat hij de leraars, de profeten des Heeren verdreef, en een valse godsdienst voor het volk in het leven had geroepen.

1 Kon. 22, vs. 34, 38.

2 Kon. 9, vs. 33, 35.

2 Kon. 26, vs. 7.

Judith 13, vs. 10.

De voetstappen van Antiochus worden door onze koningen gevolgd, 1 Makk. 1.

Achab, de koning, werd doorschoten, en de honden lekten zijn bloed, omdat hij de onschuldige Naboth ten onrechte door de rechters liet doden, en niet hoorde naar de Profeten des Heeren. Izebel, zijn vrouw, werd uit het venster geworpen, brak de hals, en werd door de bonden verslonden, omdat zij de Profeten van God en alle Godvruchtige mannen verdreef en vermoordde. Om dezelfde reden werd Zedekia blind in de Babylonische ballingschap, en Holofernus schandelijk door een vrouw verslagen; ja, ook Antiochus, de koning, die een duidelijk voorbeeld is voor de vorsten en koningen in onze tijden, wiens voetstappen zij allen navolgen; want door zijn bevel dwong hij Gods volk de heidense gewoonten en wetten te onderhouden, en Gods bevel te overtreden, en stelde kettermeesters en onderzoekers aan in alle steden, die het volk daartoe dwongen. Hij liet de boeken, de Testamenten des Heeren in stukken snijden en verbranden. Wie Testamenten des Heeren bezat, en volgens zijn Woord wilde leven, werd op bevel des konings gedood. Deze werd door de Heere met zulk een weemoed en droefheid van het hart getroffen, dat hij aan de gevolgen daarvan stierf. In onze tijden mag men zich hieraan wel voor goed spiegelen. Let hierop toch, want Gods hand is ook nu niet verkort, om de wreedheid der tirannen te straffen, en het bloed zijner martelaren te wreken.

Christenen worden ketters en oproermakers genoemd.

Zegt iemand soms: “Ja dat deden de goddelozen aan de kinderen Gods; maar nu vervolgt men niemand dan oproerige ketters, sektemakers, en hen die het volk verleiden."

Och, gij vrome heren, let toch eens op de aard en de natuur van de satan, die zich toch dagelijks als een God opwerpt, en zijn macht verheffen wil, opdat hij God en zijn heerlijkheid zou verduisteren en teniet doen. Wie zijn toch de ketters? Zij, die de woorden des Heeren navolgen, of zij, die daartegen opstaan en die onderdrukken? Die de boosheid bestraffen en haten, of die verdedigen en navolgen? Oordeelt nu zelf, wie de ketters zijn.

Joh. 5, vs. 39. Matth. 28, vs. 19.

Christus beveelt de christenen de Schrift te onderzoeken, waarin zij het eeuwige leven zullen vinden. Hij beveelt de predikanten te prediken volgens zijn bevel. Dit te doen wordt verboden en ketterij genoemd; die volgens zijn bevel prediken en de valsheid bestraffen, heten verleiders en oproermakers, die men niet kan uitstaan. Zij, die de sacramenten naar het bevel des Heeren Jezus Christus uitdelen en ontvangen, worden valse leraars, sektemakers, en sacramentschenders genoemd door hen, die de sacramenten van Christus vervalsen, schenden of vernietigen. Christus heeft bevolen, dat allen uit één kelk moeten drinken, en, die dat doen willen, heten ketters, want de priesters verbieden dat. Zij, die de heidense afgoderij van houten en stenen beelden te aanbidden, aan te roepen, te verlichten en te vereren volgens Gods Woord verbieden, noemt men beeldstormers en verachters van heiligen bij dit overspelig en afgodisch geslacht. Daarentegen heten zij, die de afgoden oprichten, heilige christenen.

Jes. 5, vs. 20.

Amos 7, vs. 10.

1 Kon. 18, vs. 17.

Luk. 23, vs. 2.

Matth. 26, vs. 61.

Hand. 24, vs. 5.

Ziet aldus weet de duivel het blaadje door zijn handlangers om te keren. Wee u, wee u, die het kwade goed noemt, en het goede kwaad, die het licht duisternis acht, en de duisternis licht. Gelijk Amazia, de priester van Bethel, liet volk tot afgoderij verleidde, zo beschuldigt men de prediker des Heeren, dat hij oproerig is jegens de koning, en beweert, dat het land zijn prediking niet verdragen kan, en hij uit het land moet verbannen worden. Elia werd als een oproermaker door de koning Achab gescholden, omdat hij de Baälpriesters wegens hun afgoderij bestrafte. Christus zelf werd door de geestelijkheid bij de wereldlijke overheid als een oproermaker aangeklaagd, en gezegd, dat Hij het volk beroerde van Galilea af tot hiertoe; dat Hij verbood de keizer schatting te geven, en dat Hij de tempel wilde verbreken. Paulus werd door de Joodse priesters voor de Romeinse rechter als een oproermaker en voorstander der sekten beschuldigd. Het moet de christenen gaan, zoals het Christus, de Apostelen en Profeten ging. Zouden de discipelen beter zijn dan de Meester? Dat kan niet. Let er op en ziet, of de eigenlijke ketters niet altijd de godzaligen hebben vervolgd. Waar vindt men, dat de valse profeten en valse leraars door de wereld vervolgd werden? Is het ooit gezien of gehoord? Neen, toch niet, want de wereld bemint altijd het hare; zij scheidt, vervloekt, doodt en verbrandt, wat door Christus is uitverkoren, want dat is niet van de wereld. Zo werden Christus en zijn leerlingen door die wereld als ketters, verleiders en oproermakers gehouden, en de verleiders, ketters, en die tegen de Heere oproerig waren, werden door de wereld christenen genoemd.

Daarom, gij christelijke heren en overheden van het volk, let niet op het geroep en geschreeuw van het volk, op de klachten van de geestelijkheid, die altijd tegen Christus en zijn heilig Woord opstonden, en bekreunt u ook niet om de gewoonte of het algemeen gebruik en de loop der wereld van de tijd der voorouders af; want deze zouden u allen bedriegen. Maar let op het onvervalste Woord des Heeren, dat een licht voor uw voet zal zijn, opdat gij in de duisternis niet struikelt. Weest niet langer onwetend in goddelijke zaken, opdat gij de onschuldigen kunt beschermen tegen hun overweldigers.

Christus wordt vervolgd in zijn dienaars. Hand. 9, vs. 5. Zach. 2, vs. 8. Ps. 105, vs. 15.

Bedenkt, dat, wanneer gij Gods dienaren voor u hebt, dat Christus zelf voor u staat, en door u wordt veroordeeld, en dat Hij tot u zegt: Waarom vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Aangaande deze zijn uitverkorenen zegt Hij toch: Die u aanraakt, raakt de appel mijner ogen aan. Hij vermaant u door te zeggen: Tast mijn gezalfden niet aan, en weest niet wreed jegens mijn Profeten.

Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke ondankbaarheid om hen te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u van de weg der verderfenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij het goede met het kwade. Dit zijn immers geen bewijzen van ware mensen, nog veel minder van christenen. Daarom bid ik u, en vermaan u door onze Heere Jezus Christus, door wiens bloed gij van de tirannie des duivels verlost bent, u te wachten van uw handen te bevlekken met het bloed der rechtvaardigen. Doet u het, de hand des Heeren is nu opgeheven om zulke onrechtvaardige wreedheid en wrede onrechtvaardigheid te straffen. Verstout gij u, de godzaligen te verdrijven en uit te roeien, zo zult gij allen vergaan.

Gen. 7.

Gen. 19.

Toen Noach in de ark ging, rees de verderfelijke watervloed over alles, wat leven ontvangen had. Toen de godvrezende Lot met zijn dochters uit Sodom vertrok, kon men niet anders dan zwavel en vuurregen van de Heere verwachten, om alle bozen te verteren. Daarom, ziet toe, gij bent in uw eigen licht, gij verderft uzelf.

Jes. 1, vs. 9.

Gen. 3, vs. 15.

2 Thess. 2, vs. 8.

Spr. 21, vs. 20.

Hand. 3, vs. 17.

Want zo de Heere u geen zaad nalaat, dan zult gij als Sodom en Gomorra door Gods toorn worden verslonden. Wilt gij de slang helpen in Christus’ hielen te bijten, dan zal uw hoofd in stukken geslagen worden. Wilt gij de antichrist op zijn zetel verheffen, dan zal Christus u met het zwaard van zijn Woord vernielen, en tot een voetbank zijner voeten maken. Tegen God geldt toch raad noch geweld. Nu, welaan, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, zoals al uw voorvaders de Profeten en Apostelen hebben omgebracht, maar bekeert u nog, en laat af van het vergieten van het onschuldig bloed, en de Heere, die rijk is in barmhartigheid, zal zich uwer ontfermen, en met geopende armen ontvangen. Volgt het voorbeeld van de koning Manasse; beweent uw zonden, en de Heere zal u genadig zijn. Want Hij wil de dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert en leeft. Wanneer gij het boze laat varen, en u bekeert, zal de Heere een licht laten opgaan in uw harten, en de zon der gerechtigheid overal laten schijnen. In vreugde zult gij uw leven doorbrengen, en in vrede uw volk regeren. Het volk zal de wet des Heeren leren, en zij zullen de vrees Gods voor ogen hebben. O, gelukkig volk, dat dit ten deel valt, die de Heere voor hun God houden. O zalige overheden, die het wetboek en de Testamenten des Heeren steeds in de hand hebben, en zich daarin oefenen dag en nacht. Want zij zullen de wil des Heeren erkennen, en hun volk in rechtvaardigheid regeren.

Jes. 11, vs. 9.

Dan zal niemand gewond of gedood worden op de heilige berg van God; want de aarde zal vervuld worden van de kennis des Heeren. De almachtige, en barmhartige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, verlichte eenmaal door zijn Heilige Geest de duistere ogen en blinde harten, en vooral die van de overheid, opdat zij zien mogen in wie zij gestoken hebben, en de Heere der heerlijkheid en de Koning aller koningen belijden, zijn naam heiligen, zijn gemeente beschermen, en alzo hun poorten openen, om de Koning der heerlijkheid te ontvangen. Amen.

 

Antwerpen, in het jaar onzes Heeren 1559.

 

Adrianus Haemstedius

 

 

 

Voorrede aan de christelijke lezer

 

Beminde, goedgunstige lezer, het is genoeg bekend, dat de gelovigen der eerste kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus Christus, aan vele en zware beproevingen waren onderworpen, want zelfs de Apostelen van Christus hadden uit de Joden en Heidenen tot vijanden, die in deze wereld, volgens het oordeel der mensen, de geleerdste, machtigste en uitnemendste waren, die hen met alle macht en wreedheid vervolgden, en eindelijk doodden en ombrachten. Doch van de apostolische tijd ontstond er nog veel grotere tirannie, toen de Romeinse keizers al hun macht aanwendden, om het ware geloof en de christelijke kerk, die over de gehelen aardbodem zich begonnen uit te breiden, uit te roeien. Men leest ook, dat zij tot de tijd van Constantijn de Grote, gedurende drie eeuwen, geen wreedheden nalieten te plegen, om het geloof uit te blussen. Zij toch beroofden de christenen niet alleen van wereldse eer, staat en waardigheid, maar de christenen werden ook onthoofd, opgehangen, verdronken, verbrand, de wilden dieren voorgeworpen, en allerlei martelingen werden hun aangedaan. Ja, de wilde stomme dieren waren soms barmhartiger dan de tirannen, zodat zij vele gelovigen spaarden, en de beulen verscheurden en verslonden. In één woord, de wreedheid was in die tijden zo buitengewoon, dat er ten tijde van Diocletianus geen grote stad was, waarin niet iedere dag bijna honderd gelovigen werden gedood. De geschiedschrijvers hebben zelfs aangetekend. dat er eens in één maand zeventien duizend christenen werden omgebracht. Doch onder deze verschrikkelijke vervolgingen ondervond men ook de vertroosting, dat wanneer de christenen dikwerf in onreine kwalijk riekende gevangenissen lagen, zij door andere broeders niet vergeten, maar door hen getroost, versterkt en van spijs in de gevangenis voorzien werden; of, indien hun dit door een gevangenbewaarder niet werd toegestaan, schreven en zonden zij hun enige troostrijke brieven; ook hielpen en sterkten zij hen in hun heilige voornemens met hun openbare en bijzondere gebeden.

En aangezien God wilde, dat ook de gedachtenis van zijn heilige martelaren onder de mensen in waarde zou gehouden worden, droegen de vroegere christenen niet alleen zorg voor hun gevangen medebroeders in het leven; maar ook, wanneer zij om de naam van Jezus Christus waren gedood, werd de gedachtenis van deze martelaren ook in ere gebonden, omdat zij vast geloofden, dat de zalige martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en onsterfelijke leven verreisd en waarlijk wedergeboren waren; en ook, om zich en hun medegelovigen door zulk een gedachtenis tot gelijke standvastigheid op te wekken. Opdat ook de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden geraken, waren er ook, die deze schriftelijk te boek stelden, zoals men, onder andere, leest, dat Keizer Constantijn, op verzoek van Eusebius, bisschop van Cesarea, naar alle delen der wereld mannen zond, en de namen van de martelaren alsook de tijd van hun lijden liet optekenen, alsmede onder wie, op welke wijze en in welke plaatsen zij hadden geleden. Te beklagen is het echter, dat, wat de eerste christenen tot opwekking der standvastigheid diende, dit door de nakomelingen in schandelijke afgoderij werd veranderd.

Doch, wat zullen wij zeggen van de verschrikkelijke vervolgingen, die toen en later hebben plaats gehad? Het aantal der vroegere martelaren was zeer groot; maar wie kan het veel grotere getal van onze martelaren berekenen? De vroegere martelaren werden gruwelijk gepijnigd en gedood, maar welke tong kan uitspreken, of welke pen kan beschrijven met welke vreselijke barbaarse en onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken, ophangen, levend begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en dergelijke wrede doodstraffen de martelaren in later tijd werden omgebracht? En daarom verdienen zij geen geringen lof, die zich benaarstigden de gedachtenis van onze martelaren onder de mensen levendig te houden. Vooral voegt het ons Nederlanders, hen zeer te danken, die de namen der martelaren, als ook de tijd wanneer en de plaatsen, waar zij gepijnigd werden, de martelingen, die hun werden aangedaan en dergelijke omstandigheden meer, tot een eeuwige gedachtenis van hun standvastigheid beschreven en de nakomelingen nagelaten hebben.

En, aangezien het bloed der martelaren zo overvloedig bijna als water, niet alleen in de Nederlanden, maar ook in het gehele christelijke rijk vloeide, zijn in dit boek niet alleen de martelaren in Nederland opgenomen, maar ook verscheidene andere martelaren, die in Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië, en andere landen, om de belijdenis der waarheid leden, er bijgevoegd; doch niet allen, slechts de voornaamste; ook niet met alle bijzonderheden, zoals die in de Engelse, Franse en andere martelaarsboeken beschreven staan; want dit alles zou niet in één deel opgenomen kunnen worden, maar alleen het voornaamste wat er bij hun martelingen plaats had.

Daar vroeger dit Nederlandse martelaarsboek in drie delen was uitgegeven, hebben wij daarvan nu één deel gemaakt, en iedere martelaar naar volgorde beschreven, en wel op behoorlijken tijd en plaats. Zo veel ons mogelijk was, hebben wij er ook op gelet of iemand hunner in het een of in het andere gedeelte van het jaar gemarteld werd, en dit ook naar volgorde geschikt. Wij hebben ook verzwegen zulke geschiedenissen, die wij zagen dat op twee of drie verscheidene plaatsen werden verhaald, en wel soms met dezelfde namen, soms met een kleine verandering; en hebben ons daarbij aan de uitvoerigste gehouden.

Deze laatste druk is ook met verscheidene schone en gedenkwaardige geschiedenissen, die vroeger in het Nederlandse Martelaarsboek niet waren opgenomen, vermeerderd, zoals bijvoorbeeld: Bij de moord te Parijs hebben wij ook gevoegd de moord, die in die tijd, om dezelfde redenen, in andere provinciën en steden van Frankrijk, als te Angers, Rouaan, Bordeaux en andere plaatsen tegen de Hervormden plaats had; ook de moord die in 1620 in Valtellina aan de Hervormden geschiedde, en meer andere geschiedenissen van bijzondere gelovigen tot het jaar 1633; alsmede de onmenselijke en ongehoorde wreedheid gepleegd jegens de Hervormde christenen in het koninkrijk Ierland, in het jaar 1641, alsmede de verschrikkelijke moord aan de Waldenzen in Piëmont in het jaar 1655.

De Verhandeling over de hovaardij en opgeblazen oppermacht der Pausen het eerst in de Engelse taal geschreven door de eerwaarden dienaar van Jezus Christus, Johannes Foxus, en daarna in onze Nederlandse taal overgebracht door H. Hexam, hebben wij laten voorafgaan, die ons toont, hoe al de bloedige vervolgingen der gelovigen in de volgende eeuwen ontstaan zijn, tot op deze dag. Daarin wordt ons levendig voor ogen gesteld, hoe de eerste getrouwe bisschoppen van Gods Kerk in verloop van tijd al erger en erger werden, en hoe zij langzamerhand als van zeer goede onderdanen der keizers en koningen, geworden zijn heren en heerschappijvoerders over koningen en koninkrijken, die in de tempel Gods als een God zitten, zichzelf vertonende dat zij God zijn;" zoals dit door de Heilige Geest vooruit gezien, en ons in de Heilige Schrift voorzegd en geopenbaard is." En aangezien de getrouwe bisschoppen en vrome getuigen van Jezus Christus de hoogmoed van deze bedorven bisschoppen niet konden verdragen, noch voor het hoofd der kerk, waarvoor zij zich uitgaven, zoals de pausen nog doen, wilden erkennen, maar veel meer voor de waren antichrist, die zich tegen Christus verheft, en derhalve ook hun menselijke vonden en instellingen niet wilden goedkeuren noch aannemen, daarom hebben vele martelaren hun bloed laten vergieten; daardoor is de gehele wereld in beroering gebracht; daardoor heeft zich de Babylonische hoer tot nog toe dronken gemaakt niet het bloed der vrome martelaren daardoor is het aantal van hen, "die gedood waren om het Woord Gods en om het getuigenis” dat zij zo groot en ontelbaar geworden, dat het door niemand ter wereld kan worden berekend, waarom ook de namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet konden worden opgenomen, die echter in de hemel, in het boek des levens, geschreven zijn.

Wij bidden daarom de christelijke lezer, deze onze genomen moeite ten goede te willen aannemen, en die zo tot nut te maken, opdat het mag medewerken tot grootmaking van Gods heiligen naam en eer, tot stichting van de naasten, versterking in het geloof en tot zaligheid der zielen. Amen.

 

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655

 

Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker

 

In het twee en veertigste jaar van de regering van Augustus, de tweede Romeinse keizer, is Jezus Christus, de enige Zoon van de levende en almachtige God, door de kracht des Heilige Geestes ontvangen en geboren uit de maagd Maria, en waarachtig mens geworden uit het zaad van David naar het vlees, gelijk Hij tevoren de vaderen was beloofd, om het menselijke geslacht met Zijn Vader te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis te verlossen door de onbevlekte offerande Zijns lichaams. Zijn ontvangenis te Nazareth en Zijn geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest; en, naardien Hij om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij der wet te verlossen, is hij besneden, en in de tempel de Heere voorgesteld; ook is Hij toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen. Maar, aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel Jeruzalem beroerd waren over Zijn geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en, om Hem te doden, de Bethlehemitische kinderen wreed vermoord; maar Christus is (door de waarschuwing van de Engel) met Zijn ouders naar Egypte gevlucht, en daar gebleven tot áèn (lood van Herodes. Toen Hij onder de regering van Archelaus wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijn moeder en vermeenden vader onderdanig. Verder zich met Zijn ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem, heeft Hij op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijn Godheid getoond onder de geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met timmeren bezig gehouden onder Zijn vermeende vader Jozef, tot het dertigste jaar Zijns levens.

In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius, de derde keizer van Rome, regeerde, is Hij aan Israël geopenbaard, en door God Zijn Vader in het openbaar door de doop en de zalving des Heilige Geestes tot onze groten Profeet, Hogepriester en eeuwige Koning gewijd, dat is tot onze ware Messias en Zaligmaker.

En, om dit ambt ten onze beste te kunnen bedienen, heeft Hij Zich begeven tot vasten en bidden, waarin Hij is verzocht is geweest van de satan; maar hem krachtig overwinnende, heeft Hij het leraarsambt bediend met zulk een macht, volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijn vijanden zich daarover verwonderden en zich ontzetten.

Zijn hemelse leer en de wil Zijns Vaders heeft Hij in Zijn eigen persoon, door Zijn goddelijke kracht, met zulk een overvloed van wonderen bevestigd en versterkt, dat zelfs de redeloze schepselen daarover bewogen en alle mensen verwonderd waren.

Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en gezuiverd, alle dwalingen en vervalsingen van de wet verbeterd, de boosheden der mensen bestraft en de verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft Zich ook discipelen verzameld, en een kerk of geestelijk rijk opgericht. In Zijn leven heeft Hij onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wet voor ons zou kunnen volbrengen, gelijk van de waren Messias werd vereist, en door de reine beesten in de offeranden is afgebeeld.

Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle mensen; in voorkomen, gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en aangenaam boven alle schepselen, Welke de Engelen hebben begeerd te aanschouwen.

In één woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst en heerlijkheid; ja de kracht Zijner Godheid was vaak glansrijk en te aanschouwen in Zijn menselijk lichaam.

Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de allerverachtste en onwaardigste, een worm en geen mens, omdat Zijn gehele leven één gedurig lijden is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want wat hij heeft geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, Farizeeën en vele andere Goddeloze mensen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en zwarigheden Hij voornamelijk gedurende de tijd van drie jaren heeft uitgestaan en verdragen, is met geen woorden uit te spreken, noch pen te beschrijven.

Doch men moet onderscheid maken tussen Hem en de martelaren, wier dood, hoewel kostelijk in de ogen des Heeren, niet tot verlossing van iemand strekt, maar om te bewijzen de volstandigheid van hun geloof en de vervulling der broederschap; want Christus heeft de pers alleen getreden, omdat Hij heeft geleden en gesmaakt de toorn Gods en de gramschap der hel, welke alle martelaren in het allerminst niet konden bedenken, laat staan lijden en dragen.

De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij gezegd worden de overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is dit niet zo te verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben ontbroken, maar dat zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzo is Hij nog lijdende in Zijn heiligen. Want, zoveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen verlost en gezuiverd door het dierbaar bloed van Christus Jezus, de Zoon Gods.

Voorts, benevens de verzoening in alle Christus, zo dient ons ook Zijn lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als onze Heere en opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier strijdende, door Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid. Maar Hij is alzo niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder keizer Tiberius; want het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht, zodat Hij is de eerste en als het Hoofd der martelaren voor Abel en al de profeten, die ooit om des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in de volheid des tijd alle dingen door Zijn dood volbracht.

Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal voor de Zijnen tot een gedachtenis van Zijn dood en verzegeling van hun zaligheid had ingesteld, is Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van een grote schare, uit gezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van het volk, gewapend met zwaarden en stokken, gevangen genomen en gebonden.

Deze brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna gebonden zond naar Kajafas de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren.

Voor deze Joodse raad is Hij vals beschuldigd, dat Hij gezegd had, dat Hij de stoffelijke tempel van Jeruzalem, die met handen gemaakt was, zou afbreken. en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, opbouwen. Daar heeft men ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij Zich Gods Zoon had genoemd. Daar hebben enigen Hem in Zijn heilig aangezicht gespogen en met vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en gezegd: profeteer ons Christus, wie is het, die U geslagen heeft?"

Deze Joodse raad Hem, des doods schuldig geoordeeld hebbende, is Hij door tien aan de wereldlijken rechter Pontius Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat Hij zou gekruisigd worden. Pilatus, wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden overgeleverd zocht alle middelen om Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na naarstig onderzoek van alles, geen schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij hierdoor bij hen niets vorderde en dat zij desniettegenstaande bleven roepen: "Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden met de ongenade des keizers, zo heeft hij (nadat hij zijn handen met water gewassen en betuigd had, dat hij onschuldig was aan het bloed van deze Rechtvaardige, en de Heere Jezus had gegeseld) Hem aan de krijgsknechten overgeleverd om gekruisigd te worden.

Deze hebben Hem, in het rechthuis nemende, ontkleed, een purperen mantel aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet, een rietstok in Zijn rechterhand gegeven, en, op hun knieën voor Hem neervallende, bespot, zeggende: wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem gespogen hebbende, hebben zij Hem met een rietstok op het hoofd geslagen, daarna de mantel afgedaan, en wederom Zijn eigen klederen aangetrokken, en aldus uitgeleid om gekruisigd te worden.

Eindelijk werd hij naakt tussen twee moordenaars gehangen,Zijn handen en voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder vreselijke smarten des lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om onzer zonden wil, uitroepende: mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten," is Hij gestorven, terwijl Hij Zijn ziel met vertrouwen in de handen van God Zijn Vader beval, in de leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het achttiende jaar der regering van Tiberius, de derde keizer van Rome.

De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef van Arimathea en Nicodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en ten derde dag als de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de doden, tot eeuwige onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de ogen Zijner Apostelen naar de hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods, om op de jongste dag vandaar terug te komen, teneinde te oordelen de levenden en de doden, en Zijn gelovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen in het eeuwige leven.

 

Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de overspelige Herodias gebracht

 

[JAAR 32.]

 

Johannes, bijgenaamd de Doper, uit de stam van Aäron, een zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, naar het bevel van de Engel aldus genaamd, werd geboren ten tijde van de koning Herodes, en wel op een wonderbare wijze, toen zijn ouders op hogen leeftijd gekomen waren, en is van zijn geboorte aan vervuld geweest met de Heilige Geest.

Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was, (ongeveer een half jaar voor de Heere Christus Zijn Profetisch ambt begon) in het vijftiende jaar der regering van de keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was, ten tijde van de Hogepriesters Annas en Kajafas, is hij van God geroepen en gezonden om te prediken de doop der bekering tot vergeving der zonden, en als een Engel of bode voor het aangezicht van Christus de weg te bereiden voor de Messias, en het hart der vaderen te bekeren tot de kinderen.

Aangaande de heerlijkheid van deze man had de Engel des Heeren gezegd, dat velen zich over zijn geboorte zouden verblijden, dat hij groot zou zijn voor de Heere, om voor Hem te bereiden een toegerust volk, en (zoals niet alleen de Profeten, maar ook Zacharias van hem door de Geest des Allerhoogste had voorgezegd) om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden.

Als Johannes nu van God aldus was geroepen en gezonden, om van het licht van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij Salim en elders, terwijl hij doopte en leerde. Hij bezat een uitnemende geest en verstand; en velen kwamen er om van.hem gedoopt te worden en naar zijn leer te horen, onder wie vele geveinsden en boze mensen, wien hij ernstig de waarheid zei, bestrafte en vermaande tot bekering. De arme zondaars, tollenaars, krijgslieden en anderen heeft hij met groten ijver onderwezen en getroost in de weg der zaligheid.

Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de Jordaan en Deze verzocht door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit nederigheid en met een goede bedoeling weigerde; maar Christus overtuigde hem, dat zulks nodig was, zodat hij Hem dan ook doopte en dadelijk van Christus getuigde dat Hij het Lam Gods en de Bruidegom Zijner kerk, ware Messias, Wiens schoenen hij niet waardig was Hem na te dragen.

Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer groten toeloop van volk, waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de Messias was, welke eer hij echter van zich afgewezen en Christus, Wien zij alleen toekwam, gegeven heeft. De Farizeeën en Joden hebben toen hun gezanten tot hem gezonden, om hem te vragen naai, zijn roeping, zending en gezag, omdat hij de Evangelische leer verkondigde, en nochtans de Christus niet was. Hij heeft hun echter zo geantwoord, dat zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen nu Johannes (die zeer ijverig, was,) vele leerlingen maakte, en die leerde vasten en bidden en hij van zijn werk zich met loffelijke ijver kweet, won hij in grote mate het vertrouwen, aanzien en gezag bij alle mensen, zelfs bij de koning Herodes Antipas, die hem in waarde hield en graag hoorde. Maar deze koning had zich aan een goddeloze daad schuldig gemaakt, door namelijk zijn eigen vrouw, de dochter van Aretas, de koning van Arabië, te verstoten, en de vrouw van zijn broeder Filippus, nog bij het leven van haren man, tot zich te nemen, terwijl zijn broeder reeds enige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon Johannes overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees voor ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande bestraft. Doch, daar de goddelozen niet willen bestraft worden, zo haatte hij hem, en zocht een aanleiding om hem te doden. En aangezien velen dachten, dat hij de Messias was, waardoor de toeloop van het volk dagelijks groter werd, zo heeft Herodes Johannes (onder de naam van oproermaker) laten gevangen nemen en overbrengen in de kerker Machaerus.

Intussen heeft Johannes zijn werkzaamheden niet gestaakt, en zelfs uit Zijn gevangenis enige van zijn discipelen tot Christus gezonden, om hen en anderen door Christus, leer en wonderen van de waarheid van Diens toekomst te verzekeren, gelijk ook heeft plaats gehad.

De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook later bij herhaling een goede getuigenis gegeven van zijn leer, standvastigheid, zijn doop, en gesproken van zijn klederen, eten en drinken, in één woord, dat hij in alles was de ware, geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste Profeet onder hen, die van vrouwen geboren waren. Dat hij geen tekenen deed, was misschien wel daarom, opdat men niet menen zou, dat hij de Christus was.

Maar de goddeloze en ontuchtige Herodias, nog niet tevreden, dat Johannes gevangen zat, legde hem lagen, om hem zo mogelijk te laten doden, doch dit gelukte haar niet, want Herodes vreesde Johannes. Doch op de verjaardag van Herodes gaf deze aan zijn hovelingen een luisterrijken maaltijd, waarbij het dochtertje van Herodias, ten genoegen van al deze lichtzinnige lieden, zeer mooi danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin zulk een beha gen, dat hij het met ede bezwoer, haar alles te zullen geven, wat zij begeerde. Nu had Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde haar dochter aan, van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van Johannes de Doper in een schotel zou gebracht worden. Herodes, dit horende, was zeer bedroefd; maar om zijn lichtvaardig gezworen eed te houden, en om (zogenaamd) zijn woord niet te breken tegenover zijn hovelingen, stond hij haar verzoek toe; liever zijn zondigen eed houdende, dan die te breken, waarmee hij echter zich zo niet zou bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de gevangenis gezonden, en deze beeft Johannes zonder enig rechterlijk vonnis onthoofd, terwijl het hoofd van deze Profeet, tot een bewijs van hun wreedheid, ten spot en schouwspel van deze goddeloze lieden, ja tot een getuigenis van de barbaarsheid van hen allen in een schotel gebracht werd. Alzo hebben zij hem, onder toelating van de Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij begeerden.

De wrede Herodias wenste wel, dat Johannes’ lichaam onbegraven op het veld weggeworpen en door de dieren verslonden zou worden, opdat men te minder aan hem als ook aan haar overspel zou denken, doch zijn leerlingen hebben zijn lichaam weggenomen en begraven.

Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte van Christus, en zijn lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot de tijd van Julianus. Toen is zijn gebeente door de vijanden der waarheid verbrand en de as in de wind verstrooid. Maar de Heere heeft de dood van deze man in Herodes, Herodias en haar dochter (zoals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar gestraft.

 

Stefanus, de diaken, gestenigd

 

[JAAR 34.]

 

Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen "kroon" was, naar de mening van Doretheüs, een van de zeventig leerlingen van Christus, hoewel Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en of hij een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te volgen) is niet met zekerheid bekend. Zo weet men ook niet, waar hij is geboren en wie zijn ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de eerste was van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heilige Geestes; en nadat hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijn dienst was bevestigd, is hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed grote tekenen onder het volk.

Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien behoorde hij vroeger tot de sekte der Libertijnen, die met anderen met hem twistten; maar zij konden de wijsheid en de Geest, door welke hij sprak, niet weerstaan, zodat zij, volgens hun oude aard, met vele valse getuigen teen hem opstonden onder het volk oproer verwekten en hem beschuldigden, dat hij lasterlijke woorden had gesproken tegen de wet en de tempel, en dat hij betuigd had, dat Jezus van Nazareth die plaats zou verbreken, en de zeden veranderen,die Mozes hun had overgeleverd. Om dit alles werd Hij gevangen genomen, en, in de raad gebracht, terwijl zij zagen dat zijn aangezicht blonk als van een Engel. Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus' eer gehandhaafd en de waarheid verdedigd, blijkt uit de welsprekende en belangrijke redevoering, die hij gehouden heeft voor de gehelen Joodse raad te Jeruzalem, gelijk wij zien Hand. 7, waarin hij het gehele Oude Testament, de wet en de Profeten doorliep, en eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die het einde der wet is lot rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen bestraffende, dat zij de Profeten hadden gedood, die tevoren verkondigd hadden de komst des Rechtvaardigen van Wie zij nu verraders en moordenaars geworden waren.

Toen zij dit hoorden, barstten hun harten en knarsten zij de tanden tegen hem; maar hij, vol zijnde des Heilige Geestes, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods, Die hem van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn lijden, terwijl Stefanus zei: "Ziet, ik, zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods." Maar zij, roepende met grote stem, stopten hun oren, vielen eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en stenigden hem. Maar de stenen waren hem als beken der zoetigheid. Met een grote stem riep hij: Heere, "reken hun deze zonde niet toe;" en, terwijl hij op de knieën neerviel, zei hij: ",Heere Jezus, ontvang mijn geest."

Alzo is Stefanus ontslapen in de Heere in het jaar 34 na de geboorte van Christus, zijnde het negentiende jaar van de regering van Tiberius, in het zevende jaar na de doop van Christus, hetwelk het acht en dertigste jaars zijns ouderdoms was. Enige godvruchtige mannen begroeven hem, en hieven over hem een grote rouwklacht aan.

 

Jakobus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd

 

[JAAR 45.]

 

Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Salome, genaamd de grote, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeus, niet omdat hij ouder of voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot een discipel van Christus. Hij was een visser, die, gehoorzaam aan Christus, alles verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruime tijd in het Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de Joden, toegerust met gaven om tekenen en wonderen te doen; en wegens zijn uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was hij tegenwoordig, zoals bij het opwekken van het dochtertje van Jaïrus, alsook bij de verheerlijking van Christus op de berg, en in de hof van Gethsemané.

Daar hij zich hierop schijnt verhovaardigd te hebben, heeft hij zich boven zijn medeapostelen zoeken te verhellen, zodat zijn moeder aan Christus verzocht, of haar beide zonen, van wie hij er een was, in zijn koninkrijk zouden zitten, de een aan zijn rechter, en de andere aan zijn linkerhand. Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zei: "Gijlieden weet niet, wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? En als hij en zijn broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met de doop, waarmee Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijn rechter- aan Zijn linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven worden, aan wie het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood en opstanding, en om in de veertig dagen na Zijn opstanding, onderwezen te worden in de dingen van Zijn koninkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef hij te Jeruzalem, en, toen hij ook daar de Heilige Geest ontvangen had, predikte hij het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen verhalen) naar Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende, is hij naar het Joodse land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had met Hermogenes, een tovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop van Babylonië, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat zij zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.

Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot omtrent het vierde jaar der regering van Claudius, toen Agabus een hongersnood over de gehele wereld had voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa bevolen de kerk van Christus te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze koning zijn bloedige handen aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paasfeest in de gevangenis gezet en daarna ter dood veroordeeld, zodat hij te Jeruzalem met het zwaard gedood is in het jaar 45 na Christus' geboorte. Clemens verhaalt, dat de scherprechter toen deze zijn onschuld zag, tot het christendom bekeerd en ook met hem gestorven is.

 

Jakobus, de zoon van Alfeüs, doodgeslagen

 

[JAAR 63.]

 

Jakobus, de zoon Alfeüs en van Maria de zuster van Christus' moeder, werd de Kleine genoemd, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Zebedeüs en broeder van Johannes. Hij werd de broeder des Heeren genoemd, dat is, zijn neef, naar Hebreeuwse wijze, en had nog andere broeders, als Judas, Thaddeüs, Simon en Joses.

Deze Jakobus is door Christus, na behoorlijk onderwijs, tot Apostel aangesteld, toegerust met gaven, en uitgezonden ten dienste der Joden, waarvan hij zich tot Christus' dood zeer goed gekweten heeft. Daarom is hij ook met anderen uitgezonden om het Evangelie te verkondigen, hetwelk hij gedaan heeft onder de Joden tot de dood van Stefanus. En, ofschoon Petrus, Jakobus en Johannes, zijn broeder, de bijzondere Apostelen waren, zo is deze na de dood van Jakobus voor een van de drie pilaren der kerk gehouden geworden.

De Apostelen hebben hem verkozen tot een eerste opziener der moeder van alle kerken, namelijk Jeruzalem, van welke het woord des Heeren zou uitgaan, en wel terstond na de dood van Christus.

Gedurende dertig jaren heeft hij deze dienst getrouw waargenomen, en bracht er velen tot het waarachtig geloof, niet alleen door de zuivere leer van Christus (door deze inzonderheid), maar ook door zijn heilig leven, waarom hij de Rechtvaardige is genoemd. Hij was zeer verstandig en heilig, ook in kleding, spijs, en drank, een rechte Nazireeër, en bad dagelijks voor Gods kerk en de algemene welvaart.

Deze Apostel heeft een zendbrief geschreven tot vertroosting van de twaalf stammen, die in de verstrooiing waren, in al hun lijden en tegenspoed, waarin hij voornamelijk het rechtvaardigmakende, in daden zich openbarende geloof en andere heilzame en christelijke leringen behandelt. Maar, daar de hardnekkige Joden zijn heilzame leer niet langer konden verdragen, heeft Ananias, de hogepriester, een stout en wreed jonge man, hem voor de rechters gedaagd om hem te dwingen, dat hij zou loochenen, dat Jezus de Christus is, en het geloof te verzaken in de Zoon van God en in de kracht Zijner opstanding. Om die reden stelden hem de Schriftgeleerden en Farizeeën op het dak van de tempel, ten tijde van het Paasfeest, om voor het gehele volk zijn geloof af te zwelen; maar, toen hij daar voor het volk stond, beleed hij met de grotere vrijmoedigheid, dat Jezus is de Christus. de beloofde Messias, de Zoon van God, onze Zaligmaker, en dat Hij als Zoon des mensen gezeten is aan de rechterhand Gods, vanwaar Hij zal komen op de wolken van de hemel, om te oordelen de levenden en de doden. Over deze vrijmoedige belijdenis van Jakobus prees het gehele volk God, roepende: Hosanna, de Zoon Davids!" Maar de harten van de Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën barstten van nijd, en enige van hen klommen op het dak, en stieten hem van boven neer en stenigden hem. Die val deed hem echter niet dadelijk sterven, doch wel de een breken; en, op de knieën liggende, bad hij nog voor hen, die hem stenigden, zeggende: Heere, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." En, toen een van de priesters nog voor zijn leven wilde bidden, zeggende: Wat doet gijlieden toch! houd op met stenigen, want deze rechtvaardige bidt voor ons," heeft een dergenen, die daar tegenwoordig waren, hem met een volderstok een slag aan de slaap van het hoofd gegeven, zodat hij stierf, en hij werd in de nabijheid van de tempel begraven. Dit geschiedde in het jaar 63 onzes Heeren, in het 96ste jaar zijns ouderdoms, in het zevende jaar der regering van Nero, toen het stadhouderschap onbezet was, tussen de dood van Festus, en de komst van zijn opvolger Albinus.

 

Barnabas te Salamis verbrand

 

[JAAR 63 OF 64.]

 

Barnabas of Barsabas, een man vol des Heilige Geestes, die genaamd was Jozef of Joses, met de bijnaam Justus was een Leviet van Cyprus, die de Apostelen genoemd hebben Barnabas, dat is een zoon der vertroosting, zoals hij dat in zijn leven aan de armen heeft bewezen. Hij wordt ook gehouden voor een van de zeventig discipelen van Christus. Wegens de vele namen, die hij draagt, kennen wij zijn vermaardheid en aanzien, die hij ook in alles heeft betoond, want hij heeft Paulus na zijn bekering bij de Apostelen ingeleid. En, als het woord Gods te Antiochië door enige Cyprische en Cyrenische mannen aan de Grieken werd gepredikt, is hij door de Apostelen daarheen gezonden, om deze zaak te onderzoeken; en, toen hij alles naar waarheid bevond heeft hij hen, als een Apostel, in de Christelijke waarheid bevestigd en versterkt.

Daarna ging hij naar Tarsen, om Paulus te zoeken, en bracht hem te Antiochië, waar zij een geheel jaar bleven en het volk leerden. Toen de hongersnood uitbrak ten tijde van keizer Claudius, heeft hij en Paulus een goede handreiking overgebracht aan de broeders, die in Judea woonden. Vandaar keerde hij weer naar Antiochië, waar hij door het bevel van de Heilige Geest werd uitgezonden, om in vele landen het Evangelie te prediken, waar hij, om zijn welsprekendheid, dikwijls het woord heeft gevoerd. Te Antiochië was een grote twist ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, en nu reisde hij met Paulus naar Jeruzalem naar de Apostelen en Ouderlingen, die daar over deze zaak elkaar geraadpleegd, en samen een besluit genomen hebben. Vervolgens hebben zij dit besluit, in gezelschap van Judas en Silas, overgebracht naar Antiochië, waardoor er een einde aan deze twist kwam. Daarna hielden zij zich enige tijd te Antiochië op, en, toen zij weer op reis zouden gaan, om de gemeenten onder de heidenen nog eens te bezoeken en in het geloof te versterken, ontstond er twist onder hen beiden, en wel om Johannes Marcus, die hen vroeger op reis naar de heidenen had vergezeld, maar te Pamphylië was teruggekeerd, en zich aan het werk onder de heidenen had onttrokken, waarom Paulus het niet goed achtte Johannes Marcus weer mee te nemen. Hierdoor ontstond er een verbittering tussen de twee getrouwe dienaren van Christus, zodat zij van elkaar scheidden. Paulus nam Silas met zich en doorreisde met hem Syrië en Cilicië de gemeenten versterkende. Nu nam Barnabas Johannes Marcus mee, voer met hem naar Cyprus, en volbracht het werk, dat hem was opgelegd, gelijk Hiëronymus met lof van hem heeft getuigd.

Toen hij later op het eiland Cyprus terugkwam, moest hij daar de martelaarskroon dragen, want te Salamis, een grote stad op Cyprus, die thans Famagusta heet, gekomen zijnde, om de gemeente daar in het geloof te versterken, werd hij door een Joodse tovenaar zeer kwalijk bejegend. Deze ruide de Joden en het gehele volk tegen hem op, zodat zij hem in een oproer gevangen namen, en tot de rechter wilden brengen; maar, uit vrees, dat de rechter zijn onschuld zou bemerken, en hem loslaten, hebben zij hem (na hem eerst schandelijk mishandeld te hebben) een touw om de bals gedaan, buiten de stad gesleept en daar verbrand. Alzo is deze trouwe dienaar van Christus in zijn vaderland met de martelaarskroon vereerd en zalig in de Heere ontslapen, en wel korte tijd nadat Jakobus de Rechtvaardige te Jeruzalem was gedood, niet lang voor de dood van Petrus en Paulus, ten tijde van keizer Nero, doch voor de afkondiging en het bevel van de eerste heidense vervolging plaats had.

 

Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept om verbrand te worden, en onderweg gestorven

 

[JAAR 64].

 

De Evangelist Marcus wordt algemeen gehouden voor Johannes, bijgenaamd Marcus, een man uit de besnijdenis en neef van Barnabas, wiens moeder Maria heette, en een zeer godzalige vrouw was, die haar woning te Jeruzalem leende tot de samenkomsten der Christenen. Hij was eerst verkozen tot een dienaar van Paulus en Barnabas; maar op de reis naar Pamphylië keerde hij weer naar Jeruzalem terug. Om hem (zoals wij in het leven van Barnabas verhaald hebben) ontstond er een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij van elkaar scheidden, en Paulus Silas meenam op reis en Barnabas deze Marcus. Maar, toen deze twist geëindigd, en de zaak bijgelegd was, beval Paulus uit zijn gevangenis deze Marcus der gemeente van Colosse aan, en verzocht, dat zij hem ontvangen zouden als een medearbeider in het koninkrijk Gods; en gebood ook Timotheüs, dat hij Marcus zou meenemen en bij hem brengen, omdat hij hem zeer nuttig was tot de dienst. Hij heeft ook bij Paulus in de gevangenis vertoefd, en hem grote en getrouwe hulp en bijstand in zijn gevangenschap bewezen. Petrus noemt Marcus ook zijn zoon, zonder twijfel, omdat hij hem voor, Christus had gewonnen, of omdat hij zijn leerling, tolk en schrijver was; want het Evangelie heeft hij, op verzoek van de gelovige broeders te Rome geschreven, na de dood van Simon de tovenaar, op last en bevel van Petrus, volgens de mededelingen, die hij aangaande Christus uit Petrus' mond had ontvangen, zoals ook Hiëronymus getuigt, als hij zegt: Marcus, een leerling van Petrus, daartoe van de broeders te Rome verzocht zijnde, naar hetgeen hij Petrus had horen verhalen, heeft een kort Evangelie geschreven, hetwelk Petrus na het gezien te hebben, heeft goedgekeurd en aan de gemeente op zijn woord gelezen, gegeven.

Daarna is Markus door Petrus naar Egypte gezonden, en, terwijl hij zijn reis nam over Aquila de hoofdstad van Friol, heeft hij daar velen tot het geloof gebracht en Hermagoras tot een herder over die gemeente achter gelaten. Vervolgens reisde hij naar Afrika, en heeft in Lybië, Marmorika, Ammonika, Pentapolis allerwegen het Evangelie verkondigd, en vertoefde enige jaren te Alexandrië, dat hij tot zijn woonplaats genomen heeft.

Aangaande zijn dood schrijft Hiëronymus alleen, dat hij te Alexandrië gestorven en begraven is, in het achtste jaar van de regering van Nero, het vier en zestigste na de geboorte van onze Zaligmaker, en dat Anianus daarin zijn plaats opziener geworden is. Gelasius beweert, dat hij als martelaar is gestorven. "Marcus", zegt hij, "door Petrus naar Egypte gezonden zijnde, heeft het woord der waarheid daar trouw gepredikt, en zijn getuigenis met zijn bloed heerlijk bezegeld." Met dit bericht stemmen ook alle oude en nieuwe Griekse en Latijnse martelaars boeken overeen.

De geschiedenis meldt verder, dat, toen Marcus in het achtste jaar der regering van Nero op het Paasfeest gedachtenis vierde van het bitter lijden en sterven van Christus, de heidense priesters met al het volk hem overvallen, en met baken en touwen, die zij om zijn lichaam hadden geslagen, uit de vergaderplaats getrokken, en langs de straten tot buiten de stad gesleept hebben, zodat het merendeel van zijn vlees aan de scherpe stenen is blijven hangen, en zijn bloed op de grond werd vergoten, totdat hij, onder het uitspreken van de laatste woorden van onze Zaligmaker, zijn geest in de handen van de Heere overgaf, uitroepende: “Heere, in uw handen beveel ik mijn Geest!"

 

De tien bloedige vervolgingen van de Christenen onder de Heidense keizers van Rome

 

De eerste vervolging van de christenen onder keizer Nero

 

Volgens de getuigenis van keizer Trajanus, heeft Nero te Rome zo loffelijk geregeerd, als ooit enige keizer tevoren. In de aanvang van zijn regering was hij zachtmoedig, en zo afkerig van mensenbloed, zelfs op wettige wijze, te vergieten, dat hij wenste niet te kunnen schrijven, als hem verzocht werd het doodsvonnis te ondertekenen van enige oproermakers. Na vijf jaren aldus geregeerd te hebben, is hij daarna als aan de duivel overgegeven en verkocht, om alle boosheid en schandelijkheid gierig te bedrijven, zo zelfs dat het scheen, alsof de duivel lichamelijk in hem woonde, want deze zijn meester leerde hem in de eerste plaats zijn toverkunst door Simon de tovenaar, de eerstgeboren zoon des duivels, die voor de raad te Rome, om Nero de keizer te behagen, een beeld heeft opgericht met het opschrift: Aan Simon de heiligen God. Zijn duivels leermeester, die een leugenaar en mensenmoorder van de beginne is geweest, heeft hem tot alle gruwelijke lusten aangezet, zodat hij wenste een wereldbrand en een afbeelding van de brand van Troje, benevens de plaats, waar hij in het lichaam van zijn moeder gelegen had, te zien. Om van zijn onkuisheid te zwijgen, heeft hij zijn moordlust het eerst aan zijn broeder Britannicus geopenbaard, die hij heeft laten vergeven. Het lichaam van zijn eigen moeder Agrippina, die hem, door het toedienen van vergif aan haar man Claudius, het keizerrijk bezorgde, heeft hij later opengesneden. Octavia, zijn wettige huisvrouw, heeft hij met het zwaard laten ombrengen, omdat zij geen kinderen ter wereld bracht; en Poppea, zijn bijzit, tot vrouw genomen hebbende, heeft hij, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde, dood geschopt. Seneca, zijn getrouwe leermeester, heeft hij een ader doen openen en alzo laten doodbloeden.

Hij al deze boosheden was hij de eerste, die de algemene en openbare bevelen tegen de Christenen door de gehele wereld heeft laten afkondigen, met het doel om die in alle landen door het vuur, het zwaard en op andere wijze te vervolgen, hetgeen Tertullianus de raad van Rome openlijk verweet, zeggende: "Leest uw eigen geschiedenis, waar gij vinden zult, dat Nero de eerste is geweest, die tegen deze sekte (te weten der Christenen), die toen te Rome het talrijkst was, gewoed heeft. Maar wij beroemen ons ook tegelijk op een zodanigen eerste bewerker van onze veroordeling, want die hem kent weet, dat het een grote zaak is door hem veroordeeld te zijn." Op een andere plaats zegt dezelfde Tertullianus: "Nero is de eerste geweest, die het toenemend christendom te Rome met bloed heeft gemengd.” De inhoud van het bevel luidde aldus: “Zo wie bekent, dat hij een Christen is, zal als een verklaard vijand van het menselijk geslacht, zonder zich nader te mogen verdedigen, met de dood gestraft worden."

De reden, waarom Nero de Christenen zo wreed heeft vervolgd, was niet gelegen in de schuld of misdaden der Christenen zelf, maar vond zijn aanleiding in een groten brand, die enige dagen achtereen heeft gewoed, waardoor het grootste gedeelte van die schone stad is vernield. Toen namelijk Nero zag, dat de Romeinen hierover zeer verbolgen waren, verspreidde hij het gerucht, dat de Christenen dit hadden gedaan, hoewel hij zelf de brand gesticht, en met vreugde van de hoge toren buiten de stad had aanschouwd, daar hij een voorstelling wenste te hebben van de brand te Troje, en het voornemen had een nieuwe stad te bouwen, en die naar zijn naam te laten noemen. Hierop is toen een hevige en wrede vervolging tegen de Christenen uitgebroken, niet alleen te Rome, maar ook in andere streken en landen, die voortduurde tot zijn dood.

Wie de eerste martelaars in deze vervolging geweest zijn, werd in de geschiedboeken of andere geschriften niet gemeld, doch wij stellen ons tevreden, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens. Daarom echter is hun roem in Christus niet kleiner, daar de heidenen zelf gedrongen werden een goede getuigenis van hen af te leggen, en openlijk hebben bekend, dat het niet wegens de brand was, maar alleen uit haat dat de Christenen zo wreed vervolgd zijn. Van deze valse beschuldiging door Nero aangaande de Christenen, zet Tacitus: “Nero, om de beschuldiging van brandstichting van zich te werpen, heeft hen, die het volk Christenen noemt, daarvan aangeklaagd en met vreselijke straffen gemarteld. Deze naam is afkomstig van Christus, die in de tijd van Tiberius’ regering, door de landvoogd Pontius Pilatus, in het openbaar is gedood. Die nu beleden, dat zij Christenen waren, en later zijn van deze een grote groep ontdekt, zijn eerst gevangen genomen, en vervolgens veroordeeld, niet zozeer wegens de brand, als uit haat, die het menselijke geslacht hun toedroeg. Het ombrengen ging gepaard met veelvoudige bespotting. Men wikkelde hen in huiden van wilde dieren, liet hen door honden verscheuren, of aan kruisen nagelen, of op brandstapels verteren, zo zelfs, dat zij ’s nachts als brandende lichten de toeschouwers moesten dienen." Tacitus erkent dan voldoende, dat Christenen aan brand geen schuld hadden, doch dat zij onder beschuldiging daarvan, hebben moeten lijden.

Nu zullen wij vervolgen met de mededeling van de voorbeelden van de Apostelen en anderen, die onder de wrede bloedhond voor de goddelijke waarheid hun bloed hebben gestort.

 

Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero

 

Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas, geboren te Bethsaida in Galilea, was een visser van beroep, die zijn huis en woonplaats had te Kapernaüm bij de moeder van zijn vrouw. Door zijn broeder Andreas, die een leerling van Johannes de Doper was, werd hij het eerst tot Christus gebracht, en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om een visser der mensen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren schapen van het huis Israëls, gaf Hij hem de naam van Cefas of Petrus. Van Christus genoot hij een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze toegenomen., dat hij als het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is geworden. Voornamelijk was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als ook de meest ijverende voor Christus, om Hem zijn liefde en trouw te bewijzen, hoewel hij zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zoals hij ook daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans beminde Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in grote achting en aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, en met Jacobus en Johannes getuige van Christus’ verheerlijking op de berg. In de volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het hoofd te zijn of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft Christus hun allen met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om hem te eren als de aanzienlijkste onder hen. Hij werd gebonden voor een pilaar der kerk, doch hij niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de sleutels van het koninkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij geen meerder gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijn schapen te hoeden, maar hem niet alleen, want de anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft ook nooit enige heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich graag aan het oordeel van anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten uitzenden en geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed handelde.

Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met Christus te willen lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft hij daarna met grote vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de kracht van de Heilige Geest was hij zodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe groot ook en machtig naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig betoonde hij zich in het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk gedragen, zo zelfs, dat hij wel eens enige duizenden mensen tegelijk tot het geloof heeft gebracht. Zijn leer heeft hij ook met tekenen, zoals Christus beloofd had, bekrachtigd, als aan de kreupele, Ananias en Saffira, Eneas, Tabitha en anderen. De wil des Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van de hemel geopenbaard. En, daar hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft zijn arbeid zich krachtig onder de besnijdenis betoond.

Wel heeft de Heere Christus aan Petrus diens dood voorzegd, maar hij heeft eerst veel om Christus' wil geleden. Te Jeruzalem, waar hij van de waarheid van Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij met Johannes gevangen genomen en voor de Joodse raad gebracht, die hen scherp heeft bedreigd, dat zij niet meer in de naam van Jezus zouden spreken of leren.

Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven, maar antwoordden hun: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God?”

Terwijl Petrus weer gevangen genomen was met de andere Apostelen, zijn zij ‘s nachts op wonderdadige wijze door de Engel, die de gevangenis opende, eruit geleid.

Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en door de Joodse raad gegeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken in de naam van Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat zij waren waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te lijden.

Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de gevangenis zetten, met het voornemen om hem na het Paasfeest te doden, zoals hij Jakobus, de broeder van Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God heeft hem ‘s nachts van zijn ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis verlost.

Petrus is ook te Antiochië geweest, en heeft daar de gemeente Gods gesticht. Toen hij daarna in het Joodse land was teruggekeerd, heeft hij een grote strijd gehad met Simon de tovenaar. Ook heeft hij Babylon bezocht, en wel Babylon in Assyrië, welke stad vroeger de zetel des rijks was. Want, aangezien Petrus een Jood was en een Apostel der Joden, zo bezocht hij op zijn reizen zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die Oosterse landen woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden, die verstrooid waren in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynië.

Wel hebben enige leraars uit de Roomse kerk, onder wie ook is de Jezuïet Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar Petrus zijn eerste zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden, omdat in de Openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat zij Petrus alzo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet vergeten, dat hij Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken, dat hij van Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder enige bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon spreekt, en er geen andere stad mee bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij dan Rome niet hebben genoemd? Paulus heeft verscheidene zend brieven uit Rome geschreven, en toch noemt hij Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan wie hij schreef, weten zouden, waar hij was, zo had hij liever de eigen dan een anderen naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt daaruit, dat hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze brief uit Rome had geschreven aan de gemeenten in Azië, dat zou het niet waarschijnlijk zijn, dat hij de gemeenten in Griekenland, Illyrië en Thracië, die daar tussen lagen, zou hebben vergeten.

Maar, zo wij het van het eigenlijke Babylon verstaan, dan is er overeenstemming. Want niets is meer gepast dan dat de Apostel, terwijl hij zich te Babylon ophield, zorg droeg voor de gemeenten in Azië, die dichter bij Babylon lagen dan de gemeenten in Europa, die zover vandaar verwijderd waren.

De bewering van de Roomse kerk, dat Petrus te Rome bisschop zou geweest zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden, aangezien Petrus daarvan in zijn zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus, noch Lukas, die de Handelingen der Apostelen en hun reizen met vlijt heeft te boek gesteld. Veel minder zou kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en twintig jaren zou hebben gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In de brief aan de Galatiërs, hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was toebetrouwd het Evangelie der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat is, dat hij het Evangelie zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de heidenen. Zou dan Petrus jaren lang tegen het bevel van God gehandeld en zich vijf en twintig jaren onder de heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben gedaan van hetgeen hem bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig Apostel!

Enige van de Roomse kerk zeggen, dat Petrus in het tweede jaar der regering van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde en wederom anderen in het vierde, ofschoon in Hand. 1,5 staat, dat Petrus de kerkvergadering te Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde jaar van Claudius' regering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart, gelijk te zien is in het eerste en tweede hoofdstuk van de brief aan de Galatiërs zoals ook Hiëronymus die daarover geschreven heeft, mede getuigt.

Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te Rome geweest was, want in de Handelingen der Apostelen worden vele schone leringen en wenken verhaald, die Petrus intussen gegeven heeft, en, ware nu ook Petrus in die tijd te Rome geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen zijn voorbijgegaan. De pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen dat hij na zijn verblijf te Rome zeven jaren te Antiochië zou vertoefd hebben, maar men moet hem dan ook tijd geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadocié, Azië en Bithynïe, zoals daarvan Origenes en Euseblus getuigen. Daartoe heeft hij acht, negen of meer jaren nodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor berekenen, zijn niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het Evangelie te verkondigen. Als men nu, zoals het behoort, deze jaren samen telt, zal men bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan Nero Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.

Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem zoals Lukas schrijft, Hand. vs. 15, de Christenen tegemoet gekomen. Indien Petrus toen ook te Rome was geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn tegemoet gekomen, en Lukas zou dit niet verzwegen hebben.

Aan het slot van de brief, die Paulus aan de Romeinen schreef, liet hij vele Christenen groeten, die in naam, bediening en allerlei deugden minder geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet. Zeer onbetamelijk zou het geweest zijn, indien hij zo’n voornaam persoon zou hebben verzwegen, indien deze toen te Rome was geweest. Dat hij voor die tijd te Rome is geweest, blijkt evenmin, daar Paulus, die hun geloof zo roemt, zulk een Apostel, wanneer hij daar de grond van het geloof had gelegd, niet zou hebben verzwegen, want hij is gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het eerst werden gesticht, zoals uit zijn brieven aan de Filippenzen, Corinthiërs, Colossensen en anderen blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is, dat Petrus vijf en twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.

En, hoewel Eusebius, op gezag van Origenes verhaalt, dat Petrus, nadat hij de Joden, die in Pontus, Gatatië, Bithynië, Cappadocië en Azié verstrooid waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook te Rome is gekomen, en daar door Nero tot de kruisdood veroordeeld, en met het hoofd naar beneden is gekruisigd, omdat hij alzo begeerde te lijden, aangezien hij zichzelf niet waardig achtte zo aan het kruis te hangen als de Zoon van God zijn Zaligmaker geleden had; zo besluit nochtans Hiëronymus en Lyra, en niet ongevoegelijk, uit de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 31, dat hij niet te Rome maar te Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij de verstandige lezer zelf oordelen, en hem kiezen, wat hij het beste keurt; want, naar onze mening, is het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als voor ons, dat hij te Jeruzalem is gedood.

 

Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer Nero

 

[JAAR 63.]

 

Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van afkomst een Hebreeër uit de Hebreeën, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin. Wie zijn ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hun woonplaats hadden verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in Cilicië, waar Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke wet door de wijzen Gamaliël, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven velen van zijn leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodse wet geleefd. Hij was een Farizeeër en een vurig vervolger en verdrukker van de gemeente Gods, zo zelfs, dat hij een welbehagen had aan de dood van Stefanus, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na de dood van die martelaar verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke stad, blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door Christus uit de hemel snel met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en met blindheid geslagen, en alzo krachtig, niet van mensen, noch dooi, mensen, maar door de Heere Zelf geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam te dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israëls. Na drie dagen werd hij door Ananias, tot wie hij te Damaskus door de Heere was gezonden, wederom ziende gemaakt, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met de Heilige Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge, betuigende, dat Hij de Zoon van God was.

Enige tijd hierna zei de Geest tot de Profeten en Leraars der gemeente te Antiochië: "Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus, tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door de Heilige Geest uitgezonden.

Aan deze Paulus waren allerlei geestelijke gaven geschonken, zoals om de geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der tongen, en hij bezat ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende openbaringen, zo zelfs, dat hij in de derde hemel is opgetrokken geweest, en daar gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die de mens niet geoorloofd zijn te spreken. Maar, opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, heeft de Heere hem een engel van de satan als een scherpe doorn in het vlees gegeven, die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou verheffen. Die heeft hem ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen, om het Evangelie te prediken, zodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des duivels niet onbekend waren.

Daarenboven was hij nog versierd met vele christelijke deugden van getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijn dienst, had een vaderlijke zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde tot haar, tot zijn eigen verbanning, ja zelfs tot de dood toe. Hij was mild van hart; en vreemd aan gierigheid, arbeidde hij liever met zijn eigen handen, daar hij van handwerk een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou bezwaren. Hij toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, door die van de aalmoezen der rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en christelijke deugden was deze Apostel zo nederig, en had zulk een klein gevoel van zichzelf, dat hij, zijn vorigen toestand voor zijn bekering bedenkende, en de Heere dankende voor Zijn genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal bekend heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij in geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij allen.

Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende de tijd van bijna dertig jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, Syrië, Azië, Macedonië, Griekenland, Italië en elders, is duidelijk te lezen in de Schriften des Nieuwe Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijn bekering en doop predikte hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en,ging vervolgens naar Arabië. Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid moedig beleed en mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd zo zelfs, dat de poorten bewaakt werden en de stadhouder van de koning Aretas hem wilde gevangen nemen. Doch de gemeenteleden lieten hem ‘s nachts in een mand over de muur, en hij ontkwam alzo aan zijn handen en kwam te Jeruzalem bij de Apostelen.

Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in de naam van de Heere Jezus, en zijn woord ook richtte tegen de Griekse Joden, wilden zij hem daarom doden. Toen dit bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naai, Cesarea geleid, vanwaar hij zijn tweede reis begon in Syrië en Cilicië en keerde later naar Jeruzalem terug.

Vandaar deed hij zijn derde reis naar Antiochië en ging op bevel van God naar Seleucië, en Cyprus, en kwam te Paphos, waar hij de stadhouder, Sergius Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, een stad in Pamphylië, en daarna te Antiochië, een stad in Pisidië, waar de Joden tegen hem en Barnabas oproer verwekt hebben, zo zelfs, dat de heidenen hen uit hun landpalen hebben geworpen. Vandaar kwamen zij te Iconië, waar de Joden de heidenen tegen hen opruiden, en ben wilden smaden en stenigen, zodat zij vluchtten naai de de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de Joden van Antiochië en lconië het volk tegen Paulus opzetten, zodat de schare Paulus heeft gestenigd en buiten de stad gesleept, menende, dat hij dood was. Tot zichzelf gekomen zijnde, ging hij de volgende dag met Barnabas naar Derbe, en, nadat zij in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weer naar naar Lystre, lconië en Antiochië, en versterkten daar de zielen der gemeenteleden en vermaanden ben, dat zij zouden blijven in het geloof. Pisidië doorreisd hebbende, kwamen zij te Pamphylië, en, toen zij te Perge het Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij. naar Attalië, en scheepten vandaar af naar Antiochië. Toen zij daar waren en de gemeenten samen geroepen hadden, verhaalden zij welke grote dingen God door en met ben gedaan had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof had geopend, en verkeerden daar een geruime tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar waren, ontstond er een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de noodzakelijkheid der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit ben naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem, om over dit verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zodat zij, in gezelschap van Judas bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met brieven gezonden werden naar Antiochië, waar zij de vrede in de gemeente herstelden.

Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde maal op reis teneinde de broeders in elke stad te bezoeken waar zij het Evangelie verkondigd hadden, en naar hun toestand te vernemen. Er ontstond echter een verschil tussen Paulus en Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus, en Paulus verliet Barnabas, nam Silas mee en vertrok naar Syrië en Cilicië, de gemeenten versterkende, en kwam te Derbe en Lystre, waar hij Timotheüs aan zich verbond, met hem door Phrygië en Galatië reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier werd hij door een gezicht vermaand naar Macedonië te reizen, en kwam, verscheidene plaatsen doorreisd hebbende, te Filippi, de voornaamste stad van Macedonië, waar hij en Silas, op bevel der hoofdmannen werden gegeseld en daarna in de gevangenis geworpen, met bevel aan de stokbewaarder dat hij hen goed verzekerd zon bewaren. Door goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis geopend, hun boeien losgemaakt, en zij vervolgens door de stokbewaarder, die gelovig was geworden, naai, buiten geleid. Deze wies hen van de striemen, en werd met al de zijn gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de hoofdmannen uit de gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de Apostelen Romeinen waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk, na vele steden te zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonika, waar Paulus veel volk bekeerde. De Joden echter, met enige boze mannen uit de marktboeven gemene zaak gemaakt hebbende, beroerden de stad tegen hen, zodat de broeders Paulus en Silas ‘s nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonika kwamen ook daar, en bewogen de scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam hij te Athene, waar hij in strijd geraakte met de Epicureïsche Stoïsche wijsgeren, die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden, en hem op de gerechtplaats brachten, waar hij zich met een welsprekende redevoering verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Korinthe, waar hij enige tijd met prediken bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en lastering ondervond; maar werd door de Heere in een gezicht vermaand te blijven. Later brachten de Joden hem voor de rechterstoel van de stadhouder Gallio, die hen, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weer naar Jeruzalem.

Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daarnaar Antiochië, en nadat hij daar enige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens het land van Galatië, en Phrygië, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar ging hij naar Efeze, waar hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des daags en ‘s nachts, heeft gepredikt en er velen bekeerde, en onder ben die ook hun duivelse boeken hebben verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent deze tijd, onder de stadhouder Hiëronymus, volgens heidense wijze, heeft gevochten tegen de wilde beesten en die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een zilversmid, om de godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar Macedonië, en, nadat hij de gemeenteleden daar met vele redenen had vermaand, kwam hij in Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens naar Syrië te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weer naar Macedonië terug. Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar gepredikt te hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijn gevangenneming voorzegde, waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het pinksterfeest te Jeruzalem kwam, raadde Jakobus hem aan, dat hij zich met enige Joden naar de wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van Azië een oproer tegen hem, zodat de schare hem greep, buiten de tempel sleepte en zocht te doden. Doch, toen zij de overste zagen met de hoofdmannen over honderd en de krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem, beval dat men hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan had. Terwijl de Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zo zelfs, dat men in het rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de legerplaats gebracht, waar Paulus zich naar behoren heeft verdedigd. Maar de Joden, die de waarheid van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: "Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft!" Vervolgens beval de overste, dat men hem met geselen zou onderzoeken, teneinde te weten, waarom de Joden zijnentwege alzo schreeuwden. Toen zij hem met riemen uitrekten, om hem tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinse burgerrecht, waarop terstond de geseling gestaakt werd, en Paulus van zijn boeien ontslagen. De volgende dag werd hij voor de gehele Joodse raad gebracht, waar hij zich weer met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de hogepriester Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op de mond te slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld mens tegen de wet gebood te slaan.

Terwijl het oproer al groter werd, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou gedood worden, en liet hem daarom door het krijgsvolk vandaar naar de legerplaats overbrengen. De volgende dag spanden veertig Joden tegen Paulus samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus van deze samenzwering door de zoon van zijn zuster onderricht was, gaf hij door hem daarvan aan de overste kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder een gewapend geleide te doen overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden overleverde aan de landvoogd Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende waren om Paulus onschuld te bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot de zesde reis van Jeruzalem naar Italië.

Toen de Stadhouder Felix de brief gelezen had, bewaarde hij Paulus in het raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der Joden, die hem beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na zijn komst plaats had. De hogepriester Ananias, met de gehele Joodse raad, beschuldigde hem door de tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al de Joden oproer verwekte, dat hij de tempel had ontheiligd, en een opperste voorstander was van de sekte der Nazarenen. Met Gods Woord en een gepaste rede heeft Paulus zich van deze valse beschuldigingen zodanig gezuiverd, dat Felix hem bewaarde tot de komst van Lysias, de overste, en vergunde Paulus intussen verlichting van zijn boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd worden om hem te dienen of hem te bezoeken.

Toen enige dagen daarna Felix met Drusilla, zijn vrouw, daar gekomen was, werd Paulus daar weer ontboden, die in hun tegenwoordigheid over het geloof in Christus sprak. En, als Paulus sprak over rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd, en zei tot Paulus, dat hij voor ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem te gelegener tijd, weer zou laten roepen. Om de Joden gunst te bewijzen, hield Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus in Felix' plaats gekomen was, reisde de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijn aankomst, naar Jeruzalem, waar de hogepriester en de voornaamste van de Joden hem verzochten, ja, baden, dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen, terwijl zij van plan waren Paulus onder weg te doden. Festus belette dit echter, en vond het beter, dat de Joden zelf van Jeruzalem naar Cesarea zouden reizen, om Paulus daar te beschuldigen, als hij van iets onbehoorlijks kou aangeklaagd worden, zoals dan ook na verloop van enige dagen plaats had. Terwijl Paulus daar voor de rechterstoel van Festus gebracht was, heeft hij zich met bondige redenen tegen al de beschuldigingen van de Joden mannelijk verdedigd. Om de Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar voor hem over deze dingen geoordeeld te worden. Doch Paulus beriep zich op de keizer, daar hij liever in de handen der heidenen dan in die der Joden wilde vallen. Festus en de leden van de raad berustten er in, dat Paulus zich op de keizer beroepen had. Toen intussen koning Agrippa daar gekomen was, heeft Festus hem de gehele zaak van Paulus verhaald en hem tevens verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te horen, en toen Paulus voor hen gebracht werd, hield hij zulk een voortreffelijke redevoering, dat wel Festus uitriep, dat de grote geleerdheid van Paulus hem tot razernij bracht, maar de koning tot hem zei: "Gij beweegt mij bijna een Christen te worden," en samen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of der gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten kunnen worden, zo hij zich niet had beroepen op de keizer.

Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere gevangenen naar Italië zouden afvaren, werden zij aan Julius de hoofdman over honderd overgeleverd, en na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te hebben, zijn zij eindelijk in zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij veertien dagen hebben doorleefd zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij schipbreuk zouden lijden, wilden de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen doden, maar de hoofdman, die Paulus wilde behouden, heeft dit verhinderd.

Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij allen ongedeerd op het eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar vertoefd te hebben, reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met blijdschap werd ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de overste van het leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelf te wonen meteen krijgsknecht, die hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamste van de Joden heeft verantwoord over zijn boeien, gevangenneming en beroep op de keizer. Gedurende twee jaren bleef hij in een eigen gehuurde woning, ontving allen, die tot hem kwamen, predikte het Koninkrijk Gods en leerde van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.

Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap in grote mate gediend heeft tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid daardoor gekomen is tot in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van Festus ontvangen had, heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die zich tegen de beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft verdedigd, (ofschoon zij hem allen in deze zijn eerste verantwoording verlieten), dat hij uit de muil van de leeuw, te weten van Nero, verlost werd.

Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou gesteld worden, was hij van zijn aanstaanden dood niet onwetend, zoals hij aan Timotheüs aldus schrijft: ik word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere,de rechtvaardig Rechter, in die dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad." Hij werd door keizer Nero veroordeeld om met het zwaard gedood te worden, zoals ook plaats had in het laatst van diens regering (volgens de berekening van Jozef Scaliger) in het 63e jaar na de geboorte van onze Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te Rome was gebracht.

 

Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje gekruisigd

 

Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus, geboren te Bethsaïda in Galilea, was eerst een discipel van Johannes de Doper. Daar hij ouder was dan Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij zijn broeder tot Christus, de waren Messias gebracht. Van beroep was hij een visser; maar Christus, Die hem riep, beloofde hem een visser der mensen te zullen maken. Omdat hij de Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens leer, wandel en wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke bediening hij met de anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond ook in grote achting bij de Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen toegang had tot Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals de andere Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich toch weer bij zijn medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel ontvangen had tot de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij, gelijk de anderen, op de Pinksterdag met de Heilige Geest was vervuld, heeft hij het Evangelie met ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijn reizen heeft hij in vele landen gepredikt, zoals in Pontus, Galatië en Bittiynië.

Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage, daarna in Scythië, en bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam zelfs tot in de omstreken van Byzantium en trok ook naar Thracië, Macedonië, Thessalië en Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het geloof in Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij ook versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door sommigen op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die laten voor hetgeen zij zijn.

Toen hij eindelijk naar de wil van de eeuwige God, zijn loop had volbracht, heeft Aegeas, de stadhouder van Edessa, hem op bevel van de Romeinse raad in de stad Patris, in Achaje, laten kruisigen.

Hij onderging de marteldood, niet alleen omdat hij de christelijke waarheid voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar omdat hij Maximilla, de vrouw van de gouverneur, en diens broeder Stratocles bekeerde. De dood aan het kruis te sterven achtte hij om Christus' wil gelukkig, en alzo heeft hij met grote blijdschap en begeerte zijn ziel in de handen van God, zijn hemelse Vader bevolen, en aldus zijn leven geëindigd, zoals de geschiedenis getuigt.

 

Filippus, de Apostel, te Hiërapolis gemarteld

 

Filippus, geboren te Bethsaïda, in Galilea, de stad van Petrus en Andreas, had een vrouw en een dochter, die zeer goed van leven waren. Hij werd door Christus gevonden, Die hem beval Hem als discipel te volgen, hetgeen hij zo getrouw deed, dat, toen hij Nathanaël vond, die ook tot Christus heeft gebracht, terwijl hij betuigde, dat hij Die gevonden had, van Welke Mozes en de Profeten geschreven hadden, namelijk Jezus van Nazareth, de waren Messias. Van toen af heeft Filippus Christus steeds gevolgd, luisterende naar Zijn prediking en heeft Zijn wonderen gezien, totdat hij bekwaam was tot de dienst van het heilige Woord Gods, zodat Christus hem tot een Apostel heeft aangesteld en als zodanig heeft uitgezonden, om het Evangelie te prediken onder de Joden, wat hij, gelijk de anderen, met ijver heeft verricht.

Bij de Heere stond hij ook in groot aanzien; want bij het heerlijke wonder van de spijziging der vijf duizend mensen heeft Christus, om hem te beproeven, met hem ook daarover gesproken. Voor de Grieken, die Christus begeerden te zien ging hij tot Christus. Verder, toen hij nog niet volmaakt was in het geloof in Christus, heeft Christus hem onderwezen in het geloof aan God, in het aangezicht van Jezus Christus, door Wie wij de Vader aanschouwen.

Deze vrome en godzalige Apostel heeft de Heere vergezeld tot aan Zijn lijden, en, toen de Apostelen, na Christus' verrijzenis verstrooid waren, hield hij zich bij zijn medebroederen op, totdat zij, na Christus' hemelvaart, de Heilige Geest hadden ontvangen.

Na de verdeling van de landen predikte hij gedurende enige jaren in Seythië, waar hij vele gemeenten gesticht heeft. En, aangezien hij bijzonder in Syrië en in het noorden van Azië reisde, en daarin vele steden de grondslagen van het geloof legde, kwam hij eindelijk in Phrygië, waar hij in de stad Hiërapolis en elders vele wonderen deed. De Ebionieten echter en anderen, die hardnekkig in hun afgoderij voortgingen, hebben hem gevangen genomen, met het hoofd aan een pilaar vastgemaakt en gestenigd, en alzo is hij in de Heere ontslapen, en daarna in de genoemde stad Hiërapolis begraven.

 

Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië gekruisigd en de huid afgestroopt

 

Bartholomeüs, een zoon van Tholomeüs, gelijk zijn naam aanduidt, was een Galileër, evenals de andere Apostelen, en ook een visser, volgens de mening van Theodoretus. In de Heilige Schrift lezen wij niet veel omtrent hem, dan alleen dat hij tot Apostel geroepen is, om met de anderen het Evangelie te verkondigen in Judea en Galilea, aan de verloren schapen van het huis Israëls. Na Christus, opstanding werd hij in zijn Apostelambt bevestigd, en heeft met de elven de Heilige Geest ontvangen, zoals Christus beloofd had.

Nadat de Apostelen uit elkander gegaan waren, heeft hij zijn Apostelambt het eerst bediend in Lycaonië, daarna ook in Syrië en in de bovenste delen van Azië, vervolgens ook in Indië, waar Pantenus, leraar te Alexandrië, die daar bijna honderd jaren later kwam, het Evangelie van Mattheüs (dat Bartholomeüs daar gebracht en waaruit hij de Indianen in hun moedertaal onderwezen had) gevonden en dat meegenomen heeft. Eindelijk heeft hij het Evangelie ook in Groot-Armenië verbreid, en daar te Albana, de hoofdstad en koninklijke zetel van dat koninkrijk, Polemus of Palemonius, de broeder van de koning Astyages, met zijn vrouw, twee zonen en een dochter, tot het geloof gebracht en twaalf steden uit de stikdonkere duisternis der onwetendheid, waarin zij de duivel door de afgod Astharoth dienden, verlost, en verlicht met de kennis van Jezus Christus, de Heere. Dit verdroot de afgodische duivelpriesters zeer, en zij klaagden daarover aan de koning Astyages, die de Apostel Bartholomeüs liet gevangen nemen, en voor hem brengen. Toen Bartholomeüs voor de koning stond, verweet deze hem, dat hij zijn broeder verleid en de godsdienst in zijn land aan het wankelen had gebracht, en bedreigde hem, indien hij niet ophield Christus te prediken, en langer weigerde zijn goden te offeren, dat hij hem zou laten doden. Op deze, beschuldiging antwoordde Bartholomeüs, dat hij zijn broeder niet verleid, maar, ten goede bekeerd, en in zijn land de ware godsdienst gepredikt had, en bereid was daarvoor liever zijn getuigenis met zijn bloed te bezegelen, dan in het minst schipbreuk in zijn geloof en geweten te lijden. Om deze vrijmoedige belijdenis werd hij door de koning veroordeeld, om eerst op de gruwelijkste wijze gepijnigd, met stokken geslagen, daarna met het hoofd naar beneden aan een kruis gehangen, levend het vel afgestroopt en daarenboven het hoofd. met een bijl afgehouwen te worden. En alzo is hij met Christus, zijn Heere verenigd.

 

Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden vermoord

 

Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was geboren in Galilea, en van beroep, zoals het schijnt, een visser. Aangaande zijn ouders vindt men niets, en evenmin van de tijd, waarop hij bekeerd is, bij de Evangelisten beschreven, dan alleen van zijn roeping tot het Apostelambt. Zijn vurige liefde, die hij Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijn medeapostelen vermaande om op te gaan naar Jeruzalem en ook met Christus te sterven. Maar hij had toen nog niet gestreden tot de dood, en aangaande het doel van Christus' dood verkeerde hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen de Heere heeft verlaten. Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij niet tegenwoordig; en, aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus zag en kon betasten, heeft de Heere zich ook aan hem geopenbaard en zijn ongeloof bestraft. Als hij Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van de Heere, beleed Hem als zijn Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de anderen ontving hij een nieuw bevel tot de dienst van het evangelie onder de heidenen.

Korte tijd na de opstanding van Christus zond hij Thaddeüs naar de koning Abgarus. Daar hem de Evangeliebediening in Parthië, Indië, Ethiopië en vele andere landen, zoals Hiëronymus getuigt, ten deel was gevallen, heeft hij vele landen doorreisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen opzag om naar de Moren en woeste volken van Indië te gaan; maar door gezichten van God werd hij gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met kracht om wonderen te doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar was, en hij er velen tot God heeft bekeerd.

Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal het meest waarschijnlijk, dat hij in Calamina, een stad in Oost-Indië, (waar Hieronymus ook zegt, dat hij ontslapen is) de gruwelijke afgoderij van die heidenen, welke het beeld der zon aanbaden, uitgeroeid heeft, zodat hij de duivel zelf, door de kracht van God, zou gedwongen hebben, het beeld te vernielen. Over deze daad werd hij door de afgodische priesters hij hun koning aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat hij eerst met gloeiende platen gepijnigd en daarna in een gloeiende oven verbrand moest worden. Toen de afgodische priesters, voor de oven staande, zagen, dat het vuur hem niet deerde, hebben zij hem met lansen en spiesen of speren, terwijl hij in de oven lag, de zijde doorstoken; en aldus was hij gelijkvormig aan zijn Heere Christus, Die hij tot de dood toe volstandig heeft beleden, en rust alzo van zijn arbeid in de genoemde stad Calamina.

 

Mattheüs, de Apostel en Evangelist

 

Mattheüs, anders gezegd Levi, de zoon van Alfeüs, was een tollenaar te Kapernaüm, een betrekking, die bij de Joden veracht was, daar zij zich aan vreemde vorsten geen tol of schatting schuldig kenden. En, ofschoon het niet ongeoorloofd was tol of schatting te nemen, wanneer men maar niet te veel nam, zo gingen toch de tollenaars zich hierin dikwijls te buiten en werden daarom van de vromen vermeden, waarom ook de afgesnedenen van de gemeente bij dezulken worden vergeleken.

Toen hij in deze oneerlijke betrekking werkzaam was, heeft Christus Zich in genade over hem ontfermd, en hem bevolen als Zijn discipel te volgen. Door de kracht des Heiligen Geestes gaf hij hieraan gehoor, verliet zijn tolhuis, bereidde een groten maaltijd, en nodigde zijn medetollenaars daaraan, om alzo naar behoren afscheid van tien te nemen, en hun gelegenheid te geven om Christus ook aan te nemen, gelijk hij gedaan had. Hierna verliet Mattheüs terstond alles, en volgde Christus met groten ijver na, en na Christus' onderwijs ontvangen te hebben, werd hij onder de Apostelen opgenomen, welk Apostelambt hij tot Christus' dood onder de joden bediend heeft

Bij zijn uitzending om te prediken onder de heidenen werd hem Ethiopië of Morenland aangewezen. Eer hij echter het Joodse land verliet schreef hij, onder voorlichting des Heilige Geestes, zijn Evangelie in de Hebreeuwse taal en heeft hun dit meegedeeld.

Door zijn prediking en het doen van wonderen is hij in Ethiopië met vrucht werkzaam geweest, waar hij ook na zijn dood zijn Evangelie voor de nakomelingschap in geschrift heeft nagelaten, waaruit klaar te zien is, welk geloof hij voorstond, namelijk van Jezus Christus, waarachtig God en mens, Die voor ons gekruisigd is.

De geschiedenissen getuigen, dat deze Apostel terstond, nadat de gelovige koning Aeglippus gestorven was, door zijn opvolger Hytacus, een ongelovige heiden, vervolgd werd, en dat hij hem op zekere tijd, toen hij in de tempel aan de gemeente het Evangelie verkondigde, heeft laten grijpen en in de hoofdstad van Ethiopië, Naddaver, heeft laten onthoofden. Daar werd hij ook begraven, zoals Venantius Forturatus getuigt, die voor duizend jaren leefde, als hij zegt: "De verheven stad Naddaver zal ons, te weten, op de jongste dag, die voortreffelijke Apostel Mattheüs teruggeven.

 

De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus

 

Simon de Kananieter of Zelotes, dat is, ijveraar bijgenaamd, de zoon van Alféüs en de broeder van Jakobus, Joses en Judas, een neef van Christus, een van de twaalven en tegelijk met de anderen tot Apostel aangesteld, eerst der Joden en daarna der heidenen, heeft ook gelijk de anderen op de Pinksterdag de Heilige Geest ontvangen, waardoor hij ook bekwaam werd gemaakt om een Apostel van Christus, zelfs onder de heidenen te zijn.

Toen de Apostelen uit elkaar gingen, kwam hij in Egypte, en heeft daar geruime lijd het Evangelie gepredikt, totdat hij naar Perzië ging, waar hij zijn broeder Judas vond. Zij bleven daarin de bediening van het Apostelambt volstandig bij elkaar, totdat zij de goddelijke waarheid met hun bloed hebben bezegeld. Nicephorus schrijft, dat Simon niet alleen in Egypte, maar ook in Afrika, Cyrene, Lybië en op de eilanden van Groot-Brittanië het Evangelie des Koninkrijks gepredikt heeft.

Judas Alfeüs, niet die bijgenaamd wordt Iscarioth, maar die getrouwe Apostel, bijgenaamd Thaddeüs, dat is belijder, en broeder van Lebbeüs, Jakobus de kleine en Simon, was ook tot een dienstknecht en Apostel geroepen van Jezus Christus, Wiens neef hij ook was, evenals Jakobus en Simon. In het Evangelie wordt van hem niet gesproken, maar alleen gewag gemaakt van een vraag, die hij de Heere Christus deed, zeggende: “Heere, wat is het dat Gij U aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?” Deze heeft ook een korte en troostrijke brief aan de gelovigen geschreven en nagelaten, die echter gestreng is voor de ongelovigen. Of deze Judas die Thaddeüs is, die door Thomas naar Abgarus te Edessa, gelijk men meent, is gezonden om de koning van zijn kwaal te genezen, en tot Christus te bekeren, dan of hij een ander van de zeventig discipelen is geweest, daarover kan men Eusebius en andere schrijvers raadplegen. Deze Judas heeft, toen de Apostelen de wereld met de prediking van het evangelie hebben bedeeld, Mesopotamië en Pontus bezocht, waar hij geruime tijd alleen het Evangelie heeft verkondigd; daarna vertoefde hij met zijn broeder Simon in Perzië, en heeft daar de wijzen bekeerd, de onwetenden onderwezen, en door de kracht van de Heilige Geest de duivelse kunsten teniet gedaan, en de dusgenaamde godsspraken en wonderen van hun afgoden als leugens ten toon gesteld en doen ophouden, en alzo door de godsdienst van Christus de valse afgodendienst der heidenen te schande gemaakt en vernietigd. Toen de heidense duivelspriesters zagen, dat daardoor hun gewin schade leed, hebben zij tegen deze getrouwe dienaars van Christus een groot oproer verwekt, hen daarin overvallen en omgebracht. Welke marteldood zij echter ondergaan hebben, kan, bij gebrek aan berichten, niet gemeld worden.

 

Matthias, de Apostel

 

Matthias was tijdens Christus omwandeling in het vlees een van Zijn zeventig discipelen. Kort na de hemelvaart van Christus werd hij benevens Barnabas in de gemeente te Jeruzalem door de Apostelen aan de Heere voorgesteld, teneinde door Hem, door het lot, als uit de hemel tot een Apostel aangenomen te worden, terwijl de gehele schaar van honderd twintig mensen over hen beiden God aanriepen, zeggende: “Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, die Gij uitverkoren hebt, om te ontvangen het lot dezer bediening en des Apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heen ging in zijn eigen plaats. En zij wierpen hun loten, en het lot viel op Matthias, en hij werd met gemene toestemming tot de elf Apostelen gekozen." Met de anderen ontving hij mede op de Pinksterdag de Heilige Geest, waardoor hij als van de hemel bevestigd werd in zijn Apostelambt. Kort daarna werd hij ook met de elven gegeseld en mede waardig geacht voor de naam van Jezus Christus smaadheid te lijden.

Nadat de Apostelen uit elkaar gegaan waren is deze Matthias (volgens het gevoelen van Hieronymus) naar een ander gedeelte van Ethiopië of Morenland vertrokken, waar niemand van de andere Apostelen geweest is, en wel zeer diep het land in tot aan de uiterste grenzen, waar de inham was van de haven of de rivier Asphar en Hyssus, waar de onwetendste en meest barbaarse mensen gevonden worden. Onder deze in allerdiepste duisternis der onwetendheid gezeten mensen is het heilrijke licht van het evangelie door de dienst van deze Apostel opgegaan. Nadat hij daar vele zielen voor Christus gewonnen had, is hij (volgens de getuigenis der geschiedenissen) weergekeerd naar Judea, Galilea en Samarië, en wel, nadat door de verstrooiing van de Apostelen de Joden schier verstoken waren van allen apostolische dienst.

Omtrent de dood of het martelaarschap van Matthias bestaat niet veel zekerheid, zegt Mantuannus, en hij betwijfelt het, of hij in vrede tot God opgenomen is, en zijn eigen dood gestorven, dan of hij, omdat hij aan de afgod Jupiter niet wilde offeren, met een bijl onthoofd is door de heidenen. Anderen zeggen, dat hij, om de lastering, die zij voorgaven, dat hij uitgesproken had tegen God, tegen Mozes en de wet, en het christelijk geloof weigerde te verzaken, door de Hogepriester van de Joden veroordeeld is om eerst aan het kruis gehangen en gestenigd en daarna met een bijl onthoofd te worden.

 

 

Wij zullen hier ook laten volgen de geschiedenis van den Evangelist Lukas en van de Apostel en Evangelist Johannes, hoewel men meent, dat Lukas onder Domitianus en Johannes onder Trajanus gestorven is. Wij volgen deze orde, opdat men het leven en de dood van de Evangelisten en Apostelen achtereenvolgens zal kunnen lezen.

 

Lukas, de Evangelist

 

Lukas was een Syriër van Antiochië, een geleerd medicijnmeester en daarom ook zeer ervaren in de heidense wijsbegeerte. De Heere heeft hem echter willen gebruiken tot een medicijnmeester der zielen, tot welk einde hij ons twee heerlijke boeken als geestelijke artsenijboeken heeft nagelaten, en wel vooreerst zijn Evangelie, dat hij beschreven heeft uit der) mond van hen, die het van de Heere Jezus Christus zelf hebben gehoord. Daarom kan hij niet een der zeventig discipelen zijn geweest, noch een van ben, die met Kleopas op de wee, was naar Emmaüs. Hij was alleen een leerling van Apostelen en in het bijzonder van Paulus, tot in het vierde jaar der regering van keizer Nero. Paulus schijnt hem bekeerd te hebben te Antiochië, in het jaar 38 na Christus, toen hij van Thebe daar gekomen was. Omtrent zijn ouders wordt nergens iets vermeld, en het schijnt, dat hij geen vrouw gehad heeft. Hiëronymus meent, dat jij vroeger een proseliet was, die voor het aannemen der christelijke leer de joodse godsdienst beleed, en alzo een nakomeling van de Joden, wat niet onwaarschijnlijk is. Hij was zeer ervaren in de Griekse taal, wat genoegzaam blijkt uit de buitengewoon goede stijl en de spreekwijzen, die in zijn geschriften kunnen opgemerkt worden. Hij was geen Apostel maar een metgezel der Apostelen, die dezelfde dienst met hen te vervullen had, en verscheidene landen, en steden heeft doorreisd. Op bijna al de reizen van Paulus was hij diens medehelper, waarom hij ook die reizen in goede orde en met grote naarstigheid heeft beschreven. Toen Paulus bijna van alles was verlaten, heeft Lukas hem bijgestaan in zijn gevangenschap te Rome. Nadat hij zijn dienst getrouw heeft vervuld, is hij te Bithynië gestorven in het 81e jaar zijns ouderdoms. Anderen zeggen, dat hij in Griekenland predikende, aan een olijfboom is opgehangen en alzo in de Heere is ontslapen.

 

Johannes, de Apostel en Evangelist

 

[JAAR 101.]

 

Johannes, de zoon van Zebedeüs, en broeder van Jakobus de grote, was geboren te Nazareth in Galilea. Van beroep was hij een visser. Toen hij met zijn vader en broeder bezig was de netten in het schip te vermaken, werd hij door Christus geroepen, en verliet toen beide, het schip en zijn vader, en is met zijn broeder Jakobus Jezus nagevolgd. Na behoorlijk onderwezen en toegenomen te zijn in de kennis van God en Christus Zijn zoon, door Zijn leer en wonderen, werd hij aangesteld tot een Apostel. De Heere Jezus beminde hem bijzonder, hij lag in Zijn schoot, en heeft Jezus ook zeer lief gehad. Toen de Heere zei, dat een van hen Hem zou verraden, vraagde hij met bekommering, wie het was, Hij was een van de drie Boanerges, dat is zonen des donders. Met Hem was hij getuige van de verborgen dingen Zijns Vaders, op de heiligen berg, bij het opwekken van Jaïrus' dochtertje en in de hof. Met grote naarstigheid heeft hij het Evangelie met de anderen onder de Joden gepredikt, en ijverde zelfs dermate voor de eer van Christus, dat hij uit onverstand wenste, dat het vuur van de hemel de Samaritanen zou verslinden, omdat zij de Heere verwierpen. Hij heeft zich ook, buiten gevaar zijnde, beroemd de lijdensbeker van Christus te kunnen drinken. Hoewel hij met anderen, volgens Christus' voorzegging, enigermate in het geloof verzwakt was, heeft hij zich toch zeer kloek gedragen, want hij was niet alleen tijdens Christus' lijden in het huis van Kajafas de Hogepriester, maar stond ook bij het kruis van Christus, waar Christus hem de zorg voor zijn moeder aanbeval, die hij ook tot zich genomen heeft.

Hij was zeer verlangend naar Christus' opstanding; en, hoewel hem die niet terstond is geopenbaard, toen hij naar het graf liep, heeft Christus nochtans Zich verscheidene malen aan hem vertoond, en hem een nieuw bevel gegeven aangaande het Apostelambt. Bij de discipelen bleef hij, totdat zij de Heilige Geest hadden ontvangen, en predikte toen het Evangelie en deed wonderen te Jeruzalem, waarom hij in de gevangenis werd geworpen en veel heeft moeten lijden, doch tot zijn blijdschap.

Met Petrus werd hij ook gezonden naar Samaria; en na vele jaren, toen Timotheüs gestorven was, predikte hij in Azië en in het bijzonder in de stad Efeze, waar hij ook vele wonderen gedaan, ja sommigen uit de dood opgewekt heeft. In de vervolging onder keizer Domitianus werd hij gevangen genomen en naar Rome gebracht, waar hij (zoals sommigen zeggen) in een vat kokende olie werd geworpen, waaruit hij echter ongeschonden opstond. Vervolgens is hij gebannen naar het eiland Patmos, gelegen in de Aegeïsche zee, waar hij vele gezichten gehad en beschreven heeft aan de zeven voornaamste gemeenten in Klein-Azië, benevens enige heerlijke brieven. Na de dood van Domitianus, toen Nerva regeerde, is hij naar Efeze teruggekeerd en wel in het jaar 99 na Christus' geboorte, waar hij opziener was over de gemeenten in Azië.

Met de ketters Ebion en Gerinthus had hij veel te doen. Toen hij Ebion op zekere tijd in een bad vond, vluchtte hij, uit vrees dat het huis tot straf van die ketter op hem vallen zou. Wegens hun ketterij schreef hij vooral zijn Evangelie, waarin hij bovenal de godheid van Christus behandelt, welke door de ketters geloochend werd.

Om de naam van Christus heeft hij veel geleden en zelfs vergif gedronken, zonder dat, volgens de belofte van Christus, hem dit schade deed. Eindelijk is hij, na de verwoesting van Jeruzalem te hebben beleefd, ten tijde van de regering van keizer Trajanus, in vrede gestorven, in het 68ste jaar na Christus' dood. Om al de vervolgingen en het lijden, dat hij heeft verduurd, wordt hij gehouden voor een martelaar des Heeren Jezus Christus. Dit grote licht rust alzo in Azië.

 

Sommigen van de zeventig Discipelen en andere medereizigers der apostelen

 

Prochorus, een van de zeven eerste diakenen, neef van Stefanus en metgezel van Johannes de Apostel, was opziener van de gemeente te Bithynië, heeft daarna te Antiochië geleden en is daar gestorven.

Nikanor, ook een van de zeven diakenen, is ook om de christelijke waarheid ter dood gebracht.

Desgelijks Parmenas, ook een der zeven diakenen,

Olympus was met Paulus te Rome gevangen.

Onesiforus, een leerling van Paulus, die (zoals sommigen zeggen) bisschop is geweest van Colophon, of, volgens anderen van Coronia, is met Porphyrius, zijn mededienstknecht, aan de Hellespont, op bevel van de stadhouder Adrianus, eerst wreed gegeseld en daarna aan wilde paarden gebonden,en alzo dood gesleept of verscheurd.

Karpus, een leerling van Paulus, die hem tot opziener van de gemeente te Troas had aangesteld, is daar om het christelijk geloof omgebracht.

Trofimus, een leerling van Paulus, is om de waarheid van Christus onthoofd.

Apollinaris, een leerling van Petrus, is te Ravenna gedood, en wel in het derde jaar der regering van Vespasianus.

Maternus en Egistus, behorende, tot de zeventig discipelen, zijn in Duitsland, tegelijk met Marianus, de diaken, om het geloof gedood.

Hermagot was door Petrus tot opziener der gemeente te Aquila aangesteld, heeft onder Nero geleden.

Onesimus, Dionysius, de Areopagiter, en meer anderen, zijn voor de goddelijke waarheid gestorven.

 

De tweede vervolging van de christenen onder keizer Domitianus

 

Domitianus, als ware hij een erfgenaam van de haat tegen Gods volk en de bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen de Christenen voort. In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft, zijn, volgens de beschrijving, omgebracht de navolgende personen:

 

Timotheüs, een leerling van Paulus

 

Timotheüs was geboren te Lystre, in Lycaonië. Zijn vader was een Griek, maar zijn moeder Eunice en zijn grootmoeder Lois waren gelovige joodse vrouwen. door wie hij van zijn jeugd aan was onderwezen in de Heilige Schrift. Toen Paulus te Lystre en Iconië een goede getuigenis omtrent hem had horen afleggen, nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in de dienst van het Evangelie onder de heidenen, en liet hem tevoren besnijden, en wel om der Joden wil, die in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn vader een Griek was.

Boven alle anderen van zijn metgezellen heeft Paulus deze leerling bemind, en noemt hem zijn oprechte zoon in het geloof. In zijn afwezigheid heeft Paulus hem ook naar vele plaatsen gezonden en zijn dienst daar gebruikt, om, als hem vertegenwoordigende, alles te doen tot opbouwing der gemeente van Christus, waarvan hij zich zeer getrouw gekweten heeft, zodat Paulus hem achtte als een Evangelist. Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener der gemeente te Efeze had geordend en aangesteld, schreef hij enige bijzondere brieven aan hem, waarin hij hem onder andere vermaant, om wakker te zijn in alles, verdrukking te lijden, het werk van een Evangelist te doen en te waken, dat men van zijn dienst ten volle verzekerd zij, en hem te bejegenen, zoals het betaamt. Omdat hij de afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering van keizer Domitianus door de onwetende heidenen gestenigd, en heeft alzo zijn loop volbracht.

De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn omgebracht:

In Frankrijk, Lucianus, bisschop van Bellovaco.

Maximianus en Julianus, ouderlingen.

Nicasius, bisschop van Rouaan.

Quirinus, ouderling.

Scubiculus, diaken.

Patientia, een maagd.

In Italië, Romulus, bisschop van Fesula en anderen op meer andere plaatsen.

Men meent ook, dat in deze tijd is omgebracht in de stad Pergamus, zekere Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van wie gesproken wordt Openb. 2, vs. 13.

Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar stadhouder van Rome was, en op mannelijke wijze een leeuw overwonnen had, waarmee hij veroordeeld was geworden te vechten, werd mede gedood. De reden, waarom men hem en vele anderen doodde, was, gelijk Dion Niceüs schrijft, dat zij zich aanstelden als Joden, zoals in die tijden de Christenen door de heidenen genoemd werden, aangezien de Christenen uit de Joden afkomstig waren. Men kan het er daarom voor houden, dat Glabrio en anderen in die lijd hebben moeten lijden om de naam van Christus en het oprechte geloof.

 

De derde vervolging van de christenen onder keizer Trajanus

 

De derde vervolging tegen de Christenen is begonnen op bevel van keizer Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te Rome, en Tarquinus, overste van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars brachten ook geld op, en gaven schatting om de Christenen te vervolgen en uit te roeien, alles onder het voorwendsel, lat zij onwillig waren om de goden te aanbidden en met offeranden te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de Romeinse republiek waren.

 

Onder de martelaren in deze tijd zijn de voornaamste:

 

Simeon, bisschop van Jeruzalem

 

[Jaar 109]

 

Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt voor een neef des Heeren, omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef, Christus’ pleegvader. Hij was uit de stam van Juda en derhalve van het koninklijke geslacht van David. Deze Simeon was een vroom dienaar van God, die de Heere Christus ook heeft gezien en gehoord, zoals uit zijn hogen ouderdom wel op te maken is. Mogelijk behoorde hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de gemeente Gods door prediking en lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te breiden, totdat hij na de dood van Jakobus de jongere, op gezag van de Apostelen, in de dienst werd aangesteld en wel tot bisschop en opziener in de gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar 61 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft hij zeer lang bediend, en met zulk een getrouwheid, dat hij om de waarheid van Christus vele en zware pijnigingen heeft geleden. Gelijk men onder de keizers Vespasianus en Domitianus het koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te roeien, alzo geschiedde het ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van keizer Trajanus deze Simeon door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet alleen dat hij behoorde tot het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij een Christen was. Hierom werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te Jeruzalem, overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate liet geselen, dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten erbarmen en verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een zodanige onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn belijdenis even volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het lijden gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld omgekruisigd te worden, in het 11e jaar der regering van Trajanus of 109 jaar na Chr.

 

Ignatius, bisschop van Antiochië

 

Ignatius, een leerling van Johannes, de Apostel. en een navolger van Petrus en Evodus in de dienst der gemeente van Christus te Antiochië in Syrië, was een zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijn bediening. Toen hij vernam, dat keizer Trajanus na zijn overwinningen, die hij behaald had op de volken van Dacië, Armenië, Assyrië en andere Oosterse rijken, de afgoden te Antiochië openlijk dankte en grote offeranden bracht, alsof zij hem met deze overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, de keizer daarover te bestraffen, ja (zoals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in de tempel. De keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen, doch in Antiochië zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer, aangezien deze bisschop daarin groot aanzien was; maar hij hhet hem, vergezeld van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijn straf te doen ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Filadelfia, Tralles, Magnesia, Tharsen, Filippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te Rome; welke brief hij voor zijn komst daarheen zond, waarin hij onder andere verklaart, dat het zijn begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof met zijn bloed te bevestigen.

Zijn eigen woorden luiden aldus: “Van Syrië af naar Rome reizende, te water en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde beesten, zeer nauw tussen tien luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik hen streel en grotere vriendschap bewijs, des te wreder en wreveliger jegens mij worden. Doch door hun wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen, word ik meer en meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet rechtvaardig. Och dat ik reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te verscheuren! Ik hoop, dat ik ze binnenkort zal vinden, zoals ik ze wens, te weten, wreed genoeg om mij ten spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet aantasten en verscheuren, dan zal ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet verschonen, zoals zij reeds enige Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij met haast in stukken scheuren en verteren. indien zij nog blijven weigeren, zal ik hen tergen en aanporren. Vergeeft mij, dat ik zo spreek. Ik weet, wat mij nodig en bevorderlijk is; na begin ik eerst een discipel van Christus te worden. Ik acht zichtbare noch onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het is mij genoeg, als ik Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel en boze mensen mij allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen, met het worstelen tegen de beesten, met verstrooiing van mijn ledematen en het geraamte van mijn lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns gehelen lichaams; ik acht dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete. Alleen, bidt voor mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde, om dit niet alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te kunnen lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden mag worden.

Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten aan de stadhouder overgeleverd, met de brieven van de keizer, waarin zijn vonnis geschreven stond. Enige tijd werd hij daar bewaard tot op zekere feestdag van de Romeinen, op welke dag de stadhouder hem naar het bevel des keizers, in de kampplaats liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk geloof niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen voorgeworpen, door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt verhaald, dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden te worden, en in het perk hoorde brullen, zei: “Ik ben het koren des Heeren, ik word door de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een rein brood worde.” Alzo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig ontslapen in het jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regering van keizer Trajanus.

Omstreeks deze tijd werd ook, om de naam van Christus, omgebracht, zekere Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed en vroom man, benevens vele anderen.

Zosimus, Rufus en anderen werden, om de christelijke godsdienst, ter dood gebracht en wet in de stad Filippi, in Macedonië.

Op bevel van keizer Trajanus, werd de 26sten Oktober van het tijdelijke leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te Rome.

Hermes, stadhouder van Rome, met zijn vrouw en kinderen, benevens nog 1250 mensen, werden levend om Gods Woord in gloeiende ovens verbrand.

Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een Romeins edelman, en 40,203 mensen. Eveneens werden Enstachius en zijn vrouw te Rome om de naam van Christus omgebracht.

Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de Spaanse stad Complutum genaamd van het leven beroofd.

Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan keizer Trajanus, dat hij niet machtig was de Christenen wegens hun grote menigte uit te roeien. Toen gebood de keizer, dat men de vervolging zou staken.

Men zegt ook, dat omstreeks deze tijd om het christelijk geloof omgebracht is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben geleden, Phocas, bisschop van Pontus.

Bovendien zijn om de naam van Christus nog verscheidene personen gedood, zoals in Italië, te Brescia, Faustina en Jobita. Te Messina, op Sicilië, ondergingen de dood Eleutherus en zijn moeder Anthia, en meer anderen in verscheidene andere plaatsen.

Te Tivoli, in Italië, werden ter dood gebracht Getulicus, een leraar, en Symphorosa met haar zeven zonen; zo ook zijn Cerealis en Amantius, in dezelfde stad, om de naam van Christus gedood.

Saphyra, een maagd te Antiochië, en Sabina, een weduwe van Valentin, zijn te Rome om dezelfde reden gedood.

De 5e januari werd, om de christelijke godsdienst, het leven ontnomen aan Telesphorus, opziener van de gemeente te Rome.

 

Ptolemeüs en Lucius

 

[JAAR 144.]

 

Ptolomeüs, een vroom en godzalig man, die zijn vrouw tot het christelijk geloof had gebracht, werd om de waarheid van Christus gevangen genomen. Toen hem gevraagd werd, of hij een Christen was, beleed hij, de waarheid liefhebbende, het terstond; want hij, die verzaakt, wat hij is, acht strafbaar te zijn, wat hij verzaakt. Om deze belijdenis werd hij in de kerker geworpen, en vertoefde daarin zo lang, totdat hij geheel vermagerd was, terwijl hij ten laatste aan de rechter Urbicus werd overgeleverd, die hem terstond daarna om de christelijke waarheid liet doden.

Er was ook een Christen, Lucius genaamd. Toen deze hoorde, dat zo onverdiend en lichtvaardig het vonnis over Ptolomeüs was geveld, zei hij tot Urbicius, de rechter: "Wat beweegt u toch, dat gij zulk een ter dood veroordeelt, die geen overspeler, vrouwenschender, doodslager, moordenaar, noch rover, of dergelijk misdadiger is, maar die alleen belijdt, dat hij een Christen is? O Urbicius, dat is iets, wat de goede keizer, zijn wijzen zoon, of eerbare raad niet aangenaam is, en tot eer verstrekt." Zonder meer te vragen zei Urbicius: "Mij dunkt, dat gij ook een Christen bent?" En toen Lucius daarop antwoordde: Ja, dat ben ik voorzeker," veroordeelde hij hem ook ter dood. Daarop hernam Lucius: “Ik dank u, dat gij mij van zulk een boze heer verlost, en mij tot God zendt, de allerbeste Vader en Koning over alles." Dit geschiedde te Alexandrië, in Egypte, omtrent het jaar onzes Heeren 144, waar ook in diezelfden tijd met hem nog vele anderen werden gedood.

Niettegenstaande de hevige vervolgingen, nam het aantal Christenen overal toe, zodat Justinus met recht van hen zegt, dat de Christenen vreemdelingen waren, en toch de plaatsen, steden, eilanden, kastelen, enz. der heidenen bewoonden, ja ook zelfs het keizerlijk paleis en de raad, waren binnen gedrongen, hun alleen de tempels als afgodshuizen overlatende. Plinius de tweede, stadhouder in Bithynië, ziende, dat daar de christelijke godsdienst meer en meer aanhangers kreeg en de overhand nam in weerwil van de zware en bloedige vervolgingen, zo zelfs, dat alle afgodstempels bijna leeg en verlaten waren, werd hij ontroerd over de menigte der Christenen, en maakte zwarigheid om die allen te straffen. Hij schreef daarover brieven aan de keizer, en vroeg raad, wat hem, zoals de zaken nu waren, te doen stond.

In deze brieven vraagt Plinius niet alleen raad in deze moeilijke en verwarde zaak, maar beproeft ook de keizer (naar het schijnt) te bewegen om de vervolging te doen ophouden, en zegt, dat de Christenen nergens anders in schuldig werden bevonden. dan dat zij gewoon waren op zekere bestemde dag, voor de dageraad, bijeen te komen, en met elkaar Christus, als hun God, lofzangen te zingen, dat zij zich onderling met een eed verbinden generlei kwade daden te plegen, zich te onthouden van dieverij, doodslag en overspel te begaan, hun geloof te verzaken, en niet te loochenen, wat hun in bewaring was gegeven. Dat als zij zulks gedaan hadden, zij dan gewoon waren te vertrekken, en weer te vergaderen om hun nooddruft te nemen in het algemeen, zonder iemand te hinderen of letsel te doen, en zij zich gedragen volgens zijn bevel." Betreffende de grote menigte der Christenen in die landen, voegt hij er bij: Volgens mijn mening is de zaak wel waardig om uw raad daarover in te winnen, en wel vooral om de grote menigte van hen, wie het gevaar boven het hoofd hangt. Velen, van elke leeftijd en van allerlei stand, zo mannen als vrouwen zijn in gevaar of zullen er in komen, aangezien niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en gehuchten de besmetting van dit bijgeloof verspreid is.

Op dit schrijven antwoordde keizer Trajanus onder andere het volgende: "Men zal zodanige lieden niet laten opzoeken, en, indien zij aangebracht en aangeklaagd worden, moet men hen in dit geval straffen, onder deze bepaling nochtans, dat zij, die ontkennen Christen te zijn, en dit met de daad tonen, te weten, door het aanroepen van onze goden, hoewel zij voor het toekomende verdacht zijn, om hun berouw en boetvaardigheid vergiffenis erlangen. Tertullianus bestrijdt dit antwoord van de keizer zeer, als indruisend tegen recht en rede, terwijl hij uitroept: “O vonnis, dat.alleen uit verlegenheid zo verward is! Hij wil niet, dat men naar hen zoeken zal, omdat zij onschuldig zijn, en toch beveelt hij, dat men hen als schuldigen zal straffen." Hoewel door deze brieven het vuur der vervolging werd uitgeblust, toch hield daarom de vervolging niet geheel op.

Hierna schreef ook Justinus, de wijsgeer, twee verdedigingsgeschriften voor de Christenen, het een aan de Senaat van Rome, het andere aan keizer Antonius en zijn opvolgers, alsmede aan de gehele burgerij te Rome. Aan het slot van zijn schrijven zegt hij met vrijmoedigheid en welsprekende woorden: Dit zeggen wij u vooraf, dat gij het aanstaande oordeel van God geenszins zult ontgaan, indien gij in de goddeloosheid volhardt. Wij zullen niet ophouden te bidden wat God aangenaam is en behaagt, opdat de waarheid worde geloofd en de overhand behoudt."

Op deze verdedigingsgeschriften volgde een heerlijk schrijven van keizer Antoninus, hetwelk te vinden is bij Eusebius het vierde boek, hoofdstuk 13. Melito zegt bij dezelfde Eusebius te vinden, dat Antoninus Pius in het algemeen ten gunst van de Christenen in alle landen geschreven heeft, en voornamelijk aan de bewoners van Larissa, Thessalonica en Athene.

Wij willen hier nog bijvoegen, om daarmee de geschiedenis van deze derde vervolging te besluiten, enige voortreffelijke woorden van dezelfde Justinus, uit zijn samenspraak met Tryphonus waar hij met levendige kleuren de standvastigheid der Christenen in die tijd afschildert.

Inderdaad, dat niemand macht heeft om ons die in Jezus geloven, te verschrikken of te beteugelen, dit blijkt dagelijks. Wanneer wij gedood, gekruisigd, aan de dieren voorgeworpen, aan het vuur en andere pijnigingen overgegeven worden, wijken wij toch niet van onze belijdenis; maar hoe wreder men tegen ons woedt, zoveel temeer beoefenen wij de godsdienst en het geloof in Jezus; het is met ons niet anders dan of iemand door snoeien een wijngaard opwekte tot vruchtbaarheid. Want de wijngaard, door God en onze Zaligmaker Christus geplant, is Zijn volk."

 

De vierde vervolging van de christenen onder keizer Antoninus

 

De vierde vervolging tegen de Christenen barstte uit ten tijde van keizer Antoninus. Er kon geen pijniging, straf, of ombrengen, zo groot, zo wreed, zo onverbiddelijk voor de boze mensen, door de tirannen, de werktuigen des duivels, bedacht, aangewend en volvoerd worden, of men meende, dat de Christenen, als vervloekte mensen als vijanden van het rijk, als oorzaak van alle ongelukken, duizendmaal meer verdiend hadden. In het openbaar bespot, levenslang opgesloten, gevangen, gegeseld, gestenigd, geworgd, gehangen, onthoofd, verbrand te worden, werd niet voldoende geacht. In deze tijd begon men de arme Christenen met gloeiende platen tot de dood toe te bestrijken, met gloeiende tangen het vlees van het lichaam te trekken, met ijzeren stoelen over een klein vuur te plaatsen, in ijzeren pannen te verschroeien, in nauwe netten gesloten de wilden stieren voor te werpen, teneinde door deze al spelende en spottende met de hoornen in de lucht gesmeten te worden. Dit alles ging gepaard met een andere barbaarsheid, namelijk, dat men de lichamen dergenen, die omgebracht werden, de honden voorwierp, waarbij men wachters plaatste, opdat deze lijken door de gelovige Christenen niet weggehaald en begraven zouden worden. Onder de regering van deze keizer zijn de navolgende Christenen wegens hun christelijke godsdienst, ter dood gebracht.

 

Justinus, de wijsgeer

 

[JAAR 168.]

 

Justinus, een zoon van Priscus Bacchus was geboren te Neapolis, in Palestina, en wel uit Griekse ouders. Hij was een geleerd wijsgeer, zeer ervaren in alle wetenschappen der heidenen. Deze hoorde, dat de Christenen boven alles werden beschuldigd, dat zij in hun vergaderingen zich aan schandelijkheden schuldig maakten. En toch zag hij, dat zij met grote volharding de dood onbevreesd tegen gingen, waaruit hij besloot, dat het niet mogelijk was, dat zulke mensen een zodanig slecht leven zouden leiden, aangezien boosdoeners geen hoop op een beter leven kunnen hebben, maar schrikken voor de dood. Na een naarstig onderzoek van de Heilige Schrift, verliet hij dan ook het heidendom, en nam de christelijke godsdienst aan. Hij maakte zulke vorderingen in de kennis van die godsdienst, dat hij leraar werd van het Evangelie, en het christelijk geloof kloekmoedig beschermde met schrijven, en zelfs verdedigingsgeschriften aan de keizer zond, om de Christenen te verontschuldigen van de lasteringen, waarmee zij werden bezwaard. Hij wekte ook vele mensen tot het martelaarschap op. Dikwerf redetwistte hij met een onbeschaamde wijsgeer, Crescens genaamd, maar overwon hem menigmalen en maakte hem beschaamd. Deze wijsgeer vatte daarover zulk een dodelijke haat tegen Justinus op, dat hij hem in zijn hart de dood had gezworen. Van die tijd af aan hield hij dan ook niet op hem lagen te leggen en als Christen aan te klagen, totdat hij als met Justinus' bloed zijn dorst gelest had, gelijk Tatianus, een leerling van Justinus, in zijn redevoering tegen de Grieken of heidenen over hem klaagt, dat hij niet alleen Justinus, maar ook hem naar het leven had gestaan, omdat zij hem en zijns gelijken, als wulpse dieren en bedrieglijke wijsgeren, in het openbaar hadden bestraft. Justinus werd op zijn aanklacht gevangen genomen, en, daar hij kloekmoedig weigerde het Christendom af te zweren, werd hij eindelijk door de President Rusticus ter dood veroordeeld, en, na vooraf gegeseld te zijn, met de bijl onthoofd, omtrent het jaar onzes Heeren 168.

 

Germanicus

 

[JAAR 174.]

 

Alvorens de christelijke gemeente te Smyrna in haren brief aan de gemeenten van Jezus Christus in Pontus, van Polycarpus' martelaarschap melding maakt, verhaalt zij in het algemeen, hoe groot en gruwelijk de vervolging der vijanden was jegens andere martelaren, die voor Polycarpus geleden, en welke grote standvastigheid in het verdragen van allerlei pijnigingen deze martelaren aan de dag gelegd hebben. Betreffende deze wreedheid, waarmee men de Christenen pijnigde, schrijven zij aldus: "Alle omstanders waren getuigen, dat het vlees der bloedgetuigen van Christus door verscheidene geselingen en slagen tot in de binnenste aderen en allerdiepste zenuwen werd losgerukt en vaneen gescheurd, zodat men hun ingewanden en verborgen delen des lichaams zag bewegen; ja dat er dan scherven van gebroken potten, zeeschelpen, ja voetangels op de grond werden gestrooid, en daarover de reeds gemartelde Christenen met hun verscheurde lichamen, gesleept en vertreden werden. Wanneer de dus misvormde Christenen, wegens de aangedane pijnigingen, bijna waren gestorven, of nauwelijks meer adem konden halen, werden zij aan de wilde dieren voorgeworpen, om verscheurd te worden. Allen, die deze treurspelen zagen, en het aanschouwden, hoe onmenselijk de Christenen werden mishandeld, en met welk een geduld die martelaren dat verdroegen, waren daarover zeer verwonderd en ontzet.

Onder deze was een, Germanicus genaamd, die door Gods genade versterkt, de natuurlijke en aangeboren zwakheid zijns gemoeds, welke de lichamelijke dood zeer vreest, zo krachtig overwon, dat hij, wegens zijn bijzondere standvastigheid, voor een der voortreffelijkste martelaren te houden is. Toen de stadhouder hem zocht wijs te maken en te overreden, dat hij toch de bloei van zijn leven in aanmerking zou nemen en met zichzelf erbarming hebben zou, verachtte Germanicus die raad, en hield zijn jong leven niet dierbaar voor zijn Heere Jezus Christus, maar trok terstond, zonder dralen, de wilde dieren, die gereed en losgelaten waren, naar zijn lichaam toe, en hitste hen als het ware op, alsof het hem zou gespeten hebben, wanneer zij nog vertoefden om hem te verslinden, teneinde alzo te eerder van het lichaam der zonde verlost te mogen worden, tot grote verwondering van al het volk. Met grote standvastigheid had hij aldus zijn leven veil voor de goddelijke waarheid, en stierf te Smyrna, in Klein-Azië, omtrent het jaar van Christus' geboorte 174.

 

Meliton

 

Meliton, opziener van de gemeente van Christus te Sardis, een stad in Lybië, was een geleerd, welsprekend en met de Heilige Geest begaafd man. Hij schreef een apologie of verdediging van de christelijke godsdienst, en zond die aan keizer Antoninus. Ook Claudius Apollinaris, opziener der. gemeente te Hiërapolis, een stad in Azië, deed het zelfde, zoals ook daarna Athenagoras, een wijsgeer te Athene, en een geleerd en godvruchtig man.

Toen keizer M. Antoninus de Marcomannen overwonnen had, voerde hij oorlog tegen de Quaden. Met zijn leger in hun land vallende, werd hij dapper aangevallen, en, na een hevige strijd, met zijn volk ingesloten in een plaats tussen het gebergte, waar groot gebrek was aan water, terwijl zij veel van de hitte te lijden hadden. Gedurende vijf dagen verkeerden zij daarin groten nood, zodat zijn volk, door de hitte en van de dorst schier versmacht, in moedeloosheid ieder hunner zijn goden tevergeefs aanriep. In die ogenblikken deed zich een afdeling Christenen op, die ingeschreven waren in zeker groot leger, Melitana genaamd. Deze bogen met een vast geloof de knieën voor de enige, eeuwige en waarachtige God. En, toen zij hun vurige gebeden voor de nood van de vorst en hen allen uitgestort hadden, werden zij terstond, en wel geheel onverwacht en tot ieders verwondering, met twee weldaden gezegend, een overvloedige regen in hun midden, waardoor het leger zeer werd gelaafd, terwijl boven de hoofden der vijanden hevige en langdurige bliksemstralen en donderslagen zich ontlasttten, waardoor zij verdreven en verstrooid werden.

Door dit wonder werd het gemoed van de keizer dermate getroffen, dat hij van die tijd aan de Christenen gunstiger behandelde, ja, zelfs in brieven, die hij aan verscheidene stadhouders zond, beleed, dat hij door het gebed der Christenen de overwinning verkregen bad, en aan het bovengenoemde leger de naam gaf van het bliksemende."

Was de vervolging van de Christenen onder M. Antoninus geëindigd, onder keizer Commodus duurde de vrede voort, en wel omdat hij zonder twijfel nog aan het buitengewone wonder dacht, hier boven verhaald, dat zijn vader tot meedogendheid jegens de Christenen had opgewekt; maar ook omdat hij een bijzit had, Marcia genaamd, die de Christenen een goed hart toedroeg. In het begin der regering van Commodus hadden dus de Christenen vrede, maar dit duurde niet lang.

In weerwil van die vrede, worden toch door sommigen als martelaren in het begin van zijn regering gehouden en genoemd: Vincentius, Eusebius, Peregunus en Potentianus, leraars, als ook Julius, een raadsheer te Rome.

 

Polycarpus

 

In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen genomen Polycarpus, een leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het woord had horen verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus hadden gezien, en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente der genoemde stad Smyrna.

De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij, zijn ouderdom in aanmerking nemende, zou zweren bij de goden des keizers en Christus vloeken. Met grote vrijmoedigheid antwoordde hij echter: “Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heere Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?" Toen de stadhouder hem dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen geen afstand deed en zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen, want mijn besluit is onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet bekeren van het goede, tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede bekeerden, die in hun boosheid volharden."

Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol? Als gij de wilde dieren veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." “Gij dreigt mij met vuur," dus hernam Polycarpus, "dat in een ogenblik ontstoken en weer uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen treffen zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van beide goedvindt."

Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de stadhouder overgeleverd om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten voor de brandstapel was aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun gewoonte zich beijverden, en men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei hij: laat mij zoals ik ben. Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur te verdragen, zal mij ook helpen om op deze brandstap te blijven. Daarop werd hij slechts gebonden. Toen hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het vuur hem niet deerde, aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom hem uitbarstte, zonder hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken, waarbij het bloed zo overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor werd uitgedoofd.

 

Felicitas en haar zeven zonen

 

Felicitas, een weduwe, geboren te Rome, werd in haar vaderstad, om Gods Woord, met haar zeven zonen omgebracht.

 

Vetius Epagathus

 

[JAAR 179.]

 

In die tijd ontstond te Lyon en te Vienne in Frankrijk een grote beroerte, wegens het wrede geweld, dat men de Christenen aandeed. De huizen en woningen werden verboden, daarna ook het gebruik der baden en later zelfs van de straat. Dit ging zelfs zo ver, dat men hen in het geheim noch openbaar duidde. Desgelijks werden er velen gevangen genomen en gepijnigd, zodat zij veel hebben moeten lijden.

Vetius Epagathus, een vroom Christen, en hoewel van jeugdige leeftijd, toch christelijk van leven, en een geacht edelman, die de wreedheid zag, welke men de Christenen aandeed, verlangde, door een ijverige geest bezield, van de rechter, dat men hem wilde aanhoren in hetgeen hij ten gunst van de goede burgers in het midden wilde brengen; dat zij namelijk niets kwaads bedreven, en zich niet in de strikken der ongerechtigheid lieten vangen. Toen hij echter geen gehoor kon krijgen, vroeg de rechter hem alleen, of hij een Christen was. En, toen hij dit openlijk en vrijmoedig beleed, zei de rechter: “Dan zult gij met de gevangenen meegaan als een voorspraak van de Christenen." Zo werd hij dan ook met de heilige leraar Zacharias, die als een goed herder voor zijn schapen streed, gevangen weggeleid en eindelijk gedood in het jaar onzes Heeren 179.

 

Sanctus, de Diaken

 

Er werd ook gevangen genomen een diaken uit de stad Vienne, Sanctus genaamd. Men pijnigde hem op zeer onmenselijke wijze, teneinde van hem te weten te komen, of de Christenen zich aan zulke gruwelijke handelingen schuldig maakten, als waarvan men hen beschuldigde. Maar, aangezien hij zeer door God versterkt werd, verachtte hij al de pijnigingen, welke zij hem aandeden, dermate, dat hij niet bekende, wie hij was, noch uit welk geslacht, uit welk land of hoe hij heette. Toen men hem onder de pijnigingen omtrent alles ondervroeg, antwoordde hij niets anders dan dat hij een Christen was. “Dit is mijn naam," zei hij, ja ik ben in het geheel niet anders dan een Christen." Om deze reden koelden de tirannen hun wraak dermate aan hem, dat zij zijn buik en andere gevoelige plaatsen van zijn lichaam met gloeiende ijzeren platen belegden, zodat zijn vlees verbrandde en van het lichaam viel. Toen deze heilige martelaar dus standvastig bleef, werd hij in zeer mismaakte toestand in de gevangenis geworpen, terwijl later deze vrome getuige, na vele en gruwelijke pijnigingen, andermaal werd voorgebracht, en om de getuigenis van Christus onthoofd.

 

Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander

 

Attalus en Blandina gevangen genomen zijnde, werden zeer dikwijls en vreselijk gepijnigd, opdat zij Christus zouden verloochenen en zekere verzonnen boze daden van de Christenen bekennen. Na zware pijnigingen te hebben uitgestaan, zette men hen weer in de gevangenis.

In deze tijd is onder de Christenen het bijgeloof, om sommige spijzen uit te zonderen, in zwang gekomen. Men achtte het toen niet ongeoorloofd, (zoals men nu doet) op zekere dagen vlees te eten, want dit is later eerst verordend, toen de Antichrist dit begon te verbieden; maar sommigen onthielden zich van het gebruik van vlees, omdat zij meenden, dat hun vleselijke lusten daardoor temeer zouden onderdrukt en bedwongen worden. Later dachten sommigen, dat het een heilige verrichting was, (naar hun mening) Gode aangenaam, en zo werd het ten laatste een verbod. Juist in deze tijd zat er een ander Christen met Attalus en Blandina gevangen, die zich zeer sober behielp, en geen wijn en vlees gebruikte. Nu openbaarde God aan Attalus, dat hij deze mens aanzeggen moest, dat hij zich van dagelijkse spijs moest bedienen, opdat anderen zijn voorbeeld daarin niet zouden navolgen, aangezien eenvoudige mensen licht konden menen, dat het bijzondere gebruik van spijs een aanbevelenswaardige godsvrucht was. Attalus deelde deze openbaring aan deze mens en andere gevangenen mee, die er aan gehoorzaamden, terwijl de anderen er door geleerd en versterkt werden.

Na Attalus en de anderen zware en onlijdelijke pijnigingen te hebben aangedaan, werd de eerste voor de wilde dieren geworpen, ofschoon hij een Romeins burger was, die men, volgens het bevel des keizers, had behoren te onthoofden. Maar toen de wilde dieren het lichaam van de martelaren niet aanroerden, liet de rechter hen andermaal op velerlei wijze pijnigen, en werden zij zelfs op ijzeren stoelen boven het vuur geplaatst. Toen nu Attalus op de stoel zat, en men bezig was hem te binden, zei hij tot het volk: ziel, dit is nu mensen eten (de Christenen werden ook beschuldigd, dat zij kinderen aten) wat gijlieden doet; wij eten geen mensenvlees, en bedrijven ook geen wandaden." Als zij hem vroegen hoe God heette, antwoordde hij: “Waar er velen zijn, daar worden zij met namen onderscheiden; maar, aangezien er slechts één God is, heeft Hij geen naam nodig." Eindelijk werd Attalus met de anderen in het perk onthalsd.

Nadat deze omgebracht waren, werden Blandina en Ponticus een jongeling van 15 jaren, andermaal voorgebracht. Toen men hun gebood, dat zij hij de afgoden zouden zweren, antwoordden zij, dat de afgoden niets zijn, en dat zij daarom bij hen niet zweren konden. Als zij en vele anderen zich tegen de afgoderij verklaarden en die verfoeiden, werden zij weer op de vreselijkste wijze gepijnigd, zo zelfs, dat Ponticus onder de martelingen de geest gaf. Nadat Blandina van de morgen tot de avond dermate was gemarteld, dat haar gehele lichaam vaneen gescheurd en als aan stukken gereten was, zo zelfs, dat haar pijnigers door vermoeidheid ter aarde vielen, en bekenden, dat zij geen pijnigingen en martelingen meer konden uitdenken, die haar gevoelig moesten aandoen, riep zij niets anders dan: “Ik ben een Christin, en door ons wordt niets kwaads of onbehoorlijks gedaan. Eindelijk werd zij in een net gewikkeld en de stieren voorgeworpen. Deze wierpen haar herhaalde malen met hun horens in de hoogte, totdat zij haar ziel Gode opofferde, in het jaar onzes Heeren 179.

 

Photinus, bisschop te Lyon

 

[JAAR 179].

 

Photinus, bisschop of leraar te Lyon, een man van ruim negentigjarige ouderdom, en zwak van lichaam, werd voor de rechterstoel van het volk gebracht. Zijn vijanden schreeuwden verward door elkaar, en zeiden, dat hij Christus zelf was. Op de vraag van de president, wie de God der christenen was, antwoordde hij: "Wanneer gij het waardig bent, zult gij het weten." Als wilde dieren vielen zij toen op hem aan, en martelden hem met slaan, schoppen, trekken, stoten, trappen enz. dermate dat hij twee dagen daarna overleed. In het jaar 179 na Christus' geboorte zijn te Lyon en te Vienne, omstreeks dezelfde tijd, waarin Photinus stierf, nog ter dood gebracht, Zacharias, een ouderling, Maturus, Alexander, een dokter, en Alcibiades.

In deze tijd werden ook vele anderen op wrede wijze vervolgd en gedood, zij werden aan de honden voorgeworpen, men verbood hen te begraven, en de as van hun verbrande lichamen werd in het water geworpen, opdat zij, naar hun mening, geen deel zouden hebben aan de opstanding, waarop de gelovigen hopen. God intussen, gaf aan Zijn volk moed en stond hen bij, zodat zij geen vrees hadden voor de tirannie.

 

Apollonius

 

[JAAR 188]

 

Apollonius, een raadsheer te Rome, was een man, die wel verdient genoemd te worden, daar hij zich voor de belijdenis des christelijken geloofs gewillig in de dood heeft overgegeven, zonder in het minst in aanmerking te nemen de staat, waarin hij verkeerde, en de waardigheid, die hij bekleedde. Toen hij door zijn slaaf was aangeklaagd, dat hij een Christen was, en de senaat van Rome hem dwong om rekenschap van zijn geloof te geven, legde hij een verdedigingsgeschrift van zijn geloof over, en las het, gelijk sommigen zeggen, aan de senaat voor. En, hoewel de Christenen nu vrede hadden, zo beweren sommigen, dat de senaat hiertoe gedrongen werd door zekere wet, die beval, dat men een Christen, die aangeklaagd was, en bij zijn belijdenis bleef volharden, niet mocht vrijlaten. Maar ook om aan de anderen kant het bevel van Antoninus te volbrengen, liet de senaat eerst de aanklager de benen breken. Dit geschiedde onder de regering van keizer Commodus te Rome, in het jaar onzes Heeren 188.

 

De vijfde vervolging van de christenen onder keizer Septimeus Severus

 

De vijfde vervolging van de Christenen barstte uit in het tiende jaar der regering van keizer Severus. De aanleiding tot deze vervolging was, dat de eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen uitstrooiden jegens de Christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die zich jegens de keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers, bloedschenders, die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan allerlei ontucht en ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters insgelijks, dat zij een ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de goden verachtten, en dat daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was overkomen.

De hevigste vervolging had plaats, nadat Eusebius en Tertullianus in Afrika hun geschriften hadden opgesteld.

Een grote menigte Christenen werd naar Alexandrië, in Egypte, gebracht, waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood werden.

Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren de navolgende.

 

Leonidas

 

Onder deze hevige vervolging werden vele vrome Christenen om de christelijke godsdienst onder de grootste pijnigingen ter dood gebracht. Onder deze was ook Leonidas, de vader van de geleerden Origenes, een man van zeventig jaren. Toen hij in de gevangenis zat, vermaande hem Origenes, die toen slechts zeventien jaren oud was, met een troostvolle brief tot volharding in zijn lijden, en dat hij zich niet moest bekommeren om zijn vrouw, Origenes' moeder, en haar zeven jeugdige kinderen, van welke hij de oudste was. Leonidas, aldus door zijn zoon tot volharding opgewekt, en bovenal versterkt door de bijzondere bijstand des Heilige Geestes, werd, omdat hij verstandig bleef, om de belijdenis van Christus, te Alexandrië onthoofd, in het tiende jaar der regering van Severus, toen Letus in die stad van Egypte stadhouder was, terwijl al zijn bezittingen ten behoeve van de schatkamer des keizers werden verbeurd verklaard.

Te die tijde onderwees Origenes zijn leerlingen zo krachtig in het geloof, dat later velen hun leven voor de christelijke godsdienst hebben overgegeven. Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee mannen, waarschijnlijk gebroeders, Sereni genaamd en Hero. Toen Plutarchus naar de strafplaats werd geleid, om gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om hem te troosten, waarom hij voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen zijn geworden, zo de goddelijke Voorzienigheid hem niet had beschermd.

 

Irenaeus, bisschop

 

Irenaeus, geboren te Smyrna of daaromtrent, in Azië, was, onder Photinus de bisschop, ouderling te Lyon, in Frankrijk. Hij was een godzalig, en geleerd en zeer verstandig man, daar hij in zijn jeugd een leerling was van Polycarpus, bisschop en martteDlaar te Smyrna. Wegens zijn bekwaamheid en godzaligheid was hij in Photinus' plaats gekomen. Hij was een naarstig beminnaar en navolger van de leer van Christus, oprecht in zijn leven en zeer geacht bij alle vermaarde personen van zijn tijd. Op bijzondere wijze bevorderde hij de vrede der kerk, vooral in de twist, die ontstaan was, door Victor, bisschop te Rome, over de tijd, wanneer het Paasfeest moest gevierd worden.

Tengevolge van die twist werkte Victor mee, dat de Oosterse gemeente zich van de Westerse hebben afgescheiden, waarover Irenaeüs hem en zijn medestanders ernstig bestrafte. Hij heeft enige goede boeken nagelaten, vooral tegen de ketters, die hij manmoedig weerstond. Nadat hij gedurende geruime tijd de waarheid voorstond en verdedigde, werd hij eindelijk onder de regering van Severus te Lyon gedood, ofschoon het onzeker is, wanneer en welke dood hij gestorven is.

In die tijd werd ook ter dood gebracht zekere Rhaïs, een eerbare vrouw, alsmede Marcella en haar dochter Potamiena. Toen over deze het vonnis des doods geveld was, bespotte het gemene volk haar zeer, doch het werd door Basilides, die het vonnis uitgesproken had, daarover bestraft, terwijl deze Basilides, door Gods genade, het geloof in Christus omhelsde, ook daarna de marteldood stierf.

De voornaamste stadhouders, die in die tijd de Christenen het meest geplaagd hebben, waren, volgens Tertullianus: Hilarianus, Vigellius, Claudius, Herminianus, Cecilins, Capella, Vespronius; volgens Cyprianus, ook Demitrianus en volgens Eusebius, ook Aquila. De meesten dezer werden, op onderscheiden wijzen, door Gods hand gestraft, zoals onder anderen Claudius Herminianus, (zonder dat anderen er mee besmet werden) met de pest, nadat hij vroeger geplaagd was door schadelijk gewormte.

Voor zijn dood zei hij: “laat niemand dit weten, opdat de Christenen zich niet verblijden."

Omtrent deze tijd schreef Septimius Florens Tertullianus, geboren te Carthago in Egypte, een verdedigingsgeschrift voor de Christenen tegen de heidenen, waarin hij al de lasteringen weerlegt, welke men in die tijd de Christenen aandeed; hij toonde aan, dat zij onschuldig waren en vervolgd werden, niet om enige boze handelingen, maar alleen om hun naam als Christenen. Hij voegde er bij, dat niettegenstaande de bitterheid der vervolging, hun godsdienst in het minst niet leed of verzwakte, maar veel meer werd opgewekt en gesteund. Onder andere zegt hij: “Ons aantal neemt toe, en wij wassen aan, wanneer wij door u als gemaaid worden. Het bloed der Christenen is als het zaad. Want wie is er onder ulieden, die dit ziet, welke niet gedrongen wordt om te onderzoeken, welk een zaak het Christendom toch zij? Wie is er, wanneer hij het onderzocht heeft, die er niet toe overgaat? En als hij er zich bijgevoegd heeft, ook niet wenst te lijden? Op soortgelijke wijze zegt dezelfde: deze sekte (dit woord wordt hier gebruikt in een gunstige betekenis) zal nooit uitgeroeid en vernietigd worden. Gelooft het toch, dat zij opgebouwd wordt. al schijnt zij vernietigd te worden. Want een ieder, die deze grote lijdzaamheid ziet van hen, welke hoe langer hoe meer geslagen worden, wordt geprikkeld en aangevuurd om te onderzoeken, wat daarvan de oorzaak is. En wanneer hij tot kennis der waarheid gekomen is, volgt hij ook onverwijld de Christenen na."

M. Aurelius Severus, de zoon van Antoninus en neef van de keizer Severus, was een vroom en oprecht vorst, zeer geleerd en de geleerden gunstig. Zijn moeder Mammea was een zeer wijze vrouw, die hij zeer eerde en wier wijze vermaningen hij volgde. Toen hij aan de regering kwam, bestuurde hij de Republiek onder voorlichting van wijze en verstandige mannen, onder welke vooral rechtsgeleerden waren. De goddelozen, gierigaards, onrechtvaardigen en boosaardigen ontnam hij alle openbare bedieningen. De soldaten hield hij onder goede tucht en bestraffing. Op aanhitsing van Ulpianus was hij in het begin van zijn regering de Christenen niet zeer gunstig, zodat sommigen van hen werden omgebracht, zoals:

Agapitus, een jongeling van 15 jaren.

Calapodius, een ouderling.

Pammachius, een raadsheer te Rome.

Simplicius, een raadsheer.

Insgelijks de gebroeders Tiburtius en Valerianus; verder Quiritius, Patritius en zijn moeder Julia.

Ook Cecilia en Martina, beiden maagden.

Later was de keizer de Christenen gunstiger, vooral om zijn moeder, die de Christenen een goed hart toedroeg. Zij beschikte ook de Christenen een plaats, waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden, en wilde zelfs ter ere van Christus een tempel bouwen, doch werd daarin verhinderd. Men leest ook, dat, toen de Christenen zekere plaats genomen hadden, om die tot de godsdienstoefeningen te gebruiken, en de slachters der offeranden beweerden, dat die hun toekwam, de keizer zei, dat hel beter ware, dat men op die plaats God, op welke wijze dan ook, diende en eerde, dan dat zij door de onreinheid van de dienaars der tempels besmet en verontreinigd werd.

M. Minucius Felix, een rechtsgeleerde te Rome, en een zeer voortreffelijk en geleerd man, stelde een samenspraak op ten gunste van de christelijke godsdienst, waaraan hij de naam gaf van Octavius.

Lactantius getuigt aldus van hem: “Minucius Felix was onder de rechtsgeleerden een man van hoog aanzien, en zijn boek, dat de naam van zijn vriend Octavius draagt, geeft de duidelijkste blijken welk een bekwaam dienaar der waarheid hij zou geweest zijn, wanneer hij zich daaraan geheel en al had overgegeven."

 

De zesde vervolging van de christenen onder keizer Maximinus

 

De zesde vervolging der Christenen brak uit onder de regering van keizer Maximinus, een van nature zeer wreed mens, zo jegens aanzienlijke personen, omdat hij van geringe afkomst was, als jegens de dienaars van het Evangelie. Tot geluk van de Christenen duurde deze vervolging niet lang, daar hij slechts twee jaren regeerde. Aangezien deze keizer een hevige vijand was van de dienaars van het evangelie, werden zij ook het eerst vervolgd, omdat zij leraars en bewerkers waren, zoals men zei, van de christelijke godsdienst.

Men meende namelijk, dat, wanneer men deze vervolgde en wegjoeg, de anderen te eerder hun godsdienst zouden laten varen.

De kerkleraar Origenes schreef toen een brief, teneinde de Christenen tot standvastigheid op te wekken, over het martelaarschap, en droeg dit op aan Ambrosius, opziener der gemeente te Milaan, en Protoctus, beide geleerde mannen in die tijd.

De geschiedenis zegt, dat onder zijn regering, om de belijdenis der goddelijke waarheid gedood werd Fabianus, opziener van de gemeente te Rome.

 

De zevende vervolging van de christenen onder keizer Decius

 

[JAAR 251.]

 

Omtrent het jaar onzes Heeren en Zaligmakers 251 ontstond er een zeer grote en wrede vervolging tegen de gelovige Christenen, en wel onder de regering van keizer Decius, gewoonlijk de zevende genaamd. Sommigen dachten dat hij deze vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de christelijke godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde, schrijft de aanleiding tot deze vervolging aan de Christenen zelf toe. "Men moet (zegt hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid, die onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden verwoest, om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet bewandelen, en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren. Onze Heere heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van onze Heere niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen, de hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht, verzaakt de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en niet met daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen, gelijk wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?" etc.

En elders; indien men de oorzaak van de jammer en het ongeluk kent, zal men gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De Heere heeft Zijn huisgezin willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede, de lering en tucht, die ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft de hemelse straf het onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof, wederopgewekt. En, daar wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden, heeft nochtans de allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al wat er is geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder benaarstigde zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de gelovigen of de Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd behoorden te doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door een onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen barmhartigheid, in de zeden geen tucht. Tot dusverre Cyprianus.

In deze bloedige vervolging werden vele Christenen, uit de aanzienlijken en uit de lage stand, in vele landen en steden van het gehele keizerrijk onder ongehoorde pijnigingen ter dood gebracht.

 

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem

 

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem, was een man, groot in aanzien en gezag. Hij was zeer begaafd en vreesde de Heere bijzonder. Voor de waarheid van Christus leed hij veel, doch God spaarde hem, en wel tot onder de regering van keizer Decius. Onder diens regering werd hij, om de belijdenis van Christus, door de stadhouder in Cesarea gevangen genomen en voor diens rechterstoel gebracht. Door alle gelovigen werd hij daar op treffende wijze in Christus geroemd, en wel bovenal om zijn vrijmoedige verantwoording voor de naam van Christus. Daarom werd hij in ketenen geklonken, in de gevangenis gezet, waar hij lang vertoefde, dikwijls voor de vierschaar geroepen werd en telkens weer naar de gevangenis moest terugkeren. Nadat hij deze ellendige mishandeling met lijdzaamheid verdroeg, en God met de Apostelen dankte, dat Hij hem waardig achtte, om Zijns Naams wil dit lijden uit te staan, offerde hij ten laatste, na veel smart en lijden, zijn leven aan God op. Of hij door pijnigingen, of hongersnood, of andere ellende in de gevangenis gestorven is, daaromtrent is niets zekers bekend.

 

Babylas, opziener der gemeente te Antiochië

 

Babylas, bisschop of opziener van de gemeente te Antiochië, was een voortreffelijk man (zegt Chrysostomus), over wie ieder zich met recht mocht verwonderen, daar hij keizer Decius belette in de vergaderingen der Christenen te komen, omdat hij niet wilde, dat een wolf in het midden der schapen vallen zou. Hij werd gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren, doch weigerde dit. Na zijn goede zaak verdedigd en verklaard te hebben, dat een herder zijn schapen niet behoort te verlaten, dat hij de almachtige God niet wilde verzaken, en tot valse goden de toevlucht nemen, werd hij om deze belijdenis ter dood veroordeeld. Toen hij bereid was om te sterven, zei hij: "Mijn ziel, ga tot uw rust, want de Heere heeft u aangezien." En alzo werd hij onthoofd.

 

Metranus en vele anderen te Alexandrië

 

Alexandrië was als het ware de schouwplaats van alle tirannie. Onder ben, die daarin die tijd om de naam van Christus werden omgebracht, zijn de volgende wel de voornaamste:

Metranus, een godvruchtig, bejaard man, die, om de belijdenis van Christus, door het oproerige volk te Alexandrië gevangen genomen werd, wilde men dwingen om godslasteringen uit te spreken, dat is, om de naam van God te lasteren, en Zijn Gezalfde, de Heere Jezus Christus, te verloochenen. Toen hij dit weigerde, sloeg men hem met stokken over het gehele lichaam, terwijl zijn aangezicht met scherpe rieten doorstoken werd. Toen hij aldus gepijnigd en gemarteld was, werd,hij buiten de stad geworpen en ter dood gestenigd.

Daarna werd ook gegrepen zekere Cointha, een edele en gelovige vrouw, die men in een afgodstempel bracht, voor de goden plaatste en haar dwong om die te vereren. Maar, toen zij niet verfoeiing van de afgoderij, zich daarvan afkeerde, bonden zij haar voeten samen, en sleepten haar alzo door de straten van Alexandrië, geselden haar met roeden, en drukten haar naakte lichaam tegen draaiende molenstenen. Toen zij haar lang genoeg gesleept, geslagen, gemarteld en door geselslagen haar lichaam vaneen gereten en verscheurd hadden, en zij onder dit alles bijna bezweken was, trokken zij naar de voorstad, waar zij haar met stenen wierpen en daarmee bedekte.

Dit wreed en onstuimig volk sloeg ook de handen aan Apollonia, een bejaarde, beroemde en christelijke maagd, en sloegen haar met vuisten derwijze in het gezicht, dat zij al haar tanden uit de mond verloor. Daarna brachten zij haar voor een vuur, en zeiden haar, dat, wanneer zij aan hun goden niet wilde offeren en Christus vloeken, zij daarin verbrand zou worden. Maar zij verkoos liever de pijniging van het vuur, en het verlies van haar tijdelijk leven, dan Christus te verzaken en haar ziel te verliezen om het tijdelijke leven te behouden.

Zo werd ook Serapion, geboren te Efese, uit zijn huis gesleept en zijn lichaam door vele slagen vaneen gereten en bijna van lid tot lid aan stukken gesneden. Na deze wrede mishandeling wierpen zij hem bovendien van zekere hoge plaats naar beneden, zodat hij in ellendige toestand stierf.

In die tijd werd ook een Julianus, bijgenaamd Eunus, die ook de waarheid staande bleef. Door de tirannen werd hij op een kameel gezet, en alzo door de stad gevoerd. Met scherpe roeden werd hem het vlees van het lichaam gescheurd, en terwijl het woedende volk hem met stenen wierp, werd hij eindelijk verbrand.

Voorts lezen wij nog van een kloek en dapper ridder, Besas genaamd, die het volk bestrafte, omdat zij de dode lichamen der martelaren bespotten. Door de woede van het volk werd hij gevangen genomen, en, daar hij Christus standvastig beleed, levend verbrand.

Wij willen ook niet zwijgen van Macarius van Lybië, wie de rechter met vele redenen aanraadde, dat hij Christus zou verloochenen. Maar, daar hij te sterker in zijn belijdenis volhardde, werd hij levend verbrand.

Epimachus en Alexander hebben ook, na vele pijnigingen, hun leven in het vuur moeten eindigen.

Aan het vrouwelijke geslacht heeft God evenzeer Zijn kracht op wonderbare wijze betoond. Er waren namelijk, Ammonaria en Mercuria, twee maagden, en Dionysia, een bejaarde vrouw, en nog een andere Ammonaria, die ook, onder vele wrede pijnigingen, tot verzaking van de christelijke godsdienst werden aangezocht. Zij gedroegen zich daarbij evenwel zo standvastig, dat de vijanden Gods zich schaamden. Niettegenstaande dit, liet de rechter ze onthoofden.

In deze vervolging werden ook opgebracht Cheremon, bisschop te Nicopolis, een stad in Egypte, Heron, Arsinus, Isidorus, alle drie Egyptenaars. Insgelijks Nemesius, Ammon, Zenon, Ptolomeüs, Ingenuus, Theophilus, ook Scirion, een rentmeester van een aanzienlijk man. Deze beval Scirion, dat hij de afgoden zou offeren; maar, toen hij dit weigerde, zocht hij hem met harde woorden en bedreigingen daartoe te dwingen. Maar toen hij daarmee bij hem niet vorderde, en Scirion volstandig in zijn geloof volhardde, beproefde hij met vleiende woorden hem daartoe te bewegen. Maar, toen hij zag, dat hij onbeweeglijk bleef, nam hij een scherpe paal, en stootte hem daarmee zo lang in zijn lichaam, totdat hij op wrede wijze vermoord was.

Zo wij alle martelaren wilden opsommen, die in alle landen van het keizerrijk, onder de regering van deze tiran Decitis, werden omgebracht, dit boek zou die allen nauwelijke kunnen bevatten. Aangaande deze vervolging getuigt Nicephorus: dat het even moeilijk is, al de martelaren aan te wijzen, als het zand van de zee te tellen."

De pijnigingen, waaronder de arme Christenen in die tijd werden omgebracht, waren ontzettend hard. Gebannen, van zijn bezittingen beroofd, tot werken in de mijn veroordeeld, gegeseld, onthoofd, opgehangen te worden, werd gering en als niets geacht. Zij werden met hete tarwe bestrooid, over een klein vuur geblakerd, gestenigd, met scherpe pennen in het aangezicht, de ogen, ja het gehele lichaam gestoken, langs de straten over harde keien en scherpe stenen gesleept, tegen steenrotsen verpletterd, van hoge steile plaatsen afgeworpen, de leden aan stukken gebroken, met kromme haken vaneen gescheurd, op scherven van gebroken potten gewenteld, de wilden dieren tot roof en spijs gegeven. Boven dit alles werden hun palen door de lengte van het lichaam gedreven.

Zodanige pijnigingen maakten vele Christenen bevreesd, zodat sommigen van hen afvallig werden, en schipbreuk leden in hun geloof. Van deze hebben wet enige berouw gehad, maar velen zijn verhard gebleven en rechtvaardig door God gestraft.

In de tijd, dat Cyprianus verbannen was, schreef hij aan zijn medehelpers in het werk des Heeren en anderen, zeer troostrijke brieven. Onder deze brieven is de laatste van zijn derde boek zeer heerlijk, waarin men, onder andere, deze woorden leest: "De straffen zijn voor de Christenen geen vervloekte dingen. De borst van een Christen, die al zijn hoop op Christus heeft gevestigd, Die aan het kruishout heeft gehangen, wordt door de knotsen niet verschrikt. De boeten en straffen zijn als versierselen, en hechten de harten der Christenen niet aan de zonde, maar maken die vrij bij de Heere. Het lichaam der Christenen vindt bij het werk in de ijzermijnen geen genot als op een bed, maar smaakt genot in de gemeenschap met Christus; de leden, vermoeid door de arbeid, liggen wel uitgestrekt op de aarde, maar het is geen pijn alzo met Christus te liggen; koud zijnde vinden zij daar geen klederen, maar wie Christus aandoet en door Hem overkleed, is, is overvloedig gekleed en versierd." En daarna: "God, van boven neer ziende, is, in de belijdenis van zijn naam, aan de gewilligen aangenaam; Hij helpt de strijdende, kroont de overwinnende, vergeldende in ons, wat Hij zelf gedaan heeft en verheerlijkende wat door Hem volbracht is."

Aangaande de straffen, die de vervolgers toen van God zijn overkomen: schrijft dezelfde Cyprianus aldus: Wij zijn er zeker van en het is gewis, dat wat wij lijden niet ongestraft blijft; en hoe groter de zonde van de vervolging is, zoveel te duidelijker en te zwaarder zal de straf zijn, voor de vervolging ons overkomen. Wanneer ons niet overkomt, wat om die reden in vorige tijden geschied is, zo zal, wat onlangs gebeurd is, ons genoegzaam tot lering kunnen verstrekken, namelijk, dat de verdediging zo haastig volgde en met zulk een grote spoed, zo hard en zwaar, met de val van koningen en prinsen, met verlies van schatten en rijkdommen, met de afval en schade der krijgslieden, en met vermindering der legers."

 

De achtste vervolging van de christenen onder de keizers Valerianus en Gallienus

 

Valerianus en Gallienus waren in het begin van hun regering de Christenen zeer gunstig, doch veranderde al spoedig, en werden tot haat verleid door een Egyptische tovenaar; zodat zij daarna de Christenen, door verschilende pijnigingen, tot afgoderij dwongen.

Lucius, opziener van de gemeente te Rome werd omgebracht.

 

Cyprianus, bisschop te Karthago

 

Cecilius Cyprianus, geboren in Afrika, werd eerst opgevoed en onderwezen in 1 de vrije kunsten onder de heidenen. Toen hij te Karthago onderwijs gaf in de welsprekendheid, werd hij met de christelijke godsdienst bekendgemaakt door een maagd, Justina geheten, en voornamelijk door een ouderling der Christenen. Men zegt, dat hij een leerling was van Tertullianus, wiens geschriften hij met voorliefde las. Hij nam zodanig toe in goddelijke wijsheid en verstand, dat hij tot ouderling benoemd werd en later tot bisschop van Karthago, welke betrekking hij lang bediend heeft, niet alleen tijdens het tamelijk vreedzaam was, maar ook onder de regering van keizer Decius. In de tijd der vervolging wist hij bijzonder de martelaren te vermanen en op te wekken tot volharding met geschriften en woorden, naarmate hij daartoe gelegenheid had. Soms werd hij gedwongen zijn volk te verlaten, aangezien men hem dreigde de leeuwen te zullen voorwerpen; daarom vluchtte hij soms liever voor enige tijd, om geen oproer onder het volk te verwekken; temeer daar hij door God zelf wel eens vermaand werd zich te verwijderen. Hij achtte het wel begeerlijk, om voor de goddelijke waarheid te sterven, maar, terwijl hij vluchtte, wilde hij God toch niet verzaken, en vermaande ook daartoe de zijnen. Na de vervolging van Decius stond hij zijn gemeente weer getrouw terzijde, en had grote moeite met hen die in de vervolging afvallig geworden waren; maar, uit liefde tot barmhartigheid geneigd, nam hij die weer gewillig op. Op bijzonder hevige wijze verzette hij zich tegen de ketterij, zodat hij zelfs, uit ijver zonder verstand, beval, die te herdopen, die door de ketters gedoopt waren, welk bevel hij echter later weer introk. Soms werd hij verwaardigd met goddelijke openbaringen, zodat hij door een profetische geest wreedheden voorzegde tot waarschuwing van zijn volk. Kort voor zijn dood werd hij eindelijk naar Curubita, in Lybië, in ballingschap gezonden, en wel op bevel van de rechter Paternus ten tijde van de keizers Valerianus en Gallienus. De rechter trachtte van hem te vernemen, waar de leraars der gemeenten zich ophielden, doch hij wilde zulks hun niet meedelen. Twee jaren verkeerde hij in ballingschap, terwijl hij deze als een gevangenschap beschouwde. Zijn verbanning had plaats onder het blazen op de trompet en met verbeurdverklaring van zijn bezittingen, hetwelk hij niet alle anderen met het grootste geduld verdroeg. Niettegenstaande hij zijn kudde in persoon moest verlaten, droeg hij toch bijzondere zorg voor haar niet alleen met gedachte, wil en begeerte, zelfs in de grootste vervolging, maar ook door het schrijven van vele hartelijke, troostrijke brieven aan zijn vrienden, om die te versterken en te vermanen tot getrouwheid en volharding. In één woord, hij was zeer vermaard door zijn grote wijsheid en andere heerlijke gaven, waarmee hij bedeeld was. In een brief geven Nemesius, Felix, Victor en anderen de getuigenis aangaande hem, dat hij de voornaamste was in de goede behandeling van zaken, de welsprekendste in het spreken, de wijste in het redekavelen, de eenvoudigste in geduid, de vrijgevigste in aalmoezen, de heiligste in onthouding, de nederigste in de dienst, en de ootmoedigste in alle goede werken. Al deze eer, lof en prijs werd hem door vele geleerde mannen gegeven.

Eindelijk werd hij door de rechter Galerius Maximus, die in de plaats van Paternus gekomen was, ontboden, om door hem ondervraagd te worden. Enige tijd vertoefde hij buiten de stad, totdat hij door de rechter zou geroepen worden, maar eindelijk liet de rechter hem halen en hem tot de volgende dag bewaren. Op de 14e September werd hij voor de rechter gebracht, die hem verzocht, dat hij aan de goden zou offeren. Cyprianus heeft tegen iedere marteling geprotesteerd, aangezien hij zonder pijniging vrij en openlijk beleed, dat hij een Christen was, en het hem daarom ongeoorloofd was dit te doen. De rechter zei tot hem: “Bedenk u wel;" waarop hij antwoordde: doe wat u bevolen is; want in een rechtvaardige zaak behoef ik mij niet te bedenken." De rechter hernam: “Reeds geruime tijd was gij een mens vol godslastering, en hebt u bewezen te zijn een vijand van de Romeinse goden, en u verzet tegen de wetten en bevelen van de heiligste vorsten." Cyprianus werd vervolgens veroordeeld om met het zwaard gedood te worden; voor welk vonnis hij God dankte.

Toen men hem naar de gerechtsplaats heenleidde, legde hij zijn bovenklederen af, sloot zijn ogen en bad met grote ijver tot God. Gewillig boog hij het hoofd onder het zwaard en gaf zijn ziel aan God over. Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 259.

In die tijd had er ook een grote vervolging plaats te Alexandrië, waar het getal der gedoden zeer groot was. Buiten de stad Cesaraea woonden, onder anderen, die vrome mannen, Priscus, Malchus en Alexander. Deze werden als door goddelijk vuur van het geloof ontstoken en beschuldigden elkaar van grote traagheid, zeggende: aangezien er in de stad kronen des levens worden uitgedeeld, hoe is het mogelijk dat wij nog zo traag en onverschillig zijn, om die te verkrijgen?" Toen zij elkaar met deze woorden hadden opgewekt, gingen zij haastig naar de stad, en bestraften daar de vervolgers van de Christenen, omdat deze zoveel onschuldig bloed vergoten.

Om deze vrijmoedigheid werden zij aangehouden, gevangen genomen en daarna aan de wilde dieren voorgeworpen.

Filippus, bisschop te Alexandrië, werd ook met het zwaard gedood in deze vervolging.

In de stad Karthago werden eveneens honderd Christenen om het geloof omgebracht.

In deze tijd werd ook Pontius, een diaken van Cyprianus, in Frankrijk, gemarteld, en een groot aantal anderen meer in meest alle oorden van het keizerrijk, zo door het vuur, het zwaard, wilde dieren en vele andere pijnigingen, die maar te denken waren.

 

De negende vervolging van de christenen onder keizer Aurelianus

 

[JAAR 275.]

 

In het begin der regering van keizer Aurelianus betoonde deze zich de Christenen zeer gunstig. Dit duurde echter niet lang, daar hij door goddeloze raadslieden van mening veranderde, zodat hij, in plaats van de Christenen gunst te bewijzen zoals vroeger, dagelijks meer middelen bedacht, teneinde hen te onderdrukken en uit te roeien. Toen hij zich daaraan overgaf, werd hij met zijn raadslieden door de bliksem getroffen, en kort daarna door de hand van Manco Poris, en de listen van zijn snelschrijver Innestheus omgebracht.

Tijdens zijn korte regering liet hij, om het christelijk geloof, ombrengen zekere Felix, opziener van de gemeente te Rome, en wel op de 30e Mei van het jaar onzes Heeren 275.

In de plaats van Aurelianus, werd door de senaat als keizer verkozen Claudius Tacitus, een vroom man en zeer bekwaam om landen en volken te besturen, die, toen hij de regering in handen had, terstond overal de vervolging tegen de Christenen staakte; doch door zijn spoedig overlijden heeft deze rust niet lang geduurd.

Op de 8e December werd omgebracht zekere Eutychianus, bisschop te Rome.

In deze tijd verzette zich enige bewoners van Frankrijk, meest boeren, die zich Bagaudes noemden, tegen het Romeinse rijk, en wel onder aanvoering van Amandus en Elianu . Keizer Diocletianus stelde toen als medekeizer aan zekere Maximianus Pannonius, die hem vroeger in de oorlog volgde, en hem wegens zijn goede handelingen zeer goed bekend was. Deze rustte zich terstond tot de krijg tegen de bovengenoemde Bagaudes uit, en ontbood daartoe uit de verschillende delen des rijks een zeer grote macht soldaten. Onder deze was ook het Thebeisch regiment uit Syrië, dat door de bisschop te Rome in de christelijke godsdienst meer en meer geoefend en bevestigd was, als overste hebbende Mauritius en als banierdragers Caudidus, Exsuperius, Innocentius, Victor, Constantinus en anderen. Toen Maximianus met het hoofdleger over het gebergte in de stad Octodurum (Martigny) gekomen was, wilde hij dat daar, eer hij de tocht voor goed begon, plechtige offeranden zouden plaats hebben, waartoe hij alle oversten en soldaten ontbood, die daar van het Oosten en Westen bij elkaar waren, onder wie ook was het genoemde Thebeïsche regiment, teneinde allen, na de gewone offerande, tegen de Bagaudes te doen zweren en de eed van getrouwheid af te laten leggen. Toen het genoemde regiment het gegeven bevel van Maximianus vernam, en afkeer hebbende van alle afgoderij en bereid zijnde liever de dood te sterven dan iets onbehoorlijks tegen hun geweten te doen, weigerden zij allen eendrachtig tot de offerplechtigheden te komen, ja, weken zelfs, om niet besmet te worden, door de afgoderij aan te zien, een weinig terug naar het meer Lemanus, thans het meer van Genève genaamd, tot aan de stad Agaunum. Maximianus beval, dat zij zouden terugkeren, en zich bij de andere soldaten zouden voegen, doch Mauritius, Exsuperius en anderen antwoordden uit aller naam, dat zij bereid waren alles te doen en allerlei gevaren uit te staan tot nut van het algemeen, maar dat zij vasthielden aan de belijdenis van het christelijk geloof, en geen afgoderij konden dulden. Maximianus werd daarover zo verstoord, dat hij tot algemene straf van dit regiment, bij loting de tienden man liet onthoofden. Door de toespraak van Mauritius in hun geloof versterkt, onderwierpen zich deze vrome soldaten met lijdzaamheid aan hun lot. Nadat Mauritius de overgeblevenen tot standvastigheid vermaand en opgewekt had, liet hij Maximianus andermaal aanzeggen, dat hij en zijn soldaten bereid waren de wapenen te gebruiken tot hulp en bescherming van de republiek, maar dat zij liever wilden sterven, dan de waarachtige en levende God te verzaken, en zich met de duivelse offeranden te verontreinigen. Toen Maximianus dit hoorde, ontstak hij nog meer in toorn, en liet hij ten tweede male de tienden man onthoofden, en toen hij zag, dat hij ook met deze wreedheid de overigen niet kon bewegen, om naar Octodurum (Martigny) terug te keren, maar allen standvastig bleven, zond hij naar hen het gehele leger te voet en te paard, en liet hen bijna allen met hun overste Mauritius omsingelen en ombrengen. Aldus hebben deze vrome kampvechters voor het christelijk geloof hun bloed vergoten, en zijn zalig in de Heere gestorven.

 

Marinus

 

[JAAR 259.]

 

Marinus, een krijgsoverste en een man van hoge geboorte en zeer rijk aan aardse goederen, werd in de stad Cesaraea in Palestina tot grote waardigheid verheven. Een ander man daar benijdde hem dit, en zei, dat Marinus geen hogere rang mocht bekleden, omdat hij een Christen was. De rechter vroeg aan Marinus, of het zo was, wat deze zei. En, toen hij dit met vrijmoedigheid bekende, gaf de rechter hem drie uren tijd om zich te beraden, of hij aan de goden en aan de keizer wilde offeren dan als een Christen gedood worden.

Toen hij de gerechtszaal verlaten had, nam Theoternus, de bisschop uit die stad, hem bij de hand, en leidde hem tot de Christenen in de tempel, waar hij hem met vele woorden in het geloof versterkte. Eindelijk toonde hij hem een zwaard, dat hij gewoon was aan zijn zijde te dragen, en ook het Evangelieboek, en vroeg hem welk van beide hij koos en toen Marinus het Evangelieboek greep, zei Theoternus tot hem: “Behoud wat gij verkoren hebt, mijn zoon, en dit tegenwoordige leven verachtende, hoop op het eeuwige; ga onversaagd en ontvang de kroon, die de Heere u bereid heeft."

Toen hij tot de vierschaar weergekeerd was, werd hij terstond door de omroeper opgeëist, daar de lijd, die hem gegeven werd om zich te bedenken, verstreken was. Voor de rechterstoel staande, betoonde hij daar nog grotere ijver en vurigheid des geloofs dan vroeger, en werd door de rechter overgegeven om onthoofd te worden.

Toen Marinus ter dood gebracht was, werd hij op de strafplaats gevonden door Asterius, een Romeins raadsheer, wien de keizer en al het volk zeer grote liefde toedroegen en die hoog bij hen stond aangeschreven. Deze nam het dode lichaam van Marinus op de schouders, bracht het van daar weg en nadat hij het in kostbaar linnen had gewikkeld, legde hij het in een nieuw graf en begroef het. Maar voor deze eer, welke hij de martelaar had aangedaan, ontving hij ook spoedig daarna de martelaarskroon.

De 6de Augustus, in het jaar onzes Heeren 259 werd ook, om de christelijke godsdienst, omgebracht Xystus, bisschop te Rome.

 

Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster verbrand

 

[JAAR 252.]

 

Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om gedood te worden, ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de gemeente te Rome, die hem aldus aansprak: "Waar gaat gij heen, o vader, zonder uw zoon? waarheen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: Ik verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof; gij zult mij na drie dagen volgen. Zo gij intussen iets bezit in deze schatkisten, deel het de armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij een grote schat van de gemeente in bewaring had, zodat hem door de stadhouder te Rome bevolen werd, dat hij die te voorschijn moest brengen. Om al de schatten bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd, en bracht toen alle arme, ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden, en dergelijken samen, toonde deze de stadhouder, en verklaarde dat deze de schatten en rijkdommen van de gemeente waren. De stadhouder hield het er voor, dat men met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met een klein vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de een zijde geblakerd was, zei hij met grote vrijmoedigheid tot de tiran: "Keer dat gedeelte van mijn lichaam, hetwelk gebraden is, om en verteer het.” Zeker iemand bracht dit gezegde aldus in rijm:

Genoeg is deze kant
Gebraden en geraakt.
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of braen best smaakt.

 

Door de genadige versterking Gods waren hem de kolen als rozen en als een verkoeling en verfrissing in zijn lijden. Na voor het Romeinse rijk en zijn vijanden gebeden te hebben, ontsliep hij, onder grote volharding, in de Heere, in het jaar onzes Heeren 252.

 

De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus de Grote

 

[JAAR 302.]

 

In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e jaar der regering van keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede vervolging van de Christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt, zegt Sulpitius Severus het volgende: "Omtrent 50 jaren na hem (te weten keizer Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximinus, brak de allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In die tijd was genoegzaam de gehele wereld besmet met het heilig bloed der martelaren, want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde martelingen. Door op een waardige en heerlijke wijze te sterven werd toen de eer, die een martelaar toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door ongepaste en zondige eergierigheid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt. De wereld werd nooit door enige oorlog meer onderdrukt; nooit hebben wij met groter triomf overwinningen behaald, dan toen wij door tienjarige verdrukking en geweld toch niet konden overwonnen worden."

In deze vervolging werd Diocletianus ook aangezet en geholpen door zijn mederegent Maximinus, een van nature hard, wreed, ontrouw en ontuchtig men, die in alles de begeerte en de wil van Diocletianus gehoorzaamde. Diocletianus woedde tegen de Christenen in het Oosten, Maximinus tegen die in het Westen. Door geloofwaardige schrijvers wordt over de oorzaken van deze vervolging verschillend geoordeeld, doch het volgende als de voornaamste genoemd. Toen de keizers, ofschoon zij heidenen en afgodendienaars waren, de Christenen grote gunsten bewezen, en hen goed behandelden, zo zelfs dat zij niet alleen voorname ambten en bedieningen kregen, maar hun ook de vrije uitoefening van hun godsdienst toestonden, zodat men in verschillende plaatsen bedehuizen en tempels bouwde; toen hebben de Christenen deze vrijheid misbruikt, zodat de een de ander begon te haten en te belasteren. Aan de ene kant bejegenden de bisschoppen en opzieners der gemeenten, alle godsvrucht en deugd verzakende, elkaar met twist, onenigheid, verkeerde ijver, eergierigheid en tirannische heerschappij; aan de andere zijde was het volk zonder tucht of orde, en gaf zich ten enenmale aan oproer en opstand over. Bovendien nam de zonde, die hoog geklommen was, in het algemeen nog op grove wijze hand over hand toe. Blijken van boetvaardigheid waren er niet te bespeuren, zodat God in Zijn rechtvaardig oordeel, om Zijn volk tot een nieuw oprecht en christelijk leven op te wekken, de gesel van zulk een harde, bittere en gruwelijke vervolging moest gebruiken, opdat de godvruchtige met de goddeloze wereld niet zou veroordeeld worden.

Aangezien het ook de bedoeling was van keizer Diocletianus, om het roomse rijk tot de ouden bloei terug te brengen, en daarom alle gewoonten en zeden, die in onbruik geraakt waren, weer wilde invoeren, poogde hij ook het onderscheid te voorkomen en te doen ophouden, dat hij in de godsdienst zag, en zocht vooral de godsdienst der Christenen uit te roeien, daar deze de verschillende erediensten der afgoden vervloekten en verwierpen. Onder hen, die de keizer tot de vervolging ophitsten en hem daarin versterkten, waren vele wijsgeren en drogredenaars, die door scherp hekelende boeken en vuilaardige geschriften de keizer en alle vorsten en rechters tot geweld aandreven, en de christelijke godsdienst bespotten, terwijl zij die aanklaagden, dat hij nieuwigheden, valsheid en goddeloos bijgeloof bevorderde; zij verhieven daarentegen de heidense godsdienst als de oudste en prezen de dienst van de goden aan, daar deze met hun macht en majesteit de wereld regeerden. Onder deze opruiers waren, behalve Apollonius, Porphyrius, een wijsgeer, die van Jood Christen en van Christen een afvallige was geworden, en zekere Hiërocles, een aanzienlijk man. Tegen Porphyrius hebben de pen opgevat Methodius, bisschop te Tyrus, Eusebius en Apollinaris; tegen Hiërocles dezelfde Eusebius; tegen beiden en alle anderen van die geest Lactantius. De aanleiding om keizer Diocletianus tegen de Christenen op te hitsen, namen de vijanden der waarheid uit zekere brand in de stad Nicomedië (toen de plaats waar de keizers zich ophielden), waardoor het paleis van de keizer geheel vernield werd, van welke brand men de Christenen beschuldigde. De keizer was daarover zeer verbolgen, en zonder nadenken gelovende, wat de lasteraars daarvan uitstrooiden, meende hij nu reden genoeg te hebben, en gaf in de maand Maart, in het 19e jaar zijner regering een bevel, dat men door het gehele rijk alle bedehuizen der Christenen moest verwoesten. De heidense stadhouders, die de gelovige Christenen zeer haatten, volbrachten het uitgevaardigde bevel met allen ijver, terwijl de grootste vernieling op Paasfeest plaats had.

Spoedig daarna werd er een ander bevel gegeven, en wel dat alle boeken der Heilige Schrift moesten verbrand worden, hetwelk op vele plaatsen, als ook te Nicomedië op de markt met alle ijver plaats had. Voort ook bevolen, dat men alle Christenen, die openbare bedieningen of enige ambten bekleedden, moest afzetten of hen daarvan beroven; dat anderen, die, geen betrekking vervulden, tot slavernij en dienstbaarheid moesten veroordeeld worden, tenzij zij de christelijke godsdienst wilden afzweren, en de zeden en gewoonten volgen van de heidense godsdienst.

Toen men op bovengenoemde wijze de woede niet meer koelen kon, werd er op de markt te Nicomedië een derde besluit aan een paal gespijkerd, dat zeer gestreng, hard en wreed was, namelijk, om alle bedienaars van de godsdienst, en die enige invloed uitoefenden op de gemeente van Christus, gevangen te nemen, en hen door allerhande pijnigingen te dwingen aan de afgoden te offeren Zeker edelman, Johannes genaamd, die door vurige ijver ontstoken werd, rukte dit besluit van de paal en scheurde het in kleine stukken. Op bevel van beide keizers, die toen te Nicomedië waren, werd hij met buitengewone pijnigingen gemarteld, de huid afgestroopt en met zout en edik overgoten, terwijl hij onder dit alles de naam van Christus tot het laatste ogenblik zijns levens, met kloekmoedige stand vastigheid beleed en zijn ziel Gode op zalige wijze toewijdde. Na zijn dood volgde het ene vreselijke jammer het andere.

Aangaande het verbranden van de boeken der Heilige Schrift, en van de plaatsen, waar de Christenen hun samenkomsten hielden, zegt Arnobius onder andere: “ Waarom hebben onze Schriften verdiend in het vuur geworpen te worden? Om welke reden heeft men met zo vreselijk geweld de plaatsen onzer samenkomsten vernield, waar de hoogste God wordt aangebeden, maar ook welvaart en vrede wordt afgesmeekt voor alle overheden, legers, koningen, enz.?"

Wij zouden te uitvoerig worden in onze mededelingen, indien wij de verschillende wijzen wilden beschrijven, waarop, door het ingeven van de duivel, de Christenen in het bijzonder in die tijd werden omgebracht. Slaan, geselen, met schrabbers, vijlen, en met allerlei scherpe werktuigen de huid overal openen, waren slechts de inleiding tot vreselijker pijnigingen, die de dood veroorzaakten, zoals ophangen, onthoofden, verbranden en met volle schepen in de zee verdrinken. Sommigen werden met gesmolten lood overgoten, anderen over gloeiende kolen onder langzame pijnigingen verschroeid; van sommigen werden de vingers van beide handen, tussen het vlees en de nagels, met scherpe priemen en naalden doorboord. Omtrent anderen leest men, dat zij geruime tijd naakt met dunne rijzen en loden platen geslagen, de beren, leeuwen, luipaarden en andere dieren tot spijs voorgeworpen werden. Deze dieren werden dikwijls ook opgehitst, maar hadden, door Gods kracht, soms een afkeer daarvan, en keerden hun wreedheid tegen de vijanden der waarheid. Vele Christenen werden ook aan bomen gebonden, aan staken geplaatst, aan kruisen genageld, waaraan zij zo lang moesten hangen, totdat zij van de honger bezweken. Weer anderen werden met het hoofd neerwaarts gehangen, zelfs vrouwen aan het ene been), zodat zij daardoor in een houding hingen, waarvan zich het eerbare oog met afkeer moest afwenden. Daarna werden zij aan handen en voeten vastgemaakt aan dikke takken van bomen, die van elkaar stonden, terwijl deze takken met kracht werden teruggebogen en met touwen gebonden welke touwen dan werden doorgesneden, waardoor de takken in hun vorige stand terugsprongen en het lichaam in vele stukken gescheurd werd. Sommigen werden in de rook van een langzaam brandend en vochtig vuur gesmoord; velen, die men de neus, oren en handen hadden afgesneden had, liet men heinde en ver in ellende ronddwalen, om andere onbekende Christenen schrik aan te jagen. Deze vervolging heeft zich over een groot deel van de aarde uitgestrekt, zoals over Azië, Afrika, Europa, en over vele eilanden, voornamelijk over Sicilië, Lesbos en Samos. In Nicomedië werden op het feest van Christus' geboorte, op bevel van Maximinus, in een tempel enige duizenden Christenen verbrand. Een stad in Phrygië, toen door de Christenen bewoond, werd belegerd en met allen, die er in waren, verbrand. Vele andere steden hebben ook, geen enkele uitgezonderd, de bittere beker van deze vervolging moeten drinken; vooral was dit zo in Egypte: te Thebe en Antinopolis; in Thracië: te Nicopolis; in Italië te Aquila, waar al de Christenen vermoord werden, Florence, Bergamo, Verona, Neapolis, Benevento, Venusia, in Gallië (Frankrijk): te Marseille; in Duitsland: te Trier, waar Rictionaris in de vervolging zo heftig en wreed geweest is, dat het vergoten bloed vele rivieren rood kleurde; voorts in Duitsland: te Augusta, en ook ten dele in Spanje, Brittannië, Zwitserland en andere landen.

 

Het eerste jaar van de vervolging

 

Wij geven hier (teneinde de onmenselijke wreedheid der heidenen jegens de Christenen te beter in het oog te doen vallen) een bijzonder verhaal van sommige martelaren, die door geschiedschrijvers genoemd en nader beschreven worden.

 

Petrus, Dorotheüs en Gorgoneüs

 

Petrus, een hofbeambte van keizer Diocletianus, stond hij hem zeer in aanzien. Toen deze de wreedheid bestrafte, begaan aan de edelman Johannes, van wie boven gesproken is, en hem met grote droefheid over zijn martelingen beklaagde, werd hij gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren. Toen hij dit weigerde, werd hij gegeseld, en zijn vlees verscheurd, teneinde hem door pijniging te dwingen om te offeren. Toen hij standvastig bleef, overgoten zij zijn verscheurd lichaam met edik en zout, en verschroeiden hem eindelijk aan alle zijden op een rooster met een zwak vuur, totdat hij met blijmoedigheid zijn geest in de handen van zijn hemelsel Vader overgaf.

Dorotheus en Gorgoneus, kamerheren van de keizer, hadden genoemde Petrus in de christelijke godsdienst onderwezen. Toen zij getuigen waren van de onmenselijke pijn, die Petrus leed, vroegen zij de vorst: "waarom hij in Petrus de overtuiging van hun gemoed strafte, die in hen allen leefde? Daarbij voegende: dit is ons geloof, dit is onze godsdienst, dit is ons eendrachtig en gemeenschappelijk gevoelen." Terstond liet de keizer deze vrome mannen, die hij vroeger als zijn kinderen liefhad, martelen, en wel met schier dezelfde pijnigingen als Petrus geleden had, en eindelijk werden zij opgehangen. Nadat zij enige tijd waren begraven, werden hun lichamen weer opgegraven en in de zee geworpen, bevreesd als men was, dat de Christenen die als goden zouden vereren.

In die tijd werd ook, na een heerlijke afgelegde belijdenis, onthoofd zekere Anthimus, bisschop te Nicomedië, benevens nog een groot aantal gelovigen. Nicephorus schrijft, dat hij eerst op de wreedste wijze werd geslagen, dat hem daarna met gloeiende pennen de hielen werden doorboord, dat hij op gebroken potscherven werd geworpen, gloeiende schoenen hem aan de voeten werden gedaan, het vlees van het lichaam gescheurd, met brandende fakkels gezengd en eindelijk onthoofd werd.

Dezelfde weg hebben ook bewandeld Tyrannion, bisschop te Tyrus; Zenobius, te Sidon; Silvanus, te Gaza, alsmede Pamphilius, over wien Eusebius een afzonderlijk boek heeft geschreven.

Toen Eustrathius, secretaris van een stadhouder, die zeer bedreven was in de Griekse taal, de standvastigheid zag van de martelaren, deed hij van de christelijke godsdienst, waarin hij tevoren in het geheim onderwezen was, in het openbaar belijdenis, en verfoeide alle heidense goddeloosheid. Hij werd daarom gevangen genomen, aan een paal opgetrokken, jammerlijk geslagen, daarna aan verscheidene delen van het lichaam met vuur gezengd en met zout en edik overgoten, eindelijk met potscherven derwijze geschrabt en geraspt, dat het gehele lichaam slechts één wond vertoonde. Door Gods kracht genas hij weer, doch werd later naar de stad Sebastia gevoerd en eindelijk met zijn vriend Orestus verbrand.

Onder hen, die in die tijd, om het christelijk geloof werden omgebracht, worden nog vele anderen genoemd, als Agricola en zijn dienaar Vitalis. Onder zovele martelingen, dat zelfs zijn lichaam als geheel vaneen gereten was, gaf laatstgenoemde zijn ziel aan God over. Agricola kon het uitstel, dat men hem gaf, niet langer verdragen, aangezien hij zijn tijd in ledigheid moest doorbrengen, terwijl hij vele deugden bezat en met groten ijver was bezield, en daarom tot ergernis was van hen, aan wie hij was overgeleverd; zo werd hij, zelf om zijn dood verzoekende, terwijl hij zijn vijanden moed inboezemde, aan het kruis genageld.

Eulalia, een meisje van 13 jaren, uit Spanje afkomstig, werd, omdat zij de stadhouder over de wreedheid, die hij de Christenen aandeed, met meer vrijmoedigheid aansprak dan hij verdragen wilde, naar de altaren der afgoden gesleept, opdat zij daar zou offeren. Toen zij dit weigerde, werd zij levend verbrand. Haar strijd heeft Prudentius in schone verzen afgemaald.

Toen Albanus, in Engeland, een vluchtenden Christen huisvesting had verleend, en dit ter oor van de stadhouder was gekomen, gaf hij zichzelf, verkleed en zich voordoende als de vluchtende Christen, aan de vervolgers over, en werd, na een standvastige belijdenis, en, omdat hij onwillig was de afgoden eer te bewijzen en offers te brengen, met touwen gegeseld en onder grote blijdschap onthoofd.

 

Phileas en Philoromus

 

Te Alexandrië was ook een getrouw herder en leidsman der kudde van Christus, Phileas genaamd. Hij was een edel mens naar de wereld, maar bovenal was hij edel voor God. Aangezien hij zeer ervaren was in de kennis der burgerlijke deugden, stond hij bij de Romeinen in groot aanzien; maar bovenal blonk hij uit in de beste wijsbegeerte, die van de christelijke godsdienst, zodat hij allen overtrof, die voor hem daar bisschoppen waren. Daar hij vele voortreffelijke vrienden onder de edelen had, vermaande de rechter hem dikwerf, om afstand te doen van zijn christelijk geloof, vooral omdat ook velen van zijn vrienden voor zijn behoud baden. Doch Phileas sloeg daar geen acht op, versmaadde dit, en bleef volharden in de goddelijke waarheid.

Bij hem stond een overste van een bende ruiters, Philoromus genaamd, een voortreffelijk en aanzienlijk man. Toen deze zag, dat Phileas omringd was van zijn wenende vrienden, en gekweld werd door de hardheid des rechters, riep hij overluid, zeggende: "Waarom stelt gij de standvastigheid van deze man tevergeefs op de proef? Waarom wilt gij hem, die aan God gelovig is, ongelovig maken? Waarom dwingt gij hem om God te verzaken, en de mensen te believen? Ziet u niet, dat zijn oren uw woorden niet horen, en dat zijn ogen uw tranen niet zien? Zou hij ook door tranen van aardse mensen bewogen kunnen worden, wiens ogen de hemelse heerlijkheid zien en aanschouwen?" Toen hij dit gezegd had, barstte de toorn van allen tegen hem los, en zij begeerden, dat hij dezelfde straf als Phileas zou ondergaan. De rechter willigde hun verzoek in, en liet beiden met het zwaard onthoofden.

Toen men vernam, dat Sebastianus, geboren te Narbonne (Perpignan) in Frankrijk, een zeer vroom soldaat van de voornaamste bende, en die bij keizer Diocletianus in groot aanzien stond, niet alleen een Christen was, maar ook velen tot de christelijke godsdienst bekeerde en in het geloof versterkte, ja, tot lijden en het verkrijgen van de martelaarskroon aanmoedigde, werd hij op een zeer uitgestrekt veld gebracht, en door de soldaten met pijlen doorschoten.

Adauctus, een Italiaan van aanzienlijke afkomst, beroemd wegens zijn getrouwheid in het vervullen van zijn openbaar ambt, dat hem van de keizer was opgedragen, onderging, toen hij met anderen als een Christen was aangeklaagd, de dood met de grootste kloekmoedigheid.

Vincentius, een Spanjaard, werd op bevel van Dacianus, denstadhouder des keizers, met onuitsprekelijke en onmenselijke wreedheid omgebracht. Vooreerst werd hij aan een paal opgetrokken, en met zware gewichten aan de voeten zeer uitgerekt; daarna werden hem vete pijnigingen aangedaan, en het gehele lichaam werd met roskammen opengescheurd, voorts, op een rooster een klein vuur gelegd zijnde, werd hem het lichaam met ijzeren baken geopend, met gloeiende platen bestreken, en met zout besprengd. Toen hij eindelijk in zulk een toestand weer in de gevangenis gebracht was, werd hij op een hoop potscherven geworpen, en werden hem de voeten aan een zwaar hout genageld, en alzo is hij, zonder hulp en troost van mensen, in God ontslapen.

Georgius, van Cappadocië, iemand van zeer jeugdigen leeftijd, die met de grootste vrijmoedigheid de afgoderij der heidenen berispte, en de goddeloosheid van de keizers verfoeide, werd gevangen genomen, met scherpe haken het lichaam opengescheurd, daarna in hete kalk aan de hitte blootgesteld, vervolgens op de pijnbank gemarteld, en al de leden des lichaams met de punten van messen doorstoken, en eindelijk, nog met bewonderenswaardige standvastigheid aan zijn belijdenis vasthoudende, onthoofd.

Toen Procopius, te Cesaraea, in Palestina, door Diocletianus als bestuurder over zekere streken in het Oosten aangesteld, alle gouden en zilveren afgodsbeelden, die hij, nog in blindheid en ongeloof verkerende, voor zich had laten maken, en nu verbroken, gesmolten, en de specie daarvan onder de armen verdeeld had, werd hij, na veelvuldige pijnigingen, die men hem, zo op de pijnbank, als met vuur, brandende fakkels, haken, de punten van messen en verscheidene werktuigen had aangedaan, eindelijk met het zwaard gedood,

Cassianus, een onderwijzer te Imola, werd, toen hij weigerde de afgoden offers te brengen, naakt, de handen op de rug gebonden, aan zijn leerlingen overgegeven, die hem met scherpe priemen, waarmee zij in tafelen van was de letters leerden griffelen, onder grote spot en brooddronkenheid, over het gehele lichaam gestoken, en alzo onder zware pijnigingen ter dood gebracht.

Omtrent Christophorus, uit Lycië, een man van buitengewone lichaamslengte, wordt bericht, dat hij om de naam van Christus, met ijzeren roeden geslagen, in de vlammen gezengd, met pijlen doorschoten en eindelijk onthoofd werd.

Cyprianus, te Antiochië, die van zijn vroegste jeugd door zijn ouders aan de duivel was toegewijd, en die zelf zich lang in de toverkunst had geoefend, werd ten laatste tot Christus bekeerd en door Anthimus gedoopt. Hij maakte in de christelijke godsdienst zulke vorderingen, dat hij het ambt van diaken en ouderling bekleedde, en een groot licht was in de gemeente te Antiochië. Doch om het christelijk geloof heeft hij mee in deze tijd op echt vrome wijze de dood ondergaan.

Toen Menas, een soldaat, uit Egypte afkomstig, zich in de grootste hitte der vervolging naar de woestijn begeven had, waar hij de tijd met vasten, waken en bidden doorbracht, kwam hij enige dagen daarna in de stad Cotys, waar hij, bij gelegenheid van een zeker schouwspel, voor al het volk in het openbaar beleed, dat hij een Christen was. Toen dit aan de stadhouder Pyrrhus werd geboodschapt, deed men hem zeer wrede pijnigingen aan en, terwijl hij alles met moed en standvastigheid verdroeg, werd hij eindelijk onthoofd, gedurig herhalende, wat Christus ons leert, Matth. 10, vs. 28: "Vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer, Hem, die beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel." Zo ook de woorden van de Apostel Paulus, Rom. 8, vs. 39: "Wie zal ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere?"

Dit zijn de voornaamste martelaren, die in dit jaar voor de naam van Christus hun bloed vrijwillig gestort hebben.

De keizers, onderricht zijnde, dat de vervolging van de Christenen voor hen niet veel vrucht droeg, en dat de christelijke godsdienst, in plaats van teniet te gaan, door de moed en de volharding van tien, die omgebracht weide, dagelijks meer en meer toenam, bepaalde met onderling goedvinden, de Christenen niet meer niet de dood te straffen, maar een anderen weg in te slaan. Zij lieten hen nu het rechteroog uitsteken, de linker knieschijf met een brandijzer verminken, en zonden hen alzo naar de mijnen, niet zozeer om te arbeiden, als wel om daar aan een langdurige kwelling te worden overgegeven.

Deze wreedheid noemden de tirannen een keizerlijke gunst en genadige barmhartigheid. Doch ook daardoor hebben zij niet veel teweeggebracht, en al hun bedoelingen waren tevergeefs; de satan woedde door zijn werktuigen, maar Christus behield met de Zijnen de overwinning.

 

Het tweede jaar van de vervolging

 

In het tweede jaar van de vervolging worden in de geschreven stukken aangenomen te zijn omgebracht, benevens ontelbare anderen:

Timotheüs, te Gaza, die in een klein vuur werd verbrand.

Agapius en Thecla, die aan de wilde dieren werden voorgeworpen.

Euplius werd onthoofd.

 

Het derde jaar van de vervolging

 

De 26e april werd, met Claudius, Cyrenius en Antonius, van het leven beroofd Marcellinus, bisschop te Rome, die, door de martelingen der tirannen, uit menselijke zwakheid eerst Christus had verloochend, doch die daarna tot berouw kwam.

De vervolging, tegen de arme Christenen uitgebroken, was overal nog even zwaar, zo in de streken van het Oosten als in die van het Westen.

In het Oosten had de stadhouder van de keizer te Antiochië laten af kondigen, dat niemand Christus mocht aanhangen op straf van gegeseld, onthoofd en gekruisigd te worden. Wegens dit bevel vielen velen van hun geloof af, doch veertig moedige en vrome jonge mannen deden zich als Christenen kennen, en beleden Christus met buitengewone vrijmoedigheid. De stadhouder, tevergeefs beproefd hebbende hen van hun belijdenis afvallig te maken, liet hen in het koudste van de winter naakt in een poel werpen, en, omdat zij des anderen daags nog leefden, tot as verbranden.

Een van deze Christenen, die nog zeer jong was, werd uit erbarming aan zijn moeder terug gegeven. Doch met haar eigen handen plaatste zij hem op de wagen, waarop de anderen lagen en vermaande hem dat hij toch de zaligen loop met zijn medebroeders zou voleindigen.

Gordius te Cesaraea, een bijzonder man, die in de grootste hitte van de vervolging zich naar een woestijn begaf, beleed eindelijk openlijk, toen er een volksfeest ter ere van Mars gehouden werd, dat hij een Christen was. Als de stadhouder lang tevergeefs, zelfs met vrienden en goede bekenden, gepoogd had, zo door smekingen als bedreigingen, om hem van zijn voornemen af te brengen, werd hij ten laatste levend verbrand.

Barlaäm, verdroeg met voorbeeldeloze standvastigheid de geselingen, pijnigingen, alsmede velerlei martelingen. Daarna bracht men een altaar van de afgoden, vulde zijn rechterhand met wierook en hield die over het vuur, opdat hij door de hitte de wierook in het vuur zou laten vallen, waardoor het ten minste de schijn had alsof hij geofferd had. Maar veel liever liet hij zijn hand verbranden, dan enig bewijs van afgoderij te tonen.

 

Romanus

 

Toen keizer Galerius met de stadhouder Asclepiades te Antiochië gekomen was, met de bedoeling en het voornemen om alle inwoners te dwingen Christus te verloochenen, zond hij zijn dienaars naar het huis waar de Christenen vergaderd waren, en wel om hen gevangen te nemen. Romanus, een edelman, dit vernomen hebbende, liep haastig naar de plaats waar de Christenen waren samen gekomen, en maakte hen niet alleen met de komst en de bedoeling van de keizer bekend, maar vermaande hen ook tot standvastigheid in het geloof. In deze vergadering beloofden zij elkaar, mannen, vrouwen, jongen en ouden, dat zij liever wilden sterven dan Christus verzaken. Toen de keizer dit vernam, liet hij Romanus, als de bewerker van dit voornemen, door de stadhouder uit de vergadering halen. Voor de stadhouder gebracht, werd Romanus op deze wijze aangesproken: "Gij verwaand mens, hoe durft gij het volk zo beroeren, dat het de goden en de keizerlijke bevelen zo veracht? Gij maakt hun wijs, dat zij eer zullen behalen, wanneer zij de goden bestormen, al worden zij allen, als de reuzen, met het vuur gestraft. Als er vele burgers hun bloed zullen storten, hebt gij dit schouwspel aangericht. Gij bent de oorzaak van hun dood; gij bent de bewerker van al dit kwaad. Nu is het betamelijk, dat gij voor alle anderen gepijnigd wordt, en dat gij aan uw lichaam zult ondervinden wat gij anderen aangeraden hebt te lijden." Met grote vrijmoedigheid antwoordde Romanus, dat hij bereid was voor allen, en ook alleen te lijden, wat men hem ook mocht aandoen. Toen beval Asclepiades, dat men hem aan de uitgerekte armen zou ophangen, en met ijzeren haken het vlees van de benen scheuren. De beulen zeiden, dat Romanus een edelman was, en dat men hem daarom op die wijze niet mocht pijnigen. Nu gebood Asclepiades, dat men hem met loden riemen zou slaan.

Toen nu de martelaar voor de naam van Jezus Christus aldus geslagen werd, dankte, en prees hij God, en zich daarna omkerende, zei hij: vanwege onze geboorte zijn wij in geen dele edel te noemen, maar de Christenheid vormt alleen edellieden. Wanneer wij goed letten op onze oorsprong, dan zijn wij herkomstig uit de mond van de eeuwigen, almachtige God. Wie Hem naar behoren dient, is voorzeker edel; wie Hem ongehoorzaam is, is onedel. Die, die om Zijns naams wil smarten lijdt, en de heerlijke tekenen der getuigenis van brand of vuur in zijn lichaam tonen kan, wordt meerdere eer aangedaan. Daarom, hoe meer gij, o boze tiran, aan mijn lichaam uw wreedheid toont, hoe edeler en heerlijker gij mij maakt. Vrij mag gij mijn afkomst of geslacht vergeten, want wat is al uw vergankelijke eer anders dan ijdele dwaasheid? Dit ziet men immers, wanneer deze voorname stadhouders met ontblote voeten voor een wagen lopen, waarop een grote steen vervoerd wordt. Wie zou zijn slaven tot zulk een dwaasheid willen laten gebruiken, gelijk gij u, vorsten, gebruiken laat? Ik schaam mij het te zeggen; maar het is nodig, dat gij uw schande hoort, al zoudt gij ook door wreedheid tot razernij vervallen. Gij beveelt mij, dat ik de eeuwige, almachtige Vader en Zijn zoon Jezus Christus moet verzaken, en dat ik met u moet vereren de menigte goden, mannen, vrouwen, kinderen en zulk onnatuurlijk gespuis, met al het overspelig, onkuis geslacht, dat een samenweefsel is van bedrog, hoererij, overspel, nijd, wantrouwen en velerlei dieverij.

"Maar zeg mij toch eens, welke God wilt gij mij bevelen te vereren? Apollo? Maar hoe kan men hem eren die zo onkuis met jongens boeleert? Zal ik de godin Cybele een offer brengen? Maar dat zal mij haar ontmande Gallus verbieden, die zij altijd om haar schandelijke onkuisheid beschreit. Mogelijk zult gij mij bevelen tot de altaar van Jupiter, de hoogste God, te gaan; maar indien hij zelf voor u werd beschuldigd, het zou nodig zijn, Romeinse wetten in boeien sloeg, naar de verordeningen van Julius. Zal ik Saturnus vereren, maar dan zal Jupiter boos zijn, die zijn vader verdreven heeft. Mars zal het niet gedogen, dat men Vulcanus ere bewijst, noch Juno dat men Hercules aanbidt. Ik zwijg van de allerschandelijkste goden Faurus, Priapus en dergelijke gedrochten. Moet men deze vereren, o goede man? Is het ook betamelijk, dat zulken heilig genaamd worden? Is het niet belachelijk, dat men met zulke oudwijfse dromen voor de dag komt, om die te vereren? Verlangt gij, dat alle goden vereerd worden, waarom bidt gij dan zelf de apen, bonden, ooievaars, de apis en het look niet aan, die de Egyptenaren als goden achten? Maar als er geen schoner beeld is dan dat van hout, ijzer of steen gemaakt is, dan moet de hamer de dank ontvangen, die aan uw bespottelijke goden het aanzien gegeven heeft. Het verwondert mij, dat gij ter ere van de beeldhouwer geen kerken en altaren opgericht hebt, die immers de scheppers en makers van uw goden zijn, en zonder welke uw goden geen beelden zouden bezeten hebben. Arme, domme mensen, schaamt gij u niet, dat gij kosten en moeiten aan zulke, dingen besteedt, en er koeien en kalveren aan offert. Aan kinderen en dwazen kan ik het vergeven, dat zij dikwerf voor een aangeklede stok bevreesd zijn, en alles heilig achten, wat hun dooi, oude vrouwen wordt wijsgemaakt. Maar gij, geleerde en verstandige mannen, die het wezen en de manier van leven en de natuur onderzoekt, en zegt, dat gij alles weet, gij behoort immers het onderscheid te kennen tussen de eeuwige en vergankelijke dingen tussen het schepsel en de almachtige Schepper.

"De eeuwige God is een onbegrijpelijk wezen, dat het verstand van alle mensen te boven gaat, dat onzienlijk buiten en binnen ons alles vervult. Hij is zonder tijd, en bestaat niet voor enige tijd, maar is altijd dezelfde; het waarachtig licht en de oorsprong van het waarachtig licht. Zelf het licht zijnde, heeft Hij Zijn licht uitgegoten, en dit licht is de eniggeboren Zoon, Die even krachtig is en een met de Vader, de glans van het licht, Die alles uit niet geschapen heeft en altijd onvermoeid onderhoudt. Door Zijn Woord heeft hij de hemel, de aarde, de zee en al wat er in is gemaakt, zodat de kracht des Vaders in het Woord begrepen is,

Deze God heeft Zijn tempel in des mensen hart, waarin het onwankelbaar geloof priester is, en offert Hem, tot een aangename offerande, eenvoudigheid, liefde, reinheid, een levende hoop, mildheid en vlijt ten beste der behoeftigen. Dusdanig offer behaagt de eeuwige, almachtige God. Wie dit verbiedt, verbiedt inderdaad een goed, oprecht leven te leiden, en trekt de zinnen van de mens tot aardse dingen. O voelbare blindheid! O vleselijke harten! Is het geen grote dwaasheid, dat men goden acht, die op natuurlijke wijze geboren zijn? En, wat de geest aangaat, in deze aardse dingen te zoeken? Wat geschapen is, als de Schepper te aanbidden? Aan gesneden hout eer te bewijzen en dat aan te roepen? Laat na, o rechter,laat na, zulke schandelijke dingen aan de mannen te gebieden, die door het geloof en de liefde van de almachtige God niet te dwingen zijn, en geen pijnigingen vrezen."

Toen de stadhouder, en de rechter Asclepiades dit hoorden, werden zij zeer toornig, en de stadhouder riep: "Help Jupiter! deze booswicht staat hier tussen de beelden en de altaar, en hij lastert de goden op zeer schandelijke wijze. Wat onze vaders zo vele honderden jaren gediend hebben, zullen wij dat in onze tijd verwerpen? Wie heeft ons toch deze nieuwe leraars beschikt? Wist men ook voor duizend jaren van Christus te spreken? Daarom, offer de goden voor het welzijn van de keizerlijke majesteit, en zo niet, gij zult het met uw bloed boeten."

Romanus antwoordde: "Ik bid nooit iets anders voor de keizer en zijn onderdanen, dan dat zij door de Heilige Geest mogen worden wedergeboren, en door het geloof in Christus de duisternis der afgoderij zullen verwerpen, en het licht der eeuwige heerlijkheid aanschouwen. Dit bid ik, dat uw keizer eens mag aanschouwen, en ook mijn keizer, als hij de mijn zijn wil. want, wanneer hij beveelt boosheid te bedrijven, wil ik zulk een keizer niet gehoorzamen.

"Vertoeft gij nog, o dienaren," zei de rechter, "doorsteekt zijn lichaam, opdat hij de ziel uitbraakt, die zo lasterlijk tegen de vorst spreekt.” Met de grootste haast volbrachten de dienaars het bevel, en sneden hem met messen recht en dwars over het lichaam, zodat het bloed op de aarde droop en zijn borstbeen ontbloot werd. "Wat gij snijdt, o rechter," zei Romanus, "doet geen pijn, maar het smart mij, dat zulk een duisternis uw hart bekneld houdt, en dat gij al het volk, dat hier rondom staat, met u laat dwalen, omdat dit door deze onze pijnigingen zich laat terughouden en vreest. Nog kan ik spreken, luistert toch allen; Christus, de glans van de eeuwige Vader, God en Schepper van alle dingen, is mens geworden, en belooft alleen hun, die in Hem geloven, zaligheid der zielen. Wie in Hem gelooft, wordt behouden, wie niet in Hem gelooft, moet na dit leven het eeuwige verderf lijden. Ik acht het niet, dat dit lichaam vergaat, dat immers van nature bestemd is om te vergaan, maar ik zie alleen op het loon dat de standvastige bereid is. 'Veracht, o verstandige mensen, wat vergaat, en jaagt naar de toekomende heerlijkheid, die eeuwig duren zal."

Toen Romanus het volk aldus aansprak en onderwees, beval de rechter, dat men hem de wangen zou opensnijden, "opdat hem," zei hij, "de spraak benomen worde." Terstond werd dit bevel door de beul volbracht. Doch Romanus zei, terwijl deze marteling aan hem volbracht was: “Ik behoorde u wel te danken, o rechter, dat gij mij zeer behulpzaam bent; want één mond was niet genoeg om de naam van Christus te verkondigen. Zie, gij opent mij vele monden, en elke mond spreekt de lof des Heeren uit."

Over zodanige standvastigheid werd de rechter verbaasd, en beval het pijnigen te staken, en zei: “Ik zweer bij het licht der zon, dat de dag van de nacht onderscheidt, de jaren en tijden doet wisselen, dat ik u met vuur zal verbranden, en aan deze uw hardnekkigheid een einde maken. Dit is immers een zonderlinge verhardheid, zo hardnekkig vast te houden aan deze nieuwe leer; want deze Christus is aan een galg gedood." Romanus zei: Ja dat is de dood, waarvan onze zaligheid en verlossing komt. Maar zulk een sacrament en verborgenheid is voor u onbegrijpelijk, die gij niet kunt of mag verstaan; en Christus zegt ons, dat wij zulke parels niet voor de zwijnen zullen werpen, opdat zij die met hun onreine voeten niet vertreden.

"Maar, aangezien gij zulke verheven redenen niet kunt begrijpen, laat het ons dan aan de natuurlijke eenvoudigheid vragen, waarin geen verkeerdheid of dubbelzinnigheid gevonden wordt. Geef ons een kind van zeven jaren, of jonger, dat nog geen gunst of haat kent, en laat ons onderzoeken wat het kind daarvan zegt. De rechter stond dit toe, en liet een kind uit het volk te voorschijn brengen, en beval dat men hem zou ondervragen. “Jongske" dus sprak Romanus het kind aan, "wat dunkt u, moet men Christus alleen dienen en de Vader in Christus, of moet men vele andere goden aanbidden?" Het kind begon te lachen en zei: Er is maar één God, want Christus is waarachtig God, zo behoort men. Hem alleen te dienen. Wij kinderen kennen niet vele goden." De tiran verwonderde zich, toen hij dit hoorde, en schaamde zich dit kind te straffen, maar kon het nochtans niet ongestraft laten gaan. Eindelijk vroeg hij het kind, wie het dit geleerd had. Het kind antwoordde hem: "Mijn moeder." "Breng de moeder hier," gebood Asclepiades, opdat zij de straf zie van het kind, dat zij bedorven heeft." Toen het hij het kind de klederen uittrekken en derwijze geselen, dat ieder er hardzeer van had; maar de moeder zag het onbewogen aan. Toen het kind aldus gepijnigd werd, riep het tot de moeder om drinken. De moeder vertroostte het en zei: "Wees welgemoed, mijn zoon, u is de fontein des levens bereid. Drink nu de kelk, die zovele kinderen te Bethlehem gedronken hebben." Daarna beval Asclepiades de rechter, dat men het kind in de gevangenis zou zetten, en dat men Romanus andermaal zou pijnigen, en gebood, dat men een vuur zou aanleggen, waarin men hem zo spoedig mogelijk moest verbranden. Doch Romanus zei: Ik beroep mij op een hogere rechtbank; en ik beroep mij over dit vonnis op Christus, niet uit vrees van te sterven, maar opdat gij zoudt weten, dat gij met vonnis niets vermoogt." Daarop beval de tiran dat men het kind zou onthoofden en Romanus verbranden. Vervolgens droeg de moeder haar kind naar de gerichtsplaats en kuste het. Terwijl de beul het kind onthoofdde, zong zij de Heere een lofzang: "Kostelijk is in de ogen des Heeren de dood zijner gunstgenoten."

Aan de andere zijde van het plein was een groot vuur aangelegd, waarin pek en zwavel geworpen was, opdat het des te beter zou branden, en Romanus werd aan een paal gebonden en in het vuur geworpen. Onverwachts viel er een zware regenbui, die het vuur derwijze uitbluste, dat het niet weer kon aangestoken worden. Toen men dit de rechter berichtte, werd hij woedend en zei: "Hoe lang zal ons deze tovenaar betoveren en bespotten? Al zou ik hem ook laten onthoofden, zo zal het mes misschien ook zijn scherpte verliezen. Maar ik zal dit onderzoeken door een deel zijns lichaams af te snijden."

Hij liet daarom de chirurgijn halen, die hem in de eerste plaats de tong uit de keel moest snijden, “waarmee hij zo schandelijk," zei de rechter, de goden en vorsten gelasterd heeft." Romanus stak vrijwillig de tong uit, en liet haar, de grootste standvastigheid aan de dag leggende, uitsnijden. Toen dit geschied was, deed de rechter Romanus naar de afgoden brengen, opdat hij die ter ere zou offeren, daar hij nu wist, dat hij tegen de goden geen lastering kon uitspreken. Bij de rechterstoel werd een altaar opgericht, waarop vuur, wierook en varkensvet ontstoken werden. Toen Romanus daar heen geleid werd en al deze toebereidselen zag, blies hij er op, alsof hij de duivel zag. Aselepiades lachte er om en zei: "Wel, kunt gij nu ook de goden lasteren zoals gij vroeger gedaan hebt? Spreek op, nu mag gij vrijmoedig spreken als u kunt." Rornanus zuchtte enige malen, begon eindelijk te spreken en zei het volgende: “Hun, die Gods lof verkondigen, zullen mond noch tong ontbreken. Men heeft geen tong nodig, waar God, die aan hen kracht en geluid geeft, geprezen wordt. En ofschoon gij Zijn macht niet kent, zo weet nu, dat Hij een Heere is, Die over de natuur heerst, Die haar geschapen heeft; en deze kan Hij verandering doen ondergaan, wanneer het Hem belieft. Op het water liep Hij als op de vaste aarde, de blinden maakte Hij ziende, de doven horende, de kreupelen wandelende; en, wat gij ook aan mij kunt zien, de stomme sprekende. Dat dit geen fabelen zijn, ziet gij voor uw ogen aan mij." De tiran verschrikte, en verbaasde zich over het wonder, en wist niet, wat hij zeggen zou. Eindelijk verweet hij de chirurgijn, dat hij in deze zaak bedrieglijk gehandeld had. Maar, toen de chirurgijn zich verontschuldigde, en voorstelde om dit te onderzoeken, liet Asclepiades de vromen getuige van Jezus Christus weer in de gevangenis werpen, waar hij met een strop verwurgd werd. Op deze wijze eindigde Romanus standvastig blijvende in de belijdenis van Christus, zijn leven.

Men vindt nog vermeld, dat in het derde jaar van de vervolging gedood zijn, en wel te Cesaraea, zekere Lucius, een jongeling van 20 jaren, die in de zee werd geworpen, voorts Dorothea, een maagd, die onthoofd werd, eindelijk, Demetrius, die als landvoogd een vervolger was, doch later een Christen en martelaar werd.

Wij wenden ons nu naar het Westen.

Te Rome werd op de 11e Februari om het christelijk geloof onder vele pijnigingen eindelijk met het zwaard omgebracht zekere Soteris, een zeer edele en schone maagd daar.

Agnes, een Romeins meisje van 13 jaren, onderging om de naam van Christus, en wel onder de stadhouder te Rome, Symphorianus genaamd, de marteldood.

Julitta, die de stadhouder des keizers aanklaagde, omdat hij haar al haar bezittingen had ontnomen; doch zij werd door de rechter als niet ontvankelijk in rechten verklaard, omdat zij weigerde de goden des keizers te vereren. Men stelde haar voor, dat zij gehoord zou worden wanneer zij de christelijke godsdienst wilde verzaken. Zij verklaarde, dat zij liever al haar bezittingen, ja zelfs haar leven verloor, dan God te lasteren. In weerwil dat enige vrienden en vriendinnen haar tot afval zochten te bewegen, werd zij standvastig blijvende, levend verbrand.

 

Het vierde jaar van de vervolging

 

In de vervolging, door Diocletianus en Maximinus begonnen, en die op buitengewoon wrede wijze plaats had, onderscheidde zich vooral Calerius Maximianus, die haar op ontzettende wijze voortzette. Door de stadhouders Peucetius, Quintianus, Theotecus en anderen liet hij de Christenen zeer wreed mishandelen. Zij werden levend verbrand, aan de wilde dieren voorgeworpen om vernield te worden, aan kruisen genageld, in grote menigte in de zee verdronken, met de hongerdood in de gevangenis gestraft, onthoofd, handen en voeten afgehouwen en aldus in het leven gelaten, terwijl het genade moest heten, wanneer zij in de grootste ellende bleven verkeren, en van al hun bezittingen beroofd werden.

Onder anderen werden er omgebracht:

Silvanus, bisschop te Emesa, een stad bij Apamea, in Syrië, werd, met vele anderen, aan de wilde dieren ter verslinding voorgeworpen.

Januarius, bisschop te Benevento, Sosius, diaken van de gemeente te Miseno, Proculus, diaken te Puzzoli, en Acutius werden samen onthoofd.

Pelagia, een jonge dochter, werd in een gloeiende oven gesmoord.

Theonas en zijn vriendinnen Cyrenia en Juliana, werden op andere wijzen van het leven beroofd.

 

Het vijfde jaar van de vervolging

 

Aurelius Maxentius was keizer geworden, en evenaarde zijn vader Herculius in wreedheid, zodat hij vele voortreffelijke en aanzienlijke mannen van hun bezittingen en hun leven beroofde. Nu en dan steeg zijn woede zo hoog dat hij een groot aantal burgers te Rome aan zijn soldaten gaf, om als in een schouwspel door ben vermoord te worden. Hij gaf zich in erge mate aan de wellust over, en onderwierp vele eerbare vrouwen en jonge dochters, die hij met kracht en geweld in zijn macht gekregen had, aan zijn bozen en onverzadelijke wil, en zond die, na haar onteerd te hebben, weer naar haar mannen of het ouderlijk huis. Hij gaf zich ook veel af met allerlei soort van toverij en duivelse kunsten. In het begin van zijn regering gaf dit dierlijk mens zich evenwel voor een Christen uit, en gebood, dat men de vervolging van de Christenen zou staken, terwijl hij nochtans geen middelen onbeproefd liet, om hen te kwellen en verdriet aan te doen. In het 1e jaar van zijn regering stierven de marteldood Theodosia, een maagd van omtrent 18 jaren die in de zee werd verdronken, en Pamphilius, die na vele pijnigingen in de gevangenis van het leven werd beroofd.

 

Het zesde jaar van de vervolging

 

De geschiedenis meldt ons, dat in het 6e jaar van de vervolging, om het christelijk geloof, werden omgebracht:

Antonius, kerkedienaar.

En die buiten kerkelijke dienst waren:

Paulus Zebinas, Germanus, Mennas en Hermogenus, beiden stadhouders in Egypte.

Voorts, Victor, van Mauritanië, die, terwijl hij werd weggeleid om te sterven, aan de soldaten opdroeg, om Maximianus die de handen weer naar de keizerlijke kroon uitstak, aan te zeggen, dat hij weldra zou sterven, wat ook gebeurde.

In dit jaar werden ook nog van het leven beroofd:

Valentina, te Cesarea, en Ennathas, beiden maagden; zo ook Katharina, een jonge dochter te Alexandrië, die na vele martelingen de 25e november werd onthoofd.

 

Het zevende jaar van de vervolging

 

In het 71e jaar van de vervolging, aldus meldt men, werden, om de naam van Christus, ter dood gebracht.

In Palestina, Pamphilius, kerkedienaar te Cesarea, en twaalf anderen; zo ook Biblis, en Aquilina, een meisje van twaalf jaren; voorts Fortunata, een maagd te Cesarea, en Procopius.

In Plirygië, en wel in de stad Laodicae: Artemon, kerkedienaar, insgelijks Throphimus en Tholus.

In Illyrië: Quirinus, bisschop te Scesca.

In Pannonië te Spalato: Felix

In Thracië, in de stad Drusipara: Alexander.

In Griekenland: Maximus, Quintilianus, Dada, Theodorus, Oceanus, Ammianus, Julianus, Eusebius, Neon, Leontius, Longianus en anderen.

Cyrus, een geneesheer in de stad Alexandrië, en Johannes. een krijgsman, die zich enige tijd in een verborgen plaats hadden opgehouden, vernamen dat Athanasia, een christelijke vrouw, en haar drie dochters, Theoctiste, Theodora en Eudoxia, wegens het geloof in groot gevaar en ongelegenheid verkeerden, gingen tot haar, en vermaanden haar tot standvastigheid. Om deze daad werden zij gevangen genomen, en, daar zij weigerden aan de afgoden te offeren, allen tegelijk onthoofd.

 

Het achtste jaar van de vervolging

 

De geschiedenis meldt ons, dat in dit jaar, om de christelijke godsdienst, werden omgebracht:

In Egypte. Petrus, Nilusen Patermythius, die allen verbrand werden.

Nog veertig anderen werden onthoofd.

In Phrygië, werd zekere stad met alle inwoners, zowel bestuurders als onderdanen, die allen de christelijke godsdienst beleden, en volgens Romeinse wijze aan de goden wilden offeren, nadat zij rondom was ingesloten, door de Romeinen verbrand. Een der voornaamste bewoners van deze stad was de hofmeester van de keizer, Adactus genaamd, die zeer hoge posten bekleedde. Hij was zeer standvastig, en als het hoofd en de leidsman van de anderen, ontving hij met de overigen de kroon der martelaren.

In Syrië, in de stad Antiochië: Antonius, kerkedienaar, Julianus, Anastasius en andere voortreffelijke personen; voorts Martionilia en haar kind Celso, Euphrateisa, zeven gebroeders en vele anderen.

In Bithynië, in de stad Nicomedië: Bassilissa, een meisje van 9 jaren, die de smarten van de slagen, het vuur en de wilde dieren doorstond, en, nadat zij haar gebed tot God had opgezonden, haar ziel aan God offerde.

 

Het negende jaar van de vervolging

 

In Egypte werden Petrus, bisschop te Alexandrië, Faustus, Didius, Ammonius, ouderlingen, benevens vele andere bisschoppen, ten getale van drie honderd, om het christelijk geloof, op de 28e november omgebracht.

 

Potamina, een jonge dochter

 

“Isidorus Xenodochus verhaalde mij," zegt Palladius, “een zeer merkwaardige geschiedenis, die hij verklaarde uit de mond van de zaligen Antonius gehoord te hebben, van een zeer schone jonge dochter, die ten tijde van keizer Maximianus, toen hij de christelijke gemeente vervolgde, dienstbaar was bij een wellustigen heer, die haar menigmalen, doch tevergeefs, tot ontucht zocht te verleiden. Uit wraak gaf hij haar, onder vreselijke woede aan de stadhouder te Alexandrië over, en beschuldigde haar, dat zij een Christin was, daar zij om de vervolging en de pijnigingen, die de keizer de Christenen aandeed, de keizers lasterde en vloekte. Hij beloofde de stadhouder een grote som geld, indien hij haar bevreesd kon maken, en zei: Als gij haar weet te overreden, zodat zij aan mijn wil gehoorzaamt, bewaar haar dan en straf haar niet. Maar, indien zij hij haar reinheid hardnekkig volhardt, straf haar dan met de dood, opdat zij, in het leven blijvende, mijn onkuisheid niet verachte."

Toen deze standvastige dienstmaagd voor de rechterstoel van de stadhouder gebracht was, werd zij met verschillende werktuigen op onmenselijke wijze gepijnigd, doch zij bewaarde haar hart tegen alle aanvechtingen des vleses en was onbeweeglijk als een rots. Onder de pijnigingen, door de rechter uitgedacht om haar aan te doen, was er een, die de andere in wreedheid te boven ging. Hij liet, namelijk, een groten ketel met pek vullen, en een groot vuur daar onder aanleggen, zodat het pek gloeiend heet werd en kookte. Vervolgens zei de tiran: Ga heen, en wees aan de wil van uw meester onderdanig, of ik zal u in de ketel met kokend pek laten werpen." Zij antwoordde daarop: "Het zij ver, dat gij zulk een onrechtvaardig rechter zoudt zijn, om mij te dwingen aan de wellust en de onkuisheid van mijn meester te gehoorzamen." Om deze woorden vertoornde de rechter zich derwijze, dat hij de beulen gebood, dat zij haar geheel moesten ontkleden en in de ketel smoren. Tot een bewijs van haar moed, riep zij de rechter met luide stem toe: “Ik bid u, zo lief gij de keizer hebt, die gij met eerbied vreest, als het uw voornemen is, mij op deze wijze te doden gebied dan, dat men mij niet terstond geheel, maar langzamerhand in de ketel met kokend pek laat neerdalen, opdat gij zien mag hoe grote lijdzaamheid mij Christus gegeven heeft, die gij niet kent." Men liet haar dan ook zeer langzaam, gedurende een uur gedurig wat lager met de voeten benedenwaarts in de ketel neer, en zij overleed eerst toen het gloeiend pek haar mond bereikte.

Chrysogonus, een Romein en onderwijzer van een edele Romeinse dochter, Anastasia genaamd, werd ook, om de christelijke godsdienst, van het leven beroofd. Anastasia, die, tegen haren wil, door haar ouders aan zekere Publius, een vijand van de christelijke godsdienst, uitgehuwelijkt was, weigerde bij hem te blijven, reisde naar Aquila, en onderging daar met nog vier andere maagden een vreselijk lijden.

Anysia, een meisje te Thessalonika, uit rijke en ook christelijke ouders geboren, werd daar in de tempel gedood, en wel tijdens Maximianus door zeker bevel aan ieder vrijheid had gegeven de Christenen, waar men die ook ontmoette, dood te slaan.

In deze stad bezegelde Demetrius, een voortreffelijk en ijverig leraar, de waarheid van het evangelie met zijn bloed.

Men leest ook nog, dat in het 9de jaar van de vervolging omgebracht werden Theodorus, een bisschop, Philemon en Cyrilla.

 

Het tiende en laatste jaar van de vervolging

 

In het 10e jaar van de vervolging werden ook onderscheiden personen, meest allen in het Oosten, omgebracht, wegens het christelijk geloof.

 

Lucianus, een ouderling

 

Lucianus, een ouderling te Antiochië, was een zeer godzalig, welsprekend en geleerd man en bovenal geoefend in de Heilige Schrift. Te Nicomedië, waar keizer Maximianus en ook de vorige Oosterse keizers hun verblijf hielden, werd hij door de stadhouder gevankelijk binnen gebracht. Op uitstekende wijze verantwoordde hij zich daar mondeling, en bezegelde later zijn geloof met zijn bloed.

Toen hij voor de rechterstoel stond, vroeg de rechter hem: "Lucianus, aangezien gij zulk een verstandig en wijs man bent, waarom volgt gij dan de sekte, waarvan gij toch geen reden kunt geven? Of indien gij er reden van geven kunt, laat ons die dan horen. Toen men hem verlof gaf om te spreken, gaf hij van zijn geloof op de volgende wijze rekenschap:

"Het is bekend, dat wij een God vereren, Die ons door Christus verkondigd is, en door de Heilige Geest aan ons hart verzegeld. Want, wij zijn door geen menselijke woorden, zoals gij denkt, of door de gewoonten onzer voorouders tot dwaling gebracht. God zelf is onze Leermeester. De godheid en Zijn hoge majesteit kunnen door geen menselijk verstand begrepen worden, zo die niet door de kracht van de goddelijke Geest en door de schriftmatige uitlegging van Zijn Woord en van Zijn wijsheid verklaard worden. Ik beken gaarne, dat wij in vroeger tijden gedwaald hebben, en beelden gediend, die wij met onze eigen handen hadden gemaakt, denkende dat zij de hemel en de aarde geschapen hadden; maar hun vergankelijkheid en de eer, die hun door ons werd aangedaan, bewezen het ons geheel anders. De almachtige God, die niet door mensenhanden gemaakt is, maar wiens maaksel wij zijn, verdroot het zeer, dat de mensen zo dwaalden. Daarom zond Hij Zijn eeuwige Wijsheid van de hemel in het vlees, opdat wij God zouden leren kennen, en Hem, Die de hemel en de aarde geschapen heeft, niet in voorwerpen door mensenhanden gemaakt, maar in de onzichtbare eeuwigheid zouden zoeken. Deze heeft ons wetten en geboden voor het leven gegeven, dat wij matig zouden zijn, in armoede ons verblijden, zachtmoedigheid, geduld en eenvoudigheid van het hart zouden beminnen en leren lijden.

"Alles wat gij nu in woede aan ons doet, heeft Hij Zelf voorzegd, dat ons zou overkomen; dat wij voor koningen zouden worden geleid, voor rechterstoelen gesteld en als slachtvee zouden gedood worden. Daarom heeft Hij ook, Die als het Woord en de Wijsheid des Vaders onsterfelijk was, Zichzelf overgegeven in de dood, opdat Hij ons in Zijn lichaam een voorbeeld van lijdzaamheid zou geven. In de dood is Hij niet gebleven, maar ten derde dage weer uit de doden opgestaan. Hij stierf niet, zoals de valse, leugenachtige gerechtshandel van Pilatus zegt, waarin Hij van kwaad wordt beschuldigd, maar onschuldig, onbevlekt en rein. Alleen daarom stierf Hij, opdat Hij de dood door Zijn opstanding zou overwinnen. Wat ik zeg, is niet in ’t geheim geschied, en het heeft geen getuigen van node. Bijna het grootste gedeelte der wereld weet, dat het waarachtig is, ja gehele steden, plaatsen en vlekken bekennen het. En, wilt gij die nog niet geloven, roept de plaats, waar het geschied is, tot getuige. Jeruzalem getuigt het en de gescheurde steenrots van Golgotha, ook de grafspelonk, die zijn lichaam levend teruggaf. Of meent gij, dat de aardse dingen niet voldoende zijn om het te staven, neemt dan de hemel tot een getrouw getuige. De zon bekende het, die deze dingen op de aarde door de goddelozen zag geschieden, en haar licht op aarde verdonkerde. Zoekt in uw jaarboeken, en daarin zult gij vinden, dat, ten tijde van Pilatus, toen Christus leed, het licht door de verduistering der zon was geweken.

"Maar blijkt het nu, dat gij de getuigenis der aarde, van de hemel en het bloed niet aanneemt in de dingen, waarvan gij de waarheid door pijnigingen onderzoekt, hoe zult gij dan mijn woorden en het bewijs er van geloven?"

Toen deze vrome martelaar met zulke woorden het volk langs hoe meer tot zich begon te trekken, werd hij terstond in de gevangenis geworpen, en daar, om geen opstand onder het volk te verwekken, ter dood gebracht.

Pantaleon, een wijd beroemd geneesheer in de stad Nicomedië en daarom door keizer Maximianus hoog geëerd, beleed voor hem, dat hij een christen was, waarom hij velerlei onmenselijke wreedheden, om de naam van Christus, moest verduren. Toen hij door het werpen in een ketel niet gesmolten lood en in het water met een zware steen aan de hals niet kon gedood worden, noch door de wilde dieren, waarvoor hij geworpen werd, verscheurd, werd hij eindelijk na vele voorafgaande martelingen, onthoofd. Op zijn lijdensbaan had hij tot metgezellen Hermolaüs, een voortreffelijk belijder van Christus, Hernippus en Hermocras, die op gelijke wijze de martelaarskroon ontvingen.

Aan Eugenius, daar hij de goddeloosheid der heidenen openlijk bestrafte, werd de tong uitgesneden, handen en voeten werden afgehouwen, en alzo eindigde hij zijn aardse leven.

Auxentius, een diaken in de gemeente der Auracenen, in Azië, werd onthoofd.

Maodatius werd bij de tenen opgehangen en met gloeiende priemen doorboord, verder, met fakkels verbrand zijnde, van het tijdelijke leven beroofd.

Juliana, een zeer schone maagd te Nicomedië, die het huwelijk afsloeg met een raadsheer, Eleusus genaamd, omdat hij een afgodendienaar was, werd ook, na verscheidene martelingen om de naam van Christus ondergaan te hebben, om het leven gebracht.

Fausta, een maagd te Cyrene, die van rijke ouders geboren was, werd om haar christelijke belijdenis, door Eulasius, een opziener van het paleis des keizers, gevangen genomen. Door haar standvastigheid echter, zelfs temidden van vele zeer wrede martelingen, bekeerde zij Eulasius tot Christus, en daarna ook de stadhouder Maximinus. Later werden deze drie als martelaren omgebracht.

De geschiedenis maakt nog melding van zeer vele martelaren, die, om de getuigenis van Jezus Christus, in deze wrede vervolging door de Romeinse keizers op verschillende wijzen werden omgebracht, en wel in onderscheiden landen en koninkrijken, die wij echter, om niet in een te grote uitvoerigheid te vervallen, alle niet zullen vermelden. Naar onze overtuiging zijn de boven beschreven genoeg, om ieder de onmenselijke tirannie en wreedheid te tonen, door de heidense keizers jegens de vrome christenen en oprechte belijders der christelijke waarheid gepleegd.

 

De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse rijk

 

Na de boven vermelden tijd genoten de christenen weer rust door Constantijn, die de keizer en tiran Maxentius en zijn gehele legermacht ten onderbracht en de christenen grote gunst bewees. Licinius evenwel, zijn medebestuurder in het rijk, gaf zich gedurende enige tijd wel voor een christen uit, maar legde later dit masker af, en gaf zich in het openbaar aan afgoderij over. Hij vervolgde toen op zeer wrede wijze de christenen, deed hun dagelijks geduchte pijnigingen aan, en het hen op velerlei wijzen ter dood brengen. Maar de almachtige God, Die de Zijn met ten enenmale verlaat, en de kwaden naar verdiensten straft, bestuurde het, dat keizer Constantijn de overwinning op hem behaalde, en hem eindelijk geheel ten onder bracht. Keizer Constantijn, nu alleen keizer geworden zijnde, wendde terstond alle middelen aan om het Rijk van Christus uit te breiden, en de afgoderij, niet alleen, waar hij door zijn macht zulks doen kon, maar ook hij alle andere vorsten en volken, uit te roeien.

In dezen tijd gingen de Indianen en de bewoners van Armenië tot het Christendom over, terwijl ook de Perzen tot Christus werden bekeerd. Maar, aangezien zulk een overgang zonder vervolging en bloedstorting, in deze tijden niet goed kon plaats hebben, zette de satan de wijzen, Magiërs genaamd, en Joden tegen de christenen op, die met leugen, zoals hij vanouds gewoon is, Simeon, een opziener der gemeenten te Seleucië en Ctesiphon, bij de Tiger, bij de koning Sapores beschuldigde, dat hij een vriend was van de Romeinse keizer en hem de geheimen van het rijk openbaarde. Sapores, die aan de beschuldiging geloof sloeg, bezwaarde de christenen met drukkende belasting en liet de godvruchtigen Simeon, in ketenen geklonken, tot zich brengen. Toen nu Simeon binnen geleid was, en zich onbevreesd aanstelde, gebood de koning hem, dat hij de zon zou aanbidden, en beloofde hem, wanneer hij dit deed, met grote eer en rijkdom te zullen overladen; maar, wanneer hij bleef weigeren, zou hij en al de christenen gedood worden. Toen Simeon volstandig bleef, hield hij hem gevangen, terwijl hij hoopte hem na verloop van tijd te buigen en daartoe te bewegen.

Toen hij naar de gevangenis geleid werd, zag hem Ustazades, de leermeester des konings, en toen opzichter over het koninklijk paleis. Deze stond op en boog zich voor Simeon neer; doch Simeon wendde zich met verachting van hem af, en wel omdat Ustazades eenmaal christen geweest was, maar, toen hij met geweld was gegrepen, zich voor de zon had neergebogen. Na deze bejegening weende Ustazades zeer, en terwijl hij zijn prachtgewaad aflegde, trok hij rouwklederen aan, en plaatste zich al zuchtende en wenende naast het paleis des konings. "Och," zuchtte hij, "hoe zal God nu goed jegens mij zijn, die ik verzaakt heb, nu Simeon, mijn goede vriend, mij niet wilde toespreken, en met gramschap van mij geweken is”. Toen koning Sapores dit vernam, liet hij hem roepen, en vroeg hem naar de oorzaak van zijn droefheid, en onderzocht of er ook een ongeluk in zijn huis had plaats gehad. Ustazades antwoordde: "O mijnheer koning, in mijn aardse huis is geen ongeluk voorgevallen; maar voor hetgeen mij nu wedervaren is, wenste ik wel, dat mij ander leed geschied ware! Ik ween, omdat ik nog leef, daar ik reeds sedert lang had moeten gestorven zijn, omdat ik op uw bevel, tegen mijn gemoed, de zon heb aangebeden. Het is daarom billijk, dat ik sterf, want ik heb Christus verzaakt en u bedrogen." Terwijl hij dit zei, zwoer hij bij de Schepper van de hemel en der aarde, dat hij zijn belijdenis niet intrekken zou. Koning Sapores verwonderde zich over de vrijmoedigheid van deze man, en verbitterde jegens de christenen in hoge mate, alsof hij daardoor de lieden als het ware had kunnen betoveren. Eindelijk, na veel smeken en bidden, na schone beloften, en veel bedreigingen, beval de koning de oude man, die hem en zijn vader zo lange tijd gediend had, te doden. Toen Simeon dit vernam, dankte en loofde hij God daarvoor. De andere dag liet de koning hem het hoofd afslaan; met hem werden nog honderd anderen op dezelfde dag gedood. Simeon onderging zijn straf het laatst, opdat hij de dood van de anderen zien zou. Hij versterkte hen met de hoop op de toekomstige opstanding, en met het onvermengd genot der godzaligheid, dat hij krachtig met de Schrift bewees, zeggende: "Alzo te sterven is een waarachtig leven, maar God te verzaken is een gewisse dood. Al worden wij ook door niemand gedood, wij moeten toch eens sterven; want dit is het einde van allen, die geboren zijn en leven. Daarna volgt de eeuwigheid, die voor ieder echter niet hetzelfde wezen zal, want ieder ontvangt loon naar wat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Onder alle schatten is er geen beter of zaliger dan te sterven voor de naam van God." Onder deze toespraak van Simeon, waardoor hij de martelaren voor Christus' naam zeer in het geloof versterkte, gingen zij moedig de dood te gemoed. Eindelijk kwam de beul tot Simeon, Abedachaäla en Ananias, welke beiden ook met Simeon gevangen genomen waren. Bij hen stond een man, Piscius genaamd, die opziener was van het paleis des konings. Deze zag dat Ananias beefde toen hij gedood zou worden, en zei tot hem: "0 gij oude man, doe uw ogen een weinig toe en wees onversaagd, want terstond zult gij de heerlijkheid van Christus zien. Toen hij dit zei, werd hij terstond gevangen genomen, op wrede wijze hem de tong uitgesneden en gedood. Zijn dochter werd evenzeer aangeklaagd, dat zij een christin was, gevangen genomen en ter dood gebracht.

De geschiedenis meldt, dat daar op onderscheiden wijzen, meer dan zestien duizend christenen werden omgebracht, zodat keizer Constantijn hem in een uitvoerig schrijven op het hart drukte, zulke wreedheden jegens de christenen te staken.

 

De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong van de Antichrist

 

[JAAR 480.]

 

De christenkeizer Constantijn, zoon van Helena, liet in het jaar 330 de stad Byzantium verfraaien en vergroten en naar zijn naam noemen Constantinopel en nieuw Rome. Derwaarts bracht hij de zetel van het Romeinse rijk over, en vestigde zich daar, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot de verdeling van het Romeinse rijk. De opperkeizer had zijn zetel te Constantinopel, en werd keizer genaamd van het Oosterse rijk; terwijl hij te Rome een medekeizer had, die men keizer van het Westerse rijk noemde. Deze verdeling bleef voortbestaan tot de tijd der koninklijke regering, zijnde het jaar 476 na Christus' geboorte. Intussen waren sommige volken opgestaan en hadden zich onafhankelijk gemaakt, zoals de Wandalen, Gothen, Franken, Longobarden en Herulen, die de keizer van het Westerse rijk verdreven, Italië en Rome overweldigden en innamen, zodat Zeno, keizer van Constantinopel, de geweldigen Odoacer met zijn wapenen niet ten onder kon brengen wegens de kracht, waarmee hij zich in het Romeinse rijk staande hield. Rome noemde hij naar zijn naam Odoacria.

In deze tijd waren ook de bisschoppen niet eensgezind onder elkaar, zij gedroegen zich zeer twistziek en oproerig, terwijl de een de ander vervolgde en verdreef. Ieder van hen wilde de voornaamste zijn. De les van Christus was vergeten, Matt. 20, vs. 26. "Wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar." Zij waren allen in erge mate aan eerzucht, overgegeven, waarvan het gevolg was, dat er dwalingen .inslopen, en sekten, ketters, valse profeten en verleiders opstonden. Wie zou gedacht hebben, dat het zout zo spoedig smakeloos zou worden!

Men was er getuige van, dat Cyrillus, een geleerd man en bisschop te Jeruzalem, twist kreeg met Achatius, bisschop te Ceseraea, in Palestina. Lucius gebruikte geweld, om het bisdom van Alexandrië in handen te krijgen. Ursinus benijdde Damaskus de bisschop te Rome. Deze allen waren, als het ware voorlopers van de grote Antichrist, wiens pad door deze verkeerdheden gebaand werd. De sekten, die nu ontstonden, deden veel kwaad, en vooral de Arianen, die vele vorsten en voorname personen tot hun sekte verleidden. Toen keizer Valens, door de invloed van zijn vrour, een aanhanger der Arianen geworden was, verdreef hij vele rechtzinnige bisschoppen, en onder die Meletius van Antiochië, Eusebius van Samosata, Pelagius van Laodicea, Barses van Edessa, Evagrius van Constantinopel. De vervolging en de onderdrukking waren zwaar; nergens was men vrij, overal heerste onuitsprekelijke benauwdheid. Toen de keizer te Antiochië kwam, liet hij er velen doden. Van daar vertrok hij naar Edessa, en terwijl hij daar vernam, dat meest al de inwoners een afkeer hadden van het Ariaanse gevoelen, sprak hij daarover de stadhouder op hoogst verbolgen wijze, onder het geven van slagen in het aangezicht, aan, en vroeg, waarom hij dezulken niet uit de stad had verdreven. De stadhouder, die de keizer wilde believen, en aan de anderen kant evenwel niemand doden of vervolgen, gebood heimelijk, dat zich niemand moest aanmelden om als martelaar te lijden. Doch dit baatte niet, want de volgende dag liepen de moedige christenen in grote menigte naar de tempel, om daar, wanneer dit geëist werd, gedood te worden. Onder anderen kwam de stadhouder tegemoet een arme vrouw, met haar zoontje aan de hand. Op de vraag van de stadhouder, waar zij zo haastig naar toe liep, antwoordde zij: Naar de plaats, waar ik mijn ziel en die van mijn zoon wil opofferen." Toen de stadhouder dit hoorde en zeer ontsteld werd, deelde hij het aan de keizer mee, en zei, dat het een wrede en onmenselijke zaak zou zijn, zulk een grote menigte, in zo korte tijd, om te brengen. De keizer verwonderde zich hierover, en was dermate bewogen, dat hij gebood zijn wreed bevel niet ten uitvoer te brengen.

Toen nu, zoals verhaald, de onbeschaafde naties de overhand verkregen, en vele landen en steden verwoestten, dat als een zekere roede en straf van de almachtige God was aan te merken, begon de Antichrist zich hoe langer hoe meer macht aan te machtigen. Tevoren was er aangaande hem voorzegd, dat hij uit de bisschoppen of opzieners der gemeenten zou voortkomen, zoals Paulus zegt, Hand. 20, vs. 30, en Johannes in Zijn 1e brief, Hoofdst. 2, vs. 19. En wat door de Heilige Geest voorzegd is, moet vervuld worden. Daarom willen wij dit uit de oude geschiedenis wat nader meedelen.

Tijdens het bestuur van Odoacer te Rome, zoals wij boven verhaald hebben, begon het verborgen werk van de Antichrist zich te openbaren. In het jaar 480 namelijk, verzocht Acbatius, bisschop van Constantinopel, aan Simplicius, bisschop te Rome, dat hij Petrus. bisschop te Alexandrië, in de ban zou doen. Daaruit ontstonden dadelijk twisten over de macht van de stoel te Rome, namelijk, of hij de voornaamste was, en het Hoofd der bisschoppen, welke twisten lange tijd onder de bisschoppen hebben geheerst. De andere bisschoppen, opvolgers van Achatius, waren daarmee niet tevreden, maar begeerden, dat men de bisschop van Constantinopel, waar de zetel des keizers was, als de voornaamste en algemene bisschop zou erkennen.

Toen eindelijk Phocas door verraad en moord zich meester van het keizerrijk gemaakt had, verlangde Bonifacius de derde, dat de stoel te Rome de opperste zou genoemd worden boven alle bisschoppen der gehele christenheid en het hoofd der gemeenten; wat hem werd toegestaan en vergund.

Bedenk toch, van wie de pausen hun macht ontvangen hebben, namelijk van zulk een, die keizer Mauritius,zijn heer en meester, vermoord had. Tot die tijd placht men geen bisschoppen te Rome in hun ambt te bevestigen dan alleen met de wil en de toestemming van de keizer; van daar dat zij niets belangrijks tegen de keizer durfden ondernemen. Maar zij rustten niet, totdat deze bevestiging was afgeschaft, hetwelk in het jaar 670 plaats had. In deze tijd regeerde Constantinus de vierde als keizer, die aan Benedictus de tweede, bisschop te Rome, de vergunning gaf, dat, wie door de geestelijkheid en het volk te Rome tot bisschop gekozen werd, door ieder als het hoofd en de stedehouder van Christus zou erkend worden, zonder enige keizerlijke aanstelling af te wachten. Na verloop van tijd gaf dit de bisschoppen van Rome zulk een macht, dat hun invloed en gezag voor koningen en keizers geducht geworden zijn.

Omtrent veertig jaren daarna, begonnen zij zich tegen de keizer te verzetten en hun macht te tonen; want paus Constantinus liet beelden schilderen in het portaal van de St. Pieterskerk, waar keizer Philippicus en de Griekse bisschoppen zeer tegen waren. Enige jaren later, namelijk in het jaar 726, gebeurde het, dat Leo Isaurus de derde, keizer te Constantinopel, die zeer ervaren was in de Heilige Schrift, een edict uitvaardigde, om alle beelden uit de kerken van zijn rijk te weren, en beval dit zelfs aan Gregorius de tweede, bisschop te Rome. Hierdoor maakte zich de vrome keizer zo gehaat bij het Italiaanse volk, dat het hem een beeldstormer noemde, en sommigen zelfs een anderen keizer wilden kiezen. Dit was ook niet naar de zin van de bisschop te Rome, want de hooghartigheid der bisschoppen in Italië kon zich met de keizer niet verstaan. Het volk werd zelfs zo oproerig, dat Paulus, stadhouder des keizers, te Ravenna, met zijn zoon door het volk gedood werd. Toen de keizer nog niet ophield om het gebod Gods te gehoorzamen, dat Exod. 20, vs. 4 gebiedt: "Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken," deed paus Gregorius hem in de ban, en hitste de Longobarden tegen de keizer op, die tot nu toe steeds een stadhouder te Ravenna hadden, en nu Ravenna belegerden en met geweld innamen, en alzo de macht en heerschappij van de keizer in Italië verbraken. Luitprand, koning der Longobarden, wilde het gedeelte van Italië, dat aan het rijk van Constantinopel was ontnomen, zelf bezitten, natuurlijk tegen de zin van de paus; hij nam al de omliggende steden in, en belegerde eindelijk ook Rome. Hulp en bijstand zocht de paus niet, zoals hij vroeger deed, hij de keizer, daar hij hem wegens het verbod der beelden, in de ban gedaan had. Hij zond nu boden tot Karel Martel, de opperhofmeester van het koninklijk paleis in Frankrijk, en bad hem om bijstand voor Rome en de heilige kerk. Karel voldeed daaraan, door Luitprand, die zijn vader en vriend was, met vriendelijke woorden daarvan te doen afzien. Van die tijd af werd het Romeinse rijk niet meer door de Grieken, maar door de Franken beschermd.

Na de dood van Karel Martel, werd Pepijn, zijn zoon, door de koning van Frankrijk, tot dezelfde eer en waardigheid verheven; deze echter, geleid door zijn hooghartigheid, beraamde middelen, waardoor hij het best Childerikus, zijn koning, uit het rijk kon verdrijven. Hij verzocht dit aan het hoofd der kerk, namelijk de paus, van wiens gunst, om de wil van zijn vader, hij zich verzekerd durfde houden. Hij liet paus Zacharias vragen, wie meer waardig was koning te zijn, hij, die alleen de titel droeg en het rijk met raad noch daad kon helpen, of hij die al de zorgen van het rijk alleen droeg. Paus Zacharias verstond deze slimme streek zeer goed, kende aan Pepijn de koninklijke eer toe, en achtte hem waardiger koning van Frankrijk te zijn, dan Childerikus. Pepijn werd alzo koning, en liet Childerikus, zijn koning en heer, naar een klooster voeren. En, opdat de Franken Pepijn niet als een ontrouwe en meinedige zouden verwerpen, ontsloeg de paus hem van de eed, die hij aan zijn vorst had gezworen, en gebood de Franken, dat zij hem als koning zouden gehoorzamen. Dit geschiedde omtrent het jaar onzes Heeren, 753.

Toen Constantinus de vijfde, zoon van Leo, keizer geworden was, riep hij te Constantinopel een kerkvergadering samen, waarin uit de Griekse en Aziatische gemeenten driehonderd acht en dertig bisschoppen verschenen, die onder andere ook spraken over het maken, eren en aanbidden van beelden en overblijfselen van heilige personen of zaken. Er werd uitgesproken, dat de verering en aanbidding van beelden en overblijfselen van heilige zaken en personen loutere afgoderij was, in strijd met Gods heilig Woord. Deze Synode of kerkvergadering werd gehouden in het jaar onzes Heeren 755.

De keizer volgde zijn vader na met de beelden uit de tempels te doen wegnemen, en zond het besluit van de kerkvergadering aan de paus en gebood hem, dat hij de beelden zou doen wegruimen. De paus verklaarde zich echter daartegen, en riep een andere kerkvergadering samen te Rome, waarin besloten werd, dat men de beelden van God, van onze Zaligmaker Jezus Christus, van de maagd Maria, van de Apostelen, en van andere heiligen moest vereren, en dat hij, die deze algemene gewoonte en het getrouw gebruik verachtte, en de beelden wegnam en vernielde, buiten de gemeenschap der heilige kerk zou gesloten worden.

Na de dood van de keizer werd zijn zoon, als erfgenaam van het rijk, keizer van Constantinopel, onder de naam van Leo de vierde. Tot echtgenote had hij een edele, schone en zeer kundige vrouw, Irene genaamd, die hem een zoon schonk, Constantinus de zesde geheten. Nadat Leo overleden was, eigende zij zich de regering toe, omdat Constantinus nog te jong was om te regeren. Op verlangen van de bisschop Theodorus liet zij het lijk van keizer Constantinus, haar schoonvader, opgraven, in het openbaar verbranden en de as in zee werpen, omdat hij in zijn leven de beelden had laten verwijderen, en de versierselen in de kerken had laten wegnemen.

Zij riep ook een kerkvergadering samen te Constantinopel, waarin voorzitter was de patriarch Tarasius, terwijl daar ook tegenwoordig waren de gezanten van paus Adrianus, waar de zaak der beelden op heftige wijze werd besproken. De patriarch en zijn aanhangers waren voor het gebruik der beelden, en Basilius, bisschop te Ancyra, en sommige anderen er tegen. Na veel getwist, geschreeuw en oproer, van de zijde van het volk, ging de vergadering eindelijk onverrichter zake uiteen.

Omtrent twee jaren later riep de keizerin Irene, uit naam van haren zoon Constantinus, andermaal een kerkvergadering bijeen te Nicea, waarin 350 bisschoppen verschenen. Eindelijk kreeg het gebruik der beelden, op aandringen van paus Adrianus, de overhand, en werden die in alle Griekse kerken weer ingevoerd en opgericht.

De wijze om die te vereren werd aldus beschreven:

 

God wordt u door dit beeld geleerd,
Maar God zelf is het niet;
Aanschouw het toch, opdat gij eert
Met 't hart, wat u er in ziet.

 

Toen dit aldus besloten was, liet Irene bijna in alle kerken beelden en schilderijen plaatsen, en hield niet eer op dit bijgeloof te bevorderen, dan nadat haar zoon Constantinus zelf het keizerrijk aanvaardde. Aangezien hij zijn vader in godzaligheid navolgde, zo liet hij weer alles wegwerpen, verbreken en verbranden, wat zijn moeder had opgericht.

Toen dit in de Griekse landen voorviel, werd ook over het gebruik der beelden in Spanje druk gesproken. In de stad Elvira, thans Granada genaamd, namelijk, werd een kerkvergadering gehouden, waaraan negentien Spaanse bisschoppen en zes en dertig priesters deelnamen. De voornaamste onder ben was, zegt men, zekere Felix, bisschop te Aquitanië. Na vooraf gegane wijdlopige behandeling werd besloten, de gelovigen te vermanen, dat zij alles in het werk moesten stellen, om de beelden uit de huizen te weren; dat men ook in de kerken geen schilderijen moest plaatsen, opdat niet aan de wanden zou geschilderd worden, wat men vereerde en aanbad. Toen men dit besluit te Rome vernam, deed de paus zijn best, dat men ook in Duitsland zich niet tegen de beelden zou verklaren, waartoe hij zijn gezanten daarheen afvaardigde. Niettegenstaande deze voorzorg, werd er toch door koning Karel de Grote te Frankfort een kerkvergadering bijeen geroepen, waarin verschenen twee honderd vijf bisschoppen, uit Italië, Frankrijk, Duitsland en andere landen. Er werd besloten, dat men de beelden niet moest vereren noch aanbidden, terwijl ook tevens werd veroordeeld de Kerkvergadering ten tweede male gehouden te Nyeala, daar men ontkende, dat zij algemeen was, en dat zij de naam daarvan geenszins verdiende. Op deze wijze werd in die tijd de verering en aanbidding van beelden verhinderd.

Omdat dit te Frankfort, in Duitsland, plaats had, beging Irene te Constantinopel een wrede zaak. Daar zij zag, dat verworpen en verstoord werd, wat zij met grote kosten en veel moeite opgericht had, overviel zij, op raad en door verraad van sommige pausgezinden, haren zoon de keizer op listige wijze, beroofde hem van de regering, liet hem de ogen uitsteken en in een akelige gevangenis werpen, terwijl hij niet lang daarna van hartzeer en smart stierf. Dit overkwam hem alleen van die wreedaards, welke bij wilde dieren kunnen vergeleken worden, omdat hij het gebod des Heeren, om de beelden neer te werpen, gehoorzaamde. In die tijd zoals Eutropius verhaalt, was de zon zeventien dagen achter elkaar verduisterd, en gaf haar schijnsel niet, zodat de schepen op zee verdwaalde, terwijl ieder zei, dat dit geschiedde omdat de keizer van zijn ogen was beroofd. Deze afgodische lieden werden echter door dit wonder niet verschrikt, maar gingen in hun boosheid voort. Dit geschiedde omstreeks het jaar van onze Zaligmaker 797.

In deze onrustige tijd beging Leo de derde, paus te Rome, een zeer stoute daad, en gaf de keizerlijke kroon van het Romeinse rijk, die vroeger de keizer van Constantinopel toebehoorde, aan de Fransen over, aangezien de bewoners van Constantinopel, om het niet toelaten van beelden in de kerken, door de paus in de ban waren gedaan. Men kan echter wel aannemen, dat deze verwisseling niet plaats bad zonder toelating, van keizerin Irene, daar de paus graag een huwelijk gesloten zag tussen Karel. de Grote en Irene. Dit zou ook geschied zijn, zo het niet ware verhinderd door Betius, de raadsheer, en Nicephorus, de veldheer der Grieken. Deze beschuldigden Irene, en overwonnen haar, dat zij het rijk verraderlijk aan de Fransen wilde afstaan, waarom zij te Lesbos gevangen genomen werd. De Grieken verkozen Nicephorus tot keizer; doch door de Romeinen en in de Westelijke landen werd hij niet als keizer erkend, terwijl deze koning Karel de Grote tot zich riepen, hem tot keizer verklaarden, en beweerden, dat hij door God was gekroond.

Ten gevolge der overgave van het keizerrijk aan de Fransen door het bedrijf van de paus, ontstond er grote haat tussen de Grieken en de Romeinen, waardoor de Saracenen en daarna de goddeloze Turken zeer machtig werden. Want ofschoon de keizers van Constantinopel, Nicephorus, Michaël en Leo met Karel vriendschap zochten aan te knopen, vertrouwden de Grieken de Fransen echter niet. De Fransen hielpen ook de Grieken niet, toen zij door de Saracenen overvallen en onderdrukt werden, zorgende indien de Grieken de overhand kregen, en geen andere vijanden hadden, dat zij hun macht niet zouden aanwenden tegen de Fransen, teneinde het Romeinse rijk weer in handen te krijgen. Uit haat, voortvloeiende uit grote eerzucht, namen de Saracenen of Mohammedanen steden en landen in, en roeiden de christelijke godsdienst uit, hetgeen plaats had omtrent het jaar 803. Zulk een wond werd de christenen geslagen, terwijl zij, om de afgoderij, door vreemde vorsten werden overweldigd, zoals voormaals de Israëlieten wedervoer. Toen Karel door de paus in het rijk bevestigd was, leverde hij hem alle landen (die vroeger aan zijn vader waren afgestaan) over, en maakte met hem een vast verbond. Op deze wijze verkreeg de Antichrist aan de een, en de Turk aan de andere zijde, die beiden dodelijke vijanden der ware christenheid waren, meer en meer macht en geweld.

 

Adelbertus Gallus

 

[JAAR 900.]

 

In deze tijd, toen de rijkdom, de macht en het geweld van de Antichrist dagelijks toenamen, kreeg ook het bijgeloof de overhand, terwijl de ware godsdienst werd verdrukt en als met de voet vertreden. Menig godvruchtig mens klaagde daarover op Jammerlijke wijze, en zeer weinigen hebben zich daartegen verzet, want de tirannie van de paus was zo groot, dat ieder hem ontzagen voor hem vreesde. Het bijgeloof der monniken wies dagelijks aan, het aantal kloosters werd hoe langer zo groter, de onderscheiding in kleding en van spijs en drank achtte men heiligheid te zijn, als een onreine zaak werd de priesters het huwelijk verboden, en men vereerde en aanhad de beelden en de kruisen.

Teneinde zulke bijgelovigheden te verbreiden, had ook de Antichrist zijn zendelingen in verscheidene landen. Tegen zulk een zendeling, die, in de Duitse streken van het pauselijke rijk, met geweld te werk ging en zijn leer opdrong, verzette zich een vroom geleerd man, Adelbertus Gallus genaamd, die zich beijverde om tegen het bijgeloof te schrijven en te waarschuwen. Men klaagde over hem te Rome, en de paus deed Adelbertus in de ban, en liet hem in het klooster te Fulda werpen, waarin hij bleef, totdat zijn lichaam geheel verteerd was.

 

Na de tijd van Karel de Grote, toen zijn kleinzoon Karel de Kale, koning van Frankrijk, regeerde, ontstond ervoor het eerst geschil omtrent het Avondmaal des Heeren; en wel daarover, of het brood in vlees en de wijn in bloed veranderde. Om deze zaak werd later veel onschuldig bloed der christenen vergoten, aangezien er een grote en schandelijke afgoderij uit ontstond. De koning ondervroeg over dit geschil een geleerden monnik, Bertram genaamd, die hem zeer christelijk antwoordde, dat het brood op zinnebeeldige wijze Christus lichaam genoemd wordt, zoals Christus zelf een wijnstok, en de Apostelen wijnranken genoemd werden. Dit was ook het gevoelen van Johannes Scotus (hij was in Schotland geboren), een wijsgeer, die dit te Parijs leerde en in zijn geschriften verklaarde. In het jaar 900 vatte echter Radbertus Paschasius de pen tegen dat gevoelen op, zodat sommigen te Parijs en elders in Frankrijk het gevoelen van Paschasius waren toegedaan, en anderen dat van Scotus. Maar de boosheid en het bijgeloof kregen eindelijk de overhand. De bisschoppen, wier taak was om Gods woord te onderzoeken en te onderwijzen, waren door eerzucht dermate verblind, en beijverden zich zozeer om wereldlijke eer en heerlijkheid te verkrijgen, dat de geestelijke belangen door hen niet geacht werden, want zij lec,de er zich meer op toe hun rijk, dan dat van Christus uit te breiden. Alzo schoot het verderfelijk onkruid op, terwijl zij zich aan zorgeloosheid overgaven. Omstreeks het jaar 1020, toen aan deze grove vleselijke tegenwoordigheid in het Avondmaal bijna door ieder geloofd werd, zodat men meende, dat het brood en de wijn in het sacrament veranderde in het lichaam en bloed van Christus, was er in Frankrijk zekere Berengarius, die het tegendeel leerde en daartegen schreef. Door de tirannie en het geweld van de paus echter, werd hij gedwongen zijn gevoelen te herroepen, terwijl Berengarius zich later zeer beklaagde, dat hij, door vrees en zwakheid, de waarheid verzaakt had.

 

Arnulph, Aartsbisschop te Lyon

 

[JAAR 1130.]

 

Ofschoon onder alle bisschoppen een ieder zocht wat het zijn was, en niet wat van Jezus Christus is, liet de Heere toch nog enige overblijven, opdat de wereld niet als Sodom en Gomorra vergaan zou. Arnulph, aartsbisschop te Lyon, een zeer vermaard man, bediende het ambt eens bisschops zelf, dat is, hij predikte Gods Woord in de overige delen van Frankrijk, Italië en zelfs eindelijk te Rome. Hij bestrafte de zonden der wereld, en vooral hen, die zich geestelijken noemden, en toch zo vleselijk in alle onkuisheid, gierigheid en overdaad leefden, en niet minder hun grove dwalingen en onkunde in de Heilige Schrift toonden. Om deze vrijmoedigheid lieten hem de geestelijken gevangen nemen, en werd hij eindelijk opgehangen en geworgd. Zo vervulden zij de maat hunner vaderen, opdat al het onschuldig bloed van Abel af op hen kwam. Dit geschiedde in het jaar van onze Zaligmaker 1130.

 

Petrus van Bruis en Henricus van Toulouse

 

[Jaar 1135.]

 

Petrus van Bruis, vroeger priester, en zijn leerling Henricus van Toulouse, gewezen monnik, waren om hun geleerdheid door geheel Frankrijk bekend. Zoveel zij slechts konden, berispten zij onophoudelijk de dwalingen, die in de kerk van Christus waren ingeslopen, en spaarden daarbij groot noch klein. Zij noemden de paus een vorst van Sodom, de stad Rome een moeder van alle ongerechtigheid, gruwelen en vervloeking, en meest alle geestelijken helse harpijen en grijpende wolven.

Zij leerden voorts, dat Christus’ lichaam en bloed niet in de mis voor levenden en doden werden opgeofferd, en ontkenden aldus de transsubstantiatie (* de verandering van het brood en de wijn bij het Avondmaal in het lichaam en bloed van Christus).

Verder leerden zij, dat missen, geboden, aalmoezen ten behoeve van de doden voor God niets anders waren dan goddeloosheid; dat men de beelden,en het kruis niet alleen niet moest aanbidden. maar ook niet in de kerken dulden; dat God meer bespot dan geëerd werd door de kerkliederen en lofzangen der priesters; dat de aanroeping van heiligen, beloften van reinheid, verbanningen, bedevaarten en andere instellingen van de roomse kerk, alleen bijgelovigheden waren, en vervloekt en zonder de minste kracht.

Petrus, Abt te Clugny, schreef tegen hen twee brieven. Bernardas, zonder twijfel door hartstochten vervoerd zijnde, schrijft veel kwaad van hen. Toen Petrus gedurende twintig jaren onder een groten toeloop van mensen had gepredikt, werd hij eindelijk in de stad S. Gilles in het openbaar verbrand, in het jaar onzes Heeren 1135.

Zijn leerling Henricus werd enige tijd daarna door de gezant van de paus gegrepen en verborgen gehouden, zodat men niet weet, wat hem wedervaren is.

Na de dood van beide mannen ontstond er een hevige vervolging tegen allen, die hun leer aanhingen, van welke echter velen met blijdschap de dood tegen gingen.

Ook op andere plaatsen verzetten zich vele geleerde mannen tegen de transsubstantiatie, en verklaarden, dat in het heilige Avondmaal het waarachtige lichaam van Christus niet tegenwoordig was, onder welke waren een abt, Francus genaamd, en zeker geestelijke Lesmoriensis, in Engeland, tegen wie zich Malachias, bisschop in Ierland, verzette.

 

Arnold van Brescia

 

[JAAR 1140.]

 

In het jaar 1140 leefde er in Italië een geleerd man, Arnold van Brescia, die de moed had te prediken, tegen de macht en het gezag zo van de paus als andere geestelijken, waarom hij door paus Innocentius in de ban werd gedaan en zeer vervolgd. Daarom vluchtte Arnold naar Zwitserland en hield zich te Zürich op, waar hij zolang bleef, totdat paus Innocentius gestorven was, terwijl hij gedurende die tijd de burgers te Zürich met alle gruwelen der pausgezinden bekend maakte, met dit gevolg, dat zij die niet meer achtten, maar al hun vroom gebaar, eerbied en godsdienst bespotten. Wat hij te Zürich teweeg bracht, daarover klaagde Guntherinus Ligurinus, een vriend van de paus, zeggende: "Servat ad huc uvae gustum gens illa Paterna," dat is: "Dit volk behoudt de smaak nog van de druiven huns vaders."

Toen Arnold gedurende vijf jaren zich te Zürich opgehouden had, keerde hij na de dood van paus Innocentius, toen Eugenius paus geworden was, weer naar Rome terug. Ook daar maakte hij het volk wakker, en bracht het in korte tijd door zijn prediking en zijn onderwijs zo ver, dat zijn hoorders de hoogheid en het geweld van de paus verachtten, en er niet veel eer meer aan bewezen. Dit was de paus een doorn in het oog, waarom hij Arnold zijn wraak wilde doen, gevoelen, maar het volk beschermde hem tegen zijn geweld.

Na de dood van Eugenius, omstreeks het jaar 1154, toen Adrianus de vierde tot paus verkozen was, wilde deze zich niet laten wijden, en zijn waardigheid uitoefenen, of Arnold van Brescia moest uit zijn ogen verwijderd zijn. De burgers van Rome verzetten zich daartegen, en beschermden hem, waarom zij door de paus werden verbannen, ofschoon zijn banvloek niet veel uitwerkte. De paus rustte nochtans niet, voor hij Arnold in handen kreeg, want zo spoedig keizer Frederik Barbarossa, over de Apennijnen door Toskane in Italië en wel te Viterbo aankwam, ging de paus hem tegemoet, en verheugde zich over zijn komst. Hij beklaagde zich bij de keizer, dat hij door de burgers van Rome veracht werd, en wel ten gevolge van de prediking van Arnold van Brescia, die een ketter was, en door hem was verbannen, maar die nochtans door het volk werd geëerd en in de stad beschermd. Aangezien keizer Frederik zeer vriendelijk door de paus ontvangen werd, kwam hij te Rome, hetwelk echter de burgers zeer mishaagde, daar zij niet veel goeds verwachtten van de vriendschap, door hen beiden besloten. Korte tijd daarna liet dan ook de keizer, Arnold, de vrome man gevangen nemen, en op verlangen van de paus verbranden. Zijn as werd in de Tiber geworpen, opdat het volk die niet zou verzamelen en als een soort van relikwie bewaren, aangezien zij met al dergelijke afgodische bijgelovigheden door monniken en andere dienaren van de Antichrist waren besmet. Deze Arnold was zo eenvoudig in zijn leven, zo eerbaar en godzalig, dat ook zijn vijanden hem daarin moesten prijzen.

De almachtige God nochtans, die een lankmoedig God is, om tot boetvaardigheid op te wekken, is voor de onboetvaardigen en bozen een geducht rechter, wat Hij bewees aan deze beide moorddadige bloedvergieters, immers, de paus werd daarna door een mug verstikt, en de keizer door zijn onechte zoon vergeven.

 

De Waldenzen te Lyon

 

[JAAR 1160-1183.]

 

Omstreeks het jaar onzes Heeren 1160 leefde in de stad Lyon een rijk en machtig burger en koopman, Petrus bijgenaamd naar zijn geboorteplaats Waldus. Hij was in groot aanzien en daarenboven een godsdienstig, wijs en verstandig man.

Terwijl deze op zekere tijd in gezelschap was van vele achtenswaardige en voortreffelijke lieden, was hij ervan getuige, dat een hunner eensklaps ter aarde stortte en de geest gaf. Hij verschrikte daardoor, en dacht na over de onbestendigheid van het tijdelijke leven. Hij begon dan ook acht te slaan op zijn zaken, de Heilige Schrift met naarstigheid en aandacht te lezen, en zijn vrienden en bekenden tot gelijken ijver te vermanen. Dagelijks onderwees hij zijn huisgenoten uit Gods Woord, hield hun de voornaamste zaken van de christelijke godsdienst voor, en betuigde daarbij tevens, op welke wijze de roomse kerk de hemelse leer met vele dwalingen verduisterde en het gewetens met ongehoorde instellingen belastte. Om deze zaak bezochten vele godvruchtige lieden dagelijks zijn huis, en spraken met hem over de godsdienst. Dit aantal groeide hoe langer zo meer aan, en zij kregen weldra, naar Waldus de naam van Waldenzen, Vaudois.

Benevens vele geschriften van de beste en waarheidlievende kerkvaders, had Waldus het Oude en Nieuwe Testament in de Franse taal doen overzetten, en liet die vertaling ten bate zijner toehoorders overschrijven.

Toen alles wat Waldus gedaan had ter ore kwam van de aartsbisschop te Lyon en van de andere geestelijkheid, werd hem op gestrenge wijze en onder bedreiging van zware straffen verboden, zijn begonnen werk voort te zetten. Daarop gaf Waldus, die van geen enkele dwaling op gezag der Heilige Schrift kon overtuigd worden, ten antwoord, dat aan ieder bevolen was naar de stem van Jezus Christus te horen, de Heilige Schrift te onderzoeken, en de afgoderij na te laten; voorts, dat alle mensen priesters waren, dat het de huisvader onbelemmerd vrij stond, zijn huisgezin in alle godsvrucht op te voeden, dat ieder Christen verplicht was de heilzame bron, hem door God geopend en aangewezen, te laten stromen door de onvruchtbare akker van zijn naasten; verder dat hij, naar zijn beste weten, zonder de minste opspraak leefde, en met zulke personen omging, die naarstig en gestadig de Bijbelse Schriften lazen; dat het verbod onbillijk was, hem door de kerkelijke personen voorgeschreven, dat men Gode meer moest gehoorzamen dan de mensen.

De hoofdzaken der leer, die Waldus en zijn leerlingen, benevens vele anderen, voorstonden, waren deze:

1. Dat in zaken van het geloof de Heilige Schrift de meeste kracht en gezag had, dat men naar het richtsnoer van haar alles moest beoordelen, en aannemen, wat daarmee overeenkwam, en verwerpen, wat daarmee streed; dat men de geschriften der kerkvaders niet verder behoefde goed te keuren, dan in zoverre zij met de Heilige Schrift overeenstemden; dat ieder Christen niet alleen geestelijke, maar ook gewoon lid haar niet alleen mocht, maar als een dure plicht moest lezen, en trachten haar grondig te verstaan.

2. Dat er in de kerk van Christus maar twee sacramenten waren: de Doop en het heilige Avondmaal; dat het genot van brood en wijn zowel de leden der gemeenten als de geestelijken toekwam; dat de missen in erge mate goddeloos waren; dat het dwaze razernij was voor de doden te offeren.

3. Dat het vagevuur een menselijk verzinsel was, aangezien de gelovigen terstond na hun sterven kwamen in het eeuwige leven, en de ongelovigen in de eeuwige verdoemenis.

4. Dat het vereren en aanroepen van heiligen enkel en alleen afgoderij was.

5. Dat de roomse kerk de boer van Babel was; dat men niet verplicht was de paus en de bisschoppen te gehoorzamen, aangezien zij niet anders waren dan de wolven van Christus' kudde; dat de paus in het geheel geen macht had over andere gemeenten, en het wereldlijk zwaard niet mocht gebruiken; dat het de gemeente van Christus eigenlijk was, die luisterde naar de zuivere en onvervalste stem van Christus; dat de sacramenten door Hem ingesteld, gebruikt wordende, overal konden bediend worden, en aan geen bijzondere plaatsen gebonden waren.

6. Dat de zware en onnodige beloften door mensen waren uitgevonden om Sodom te voeden; dat zovele monnikenorden karaktertrekken en merktekenen waren van het Beest; dat het monnikenwezen een afschuwelijk dier was.

7. Dat zovele inwijdingen van kerken, gedenkdagen van doden, zegeningen van schepselen, bedevaarten, vastendagen feesten, gezangen en andere plechtigheden duivelse uitvindingen waren.

8. Dat het huwelijk eerlijk en de priesters nodig was, enz.

Vele vreemde en ongehoorde gevoelens heeft men bij het bovenstaande gevoegd, die men ontleende aan de Gnostiken, Manicheën, Adamiten, Katharen, Kathapbrygiërs, Nikolaiten, enz. teneinde deze eenvoudige lieden bij ieder gehaat te maken, hetwelk onder Gods toelating de geestelijken zo gelukte, dat zij door hun toedoen overal verachte namen kregen. Behalve dat men hen Vaudoisen, Lyonisten en Pauvres de Lyon, dat is armen van Lyon, noemden, leden zij ook veel in Engeland. In Duitsland en Lijfland schold men hen voor Lollarden, in Vlaanderen en Artois voor Turlippijns; in Piemont en Dauphiné voor Chienards, Caignards, Fretons, Dulans, in andere plaatsen voor Sabattisten, en wel om velerlei oorzaken.

Toen de Waldenzen eerst opkwamen, bespeurden de geestelijken, dat hun gezag door hen zeer werd ondermijnd. Zij beproefden eerst, zoals reeds gezegd is, om Waldus door bedreigingen bevreesd te maken; doch daar dit middel weinig baatte, verklaarden zij hem en zijn leerlingen in een kerkvergadering te Rome voor ketters, en beroofden hen van alle goederen, waarom zij armen van Lyon genoemd werden. Sommigen werden gevangen genomen, onbarmhartig behandeld, in het vuur, met het zwaard, in het water en op vele andere wijzen omgebracht. Velen vluchtten hier en daar heen, en zetten zich neer in Provenee, Piemont, Lombardie, verder in Apulia (een deel van Napels) en Calabrië, ja, ook in Slavonië, Rusland en Boheme; in welke landen zij langzamerhand zeer in aantal toenamen, zonder dat men hen ooit heeft kunnen uitroeien, en geheel ten onder brengen. Aldus is het licht, toen aan Waldus en de zijnen opgegaan, door Gods genade, dan eens bij velen, dan weer bij weinigen, als van hand tot hand overgebracht en bewaard, zodat het ook in onze dagen, niettegenstaande de grote vervolgingen door Waldus en zijn aanhangers geleden, weer velen tot grote verwondering, helder in de ogen straalt.

Zij, die meer verlangen te weten aangaande de Waldenzen en hun vervolgingen, leze de Geschiedenis der Waldenzen, beschreven door Paulus Perrin te Lyon.

In het jaar onzes Heeren 1180 werden er in Frankrijk velen omgebracht en verbrand, die buiten twijfel tot Waldus' leerlingen behoorden.

Omtrent het jaar 1183 werden er in Vlaanderen velen, op bevel van de aartsbisschop te Reims, Guilermus, en van de graaf Philippus, als ketters verbrand, onder welke zonder twijfel ook aanhangers van Waldus zullen geweest zijn, zonder dat echter de geschiedschrijver meedeelt van welke dwalingen zij beschuldigd werden.

De pausgezinden wilden niet alleen door moord en doodslag de gelovigen uit de christenen uitroeien maar, omdat zij bij het volk de schijn wilden aannemen daarvoor goede redenen te hebben, en men niet menen zou, dat zij de waarheid vervolgden, verzonnen zij grote leugens, en bedachten hatelijke namen, waarmee zij de gelovigen bij het domme volk beschuldigden en verachtelijk maakten. In Frankrijk noemden zij de christenen ketters, omdat zij het schandelijke leven der pausgezinden bestraften, zich voor alle besmetting wachtten, en geen gemeenschap niet de schandelijke werken der duisternis wilden hebben; sommigen noemden hen ook Publikanen sommigen Patarinos.

In het Jaar 1210 werden te Parijs vier en twintig getuigen der waarheid gedood, omdat zij zich verzetten tegen de valse leer van de roomse Antichrist. In dezelfde stad werden in het volgende jaar vier honderd mensen verbrand, die niet grote vrijmoedigheid hun geloof in Christus Jezus beleden. Nog twintig anderen werden daar om hun geloof, en standvastige belijdenis onthoofd, die allen de waarheid met hun bloed bezegelden.

 

Burgers in de Elzas

 

[JAAR 1212.]

 

In de Elzas waren vele vrome mensen, uit hoge en lage stand, die aan de zuivere leer des Evangelies vasthielden,dagelijks tegen de bijgelovigheden van de paus waarschuwden, en leerden, dat men elke dag, zonder onderscheid, vlees mocht eten: dat de mens zich met onmatige vis te eten zowel bezondigde als met het eten van vlees; dat de gelovigen al wat geschapen was met dankbaarheid mochten genieten; dat de huwelijke staat eerlijk was voor alle mensen, en dat men daarom de priesters of andere mensen, die niet behoorde te verbieden. Zij verwierpen ook de paus, omdat hij deze valse leer voorschreef en onderwees.

Toen deze mensen standvastig vasthielden aan Gods Woord, hingen zeer velen hen aan, terwijl zij van het een land leraars, aalmoezen en andere noodwendige dingen naar het andere land zonden. De paus en de bisschoppen deden hen in de ban en vervolgden hen; er werden op één dag ongeveer honderd personen door de bisschop van Straatsburg, op, bevel van de paus, verbrand, terwijl er zeer velen door zware martelingen tot herroeping van hun gevoelens werden gedwongen. Dit geschiedde omtrent het jaar 1212.

In het jaar 1214 zond paus Innocentius de Derde zekere Coenraad van Marburg, een Jakobijner monnik, als geloofsrechter naar Duitsland, ten einde naar het geloof der inwoners te onderzoeken, en hen, die hij met enige nieuwe ketterij besmet vond, aan lijf en goed te straffen. Dit ambt bediende hij gedurende 19 jaren met ongehoorde en ongelofelijke wreedheid. Allen, die voor hem beschuldigd werden, liet hij een gloeiend ijzer vasthouden, en wanneer zij zich daarmee beschadigden werden zij, zonder verder enig onderzoek te ondergaan, veroordeeld.

 

Vijf en dertig burgers te Mainz

 

Bijna in dezelfde tijd werden ook 35 burgers te Mainz, bij Bingen, om de Evangelische leer, gevangen genomen, en daar door de pausgezinden wegens hun standvastige belijdenis, verbrand.

 

De Prins van Armerijk

 

Om de belijdenis der waarheid werd ook, in dezelfde tijd, de Prins van Armerijk door de geestelijkheid beschuldigd en gevangen genomen. Daar hij onwankelbaar in de Christelijke leer bleef, werd hij opgehangen en geworgd, terwijl de slotvrouw om dezelfde reden gestenigd werd.

 

Bargardus

 

[JAAR 1218.]

 

In het jaar onzes Zaligmakers 1218 beschuldigden de pausgezinden zekere Bargardus, te Erfurt in Duitsland, van ketterij. Aangezien hij volstandig in de Evangelische leer bleef volharden, en van het pauselijke bijgeloof niet wilde, werd hij verbrand.

Vier jaren daarna werd te Oxford, in Engeland, een diaken om dezelfde reden tot de brandstapel veroordeeld.

In het bisdom Kamerijk betoonden de predikmonniken, Dominicanen genaamd, groten ijver, om de gelovigen, die de gruwelen van de Antichrist verwierpen, uit te roeien, zodat er dan ook sommigen, die door hen van ketterij beschuldigd waren, werden verbrand.

In deze tijd werden de verderfelijke sekten der bedelmonniken door de paus erkend en in hun orden bevestigd. Als vrome dienaars van de Antichrist betoverden zij op vreemde manieren en in zonderlinge kleding, onder lang gebeden, geveinsde armoede en velerlei huichelarij, schier de gehele wereld. Onder de schijn van heiligheid bedreven zij grote wreedheid jegens de onschuldige christenen, waarom de paus hen in hun orde bevestigde en prees. Nadat de satan deze orde in de wereld gebracht had, kreeg allerlei boosheid en geveinsdheid de overhand, en de ware gerechtigheid, die ons de heilige Geest in de Schrift leert, werd verbannen en verdreven, waardoor het rijk van de Antichrist hoe langer zo geweldiger, en Christus en Diens heilig en zaligmakend Woord verworpen werd.

 

Twee honderd vier en twintig personen verbrand

 

[JAAR 1243.]

 

In het jaar onzes Heeren 1243 werden door de bisschop van Narbonne op een kasteel niet ver van Toulouse gelegen gevangen genomen 224 personen, die beschuldigd werden de ketterij der Albigenzen, dat is, de ware christelijke godsdienst, aan te hangen; en, aangezien zij in hun leer volhardden, werden zij allen verbrand.

 

Gerardus Segareill en Dolcinus van Novari

 

[JAAR 1285.]

 

Omstreeks het jaar onzes Heeren 1285 leefden er twee geleerde mannen, Gerardus Segarelli, van Parma, en Dolcinus van Novari, in Lombardije, die in hun onderwijs zich met alle vrijmoedigheid verklaarden tegen de misbruiken der zogenaamde geestelijkheid. Door de geestelijkheid werden zij als ketters beschuldigd en verbannen, en wel om de volgende redenen:

Dat het gebed Gode zo aangenaam is op een ongewijde, als op een gewijde plaats.

Dat de paus de Antichrist was, en dat hij en zijn geestelijken door God verworpen waren; dat hij en zijn kerk de hoer van Babylon waren, zoals in de Openbaring geschreven staat.

Nadat zij geruime tijd onderwezen en gepredikt hadden en zeer vele mensen, onder welke ook geleerde mannen hun toevielen, zond de paus een apostolische gezant met zeer veel krijgsvolk, die deze vrome christenen in het gebergte, waar zij bij elkaar woonden, overvielen. Daar bevonden zich bijna zes duizend personen, van welke enige door de koude, sommigen door de honger en weer anderen met het zwaard verdrukt werden. Toen werd Doleinus met zijn huisvrouw gevangen genomen. hun lichamen van lid tot lid verscheurd, terwijl de stukken verbrand werden en de as in de lucht geworpen.

Maar, hoezeer de Dominicanen of Predikmonniken zich ook, als kettermeesters, beijverden, om de christenen uit te roeien, er bleven echter nog vele vonkjes over, die later tot een groot vuur werden, want het bloed der martelaren is een vruchtbaar zaad.

In deze tijd diende een predikmonnik aan keizer Hendrik VII vergif in het sacrament des Avondmaals toe en vergaf hem.

 

Een Begijn

 

[JAAR 1312.]

 

In het jaar 1312, de 15den Mei, werd te Parijs een vrouw verbrand, die men voor een begijn hield, aangezien zij zich tegen de mis en andere instellingen van de roomse kerk verklaarde.

 

Richard, een Predikmonnik

 

[JAAR 1330.]

 

Omstreeks het jaar onzes Heeren 1330, leefde te Heidelberg een Predikmonnik, Richard genaamd, die om de vrijmoedige prediking van het Evangelie en het bestraffen van de misbruiken der pausgezinden als een ketter werd veroordeeld.

Enige jaren tevoren werd een heremiet in Engeland zeer vervolgd, omdat hij in het openbaar verkondigde, dat het geen sacramentenwaren door Christus ingesteld, die men toen gewoonlijk in de gemeenten gebruikte.

Johannes Aston, een zeer geleerd man, van Oxford, werd, omdat hij leerde dat het brood in het Avondmaal onveranderd bleef. door Aan aartsbisschop van Canterbury als een ketter in de gevangenis geworpen.

Omstreeks het jaar 1340 woonde te Herbipoli Mr. Coenraad Haer. Voor de bisschop van Würtzburg beleed hij, dat hij gedurende vier en twintig jaren niet anders geloofd en de leden zijner gemeente geleerd had, dan dat de mis geenszins een offerande voor de zonden was, en dat zij levenden noch doden baatte. Hij zei ook, dat het geld, dat de stervenden de monniken en priesters beschikten, om missen te doen voor hun zielen, niets anders was dan diefstal en kerkroof, hetwelk zij aan de armen op oneerlijke wijze ontroofden. Hij voegde er bij, dat, al bezat hij een zak dukaten, hij er niet een zou willen geven om missen voor zich te laten doen. Eindelijk beleed hij voor dezelfde bisschop, dat hij meende, dat het volk daarom van de missen te horen zulk een afkeer had, omdat hij zo dikwerf daartegen gewaarschuwd en het volk zulke gevoelens van de mis ingeplant had.

Om deze belijdenis, die bij voor de bisschop aflegde, werd hij als een ketter in de gevangenis geworpen, doch, welke dood hij stierf, vindt men niet beschreven.

 

Johannes Wicklef

 

[JAAR 1387.]

 

Toen de wereld geheel tot dwaling en bijna tot tastbare afgoderij vervallen, en er als in verzonken was, verwekte God, onze Hemelse Vader, in het koninkrijk Engeland godvruchtige, vrome mannen, die de waarheid weer aan het licht brachten.

Onder deze was de voornaamste Johannes Wicklef, dokter en Hoogleraar in de godgeleerdheid en leraar in de gemeente te Lutterworth, in het bisdom Lincoln. Aan de Hogeschool te Oxford hield hij zich bezig met de uitlegging van en het onderwijs in de Heilige Schrift. Hij, die de waarheid onvervalst, zuiver en klaar kende, wist ook de verborgenheden en geveinsdheid te ontdekken en te verdrijven. Maar de verblinden konden de glans van het Evangelie niet verdragen, zodat al spoedig de monniken, en onder deze in het bijzonder een Karmelieter, Johannes Reningannus, tegen hem opstonden. Toen hij over het sacrament des altaars, zoals men het toen noemde, begon te spreken, en hij zijn onderwijs verklaarde, dat het zijn voornemen alleen was, de afgoderij, die hierin zeer groot was, uit te roeien, en het recht gebruik van het sacrament en de onvervalste godsdienst bloot te leggen, schreeuwden allen, die met deze besmettelijke ziekte des bijgeloofs besmet waren, en weigerden de hand van de medicijnmeester aan te nemen. In het begin raasden en woedden de monniken, vooral de Franciscanen, tegen hem, aangezien hun de buikspijs met de mis zou ontnomen worden; daarom streden zij voor hun buik, die alleen hun God is, als vrome krijgslieden. De bisschoppen begeerden, dat men dit geschil en deze twist aan hun kennis en oordeel zou onderwerpen; maar, toen zij daarin niet slaagden, behielpen zij zich met de pauselijke ban; want dit is het wapen om de waarheid te bestrijden, en de vrijheid van geloof te onderdrukken.

De artikelen, die Johannes Wicklef voorhield en voorstond, waren onder andere deze:

1. Dat de Heilige Schrift in zaken van verschil alleen gezag heeft.

2. Dat men alleen naar de oude leraars moest horen, in zoverre hun leer met de Heilige Schrift overeen kwam, want er was geen andere waarheid dan die in de Heilige Schrift is vervat.

3. Dat de opstellers en leraars der pauselijke besluiten niet gehouden moesten worden voor getuigen der waarheid, maar voor vijanden en verdervers.

4. Dat in het avondmaal des Heeren de blankheid en de rondheid en andere kentekenen van het brood in geen dele zonder het wezenlijke brood kunnen bestaan.

5. Dat de wezenlijke verandering in het sacrament onverstandig en ongoddelijk door de priesters verzonnen was; want het brood blijft brood en de natuur van de wijn verandert niet; dat beide hetzelfde wezen en bestaan, die zij tevoren hadden, na sacrament te zijn geworden, ook behielden.

Toen Wicklef dit met ijver onderwees, werd hij om de waarheid zeer gehaat, zodat hij eindelijk, in het laatste jaar der regering van koning Eduard de Derde, op het aandringen van de paus werd gevangen genomen. Nadat de hertog van Lancaster en Hendrik Perseüs hem bezocht hadden, liet men hem los, doch verbood hem te prediken en te onderwijzen. Wicklef echter nam dit verbod niet in acht, maar ging voort met al meer en meer te prediken en te onderwijzen, wat de priesters, monniken en bisschoppen natuurlijk niet konden verdragen, en riepen daarom weer een vergadering van geleerden samen, waarbij ook Wicklef tegenwoordig was. In deze vergadering sprak Wicklef andermaal over de christelijke waarheid, en bestrafte ook de geldgierigheid en de hoogmoed van de gezamenlijke geestelijkheid, zeggende: "Wanneer er enige giften door koningen of prinsen aan de bedienaren der gemeente gegeven worden, dan moet men gedenken, dat dit onder de voorwaarde geschiedt, opdat God daardoor worde geëerd en de gemeente gesticht. Als men deze voorwaarde niet nakomt, zo moeten de vorsten, ja zo moeten allen terugnemen, wat zij geschonken hadden, welke zware ban men ook over hen uitspreekt. Indien de banbliksem van de paus werkelijk kracht had om langs deze weg goederen en rijkdommen te verkrijgen en te behouden, dan zou de geestelijkheid, die bijna uitsluitend uit geldgierige mensen bestaat, eindelijk alle wereldse rijkdommen in hun bezit hebben.

De paus mag van rechtswege en wettelijk bestraft en berispt worden, zelfs door hen, die hem onderdanig zijn en onder zijn macht staan; zowel leken als geestelijken mogen hem, als het tot stichting der gemeente dienstig is. beschuldigen; want welk een heer hij ook wezen mag, behoort hij zich nochtans te gedragen als een broeder van de allergeringste. Aangezien hij zondigen kan gelijk andere mensen, moet men hem ook broederlijk vermanen en bestraffen, terwijl hij zodanige bestraffing gewillig en broederlijk behoort te ontvangen. Vooral moet hij bestraft worden, wanneer hij enige schadelijke ketterij of dwaling voorstelt of beschermt, opdat de christelijke gemeente het kwaad zie, want ook in die zin heeft Paulus zich niet ontzien Petrus te bestraffen.

Deze en dergelijke woorden hield hij der vergadering voor; maar in die tijd werd er door hen niets tegen gedaan of besloten. Later hield de aartsbisschop van Canterbury, met andere bisschoppen, leraars en meesters, een samenkomst, waarin de artikelen en leringen van Wicklef als ketters, en dus tot grote ergernis strekkende, werden veroordeeld en verbannen.

Gedurende enige tijd week Wicklef als balling uit Engeland; maar, aangezien er velen waren, die door hem het liefelijke voedsel van het Evangelie genoten hadden, onder welke ook Edelen waren en anderen, die in hoog aanzien stonden bij het koninklijke hof, werd hij terug geroepen en ontsliep in de Heere, in zijn gemeente te Lutterworth, in het jaar onzes Heeren 1387, in het laatst van de maand December.

Een en veertig jaren na zijn dood werd zijn stoffelijk overschot, op bevel van de paus, opgegraven, en tot poeder en as verbrand, en de as in de rivier geworpen.

De verwaanden Antichrist was het niet genoeg, dat hij met vervolgingen, pijnigingen, moorden en doodslag de gelovigen in hun leven overviel en verdrukte, maar hij moest ook zijn tirannie, boosheid en wreedheid aan de doden betonen.

 

Willem Sautre

 

[JAAR 1400.]

 

Omstreeks deze tijd was er in Engeland een priester Willem Sautre genaamd. Onder het voorzitterschap van Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury, werd hij, door de provinciale kerkvergadering der bisschoppen te Londen, wegens acht stellingen van ketterij beschuldigd, en door die vergadering als ketter veroordeeld en te Londen in het openbaar verbrand, in het jaar onzes Heeren 1400. Hij wordt gehouden de eerste te zijn die na Wicklef in Engeland in het openbaar werd omgebracht.

 

Willem Thorpe

 

[JAAR 1407.]

 

Willem Thorpe aan de hogeschool te Oxford, in Engeland tot meester in de vrije kunsten bevorderd, was een zeer geleerd en godzalig man, die een zeer eenvoudig leven leidde. In de verkondiging van het Evangelie betoonde hij grote vlijt en ijver, zodat hij daarom later door Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury, te Londen gevangen genomen werd, in het jaar onzes Heeren 1397. Maar, toen de aartsbisschop bij koning Richard de Tweede in ongenade was gevallen, en door hem werd verdreven, werd Willem Thorpe door Robrecht Braybroke, bisschop te Londen, op dringend verzoek van goede vrienden losgelaten. Maar, aangezien hij niet naliet het onvervalste Woord Gods te verkondigen, werd hij na tien jaren andermaal te Salopia gevangen genomen, door de handlangers van de Antichrist te Canterbury gebracht, en in de gevangenis zeer wreed behandeld. Eindelijk werd hij naar het slot Saftwoden gevoerd, waar de bisschoppen hem ondervraagden en onderzochten.

Vervolgens werd hij ontboden, om te verschijnen voor de reeds genoemden aartsbisschop van Canterbury, Thomas Arundel, die door Hendrik de Vierde, de volgende koning, in zijn aartsbisdom hersteld, en daarenboven ook benoemd was tot eerste kanselier van het koninkrijk en tot legaat van de roomsen stoet. In het jaar 1407 werd hij derhalve van het slot Saltwoden terug gebracht, en door de aartsbisschop ondervraagd, betreffende enige artikelen, die men zei, dat Willem te Salopia zou gepredikt hebben, namelijk:

1. Dat in het sacrament des altaars, ook na de consecratie, dat is, nadat de priester de kanon gelezen had, waarachtig brood bleef.

2. Dat men de beelden niet behoorde aan te bidden of enige eer te bewijzen.

3. Dat men geen bedevaarten behoorde te doen.

4. Dat de priesters geen bevoegdheid hadden, de tienden zich toe te eigen, enz.

5. Dat men niet zweren moest, enz.

Hierop antwoordde Willem, dat hij te Salopia in zijn predikatie. zich op de volgende wijze over het sacrament had verklaard: “Terwijl," zei hij, "ik op de stoet stond en predikte, gebeurde het, dat men de mis verrichtte, de schel klonk, en men het brood zou opheffen; het volk, naar zijn gewoonte, liep met een gedruis te hoop, en maakte een grote beweging en onrust in de gemeente, want velen lieten de predikatie varen, en letten alleen op de mis. Toen heb ik hen aldus toegesproken en gezegd: Gij broeders in Christus, de levende kracht des sacraments, die in het geloof bestaat, is immers veel krachtiger dan wat men met de ogen alleen ziet; daarom moest gij veeleer hier blijven, en naar de zaligmakende predikatie van het heilige Evangelie luisteren dan zulk een beweging te maken, alleen om het schouwspel van de mis te zien: want door de predikatie van het goddelijk Woord wordt het geloof beter geplant, vermeerderd en versterkt."

Voorts zei hij: "Van het sacrament geloof en onderwijs ik anders niet dan wat de heilige Evangelisten, Mattheüs, Markus, Lukas en de heilige Apostel Paulus ons beschrijven. De heilige Paulus, welke toch een voornaam leraar der heilige kerk is, waar hij over het geloof aan dit sacrament spreekt, noemt het brood. Hij zegt: “Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus." Zo wordt het ook in uw zielmissen, zelfs na de consecratie, en nadat de gebruikelijke woorden daarover uitgesproken zijn, brood en wijn genoemd. En al de priesters besluiten hun mis aldus: "O geeft toch, dat wat wij in de mond genoten hebben, in reine harten (naar mij dunkt, is dit met waarachtig geloof) mag ontvangen. De heilige Augustinus zegt ook, dat wat men in dit sacrament ziet, brood is; maar wat men daardoor geniet met waar geloof, het waarachtige lichaam van de Heere Christus is. Aldus leert ook Fulgentius, een goed leraar der kerk, die waarlijk niet te verwerpen is. Na de geboorte van Christus, heeft de kerk gedurende meer dan duizend jaren een zodanig gevoelen van dit sacrament omhelsd, en zich daarmee tevreden gesteld. Wat later, bij de loslating van de duivel, door broeder Thomas Aquinas en andere dergelijke drogredenaars in de kerk ingevoerd is, is toch niemand, naar ik meen, verplicht of kan er toe gedwongen worden, te geloven. Uit de aan anderen ontleende meningen en gevoelens van deze monnik, wil ik geenszins artikelen van het geloof maken; men doe en richte met mij aan wat de genadige wil van de almachtige God over mij beschikt."

Betreffende de verering der beelden zei hij, dat men dit, zonder grote afgoderij en godslastering te bedrijven, niet doen kon, aangezien de mens, het werk zijner handen aanbidt. "God wil in geest en waarheid gediend zijn. Beelden werken niet op de geest."

Toen men hem van de wonderen sprak, zei hij: “Ik ben er in mijn hart van overtuigd, dat dergelijke wonderen en tekenen, die aan de beelden, om die te vereren en te verheffen, toegeschreven worden, niet door God geschieden, terwijl die toch door de mensen bezocht, en met kniebuigingen, offers, kaarsen en lichten vereerd worden. Daarom ook verbrak Hiskia de koperen slang, die nochtans op Gods bevel was opgericht. Augustinus, Gregorius, Chrysostomus en vele anderen zeggen, dat de duivel met zulke wondertekenen de harten der ongelovigen betoveren, verblinden en bedriegen zal, en wel ter oorzaak van hun ongeloof. Zo ziet men ook, dat het volk veel meer neiging toont, om dergelijke tekenen en wonderen te zoeken, dan lust te openbaren om het zaligmakende Woord Gods te horen en te geloven. Daarom heeft ook onze Verlosser de Farizeeën, tot hun grote schande, bestraft, omdat zij tekenen verzochten. Doch de gelovigen zal in deze zaak het levendmakend Woord Gods genoeg zijn!"

Aangaande de bedevaarten, zei hij, dat alle mensen, die God in geest en waarheid zoeken te dienen, zich vooral op tweeërlei soort van bedevaarten moesten toeleggen, namelijk om het Woord Gods te horen, en de werken der liefde jegens alle behoeftigen te beoefenen. "Zulk werk en zodanige arbeid," zei hij, “is Gode aangenaam en een welbehaaglijke bedevaart, want deze eist God, en heeft Hij bevolen. Maar laat ons nu eens nagaan, wat de uw met hun bedevaarten zoeken te verkrijgen. Onder zes honderd bedevaartgangers vindt men er nauwelijks één, die de geboden Gods kent, en recht weet, wat het christelijk geloof is, of het Onze Vader" naar behoren bidden of uitspreken kan. Gewoonlijk worden zij door vleselijke oorzaken geleid, om zulke bedevaarten te ondernemen, namelijk om gezondheid des lichaams, goed gezelschap, welvaart, voorspoed, overvloed, lust om zich dronken te drinken en hoererij te plegen. Maar ach, wat vinden zulke lieden, nadat zij hun geld verteerd en zich geheel afgemat hebben, anders dan doodsbeenderen en stomme afgoden? Zou het hun niet goed zijn, te weten dat de Heilige Geest dit voor ijdele en onnutte verrichtingen acht? Ware het niet beter, dat zij daarheen gingen, waar zij leren kunnen alle ijdelheid te verachten? Wat baat het, of zij al vele goederen samen brengen, zoals dit waarlijk geschiedt, daar deze toch de gierige en geldzuchtige priesters of der schandelijke, oneerbare vrouwen en hoeren ten deel vallen? Ik zwijg er van, dat om die bedevaarten dikwerf vrouw en kinderen gebrek moeten lijden, voor welke een christelijk huisvader behoort zorg te dragen. Sommigen bedelen, anderen lenen, enkelen stelen het geld, dat zij voor de reis nodig, hebben. Zo voeren zij ook een muzikant mee, en zingen de schandelijkste en onbetamelijkste liedjes, waardoor zij hun vleselijke lust zoeken bot te vieren. Wanneer zij dan in hun woningen zijn terug gekomen, hebben zij niet anders dan geveinsde en gruwelijke godslasteringen en vervloekte leugens meegebracht.

Toen men beweerde, dat het goed was om muzikanten te gebruiken, daar David zegt, dat men God op velerlei speeltuigen loven moet, en dat men het gebruik van muzikanten niet in ongunstige, maar in de beste zin moet opvatten, antwoordde Willem en zei: "Davids gezegde moet men, volgens de gewone verklaring der oude leraars, geestelijk verstaan, zoals ook Paulus bedoelt, waar hij zegt, dat zulks reeds in vroegere tijden op zinnebeeldige wijze gebeurd is; wij moeten ons daarom met naarstigheid wachten, dat wij niet alleen aan de letter blijven hangen, waardoor wij het niet goed verstaan zullen.

De Heere Christus wilde het gestorven dochtertje van Jaïrus niet opwekken, dan nadat de speellieden en pijpers verdwenen waren, omdat zulken hinderlijk zijn, wanneer men het een of ander in zaken van het geloof wil doen of behandelen; zo is het ook met de orgels in de kerken. Ik weet wel, dat de kinderen der wereld in zulke dingen groot behagen scheppen. Maar omtrent de volgelingen van de Heere Jezus Christus is het anders gesteld. Deze begeren niet anders dan voorzien te worden van zielenvoedsel; want de vrees Gods en de grote liefde, die zij hebben naar de hemelse dingen, maken hen afkerig en drijven hen af van alles, wat het vlees welbehaaglijk is."

Omtrent het geven van tienden ondervraagd zijnde, antwoordde hij, dat men als schatting in het Oude Testament alleen de priesters en levieten de tienden gaf, en aangezien de priesters in het christendom niet van de stam van Levi, maar van Juda afkomstig zijn, komen hun ook, volgens Gods bevel, de tienden niet toe. Daar het priesterdom veranderd is, zijn ook de wetten veranderd, zodat wij voortaan Mozes niet behoorden na te volgen, maar onze Heere Jezus Christus en Zijn heilige Apostelen, die de ware priesters zijn des Nieuwe Testaments. Christus en Zijn discipelen werden niet door de offers of de tienden, maar door liefderijke handreiking van hen, die zij gediend en onderwezen hadden, onderhouden en verpleegd. Nadat Hij naar de hemel gevaren was, werkten de heilige Apostelen met hun eigen handen, om in hun behoeften te voorzien, zoals dat uit vele plaatsen in Paulus' brieven blijkt. Nochtans behoort het, en is ook noodwendig, dat, zij, die het Evangelie verkondigen, ook van het Evangelie leven, gelijk Paulus betuigt. Men leest ook bij enige geschiedschrijvers, dat paus Gregorius de tiende, in het jaar onzes Heeren 1271, het geven van tienden het eerst heeft ingevoerd.

Maar het zijn ook geen ware priesters van Christus, die de voetstappen van Christus en van de heilige Apostelen niet navolgen, al waren zij dan ook duizendmaal gezalfd, gewijd, en beschoren. Christus ging van de een plaats naar de andere. De Apostelen en discipelen werden door Christus uitgezonden om het evangelie te prediken. Dit was hun ambt, dit was hun werk, zodat Paulus uitriep: "Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondigd heb!" Gregorius zegt ook in zeker besluit: die priester vertoornt de almachtige God, van wie het volk de stem van het verkondigde Evangelie niet hoort." Zo verklaart ook de aantekening op de profeet Ezechiël, dat een priester, die niet predikt aan aller oordeling onderworpen is, en daarom ook zal vergaan." "Die het ambt van bestuurders bekleden, en het Evangelie niet aan het volk laten 'verkondigen, zijn moordenaars voor God, die het voedsel en het onderhoud der zielen roven en stelen. Isidorus zegt: de priesters worden om de misdaden en de ongerechtigheden van het volk veroordeeld, omdat zij de onwetenden niet onderwijzen en de zonden niet bestraffen." Christus zegt: “Hiertoe ben Ik geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit waarheid is, hoor Mijn stem." Daaruit volgt, dat, naar het bevel en het voorbeeld van de Heere Christus. het ambt en de bediening van alle priesters eist dat zij voor alle dingen het heilig Evangelie van God verkondigen. Gregorius zegt: "Wanneer een mens nalaat te doen, wat hij schuldig is te verrichten, hij onderneme wat hij wil, al ware het ook iets goeds, het is de heiligen Geest niet aangenaam." Zeer schoon zegt Lincolniënsis: “Ieder priester, die Gods Woord niet predikt, al is hij aan geen enkele overtreding of gebrek in zijn leven schuldig, is nochtans een ware antichrist, de duivel zelf, een dief in de nacht, een moordenaar bij de dag, een zielemoorder, een engel des lichts, die zich in duisternis veranderd heeft." Wanneer er geen andere dienaren waren, dan die naar het voorbeeld van Jezus Christus en van de Apostelen, zich beijverden in de prediking van het goddelijk Woord; zonder twijfel zou de christelijke gemeente wel zoveel samen brengen, dat ieder zijn nooddruft zou hebben."

Deze taal hinderde een van de priesters, die daar tegenwoordig waren, en hij zei: "Zouden wij van het volk vrijwillige gaven mogen verwachten'? Men ziet nu wel hoe onwillig zij geven, wat zij van rechtswege schuldig zijn." Willem antwoordde: "Het is geen wonder, dat het volk de priesters vijandig is, want hun leven, doen en laten is juist tegen de leer en het leven van onze Heere Christus. Wanneer in vroeger tijden in de behoeften van de dienaren der gemeenten voorzien was, deelde men wat er van tienden, stichtingen, testamenten of andere giften overbleef aan de armen; maar later hebben de priesters dit zichzelf toegeëigend, en tot hun eigen voordeel aangewend; ja, zij hebben hun bediening en hun ambt geheel verwaarloosd (het is schande om het te zeggen), en zich aan allen overvloed en het schandelijkst misbruik van de aalmoezen en de bezittingen der armen overgegeven. Is het dan te verwonderen, dat het volk weigert te geven, als zij voor hun ogen zien, dat hun giften op schandelijke, zondige en godslasterlijke wijze misbruikt worden? Want wanneer zij gaven, zouden zij zich aan dit misbruik en deze zonde schuldig maken."

De aartsbisschop werd toornig en riep: "Gij schandelijke ketter, dat God u straf; waarom predikt gij en uws gelijken altijd meer tegen ons en de geestelijken dan tegen de leken?" Willem antwoordde: "Wij prediken zonder aanzien van personen, zeggen ieder met vrijmoedigheid, wat hij behoort te doen, en bestraffen ook in het algemeen alle zonde en ongerechtigheden. Maar wij beginnen eerst met de priesters, die Chrysostornus de maag van het volk noemt, omdat wij weten, dat zij boven alle andere lieden in grote, gruwelijke zonden en boosheid uitmunten. Zij verontreinigen en bederven door hun hovaardij, geldzucht, brooddronkenheid, wellust, haat, nijd en andere soortgelijke zonden alle standen en verordeningen van het gehele volk, en brengen Gods rechtvaardig oordeel over alle mensen, want wegens zonden, die zij zelf bedrijven, bestraffen zij niemand.

Aangaande de eed zei hij, dat hij nooit gedacht had te Salopia te moeten prediken, dat het eedzweren zondig en in elk geval verboden is; maar dat hij naar de getuigenis van het heilige Evangelie en van de heiligen Apostel Jakobus gepredikt had, dat het een christen verboden is, bij enig schepsel van God te zweren, zoals men nochtans gewoonlijk doet. "Ik heb ook," zei hij, “gezegd, dat, als men voor de bevoegden rechter de bekende waarheid door enige andere middelen kan bewijzen en bijbrengen, men dan in het geheel niet behoort te zweren. Ook heb ik geleerd, dat, wanneer het niet anders kan, men de waarheid met een eed mag bevestigen, doch dat de eed moet gedaan worden in de naam Gods, Die de eeuwige waarheid is. Volgens mijn mening behoort men ook de hand niet op het boek te leggen, want wat is het boek anders dan een stoffelijk voorwerp? Wie daarbij zweert, wat doet hij anders, dan de onredelijke en dode voorwerpen aanroepen, om de waarheid, die eeuwig is, te bevestigen, wat door God, naar mijn gedachte, verboden is? Dit betuigt ook Johannes Chrysostomus en hij bestraft die beiden niet alleen, welke op zulke wijze zweren, maar ook hem die dat voorstaat."

Na deze en dergelijke woorden gesproken te hebben, bedreigde hem de aartsbisschop van Canterbury, dat hij, indien hij niet van mening wilde veranderen, hem zou laten pijnigen en mishandelen, dat hij spoedig een anderen toon zou aanslaan; ja, dat hij niet rusten zou dan na deze ketterij uit Engeland verdreven te hebben, zo zelfs, dat er geen spoor meer van zou overblijven. Toen liet hij de opzichter van het slot Saltwoden roepen. Tegelijkertijd drongen er ook velen van het volk de zaal binnen, die Willem herhaaldelijk bedreigden. Sommigen wilden dat men hem terstond zou verbranden; anderen zeiden, dat men hem naar de zee, die niet ver van daar verwijderd was, moest slepen en verdrinken. Intussen beval de aartsbisschop, dat men hem weer naar de gevangenis brengen zou, waar de vrome getuige van Jezus Christus de almachtige God dankte, dat Hij hem volstandig bij zijn belijdenis bewaard had. En aangezien de handlangers van de antichrist hem op generlei wijze met woorden of geschriften hadden kunnen overreden en overwinnen, vielen zij hem met geweld aan, en werd hij, op het bevel van de aartsbisschop van Canterbury, in het geheim in de gevangenis vermoord, en wel in de maand Augustus, in het jaar (zoals Johannes Baleüs schrijft) van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1407.

 

Jan Badby, kleermaker

 

[JAAR 1110.]

 

In het jaar 1410 zat er te Londen, in Engeland, een kleermaker gevangen, Jan Badby genaamd, die zeer standvastig betuigde en beleed, dat in het avondmaal des Heeren, dat onder de gelovigen bediend wordt, het lichaam van Jezus Christus bij wijze van sacrament en als een gedachtenis wordt uitgereikt, en niet natuurlijk of in werkelijkheid als of het in een zekere plaats bevat was.

Wat de geestelijkheid hem ook aandeed, hoe zij ook smeekte, mooie woorden sprak en hem bedreigde, toch liet hij zich geenszins van de waarheid afbrengen. Liever verkoos hij de gruwelijkste marteldood te ondergaan, dan de geopenbaarde waarheid en de belijdenis van het Evangelie schandelijk te verloochenen.

Toen hij bij deze belijdenis volhardde, werd hij door de bisschoppen aan de wereldlijke overheid overgeleverd en een gruwelijk vonnis over hem uitgesproken, namelijk, dat men hem in een vat moest sluiten en met een klein vuur langzaam verbranden. Men bracht hem op het Smitsveld, waar veel volk heen liep om dit schouwspel te zien, doch hij vreesde de onmenselijke pijn niet, en het zich onbeschroomd daarheen brengen. De oudste zoon des konings van Engeland, Hendrik de vierde, was daar ook tegenwoordig, om getuige te zijn van dit gruwelijk schouwspel. Deze word met barmhartigheid bewogen over deze beklagenswaardige mens, ging naar hem toe, sprak hem zeer vriendelijk aan en vermaande hem, dat hij toch prijs zou stellen op zijn leven, en zodanige meningen en gevoelens zou laten varen. Op alle mogelijke wijzen was hij bezig, hem van zin en mening, te doen veranderen. Hij deed dat niet in bitterheid of met bedreigingen, maar met beleefdheid en zachtheid, opdat zijn leven zou gespaard blijven. Doch de vrome martelaar van Jezus Christus bleef vast en onwankelbaar in het geloof, want hij bouwde dat geloof niet op een heilige, maar op de enige hoeksteen Christus, en sloeg het beleefde voorstel van de prins met welsprekende taal mannelijk af, en overwon aldus deze gevaarlijke verzoeking, zich bereid verklarende liever alles te lijden, dan iets tegen de waarheid, waarvan zijn geweten overtuigd was, te spreken of te doen. Nadat het vonnis was uitgesproken, werd hij in een vat gesloten, en de brand in het hout dat rondom het vat gelegd was, aangestoken. Toen de vlammen het vat aan alle zijden begonnen te genaken, en de hitte zeer groot werd, kreet hij zo jammerlijk, dat het hart beefde van ieder die het hoorde. De zoon des konings werd door dit jammerlijk gekerm zeer bewogen, liet het vuur blussen, ging tot de man, die in het vat lag en ondraaglijke pijnen leed, bood hem zijn leven aan, en beloofde hem daarenboven uit de bezittingen van de koning zoveel geld als voor het onderhoud van zijn leven nodig was, indien hij zijn raad wilde opvolgen. Doch tevergeefs; hij volhardde onwankelbaar in de waarheid, verwierp het aanbod van de prins, en schatte het lijden, om de naam van Jezus Christus, hoger dan hier in alle weelde en overvloed te leven, en de beleden waarheid te verzaken. Toen de prins zag, dat alle aanbiedingen en beloften tevergeefs waren, en dat hij op generlei wijze was te vertederen, liet hij hem weer in het vat sluiten, het vuur aansteken en de vromen martelaar verbranden.

Zo werd hij door zonderlinge en velerlei verzoeking, door onlijdelijke pijn bezocht en op de proef gesteld, maar overwon alles als een vroom krijgsknecht van Christus, door Hem die hem versterkte, Jezus Christus. Hier aanschouwt men de waarheid van Paulus' woorden, dat niets de uitverkorenen van God, hoe gruwelijk dit ook zijn mag, scheiden kan van de liefde Gods, die er is in Jezus Christus onze Heere.

 

Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna verbrand

 

[JAAR 1414].

 

In het begin van de regering van Hendrik de vierde, koning van Engeland, nadat Richard van de regering ontzet en de heer Jan Oldecastel welverzekerd in de Tower te Londen gezet was,begonnen de godgeleerden en bisschoppen in Engeland al zeer zonderling te handelen. Zij brachten grote klachten in bij de nieuwe koning en toonden hem, dat de toestand van de kerk ten enenmale omgekeerd was. Zij zeiden, dat men niet meer wilde gehoorzamen aan haar geestelijke archidiakenen, kanselieren, kerkendienaren en andere geestelijken; dat de wetten en verordeningen van de heilige moederkerk vertrapt werden; dat er vrees bestond, dat de gehele katholieke kerk en godsdienst ten enenmale zouden teniet gaan, dat men zeer weinig ontzag had voor de geestelijke rechtsmacht, de macht der geestelijke sleutelen minachtte, niet gaf om de kerkelijke boeten en beelden; dat er sommigen waren, die er in het openbaar de spot mee dreven, en dat dit alles aanleiding geven zou tot een zonderlingen opstand. Zij zeiden, dat al deze verkeerdheden haren oorsprong hadden in de vrijheid van een hoop ketters, die hun vergaderingen hielden in kelders en donkere plaatsen, die ook boeken schreven en tussen hagen en in bossen predikten. Zij voegden er bij, dat, indien men dit alles nog langer gedoogde, men spoedig de verwoesting en ondergang zien zou van de republiek. Ten gevolge van deze klachten riep de koning zijn raad bijeen, en wel te Leicester, omdat hij het niet geraden vond deze vergadering te houden te Londen, aangezien daar zich velen bevonden, die de zaak van de heer Cobbam waren toegedaan. In het openbaar gebood hij daar, hun allen zeer vreselijk te straffen, die van die tijd aan de verkeerde leer zouden volgen. Hij veroordeelde hen zelfs dermate, dat hij hen niet alleen voor ketters verklaarde, maar ook beschuldigde van majesteitsschennis. Daarom beval hij, dat zij op tweeërlei wijze moesten gestraft worden en terstond daarna verbrand. De gelovigen waren geen vrijheden noch enige voorrechten gegund, waardoor zij zich bevoordelen konden, en wel ten gevolge van de woede des konings, waarmee hij, door zijn boze hartstochten opgewekt, bezield was jegens de gelovigen, die in deze tijd Wicklevianen genoemd werden. De bisschoppen, gewapend met deze uitspraken des konings, bedreven grote tirannie jegens vele eerbare en onschuldige lieden, van wie in de eerste plaats Jan Oldecastel, heer van Cobham, het slachtoffer was. Voorts werden op wrede wijze omgebracht de heer Rogier Acton, ridder van Cobbam, de heer Johan Brown, edelman, en een bedienaar van het Evangelie: mr. Jan Beverley genaamd. Deze beleden met volharding de artikelen van ons algemeen christelijk geloof, en terwijl zij de bijgelovigheden van het pausdom verachtten, werden zij op het plein St. Gillis eerst opgehangen en daarna verbrand, in welke straf nog 36 anderen, die meest van adel waren, moesten delen. Dit geschiedde in Januari, in het jaar onzes Heeren 1414.

Op de 17den Augustus van het volgende jaar werden ook om de belijdenis der goddelijke waarheid, veroordeeld om verbrand te worden Jan Claidon, leerlooier, en Richard Turming, bakker, wat op het Smitsveld plaats had.

 

Johannes Husz te Konstanz verbrand

 

[JAAR 1415.]

 

In Engeland was het licht van het heilige Evangelie ontstoken, en verspreidde zich daar op buitengewone wijze. Andere landen waren weinig of niet met dat licht bedeeld, en duisternis bedekte schier de gehele wereld. Door de geschriften van Johannes Wicklef deed God, de almachtige Vader, ook in het koninkrijk Bohemen, het licht opgaan in de ziel van Johannes Husz, bedienaar des goddelijke Woords in de Bethlehemskerk te Praag. Met de grootste ijver verkondigde hij het zuivere Evangelie van Jezus Christus aan het volk, toonde hun de afgodische misbruiken aan, en waarschuwde daartegen met allen ernst, hetwelk de roomsen antichrist grote schande en nadeel berokkende. Ten gevolge daarvan werd hij, omstreeks het jaar 1414, door paus Alexander de vijfde beschuldigd, en te Rome als ketter ontboden, terwijl de paus deze zaken in handen gaf van de kardinaal Petrus de Columna.

Toen deze oproeping van Husz, om te Rome te verschijnen, te Praag openlijk was bekend gemaakt, zond Wenceslaus, koning van Bohemen, op verlangen van zijn vrouw Sophie en van de gehelen Boheemse adel en op het ootmoedig smeken der hogere scholen en burgers van Praag, zijn gezanten en redenaars naar Rome, om de paus dringend te verzoeken, Johannes Husz van dit onderzoek te verschonen, aangezien hij door de haat en nijd van sommige afgunstige mensen aangeklaagd en belasterd was. Hij voegde er bij, dat het Husz daarenboven onmogelijk was naar Rome te gaan, en wel wegens de gevaren, waaraan hij zich op de weg aan lijf en leven zou blootstellen. En, indien de paus meende, dat het koninkrijk Bohemen met enige valse leringen of ketterij besmet zou zijn, dat hij dan zijn gezanten naar Bohemen kon zenden, teneinde de dwalingen te verbeteren, te straffen en uit te roeien. Daarenboven beloofde de koning alle kosten, daaraan verbonden, te betalen en de roomsen gezanten in alles behulpzaam te zijn, enz. Maar alle arbeid, moeite en onkosten, welke de koning aanwendde, waren tevergeefs en ten een male vruchteloos.

Johannes Husz zond vervolgens op de bepaalde dag zijn wettige procureurs, om hem te verdedigen. Maar de kardinaal wilde van geen verdediging weten, maar ging voort en liet Johannes Husz als een ongehoorzame ketter verbannen, omdat hij op de bepaalde dag niet in persoon te Rome verscheen. Door de nood gedwongen, waren de procureurs genoodzaakt zich op paus Alexander te beroepen, die weer andere rechters aanstelde, die de zaak omtrent anderhalf jaar verschoven, en daarna hetzelfde oordeel velden en het vonnis uitspraken. Zij stemden toe in het uitspreken van de ban over Johannes Husz, en wilden zelfs niet, dat de procureurs meer onder hun ogen kwamen, en langer tot verdediging van Johannes Husz spraken. En, toen de procureurs zich niet lieten afwijzen, werden sommigen hunner in de gevangenis geworpen, waar zij geduchte straf ontvingen, terwijl de anderen naar Bohemen terugkeerden.

Toen het nu met de zaak van Johannes Husz aldus gesteld en hj gebannen was, dat zijn procureurs in de gevangenis gestraft waren, en hij te Rome geen gehoor verkrijgen kon, beriep hij zich op Christus, de hoogste Rechter van de wereld.

Daarna werd er in het jaar van onze enige Zaligmaker, Jezus Christus, 1414, een kerkvergadering bijeengeroepen te Konstanz, om het geschil en de twist te beslechten van drie pausen, die, om het roomse pausdom te bezitten, schier de gehele wereld in oproer brachten. Toen paus Johannes de drie en twintigste en Sigusmund, koning van Rome en Hongarije, te Konstanz aangekomen waren, zond de koning enige boheemse heren naar Bohemen, teneinde Johannes Husz uit te nodigen in de kerkvergadering te verschijnen. Daartoe zou hij hem een vrijgeleide geven, zodat hij zou kunnen gaan en terugkeren zonder enig gevaar, waarvan hij hem schriftelijk bewijs gaf. Toen Johannes Husz dit vernam en de brieven gelezen had, voldeed hij gewillig aan de begeerte des konings, en vertrok met bovenbedoelde boheemse edelen naar Konstanz.

Toen na drie dagen Johannes Husz te Konstanz was aangekomen, gingen Johannes, heer van Chlum, en Hendrik van Latzenbock, die Husz hadden vergezeld, naar de paus, en deelden deze mee, dat Johannes Husz was aangekomen. Zij voegden er ook bij, dat zij hem door een vrijgeleide van de roomsen koning Sigismund, dat verzegeld was, te Konstanz gebracht hadden, teneinde in de kerkvergadering te verschijnen. Zij verzochten ook zeer ootmoedig van de paus, dat hij, ter ere van de roomsen koning, zorg wilde dragen, dat genoemde Johannes Husz zonder gevangenneming, vrij, zeker, onverhinderd, en zonder bekommering en gevaar te Konstanz mocht vertoeven.

De paus antwoordde hierop: "Al had Johannes Husz zijn eigen broeder mishandeld en gedood, zal ik nochtans, voor zoverre dit in mijn macht is, in geen dele toelaten, dat hem, zolang hij te Konstanz blijven zal, enige smaadheid of onbillijkheid worde aangedaan. Daarop kan hij met alle zekerheid vertrouwen en getroost zijn."

Toen de ergste vijanden en aanklagers, die Johannes Husz had, Stefanus Palets en Michaël de Clausis, vernamen dat hij te Konstanz was, rustten zij niet, maar stelden met grote ijver enige stellingen samen, waarmee zij van de een kardinaal en aartsbisschop naar de anderen liepen. Zij toonden die aan de bisschoppen, monniken, priesters en anderen die het met hen eens waren, en zeiden dat zij nog meerdere zulke stukken bezaten, van nog groter gewicht, die Johannes Husz tegen de paus en de roomse kerk geschreven en openlijk gepredikt had.

De opperpriesters, door dit vuur als in vlam gezet, hielden raad, hoe zij Johannes Husz en zijn leringen onderdrukken en uitroeien zouden, waarin zij het al spoedig eens waren. Op de zes en twintigste dag nadat Johannes Husz te Konstanz aangekomen was, vaardigden zij twee bisschoppen af, en wel die van Augsburg en die van Trier, en met hen de burgemeester van Konstanz en een ander ridder. Omstreeks de middag kwamen zij in de woning, waar Johannes Husz verblijf hield, en verhaalden hem, dat zij, op bevel van de paus en de kardinalen, tot hem waren gezonden, aangezien hij vroeger verlangd had voor hen rekenschap te geven van zijn leer. Zij verklaarden verder, dat zij nu vergaderd en bereid waren om hem te horen, zodat hij nu voor hen zou verschijnen. Op deze boodschap antwoordde Johannes Husz: “Ik ben daar om niet hier gekomen, opdat ik in het geheim met de paus en de kardinalen alleen mijn zaak zou behandelen, wat ik ook niet begeerd heb, maar het was steeds mijn verlangen in de volle kerkvergadering te verschijnen, om daar openlijk, naar de genade, die God mij geven zou, te antwoorden op hetgeen mij gevraagd zou worden. Daarom weiger ik echter niet, om, volgens uw begeerte, eerst voor de kardinalen te verschijnen. Word ik door hen niet goed ontvangen, zo heb ik toch vertrouwen op mijn Heere Jezus Christus, dat Hij mij genade zal geven, om liever tot Zijn eer de dood te ondergaan en te sterven dan dat ik de waarheid, die ik uit de heilige, goddelijke Schriften ontvangen heb, verloochenen zou." Daarna volgde hij, in gezelschap van de heer van Chlum, de bisschoppen naar het hof van de paus, om daar voor de paus en de kardinalen te verschijnen.

Toen Husz in die vergadering verscheen, en de kardinalen vriendelijk gegroet had, spraken zij hem aldus aan: "Meester Johannes Husz, wij hebben zeer veel van u gehoord, dat, als het waar is, niet is te verdragen. Men zegt, dat gij vele grote en openbare dwalingen tegen de leer der heilige kerk verkondigd en door het gehele koninkrijk Bohemen verbreid hebt; en daarom hebben wij u hier ontboden, om te weten, of het is, gelijk men zegt."

Hierop antwoordde Johannes Husz: "Hoogwaardige vaders, uw eerwaardigheid wete, dat ik bereid ben liever te sterven, dan dat ik mij aan enige dwaling (ik zwijg van vele) willens en wetens zou schuldig maken. Te liever ben ik in deze algemene kerkvergadering verschenen, omdat ik mij bereid verklaar, wanneer ik in waarheid van enige dwaling overtuigd word, ootmoedig de straf te willen ondergaan en mij te beteren." De kardinalen antwoordden: “Welaan, uw woorden behagen ons," waarop zij heen gingen, en Johannes Husz daar alleen onder gewapende en geharnaste mannen goed bewaard lieten staan, terwijl de heer van Chlum bij hem bleef. Tegen de avond kwamen de kardinalen weer samen, vergezeld van Palets en Michaël de Clausis, die, als onzinnigen, Johannes Husz belachten en bespotten, zeggende: "Ha, ha, ha, nu hebben wij u in onze macht en handen; gij zult er niet uitkomen, tot dat gij de laatste penning zult betaald hebben."

Tegen de nacht kwam de hofmeester van de paus tot de heer Johannes van Chlum en zei tot hem, dat hij wel naar zijn logement kon gaan, daar men met Johannes Husz wat anders zou doen. Op het horen van die tijding werd de heer van Chlum zeer toornig en bedroefd, en wel omdat zij de vromen man zo jammerlijk bedrogen hadden. Met de grootste spoed ging hij naar de paus, en bad en vermaande hem, dat hij aan zijn belofte en toezegging wilde denken, die hij enige tijd geleden hem en de heer van Latzembock gedaan had, en dat hij ook het vrijgeleide van de roomsen koning zo lichtvaardig niet mocht verbreken. Maar de paus wilde er niet voor uitkomen, dat, wat er met Johannes Husz gebeurd was, op zijn bevel was geschied; en terwijl hij zich tot de heer van Chlum wendde, zei hij: Waarom geeft gij mij de schuld, daar gij wel weet, dat ik zelf in de macht van deze kardinalen ben.”

Treurig ging de heer Johannes van Chlum heen, en gedurende enige dagen klaagde hij in het geheim en openbaar over de onrechtvaardigheid en ontrouw van de paus.

Toen Sigismund, de roomse koning, vernam, dat Johannes Husz gevangen gehouden werd, was hij er niet tevreden over, dat zijn koninklijk vrijgeleide door de paus aldus verbroken werd. Maar de geleerden van de paus toonden de koning uit de pauselijke rechten aan, dat men, met geen recht, een ketter vrijgeleide kon of mocht geven of zich daaraan houden. Met deze woorden stelden zij de koning tevreden, zodat hij de zaak het rusten, en op het houden van zijn vrijgeleide niet verder aandrong. Nochtans werd hij door de edelen van het koninkrijk Bohemen met woorden en brieven vermaand en gebeden, dat hij zijn eer daarin handhaven, en zijn woord en verzegelde belofte houden moest.

Toen Johannes Husz in een gevangenis gezet was van het Jakobijnenklooster, die door stank en onreinheid als verpest was, kwamen zijn vijanden, terwijl hij door de groten stank ongesteld geworden was, met enige artikelen voor de dag, waarmee zij hem als ketter beschuldigden. Onder deze artikelen waren de volgende, die hij als de zijne erkende en tot het einde volstandig beleed.

1. Er is maar een heilige, christelijke en algemene kerk; dat zijn allen, die door God ter zaligheid verordineerd en uitverkoren zijn.

2. Petrus was nooit en is ook nog niet het hoofd der christelijke kerk, maar alleen de Heere Jezus Christus.

3. Indien hij, die een stedehouder van Jezus Christus genaamd wordt, in zijn leer en zijn leven de Heere Christus navolgt, is hij een stedehouder van Christus. Indien hij in strijd met Christus leert en leeft, is hij een bode en Apostel van de antichrist, tegen de Heere Christus en de heiligen Apostel Petrus, ja een stedehouder van de verrader Judas Iskarioth.

4. De overheid met de priesters dwingen, om de instelling van Christus te onderhouden.

5. Een priester van Christus, die naar de regel van Christus, leeft, en de Heilige Schrift verstaat, behoort te prediken, en zich niet om de ban te bekommeren. En, wanneer ook de paus of enig ander geestelijke zulk een priester het prediken zou willen verbieden, moet hij hem niet gehoorzamen.

6. Wanneer de paus, bisschop of geestelijke zich aan doodzonde schuldig maakt, is hij geen paus, bisschop of geestelijke; want als hij geen lid van de gemeente van Christus is, kan hij geen hoofd der gemeente zijn.

7. Een getrouw dienaar van Jezus Christus behoort met vlijt te onderzoeken, of de geboden van de paus in nadruk zijn de geboden van Christus of van Zijn Apostelen. Wanneer dit zo is, behoort hij die geheel in ootmoed te gehoorzamen. Maar ziet hij, dat het gebod van de paus geheel tegen de Heilige Schrift strijdt, of schadelijk is voor de heilige kerk, zo behoort hij die met vromen zin tegen te staan, opdat hij aan deze zonden niet deelachtig worde, wanneer hij er in toestemde.

8. Ieder mens, wie hij ook wezen mag, mag de dingen, die de zaligheid aangaan, beoordelen, zo ook de daden van zijn geestelijken.

9. De geestelijken verdrukken de leken om zichzelf te verhogen; zij zijn geldgierig, beschermen en verdedigen allerlei boosheid, en bereiden alzo de weg voor de antichrist.

10. De roomse kerk heeft geen macht of gezag om het sacrament te scheiden of te verdelen; zij heeft ook, op onbehoorlijke wijze, de leken het ene deel, namelijk de gemeenschap des bloeds, onttrokken.

11. De bisschop van Rome staat gelijk met een ander.

12. Er is geen vagevuur.

13. Het is tevergeefs, dat men voor de doden bidt; dit is ook alleen door de geldgierigheid der priesters verzonnen.

14. De beelden van God of Zijn heiligen behoort men in het geheel niet te achten of te verdragen, maar af te breken en weg te werpen.

15. De biddende orden der monniken zijn door boze geesten uitgevonden.

Hierbij waren nog vele andere artikelen gevoegd, die echter te uitvoerig zijn om te worden meegedeeld, en welke men hij andere geschiedschrijvers kan vinden.

Toen deze en andere opgeraapte artikelen aan Husz, in de gevangenis, waar hij ziek lag, getoond werden, begeerde hij een advocaat of pleitbezorger, ten einde deze zaak voor hem te behandelen. Dit werd hem echter op harde wijze geweigerd, met de bewering, dat het volgens de pauselijke wetten verboden is, dat iemand enige bijstand zou bewijzen aan hen, die van enige ketterij verdacht zijn. Aldus weigerden zij de goede man alle hulp, ofschoon de getuigenis van de andere door hen opgeraapte artikelen zo zwak waren, dat Johannes Husz geen verdediging daarin behoefde, wanneer zijn ziekte hem niet verhinderd had dat zelf te doen. Nadat de koorts hem enigermate had verlaten, antwoordde hij daarop schriftelijk, welk geschrift wij echter, ter vermijding van te grote uitvoerigheid, niet zullen meedelen.

Geruime tijd daarna, in het jaar 1415, kwamen vele kardinalen, bisschoppen en andere geestelijken in het Barvoeterklooster bijeen, waar zij Johannes Husz voor de kerkvergadering brachten, hielden hem daar zijn boeken voor, en vroegen hem, of hij die voor de zijn erkende of niet. Johannes Husz beleed openlijk, dat hij die opgesteld en geschreven had, en toonde zich ook bereid, indien er enige dwalingen in gevonden werden, die te verbeteren. Treurige verschijnselen hadden hierbij echter plaats; want, zodra er een artikel en enige getuigenissen daarop (die zeer weinig waren) waren gelezen, en Husz daarop wilde antwoorden, overviel de gehele vergadering hem met zulk een geschreeuw en misbaar, dat hij geen woord spreken kon. En, was er een ogenblik stilte, waarvan Husz gebruik wilde maken, om het een of ander uit de heilige Schrift of van oude leraars aan te halen, dan riepen zij ogenblikkelijk: "Het doet niets tot de zaak!" Sommigen begonnen hem op lage wijze te schelden, anderen belachten en bespotten hem, zodat Johannes Husz eindelijk besloot te zwijgen, en de zaak Gode aan te bevelen. Toen riepen zij: "Nu zwijgt hij, dat is bewijs genoeg, dat hij zijn dwaling in alles bekent." In één woord, het kwam zo ver, dat het sommigen verstandigen mannen begon te verdrieten, die er zich over schaamden, en de raadgaven, dat men voor dat ogenblik de zaak zou laten rusten. Aldus ging de vergadering uiteen, terwijl Husz daar in het monnikenklooster bewaard werd.

Spoedig daarna kwamen zij andermaal in hetzelfde klooster bijeen, waar Johannes Husz, door een groot aantal gewapende mannen omringd, werd voorgebracht. Ook verscheen daar de roomse koning zelf, vergezeld van de ridder Wenceslaus van Tuba, de heer Johannes van Chlum en Petrus, secretaris des konings, deze drie waren goede vrienden van Husz, die meegenomen waren om te zien, hoe de zaak eindigen zou.

Onder vele andere dingen, bevalen zij Johannes Husz eindelijk deze drie: vooreerst, dat hij met een ootmoedig hart zijn dwalingen zou bekennen, die hem in de artikelen aangewezen waren; ten andere, dat hij zweren zou, deze artikelen nu en ten eeuwige dag, nimmer meer te leren noch te prediken; ten derde, dat hij die ook openlijk zou herroepen.

Hierop antwoordde Husz, na vele andere woorden gesproken te hebben, het volgende: ik ben bereid de kerkvergadering te gehoorzamen, en door haar onderricht te worden, met de goddelijke Schrift, maar vooraf bid ik u om Gods wil, dat gij mij niet zoekt te dwingen tot dingen, die mijn geweten zouden bezwaren, en mij in gevaar zouden brengen om eeuwig veroordeeld te worden. Dat ik al mijn artikelen, die mij toegeschreven worden, zou afzweren, die toch voor het merendeel mij vals toegedicht, ja tegen mij verzonnen en gelogen zijn, dat zou ik niet kunnen. Ik herinner mij in Katholicus gelezen te hebben, dat afzweren niets anders is dan een dwaling, die iemand vroeger vastgehouden en geleerd heeft, te verloochenen en te herroepen. Aangezien mij vele artikelen toegedicht worden, die ik nooit omhelsd heb, en nooit in mijn hart zijn opgekomen, hoe mag of kan ik die met een eed afzweren? Maar aangaande de artikelen, die waarlijk de mijn zijn, die door mij zijn geleerd, gepredikt en geschreven, wanneer mij iemand uit de Heilige Schrift iets anders kan leren, dan wil ik die graag volgen, en doen, wat gij van mij hebt begeerd en gevorderd."

Daarna sprak koning Sigismund Johannes Husz zelf aan, en zei, dat hij zou herroepen en zich aan de genade der kerkvergadering overgeven. Doch Johannes Husz antwoordde, dat hij voor God en zijn geweten zich van geen dwaling bewust was, en dat hij daarom niets kon herroepen.

Daarna traden Palets en Michaël de Clausis, de grootste vijanden van Husz, op, en verontschuldigden zich met de bewering, dat zij in de gehele zaak niet gehandeld of niets gedaan hadden uit haat, nijd of enige arglistigheid, maar alleen tot nut en welvaart der christelijke kerk. Johannes Husz voegde hun toe: "Dit beveel ik aan God, de hemelse Rechter, die ieders zaak naar recht oordelen zal."

Na deze woorden te hebben uitgesproken, werd hij weer naar de gevangenis geleid en welverzekerd bewaard. Toen hij daar heen ging, stond de heer van Chlum bij hem, die hem de hand gaf, vriendelijk toesprak en hem vermaande tot volharding. Dit verstrekte Husz tot grote vreugde en troost, omdat hij zich zijns niet schaamde, daar hij toch van alle mensen was verlaten, en als een boze ketter gescholden en gehaat werd.

In de gevangenis schreef hij vele belangrijke boeken en brieven, waaruit men bespeuren kan op welk een bijzondere wijze de Geest Gods door hem sprak en werkte. Hij betuigde, dat hij de lofzangen van David nooit zo goed verstaan had, dan nadat hij in benauwdheid verkeerde. Wie zijn brieven verlangt te lezen, onderzoeke de geschiedschrijvers, aangezien die hier, om het verhaal te verkorten, niet kunnen worden meegedeeld, ofschoon ze overwaardig zijn gelezen te worden, en er vele voorzeggingen in worden gevonden, die in later tijd uitgekomen zijn, zoals hij die vroeger uitgesproken en geschreven heeft.

De dag, voor Johannes Husz verbrand werd, de 6e juli van het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1115, zond koning Sigismund vier bisschoppen en de beide boheemse edellieden, de heer Wenceslaus van Tuba en de heer Johannes van Chlum, tot Husz in de gevangenis om te vragen, wat zijn voornemen was. Toen Johannes Husz uit de gevangenis tot hen geleid was, sprak de heer Johannes Chlum hem het eerst aan en zei: "Meester Johannes, ik ben onwetend, en weet niet, wat ik u, die een geleerd man bent, raden moet; nochtans heb ik een begeerte aan u voor te stellen, namelijk, indien gij u aan enige dwaling schuldig kent in de dingen, die u in de kerkvergadering voorgehouden zijn, dat gij u dan niet schaamt om uw gevoelen en mening aan de kerk vergadering te onderwerpen, en door haar u te laten onderrichten en alzo te herroepen. Maar is het, dat gij, naar het rechte oordeel van uw geweten u daaraan niet schuldig kent, zo wil ik u geen aanleiding geven, dat gij iets tegen uw geweten doen zoudt, maar veel meer, dat gij alles lijdt, wat te lijden is, dan dat gij de waarheid, die gij bekent, verloochenen zoudt." Met tranen in de ogen antwoordde Husz: "Gelijk ik vroeger dikwerf gedaan heb, betuig ik nog voor de almachtigen God, dat ik van hart bereid ben terstond mijn mening te laten varen, ingeval de kerkvergadering mij uit de heilige Schrift beter onderrichten en bewijzen kan, en gezind ben alsdan openlijk onder ede te bekennen, dat ik vroeger gedwaald heb." Toen zei een der bisschoppen op zeer bittere wijze: “Ik ben nooit zo stout of verwaand geweest om mijn gevoelen hoger te achten, dan dat van de gehele kerkvergadering." Husz antwoordde hierop: "Ik ben ook niet anders gezind; want indien mij de allerminste in deze kerkvergadering een dwaling kan aantonen, zal ik die graag horen en gewillig en bereid zijn voor de gehele kerkvergadering te herroepen." "Ziet," zeiden de bisschoppen, "hoe hardnekkig hij bij zijn dwaling blijft." Na dit gezegd te hebben, bevalen zij, dat men hem in de gevangenis zou sluiten, terwijl zij naar de koning terugkeerden.

Des anderen daags werd er een algemene vergadering gehouden in de Munsterkerk, waar koning Sigismund, met zijn koninklijke kroon gesierd, en de rijksedelen tegenwoordig was, waarbij ook gezeten waren vele andere geestelijken en opperpriesters. In het midden van het gestoelte was een verheven plaats gewaakt, ter breedte van een tafel, en daar nevens stond een houten blok, waar het heilige misgewaad op gelegd was, waarmee men Husz ontwijden zou, eer men hem aan de wereldlijken rechter overleverde. Toen alles gereed was, werd Johannes Husz binnengeleid, die terstond op zijn knieën viel, en geruime tijd op hoogst ernstige wijze tot God bad. Intussen hield de bisschop van Londen, uit Engeland, een Latijnse redevoering, en toen deze was geëindigd, trad de procureur fiscaal op, en begeerde, dat men het proces zou voorlezen, waaraan voldaan werd.

Johannes Husz nam de vrijheid elk artikel zo kort mogelijk te beantwoorden; maar, zo dikwijls hij begon te spreken, verbood hem dit de kardinaal van Kamerijk, zeggende: "Zwijg nu, later mag gij, zo veel gij wilt, op alles antwoorden." Husz zei: "Och! hoe zal het mij mogelijk zijn in eens op alles te antwoorden? Ik kan alles niet in mijn geheugen bewaren." Toen hernam de kardinaal van Florence: "Wij hebben u al genoeg gehoord." Toen Husz echter niet wilde zwijgen, lieten zij hun dienaren halen, om hem daartoe te dwingen. Vervolgens begeerde, bad en smeekte de arme man, dat men toch naar hem horen wilde, opdat de omstanders niet zouden denken of geloven, dat alles waar was, wat men hem voorwierp. Toen hem dit niet werd toegestaan, viel hij op zijn knieën, en in een vurig gebed beval hij zijn zaak zijn Heere en Verlosser Jezus Christus aan, hopende bij Hem te verkrijgen, wat hij begeerde.

Onder de artikelen, die hem werden toegedicht en voorgelezen, werd ook beweerd, dat Johannes Husz geleerd had, dat de twee naturen, de godheid en mensheid, één Christus waren. Nadat alle artikelen gelezen waren, verzonnen zij een zeer grote godslastering, die zij Husz aanwreven, namelijk, dat hij zou gezegd hebben, dat hij de vierde persoon in de godheid zou worden; terwijl een bisschop, die dit artikel voorgelezen had, zei, dat een leraar het uit de mond van Husz zelf gehoord had. Toen Johannes Husz verlangde, dat men die leraar met name noemen zou antwoordde de bisschop: "Dat is nu niet nodig." Op dit antwoord riep Husz uit: "O wee mij, arm mens, die zulke godslastering moet aanhoren!" Daarna werd weer het artikel voorgelezen, en als ketters verklaard, dat hij zich op Christus beroepen had. Toen sprak Husz: "O Jezus Christus, Wiens Woord en Evangelie door deze kerkvergadering openlijk veroordeeld wordt, ik beroep mij andermaal op U; want, toen Gij door Uw vijanden uitgelachen en bespot werd, hebt Gij U ook op God Uw Vader beroepen, en Uw zaak aan Hem, als de rechtvaardigste Rechter, overgegeven en aanbevolen, en ons daarmee een voorbeeld gegeven, opdat wij ook in zulke omstandigheden, wanneer wij ten onrechte en gewelddadig onderdrukt worden, een zekere toevlucht hebben zouden."

Eindelijk las de bisschop Concordiënsis met luider stem het besluit en het vonnis van de kerkvergadering, waarin Johannes Husz als ketter verdoemd werd, om ontwijd en de wereldlijken rechter overgeleverd te worden. Toen dit vonnis van de kerkvergadering voorgelezen werd, sprak Johannes Husz tussenbeide, ofschoon het hem verboden en verhinderd werd. Toen men hem daarom van hardnekkigheid beschuldigde, riep hij met luider stem: “Ik ben nooit hardnekkig geweest, aangezien ik vroeger begeerd heb en nog verlang, dat men mij uit de heilige Schrift beter onderwijze en lere. Ik beken en belijd, dat ik de waarheid zo vlijtig en naarstig liefheb, dat ik alle ketterse dwalingen met één woord omver zou kunnen stoten, waarom ik niet zou schromen, mij aan gevaren bloot te stellen." Toen in dit vonnis ook zijn boeken als ketters veroordeeld werden, zei hij: "Waarom veroordeelt gij die boeken, waarvan gij toch niet bewijzen kunt, dat zij iets tegen de heilige Schrift of tegen de artikelen van het geloof inhouden?” Bovendien zei hij: "Welk een onrechtvaardigheid is het, dat gij mijn boeken, die in de Boheemse taal geschreven, die gij gezien noch gelezen hebt, die gij wegens de taal niet verstaat, nochtans hebt veroordeeld.”Tussenbeide sloeg hij zijn ogen naar de hemel en bad. Toen eindelijk het vonnis gelezen was, viel hij op zijn knieën en sprak: “Heere Jezus Christus. vergeef het mijn vijanden, want Gij weet het, dat ik door hen vals ben beschuldigd, en dat zij met valse getuigenissen en schandelijkheden mij bezwaren. Vergeef het hun o Heere door Uw grote barmhartigheid. Het merendeel van hen, en vooral de opperpriesters, spotte met dit gebed, als ware het uit geveinsdheid gedaan.

Daarna stonden er zeven bisschoppen op om hem te ontwijden, en bevalen hem, dat hij de priesterlijke kleding zou aantrekken, wat hij ook deed. Toen hij de lange witten rok zou aantrekken, zei hij: "Mijn Heere Jezus Christus, toen Hij door Herodes naar Pilatus gezonden werd, is ook in een wit kleed bespot."

Als hij het misgewaad aangetrokken had, vermaanden de bisschoppen hem nogmaals, dat hij zijn gevoelens zou laten varen, en prijs stellen op zijn eer en leven. Toen hij echter de stellage betrad, sprak hij met tranen in de ogen tot het omstaande volk: "Deze heren bisschoppen raden mij, dat ik voor allen belijden zal, dat ik gedwaald heb. Indien het nu een zodanige zaak gold, die alleen tot schande van een mens verstrekte, zouden zij mij er misschien gemakkelijk toe bewegen. Maar nu sta ik voor het aangezicht des Heeren, tot Wiens grote schande en om de wroeging van mijn eigen geweten, ik dit niet doen kan; want ik weet niet, dat ik ooit iets geleerd heb van wat zij mij ten laste leggen. Ik heb altijd daarentegen geijverd, geschreven, geleerd en gepredikt. Met welk aangezicht zou ik de hemel durven aanschouwen? Met welke ogen zou ik hen mogen zien, die ik onderwezen heb, en wier aantal groot is, wanneer ik er de oorzaak van werd, om wat zij tot nu toe voor zeker en waar hebben aangenomen, nu onwaar werd? Zou ik zovele gewetens die door de bondigste geschriften geleerd, door het heilig Evangelie van onze Heere Jezus Christus onderwezen en tegen alle aanvechtingen des duivels versterkt zijn, door mijn voorbeeld beroeren? Neen, gewis niet. Ook zal ik niet toestaan, dat dit mijn lichaam, dat aan de dood overgegeven is, beter geacht zou worden dan mijn zaligheid." Nadat Husz deze woorden gesproken had, verweten de bisschoppen hem weer, dat hij hardnekkig in zijn boosheid voortging en versteend was. Men beval hem, dat hij van de stellage zou gaan, terwijl men hem daar ontzette van het priesterschap. Zij ontnamen hem de kelk, zeggende: "O Gij vervloekte Judas! gij die de raad des vredes hebt verlaten, u met de Joden hebt verenigd, zie, van nu aan ontnemen wij u deze kelk, in welke het bloed van Jezus Christus wordt opgeofferd tot verlossing der wereld." Waarop Husz met luide stem antwoordde: "Maar ik stel al mijn hoop en vertrouwen op mijn God en Zaligmaker, dat Hij de kelk der zaligheid nimmermeer van mij zal nemen en ik vertrouw vast, dat ik, door Zijn bijstand gesterkt, die heden in Zijn Rijk zal drinken.

Daarop ging men voort, hem van de overige kleding te ontdoen, terwijl zij, als naar gewoonte, telkens wanneer zij hem van een kledingstuk beroofden, daarbij een schandelijken vloek voegden. Husz antwoordde daarop, dat hij die bespotting voor Christus' naam en waarheid graag droeg.

Toen eindelijk de bisschoppen hem van dit veelvoudig priesterlijk gewaad ontbloot hadden, wilden zij hem verder de geschoren kruin ontnemen. Doch hierover ontstond tussen hen een hevige twist. Sommigen wilden hem scheren; anderen meenden, dat het genoeg was als de kruin slechts met de schaar hier en daar werd weggeknipt. Terwijl dit plaats had, wendde Husz zich naar de koning, zeggende: “Zie heer, hoe de bisschoppen met elkaar over deze zaak twisten. Het verwondert mij zeer, dat, aangezien zij allen even wreed zijn, zij in deze wreedheid niet overeenstemmen."

Maar zij die wilden, dat men zulks met de schaar zou doen, kregen de overhand en knipten het haar in drie delen, en wel in de vorm van een kruis, namen de kruin weg, en voegden er de woorden bij: “Heden ontzet de heilige kerkvergadering, hier te Konstanz bijeengekomen, Johannes Husz van de priesterlijke waardigheid en van het ambt, waarmee hij vereerd was, en betuigt daarmee, dat de tempel en de kerk van God deze mens van zich heeft gestoten. En aldus beroofd zijnde van haar bescherming, levert zij hem aan de wereldlijke macht over." Eer dit echter geschiedde, lieten zij een papieren kroon maken in de vorm van een bisschopshoed, van omtrent een elleboog hoog, waarop drie vreselijke duivels geschilderd stonden, en waaronder met grote letters geschreven was: Heresiarcha, dat is: ketterhoofd. Toen Husz die kroon zag, zei hij: "Mijn Heere Jezus Christus, Die onschuldig was, heeft Zich getroost voor mij, ellendig mens, een scherper en veel zwaarder doornenkroon tot de dood te dragen. Waarom zou ik ellendig zondaar, niet deze veel lichtere kroon graag, om zijn naam en waarheid, tot mijn spot op het hoofd hebben "'

Toen de kroon op zijn hoofd geplaatst was, zeiden de bisschoppen: Nu bevelen wij uw ziel aan de duivelen van de hel." Met gevouwen handen zei Husz daarop, terwijl hij zijn ogen naar de hemel sloeg: “Ik beveel haar mijn goede Heere Jezus Christus."

In de Hoogduitse taal zei de koning toen tot Lodewijk, Hertog van Beijeren: "Ga heen, en lever deze mens over aan de dienaren der Justitie." Terstond ontdeed Lodewijk zich van zijn hertogelijke kleding, nam Husz mee, leverde hem aan de scherprechters en dienaren der justitie over, en begeleidde hem tot aan de gerichtsplaats.

Met de papieren kroon op het hoofd tot de gerichtsplaats geleid, zag hij in het voorbijgaan voor de kerkdeur zijn boeken verbranden, teneinde daarmee de veroordeling ervan te betuigen. Toen hij dit zag, lachte hij even, en tot het vuur lopende, voegde hij het daarbij staande volk toe, dat zij niet moesten denken, dat hij om enige dwaling verbrand werd, maar dat hij vals beschuldigd, en door onwettige getuigen door zijn bittere vijanden onderdrukt was; "aangezien zij," zei hij, "niet beter uit de heilige Schrift hebben geleerd, zoals ik heb ondervonden, wat ik altijd zeer heb gewenst en begeerd." Het volk, dat hem vergezelde, was voor het merendeel gewapend.

Toen hij op de strafplaats kwam, viel hij op de knieën, vouwde de handen, verhief zijn ogen hemelwaarts, bad enige psalmen, vooral de 31e en de 51e herhaalde met een heldere stem en een blijmoedig gelaat verscheiden malen de woorden; “In Uw handen, Heere, beveel ik mijn Geest;" zodat de omstanders hem gemakkelijk konden verstaan. Toen hij aldus, gelijk gezegd is, gebeden had, zei sommige eenvoudige mensen uit het volk tot elkaar: Wat deze mens vroeger geleerd en gepredikt heeft, weten wij niet; maar nu horen wij hem heilige woorden spreken en godvruchtige gebeden doen."

Anderen wensten, dat hij een biechtvader mocht hebben. Doch een priester, die te paard zat en prachtig gekleed was, zei: "Hij is niet waard, dat hij gehoord of, dat hem een biechtvader gegeven worde, want hij is een ketter."

Er is niet aan te twijfelen, of deze smaadredenen zonden het hart van Husz zeer geschokt hebben, indien het niet in zijn hart gegrift ware, dat hij om Christus' naam leed, gelijk hij getuigt in de zendbrieven, die hij uit zijn gevangenis heeft geschreven.

Terwijl hij bad, viel de smadelijke kroon van zijn hoofd; toen Husz dit zag, kon hij niet nalaten even te lachen. Sommigen van de handlangers, van welke hij omringd was, zeiden tot elkaar: "Laat ons de kroon hem weer op het hoofd zetten, opdat hij met de duivels, die hij hier gediend heeft, verbrand worde."

Daarna stond hij, op bevel der scherprechters en dienaren der Justitie, op, en bad met luider stem, zodat alle omstanders hem konden verstaan: Heere Jezus Christus, dit wrede en verschrikkelijk gericht wil ik graag en ootmoedig ondergaan voor Uw heilig Evangelie en de prediking van Uw heilig Woord, en bid U, dat Gij al mijn vijanden wilt vergeven."

Terwijl hij door de dienaren der justitie werd rondgeleid, zei hij tot alle omstanders, dat zij niet moesten geloven, dat hij aan enige dwaling schuldig was die hij zou geleerd hebben of voorgestaan; maar dat zij hem vals waren toegeschreven, en door valse getuigen verstrekt.

Eindelijk verzocht hij hun, de bewaarders van de gevangenis ook eens te mogen toespreken, tot wie hij ging en zei: “Ik dank u, mijn lieve broeders, voor al de weldaden, die gij mij hebt bewezen; want gij was mij zeer aangename broeders en geen bewaarders van mij. Weet, dat ik standvastig geloof in mijn Zaligmaker, om Wiens naams wil ik deze dood gewillig onderga, zeker vertrouwende, dat ik heden met Hem in het paradijs zal zijn." Terstond bonden zij hem de handen op de rug, en met zes touwen zeer stevig aan een dikken doorboorden paal, die in de grond geplaatst was. Met het eerste touw was hij gebonden aan de enkels, met het tweede beneden de knieën, met het derde boven de knieën, met het vierde om het onderlijf, met het vijfde om het lichaam en met het laatste onder de armen.

Enige van de omstanders namen het zeer kwalijk, dat hij met het aangezicht naar het Oosten geplaatst was. Zij bevalen, dat hij met het aangezicht naar het Westen moest gekeerd worden, omdat hij een ketter was; wat dan ook terstond geschiedde. Daarenboven was zijn hals vastgemaakt met een zwarte, berookte keten, die wellicht vroeger in de schoorsteen door iemand gebruikt was. Toen Husz het hoofd een weinig omdraaide, zag hij die en zei: De Heere Jezus Christus, mijn Verlosser en zeer lieve Zaligmaker, was met veel zwaarder en harder keten gebonden om mijnentwil; waarom zou ik, ellendig mens, mij schamen, om Zijns naams wil, met deze vuile kelen gebonden te worden." Verder werden onder zijn voeten, die ook geboeid waren, twee bossen hout gelegd. Toen hij dus gebonden stond, en een boer zag, die hout aandroeg om te helpen verbranden, zei hij lachende: Sancta simplicitas!" dat is, heilige eenvoudigheid.

Eindelijk werd hij met hout en stro, dat dooreen gemengd was, tot aan de hals bedekt. Voor het hout ontstoken was, traden de hertog Lodewijk en de rijksmaarschalk naar Husz, en verzochten hem, dat hij, om zijn leven te behouden, nu nog zijn, leringen zou intrekken en afzweren. Terwijl hij zijn ogen naar de hemel verhief, antwoordde Husz niet luider stem: Ik betuig voor God, dat, waarvan zij mij met valse getuigen beschuldigen, ik nooit hebgeleerd noch geschreven. Al mijn predikatiën, onderwijzingen. en geschriften en al wat ik heb gedaan, heb ik met zulk een hart en alleen met het oogmerk gedaan, om de mens uit het geweld des duivels te verlossen. Daarom wil ik die waarheid, welke ik geleerd, geschreven en met uitgegeven geschriften aan het licht gebracht en met de wet Gods dooi, heilige leraren bevestigd heb, heden blijmoedig met de dood bezegelen." Nadat hij dit gezegd had, gingen de maarschalk en de hertog Lodewijk, de handen ineenslaande, heen.

Toen nu de scherprechter het hout aanstak, riep Johannes Husz herhaalde malen met luider stem: "Jezus Christus, Zoon des levenden Gods, ontferm U mijner." En als hij daarna wilde zingen: "Qui natus est ex virgine," stak er een wind op, die hem de vlam in het aangezicht sloeg, waardoor hij stikte. Aldus liet deze vrome martelaar, om de belijdenis van Christus, zijn leven in het vuur. Toen het hout verbrand was, en het bovenste gedeelte van zijn lichaam nog aan de keten hing, wierpen zij de paal neer, staken op nieuw het vuur aan sloegen zijn beenderen met stokken en kliefden zijn hoofd, opdat het te eerder door het vuur zou verteerd worden.

Onder de ingewanden vonden zij zijn hart nog onverteerd, dat zij op een scherpen stok staken, het andermaal in het vuur wierpen, met stokken sloegen en daarna lieten verbranden.

De as van de verbranden martelaar werd in de Rijn geworpen, opdat er niets van de goede man zou overblijven.

Dit geschiedde de 6e Juli in het jaar onzes Heeren 1415.

Betreffende Johannes Husz werd het volgende versje gemaakt:

 

Constantem inconstans Constantia sustulit Hussum,
Pro Christo ardentem cum subit ille rogum.

 

Dat is:

 

Konstanz, zeer inconstant,
Heeft Husz met vuur verbrand,
Door kracht vervreemd van rede.
Hij bleef constant ter dood,
Als Christus' bondgenoot,
En heeft het vuur geleden.

 

Hieronymus van Praag

 

[JAAR 1416.]

 

Toen Johannes Husz geruime tijd te Konstanz gevangen gehouden werd, verscheen ook daar Hieronymus van Praag met grote kloekmoedigheid, om de onschuld te bepleiten van zijn meester, en zijn leer te handhaven. Aangezien hij een zeer geleerd en welsprekend man was, meende hij er zich van verzekerd te mogen houden, dat hij de zaak, wanneer hij geen bijzondere tegenstand ontmoette, zou winnen. Maar, daar hij bemerkte, dat hem daar lagen gelegd werden, begaf hij zich des anderen daags naar Ueberlingen, een Rijksstad, een Duitse mijl van Konstanz gelegen, om de schijn niet op zich te laden alsof hij zich lichtvaardig in gevaar had begeven. Van daar schreef hij brieven aan keizer Sigismund, waarin hij vrijgeleide verzocht om op de kerkvergadering te kunnen komen. Toen hem dit niet werd toegestaan, was hij voornemens naar Bohemen weer te keren. Op weg derwaarts werd hij betrapt, en door de dienaren van Johannes, zoon van de hertog van Beyeren, gevangen genomen, die hem aan de kerkvergadering overleverden, waar hij voor een ketter en navolger van Johannes Wicklef en van Johannes Husz beschuldigd werd.

De artikelen, waarvan zij hem beschuldigden, waren deze:

1. De roomse bisschop is gelijk aan een ander.

2. De waardigheid van het ambt maakt geen bisschop of pastoor, maar de heiligheid des levens.

3. Er is geen vagevuur.

4. De biddende orde is een duivelse uitvinding.

5. Paulus is nooit een lid van de duivel geweest, hoewel hij enige dingen deed, die plegen te geschieden door de boze gemeente.

6. De twee naturen in Christus, de goddelijke en menselijke, zijn één Christus.

7. De veroordeling van de 35 artikelen van Johannes Wicklef, die door de leraars geschiedde, is geheel onrechtvaardig.

8. Het vormsel, dat door smouten en smeren geschiedt, is geen sacrament.

9. De oorbiecht is een ijdel verzinsel en leugen, door mensen bedrieglijk uitgedacht. Het is genoeg, dat ieder zijn zonde aan God belijdt.

10. De doop behoort men alleen met water te bedienen, zonder olie of andere dingen.

11. De heiligheid, die men de kerkhoven toeschrijft, is niets anders dan ijdel en dwaas bijgeloof of een opraapsel.

12. Er is niet aan gelegen, waar het lichaam begraven wordt.

13. De gehele wereld is heden de tempel of kerk; want God wil Zijn godheid overal verbreid hebben. Zij, die enige tempels, kapellen of bedeplaatsen bouwen, willen Gods heerlijkheid en macht op enge wijze besluiten.

14. De klederen en versierselen, die de priesters op de altaar gebruiken, zo ook alle gereedschappen, zijn ten enenmale onnodig en dwaas voor de godsdienst ingevoerd en er bijgevoegd.

15. Het avondmaal des Heeren mag men ten allen tijde en aan alle plaatsen houden, waar ook de gelovigen en ware boetvaardigen vergaderen.

16. Zij, die de gestorven heiligen aanroepen, en van hen enige hulp wachten, doen vergeefse arbeid.

17. Dit geldt ook van hen, die hun getijden lezen en opluisteren of zingen,

18. Op iedere dag mogen de mensen arbeiden, uitgenomen op de Sabbatdag.

19. De heilige dagen behoort men af te schaffen.

20. De vastendagen, door mensen ingesteld, hebben niets te betekenen.

Toen de geestelijke gezanten deze artikelen veroordeeld hadden, beijverden zij zich ook om Hieronymus van Praag te veroordelen en als ketter te doden. In de gevangenis werd hij zeer wreed behandeld, daar zij hem gedurende een jaar in een kuil legden, waar hij zon noch maan zag, en met water en brood gespijzigd werd, terwijl zijn voeten in een blok gesloten waren, en zo geplaatst, dat het hoofd op de grond onder hem rustte. Omdat hij in zulk een ellende verkeerde, herriep en verloochende hij, op aandringen van de geestelijkheid, zijn gevoelens. Dit deed hij uit menselijke zwakheid, maar later, door Gods genade versterkt, beleed hij de eenmaal omhelsde waarheid met grotere vrijmoedigheid.

Op de 25e mei 1416, Zaterdags voor de Hemelvaart des Heeren, hield men in de hoofdkerk te Konstanz een algemene zitdag of samenkomst der kerkvergadering. Nadat de mis van de Heilige Geest gezongen was, en de plechtigheden afgelopen waren, werd Hieronymus voorgebracht en scherp vermaand, dat hij van al zijn dwalingen afstand zou doen, de leerlingen van Wicklef en Husz herroepen en afzweren, en voorts al1e ketterij verloochenen, dan zou de kerkvergadering hem alle vriendschap bewijzen.

Hierop antwoordde Hieronymus aldus: “Ik betuig heden voor mijn God en Heere en voor u allen, dat ik mij aan geen ketterij of valse leringen schuldig ken, want ik geloof van hart at de artikelen van het heilige, algemene christelijk geloof, en houd vast wat de algemene christelijke kerk belijdt. Ik kan ook Wieklef en Husz, als vrome. eerlijke en godzalige lieden, niet verwerpen. Zij werden ook van vele dingen vals en onwaar beschuldigd, en vele leringen van hen worden verkeerd voorgesteld. Dat ik dan zeggen zou, dat zij niet goed geleefd, geschreven of geleerd hadden, of dat het oordeel en vonnis, over ben uitgesproken, recht is, wil ik in geen geval doen. Wat ik weet, ja de gehele wereld bekent het, dat zij u geen onrecht gedaan, maar de waarheid gezegd hebben in wat zij tegen uw onrechtvaardige instellingen en verkeerde misbruiken gesproken en geleerd hebben. En ofschoon ik voorzie, dat gij mij doden zult, kan ik nochtans de waarheid niet verloochenen, en beveel mijn zaak aan God mijn Heere; Zijn wil geschiedde op aarde als in de hemel, Amen." - Hierna bevalen zij, dat het vonnis, dat uitvoerig tegen hem beschreven was, zou gelezen worden, waarvan dit de inhoud was: de heilige kerkvergadering van Konstanz snijdt af en verdoemt Hieronymus van Praag, als een verrotten en dorre tak van de boom, en als een vervloekten en verdoemden ketter, en dat wegens zijn dwalingen, lichtvaardig bestaan en hardnekkigheid, en voornamelijk, omdat hij zijn vroegere herroeping heeft geschonden, en wel met grote verachting van deze heilige kerkvergadering; levert hem over aan de wereldlijke overheid, opdat zij hem straft, zodanig als zijn goddeloosheid verdient.

Toen het vonnis aldus tegen hem uitgesproken was, werd Hieronymus een kroon (zoals vroeger aan Husz was gedaan) gebracht, rondom met duivels beschilderd. Zo spoedig hij die zag, wierp hij zijn hoed onder de daarbij staande priesters, zette de papieren kroon op het hoofd en zei: “ Toen mijn Heere Jezus Christus voor mij, ellendig mens, zou sterven, droeg Hij op Zijn hoofd een veel zwaarder doornenkroon. Ik zal daarom ook gaarne met deze, om Zijner genade en liefde wil, in het vuur gaan." Nadat hij die woorden gesproken had, werd hij terstond door de gerechtsdienaren gewapenderhand uit de hoofdkerk naar de gerechtsplaats geleid. Onder het gaan zong hij, met luide stem en een blij gemoed, terwijl hij zijn ogen naar de hemel hief, het algemeen geloof, gelijk dit gewoonlijk in de kerken gezongen wordt, en daarna andere lofzangen, totdat hij buiten de poort kwam aan de plaats, waar Husz vroeger werd verbrand.

Hij de paal gekomen zijnde, waaraan hij zou verbrand worden, viel hij op de knieën, en hield zich geruime tijd in stilte met bidden bezig. Daarna richtten de scherprechters hem op, trokken zijn klederen uit, en hingen hem een bemorst kleed over de schouders. Toen hij nu aldus met ketenen aan de paal gebonden stond, werd er rondom hem hout met stro vermengd opgestapeld, en terwijl men hiermee bezig was, zong Hieronymus andermaal met luider stem de lofzang van het Paasfeest: “Salve festa dies; toto venerabilis aero, crua Deus infernum vicit, et astra tenet, &c.

Na het aanheffen van de lofzang, beleed hij het berijmde algemeen geloof, en sprak het volk in de Hoogduitse taal aldus aan: “Weet, zeer lieve mannen, dat ik niets anders geloof dan wat ik daar even heb gezongen, en van de hoofdzaak van het geloof aanneem, gelijk het een christen betaamt. Maar nu ben ik ter dood veroordeeld, omdat ik aan deze vergadering van priesters in het veroordelen van Husz geen gelijk heb willen geven; en hij was toch, om van de oprechtheid zijns levens niet eens te spreken, een getrouw leraar van Gods wet en het Evangelie van Jezus Christus." Nadat zij hem van het hoofd tot de voeten met hout hadden omstapeld, en zijn uitgetrokken klederen daarbij geworpen hadden, wilde de scherprechter het vuur van achteren aansteken, opdat hij het niet zien zou. Doch Hieronymus zei tot hem: “Kom vrij hier, en steek het vuur voor mijn ogen aan, want indien ik voor het vuur bevreesd ware geweest, zou ik op deze plaats, die ik wel had kunnen vermijden, niet gekomen zijn." Daarna riep hij met luide stem: Heere, in Uw handen beveel ik mijn Geest." Vervolgens sprak hij op zeer luiden toon in de Boheemse taal: Heere God, almachtige Vader ontferm U mijner, en vergeef mij mijn zonden; want Gij weet, dat ik een liefhebber ben van Uwe waarheid."

Toen hij eindelijk door het vuur geheel was aangetast, zag men aan de beweging der lippen dat hij bad, totdat hij de geest gaf. Intussen bracht men zijn bed en andere voorwerpen uit de gevangenis, en deze werden met hem door het vuur verteerd, terwijl de as van zijn lijk, zoals men ook met die van Husz gedaan had, in de Rijn werd geworpen. Aldus werd deze geleerde man, om de naam van Christus, tot as verbrand, op de 30e Mei, in het jaar onzes Heeren 1416.

Poggius uit Florence een pausgezinde, die hij de gerichtshandel tegenwoordig was, deelt in zekere brief aan Leonardus Bruno van Arrezzo (Aretinus), de laatste woorden van Hieronymus, aan de geestelijken mee, waarin Hieronymus, zegt hij, een ongelooflijk verstand getoond heeft, zodat ieder van de omstanders met verwondering werd aangegrepen. Hij voegt er hij, dat Hieronymus nooit iets heeft verricht, dat een goed man niet betaamde. Indien hij het geloof in zijn hart dus omhelsde, als hij met woorden beleed, kon er hij hem niet alleen geen oorzaak des doods, maar zelfs niet van de minste belediging gevonden worden." Aan het einde van deze brief zegt hij: aldus is deze (boven het geloof) voortreffelijke man door het vuur verteerd. Ik heb zijn uitgang gezien, en elke onderhandeling, met hem gehouden, naarstig onderzocht. Waarlijk, men zou uit de school van de oude wijsgeren de dood van deze man hebben kunnen beschrijven. Ik heb u zulke dingen verhaald, omdat zij niet ongelijk zijn aan de geschiedenis van de ouden. Want Mutius, te weten Scaevola, heeft met zulk een kloek hart niet geleden, toen er slechts één lid van zijn lichaam namelijk, zijn hand, verschroeid werd; en Socrates dronk niet zo vrijwillig het vergif, als deze zich vrijwillig in het vuur begaf."

Sommigen schrijven, dat deze Hieronymus tot de bisschoppen en andere geestelijken, die hem veroordeelden, zou gezegd hebben: "Ofschoon gij geen schuld of enige rechtmatige oorzaak tot veroordeling des doods in mij hebt kunnen vinden, bemerk ik nochtans, dat gij het besloten hebt en het uw voornemen is, mij eindelijk te doden. Nu sta ik hier voor de almachtige God, Die alle harten kent; en op Hem, als op de opperste en rechtvaardigste Rechter beroep ik mij, opdat gij over honderd jaren God en mij verantwoording en rekenschap geve. Ik weet ook zeker, dat ik na mijn dood u een scherpen steek in het hart, en een smartelijke knaging in het geweten zal nalaten. God kome mij met Zijn genade te hulp. en vergeve ulieden uw zonden, amen."

Door een profetische geest voorzegde hij dit aangaande de tijden, die na honderd jaren aanbraken. Immers, deze martelaar van Jezus Christus werd gedood in het jaar 1416; maar later heeft Maarten Luther, door de prediking van het Evangelie, de waarheid aan het licht gebracht in het jaar 1517.

Zo zei ook Johannes Husz door een voorzeggende geest, tot de schriftgeleerden en opperpriesters: gij kunt nu wel de Husz (hetwelk in de Boheemse taal gans betekent) braden, maar de zwaan, die nog komen zal, zult gij niet kunnen braden." Waarmee hij zeggen wilde, dat Maarten Luther, die later komen zou, door hun geweld niet gedood worden.

 

Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever

 

[JAAR 1417].

 

Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever, twee priesters te Reprensburg, in Beijeren, werden, om de Evangelische waarheid, die zij moedig hadden voorgestaan en verdedigd, in die stad, niet lang na de dood van Hiëronymus van Praag, verbrand. Vignier zegt, dat dit geschiedde in het jaar 1417.

 

Katharina Saube

 

[JAAR 1417.]

 

In het jaar 1416 ging Katharina Saube van Thou, uit Lotharingen, te Montpellier naar de parochiekerk te Sint Firmin tot bijwoning van de mis. Vijftien of zestien dagen geleden had zij de burgemeesters der stad gebeden, om in een nonnenklooster opgenomen te worden. De bedoelde burgemeesters, benevens de ambachtslieden en het volk, samen meer dan 1.500 mensen, gingen in plechtige optocht naar de genoemde kerk, en brachten Katharina als een bruid naar het nonnenklooster, en lieten haar in een cel opsluiten, terwijl ieder naar huis terug keerde. Omtrent 2 uur des namiddags. op de 21e Oktober van het jaar 1117, plaatste Raymond Cabasse, leraar in de heilige Schrift, Predikmonnik, Vicarius der kettermeesters, zich op de rechter stoel in het Hoofdstuk hij het raadhuis te Montpellier, in tegenwoordigheid van de bisschop van Maguelonne, de luitenant des stadhouders, van de vier orden en van het gehele volk, die het plein voor het raadhuis hadden ingenomen. Daar werd de genoemde Katharina Saube, die op haar verlangen in het nonnenklooster was opgenomen, volgens zijn uitspraak in het openbaar voor een ketterse verklaard en veroordeeld, omdat zij vele veroordelenswaardige dwalingen tegen het katholieke geloof had verbreid, te weten: dat alleen die mannen en vrouwen tot de katholieke kerk behoren, die het leven van de Apostelen navolgen; verder, dat zij de hostie, die door de priester gezegend was, niet wilde aanbidden, omdat zij niet geloofde, dat het lichaam van Christus daarin tegenwoordig was; vervolgens dat het niet nodig was aan de priester te biechten, maar dat het voldoende was wanneer men aan God zijn zonden beleed; dat het even goed was, aan een vroom lid van de gemeente als aan een kapelaan of priester te biechten; dat er na dit leven geen vagevuur was, enz.

Nog vier andere artikelen stonden in het stadsboek geschreven, waarmee Katharina beschuldigd werd.

Deze luidde aldus:

1. Dat er nooit een ware paus, kardinaal, bisschop of priester is geweest, nadat de verkiezing van de paus niet meer door buitengewone werken des geloofs bevestigd is,

2. Dat de goddeloze priesters en kapelanen het lichaam van Christus niet kunnen heiligen. ofschoon zij de sacramentele woorden daarover uitspreken.

3. Dat de doop, die door een goddelozen priester wordt bediend, ter zaligheid niets baat.

4. Dat de kinderen, na de doop, voor zij geloven kunnen sterven, niet zalig worden (aangezien zij niets van weten) dan alleen door het geloof van hun peters, meters, ouders of vrienden.

Hij de vier laatste artikelen schijnt het, dat haar tegenpartij niet ter goeder trouw gehandeld heeft, of dat zij in alles geen volkomen kennis had van de christelijke godsdienst.

Nadat het genoemde vonnis was gelezen, gaf meester Raymond Katharina aan de rechter over, terwijl het volk bad, dat hij haar genadig wilde behandelen; maar de rechter volvoerde het uitgesproken vonnis op dezelfde dag. Zo werd dan Katharina naar de galg te Montpellier gevoerd, en daar als een ketterse verbrand. Toen er velen waren, die zeiden, dat zij weer rechtelijk gedood was, hield de bisschop van Maguelonne. nadat hij voor de raad de mis bediend had, een predikatie betreffende genoemde Katharina, waarin hij de ontevredenheid van het volk met vele en scherpe woorden op hevige wijze bestrafte. Door de strijd en het martelaarschap van deze vrouw werden vele eenvoudige lieden bewogen, om ook in die tijd van grote duisternis de waarheid wat naarstiger te onderzoeken.

 

Johan Cobham

 

[JAAR 1418.]

 

Johan Cobham, ridder, heer van Oldcastel, van adellijke afkomst, in het koninkrijk Engeland, maar bovenal edel door de kennis des Heeren Jezus Christus, die de waarachtige en hoogste adel is, was een zeer ijverig voorstander der waarheid. Met vrijmoedigheid beleed hij dikwerf in het openbaar parlement des konings, dat het vooral nuttig voor het koninkrijk Engeland zou zijn, wanneer men de paus van Rome daarover geen heerschappij liet voeren.

In het koninkrijk Engeland had erin die tijd een grote vervolging plaats, waarbij, door de geestelijke gezanten, priesters en monniken, allen dienaren van de antichrist, veel onschuldig bloed, om de belijdenis van Jezus Christus, vergoten werd; zodat vele godzalige lieden zeer beangst en benauwd waren, en niet wisten, waar zij vluchten of gaan zouden, teneinde hun leven te behouden. Maar God, de almachtige en barmhartige Vader, 'bewoog het hart van deze vromen ridder, zodat hij hen allen zeer vriendelijk ontving, verborg, hielp, beschutte en beschermde. Ja, hij zond ook leraars uit, die de zuivere waarheid van het Evangelie in de bisdommen van Londen, Roffen en Hereford zouden prediken, als hoogst nodige arbeiders in de wijngaard des Heeren. Hij schroomde niet dit te doen, in weerwil dat er, in het jaar 1401 een vermanende bepaling was uitgevaardigd, dat men hem, die deze teer beleed, hielp bevorderen, bijstand of gunst bewees, gevangen nemen en doden zou.

Dat zijn rijk aldus zou verstoord worden, kon de duivel niet lang verduren, en dreef de geestelijkheid bijeen, om te beraadslagen, hoe men de waarheid het best kon onderdrukken en uitroeien. Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury, een groot vijand van het Evangelie, riep daarom de geestelijkheid samen in de parochiekerk van St. Paulus, en deed daar de vraag, welke middelen men zou aanwenden om dergelijke ketterij te vernietigen. Eindelijk werd besloten, dat men de beschermer der gelovigen, Johan Cobham, ridder, heer van Oldcastel, in de eerste plaats zou ontbieden, en, wanneer hij niet ophield deze zaak te ondersteunen, dat men hem dan ook door de wereldlijke macht zou doen straffen.

Aangezien Johan hij de koning in groot aanzien stond, reisde de aartsbisschop met zijn geestelijke stoet naar de koning op het slot Reningion, bracht daar zijn klachten in tegen de heer van Cobham, en bad de koning te bedenken aan welk groot gevaar, onrust en opstand, door zulk een man, het koninkrijk Engeland werd blootgesteld. Doch de koning, als een kloek en verstandig vorst, haastte zich niet, na de klacht van de aartsbisschop, zijn oordeel uit te spreken. Hij beval de aartsbisschop, dat hij met zijn bisschoppen enige lijd deze zaak moest laten rusten, aangezien hij met de heer van Cobham persoonlijk deze zaak wilde bespreken, om het geschil en de tweedracht, die er tussen hem en de geestelijken bestond, zoveel. hem mogelijk was, uit de weg te ruimen. Daar de koning echter de vromen ridder van zijn godzalige kennis en voornemen niet kon af brengen, en de aartsbisschop niet ophield met hem te verklagen en te beschuldigen, gaf de koning eindelijk de gehele zaak de bisschoppen over.

Men liet hem schriftelijk uitnodigen, waaraan hij niet wilde beantwoorden. Daarna riepen zij hem, en daagden hem hij zich door brieven, die geslagen waren aan de deuren der domkerken te Roffen, twee Engelse mijlen van het slot Conveling gelegen, waar de heer van Cobham woonde. Toen hij er later op de bepaalde dag niet verscheen, deden zij hem in de ban, lieten hem door de dienaren des konings gevangen nemen, en in de Tower te Londen opsluiten. Toen zij hem nu in hun macht hadden, vergaderden zij, namelijk Thomas, aartsbisschop van Canterbury, de heer Richard, bisschop van Londen, en Hendrik, bisschop van Winchester, lieten de gevangene in de vergadering brengen, en beschuldigden hem van de volgende artikelen:

Van het sacrament des altaars.

Van de biecht.

Van de verering der beelden.

Van de bedevaarten.

Van de sleutelen en de macht der kerken.

Aangaande deze artikelen begeerde heer Johan zijn belijdenis in het openbaar te mogen afleggen. Toen hem dit toegestaan werd, las hij een brief en beleed, dat onder het hoogwaardig sacrament, onder de gestalte van brood en wijn, de gelovigen uitgedeeld wordt het lichaam en bloed van Christus Jezus; dat de ware boetvaardigheid bestond in verbetering van het leven, met zulk een biecht en voldoening als de Heilige Schrift eist en vordert; dat de bedevaarten niet nodig waren, want hij, die uit een oprecht geloof zijn leven betert, verkrijgt het eeuwige leven; hem, die dat niet doet, zullen geen bedevaarten helpen; dat de beelden, te vereren, en het een hoger te schatten dan het andere, schandelijke afgoderij is, die jegens God gepleegd wordt, Wien alle eer alleen toekomt.

Toen hij deze bekentenis had afgelegd, wilden zij hem verder vragen, hoe hij het woord gestalte verstond, of hij meende, dat het brood hetzelfde wezen of dezelfde natuur behield, of dat het in vlees werd veranderd. Doch hij antwoordde, dat hij hij zijn voornoemde bekentenis bleef volharden. Zij bedreigden hem toen, en zeiden, dat zij de macht hadden hem voor een ketter te verklaren, wanneer hij zijn bedoeling en gevoelens niet duidelijker uitlegde. Maar de heer van Cobham bleef hij zijn gegeven antwoord. Zonder verder in woordenwisseling te treden, gingen zij uit elkaar, terwijl de heer Johan weer naar de gevangenis werd geleid.

Op Maandag de 25sten September kwamen zij andermaal samen, terwijl hun aantal vermeerderd was met advocaten en schrijvers om de rechtszaak te behandelen. Maar aangezien de heer van Cobham in de ban was, vroegen zij hem, daar niemand die in de ban is voor het gerecht spreken mag, of hij ook wenste van de ban ontslagen te worden, of vrijspraak begeerde'? Hij antwoordde, dat hij in dit geval van hen niets begeerde, want dat God hem alleen kon vrijspreken.

Vervolgens begeerden zij, dat hij op de bewuste artikelen wat uitvoeriger zou antwoorden. Eindelijk beleed hij, dat het brood in het sacrament zijn natuur niet veranderde, en, wat de roomse kerk daarvan heeft vastgesteld, zij dat gedaan heeft tegen de Heilige Schrift, en wel tijdens zij rijk begon te worden, en alle valse en schadelijke leringen in haar midden de overhand kregen.

"Wat de biecht betreft," zei hij, “wanneer iemand zich aan grote zonde schuldig maakt, die hij niet kan overwinnen, dan is het goed, dat hij tot een priester gaat en hem raad vraagt; maar, dat hij de priester zijn zonden zou biechten, is tot zaligheid niet nodig, want zodanige zonden moeten door een waar berouw en zonder de biecht weggenomen en gereinigd worden."

Wat men zegt van de verering van beelden en de aanbidding van het kruis, zei hij, dat men alleen de Heere Christus, die aan het kruis gehangen heeft, moet vereren en aanbidden.

Aangaande de sleutelen en het gezag der kerk, zoveel de paus, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere geestelijken betreft, beweerde hij, dat de paus de ware antichrist en het hoofd van de antichrist was, en de anderen zijn leden, die men niet schuldig is te gehoorzamen, tenzij zij in leer en leven ware navolgers van Christus en Zijn apostelen zijn; en dat hij alleen de ware nakomeling van Petrus is, die een vroom en onschuldig leven leidt, en niemand anders. Onder het opheffen van zijn hand, riep hij zeer luid tot het omstaande volk: Allen, die gij hier tegenwoordig ziet, om mij in dit gericht te veroordelen, zullen u allen en ook zichzelf verleiden, en u in de afgrond der hel doen zinken; wacht u daarom voor hen!"

Toen de priesters deze vrijmoedigheid hoorden, verdoemden zij hem onderling als een ketter, deden hem in de ban, en leverden hem over in de handen van de wereldlijken rechter. Aldus werd hij als een ketter en verachter der koninklijke majesteit, weer naar de Tower te Londen geleid, en daar gedurende geruime tijd opgesloten.

Dit was echter bovengenoemde geestelijkheid niet genoeg. Naar alle plaatsen zonden zij plakkaten en brieven, waarin zij verklaarden, dat allen die onder de bescherming van de edelen heer van Cobham stonden, als ketters veroordeeld waren, dat niemand hun verblijf verlenen, ontvangen, bijstaan of behulpzaam wezen zou.

Toert de genoemde heer Johan Cobham geruime tijd in de gevangenis had doorgebracht, wist hij des nachts uit te breken en zich te verlossen, en vluchtte met enige anderen naar Cambriam, waai hij ook dagelijks met de geestelijken streed, en niet naliet het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Vier jaren daarna echter nam men hem weer gevangen, en bracht men hem in de gevangenis te Londen. Onder de regering van koning Hendrik de vijfde, werd hij op de plaats St. Egidy aan een ijzeren keten opgehangen en daarna verbrand. Dit geschiedde de 14e December in het jaar der geboorte van Jezus Christus, onze enige Zaligmaker, 1418.

Aldus werd aan hem zijn eigen voorzegging vervuld, die hij hij herhaling aangaande zichzelf uitsprak, namelijk, dat hij op aarde zou omkomen en sterven zoals voormaals de Profeet Elia deze aarde verliet, waarmee zijn heengaan enige overeenkomst had. Gelijk Elia in een vurige wagen van deze aarde tot het eeuwige leven werd opgenomen, werd de vrome martelaar Johan Cobbam, heer van Oldcastel, eerst aan een galg als op een wagen gezet en opgehangen, daarna een vuur rondom hem aangelegd, en aldus op gelijke wijze door een vurige wagen opgenomen; en, terwijl hij de geest gaf, voer hij naar de hemel tot het eeuwige leven.

 

Hendrik Groenvelder

 

[JAAR 1420.]

 

Na de dood van Johannes Husz en Hieronymus van Praag, namen velen de leer van het heilige Evangelie aan, en gaven met hun bloed aan de waarheid getuigenis. Onder deze bevond zich, benevens vele anderen, meester Hendrik Groenvelder, die van de orde des pauselijken priesterdoms tot de ware kennis van Christus kwam, en te Regensburg verbrand werd, in het jaar 1420.

 

Johannes Krasa

 

[JAAR 1420.]

 

Johannes Krasa, een der voornaamste kooplieden te Praag, kwam te Breslau, in Silezië, om koophandel te drijven. In die tijd bevonden zich daar keizer Sigismund en Ferdinandus, een gezant van de paus, om te overleggen op welke wijze men het best de bewoners van Bohemen de oorlog zou kunnen aandoen. Terwijl Johannes Krasa in het logement vertoefde, kwam het gesprek op de godsdienst, waaibij hij de onschuld van Johannes Husz, die ten onrechte was veroordeeld, en het sacrament van het heilige avond maal onder beider gestalten, krachtig verdedigde, en werd ten gevolge daarvan gevangen genomen en in de kerker gesloten.

De volgende dag werd in dezelfde gevangenis gebracht zekere Nikolaas van Bethlehem, student, die door de gelovigen te Praag was belast, de keizer te kennen te geven, "dat, indien hij de drinkbeker in het sacrament des heiligen avondmaals wilde toelaten, zij hem als hun koning zonden erkennen." Over deze woorden werd de keizer op deze bode in hoge mate verbolgen.

Toen deze student hij Krasa was geplaatst, versterkte hij hem door Godvruchtige toespraken, en verblijdde zich, dat hij hem tot een metgezel in het lijden was gegeven. "Mij broeder Nikolaas, zei hij, welk een eer is het, dat wij geroepen worden, om getuigenis af te leggen van de Heer Jezus; laat ons met moed deze kleine onaangenaamheden ons getroosten; de strijd is kort, de prijs eeuwig. Laat ons gedenken wat een bitteren dood onze Heere voor ons heeft uitgestaan, door welk onschuldig bloed wij verlost zijn, en welk lijden de martelaren en maagden hebben verduurd!" Met deze en dergelijke vermaningen hield hij niet op hem te versterken. Maar toen zij naar de strafplaats werden geleid, en de touwen, waarmee Nikolaas aan een paard door de straten der stad zou gesleept worden, hem aait de voeten werden gebonden, herriep hij, uit vrees voor de dood, en omdat Ferdinandus, de gezant van de paus, hem het behoud van zijn leven beloofde, zijn gevoelen, namelijk, de dwaling van Husz, zoals men die zo noemde. Doch Krasa bleef, in weerwil van alles wat de gezant hem zei, onbeweeglijk als een rots. Langzaam werd hij door de straten gevoerd, terwijl de gezant van de paus hem overal volgde, en herhaalde malen uitriep, ja, zelfs gebood, dat de scherprechter moest stilstaan:,Heb medelijden met uzelf; laat uw dwalingen varen, die de Bohemers lichtvaardig hebben uitgestrooid!" Hierop antwoordde Johannes: “Ik ben bereid voor het Evangelie van Jezus te sterven!" Aldus werd hij, meer dood dan levend, naar de gerechtsplaats gesleept en verbrand. Dit geschiedde de 11e Maart in het jaar onzes Heeren 1420.

 

Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht anderen verbrand

 

[JAAR 1420].

 

In hetzelfde jaar, toen Albertus van Oostenrijk zijn zwager Sigismund, te Praag hulp verleende, namen zijn soldaten te Arnostowitz gevangen Wenceslaus, pastoor in die plaats; een man door God en de mensen bemind, en zijn kapelaan, drie werklieden en vier kinderen, van welke het oudste elf jaren was. De eerste werden gevangen genomen, omdat zij het avondmaal onder beide gedaanten hadden bediend, de anderen omdat zij daaraan deel. genomen hadden. Zij werden naar Bystricium, waar het leger lag, tot de overste des legers gebracht die hen verder naar zijn bisschop zond. De bisschop gebood de pastoor de bediening van het avondmaal onder beide gedaanten af te zweren, en bedreigde hem, dat hij anders zijn vermetelheid met de vuurdood zou boeten. Zeer moedig antwoordde daarop de pastoor: Leert het Evangelie u dit? Is dat in uw Missalen vervat? Is dat recht? Door dit vrijmoedig antwoord werd de woede der omstanders derwijze opgewekt, dat een soldaat de pastoor met een ijzeren handschoen zodanig in het gezicht sloeg, dat het bloed hem de neus en de mond uitliep. De bisschop zond hem weer tot de krijgsoverste en daarna de krijgsoverste Item andermaal tot de bisschop. Toen zij hem de gehelen nacht bespot hadden, werden zij samen des morgens vroeg, op Zondag, naar buiten gebracht, en de kleine strijders Wenceslaus in de schoot gegeven. Als de bisschop nog verder aanhield, dat Wenceslaus de drinkbeker in het avondmaal voor de leken zou afzweren, antwoordde hem de getrouwe herder, zo voor zich als uit aller naam:

“Dat zij ver van ons! Liever willen wij duizend doden sterven, dan de waarheid, die zo duidelijk in het Evangelie is geopenbaard, af te zweren." Terstond werd de scherprechter bevolen, het hout aan te steken, en zond hen aldus als een welbehaaglijke offerande naar boven, terwijl de pastoor het laatst van allen de geest gaf. Dit geschiedde de 7e Juli in het jaar onzes Heeren 1420.

Op de 20sten April 1421 werd ook Nikolaas Hochta te Praag, om zijn belijdenis der Evangelische waarheid, verbrand.

 

Vier en twintig burgers te Leitmeritz verdronken

 

[.IAAR 1421.]

 

De burgemeester van de stad Leitmeritz, Pichel genaamd, een wreed en bedrieglijk mens, liet ’s nachts vier en twintig van de voornaamste burgers, en onder die zijn eigen schoonzoon, gevangen nemen, en in een kelder van een toren, staande aan de St.Michielspoort, werpen. Toen zij door de honger en koude half dood waren, liet hij hen eindelijk, in overleg met de bevelhebbers van keizer Sigismund, gewapenderhand eruit halen, sprak het doodsvonnis over hen uit, deed hun de handen en voeten aan elkaar binden, op wagens leggen, en beval, dat zij naar de oever van de Elbe zouden worden gevoerd, om daar verdronken te worden.

Toen het volk dit vernam, liep het samen met de vrouwen, kinderen, bloedverwanten en vrienden, en weenden en maakten groot misbaar. Terwijl dit plaats had, verscheen ook de dochter van de burgemeester, viel met gevouwen handen de vader te voet, en bad om het leven van haar man. Maar de vader, harder dan een steen, beval haar niet langer te wenen, zeggende, dat zij niet wist, wat zij bad. Kunt gij, vroeg hij, geen waardiger man dan deze krijgen? Toen zij zag, dat haar vader niet te verbidden was, stond zij op met de woorden: "Gij zult mij, o vader, niet meer uithuwelijken. En terwijl zij op haar borst sloeg, volgde zij, met hangende haren, haren man en de anderen.

Toen deze martelaren aan de oever van de Elbe gebracht waren, werden zij van de wagens geworpen. Terwijl de schuiten werden gereed gemaakt, verhieven zij hun stemmen, riepen de hemel en de aarde aan tot getuigen van hun onschuld, namen afscheid van hun vrouwen, kinderen en vrienden, vermaanden hen tot stand vastigheid, drukten hun op het hart, dat zij liever Gods Woord dan menselijke verdichtselen moesten aanhangen, baden God voor hun vijanden, en bevalen hun zielen Gode aan. Daarna werden zij in de schuiten gebracht, naar het midden der rivier gevaren, en gebonden aan handen en voeten, in de rivier geworpen en verdronken. Met stokken en grote vorken, beslagen met ijzer, stonden de scherprechters aan de oevers, om te verhoeden, dat zij aan de oever zouden komen; terwijl zij, die dit, hoewel half dood, beproefden, werden doorstoken en naar de diepte gestoten.

Toen de dochter van de burgemeester de ogen op haar man sloeg, sprong zij eindelijk in de rivier, en terwijl zij hem omhelsde, poogde zij hem uit de stroom te verlossen. Maar, aangezien de rivier te diep was, en haar man niet kon losgemaakt worden, en het ingezwolgen water hem deed zinken, verdronken zij beiden, en werden de volgende dag, zoals zij elkaar hadden omvat, opgehaald en begraven. Dit had plaats de 30sten Mei van het jaar onzes enige Zaligmakers Jezus Christus 1421.

Deze gebeurtenis werd kort daarna in de Allerheiligenkerk te Leitmeritz, tot een eeuwige gedachtenis, met gulden letteren beschreven, en ook afgebeeld in een tafereel voor de poort van St. Michiel. Op bevel van de commissaris der hervorming, George Micha, werd dit schilderstuk de 8e Juli 1623 uitgewist en vernietigd.

 

Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius Jednooky

 

[JAAR 1421.]

 

Op de 23sten Juli 1421 werd te Praag in een vat gesloten en verbrand zekere schoenmaker, Wenceslaus genaamd. Hem werd ten laste gelegd, dat hij, toen de Priester het sacrament ophief, niet wilde opstaan, ja daaraan de rug had toegekeerd, en aldus het sacrament onteerd.

De 26e Februari van hetzelfde jaar werd ook gevangen genomen Martinus Loquis en beschuldigd, "dat hij de dwalingen van de Waldenzen, het sacrament des avondmaals betreffende, invoerde; en dat hij met ergerlijke ontheiliging leerde, dat het brood des avondmaals en de drinkbeker gegeven woest worden in de handen der Avondmaalgangers."

Op de voorbede van de gelovigen te Tabor werd hij uit de gevangenis ontslagen, en om de haat en het woeste geweld van zijn tegenstanders te ontgaan, vatte hij het voornemen op, om met een ander leraar, Procopius Jednooky, naar Moravië te gaan. Toen zij door Chrudim trokken, weide zij herkend en door de bevelhebber der stad, Dionysius, gevangen genomen en in boeien geklonken, terwijl men hun vroeg hoe zij over het sacrament des altaars dachten. Daarop antwoordde Martinus: "Het lichaam van Christus is in de hemel; Hij heeft één lichaam en geen meerdere gehad." De bevelhebber, die zulk een zogenaamde godslastering niet kon verdragen, gaf hem een slag in het aangezicht, en beval aan denscherprechter zich gereed te houden om de ketter te verbranden.

Ambrosius echter, pastoor te Hiadisko, die daar tegenwoordig was, verzocht dat zij aan hem zouden overgegeven worden; hij nam hen mee naar Hiadisko, hield hen daar vijftien dagen gevangen, en poogde op verschillende wijzen hen tot bekentenis en herroeping van hun dwalingen, zoals hij meende, te brengen. Maar hij bevond, dat zij standvastiger waren dan hij dacht, en zond ben naar Raudnitz. Daar werden zij in een duistere gevangenis gezet, waar zij gedurende twee maanden, zonder dat iemand toegang tot hen had, vertoefden, en op onderscheiden wijze werden gepijnigd. Men brandde hun gaten in het lichaam, totdat de ingewanden er gedeeltelijk uithingen, opdat zij bekennen zouden waar zij deze dwalingen hadden geleerd, wie hun geestverwanten te Praag waren, terwijl men ben trachtte te dwingen enige namen der zodanigen bekend te maken. Toen zij aangespoord werden, dat zij van de weg der dwaling tot de waarheid zouden terugkeren, antwoordden zij al lachende: “Niet wij, maar u moet er aan denken om terug te keren; want u bent van Gods Woord tot de bedriegerijen van de antichrist afgedwaald, en u bidt het schepsel aan in plaats van de Schepper.”

Als zij tot de strafplaats, waar het vuur ontstoken was, werden geleid, vermaanden de mispriesters hen, dat zij het volk zouden verzoeken voor hen te bidden, waarop zij tot antwoord gaven: “Wij hebben die gebeden niet nodig. Maar christenen, bidt voor uzelf en voor hen, die u verleiden, dat de allergenadigste Vader geeft, dat u de duisternis mag verlaten.” Op de gerechtsplaats aangekomen, werden zij beiden in één vat gesloten en verbrand.

Dit gebeurde de 21e augustus, in het jaar van onze Heere 1421.

 

Johannes Purvey

 

[Jaar 1421.]

 

Aangaande deze Johannnes Purvey verhalen de engelse geschiedschrijvers, dat hij een leraar was in de vrije kunsten, en dat hij van de tegenpartij en de vijanden van de waarheid veel moest lijden. In zijn jeugd had hij Johannes Wicklef tot onderwijzer, door wie hij in de gronden van de ware godsdienst goed onderwezen was, en die naderhand dit onderwijs zo goed wist aan te wenden, dat hij door zijn leer en godzalig leven vele zwakke en verdwaalde schapen uit de kaken van de wolven redde, en weer tot de schaapsstal van Christus bracht. Daarom noemde zijn tegenpartij hem smadelijk een boekverkoper van de Lollarden en een uitlegger van Wicklef. Deze Purvey had in die tijd, door de kracht van de Heilige Geest, de vrijmoedigheid te zeggen, dat Rome het verleidende hoerenhuis was van de satan, en dat zijn zo zeer vergiftigde en geschonden kerk de hoer was, met purper bekleed en met goud behangen, met wie de koningen en bewoners van de aarde zo lang gehoereerd waren, dat zij dronken waren van de wijn van haar hoererij, Openb. 17. Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury vervolgde hem, liet hem in het jaar 1396 in de gevangenis werpen, en bracht hem door velerlei pijnigingen zo ver, dat hij in de St. Pauluskerk te Londen zeven artikelen herriep. Toen hij weer naar de gevangenis geleid was, bekende en verbeterde hij zijn afval en kleinmoedigheid zo, dat hij van de waarheid niet afgetrokken kon worden. In het jaar 1421 stierf hij in de gevangenis, nadat hij onder de aartsbisschop van Canterbury, Hendrik Chicheley, vreselijke martelingen en pijnigingen had verduurd.

 

Johannes Zelivaeus

 

[Jaar 1422.]

 

Johannes Zelivaeus was een monnik van de orde van de Premonstratensen, in het klooster ad Mariam niveam, een van degenen, die verkozen waren tot de bediening van de consistorie, en beroemd niet alleen om zijn geleerdheid, maar ook wegens zijn welsprekendheid. Deze had een grote toeloop, terwijl hij de zuivere leer van de Taborieten verdeedigde; en hij raadde de bewoners van Praag, dat zij moesten verwisselen van burgemeester. Maar de bevelhebber van Oud-Praag, Haschok de Welish, die hij dikwijls had bestraft, maakte met de raad, die voor de helft uit priesters bestond, een samenzwering, en lokte, de 9e maart 1422, deze Johannes Zelivaeus, met nog twaalf anderen, in het raadhuis, en lieten hen op staande voet onthoofden. Door het wegvloeien van zijn onschuldig bloed werd dit bemerkt. Het veroorzaakte een geweldig oproer, zodat het volk de deur van het raadhuis openbrak, om de lijken van de doden te vinden. Een van hen bracht het hoofd van Zelivaeus, en terwijl hij dit aan de voor het raadhuis verzamelde menigte vertoonde, ontstond er zo’n geween en gehuil, dat het met geen pen is te beschrijven. Direct daarna liet zeker priester, Gaudentius genoemd, het hoofd in een schotel door de gehele stad omdragen, en hitste ieder, die hem ontmoette, tot wraak op, waardoor er onder het volk een oploop ontstond, en er enige raadheren werden vermoord, en de anderen de vlucht namen, terwijl men de colleges van de academie plunderde, de lijken van de vermoorde gelovigen in de kerk bracht, waar zij op eervolle wijze werden begraven.

Toen de predikant het geschrei van het volk hoorde, en zag, dat de lieden zo verslagen waren, zo zelfs, dat er enigen in zwijm vielen, en naar buiten moesten gedragen worden, was hij in het begin ook als verstomd; maar moed vattende, verklaarde hij de woorden van Hand. 8. vs. 2: “En [enige] godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen [ten grave], en maakten grote rouw over hem.” Aan het einde van zijn predikatie toonde hij, onder roerende woorden, tranen en betuigingen, het hoofd van Zelivaeus aan het volk, en vermaande het ernstig, dat zij alles, wat zij van die getrouwe leraar gehoord hadden, gedurig moesten bedenken, en al ware het dat een Engel uit de hemel hun tegendeel leerde, zij hem niet moesten geloven.

 

Willem Taylor

 

[JAAR 1423.]

 

Willem Taylor, een priester in Engeland, was een oprecht man, en leidde een onberispelijk en onbesproken leven. Met christelijke ijver weerstond hij de pausgezinden, en als een getrouw en vroom dienaar van God, bestrafte hij hun veelvuldige afgoderij op een moedige wijze. De verschrikkelijke godslastering, die zij met hun valse en verleidelijke leer dreven, weersprak hij met vrijmoedigheid, en streed daartegen met krachtige getuigenissen der Heilige Schrift.

Inzonderheid verzette hij zich tegen de aanroeping van schepselen, en beweerde, dat men het gebed alleen behoorde te richten tot de almachtige, eeuwige God, waarover hij ook een boek schreef, waarin hij krachtig bewijst, dat men de heiligen niet behoort aan te roepen.

Ofschoon de dienaren van de antichrist door velerlei pijnigingen en martelingen hem gedwongen hadden om zijn gevoelens te herroepen, keerde hij toch later, onder groot leedwezen over zijn afval van de Heere Jezus Christus, tot de Evangelische waarheid terug, en deed andermaal een goede belijdenis. In het jaar 1422 werd hij op het Smitsveld te Londen als een volhardend martelaar en belijder van Jezus Christus verbrand, en dat alleen, zoals Waldenus schrijft, om het artikel, waarin hij de aanbidding van geschapen voorwerpen afgoderij noemde.

Jan Draandorp, een edelman uit Meissen, werd in het jaar 1424, om de belijdenis der goddelijke waarheid, te Worms omgebracht.

Petrus Tornauw ontving, om dezelfde reden, de martelaarskroon te Spiers, in het jaar 1426.

 

Willem White

 

]Jaar 1428.]

 

Willem White, uit Kent, was een geleerd, oprecht, redelijk en welsprekend man en priester in Engeland. Deze verwierp de pauselijke leerstellingen, en nam een godzalige, ernstige maagd, Johanna geheten, tot zijn echte vrouw. Hij hield echter daarom niet op het zuivere Woord van God en het heilig Evangelie te verkondigen, en arbeidde met des te grotere ijver, om de kennis en het geloof van Jezus Christus door lezen, schrijven, prediken en onderwijzen te verbreiden. De hoofdartikelen van zijn leer waren:

1. Dat men de vergeving van zonden alleen van de almachtige God moest ontvangen.

2. Dat het ongehuwde leven van de paus en zijn geestelijken niets anders is dan een duivelse staat, een zware gevangenis van de antichrist, en daarom een afval der christelijke vrijheid.

3. Dat men de beelden en de andere afgodische schilderijen niet behoort te dulden.

4. Dat men het gebeente der gestorven heiligen niet behoort te vereren.

5. Dat de roomse kerk de vijgenboom is, die de Heere Christus,omdat hij geen vruchten van het ware geloof voortbracht, vervloekt heeft.

6. Dat de gekapte, gewijde en beschoren geestelijken, dienaren en krijgslieden zijn van Lucifer; en dat zij allen, omdat hun lampen niet branden, zullen uitgesloten worden, wanneer de Heere Christus komen zal.

Toen hij, onder de aartsbisschop, Hendrik Thirheley te Canterbury, in het jaar 1124 gevangen zat, herriep hij, uit menselijke zwakheid en uit vrees voor de dood, zijn gevoelens, en bekende, dat hij gedwaald had. Maar gelijk hij uit zwakheid viel., werd hij later weer in Christus Jezus veel vromer en krachtiger, en legde andermaal een vrijmoedige belijdenis af.

Eindelijk werd hij in September, in het jaar der geboorte van onze enige Zaligmaker 1428, te Norwich door de bisschop, Wilhelmus genaamd, van dertig artikelen beschuldigd en verbrand.

Zijn huisvrouw, die de heilige voetstappen van haren man navolgde, stichtte en onderwees ook vele mensen in de vrees Gods, waarom haar ook door de bisschop veel leed en verdriet werd berokkend.

 

Richard Hoveden

 

[Jaar 1430.]

 

In het jaar onzes Heeren 1430, kort na de kroning van Hendrik de zesde, koning van Engeland, leefde te Londen een burger, Richard Hoveden genaamd, een wolkammer. die, hoewel hij maar een eenvoudig ambachtsman was, nochtans door generlei aanvallen, aanrandingen, bedreigingen noch pijnigingen van Wicklef, leer, die hij volgde, kon afgetrokken worden. Ten gevolge daarvan werd hij door de roomse bisschoppen en geestelijken als een ketter veroordeeld en hij de Tower te Londen verbrand.

 

Thomas Bagley

 

[JAAR 1431.]

 

Thomas Bagley, een Vicarispriester van de parochie te Momendem, in het graafschap Essex, was een voortreffelijk leerling en aanhanger van Wicklef. Hij werd omtrent half vasten, in het jaar onzes Heeren 1431, door de bisschoppen te Londen veroordeeld, ontwijd en levend op het Smitsveld verbrand.

 

Paulus Craw

 

[JAAR 1131.]

 

In hetzelfde jaar, 1431, werd Paulus Craw, geboren in het koninkrijk Bohemen, in de nabijheid van de stad St. Andries, in Schotland, gevangen genomen en beschuldigd, dat hij daar gekomen was om de leer van Wicklef en Husz te verbreiden; om welke reden hij door de bisschop Hendrik veroordeeld werd, en aan de wereldlijken rechter overgegeven, om als ketter te worden verbrand. De reden waarom hij veroordeeld werd was, dat hij moedig verwierp en verachtte het boze, afgodische gevoelen van de pausgezinden, aangaande het sacrament des avondmaals, de aanroeping van gestorven heiligen, de oorbiecht en andere dingen, die zij op schandelijke wijze in de christelijke gemeente hadden ingevoerd.

 

Petrus Clarcke, Engels priester

 

[JAAR 1433.]

 

Petrus Clarcke, hoogleraar in de wijsbegeerte aan de hogeschool te Oxford en priester, was een getrouw en ijverig leerling van de apostolische leraar Johannes Wicklef, waarom hij dan ook in zijn predikatiën zeer uitvoer tegen de priesters en monniken. In het jaar 1420 streed hij in het openbaar in de scholen der godgeleerden te Oxford tegen Thomas Walden, en verzette zich tegen de aanbidding der gestorven heiligen, beeldendienst, overblijfselen van heiligen, offeranden, tienden, beloften, bedevaarten, bedelarij der monniken en beweerde, dat de dom me monniken Gods Woord door hun bijgeloof vervalst hadden. Hij behandelde tien nog met enige verschoning, omdat hij de onreinheid van het pausdom niet al te zeer wilde aanroeren, teneinde geen groten stank te veroorzaken. Nochtans moest hij spoedig na zijn twistgesprek, uit vrees voor de tirannie der pausgezinde Farizeeën en om zijn leven te sparen, naar Bohemen vluchten, waar hij, door geestelijken ijver aangevuurd, een boek schreef tegen de synagoge van de antichrist, en nog een ander tegen de bedelmonniken. Eindelijk werd hij in het jaar 1433 door de dienaren des keizers gevangen genomen, en evenals Caxtomis en Fabianus omgebracht, doch men weet niet, welke dood hem werd aangedaan.

 

Thontas Rhedon

 

[JAAR 1136.]

 

Thomas Rhedon, te Thenes in Bretagne, in Frankrijk, geboren, was een karmelieter monnik, en reisde met enige geestelijken uit Venetië, door Italië, hij had, hoewel hij tot de verbasterde en goddeloze bedelorde behoorde, in zijn monnikenleven enige kennis der waarheid verkregen De reden waarom hij Frankrijk verliet en Italië doorreisde, was de hoop, daar enige godvruchtige monniken te vinden, met welke jij in het geheim en op godsdienstige wijze zou kunnen leven, en zo dagelijks in alle godzaligheid meer en meer toenemen.

Hij dacht dit nergens beter te zullen vinden dan in de stad Rome, daar zij als het hoofd der christenheid en de zetel van de allerheiligste Apostel Petrus geacht werd. Ziedaar waarom hij naar Rome ging, waar hij echter alles anders vond dan hij meende. In plaats van heiligheid, vond hij geveinsdheid; in plaats van geestelijk leven, trof hij er hoogmoed en verkwistenden overvloed aan; in plaats van vrees Gods, vond hij er niets dan verachting van Goden vreselijke godslastering.

In zijn predikatiën bestrafte hij eindelijk hevig dit schandelijk leven, vooral dat van de kardinalen en opperpriesters, die zich nog wel geestelijke hoofden der christenheid noemden. Maai, aangezien de duisternis het licht niet kon verdragen, en de waarheid de vijandschap groter maakte, beschuldigden zij Thomas als een ketter, om de volgende artikelen:

1. De kerk heeft een hervorming nodig, zeker is het, dat zij zwaar zal gestraft en hervormd worden.

De gelovige Joden, Turken en heidenen, die Mauritanië (Noordkust van Afrika) wonen, zullen in de laatste tijd ook tot de Heere Christus en het christelijk geloof bekeerd worden.

3. Dat Rome vol was van verschrikkelijke gruwelen.

4. Dat de ban van de paus, wanneer die onrechtvaardig toegepast werd, niet te vrezen was; dat ook zij, die hem verachtten, niet zondigden.

In die tijd regeerde te Rome paus Eugenius IV, voor wien Thomas geroepen werd. Toen hij daar verscheen, werd hij in de gevangenis geworpen. Als hij daarin enige tijd vertoefd had, en op velerlei wijze gepijnigd, werd hij vervolgens van zijn priesterschap ontzet en daarna verbrand, en wel in het jaar van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1436, vier jaren, nadat hij te Rome was gekomen.

 

Reijnold Pebocke

 

[JAAR 1453.]

 

Reijnold Pebocke, bisschop te Chichester, werd door de valse bisschoppen in Engeland, om de belijdenis van de ware leer van het evangelie, op vreselijke wijze verdrukt; en, zoals enige schrijven, nadat hij van zijn bisschoppelijke waardigheid ontzet was, tot aan zijn dood gevangen gehouden, ofschoon anderen menen, dat hij in het geheim werd omgebracht.

 

Mattheüs Hager

 

[JAAR 1455.]

 

Hij wijze van geschiedenis, zouden wij zeer veel kunnen meedelen aangaande de gelovigen in de eerste tijd der hervorming, toen zij nog weinig verlicht waren, en toch velerlei martelingen met standvastigheid verdroegen, doch door het lang tijdsverloop zijn vele namen van hen verloren gegaan. Het kan ook geen verwondering baren, dat de onderdrukking van de zogenaamde geestelijkheid zich uitstrekte tot de burgers en de mindere standen, aangezien zelfs de priesters en bisschoppen niet van de verdrukking verschoond bleven. In welke staat, toestand en betrekking de mensen zich ook bevinden, wat die ook zij, kan God, als Hem dit behaagt, enige daaruit in Zijn wijngaard trekken. Baleüs, een engels geschiedschrijver, verhaalt van zekere Mattheüs Hager, die, om de belijdenis van het heilige Evangelie, en omdat hij, zonder twijfel, de zaak van Johannes Husz in Duitsland voorstond, te Berlijn werd omgebracht in het jaar onzes Heeren 4455.

 

Johannes Goose

 

[JAAR 1473.]

 

In het jaar 1473, tijdens de regering van koning Eduard de vierde, werd Johannes Goose (dat is gans) een zeer godzalig en standvastig dienaar van Christus, om de goddelijke waarheid, als een ketter veroordeeld, en in Augustus op het plat van de Tower, of de gevangenis te Londen, levend verbrand.

 

Dr. Johannes de Vesalia, of Wesel

 

[JAAR 1479.]

 

Deze man was een dokter in de godgeleerdheid en prediker in de stad Worms, waar hij in het jaar onzes Heeren 1470, onder groten toeloop van hoorders, het Evangelie verkondigde. Doch de vijanden der waarheid, die dit niet konden verdragen, legden hem listen en lagen, en namen hem eindelijk gevangen. Naar aanleiding van enige artikelen, ontleend aan zijn predikatiën en geschriften, beschuldigden zij hem van ketterij. Onder andere dingen hield hij vol, dat alle christenen zalig worden uit loutere genade en door het geloof in Jezus Christus; dat de mens geen vrije wil, dat is de genegenheid en begeerte tot het goede, had; dat men alleen het Woord van God moet geloven en niet de uitleggingen van de kerkvaders, en dat dit Woord van God door zich zelf moet verklaard worden, en wel door vergelijking van de ene tekst met de ander; dat de geestelijken geen macht hebben om enige wetten te geven voor het gewetens der mensen, of om aan de Heilige Schrift zulk een uitlegging te geven, als hun goed dunkt. Hij verwierp ten enenmale alle inzettingen, zoals het vasten, om daarmee iets te verdienen, de vergeving van zonden door de paus, de bedevaarten en andere bijgelovigheden. Hij verwierp verder het laatste oliesel en het vormsel, keurde de oorbiechten de priesterlijke voldoening af. Betreffende de oppermacht van de paus zei hij, dat dit maar een droom was, en dat hij vreesde, dat de godgeleerden van vroeger tijd de teksten der Heilige Schrift zeer verkeerd uitlegden en niet verstonden. Het huwelijk der geestelijken en de bediening van het avondmaal onder beide gestalten keurde hij goed.

Als een ketter werd hij ter dood veroordeeld, en te Mainz, in het jaar onzes Heeren 1479, in het openbaar omgebracht. Deze daad mishaagde vele voortreffelijke mannen, die door de vonken der waarheid enigermate waren ontstoken, onder wie waren Johannes Keijserbergh en Eugelinus Bruijswijck, beide doktoren in de godgeleerdheid, die vrijmoedig betuigden, dat de monniken hem uit haat en nijd hadden gedood, en dat het merendeel van zijn artikelen, uit zijn predikatiën bijeengebracht, niets onberispelijks inhield.

 

Een edelman van Kandia of Kreta

 

[JAAR 1490.]

 

De geschiedschrijver Faventius verhaalt, dat er op het eiland Kandia een man was van het geslacht der hertogin, die, om de belijdenis van de Evangelische waarheid, beschuldigd, en door Petrus Thomas, gezant van de paus, daar als een ketter veroordeeld werd, en eindelijk terwijl hij buitengewoon standvastig bleef, verbrand; terwijl de anderen, die om dezelfde reden veroordeeld waren, hun gevoelens herriepen. Dit had plaats in het jaar onzes Heeren 1490.

Bovengenoemde schrijver meldt ook, dat deze gezant het lijk van zeker iemand, die daar gestorven was, liet opgraven, en op de aarde werpen, aangezien hij na zijn dood van ketterij werd beschuldigd.

 

Rogier Dule

 

[JAAR 1490.]

 

In Engeland bevond zich een ridder, Rogier Dule genaamd, die, om de belijdenis en het voorstaan der goddelijke waarheid, werd opgehangen en geworgd, en wel in het jaar 1490.

 

Johanna Bongton

 

[JAAR 1494.]

 

Opmerkelijk is het, dat om de getuigenis van het Evangelie te vereren, geen stand of soort van mensen uitgesloten was, die door God geroepen waren, om van Hem en Zijn waarheid getuigenis te geven. Zo zijn er heerlijke voorbeelden van vrouwen, die, niet mannelijke standvastigheid, allerlei pijnigingen en martelingen, om de naam van Jezus Christus, verduurden. In het jaar 1491t, het gle jaar der regering van Hendrik de zevende, koning van Engeland, werd, op de 2811 April, een zeer eerbare weduwe, Johanna Bougton, moeder van vrouw Young, die meer dan tachtig jaren oud was, op het Smitsveld te Londen levend verbrand, omdat zij van de artikelen van Wieklef vrijmoedig beleed en voorstond.

 

Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en Sylvester

 

[JAAR 1498]

 

Hieronymus Savonarola, een Italiaan, de 25e September 1452 te Ferrara geboren, werd door zijn vader Nikolaas, een voornaam man, aan zeer geleerde onderwijzers overgegeven, om onderwezen te worden in alle kunsten en wetenschappen, waarin hij zulke vorderingen maakte, dat hij reeds in zijn jeugd een boek schreef over de bedeling der wetenschappen, dat het bewijs gaf van bijzondere geleerdheid en godzaligheid.

Op rijpere leeftijd gaf hij zich geheel over aan het naarstig onderzoek van de leer der godzaligheid. Om dit te beter te kunnen doen, liet hij de twisten van de drogredenaars en kanonisten varen, en onderzocht met naarstigheid en vlijt de geschriften der oude kerkleraars. Spoedig bemerkte hij echter, dat hij in zijn vaderstad zijn studie niet goed kon voortzetten, en vertrok daarom naar Florence, waar hij zich onder de Dominikaner orde liet opnemen.

Hij zijn verblijf onderzocht hij met grote naarstigheid de kerkelijke geschiedenis en de geschriften der kerkvaders, vergeleek die met de Heilige Schrift, en bevond dat de roomse kerk zich op jammerlijke wijze aan menselijke overleveringen en instellingen had overgegeven, en dat het gedrag van de toen levende bisschoppen zeer afstak hij dat van de vroegere.

Toen de monniken van het klooster zijn grote geleerdheid bemerkten, droegen zij hem het predikambt op, dat hij gewillig aannam en met ijver bediende. Ofschoon hij in het begin van zijn predikambt zeer verschonend te werk ging, bestrafte hij nochtans, omtrent het jaar1483, met grote gestrengheid in het openbaar in de Geminianuskerk, de dwalingen, bijgelovigheden en onkuisheid der geestelijken, en beweerde, dat de roomse kerk weldra zou ondergaan, wanneer er niet een algemene hervorming plaats had. Hierdoor haalde hij zich vele vijanden op de hals, zodat hij genoodzaakt werd Florence te verlaten, en zich naar andere plaatsen te begeven, waar hij, en vooral te Brescia, met vrijmoedigheid predikte.

Na zeven jaren, en wel in het jaar 1490, keerde hij echter naar Florence terug, waar hij, de eerste augustus, begon met de, verklaring van de Openbaring van Johannes, en op de roomse kerk toepaste.

In de vasten van het volgende jaar, 1491, predikte hij in de St. Liberatakerk, en bedreigde zo hevig als ooit tevoren de kerkdienaren met Gods gramschap, om de vele dwalingen waaraan zij schuldig waren. Aangezien het volk in grote menigte van alle kanten toeliep, en met gretigheid en aandacht hem de genade van God in Christus hoorde verkondigen, verweten enige afgunstigen hem, dat hij een oproerig mens was, die het volk naar zich zocht te trekken, dat hij wat nieuws voor had, en meer zijn eigen dan Christus' ere zocht; wat alles nochtans valse en opgeraapte lasteringen waren.

Maar door deze lasteringen van zijn tegenpartij, werd hij echter niet van zijn schuldigen plicht afgeschrikt. Terwijl hij gedurig aanhield met bidden, lezen, overdenken, schrijven en prediken, besteedde hij zijn tijd uitermate goed, gelijk blijkt uit de talrijke en onderscheiden werken, die hij schreef, zowel in de Latijnse als in de Italiaanse taal, en voornamelijk uit zijn overdenkingen en verklaringen van enige Psalmen van David, zoals van de 31ste, 51ste, 80ste en het gebed des Heeren, gewoonlijk het "Onze Vader" genaamd.

Nadat hij gedurende enige jaren het Woord Gods te Florence gepredikt had, (zo getuigt Franciskus Guicciardino, Florentijns edelman, in zijn geschiedenis van de Italiaanse oorlogen,) kreeg hij hij het merendeel van het volk de naam en het gezag van profeet, en wel omdat hij ook (zelfs wanneer men in geheel Italië geen zweem van oorlog bemerkte, en er grote rust en vrede genoten werd,) menigmalen in zijn predikatiën voorzegde. dat er vreemde heirlegers in Italië komen zouden, en wel met zulk een verbazende menigte van mensen, dat er geen steden, met welke hechte muren ook, noch legers sterk genoeg zouden zijn, om deze vreemde macht te kunnen weerstaan. Hiermee zag op de spoedig volgende oorlog van Karel de achtste, koning van Frankrijk in Italië, die hij voerde om het koninkrijk Napels in bezit te krijgen. En, aangezien hij zei, dat deze en dergelijke dingen hem dooi, openbaring waren meegedeeld, murmureerden er velen tegen hem, en haalde hij zich ook de haat op de hals van de paus en van vele aanzienlijken te Florence.

Zijn uitwendig leven getuigde van een godzaligen wandel, en zijn leerredenen waren tegen allerlei zouden en gruwelen gericht, zodat hij daardoor velen tot verbetering des levens bracht.

Toen nu, gelijk hij voorzegd had, Karel de achtste, koning van Frankrijk, met een machtig leger in Italië kwam, om zich van het koninkrijk,Napels meester te maken, stond Pietro de Medicis, buiten weten van de Raad van Florence, de koning enige steden en kastelen af, teneinde daardoor als het ware zijn gunst te kopen. Hierdoor viel hij in ongenade hij de burgers, die hem haatten, en eindelijk noodzaakten de stad te verlaten, terwijl hij zijn paleis en bezittingen ten roof moest achterlaten en zich door de vlucht moest redden.

Enige kwaadwilligen verweten dit verraad aan Hieronymus, alsof het met zijn voorkennis en op zijn raad geschied was. Hieronymus was, integendeel, hij de komst van de koning hem tegemoet gegaan, en drong er hij hem in de naam van God op aan, dat hij de Florentijnen hun steden en kastelen zou teruggeven. Onder andere beweegredenen, bedreigde hij ook, dat, wanneer de koning zijn eed, die hij op de heilige Evangeliën en als voor de ogen van God gezworen had, niet nakwam, hij binnenkort door God zwaar zou gestraft worden, ofschoon hij in een ander opzicht de oorlog van de koning voor een goddelijke oorlog moest houden.

Ofschoon de koning naar Frankrijk terugkeerde, hield Hieronymus niet op te verkondigen, dat de koning van Frankrijk andermaal naar Italië komen zou, om de last, die God hem had opgelegd, te volbrengen, te weten, om de kerk door, het zwaard te hervormen en de tirannie van Italië te kastijden, en indien hij dit niet deed. God hem zeer zwaar zou straffen. Hierdoor ontstond grote onenigheid tussen de burgers van Florence; de een hield het met Hieronymus, en hoopte, dat de koning van Frankrijk zou terugkeren, en de andere partij, die de talrijkste was, wilde, dat men de zijde van de ligue (het verbond) zou kiezen, en alle hoop op de koning zou laten varen. Zij zeiden, dat het slechts dwaasheid was, daarop te wachten, en dat broeder Hieronymus een ketter was, die men in een zak behoorde te binden en in de rivier te werpen. Wegens zijn vele voorstanders, die hij te Florence had, durfde nochtans niemand de hand aan hem slaan.

Intussen schreven paus Alexander de zesde en de hertog van Milaan herhaaldelijk brieven aan de bestuurders van Florence, waarin zij hun verzekerden, dat zij hun de stad Pisa en andere plaatsen zouden teruggeven, als zij de vriendschap Frankrijk zouden verbreken, en de genoemde broeder nemen en straffen.

Om de gunst van de paus te winnen, veranderde de regering van Florence, onder welke vele vijanden van Hieronymus waren, van gevoelen, zoals meermalen geschiedde, en zette het volk tegen hem op, terwijl men beval hem uit het klooster te halen, waaraan voldaan werd. Met twee andere monniken, Dominico de Pescia en Sylvester, werd Hieronymus tot de regering gebracht, en met zijn geestverwanten in de gevangenis gezet. In het oproer, dat daarover ontstond, werd een der regeringsleden van de stad, Franciskus Vallerius, een getrouw vriend van Hieronymus, dood geslagen.

Toen de paus vernam, dat zij gevangen zaten, zond hij twee gezanten, namelijk, de generaal der Jakobijnen en de bisschop Romolin, om de zaak te onderzoeken.

Op de 9e april 1490 werden er enige gekozen,voor wie Hieronymus en zijn metgezellen zouden terechtstaan, en wel vanwege de raad, die de voornaamste ambten bekleedden, zeven mannen, vanwege de gemeente negen en vanwege de paus twee. Men begon eerst met zachte woorden, daarna met dreigingen en eindelijk met martelingen Hieronymus te ondervragen, en wel naar vele zonderlinge dingen, waarvan men hem verdacht, doch die hem voor het merendeel vreemd waren. Aangezien hij volstandig in zijn gevoelens volhardde, en deze niet wilde herroepen, werden zij derwijze op hem verbitterd, dat zij hem die dag tot twee malen op de pijnbank legden, en op de jammerlijkste wijze mishandelden, welke martelingen en wreedheden hij echter met groot geduld, doorstond.

Van de 11e tot de 19e april werd het verhoor van Hieronymus voortgezet, doch zonder hem, zoals vroeger plaats had, te pijnigen, maar nu op de laagste wijze hem te bespotten, en met scheldwoorden tegen hem uit te varen, zoals gelijk bekend is, de vijanden van Christus gewoon zijn de verdrukte belijders van de waarheid te behandelen. Eindelijk werden, op hun eigen verlangen, zijn bekentenissen op vier en twintig vellen papier opgetekend, en op de 19e april hem voorgelezen, terwijl hij gedwongen werd die te ondertekenen, ofschoon er niets in gevonden werd waarom men hem met recht ter dood kon veroordelen, aangezien hij zich op elk punt zeer gepast wist te verantwoorden. De reden waarom hij sterven moest, was vooral, dat hij de paus en zijn zich noemende geestelijken te veel had aan de kaak gesteld, en hun bijgelovigheden en dwalingen in zijn predikatiën openlijk had aangewezen en bestraft.

Hij het laatste onderzoek waren er nog meer tegenwoordig dan hij de voorgaande, en wel de afgevaardigden Adimaris, Rainaldus de Orsinis, Vikarius van de bisschop van Florence, voorts Castellanus de Castellanis, dokter in de rechten, Franciskus Salviatus, prior van het St. Markusklooster en nog vijf andere monniken van dit klooster.

Weinige dagen daarna zond de paus naar Florence Joachini Turranus, een Venetiaan, vikarius van de orde der predikheren, en Franciskus Ramalithius, dokter in de beide rechten, een Spanjaard,die vanwege de paus eisten, dat de Raad van Florence de drie gevangenen in hun handen zou overleveren, waaraan terstond werd voldaan. De een na de ander werd door de inquisitie in het verhoor genomen, hun leer op hatelijke wijze verdraaid, terwijl men hen met bedreigingen daarvan zocht af te trekken. Doch Hieronymus en zijn medegevangenen bleven volstandig hij wat zij verkondigd hadden, en wilden dit niet herroepen, veel minder beloven iets anders aan te nemen. Vervolgens kwam de voorzitter van de raad, met de bovengenoemde gezanten van de paus samen, en las enige artikelen, die zij hadden opgetekend, aan het volk voor, als redenen en bewijsstukken waarom zij Savonarola en zijn medebroeders billijk, zoals het heette, verdoemden en ter dood veroordeelden.

Nadat zij hem deze en vele andere artikelen, die zij of uit zijn boeken getrokken, of in zijn of hun predikatiën van hem hadden gehoord, hadden voorgehouden, vroegen de genoemde gezanten van de paus aan Hieronymus en zijn metgezellen of zij hun gevoelens wilden laten varen, openlijk herroepen, en de paus om vergiffenis vragen, dan of zij het vonnis daarover wilden afwachten. Zij antwoordden echter, dat zij, door Gods genadige hulp, volstandig wilden blijven in de betuigde waarheid, en niet in het minst daarvan afwijken, aangezien zij vast vertrouwden op en verzekerd waren van de zaligheid hunner zielen.

Door de bisschop van Utasie werden zij, de een na de ander, van hun priesterlijke waardigheid ontzet, en alzo aan het wereldlijk bestuur van Florence overgegeven, met dringend bevel, uit naam vanwege de paus. dat zij als onverzettelijke en hardnekkige ketters ter dood gebracht zouden worden.

Op de 23e mei 1498 werden zij op de markt te Florence eerst opgehangen, en daarna hun lijken tot as verbrand en die as in de rivier de Arno geworpen. Aldus bevestigden deze godzalige martelaren hun leer met hun bloed.

Op deze Hieronymus Savonarola heeft de geleerde dichter Flaminius het volgende vers gemaakt:

 

Dum fera flamma tuos, Hieronyme pascitur artus
Religio Sanctas delania ta comas;
Fovitae, o dixit, crudeles parcite flammae,
Parcite, sunt isto viscera nostra rogo.

 

Dat is:

 

Tewijl Hieronymus moest in het vuur verbranden,
Stond Religio bedroefd met haar beide handen
Verdrietig in het haar, en koesterde de held,
En sprak: Ach hete vlam, doe hem toch geen geweld.
Hij is mijn hart, mijn vreugd, mijn ingewand en leven;
En die zijn, nu met hem aan ’t wrede vuur gegeven;
ik sta daarom bedroefd en wonder ongerust
Het schijnt nu dat het vuur de grote ijver blust.

 

Hemondt Picard

 

[JAAR 1503.]

 

Op de 25sten Augustus 1503 rukte Hemondt Picard, in de kapel van het paleis te Parijs, uit de hand van een priester, die de mis bediende, de hostie, verbrijzelde die en wierp haar ter aarde in de tegenwoordigheid van de gehelen adel. Om deze daad werd hij in de gevangenis gezet, en door mr. Jan Standum hij herhaling en dringend aangeraden, dat hij om vergiffenis zou bidden. Doch, aangezien hij dit niet wilde doen, werd hij spoedig daarna verbrand.

 

Richard Smart

 

[JAAR 1503.1

 

In het jaar 1503 werd te Salisbury levend verbrand een zekere Richard Smart en wel, omdat men bevond, dat hij de geschriften van Wicklef gelezen en anderen geleerd had, dat het sacrament des altaars niet het ware lichaam van Christus is, en ook omdat hij aan zekere Jan Stilman de geschriften van Wicklef had geleend.

 

Zes mannen te Bor verbrand

 

[JAAR 1504.]

 

Onder de regering van Wladislaus, koning van Bohemen, in het jaar onzes Heeren 1504, liet de baron van Schamberg, zes mannen behorende tot de rechtzinnigen, die zich toen Fratres unitatis, dat is, broeders der eendracht, noemden, in het dorp Augesd hij Tusta gevangen nemen, en in de stad Boi veroordelen om verbrand te worden. Hun namen waren Matthias Prokop, schoenmaker, Johannes Shimonovita wever, Bartholomeus Icranovita, kuiper, Johannes Herbeck, pottenbakker en de broeders Johannes en Nikolaas Madribka bouwlieden. Toen zij naar de strafplaats geleid werden, vroeg hun de baron in welk geloof zij zo hardnekkig wilden sterven. “In dat geloof," zeiden zij, "hetwelk alleen rust op Jezus Christus, Die van God gegeven is als de enige Verzoener der wereld, de enige hoop en zaligheid van allen, die in Hem geloven."

Zij toonden zeer kloekmoedig hun vonnis te willen ondergaan. Toen de overste aan Nikolaas, die hij boven de anderen zeer genegen was, het leven beloofde, zo hij slechts enige tijd van beraad, al ware het ook een geheel jaar, eiste, antwoordde Nikolaas, na een ogenblik te hebben nagedacht, onmiddellijk, Ik wil liever met mijn andere broeders om de goddelijke waarheid sterven, dan hen, na zulk een kleinen tijd alleen te volgen; en alzo betrad hij met de anderen de brandstapel.

 

Thomas Norice

 

[JAAR 1507.]

 

In het jaar onzes Heeren 1507 werd Thomas Norice, geboren te Brochfort, in Suffolk, door de bisschop veroordeeld om levend verbrand te worden, omdat hij geweigerd had, de afgestorvene heiligen en hun beelden te aanbidden, of die te begroeten met het gebed des Heeren. Geduldig verdroeg hij dit lijden te Norwich en wel op de 31e Maart.

 

Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de kanselier werd omgebracht door een stier

 

[JAAR 1508.]

 

Wij zullen hier een voorbeeld verhalen, waarin de almacht en rechtvaardigheid van God zich duidelijk hebben getoond. Hierin zullen de christenen ook zien, dat God dikwerf zijn rechtvaardig oordeel in het openbaar bewijst, en wel in het straffen van de vervolgers Zijner uitverkoren schapen, die om de naam van Christus liever alles leden, en gewillig allerlei martelingen uitstonden, dan de waarheid te verzaken.

 

In Chepingsadhery, een stad in Engeland, in het jaar van onze enige Zaligmaker en Heiland Jezus Christus 1508, werd een zeer godzalige vrouw, om de belijdenis van het Evangelie, verbrand, en wel onder de regering van Hendrik de zevende, koning van Engeland. Gelijk de standvastigheid van deze godzalige vrouw zeer heerlijk en troostrijk is voor alle christenen, die zich daarover zullen verwonderen, zo is ook de straf, de onrechtvaardige vechter, de kanselier van de bisschop, overkomen, voor alle pausgezinden, die niet ophouden de leden van Christus' gemeente te vervolgen, een afgrijselijk schouwspel, waarin zij kunnen zien, dat God niet alleen in de toekomende, maar ook in deze tegenwoordige wereld zulke tirannen in het openbaar, straft.

De naam van deze vrouw, die, omwille van het Evangelie, de wrede vuurdood niet vreesde, is niet bekend. De kanselier, die haar onrechtvaardig ter dood veroordeelde, heette Dr. Whytington. Mr. Fox, die het engelse martelaarsboek geschreven heeft, zegt duidelijk, dat de dood van deze standvastige vrouw hem eerst bekend werd korte tijd voor hij het eerste stuk van zijn geschiedenis in het licht gaf; waarin hij de geschiedenis van de martelaren verhaalde, die in Engeland, om de naam van Christus stierven. Hieruit is op te maken, dat God de Heere niet wilde toelaten, dat de lofwaardige standvastigheid van deze vrouw aan de vergetelheid zou worden prijs gegeven, maar veel meer dat haar lijden allen nakomelingen in volgende tijden openbaar en bekend zou zijn. Niet zonder beschikking van Gods voorzienigheid werd deze geschiedenis hem bekend, opdat hij die aan het laatste gedeelte van zijn boek zou toevoegen, zoals hij ook met getrouwheid deed, gelijk hier volgt.

Nadat deze godzalige vrouw en manmoedige martelares, om de belijdenis der waarheid, door de kanselier Dr. Whytington ter dood veroordeeld was, en de tijd aangebroken, dat deze vrouw naar de plaats zou gebracht worden, waar, zij zich zou opofferen, had er een grote toeloop van volk plaats, door de lieden die van alle kanten en dorpen, in de omtrek liggende, en vooral uit de stad samen kwamen, om getuige te zijn van de volbrenging van het vonnis. Onder de menigte volgde ook Dr. Whytington, de kanselier, teneinde het vonnis, dat hij over deze onschuldige had uitgesproken, te zien uitvoeren. Toen men op de gerechtsplaats kwam, werd deze gelovige vrouw en dienstmaagd van Jezus Christus aan een paal gebonden. Nadat men om haar lichaam stroriet geplaatst had, bereidde zij zich vrijwillig als een onschuldig lam tot de vuurdood, en na God, haren almachtige Vader, ziel en lichaam te hebben aanbevolen, ontsliep zij godzalig in de Hete.

Toen het volk van de gerechtsplaats naar huis ging, gebeurde het, dat op die tijd een slachter in de stad bezig was een stier te slachten, die hij, zoals men gewoonlijk doet, met touwen gebonden had, om het beest beter te kunnen bedwingen. Maar, toen deze slachter, die, naar het scheen, niet zo ervaren was in het doden van beesten, als de pausgezinden in het vermoorden van de vrome christenen, zijn bijl ophief om het beest op de kruin van het hoofd te treffen, sloeg hij mis, en raakte de stier op de neus of daaromtrent. De slager had het beest wel enigermate gekwetst, maar niet minder verschrikt, zodat het met geweld de touwen verbrak, de slachter ontliep, en de straat in vluchtte, waar het volk zich bevond, dat van de gerichtsplaats naar de stad keerde. Zo spoedig de lieden deze stier zagen aankomen, vluchtten zij, niet wetende wat het beest deerde, in de grootste haast uit de straat, waar de stier liep, terwijl ieder op eigen lijfsbehoud bedacht was. Men meende, dat het beest dol was, wat naar men vermoeden kan, niet veel scheelde, en wel ten gevolge van de slag, die het op de mond had gekregen. Nochtans liep de stier zo voorzichtig door al het volk, dat hij niemand kwetste. Toen hij een tamelijke lengte van de straat, door het gedrang van het volk heen, had afgelegd, en wel met een voorzichtigheid alsof hij de mensen met opzet vermeed, liep hij eindelijk naar Dokter Whytington, de kanselier, die, met enige anderen, zich in eert hoekje verbergde. Maar helaas, tevergeefs meende hij Gods gramschap en straf te kunnen ontgaan; want zodra zag de stier hem niet, of deze liep regelrecht met de hoornen op hem toe, en scheurde hem derwijze de buik open, dat hij dood op de grond bleef liggen, terwijl het beest wegliep met de darmen van de kanselier op zijn hoornen. Dit maakte allen, die het zagen, onder grote verwondering, verschrikt, zeer verbaasd en beschaamd.

Zie hier het wonderwerk des Heeren. Inderdaad, al zijn wij ook door onze vleselijke gezindheden geheel blind, en hebben geen recht inzien in de daden des Heeren, zodat wij somwijlen aan het noodlot, of aan het blinde fortuin, toeschrijven wat eigenlijk Gods voorzienigheid heeft gedaan; nochtans, welk mens zou zo plomp en onwetend kunnen zijn, die in dit zeldzaam en openbaar beeld niet zou opmerken, dat dit een bijzonder werk en een straf van God is, waarmee de Heere Zijn almacht en Zijn rechtvaardig oordeel in het straffen van dezen goddelozen kanselier? Het was een waarschuwend voorbeeld voor alle andere vervolgers der christenen, opdat zij de rechtvaardige hand des Heeren zouden vrezen, wanneer zij zodanige tirannie aan de onschuldige Christenen plegen.

Opdat niemand denken zou, dat hier iets, de waarheid van deze geschiedenis betreffende, op lichtvaardige wijze is meegedeeld, en om alle wantrouwen weg te nemen, is het nodig, de getuigenis hij deze geschiedenis te voegen van enige geloofwaardige lieden, die er hij tegenwoordig waren, en alles hebben gezien, en vooral de geschiedenis van zekere Roeland Web, die in die tijd in de stad Chepingsadbery woonde. Deze had een zoon, Richard Web genaamd, die later werkzaam was hij M. Latimer, met wie hij ook vele benauwdheden, zoals een gevangenisstraf van zes jaren, met geduld doorstond. Deze Richard betoonde in zijn jeugd grote geneigdheid tot de leer van het Evangelie, zodat hij dikwerf door, zijn vader, die zeer tot de roomse godsdienst geneigd was, vermaand werd, dat hij die gevoelens, welke hij ketterij noemde, moest laten varen. En teneinde hem daarvan te beter af te trekken, verhaalde hij hem dikwijls de geschiedenis van de vrouw te Chepingsadbery, die hij om deze ketterij zag verbranden. Hiermede zocht hij zijn zoon bevreesd te maken, en voegde er ook hij, dat een stier in diezelfden tijd de kanselier met zijne hoornen had omgebracht. Dit alles heeft Richard Web in persoon aan Mr. Fox verhaald en bevestigd, uit wiens geschiedboek wij dit getrouw hebben overgenomen. Deze getuigenis zal, hopen wij, genoeg en voldoende zijn voor alle onpartijdige lezers, die de waarheid zijn toegedaan.

 

Thomas, een priester

 

[Jaar 1540.]

 

In het jaar 1510, zoals Fox meldt, werden er te Norwich, in Engeland, om het artikel van het sacrament des altaars, twee personen levend verbrand, van wie de een, Thomas, een priester was, die in een klein stadje, Eckels genaamd, woonde waar hij werd ontwijd en naar Norwich gebracht, om verbrand te worden. Terwijl hij, na zijn ontwijding, nog geruime tijd in de gevangenis vertoefde, liet hij zich door enige overreden zijn geloof te verzaken. Toen hij later daarover berouw had, werd hem tot straf opgelegd, dat hij van de gevangenis tot de gerichtsplaats, waar hij als een slachtoffer zijn leven zou eindigen, op zijn ontblote voeten op distelen en doornen die weg moest afleggen.

Niet lang daarna werd Thomas Bongay, een eerzaam en hoog bejaard man, in de stad Norwich, tot de brandstapel veroordeeld, omdat hij sinds veertien jaren het sacrament van geen roomsen priester had willen ontvangen, daar hij van de afgodische mis een gruwel had.

 

Andries Poliwka

 

[JAAR 1511]

 

Andries Poliwka was een burger van Kuttenberg, in Bohemen, maar die, omdat hij van godsdienst veranderde, naar Lytomistia vertrok en, daar zijn vrouw hem niet wilde volgen, werd hij, terwijl hij haar bezocht, verraden. Toen hij gevangen genomen was, werd hij door de priester der calixtijnen zo lang gekweld, totdat hij beloofde hij zijn vrouw te willen blijven, en de priester gehoorzaamheid te bewijzen. Hij willigde dit in, doch tegen zijn gemoed. Op zekere heiligen dag geschiedde het, toen de priester zijn toespraak bad geëindigd, en hij de ciborie voorbracht, op het altaar plaatste en het volk de ouwel, die daarin was, aanbad, dat Andries het vuur, dat in hem brandde, niet kon uitblussen, en met luider stem riep: “Zwijg priester: het komt mij nu toe te spreken." En terwijl hij zich tot het volk wendde, zei hij: “Lieve mensen, waar loopt gij toch zo gretig naar toe? Wat bidt gij aan, een God van brood? Och, bidt de levende God aan, Die in alle eeuwigheid te prijzen is." De priester riep tot het volk, dat zij deze schelmse booswicht zouden verbieden te spreken; dat zij deze Picardist moesten gevangen nemen. Door de algemene schrik sloeg niemand de hand aan hem, doch eindelijk vielen enige hem aan, sloegen hem met vuisten, verbrijzelden hem het hoofd ten dele tegen een pilaar, en sleepten hem zeer bebloed naar de gevangenis. De volgende dag werd hij naar het raadhuis gebracht, waar de raad en de priesters tegenwoordig waren, en werd hem gevraagd, of hij nog herhalen wilde, wat hij daags tevoren had gezegd. Hij antwoordde daarop toestemmend, en verweet hun hun afgoderij, die niet beter was dan die van de antichrist. Toen hem gevraagd werd door wiens ingeven hij dit gedaan had, antwoordde hij met de, wedervraag: door wiens ingeven durfde Abraham zich afscheiden van de afgodendienaren, en de levenden God aanbidden.” Zij hielden verder aan en zeiden: "Gij moet ons duidelijk zeggen op wiens aanraden gij zulke dingen durft te doen. Hij antwoordde: “Op wiens aanraden heeft Daniël zich legen de afgoderij verzet?" Daarop riepen zij: "Zwijg; wij weten deze dingen beter dan gij; in geen dele hebben wij nodig van u onderwezen te worden. Wij weten, dat gij hierin metgezellen hebt, die gij wel niet vrijwillig wilt noemen. doch waartoe wij u wel zullen dwingen." Daartoe werd hij weer naar de gevangenis gebracht, terwijl men beval hem terstond te pijnigen; maar, toen men door martelingen niets van hem kon te weten komen, werd hij, als een hardnekkig mens, veroordeeld om verbrand te worden. De priesters verzochten dus de schout, dat hij hem, wanneer hij buiten kwam, niet zou vergunnen te spreken, opdat hij door zijn woorden het volk niet zou besmetten. De schout kwam met Andries overeen, dat, indien hij niet zweeg, men hem de mond zou toestoppen. Hij beloofde dit, en hield ook woord, daar hij op de gehelen weg geen woord sprak, maar in stilte bad. Toen de vlammen zijn hoofd bereikten, riep hij uit: Jezus, Zoon des levenden Gods, ontferm U, ontferm U over mij, ellendigen zondaar," en sprak verder niets meer. De priesters riepen daarop tot het volk: .,Ziet, nu roept hij Jezus aan, in Wie hij in zijn leven niet heeft willen geloven, en Wiens sacrament hij niet heeft willen eren." Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 1511.

 

Pop, van Aye

 

[Jaar 1512.]

 

Omstreeks het jaar 1512 werd er nog een ander hoog bejaard man, Pop genaamd, een wever van beroep, in het stadje Aye, om dezelfde zaak van het sacrament des altaars, met dezelfde kroon van het martelaarschap versierd.

 

Richard Hunne

 

[Jaar 1515.]

 

In het jaar onzes Heeren 1515 woonde te Londen, in Engeland, een man, met name Richard Hunne, een lakenkoper. Hij was een vroom en godzalig man, en werd gehouden voor Rooms-katholiek, ofschoon hij in het geheim reeds enige lust had in de Evangelische waarheid. Deze man had een jong kind, dat opgevoed werd te Midlese, in de parochie St. Maria te Marsilon, en op vijfweekse leeftijd stierf. Thomas Drifield, pastoor in die plaats, eiste van Richard Hunne de deken van het kind, als een gerechtigheid die hem toekwam. Richard zei, dat de deken het eigendom niet was van het kind, en dat hij derhalve hem de deken niet schuldig was. De priester kon deze weigering niet verdragen en riep hem daarover voor de opziener der kerk. Op aanraden van zijn vrienden, beklaagde zich Richard over dit onrecht hij de wereldlijke overheid, en zei, dat de priester iets onbillijks van hem eiste, en liet de priester dagvaarden, teneinde zijn zaak tegen hem te handhaven. Maar, aangezien de mispriesters daartoe niet te bewegen zijn, vooral niet, wanneer zij er iets hij verliezen kunnen, beraadslaagden zij met elkaar, hoe zij de zaak het best zouden aanleggen, en besloten dat men de genoemden Richard van ketterij zou beschuldigen, en hij de bisschop van Londen, Richard Fitsiam, die zelf die raad gegeven had, aanklagen. Toen nu Richard aangeklaagd was, werd hij terstond door de bisschop in de toren van de St. Pauluskerk, die de Lollardentoren genoemd wordt, gevangen gezet. In die tijd had Willhelmus Horsey, kanselier van de bisschop, over die gevangenis het opperbestuur. Charles Jozef, sergeant aan het bisschoppelijke hof, en Jan Spaldinck, klokkenluider der St. Pauluskerk, waren vertrouwde dienaren van de kanselier. Deze twee vatten het voornemen op om Richard Hun in de toren van honger te doen sterven. Toen zij echter zagen, dat dit niet wilde gelukken, vielen zij in de gevangenis op hem aan, bonden hem handen en voeten, en verwurgden hem op gruwelijke wijze.

Daarna maakten zij hem los, en hingen hem met zijn gordel aan een muur op. Dit geschiedde de 4de, December, in het jaar onzes Heeren 1515.

Toen zij deze gruwelijke daad hadden bedreven, strooiden zij het gerucht uit, dat Richard Hunne zich in de gevangenis aan zijn eigen gordel had verhangen. Toen dit ruchtbaar was geworden, en men sterk vermoedde, dat hij door zijn vijanden was vermoord, werden er twaalf aanzienlijke mannen, benevens de fiskaal te Londen, Thomas Barnewel genaamd, gelast de zaak te onderzoeken.

 

De opkomst van Mr. Maarten Luther

 

[JAAR 1517].

 

Toen de antichrist, de paus van Rome, zijn gezanten en leerlingen, zoals de bisschoppen, priesters en monniken, meenden, dat zij door hun moorden, verworgen, verbranden en doden het Evangelie en de dienaren der waarheid onderdrukt, verdrukt en uitgeroeid hadden, en dat zij nu vrij en onverhinderd konden handelen, Christus uit Zijn Rijk stoten, en heerschappij voeren over de harten en gewetens der mensen, verdroot dit eindelijk de almachtige en eeuwige God, die de geest verwekte van de heiligen man Luther, door wien hij het licht van het evangelie glansrijk over het gehele christendom deed schijnen.

In het jaar 1517 na de geboorte van onze enige Zaligmaker Jezus Christus zond de antichrist aflaatbrieven, waarmee hij voor geld de zonden vergaf en kwijtschold. Die aflaatbrieven werden te Wittenberg, in Saksen, aangeprezen en verkocht door een Jakobijner monnik, Tetzel genaamd, die in zijn predikatiën zich daarover op de schandelijkste wijze uitliet. Onder andere leerde hij het volk, dat zo spoedig de penning op de bodem der kist klonk, terstond de zielen der afgestorvenen uit het vagevuur naar de hemel werden gevoerd.

Tegen hem en zijn goddeloze prediking schreef Luther 95 leerstellingen, die hij aan de kerkdeur aanplakte. Tetzel, die de paus wilde behagen, riep enige monniken en drogredenaars samen, en verzocht hun tegen Luther te schrijven. Hij zelf zat ook niet stil, maar noemde in zijn predikatiën Luther een ketter, en drong er op aan, dat men hem verbranden zou. De stellingen en de predikatiën, die Luther geschreven had, liet hij in het openbaar verbranden. Doch door hun grote beweging hebben Tetzel en de zijnen Luther genoodzaakt de waarheid uitvoeriger te beschrijven.

Toen nu de drogredenaars van Leuven, Keulen en andere dergelijke vijanden tegen Luther schreven, werd hij eindelijk als gedwongen ook andere punten aan te roeren, namelijk:

Van het onderscheid tussen de goddelijke geboden en de menselijke instellingen.

Van het schandelijk misbruik van het avondmaal, in het kopen en verkopen, en in de opoffering van levenden en doden.

Van de ware boete.

Van de vergeving der zonden.

Van het geloof.

Van de aflaat.

Van de beloften en andere dergelijke zaken meer, gelijk men in zijn geschriften zien kan. Vervolgens werd Luther door de paus, die nu inzag, dat Babylon, zijn hoofdstad, begon te wankelen, in de ban gedaan, en zijn stellingen als ketters vervloekt en gedoemd, en in bijna alle landen verbrand. De boer van Babylon, die dronken is van het bloed der heiligen, maakte alle vorsten dronken door de wijn van haar hoererijen; zodat de keizer, koningen en vorsten, zeer weinigen uitgezonderd, die de waarheid liefhadden, als woedend waren om het Evangelie te vernietigen en de godzalige predikers te vermoorden. En, ofschoon het hun door God niet toegelaten werd, de heiligen man Gods, Maarten Luther te doden, betoonden zij nochtans hun wreedheid aan anderen, die door de leer en geschriften van Luther tot de kennis der waarheid gekomen waren.

 

Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee Augustijner monniken, te Brussel verbrand

 

[JAAR 1523.]

 

Te Antwerpen, in Brabant, was een Augustijner klooster, waai, de monniken uit de geschriften en boeken van Luther de kennis der waarheid hadden verkregen, en die aan het volk onderwezen. Om die reden werden zij gevangen genomen en naar Vilvorde gebracht, waar de Leuvense hoogleraars zich benaarstigden en beijverden, om deze monniken van de belijdenis van het evangelie af te trekken, ja, dreigden zelfs hen te doden en te verbranden, wanneer zij de waarheid niet verloochenden en herriepen, die zij eens beleden en geopenbaard hadden.

Door hun tirannische bedreigingen brachten zij het zover, dat zij allen afvielen, uitgezonderd drie, die volstandig aan hun belijdenis bleven vasthouden. Deze werden door Hoogstrate en sommige andere kettermeesters, die terecht meesters en hoofden in de ketterij en dwalingen genoemd mogen worden, ondervraagd, en wel vooreerst, wat zij geloofden. Zij antwoordden daarop, dat zij de twaalf artikelen des christelijken geloofs aannamen en vasthielden, en ook alles wat in de Evangelische en Bijbelse Schriften is vervat; dat zij ook aan een christelijke kerk geloofden, maar niet, zoals de kettermeesters dit deden.

Ten andere vroegen zij, of zij ook geloofden aan de instelling der kerkvergaderingen en aan de kerkvaders. Zij antwoordden, dat zij de artikelen geloofden, in zoverre die met de goddelijke Schriften overeenkwamen, en er niet tegen waren.

Ten derde vroegen zij, of zij ook geloofden, dat zij zich aan dodelijke of verdoemelijke zonden schuldig maakten, die de instellingen van de pausen der kerkvaders overtraden. Zij antwoordden, dat zij geloofden, dat de geboden van God zalig maakten en verdoemden, en niet de menselijke instellingen.

Nadat de kettermeesters niet nalieten, dan eens met zachtheid, dan weer met hardheid, de goede christenen tot herroeping van hun gevoelens te bewegen, maar tevens zagen, dat zij niet vorderden, besloten zij ten laatste zulke hardnekkige ketters, zoals zij hen noemden, aan de wereldlijken rechter over te leveren, zoals Christus aan Pilatus en de heidenen werd overgeleverd, om ben te doden. Vervolgens werden zij van Vilvorde naar Brussel overgebracht, en daar met alle voorzorg in de gevangenis bewaard. Niet lang daarna kwamen ook te Brussel de drogredenaars van Leuven, namelijk, Hoogstrate, Egmont, Godtschalck, Lathomus, Ruardus en Paseba, een karmelieter van Mechelen.

Op de 1e juli liep het volk in grote scharen naar de markt; maar er waren weinig vreemdelingen, aangezien alles in het geheim had plaats gehad. Daar verschenen de drie bedelmonnikenorden, met kruisen en vaandels, zoals hun gewoonte is,wanneer zij in statelijke optocht en pracht zich vertonen willen. Toen nu de leraars der goddelijke Schrift en de abten, die de bisschoppen vertegenwoordigden, met hun waardigheidstekenen en gewone staven, zich in orde op het schavot hadden geplaatst, werd de jongste van de drie, een jong, maar geleerd en welsprekend man, over de markt gebracht en binnen geleid. Enige ogenblikken later voerde men hem, met misklederen aan, op het schavot. Midden op het schavot stond een tafel, versierd en bedekt als een altaar. Voor deze tafel knielde hij neer, met het aangezicht naar het volk gekeerd, en niemand bespeurde enige tekenen van vrees of schrik aan hem. Achter hem stond de opziener van de grauwe monniken, die begon te prediken, terwijl daartegenover een bisschop geplaatst was, die met een geopend boek de plechtigheden begon uit te voeren. Terwijl dit alles plaats had, van elf tot twaalf uur, en de een predikte en de ander hem ontkleedde, bleef de jongeling in alles dezelfde, zodat zijn aangezichtskleur zelfs niet veranderde. Zijn wezenstrekken waren zedig en vol uitdrukking, waaruit men gemakkelijk afleiden kon, dat hij niet alleen de dood verachtte, maar ook, dat hij een zeer bescheiden en zachtmoedig man was. Zijn gelaat en houding deden vermoeden, dat hij zich met bidden en de overdenking der hemelse dingen op heerlijke wijze bezig hield. Toen men hem had ontwijd, werd hij weer binnen gebracht.

Kort daarna kwamen de andere twee voor, die ouder waren dan de bovenbedoelde, want beiden hadden een baard, terwijl de andere jongeling geheel glad en baardeloos was. Uit het voorkomen van deze beide mannen kon men gemakkelijk hun volharding en vrijmoedigheid bespeuren. Zij werden ook ontwijd en van hun priesterschap of monnikendom beroofd, en gingen van het schavot naar binnen, waar zij veroordeeld en gevonnist werden.

Hoewel het recht en billijk en vooral te Brussel de gewoonte was, dat het vonnis van ieder veroordeelde, voor zij stierven, in het openbaar moest worden voorgelezen, werd dit echter in deze zaak, uit schaamte over de grote onrechtvaardigheid, nagelaten.

Om hen te troosten vervoegde zich Hoogstrate, de leraar van Leuven, hij hen, en zei, dat hij, wanneer zij nog wilden herroepen, de macht had om hen los te laten.

Een hunner antwoordde daarop: "Dit zijn de woorden aan Pilatus: Gij zoudt geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware."

Enige tijd daarna bracht men alleen de twee, namelijk, die er eerst uitkwam en een van die laatste, voor, terwijl zij naar het vuur werden geleid, dat men tot dit einde op de markt gereed maakte.

Toen men hen daarheen voerde, en zij hun klederen uittrokken, vloeiden hun monden over van heerlijke taal, waaruit ieder duidelijk kon bemerken, dat zij vrome en godvruchtige mannen waren, die zich hartelijk verblijdden, ontbonden te zullen worden en hij de Heere Jezus Christus te zijn. Hij herhaling betuigden zij, dat zij als christenen stierven, dat zij geloofden aan een heilige algemene christelijke kerk, en zeiden ook, dat nu de dag aanbrak, waarnaar zij lang begeerd hadden.

Toen zij tot op het hemd ontkleed waren, moesten zij geruime tijd aldus blijven staan, totdat zij, terwijl men hen bond, van zelf naar de paal grepen, waaraan zij verbrand moesten worden. Langzaam ontbrandde het vuur; en al zagen zij de rook opstijgen, die de vlam spoedig volgen moest, zo werden zij nochtans niet kleinmoedig, maar waren, gelijk men uit hun gelaat en ogen kon bemerken, hoe langer zo meer getroost, standvastig en moedig. Een zonderlinge blijdschap bespeurde men aan hen, zodat velen meenden, dat zij lachten.

Onder andere beleden zij de artikelen des christelijken geloofs, en zongen het Te Deum Laudamus, de een het ene vers, de ander het volgende. Toen een hunner zag, dat men het vuur onder zijn voeten aanstak, zei hij, dat hij dacht, dat men er rozen onder strooide. In de vlammen riepen zij herhaalde malen Jezus aan, maar werden eindelijk door de gloed van het vuur verstikt, en offerden aan de Heere hun ziel op. Dit geschiedde op de 11e juli in het jaar 1523, zij waren de eerste, die om de gevoelens van Luther werden gedood. De derde van deze mannen werd niet voorgebracht, en waarom zulks niet geschiedde, is onbekend. Sommigen zeggen, dat hij zijn gevoelen herriep, doch dit is niet zeer gelofelijk, want dan zou dit ongetwijfeld in het openbaar voor het volk hebben plaats gehad. Anderen menen, dat hij in het geheim werd gedood.

Velen van deze monniken namen de vlucht, terwijl het klooster verwoesten vernietigd werd. Door de standvastigheid van deze monniken werd, tegen de bedoeling van velen, de genoemde leer in de stad Brussel derwijze voortgeplant, dat zij daar voortdurend beleden werd. Het hoofd of de prior van het bedoelde klooster (waarschijnlijk Hendrik van Zutphen), predikte nog vele jaren daarna de Evangelische leer in het openbaar, en bekeerde tot haar een grote menigte van Nederlanders, zoals ook een monnik, die uit dat klooster was gevlucht, door zijn predikatiën en standvastige raad vele mensen in de genoemde leer versterkte.

 

Nicolaus, een Augustijner monnik, van Antwerpen

 

[JAAR 1524.]

 

In deze tijd waren te Antwerpen en in de omliggende plaatsen vele lieden van verschillende naties, hij wie de begeerte naar het goddelijke Woord begon te ontwaken. Onder anderen was er te Mels, dat twee mijlen van Antwerpen lag, een pastoor, wiens predikatiën door veel volk bezocht werden, zodat hij dikwerf, wegens de grote menigte, op een open plaats moest prediken. Nadat hij geruime tijd met vrijmoedigheid het Woord Gods verkondigd, en de valsheid en boosheid der monniken bad ontdekt, beschuldigde hij zich in zijn laatste prediking in het openbaar voor het volk, en zei, toen hij van de mis sprak: "Wij zijn inderdaad erger en bozer dan Judas de verrader was, want hij heeft Christus verkocht en geleverd; maar wij verkopen Hem aan u, en leveren Hem niet."

Spoedig daarna ergerden het de priesters en monniken, dat het Evangelie zulk een goede ingang vond; en, daar zij er tegen wilden waken, dat hun de roof uit de mond zou genomen worden, wisten zij een bevelschrift van de keizer te verkrijgen tegen de pastoor en een Augustijner monnik, die te Antwerpen predikte. In dit geschrift werd bevolen en toegestaan, dat men hun het bovenste kledingstuk ontnemen zou, die in zodanige vergadering of predikatie tegenwoordig was, en hij die de prediker zelf gevangen nam, zou dertig Carolusguldens tot beloning ontvangen. Alzo werd Christus weer voor dertig penningen verkocht.

Het geschiedde nu, dat op een Zondag, in het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1524, het volk, dat zich niet om het bevelschrift bekommerde, bijeenkwam op de scheepstimmerwerven. Na geruime tijd op de Augustijner monnik tevergeefs gewacht te hebben, stond er een priester op, Nicolaus genaamd, die zeer ervaren was in de Heilige Schrift, en zei: "Aangezien de prediker niet is gekomen, is het nochtans niet behoorlijk, dusdanige bijeenkomst hongerig, zonder enig voedsel van het goddelijke Woord te verlaten." Hij klom dus op een schip, dat daar afgewerkt lag, en leerde het volk veel meer uit de Heilige Schrift, dan ooit tevoren gehoord had.

Om deze reden werd hij later door twee vleeshouwersknechten gevat en in de handen der overheid geleverd. Des anderen daags, op Maandag, nadat hij de zuivere leer des Evangelies standvastig had beleden, werd hij in een zak genaaid, en met groten spoed, omdat men het volk vreesde, hij de stadskraan in het water geworpen, en wel in het jaar van onze enige Zaligmaker 1524.

 

Meester Georgius

 

Omstreeks het jaar 1520, werd Mr. Georgius, predikant te Halte, omdat hij het avondmaal des Heeren onder twee gestalten, te weten, brood en wijn, bediende, onder opruiing der priesters, door eniae straatschenders gegrepen en niet ver van Assenburg op jammerlijke wijze verbrand.

 

Hendrik van Zutphen

 

[JAAR 1524.]

 

In het jaar 1524 ging Hendrik van Zutphen, een Augustijner monnik, van Antwerpen naar Bremen, en begon daar, op verlangen van enige godvruchtige mannen het Evangelie te verkondigen: hetwelk daar door de genade des Heeren zo gretig ontvangen werd, dat in korte tijd de gehele stad zich naar de regel van het heilige Evangelie hervormde en herstelde, en zelfs de buikdienaars, dat is: de priester en monniken, verwierp en versmaadde.

De bisschop van Bremen legde hem wel vele lagen om hem gevangen te nemen en om te brengen, maar de eerbare en wijze Raad der stad handelde daarin voorzichtig, en beschermde en bewaarde de heiligen man voor de bloedgierige wolven. En, hoe de bisschop met zijn genoemde geestelijkheid ook woelde en raasde, zo door het bijeenroepen van kerkvergaderingen, als door pauselijke en keizerlijke bevelschriften, Hendrik liet nochtans niet na, het Woord des Heeren te verkondigen, daar hij overtuigd was, dat hij in zodanige zaken God meer behoorde te gehoorzamen dan de mensen.

Eindelijk werd hij ook geroepen door Nikolaüs Boye, pastoor, en enige andere vrome christenen van Meldorf en Dithmarsen, om daar het Woord Gods te verkondigen, en de mensen te verlossen uit de tirannie van de antichrist. Hij gaf daaraan gewillig gehoor, ofschoon dit de bewoners van Bremen mishaagde, aangezien zij de woestheid der bewoners van Dithmarsen wel kenden, en reisde daarheen ‘s maandags voor het Kerstfeest in het jaar van onze Heere en enige Heiland Jezus Christus 1524.

Nauwelijks was hij daar aangekomen, en had er zelfs nog niet gepredikt, of de duivel met zijn aanhang werd toornig, en verwekte de Jakobijner monniken en andere priesters, die met elkaar beraadslaagden en besloten, dat men vooral zorgen moest, dat hij niet predikte; want de zwarte nachtuilen haten het heldere licht van het goddelijke Woord, en vreesden, dat hun werken en geveinsdheid aan het licht zouden gebracht worden, en dat alzo hun rijk een einde zou nemen.

Daarom maakte zich de prior van de Jakobijnen op, en reisde naar ter Heide, naar de achttien bestuurders van het gehele land, en klaagde met groten nadruk, dat de monnik van Bremen gekomen was, om het gehele land Dithmarsen te verleiden, zoals hij te Bremen gedaan had. Deze prior werd in zijn klacht ondersteund door de algemene kanselier, mr. Gunther, en Pieter Nannen, beiden grote vijanden van Gods Woord. Deze beiden hielpen de prior met allen ijver, en hielden de anderen zestien bestuurders, die onkundige en eenvoudige mannen waren, voor, welke groten lof zij in geheel Nederland zouden behalen, en vooral dat zij de bijzondere dank van de bisschop verdienen zouden, indien zij deze monnik zouden ter dood brengen.

Toen de onnozele en onkundige lieden dat hoorden, was zijn dood reeds over hem besloten, ofschoon zij hem nooit gezien, nog minder gehoord of naar recht overwonnen hadden. Zij schreven aan de pastoor van Meldorf, onder bedreiging van de zwaarste straf, dat hij Hendrik zou verjagen voor hij predikte. Doch de pastoor en Hendrik trokken zich dat niet aan, en Hendrik betrad de predikstoel, predikte met ijver, en verkondigde het zuivere Woord van de almachtige God, zo zelfs, dat de gehele gemeente van Meldorf daarin rust en troost had voor haar gemoed, terwijl zij God dankte, dat zij door Gods genade zulk een prediker in haar midden had. Hendrik ging daarmee geruime tijd tweemaal daags voort, zodat het volk meer en meer begon in te zien, dat het door de priesters en monniken vroeger werd verleid.

Ondertussen zat ook de prior niet stil, maar riep de hulp in van de grauwe monniken, die zich minderbroeders noemen. Onder geen volk zijn er geschikter te vinden om de eenvoudige mensen door geveinsdheid tot zich te trekken en te verleiden dan deze Minderbroeders. Deze grauwe monniken wendden zich met de grootste haast tot enige van de bestuurders, namelijk, tot Peter Nannen, Peter Schwijn en Klaas Kode, en gaven onder het uiten van zware klachten te kennen, dat de ketter predikte en het volk verleidde, dat hem reeds genoeg aanhing; en, wanneer zij niet toezagen en de ketter ombrachten, zou de lof van Maria en van de beide heilige kloosters teniet gaan. Ziedaar hun schrijven, waarmee zij de ketter overwonnen.

Toen de onnozele en onwetende lieden dat hoorden, werden zij toornig, en Peter Schwijn antwoordde er op, dat men de pastoor en Hendrik geschreven had, wat zij moesten doen, en wanneer het nodig was, dat zij dan nog wel eens wilden schrijven. Waarop de prior antwoordde: "Neen, gij moet het anders aanleggen; want begint gij met aan de ketter te schrijven, zo zal hij u weer antwoorden, en, eer gij het gewaar wordt, bent gij zonder twijfel ook verleid; en, komt hij eens aan het woord, dan is het einde ervan niet te voorzien."

Toen werd beraadslaagd, dat men hem in de nacht, in het geheim, zou gevangen nemen, en, eer men het bemerkte, met de meeste spoed verbranden. Die raad vonden allen goed, vooral de Minderbroeders. Vervolgens riepen zij uit alle omliggende dorpen de boeren samen, en bevalen dat zij ‘s nachts, in het geheim, aan het huis van de schrijver mr. Gunther, te Nieuwerkerk zouden komen. Van daar gingen zij met de gehele schaar boeren naar Hemmingstet, een halve mijl van Meldorf gelegen.

Toen zij daar waren samen gekomen, werd hun in het openbaar de reden meegedeeld waarom zij daar ontboden waren; want niemand dan de verkozen hoofdlieden waren er mee bekend. Toen allen de zaak vernamen, wilden zij weer vertrekken, en deze boze daad niet uitvoeren. Maar de hoofdlieden bevalen hun, met bedreiging van lijf en goed te zullen verliezen, dat er niemand mocht heengaan. Men bracht ook drie vaten Hamburgs bier, dat gedronken werd, opdat zij moediger zouden zijn. Aldus kwamen zij op de 9e december, omstreeks 12 uur ‘s nachts, gewapenderhand te Meldorf. De Jakobijnen of predikmonniken voorzagen hen van toortsen en fakkels, opdat zij zouden kunnen zien, en Hendrik hun niet zou ontlopen. Met geweld vielen zij op het huis van de pastoor aan, en sloegen alles open en aan stukken, zoals dolle beschonken boeren plegen te doen; en wat zij vonden van zilver, goud of andere kostbaarheden, namen zij mee. Vervolgens grepen zij dan de pastoor, hakten naar hem, sloegen en staken hem, en riepen "Slaat dood! slaat dood!” Sommigen wierpen hem naakt op straat in de drek en vuiligheid, en namen hem gevangen, terwijl zij uitschreeuwden, dat hij met hen moest meegaan. Anderen daarentegen riepen, dat men hem moest laten aan, omdat zij geen bevel hadden gekregen om hem gevangen te nemen.

Daarna, toen zij hun wraak aan de pastoor gekoeld hadden, sleurden zij Hendrik naakt uit bed, sloegen, staken en sleepten hem. Zijn handen bonden zij hem op de rug, en mishandelden hem zo jammerlijk, dat het Peter Nannen, die echter een venijnig vijand was van Gods Woord, begon te hinderen, en hij beval, dat men hem moest laten gaan. Naakt en barrevoets sleepten zij hem door de koude en over het ijs naar Hemmingstet, zodat zijn voeten geducht gewond waren. Van daar brachten zij hem, in diezelfden nacht, naar het huis van een priester te Ter Heide, en sloten hem in een kelder, waar de beschonken boeren hem bewaarden en de gehele nacht bespotten.

Onder anderen kwamen tot hem de beer Simon, pastoor te Aldenwoorden, en de heer Christiaan, te Nieuwerkerke, beide domme vervolgers der waarheid, en vroegen om welke reden hij het heilig kleed had afgelegd. Die vraag beantwoordde hij zeer vriendelijk uit de Schrift, doch zij verstonden het niet. Mr. Gunther kwam ook tot hem, en vroeg, of hij liever naar de bisschop van Bremen wilde gezonden worden, of te Dithmarsen zijn straf ondergaan. Daarop antwoordde Hendrik: "Wanneer ik iets onchristelijks gedaan of geleerd heb, kunt gij mij wel straffen." Toen riep Mr. Gunther: " Hoort gij wel, mijn vrienden, hij verkiest te Dithmarsen te sterven." Het volk gaf zich intussen die gehelen nacht aan de ergste dronkenschap over.

Omstreeks 8 uur in de ochtend gingen zij naar de markt, om te beraadslagen, wat men hem doen zou. Daar riepen de beschonken boeren: "Verbrandt hem in het vuur, waarmee wij door God zullen behoed worden, en eer behalen hij de mensen. Hoe langer hij leeft, hoe meer hij er verleiden, zal. Wat baat het lang dralen! Hij moet toch sterven."

Daarna werd er uitgeroepen, dat allen, die hem hadden helpen gevangen nemen, met hun wapenen hij het vuur moesten komen. Daar verschenen ook de grauwe monniken, die de boeren in hun boosheid ophitsten, en zeiden: "Nu doet gij goed," en stijfden, alzo het domme volk in hun opzet. Toen grepen zij hem, en bonden hem aan handen en voeten, en brachten hem, onder groot geschreeuw en getier, naar de brandstapel. Toen hij daar kwam, veroordeelden zij hem, en velden over hem het doodsvonnis, dat de voogd dus uitsprak: "Deze booswicht heeft gepredikt tegen de Moeder Gods en tegen het christelijk geloof; om welke reden ik hem, vanwege mijn genadige heer, de bisschop van Bremen, beschuldig en tot de vuurdood veroordeel." Toen antwoordde Hendrik: “Dat heb ik niet gedaan; doch, o Heere! Uw wil geschiede." En, terwijl hij zijne ogen naar de hemel hief, zei hij: Heere vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, Uw naam zij alleen geheiligd, hemelse Vader!"

Om hem de biecht af te nemen, kwam er een onwetende grauwe monnik tot hem. Hendrik vroeg hem: "Broeder, heb ik u ooit enig kwaad gedaan?" Hij zei "Neen". "Wat zou ik u dan biechten of wat van u verlangen mij te vergeven?" Beschaamd ging de grauwe monnik heen. Toen vielen zij met alle geweld op hem aan; de een sloeg hem met een degen op het hoofd, een ander met een zware hamer, een derde stak hem in de zijde, de vierde in de rug, ieder, zoals hij hem het beste kon treffen. Mr. Gunter moedigde het volk aan, ruide het op en riep: “Toe maar, lieve vrienden, hier woont God."

Hoe men het ook aanstak, het vuur wilde echter niet branden, en ging zelfs twee malen uit. Zij hielden en maakten dit uit voor toverij, en lieten intussen niet na hem te slaan en te steken, dat wel twee uren aanhield, terwijl hij gedurende die tijd alleen met een hemd bedekt en zijn ogen hemelwaarts geslagen voor de boeren stond.

Eindelijk haalden zij een lange ladder, waarop zij hem vastbonden, teneinde hem in het vuur te kunnen werpen. Toen begon het geloof van de goede martelaar van Christus zich in woorden te openbaren, doch een hunner sloeg hem met de vuist op de mond, en zei: “Eerst zult gij branden, en daarna kunt gij spreken, zoveel gij wilt." Vervolgens zette een ander de voet op zijn borst, en bond hem, teneinde hem te worgen, met de hals zo stevig aan een sport, dat mond en neus bloedden; want deze beul zag, dat hij van de wonden, waarvan men hem er twintig had toegebracht, niet sterven kon.

Daarna richtten zij hem met de ladder op, zoals de plaat te zien geeft en een hunner zette zijn hellebaard daaronder, om die te helpen oprichten, aangezien de stad geen scherprechter had, doch de hellebaard schampte van de ladder, en doorstak de heiligen martelaar, terwijl de ladder ter zijde van de brandstapel viel.

Toen hielp Johan Holm, en nam een zware hamer, en sloeg hem daarmee zo lang op de borst, dat hij stierf, en zich niet langer verroerde; en daar het vuur niet branden wilde, verschroeiden zij zijn lichaam op de kolen. Doch daar dit op deze wijze niet kon verbrand worden, hieuwen zij het des anderen daags, zijnde acht dagen voor het kerstfeest, handen en voeten af, staken het vuur op nieuw aan, verbrandden daarin de afgehouwen leden des lichaams, terwijl het overschot daarvan werd begraven, en zij als onzinnigen daarom dansten en sprongen.

 

Johannes, van Dithmarsen

 

[JAAR 1524.]

 

In dezelfde stad Dithmarsen werd ook, om de naam van Jezus Christus en Zijn heilig Evangelie, gevangen genomen een zeker man, Johannes genaamd. Deze heeft niet alleen grote smaadheid en verdriet geleden, maar werd ook, daar hij zich standvastig aan de Evangelische waarheid vasthield, ter dood gebracht.

 

Gaspar Tauber en Georgius, een boekbinder

 

[JAAR 1524.]

 

Nadat Gaspar Tauber, een burger uit Wenen, in Oostenrijk, de kennis der waarheid uit enige gedrukte boeken verkregen had, en de slavernij der christenen onder de tirannie van de antichrist inzag, begon hij de christelijke vrijheid hij enige zijner medeburgers te Wenen te verdedigen en voort te planten. Daarom werd hij gevangen genomen, en in een zeer onreine gevangenis geworpen. Terwijl hij daar zat, zond de bisschop Johannes dikwerf enige godgeleerden naar hem, om hem van gevoelen te doen veranderen, en tot de schoot der roomse kerk te doen terugkeren. En, toen zij dachten, dat hij hun enige hoop op herroeping gegeven had, spraken zij een vonnis over hem uit, dat in de drie volgende hoofdstukken bestond.

1. Dat hij al zijn dwalingen, in al de Lutherse artikelen vervat, op die feestdagen, na de predikatie in de St. Stephanuskerk, voor de predikstoel overluid zou herroepen, en de verboden boeken verbranden.

2. Dat hij op drie volgende Zondagen blootshoofds en barrevoets, in een boetekleed, met een strop om de hals, zo lang de mis duurde, voor de deur van de St. Stephanuskerk zou staan, en, tot een teken van boetvaardigheid, een brandende fakkel in de hand houden; en op de Vrijdagen voor die Zondagen niets dan brood en water zou eten, en drie arme lieden van spijs voorzien.

3 Dat hij gedurende een geheeljaar in de gevangenis boete zou doen, en enige van zijn bezittingen afstaan, ten behoeve van de oorlog tegen de Turken, al de onkosten van het rechtsgeding betalen, en zijn gehele leven een kruis dragen, opdat hij altijd uit anderen zou kunnen gekend worden.

Toen men meende, dat hij dit alles doen zou, werd hij op het feest van Mariaboodschap in de kerk geleid, opdat hij uit een geschrift al de artikelen zou herroepen. Nadat de predikatie geëindigd was, beleed hij met groten ijver in het openbaar, dat hij niet wist, dat hij in enige zaak gedwaald had, en dat hij alleen geloofde en leerde, wat in de Heilige Schrift was vervat. Toen de genoemde geestelijkheid door bedreigingen, noch smeken en bidden iets vorderde, werd hij weer naar de gevangenis gebracht, en op een verschrikkelijke wijze gemarteld en gepijnigd. Eindelijk werd hij uit de gevangenis naar het klooster der Augustijnen overgevoerd, waar hij onverhoord door de geestelijke orde als een ketter werd veroordeeld, en aan de wereldlijke overheid overgeleverd, om door baar gestraft te worden, die dan ook terstond zijn handen in boelen sloeg. Gaspar klaagde er over, dat het onbehoorlijk was, iemand te veroordelen zonder eerst zijn verontschuldiging gehoord te hebben. Maar daarmee vorderde hij niets, zodat de omstanders met grote meedogendheid zich over zulk een rechtsgeding verwonderden.

Op de 17de September van het jaar 1524, des morgens ten 6 uur, werd hij op een kar gezet, en met de meesten spoed naar de gerichtsplaats buiten de stad gevoerd, zodat er nauwelijks honderd toeschouwers hij deze handeling tegenwoordig waren.

Toen hij de kar verliet, bad hij zeer aandachtig tot God zijn Heere,en antwoordde de priester die hem dwong zijn zonden te belijden en voor zijn ziel te zorgen: "Mijn ziel is in Christus mijn Heere zeer goed bezorgd." Daarna vermaande hij de omstanders, dat niemand hunner hen, die het vonnis der rechters uitvoerden, later verkeerd moest bejegenen. Eindelijk zei hij drie malen: "Heere in Uw handen beveel, ik mijn geest." En, toen hij dit gezegd had, sloeg hem de beul het hoofd af. Daarna werd zijn lichaam verbrand, en aldus is de vrome martelaar van Christus tot as vergaan, en de haat der vijanden aan hem openbaar geworden.

In hetzelfde jaar werd ook te Wenen een boekbinder, Georgius genaamd, om de belijdenis van de waarheid, door een zware straf op de brandstapel Gode opgeofferd.

Te Praag in Bohemen, werd ook nog een ander christen verbrand, omdat hij het goddeloze leven (Ier priesters en de schandelijke kloosterbeloften vaarwel had gezegd, en tot een eerlijk en Gode welbehaaglijk leven in het huwelijk was overgegaan.

Inderdaad, het is zeker, dat deze en anderen, die voor de naam van Jezus Christus sterven, om een geheel andere reden deze pijnigingen lijden dan dieven, rovers, moordenaars en andere misdadigers, die een rechtvaardige straf wegens hun boze daden moeten dragen. De gelovige christen wordt bewogen dit te lijden ter ere van God en tot stichting van zijn naaste. Doch de wereld sluit, volgens haar gewone ondankbaarheid en goddeloosheid haar ogen, opdat zij deze heerlijke roeping van God en de belijdenis des geloofs in de martelaren niet zien zou; en wat nog erger is, zij meent dat zij Gode er een dienst mee bewijst en een offer brengt, wanneer zij aan deze dienstknechten van Christus zulke wreedheden pleegt. En toch zal dit ongeloof der mensen nimmer de waarheid Gods teniet doen, noch de vromen beroven van de kroon der rechtvaardigheid, die in de hemel is weggelegd voor allen, die de waarheid hebben voorgestaan; die, naar het voorbeeld van Mozes, liever wensten met Gods volk kwalijk behandeld te worden, en in alle armoede en verdrukking te verkeren, dan hier met de goddeloze eer, tijdelijk gewin en de wellusten des levens te genieten.

 

Nicolaas Hottinger

 

[JAAR 1524.]

 

Nicolaas Hottinger was van een oud en aanzienlijk geslacht uit het eedgenootschap, te Zürich, en van beroep een schoenmaker. Toen hij, tijdens de hervorming, door Ulrich Zwingi, in die tijd leraar te Zürich, de roomse dwalingen en de evangelische waarheid leerde kennen, was hij derwijze met ijver daarvoor bezield, dat hij overal, waar hij als schoenmaker werkzaam was, de lieden met getrouwheid in de ware godsdienst onderwees en vele van hen bekeerde.

Daar hij ook te Tagerfeld, in het graafschap Baden, waar hij zich geruime tijd ophield, hetzelfde deed, en vele goedgezinde lieden tot Christus bracht, werd hij eindelijk door de landvoogd daar gevangen genomen, en van Baden naar Luzern gebracht, waai, hij, na een volstandig afgelegde belijdenis der waarheid, op de 14e Maart 1524 door het zwaard werd omgebracht.

 

Johannes Castellanus

 

[JAAR 1524.]

 

In het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1524 leefde er een dokter in de godgeleerdheid, Johannes Castellanus genaamd, geboren te Doornik. Hij was een Augustijner monnik, en toen hij de ware kennis van Jezus Christus en van Zijn heilig Evangelie verkregen had, werd hij een zeer getrouw dienaar van het Evangelie, en verkondigde dat met bijzondere ijver in Frankrijk, te Barle-Duc, niet ver van de stad Vitri gelegen, te Chalons-sur-Marne, en ook in de stad Wijck, de woonplaats van de bisschop van Metz, daarna ook in de stad Metz, waar hij met grote vrijmoedigheid in het openbaar het Woord Gods predikte, en de vele gruwelen van het pausdom aan het licht bracht, waarom de dienaren van de antichrist hem zeer vijandig vervolgden, en alle middelen aanwendden om hem gevangen te nemen. Doch, aangezien zij dit in de stad Metz niet durfden doen, wachtten zij, totdat hij van daar zou vertrekken. Nauwelijks had hij dan ook die stad verlaten, of de dienaren van de kardinaal van Lotharingen namen hem te Gorse, een abdij hij Metz gelegen, gevangen, van waar hij door hen gebracht werd naar het kasteel Nommeny.

Dit geschiedde niet zonder grote ontsteltenis der bewoners van Metz, die het zeer euvel duidden, dat hun getrouwe dienaar dus in het genoemde kasteel werd gevangen gehouden; waarom zij ook enige onderdanen van de kardinaal gevangen namen, en geruime tijd opgesloten hielden. Eindelijk verscheen de abt van St. Anthonis, te Wenen, Theodorus Chaumont genaamd, die zich uitgaf voor de generaalvicaris van de genoemden kardinaal, zo in het wereldlijke als geestelijke, in de bisdommen Metz, Totil en Verdun, voorzien van brieven en een bevel van de paus, en bracht het door velerlei bewijzen en verzoeken aan de Raad van Metz eindelijk zo ver, dat de onderdanen van de kardinaal werden losgelaten.

Niettegenstaande dit alles, werd Johannes Castellanus van de 4e Mei 1523 tot de 12e Januari 1524, in het kasteel Nommeny wel verzekerd bewaard en wreed mishandeld, gedurende welke tijd hij de leer der goddelijke waarheid zeer standvastig beleed en getrouw verdedigde. De vijanden der waarheid werden zeer verstoord op hem, en zeiden, daar zij hem niet konden wederleggen: "Ziet toch, welk een verleider deze is; hij betovert alle mensen die met hem twisten, zodat niemand hem kan overwinnen. Men moet daarom zulken vermijden, opdat zij niemand met hun leer verstrikken." Wee echter, zodanige lasteraars, die het goede kwaad, en het kwade goed, die het licht duisternis en de duisternis licht noemen. Immers, zij wilden niet opmerken, dat het de Geest van God was, die door hem sprak, en die hem mond en wijsheid gaf, die zij niet konden tegenspreken.

Op de 12de Januari werd hij van daar overgebracht naar de stad Wijck en het kasteel daar, waar hij met grote standvastigheid in de genoemde leer der waarheid volhardde, zodat hij door geen vermaningen, beden noch bedreigingen tot herroeping kon gebracht worden, maar tot het einde getrouw bleef aan zijn Heer Jezus Christus. Om die reden zettenzij het rechtsgeding tegen hem voort. De wijbisschop ontzette hem eerst van het priesterschap, terwijl zijtje dienaren hem het priesterlijk gewaad uittrokken, dat hij tot dusverre nog droeg, en deden hem een gewoon kleed aan. De bisschop sprak hem op de volgende wijze aan: Wij willen, dat de wereldlijke overheid thans u, die van elke geestelijken rang en alle voorrechten beroofd bent, in haar zorg neme." Daarna zei hij, op zeer geveinsden toon, zoals hun gewoonte is: "Heer rechter, wij bidden u, om Gods wil, dat gij met alle barmhartigheid jegens delen ellendigen mens gezind mag zijn, en geen besluit over hem nemen, waardoor hij zijn leven zou verliezen, of enig lid van zijn lichaam gekwetst zou worden."

Toen Johannes Castellanus aan de wereldlijke overheid overgeleverd was, veroordeelde hem het bestuur der stad Wijck om levend verbrand te worden. Met een zeer standvastig en kloek gemoed onderging hij de straf op bijna 50-jarige ouderdom.

 

Johannes Hospinianus of Weert, en zijn beide zonen, Johannes en Adrianus, benevens Burchard Ruijteman

 

[JAAR 1524.]

 

Johannes Hospinianus en zijn beide zonen werden geboren in het vlek Stanheim, een grote en oude parochie, gelegen in het lage rechtsgebied van de stad Zürich, maar in het hoge of halsgericht, onder het LandGraafschap Thurgau, toebehorende aan het oude eedgenootschap. Sinds oude tijden stond daar een zeer vermaarde kapel, die ter ere van de heilige Anna, moeder van de maagd Maria, was gesticht, en door de bijgelovige lieden van nabij en verder gelegen plaatsen en landen werd bezocht.

Toen in het jaar 1523, na een in het openbaar gehouden gesprek te Zürich, de vrome Raad daar door een algemeen bevel gelast had, uit al de kerken de beelden weg te nemen, werd in het volgende jaar 1524 ook bovenvermelde St. Annakapel daarvan gezuiverd; onder welke beelden ook een kostbaar stuk, het geboorteregister van St. Anna, op de heiligen dag van Johannes de Doper, werd weggenomen.

Dit werd, benevens door vele anderen, zeer euvel geduid door de landvoogd van Thurgau, die te Frauenfeld woonde, en die dit voor een grote misdaad beschouwde, waardoor de dood verdiend werd. Hij bedreigde dan ook dit ten zwaarste te zullen straffen. Hij gaf hiervan alleen de schuld aan Johannes Hospinianus, de onderstadhouder van Stanheim, en aan diens beide zonen, die hij dan ook, zolang hij regeerde, zeer haatte, maar hen toch niet durfde straffen.

Later kwam te Frauenfeld een nieuwe landvoogd, geboren te Scheijts die reeds hij de aanvang van zijn regering de inquisitie inriep, en in de nacht van de 7e  Juli Johannes Oechstlen, predikant te Burg, hij Steyn aan de Rijn, liet gevangen nemen. Hierover ontstond een grote beweging, en er werd zelfs een moordgeschrei aangeheven, zodat alle bewoners van Thurgao daarheen gingen, om de gevangene uit hun handen te rukken en te verlossen. Doch het was te laat, daar hij reeds weggevoerd was.

De bewoners van Thurgau in Zürich legerden zich te Wingen in het Karthuizerklooster, aan de rivier Tur gelegen, en gingen zelfs op de 8e Juli zo ver van in dit klooster te eten en te drinken, en ei, schandelijk huis te houden.

Wel zocht de onderstadhouder Hospinianus, die niet ver van daar woonde, en een aanzienlijk en zeer geacht man was, het volk daarvan af te trekken, en tot stilte te vermanen, maar al zijn pogingen waren tevergeefs.

Daarna staken enige moedwillige lieden het klooster in brand en vernielden het. Toen dit de Raad van Zürich ter oor kwam, het hij terstond zijn onderdanen, alsook de bewoners van Thurgau, door zijn afgezanten aanzeggen dat zij hun verkeerdheden zouden staken, en wel omdat de onderstadhouder Hospinianus, die aan deze daad niet schuldig was, maar wel begreep, dat hij daarvan de schuld zou moeten dragen, hierover had geklaagd.

Vervolgens werd er ‘s maandags voor St. Margaretha door de regerende Stenden een vergadering te Frauerifeld belegd, teneinde inlichting te bekomen omtrent dit oproer en de brand. Op Dinsdag na St. Margaretha had er weer een andere vergadering plaats te Zürich, waar men de gehele schuld van het oproer en de brand wierp op de oude onderstadhouder Hospinianus en zijn beide zonen, als ook op Buchard Ruijteman, onderstadhouder te Nusbaumen, mr. Coenraad Steven, de heer Erasmus Smijden, bedienaar des goddelijke Woords te Steijn, die door de pausgezinden Stenden bedreigd werd, dat zij hem door de rechterlijke macht zouden laten halen. Hierover ontstond zulk een groot oproer, dat een openbare oorlog scheen te zullen uitbarsten. Intussen verlieten de beide laatstgenoemde personen Steijn, en wisten zich te redden.

Zürich, dat alleen volkomen de Hervorming had aangenomen, liet de vier eerstgenoemde personen aan een onpartijdige rechter in bewaring geven en onder borgtocht stellen, ondervoorwaarde, dat men geen geweid, maar recht aan ben doen zou.

En, ofschoon zij, na een bedaard en onpartijdig onderzoek en de uitspraak van het recht, aan zulk een oproer, plundering en het verbranden van het klooster onschuldig werden bevonden, werkte het toch niets uit; het geschiedde zelfs, dat de pausgezinde orde, die op onstuimige wijze raasde en tierde, dreigde de gevangenen, niettegenstaande de borgtocht te halen, wat hun eindelijk gelukte, doch onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat men hen niet dan over het oproer en de brand zou onderzoeken. Toen zij op de Vrijdag voor St. Bartholomeusdag naar Baden tot de algemene eedgenoten overgebracht werden, ontstond er hij hun aankomst te Baden een grote oploop van volk, bestaande zo uit ingezetenen als vreemdelingen, die daar toen waren.

Toen de gevangen vader Hospinianus dit zag, zei hij tot zijn zonen: Ziet lieve zonen, wordt heden aan ons niet vervuld, wat Paulus zegt:, Wij zijn een schouwspel geworden der wereld en de Engelen en der mensen." En, toen hij de stadhouder van Frauenfeld onder het volk zag, drong.hij door het volk hem te gemoed, en reikte hem de hand toe, maar de stadhouder weigerde die aan te nemen, waarop Hospinianus zei: “Heer stadhouder wees niet toornig, want God in de hemel leeft, en ziet alle dingen."

Daarna werden zij naar de toren van de Mellingerpoort geleid, en ‘s zaterdags op nieuw door de daartoe bestemde gezanten der eedgenoten onderzocht betreffende hun geloof, alsook over het afschaffen der beelden, dat tegen de gemaakte voorwaarde der heren van Zürich plaatshad, die alleen hadden ingewilligd en toegestaan, dat men hen over het oproer en de brand, en niet over hun geloof zou ondervragen, zoals ook de Zürichse afgevaardigden van de Raad met allen ernst beweerden. Door de gezant van Bern echter werden zij met bittere woorden bejegend. Hieruit ontstond grote onenigheid, zodat de gezanten van Zürich opstonden, en deze heerszuchtige handeling niet langer wilden bijwonen; doch de pausgezinde gezanten gingen evenwel met deze ondervraging en het onderzoek voort. En hierbij bleef het niet, want, ofschoon de stadhouder van Frauenfeld vele dingen had onderzocht, en daarvoor getuigen verzameld had, werd toch de oude vader om deze zaken gruwelijk gepijnigd, zodat hij met tranen in de ogen had, dat men hem toch van de martelingen enigermate zou verschonen, en zich met het gedane onderzoek en de bijgebrachte gebeurtenissen tevreden stellen, en wel, omdat hij de oprechte en grondige waarheid ervan had betuigd.

Hierop werd Johannes, de oudste zoon, die in de genoemde St. Annakapel te Opperstanheim kapelaan of tweede dienaar geweest was, op de pijnbank gelegd, en ondervraagd, hoe hij aan zijn ketterse gevoelens gekomen was, onder bedreiging, dat zij hem, zoals met de beelden had plaats gehad, zouden verbranden. Verantwoording, bidden noch smeken mochten baten, daar men, zonder enige barmhartigheid te tonen, voortging hem op de gestrengste wijze te pijnigen, zodat hij eindelijk zei: “O barmhartige God, kom mij te hulp en troost mij." Een van de gezanten voegde hem toe:"Waar is nu uw Christus? Gij booswicht, zeg uw Christus, dat Hij u nu helpt!" 'Waarop hij zuchtende antwoordde: "Hij zal het ook doen."

Spoedig daarna werd ook mr. Adrianus, de jongste zoon, die ook in Neder-Stanheim kapelaan of tweede dienaar was geweest, naar de pijnbank geleid, tot wie een der gezanten zei: Heer zeg ons de waarheid. Wie heeft het klooster verbrand, en vanwaar hebt gij uw geloof? Want ik verklaar u hij mijn ridderschap, dat ik verkregen heb aan plaatsen, waar God de pijn en de dood heeft ondergaan, dat men u, wanneer gij het niet zegt, de een ader na de andere zal uitscheuren. Wij hebben uw vader met uw ketterse leer onderzocht, en wees er van verzekerd, dat wij hem zullen doden, waaraan wij ons land en onze onderdanen willen wagen, opdat dit vuil en ketters geloof worde uitgeroeid." Adrianus bad, dat men toch niet zo tegen hem zou woeden, maar hem genade bewijzen, en alleen naar de waarheid vragen. De gezant antwoordde: "Adrianus, de Apostelen hebben zo niet gehandeld, maar hun dood met vreugde begeerd."

Hoewel Adrianus hen altijd, in alle redenen en tegenspraak vriendelijk bejegende, werd hij toch eindelijk aan het touw vastgemaakt en opgetrokken. Een van de gezanten zei in die ogenblikken: "Adrianus, dat is het geschenk waarmee wij u op uw bruiloftsfeest vereren." Adrianus had zich namelijk kort tevoren met een meisje uit Beijlingen te Winterthür verloofd.

Eindelijk bracht men ook de bovengenoemde Ruijteman voor, die men insgelijks omtrent alle zaken met ijver en onder vele pijnigingen ondervroeg ofschoon het avond werd, en de gezanten vermoeid waren.

De volgende Zondag, toen men hen samen in één gevangenis had gebracht, vertrokken de gezanten op dezelfde dag, om hun oversten van alles verslag te doen.

Veertien dagen daarna, des Zondags na St. Urenen, kwamen de gezanten weer samen, en onderzochten de gevangenen onder pijnigingen andermaal, doch bevonden niet, dat zij aan het verwekken van oproer en het stichten van de brand schuldig waren; dat zij, integendeel, naar hun beste vermogen dit alles hadden trachten te behoeden en te weren.

Op Dinsdag de 6den September werd door de secretaris van Baden hun bekentenis op schrift gesteld, en aan de overheden afgegeven.

Drie weken later werd er weer door de gezanten een vergadering te Baden gehouden. Ten gunst van de gevangenen werd daar een dringend verzoek gedaan, zowel door de inwoners van Zürich alsook door de ketterin Anna, die daar zelf verscheen, om voor haar gevangen man Hospinianus en haar beide zonen in de bres te springen, doch alles was tevergeefs. Evenmin hielp het, dat Hieronymus, hoog ambtenaar te Zürich, die twee malen stadhouder van Thurgau was geweest, getuigde, dat de bedoelde onderstadhouder een eerlijk, gehoorzaam man was, die gunstig hij de overheid stond aangeschreven, en wie zij zeer genegen waren, die jegens vreemdelingen en landgenoten gastvrij, getrouw, oprecht, redelijk en nooit oproerig was geweest, zodat zijn huis gelijk aan een klooster en gasthuis was. Doch door de Raad werd hun geantwoord, dat hij moest sterven, omdat hij de grootmoeder van Christus, de zalige Anna, de moeder van de moeder Gods, verbrand had. Zij voegden er hij, dat, wanneer hij slechts had gestolen, geroofd, gemoord of ketterij bedreven, zij hem dan zouden verschonen.

Op Woensdag de 2881 September, in de avond van St. Michaël, in het jaar 15211, kwamen de eedgenoten van de negen regerende Stenden op het Raadhuis te Baden samen. Die van Zürich, die de Evangelische godsdienst beleden, waren, aangezien hun voorbede niet had geholpen,afgetreden, en hadden zich verwijderd, daar zij niet in de Raad der bozen wilden zitten. De vergaderden spraken over de gevangenen dit vonnis uit, dat Johannes Hospinianus, onderstadhouder te Stanheim, en Johannes, zijn zoon, alsmede Borchard Ruijteman, onderstadhouder te Nusbaamen, door het zwaard zouden sterven; maar dat Adrianus, als de jongste zoon, aan zijn moeder, die zoals boven verhaald is, voor hem vergeving afgesmeekt had, zou terug gegeven worden.

Toen dit vonnis de gevangenen in de toren werd meegedeeld, zei de vader tot Adrianus: "Mijn zoon, daar God u nu het leven wil sparen, zie wel toe, dat gij, noch iemand van de onze zich vermeet om deze onze onschuldige dood te wreken. De wraak behoort God in de hemel alleen toe, Die zal te Zijner tijd al het onschuldig bloed wreken. Hij wil ons genade bewijzen, en in het ware geloof ten einde toe versterken."

Toen nu Adrianus hierover bitterlijk weende en zeer bekommerd was, zei Johannes, zijn broeder, tot hem: "Mijn broeder, gij weet, dat wij Gods Woord getrouw verkondigd hebben, en wel aldus, dat wij ten allen tijde het kruis ervan gedragen hebben; ween daarom zo niet, en houd op met schreien. Ik breng lof en dank aan God, dat Hij mij op deze dag waardig acht, om de wil van Zijn heilig Woord te lijden en te sterven; Zijn heilige naam zij hoog geprezen in eeuwigheid! Het geschiedde, gelijk het Hem behaagt."

Intussen troostten zij elkaar en bereidden zij zich voor, totdat het uur van hun dood slaan zou met christelijke spreuken uit Gods Woord, en bevalen Adrianus om dit ook de hunnen mee te delen, en hen te troosten, daar zij niet wegens enige schande of oneer, maar alleen om Gods wil moesten sterven.

Negen volle weken brachten deze vrome mannen op verschillende plaatsen in de gevangenis door, in welke tijd zij niet van klederen noch hemden verwisselden. Zij werden door die wrede martelingen meer en meer ontzenuwd, afgetobd en krachteloos. Maar zij betuigden, dat zij er verheugd over waren, omdat zij nu eindelijk van hun zwakke lichamen en zware pijnigingen zouden bevrijd worden, en loofden daarom God in hun lijden, en hielden in getrouwheid aan in het gebed.

Toen nu de tijd van hun sterven genaakte, verzamelde zich een grote menigte, door welke men de drie mannen leidde, die vol geduld en gewillig daarheen gingen, terwijl velen hun tranen niet konden bedwingen. Voor het Raadhuis werden hun de bekentenissen voorgelezen, en aangezien deze meer op gezegden van anderen, dan op hun eigen woorden waren gegrond, sprak de onderstadhouder Hospinianus enige artikelen in het openbaar tegen, en betuigde, dat die hem nooit in de zin waren gekomen. Zijn zoon Johannes zei daarop: "Niet alzo, lieve vader, niet alzo; maar laat het alles waar zijn en zo blijven, de Heere, Die in de hemel is, weet wel wie en wat wij zijn, en hoe alle dingen zijn geschied. Aldus moet de antichrist Zijn zaak met liegen en bedriegen bemantelen. Het grote gericht dezer wereld zal aanbreken, waarin al het verborgen en de waarheid, zoals het behoort, aan de gehele wereld zal geopenbaard worden. Met geloof en lijdzaamheid zullen wij thans alles overwinnen."

Nadat hun de bekentenissen en het vonnis waren voorgelezen, sloeg de beul van Locaris het eerst de handen aan Johannes, bond hem, en leidde hem weg.

Deze sprak, ten volle vertroost, van Christus, van Diens verdiensten, en de zaligheid, waardoor hij zelfs vele zielen in het geloof versterkte. Daarna bond de beul van Luzern de beide onderstadhouders samen, en volgde achter de eerste beul. Zij werden begeleid door de priester Galli, kerkelijk dienaar te Baden, die hun veel van de pauselijke leer op het hart wilde drukken, doch waartegen zij het hoofd schudden, en er geen gehoor aan wilden geven.

Toen zij op de brug tegen het slot gekomen waren, waar vroeger de kapel van St. Joost stond, doch welke, zo ook de brug in die Lindmaat, de 28sten Augustus 1568, door een watervloed ondermijnd en weggespoeld werd, vermaande hen de genoemde priester, dat zij zouden neerknielen en de heiligen Joost aanroepen. Doch Johannes keerde zich terstond om en zei: "Waarom zouden wij voor hout neerknielen, en dat aanroepen? God in de hemel behoort men alleen aan te roepen; wend u ook tot Hem met oprecht berouw, want gij zult geen grauwen rok meer verslijten zo min als ik." Dit gezegde van hem aan de priester werd ook vervuld, want binnen een jaar stierf hij. Johannes wendde zich ook tot zijn vader en zei: "Mijn vader, ik bid u, wil toch niet afwijken van wat gij onderwezen hebt, en waarvan gij weet, dat het de waarheid is. Gij weet, dat er maar één Middelaar is tussen Goden de mens, welke is onze lieve Heere Jezus Christus, onze enige troost en Heiland." Daarop antwoordde de vader: “Lieve zoon, met Gods hulp zal ik zeker daarbij blijven tot het einde." Hierop baden zij overluid het Onze Vader, en zeiden de artikelen van het geloof op, totdat zij op de gerichtsplaats kwamen, waar Johannes terstond afscheid van zijn vader nam en sprak: "Vriendelijke, hartelijk geliefde vader, voortaan bent gij niet meer mijn vader, noch ik uw zoon, maar wij zijn broeders in Christus onze Heere, om Wiens naams wil wij thans de dood moeten ondergaan. Met Gods hulp zullen wij tot Hem komen, Die de Vader is van ons allen, en hij Hem met alle uitverkoren heiligen eeuwige rust, vreugde en zaligheid genieten. Daarom, vriendelijke, lieve vader, en broeder in Christus, weesgetroost, geef u aan de Heere over, en laat hem begaan." Daarop sprak de vader: "Amen! Zo zegene u God, de almachtige, welgeliefde zoon en broeder in Christus! Hem zij lof, eer en dank in eeuwigheid!" Velen waren bedroefd van hart om dit afscheid.

De onderstadhouder Ruijteman sprak weinig; hij bad en luisterde toe naar hetgeen Johannes en diens vader met elkaar spraken.

Na dit alles werd Johannes het eerst naar de gerichtsplaats gevoerd, en ontkleed om onthoofd te worden. Het omstaande volk vermaande hij ernstig tot eenheid en christelijke liefde, en dat zij met naarstigheid Gods Woord zouden lezen en volgen. Hij verzocht ook ieder, dat zij hem door het Onze Vader God zouden helpen aanroepen, en vroeg om vergeving, indien hij iemand iets misdaan had, zoals hij ook ieder gewillig vergeven had. Eindelijk knielde hij in de naam van Jezus Christus, en werd onthoofd.

Daarna werd ook de vader door de genoemden scherprechter naar de gerichtsplaats gevoerd; en toen hij insgelijks knielde in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes, en zijn ziel Gode had bevolen, werd hij onthoofd.

De priesters fluisterden de onderstadhouder Ruijteman onophoudelijk in het oor, dat hij Onze Lieve Vrouw en de heiligen moest aanroepen; maar hij bad het Onze Vader, en toen hij in Gods naam knielde, werd hem het hoofd afgeslagen. De priesters maakten de onwetenden hoop wijs, dat hij begeerd had een zielsmis voor hem te doen; doch niemand had dit ooit van hem gehoord. Intussen bracht dit hun veel geld op.

Een zodanig einde hadden deze drie aanzienlijke vrome mannen. En, of dit nog niet genoeg ware, moest de arme, bedroefde weduwe boven dit alles aan de pausgezinde orde betalen zes honderd Duitse guldens voor de gemaakte onkosten en bovendien honderd vijftig gulden voor de vertering, gemaakt hij hun verblijf in de gevangenis, en voorts nog tien kronen aan de wrede beul, zodat er in het geheel geen barmhartigheid getoond werd.

Adrianus Hospinianus, die, gelijk boven verhaald is, aan de moeder was teruggegeven, werd door de achtbaren Raad van de stad Zürich in de parochie Altorf, in hun graafschaap Kijburg gelegen, aangesteld, en spoedig daarna tot deken van dit hoofdstuk gekozen. Beide ambten bediende hij met alle naarstigheid en getrouwheid tot aan zijn dood, waar hij ook de 9den Februari 4563 stierf, nadat hij hij zijn tweede vrouw, Dorothea Wolphy, zuster van Johannes Wolphy, de godgeleerde, een zoon had verkregen, Rudolf Hospinianus, die door zijn uitnemende geschriften bijna hij ieder bekend is.

 

Johannes de Klerck

 

[JAAR 1525.]

 

Johannes de Klerck, geboren te Melden, was de oudste broeder van Pieter de Klerck, van wie wij later zullen spreken. Deze Johannes werd, in het jaar onzes Heeren 1513, in de stad Melden gevangen genomen, omdat hij aan de deuren van de grote kerk aldaar enige artikelen aangeslagen had tegen de gezonden aflaatbrieven van de paus, waarin hij schreef, dat de paus de antichrist was. Hierom werd het volgende vonnis over hem uitgesproken, namelijk, dat hij gedurende driedagen, op zekere tijden, met roeden zou gegeseld, en hem een schandteken aan het voorhoofd zou ingebrand worden. Toen zijn moeder, die een oprechte en christelijke vrouw was, maat, een man had, die de waarheid haatte, zag dat haar zoon gegeseld en gebrandmerkt was, bemoedigde zij hem, en riep op luiden toon: "Zo moet Christus met zijn merktekenen in u leven." Daarna reisde de genoemde Johannes de Klerck, gestraft en gebrandmerkt, naar Rosoay, in Brie, en vandaar naar Metz, in Lotharingen, waar hij enige tijd woonde, en zich met zijn ambacht het wolkammen bezig hield.

Op zekere avond voor de dag, waarop men, even buiten de vesting der stad, aan enige beelden in een kapel grote eer zou bewijzen, kwam Johannes, met een goddelijke ijver, zoals de uitkomst leerde, ontstoken, aan de plaats waar de volgende dag de beelden zouden worden aangebeden, en sloeg die aan stukken. Toen nu de hogere geestelijken, priesters en monniken het volk met grote pracht en in processie daarheen leidden, en ontdekten, dat hun beelden geschonden en verbroken waren, bewogen zij de gehele stad, om de dader van dit feit te zoeken, die dan ook zeer spoedig werd gevonden.

Behalve dat men reeds vermoeden op hem had, hadden sommigen hem in de vroege morgen de stad zien ingaan. Hij werd daarom gevangen genomen, beleed zijn daad terstond. en gaf voor het gehele volk de reden op, waarom hij dat gedaan had. Het volk ontstak daarover dermate in gramschap en woede jegens hem, dat men terstond verlangde, dat men hem een gruwelijke dood zou aandoen. Nadat hij de zuivere leer van de Zoon Gods, Jezus Christus, voor de rechters en het volk met kloekmoedigheid had beleden, werd zijn vonnis geveld, en hij naar de plaats, Champasselle genaamd, gevoerd, waar hij zijn straf ontvangen zou. Men het hem een zeer wrede dood ondergaan. De beul hieuw hem eerst de rechterhand af, daarna werd hem de neus met scherpe tangen afgeknepen, zo ook de armen, de borsten afgesneden, en van zijn hoofd cirkelsgewijze de huid afgestroopt en met vuur verschroeid. Hij dit wrede schouwspel was niemand tegenwoordig, die zich niet ten hoogste hierover ontzette, voornamelijk toen zij de onoverwinnelijke standvastigheid zagen, waarmee God Zijn dienaar versterkte, die onder de grootste en zwaarste pijnigingen de volgende woorden uit de 115den Psalm op de lippen nam en uitsprak: Hunlieder afgoden zijn zilveren goud, het werk van mensenhanden," enz. Het leven, dat in dit ellendig lichaam nog over was, werd daarna spoedig door het vuur verteerd.

Dit geschiedde op de 29e Juli in het jaar onzes Heeren 1525.

 

Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus Christus, Johannes Pistorius, van Woerden

 

In het Latijn beschreven door Willem Gnapheüs, Rector van de Latijnse school te 's Gravenhage en medegevangene van Pistorius.

 

Later in het Nederlands vertaald.

 

[JAAR 1525.]

 

Johannes Pistorius, of de Bakker, van Woerden, in Holland, was uit aanzienlijke ouders geboren, en overtrof van zijn jeugd af in deugd en eerbaarheid des levens allen, die van zijn leeftijd waren. Reeds op 12-jarige leeftijd zong hij, daar hij een zeer heldere stern had, in de hoofdkerk te Utrecht, volgens de gewoonte van die dagen, met de hogere geestelijken, en stond hij het college der priesters in hoog aanzien. Nadat hij die jaren van zijn leven aldus had doorgebracht, en zijn stem begon te verzwakken, wilden de priesters hem nauwelijks ontslaan, om tot zijn studiën, die hij enige tijd vaarwel had gezegd, ja, bijna verlaten, met een bijzondere lust terug te keren. Tot onderwijzer had hij later meester Johannes Rhodius, een zeer beroemd opziener over het college van Hieronymus, een geleerd en tevens vroom man, die hem naarstig onderwees in de geboden der godsvrucht en de ware godsdienst, alsmede in de beginselen van zijn aanstaand ambt. Al spoedig werd deze leerling met zijn onderwijzer gehaat, daar men hem beschuldigde de gevoelens van Luther te zijn toegedaan. In deze tijd namelijk openbaarde zich de Evangelische waarheid reeds, en om die te bevorderen, reisde bovengenoemde Rhodius dikwerf naar Duitsland. De goede vader van Pistorius maakte zich voor de ondergang van zijn zoon zeer bevreesd, aangezien het vermoeden, dat hij de leer van Luther voorstond, dagelijks meer en meer toenam. Hij riep hem daarom uit de school naar huis, en beval hem nevens hem het kosterambt waar te nemen. In deze betrekking liet hij niet na de lof van het meer en meer helder schijnende Evangelie hij alle gelegenheden zijn medeburgers in te scherpen, en vele nieuwe planten tot Christus te leiden.

Van daar werd hij, om zijn verstand nog meerder te verrijken, naar Leuven gezonden, en aan Erasmus, de roem van Holland, aanbevolen, met wie zijn goede vader vroeger samen had gewoond, en in zijn jeugd veel had omgegaan, aangezien zij in één school waren onderwezen. Het was verwonderlijk te zien, hoezeer Pistorius in korte tijd in kennis toenam. Doch de vader, die meer zag op het voordeel, dat hij door zijn zoon behalen kon, dan op diens studiën, overlegde hij zichzelf, hoe hij het best van zijn zoon partij kon trekken. Hij zond hem daarom naar Utrecht, om hem als dienaar in de godsdienst te laten wijden. De goede jongeling werd gedwongen, zich naar de wil van zijn vader te schikken, het leven der geestelijken aan te nemen, en de gevoelens van Luther af te zweren, wat hij in die tijd deed, voorzover de christelijke eenvoudigheid geen sekten kende. Evenals deze levenswijze Pistorius niet behaagde, betuigde hij ook hij herhaling, dat hij tot de slavernij van deze kerkelijke bediening was toe getreden alleen om zijns vaders wil, of om in dit leven er zich op te kunnen toeleggen de catechismus te beoefenen, zoals hij dit dan ook met groten ijver in zijn vaderland heeft gedaan. Daar het gerucht hiervan dagelijks toenam, werd hij spoedig daarna te Utrecht geroepen, om zich daarover te verantwoorden. Maar, aangezien hij de lagen bemerkte, welke men hem legde, weigerde hij in de vergadering der kwaadwilligen te verschijnen. De priesters van het college te Utrecht deelden de verachting, die Pistorius der vergadering toedroeg, aan het hof van Holland mee. Aangezien deze aanklagers daar geloof vonden, werd hij met een van zijn medebroeders door de gouverneur van het slot te Woerden gevangengenomen. Terwijl echter zijn tegenpartijders, uit vrees voor de burgers, zoals men meent, hen niet langer van ketterij beschuldigden, en wel in deze plaats, waar zij alles naar hun wil konden doen buigen, gebeurde het, dat, toen zijn metgezel door bloedgang werd aangetast, Pistorius, om de besmettelijke ziekte werd ontslagen uit de gevangenis, onder belofte, dat hij zich ten allen tijde aan het rechterlijk onderzoek zou onderwerpen. De geestelijken te Utrecht waren wrevelig dat deze prooi aan hun handen ontgaan was, en wisten door hun scherpe bedreigingen het zover te brengen, dat beiden een vrijwillige ballingschap aannamen. Uit liefde tot de ware godsvrucht gingen zij naar de gemeente te Wittenberg, in Saksen. Na drie maanden op deze reis doorgebracht te hebben, keerden zij weer naar hun vaderland terug. Toen die van Utrecht dit vernamen, riepen zij hen op nieuw voor hun gericht, teneinde hen van ketterij te zuiveren. Eindelijk werd hun bevolen naar Rome te reizen, en gedurende drie jaren buiten hun vaderland te blijven. Pistorius minachtte dit vonnis, en wilde geen voetbreed uit het stadje wijken, en nog minder volbrengen, wat hem gelast was.

Hierdoor werden zijn tegenstanders nog meer op hem verbitterd, zodat zij besloten hem te zullen doden, zo spoedig zij hem ergens onder hun gebied konden betrappen. Aan een overste der ruiterij werd de last opgedragen, zulk een ongehoorzaam mens en oproermaker gevangen te nemen en te Utrecht te brengen. Ondertussen hield Pistorius zich buiten het gebied van Utrecht op, doorreisde geheel Holland, en versterkte voortdurend de broeders en gemeenten, die tot eer valt de Heere vergaderden. Te Delft bezocht hij, met grote bereidwilligheid mij, en Cornelius Honius, een zeer kundig rechtsgeleerde, die ook met mij, omdat hij zich tegen het monnikenleven verklaard had, gevangen zat, en gaf ons door zijn toespraken een groot bewijs van godzaligheid. En, opdat deze goede man, wat hij leerde ook door daden zou bewijzen, wat zij echter voor ketterij verklaarden, trad hij, ofschoon hij priester was, in het huwelijk. Na zijn huwelijk bediende hij de mis niet meer, verliet de geestelijken stand, en het zich de kruin niet meer scheren. Ja, deze pas gehuwde achtte het niet beneden zich allerlei slaafse arbeid te verrichten. Nu eens was hij aan het bakken, dan weer aan het graven; op een anderen tijd werkte hij op het land, al naar ieder zijn hulp vroeg. Intussen hield hij zich ook bezig met de verkondiging van het Woord in de huizen, en bekleedde met naarstigheid het ambt van Evangelisch predikant, zodat het bleek, dat hij er een gewetenszaak van maakte, de minsten tijd in ledigheid door te brengen.

Terwijl hij zijn tijd met deze zaken, gelijk reeds gezegd is, ten goede besteedde, geschiedde het, dat de paus van Rome zijn rijk, dat dreigde teniet te gaan, ja reeds aan het zinken was, door nieuw uitgevonden aflaten, zoals men die noemt, zocht staande te houden. Deze aflaten werden nu niet meer, zoals vroeger, verkocht, maar tegen het gebruik om niet de boetvaardigen en die de mis bijwoonden in de hand gestopt. Toen deze aflaten ook in het stadje Woerden werden gebracht en aangeplakt, verzette zich deze martelaar daartegen als een muur voor het huis Israëls. Gelijk deze goede man de overleggingen van de satan bekend waren, zag hij ook spoedig de bedoelingen en bedriegerijen van de antichrist in. Hij begaf zich daarom naar de biechtkamer, en, o goede God! met welk een goede gesteldheid des harten ontdekte hij het bedrog van de aflaten. Teneinde velen tegen deze koophandel te stemmen, en hen voor het bedrog van deze aflaten te bewaren, nam hij geen geld aan, zoals gewone priesters doen, van hen die hij hem ter biecht kwamen. Hij maakte er zijn werk alleen van, om hij ieder de beginselen van de godsvrucht en van de christelijke godsdienst in te planten, de zwakke gemoederen in Christus te versterken en de geschokte gewetens door het Evangelie van Christus rust te schenken. Ten gevolge daarvan liepen de burgers met grote scharen tot Pistorius, waardoor de inkomsten van de gewone priester zeer verminderden. Deze werd daarover met wrevel vervuld, en wendde zich hij herhaling tot de overheid met het verzoek, zulk een mens, die het heilig sacrament, de openbare gebeden en het gezag van de paus verachtte, uit de heilige kerk te weren. In weerwil daarvan, werd de vromen martelaar door de broeders verzocht, dit godvruchtig begonnen werk niet te staken, opdat de koophandel van de paus dagelijks zou verminderen. In deze tijd bediende hij eens de mis, en liet eenmaal zijn hoofd scheren, en deed dit, omdat hij meer zag op de liefde en de tegenwoordige omstandigheden des tijd, dan om aan verkeerde hartstochten en begeerten toe te geven. Dit was de laatste en vierde mis, die hij als priester in drie jaren tijd bediende. Intussen, toen de huurling, de oude priester, gestorven was, veroorzaakte de roomse priester, die in zijn plaats gekomen was, een nieuw treurspel. Pistorius werd namelijk voor het stadsbestuur geroepen, en bevolen zijn zaak te verantwoorden. Daar werden hem vele vragen gedaan betreffende het pausdom, het vagevuur en de besluiten der kerkvaders. Met een spreuk bracht hij hen tot zwijgen, en betuigde dat God tevergeefs wordt geëerd door geboden en instellingen van mensen. Hij zelf riep enige priesters samen, en wel ten getale van drie, die over zijn huwelijk zouden oordelen. Onder deze was er een, die, eer men tot het onderzoek overging, het voornemen en de rechtschapen handelingen van de nieuwe pastoor (Pistorius) bespotte en hem vroeg op wiens order hij in een vrije stad zulk een oproer verwekte. Doch, daar hij van de opperste rechter daartoe geen last had bekomen, ging hij beschaamd heen, en werd ook de vergadering opgeheven. De volgende dag nam hij van het Bestuur van Woerden een schriftelijk bewijs van het gebeurde, en zo bracht deze onbeschaamde lasteraar alles, zo hatelijk als hij slechts kon, aan het Hof van Vrouw Margaretha over. Op haar bevel werd Pistorius daarna weer gevangen genomen, en naar 's Gravenhage, zijn vaderstad, overgebracht, onder geleide van vier gerechtsdienaren. Op deze reis had hij nu en dan goede gelegenheid om te ontvluchten, doch hij beproefde dit nochtans niet, en betrad zelfs niet vreugde de gevangenis te, 's Gravenhage. Het gerucht hiervan, nieuw als het was, kwam, terwijl ik in de Latijnse school werkzaam was, Mij ter oor, en terstond nam ik de pen ter hand, en begon een verantwoording voor de gevangen broeder op te stellen, waarin ik zijn zaak, die rechtvaardig, en duidelijk te verantwoorden was, poogde voor te staan en te verdedigen, terwijl ik niet wist, dat ook mij, ten gevolge daarvan, het lot van in de gevangenis te geraken, boven het hoofd hing. Drie dagen daarna werd ook ik in dezelfde gevangenis gestoten, omdat ik door de kuiperij van de monniken verraden was, wier orde ik in mijn geschrift had afgekeurd. Met stilzwijgen ga ik het zeer aangename verkeer met deze man voorbij; en terwijl ik hier was, heb ik, bijna steelsgewijze, beschreven, wat hij mij meedeelde, vooral wat hem van de inquisiteurs bejegende, wat ik in de volgende samenkomsten getrouw zal verhalen.

Wilt gij, beminde lezer, dat ik u de man nader beschrijf, weet dan, dat hij recht en lang van persoon was, met een deftig en vergenoegd uiterlijk, een hoog voorhoofd, en een oprecht en vrijmoedig gelaat. Hij droeg lang, zwart en dun haar. Hij was sterk van gebeente, in de bloei van zijn jeugd, en had nauwelijks 27 jaren bereikt. In het redetwisten was hij wakker, in het onderwijzen duidelijk, in het vermanen vrijmoedig, en zeer ijverig in het bestraffen van zijn tegenpartijders. Zijn  gang was gelijkmatig en statig, de kleur van zijn huid helde een weinig naar het gele. Meerdere bewijzen, zo van zijn deugd als vroomheid, die ik in die tijd in hem opmerkte, zou ik kunnen meedelen, doch dit zou volgens het algemene spreekwoord, tevergeefs een krans van eikenloof uithangen zijn, waar wijn te koop is. Wie hij was, en hoe hem het hart gloeide voor God, hebben zijn martelaarschap en dood genoegzaam bewezen. Dit wilde ik van het leven dezes godvruchtigen mans, ofschoon zeer kort, meedelen. Neem zeer vriendelijke lezer, deze onze arbeid, die wij ten goede van de christelijke godsvrucht verrichten ten goede aan. En, wanneer het u behaagt, ook het volgende te lezen, zult gij met de Profeet moeten zeggen, dat God Zijn heiligen tot een muur heeft gesteld.

 

Het onderzoek der drogredenaars van Leuven, gedaan naar het geloof van Pistorius

 

Voorrede van Gnapheüs

 

Wij geven u hier, onpartijdige lezer, de redevoeringen, die de uitnemende martelaar, Johannes Pistorius, met de Leuvense drogredenaars, die zich voor inquisiteurs of onderzoekers der ketterse boosheid uitgaven, gehouden heeft, en wel met geen mindere kloekheid van het hart en vertrouwen, als geleerdheid en godsvrucht. Wij geven u die met dezelfde oprechtheid en getrouwheid te lezen, als wij die in de gevangenis, waar wij samen waren, uit zijn mond vernamen, terwijl wij ons veroorloofd hebben de stijl wat te verbeteren. Aangezien deze zogenaamde godgeleerden hij herhaling met deze onze martelaar gesproken, en vete dingen op beuzelachtige wijze hebben voorgesteld, dunkt het ons goed het geheel van alles, wat er toen is gesproken, in vier twistgesprekken of samenspraken samen te vatten, opdat wij niemand door te grote uitvoerigheid van de lezing zouden afschrikken. Als in een spiegel is in deze samenspraken te zien, hoe deze beklagenswaardige drogredenaars zich gelijk blijven, en hoe ongelukkig zij strijden. Ofschoon zij zich beroemen onderzoekers der ketterijen, leraren der onwetenden, leidslieden der dwalenden en meesters der waarheid te zijn, zijn zij dit evenwel niet; want niemand onderwijst de onwetenden minder dan zij, en niemand leert de weg der zaligheid aan onkundigen minder dan zij. Dit alles zal uit deze twistgesprekken, die volgens hun wijze van handelen, en niet uit bitterheid of door ons verzonnen beschreven zijn, duidelijk kunnen gezien worden.

Dit eerste onderzoek, waarin enige punten van minder belang zijn voorbij gegaan, had plaats op de 14den Juli in het jaar onzes Heeren 1525.

 

Eerste samenspraak

 

De sprekers waren:

Magister Noster, Nikolaas a Montibus, inquisiteur.

M. N. Godschalk Rosemundus, bijzitter.

M. N. Ruard Tapper, van Enkhuizen, bijzitter.

Bucho Bernhard Vries, deken en burgemeester van 's Gravenhage.

Duvevortius Brunchus, procureur fiscaal.

Johannes Pistorius, van Woerden, gevangene.

 

Mont. Zeg mij Johannes, wilt gij dat wij Latijn spreken of Nederlands?

Pistorius. Doe, zoals gij wilt, het is mij om het even.

Mont. Mijn Heeren, wat zal ik dan het eerst vragen?

Rosemund. Laat ons tot de zaak zelf overgaan.

Tapper. In het geheel niet. Het zal beter zijn, dat men vraagt, of hij u houdt voor een bevoegd rechter.

Mont. Heer Johannes, zult gij mij ook oprecht antwoorden op wat ik u zal vragen?

Pistor. Ik zal antwoorden op alles wat recht is.

Mont. Leg dan uw hand op uw borst, en zweer, dat gij ons de waarheid zult zeggen van wat wij u vragen zullen.

Pistor. Ik vind mij bezwaard om veel te zweren; doch ik neem op mij te antwoorden naar de eis van deze rechtbank.

Mont. Wat, kent gij deze hand niet?

Pistor. Het kan wel zijn, dat zij het is; maar, ofschoon gij mij veel vraagt, heb ik niet voorgenomen ulieden te antwoorden, dan nadat ik eerst in het algemeen rekenschap heb gegeven van mijn geloof.

Mont. Wat vragen wij naar uw getuigingen? Antwoord op hetgeen wij vragen: Blijft gij nog hij deze uw belijdenis?

Pistor. Ik zal geen titel antwoorden, zo gij mijn protest niet inwilligt.

Mont. Maar wij zullen in geen dele toestaan, dat gij naar uw goedvinden zult protesteren. Antwoord, wat wij u vragen.

Pistor. Wat dwingt gijlieden mij aldus, dat ik naar uw zin zal moeten antwoorden? Wat is dat voor een onbillijkheid.

Duvevortius. Hij vraagt, wat billijk is, sta hem toe, dat hij zich naar zijn begeerte verklare.

Pistor. Gijlieden schijnt om niets anders hier gekomen te zijn, dan om mij in mijn woorden te vangen. Wat is dat voor een manier van doen?

Tapp. Ja, wij zijn er hier geheel op uit, om u tot betere gevoelens te brengen. Waarom weigert gij ons te antwoorden?

Bucho. Mijn vriend Johannes, opdat gij de zaak goed mag inzien; hier hij ons, is de commissaris van de keizer, om rechter in uw zaak te zijn.

Munt. Ziehier het schriftelijk bewijs van mijn last.

Tapp. Dat het artikel gelezen worde, hetwelk de inhoud van het bevel behelst.

Pistor. Ik geloof wel, dat het door de keizer hierheen is gezonden.

Tapp. Het is genoeg. Hij erkent de rechter.

Mont. Wat zegt gij dan van deze uw belijdenis?

Pistor. Wanneer ik de verklaring van mijn geloof zal blootgesteld hebben, zult gij horen, wat ik zal antwoorden.

Duvev. Doe dan uw beklag.

Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, beklaag mij voor ulieden. Waarom meesmuilt gij zo?

Bucho. Heer Johannes, de Magistri nostri bespotten u niet, maar zij glimlachen, omdat gij u laat voorstaan uw beklag zeer goed ingeleid te hebben. Maar, eilieve ga voort.

Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor ulieden, dat ik niet voornemens ben iets uiteen te zetten.

Duvev. Ga zo voort, als gij begonnen bent.

Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor ulieden, dat ik niet heb voorgenomen iets uit een te zetten, wat in de Heilige Schrift niet is uitgedrukt.

Tapp. Zwijg een ogenblik, en geef mij uw Bijbel. Wat, zal men alleen de Schrift en ook niet de kerkvaders geloof schenken? De Handelingen der Apostelen geven duidelijk te kennen, dat Paulus het volk beval de geboden der Apostelen en ouderlingen te onderhouden.

Pistor. Dit zegt de Apostel zeer goed; want die geboden van de ouderlingen waren overeenkomstig de Heilige Schrift.

Rosem. Maar de Apostelen zeggen in hetzelfde hoofdstuk: “Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, dat gij u onthoudt van hetgeen de afgoden geofferd is, en van bloed." Waaruit blijkt, dat de Apostelen en hun navolgers iets hebben bevolen buiten de Heilige Schrift; want zij zeggen: "Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht." Wat antwoordt gij op het woord ons?

Pistor. De Apostelen hebben daar niet gesproken zonder gezag van de Heilige Schrift; want de wet had de Joden wat verstikt was of bloed te eten verboden, en bepaald, dat diens ziel zou zijn in de plaats van de geslachte offerande. De vergadering der Apostelen had uit de geschriften der Profeten geleerd, dat de heidenen in het christendom zouden opgenomen worden. Dit lieten de Joden ongaarne toe, en toen dacht het de Apostelen, door het ingeven des Heilige Geestes, goed een reden te bedenken, waardoor zo vele delen tot de enigheid van het geloof zouden gebracht worden. Dit kon echter niet geschieden, tenzij het een deel het andere wat toegaf, en wel uit verplichting der liefde, die soms de wet een weinig opheft. Hieruit volgde, dat, toen de Joden van het gestreng aandringen op de besnijdenis wat lieten vallen, en de heidenen zich daarentegen van het verstikte en het bloed voor enige tijd onthielden, beide volken zich met de Evangelische leer tevreden stelden. Dat nu zulk een apostolisch besluit voor de heidenen niet van voortdurende kracht was, blijkt daaruit, dat het thans geheel is afgeschaft. Door de Apostelen is ook niet lichtvaardig gehandeld, en zij hebben de grenzen van hun zending niet overschreden, die hun hij Mattheüs worden voorgeschreven.

Mont. In Mattheüs 23 zult gij wat anders vinden dan gij gezegd hebt.

Pistor. Wat is duidelijker dan de woorden, waarmee de Apostelen tot de wereld werden gezonden: "Gaat dan heen," zegt Christus, "onderwijst al de volken, lerende hun onderhouden alles wat Ik u geboden heb."

Mont. Dat bedoel ik niet; maar ik haal het 23ste hoofdstuk van Mattheüs aan: waar staat: "De Schriftgeleerden en Farizeeën zijn gezeten op de stoel van Mozes; daarom, al wat zij zeggen, dat gij houden zult, houdt [dit], en doet [het]; maar doet niet naar hun werken." Hoort en verstaat gij dit? "Wat zij u zeggen," zegt Christus, "doet het."

Pistor. Bent gij dan de Farizeeën en Schriftgeleerden van onze tijd, naar wier woorden wij moeten horen, en wier doen wij moeten misprijzen? Ziet gijlieden dan wel toe, dat gij met hen niet in hetzelfde oordeel valt, die met een slecht voorbeeld van het leven de zuiverheid van de leer van het evangelie verontreinigt. Ik erken niet, dat gij op de stoel van Mozes zit, omdat gij de wet des Heeren, aan Mozes gegeven, niet leert; daarom moet men ook naar ulieden niet horen. Immers, men moet de menselijke overleveringen nalaten, en Gods Woord zuiver verkondigen, volgens de woorden van God: "Gij zult tot het Woord, dat Ik u heden gebied, niet toedoen, en ook daarvan niet afdoen."

Tapp. Als het waar is wat gij doordrijft, dan zijn de Apostelen ver van de waarheid afgedwaald.

Pistor. Hoe dat, eilieve zeg mij dit.

Tapp. Omdat zij de wijze van dopen, door Christus met duidelijke woorden voorgeschreven, hebben durven verminken, en alleen in de naam van Jezus hebben gedoopt, zoals te zien is in de Handelingen der Apostelen.

Pistor. Moet men zo tegen mij schreeuwen? Moeten de onwetenden aldus onderwezen worden, en de dwalenden op deze wijze terug geroepen worden? Gij dondert allen uit een mond tegen mij, alsof gij mij wilt verscheuren? Moet men alzo te werk gaan?

Rosem. Zacht wat, mijn vriend Johannes; al wat wij doen, doen wij bepaald om uwentwil, teneinde wij u van de dwalingen terug en weer op de rechten weg zouden brengen.

Pistor. Dat zal de uitkomst wel leren.

Mont. Antwoord op het gezegde van de heer Magister noster, betreffende de veranderde wijze van dopen door de Apostelen verricht.

Pistor. Zij hebben voornamelijk in de naam van Jezus gedoopt, die toen nog weinig bekend, en als de Zaligmaker der wereld nog niet was aangenomen, opdat Hij meer en meer zou geprezen worden. Voorts, wat is in de naam van Jezus te dopen, Die tegelijk God en mens was, anders dan in de naam, dat is, in de kracht des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes te dopen? Zoals Christus naar waarheid spreekt: “Ik en de Vader zijn één," en verder: "Filippus, die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien." Verder loochent hij dadelijk de personen van de Vader en de Heilige Geest, die de allerbeste en grootste God met de naam van, Vader aanspreekt? Leerde Christus zelf ons dan verkeerd bidden, toen Hij, Zijn naam verzwijgende, het gebed begon met de aanbeveling des Vaders? Wat de wijze van dopen aangaat, door Christus ingesteld, die heeft Hij ons daarom zo godsdienstig niet voorgeschreven, alsof het een grote misdaad ware, een weinig van de voorschreven woorden af te wijken, wanneer men in alles met de zaak overeenkomt; “Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht." In de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes wordt niemand in der daad gedoopt dan hij, die, door de kracht Gods en de zalving des Heilige Geestes gezalfd en gereinigd zijnde, vernieuwd wordt naar de inwendige mens. Wij moeten onze inlijving niet zozeer toeschrijven aan de punten, letters en voorgeschreven woorden, als wel aan de wederbarende kracht en aan Hem, die ons verstand vernieuwt met een beteren Geest in dit bad der wedergeboorte. Wie zal het kunnen loochenen, dat de Apostelen de christenen ook in de naam des Vaders en des Heilige Geestes hebben gedoopt, daar toch van wie Lukas verhaalt, de enige niet zullen geweest zijn, die gedoopt zijn in de naam van Jezus?

Buch. Hier is zulk een uitvoerige redevoering niet nodig. De heren inquisiteurs vragen alleen, of gij ook niet aan iets anders gelooft, dat in de Heilige Schrift niet is uitgedrukt?

Pistor. Neen, geen enkele letter.

Mont. Houdt gij het dan voor kwaad, iets te geloven buiten de Schrift?

Pistor. Ik geloof geen schriften dan alleen de Heilige, die alleen nodig zijn, om daaruit de zaligmakende leer te putten.

Buch. Waarom heeft dan Christus gezegd: "Wie u hoort, die hoort Mij?"

Pistor. Dit wordt met recht tot hen gezegd, die tot de oogst van het evangelie werden uitgezonden; want de bedienaren des Evangelies moeten, als Christus zelf, gehoord worden; want aangaande hen wordt gezegd: "Want gij bent [het] niet die spreekt, maar [het is] de Geest uws Vaders, die in u spreekt." Wanneer ook gij naar dit voorbeeld door de Heere gezonden werd, om het Evangelie voort te planten, en wel als lammeren onder de wolven, wij zouden ook niet weigeren naar ulieden te horen; ja, wij zouden u voor Engelen Gods houden. Aangezien gij echter hier gekomen bent, gewapend met de bullen van de keizer en van de paus van Rome, niet om ons te behouden, maar om te verderven, houden wij u voor geen gezanten van Christus Jezus, maar van de mensen; daarom mogen wij in geen dele naar u horen; want op u is niet van toepassing, wat tot de Apostelen werd gezegd: “Wie u hoort, die hoort Mij."

Mont. Gij bent zeer los in de mond.

Rosem. Gelooft gij dan aan al de boeken der Heilige Schrift?

Pistor. Aan alle, voor zover die in de canon zijn aangenomen.

Mont. Door welke beslissing kunt gij weten, welke boeken aangenomen en verworpen zijn, zo het niet is door de toestemming der kerk?

Pistor. De kerk staat niet boven de Schrift, en de Schrift ontvangt ook haar gezag niet van de kerk; maar, wanneer die samen overeenstemmen, en de geest van het geloof ons gebiedt ons daarop te verlaten, is het gepast, dat wij aangaande de Schrift een goed vertrouwen hebben, en behoeven het oordeel der kerk niet af te wachten. Daarom zegt de Apostel: "Omdat wij nu dezelfde Geest van het geloof hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook." Dit geloof en deze Geest, Die inwendig in ons spreekt, moeten wij meer aan het geloof der Schrift toeschrijven, dan aan het oordeel der kerk, die de macht niet heeft ons iets te geloven op te dringen, wat door de Schrift voorgeschreven, maar door de Heilige Geest niet versterkt wordt.

Tapp. Waarom gelooft gij ook niet de heilige leraars der kerk?

Pistor. Door de geschriften der leraars kan ik bedrogen worden; maar geenszins door de Heilige Schriften. Voorts heeft de kerk van Christus slechts één Leraar der waarheid, Die hemelse Geest, Die van de Vader uitgaat, waarom, aangezien Hij een auteur der Schrift is, die niet is van eigen uitlegging, volgens de getuigenis van Petrus, het niet te verwonderen is, dat Christus ons tot het geloof van haar heen wijst, zeggende: "Onderzoekt de Schriften; die zijn het die van Mij getuigen." Ja, ons wordt bevolen, dat wij naar Christus Zelf moeten horen, aangezien de stem uit de hemel tot ons zegt: "Hoort Hem."

Tapp. Gij behoorde nochtans de geschriften der geleerde mannen zo onwaardig niet te achten, want, wat de Evangelisten stilzwijgend zijn voorbij gegaan, die al de daden van Christus niet volledig konden beschrijven, dat is de leraars en heiligen kerkvaders opgedragen, om tot de nakomelingschap over te brengen. Daarom zegt de Evangelist Johannes: Er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder geschreven werden, ik acht, dat ook de wereld zelf de geschreven boeken niet zou bevatten."

Rosem. Er is niet aan te twijfelen, of die dingen welke de Evangelisten niet beschreven hebben, zijn aan de nakomelingschap en de kerkvaders later als van hand tot hand overgeleverd.

Pistor. Een fraaie redenering. Hoe verminkt en slechts ten halve gij echter de Heilige Schrift aanhaalt, blijkt daaruit, dat gij verzwijgt, wat Johannes er bijvoegt: "Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus de Zoon van God; en opdat gij, gelovende het leven hebt in Zijn naam." Tot Trooster zendt ons Christus de Heilige Geest, de leermeester der waarheid, opdat wij door Hem in alle waarheid zouden geleid worden.

Tapp. Inderdaad, gij bent een stout mens, die er op pocht zeker te weten welke geschriften van de Heilige Geest afkomstig zijn.

Mont. Verstaat gij de zin des Heilige Geestes?

Rosem. Goede God! hoe vermetel zijn deze mensen, die menen de Heilige Geest te hebben.

Pistor. Waarom woedt gij zo tegen mij?

Tapp. Gij beuzelaar, hebt gij de Heilige Geest?

Pistor. "Die de Geest van Christus niet heeft, komt Hem niet toe."

Brunch. Met verlof, mijn heren, ik zal ook wat vragen; heer Johannes, van waar, weet gij, dat gij een priester bent, en op welke grond gelooft gij, dat Hij uw Vader is, Die gij voor Vader groet? Wie heeft u aangaande deze dingen verzekerd?

Pistor. Schaamt gij u niet, een zodanige dwaze en ongerijmde vraag te doen, een vraag, waardig, dat men met recht de kinderen daarover berispte? Het is een groot verschil, o aanzienlijke man, of gij de heilige Schrift gelooft, die alle godvruchtigen onfeilbaar geloof schenken, en wel door de Geest van het geloof, die zij ontvangen hebben; of dat gij enige andere dingen gelooft buiten de Heilige Schrift.

Mont. Wat, gelooft gij niet, dat gij een priester bent?

Pistor. Waarom niet?

Mont. Wie heeft u verzekerd, dat gij het priesterschap ontvangen hebt? Wie heeft u tot een priester aangesteld?

Pistor. De dienaar van de bisschop.

Mont. Gelooft gij, dat hij de macht heeft om u daartoe aan te stellen?

Pistor. Ja.

Mont. Maar, dat staat nergens in de Schrift. Gij gelooft dan aan iets wat niet in de Schrift staat, namelijk aan de macht van de bisschop om u in uw ambt te bevestigen?

Pistor. Maar wat heeft dit geloof volgens mijn mening te maken met het rechtvaardigmakend geloof? Ik zie ook niet in, wat goeds ik van zulk een bisschop ontvangen heb, dan dat ik priester werd genoemd, aangezien ik door een Simonisch bisschop, zelf Simonisch zijnde, in het college van priesters ben opgenomen.

Tapp. Hoe moet dan een bisschop volgens uw Evangelie worden gevormd, of een priester in zijn ambt bevestigd worden?

Pistor. Wij worden geen priesters gemaakt, maar wij worden door de geest en het water tot priester herboren, wien bevolen wordt de Heere te offeren. De kerk van God, de bruid van Christus, kent geen andere priesters; intussen worden echter de dienaren des Woords en de opzieners der kerk, door tussenkomst der kerk, door de Heere of verkoren, of geroepen.

Tapp. O onsterfelijke goden! Wat kan er ongerijmder gezegd worden, dan dat alle christenen priesters zijn?

Rosem. Misschien mogen de vrouwen ook wel de mis bedienen, en aan het volk Gods Woord prediken en dopen?

Mont. De wet van Mozes heeft geen andere priesters dan uit de stam van Levi.

Tapp. Indien allen priesters zijn, zal de christelijke wereld in rep en roer gebracht worden, en er zal geen orde in de kerk heersen, en wel tegen het beweren van de apostel: "Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden."

Pistor. Waarom vaart gij allen tegelijk tegen mij uit? Laat er een uit aller naam spreken, opdat ik weet,wat ik ieder kan antwoorden.

Mont. Gij houdt vooreerst staande, dat alle christenen priesters zijn.

Pistor. Ja, dat zijn zij; want de Heere zegt: "De gehele aarde is mijn. En gij zult Mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk zijn." Hier spreekt de Heere niet alleen de Levieten aan, maar geheel Israël. Wanneer gij Christus aanziet, zijn wij ook beminde uit niet beminde. Petrus schrijft dat ook de Joden toe, die in de verstrooiing vergaderd waren: "Gij bent," zegt hij, "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk." Ofschoon dit zo is, wil ik echter niet, dat ieder het predikambt of de bediening van het 'Woord zal aannemen, want niemand is er waardig toe, "dan die door God geroepen wordt gelijkerwijs als Aäron." Wij zijn allen priesters, voor zover wij het priesterschap van Christus deelachtig zijn, en voorzover wij met Christus Gode onze redelijke godsdienst als een aangename offerande opofferen, en uit verplichting der liefde voor de nood der broeders en ouderlingen bidden.

Tapp. O, goede God, op hoe velerlei wijzen dwaalt deze mens!

Rosem. Schaamt gij u over deze dingen niet?

Mont. Gij, die zegt, dat alle christenen priesters zijn, bent buiten uw zinnen.

Pistor. Ik zal u een duidelijk voorbeeld geven: zoveel de rede van de geschapen mens betreft, ben ik dan niet zowel een mens als keizer Karel? Intussen wordt hij keizer genaamd, omdat hij daartoe verkozen is, en niet wegens zijn geboorte, die ik met hem gemeen heb; doch ik, die van nederige afkomst ben, leid een gewoon leven.

Mont. Dit is niet hetzelfde.

Tapp. Iets anders is het met de priesterlijke orde, waarbij ons een onuitwisbaar treken wordt ingedrukt.

Rosem. Hij komt met vele vergelijkingen voor de dag.

Tapp. Nu blijkt het, dat gij verkeerde gevoelens hebt aangaande het sacrament der ordening, dat gij met uw meester Luther zo goddeloos verwerpt.

Rosem. Dat is geheel waar.

Mont. Wat zal men nu verder doen?

Tapp. Gebied hem, dat hij zijn verklaring verder mededeelt, waarom hij hij de aanvang verzocht heeft.

Pistor. Ik weet niet, wat ik zeggen zal, omdat gij mij gedurig in de rede valt.

Mont. Ga toch maar voort; wij zullen zo lang zwijgen, totdat gij geheel zult hebben uitgesproken.

Pistor. Op deze voorwaarden zal ik het doen: “Ik, Johannes, van Woerden, verklaar openlijk, voor ulieden, dat ik niet voorgenomen heb iets bloot te leggen of met kracht staande te houden, wat niet in de Heilige Schrift is uitgedrukt, aldus te verstaan als de Heilige Geest, Die haar ingegeven heeft, wil verstaan hebben; tot wier uitlegging wij geen andere woorden nodig hebben dan waarin deze Schrift is vervat. Maar in andere zaken geloof ik alles, wat de heilige katholieke of algemene kerk gelooft; waarom ik ook vervloek alle leringen der mensen en ketterijen, die tegen Gods Woord strijden. Ziehier mijn protest."

Mont. Het blijkt nu zo klaar als de dag, dat gij ook de leraren der kerk en de rechtzinnige kerkvaders niet gelooft,

Pistor. Ik heb gezegd, dat ik al de geschriften geloof en toestem, die met de Heilige Schrift overeenkomen.

Mont. Het doet ons genoegen, dat de geschriften der kerkvaders hij u nog enige waarde hebben.

Tapp. Gevoelt gij dan, dat men naar de heilige kerkvaders moet horen?

Pistor. Gijlieden schijnt tegen mij hier een zwaard met honig bestreken uit te trekken. Laat mij dit duidelijker voorgesteld worden.

Buch. Heer Johannes, de heren vragen u, of gij gelooft, dat de kerkelijke instellingen, zoals de feestdagen, het vasten, de beloften der monniken en andere besluiten der kerkvaders, moeten waargenomen worden?

Pistor. Wat buiten de canonieke Schriften wordt geboden, daaraan kan ik mijn geweten niet binden.

Tapp. Maar de Heilige Schrift beveelt ons toch het vasten aan, de biecht en de onderhouding van de Sabbat, het sacrament des altaars, en het onderhouden van de beloften, die ons door het gezag van de kerkvaders en van de kerk tot geboden zijn geworden.

Pistor. Dat alles, wat gij als een bundel samen vat, staat niet gelijk.

Tapp. Zo, is het vasten niet bevolen, opdat wij temeer geschikt mogen gemaakt worden tot alles wat op de godsdienst betrekking heeft, volgens het voorbeeld van Mozes, die veertig dagen heeft gevast, toen hij de woorden des Verbonds van de Heere ontving'?

Pistor. Laat dit zo zijn, wat doet dat dan af tot uw vasten, dat ons op zekere dagen en in zekere voorgeschreven spijzen gelast wordt, en onder bedreiging van dodelijke zonde? Het vasten, waar de heilige Schrift van spreekt, bedoelt matigheid en soberheid, die men altijd moet onderhouden; want Christus zegt: "Wacht uzelf, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij, en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens."

Mont. Loochent gij, dat men moet vasten?

Pistor. Geenszins, maar ik verlang bovenal, dat gij mij de goddelijke oorsprong van uw kerkelijk vasten met het gezag van de heilige Schrift bewijst; aangezien Paulus de gemeente te Galatië bestraft, omdat zij dagen, maanden en tijden onderhielden. En hij loochent, dat het Koninkrijk Gods gelegen is in spijs en drank.

Tapp. Gij moet weten, dat de verordening van deze dingen aan de opzieners der kerk zijn toevertrouwd, dat, wat zij besloten hebben, de kracht van een wet heeft.

Rosem. Heer dokter, deze twistrede kan lang duren. Laat ons tot de instelling van de kerk terugkeren.

Mont. Welnu, gelooft gij ook alles, wat de katholieke kerk gelooft?

Pistor. Ik geloof het.

Mont. Namelijk, dat men alles, wat zij gebiedt, houden moet?

Pistor. De roomse kerk mag geen wetten voorschrijven, maar behoort zich aan het Evangelie te onderwerpen, naar welk Evangelie zij ons moet leren horen.

Tapp. Gij kunt toch niet blijven loochenen, dat de kerkelijke plechtigheden met een goede bedoeling zijn ingesteld, opdat de mensen niet traag in de godsdienst zouden worden. Door het vasten toch, de heilige dagen en de herhaling van gebeden worden de trage gemoederen opgewekt, voornamelijk in deze laatste dagen, waarin de liefde is verkoeld, en de ongerechtigheid is toegenomen, zodat zij prikkels en aansporing van de wetten nodig hebben. En, wanneer al deze dingen werden afgeschaft, welk een gedaante zou de kerk eindelijk hebben?

Pistor. Goede God, wat redeneert gij dom. Hebt gij nooit gelezen "dat God een blijmoedige gever liefheeft”? Wat dwingt u dan door kracht der wet en vrees voor de straf tot de arbeid, die niet kan baten? "De dienstknecht blijft niet eeuwig in het huis.” Zo staan ook de werken, die wij zelf bedenken, en andere lieden opdringen, niet gelijk met zulken, die ons door de goddelijke wet worden voorgeschreven. Indien Abraham, de vader van alle gelovigen uit de werken der wet gerechtvaardigd is, bezit hij niets, waarop hij kan roemen hij God; veel minder verkrijgen uw werkers der gerechtigheid, waarop zij hij God roemen door het prevelen van hun getelde gebeden, vasten, enz.

Mont. Indien er geen wetten en bepalingen bestonden, wat zou de staat en de toestand der republiek zijn?

Buch. Wanneer er geen galg noch zwaard bestond, inderdaad, ik zou de gewone weg niet durven betreden, en wel, omdat het moorden en roven zou toenemen.

Pistor. Met u beken ik graag, dat de zaak alzo gelegen is; maar dit is de taak van de keizer, wien het zwaard van de Heere is gegeven, om de onschuldigen te beschermen voor alle ongelukken, en de schuldige rechtvaardig te straffen. Dat de burgerlijke wetten tot het behoud van het algemeen onmisbaar zijn, loochent niemand. Maar wij spreken hier van de plechtigheden, op welker onderhouding ik gezegd heb, dat zich niemand voor God beroemen kan.

Mont. Wij loochenen niet, dat de goede altijd gewillig het goede doen, en dat de handen van de kwaden niet dan uit vrees voor de straf van het kwaad worden terug gehouden.

Pistor. Welk een onbillijkheid is het dan, dat gij beiden, goede en kwaden, aan dezelfde wetten bindt, aangezien er geschreven is, "dat de rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar de onrechtvaardigen en de halstarrigen."

Tapp. Waarom dat?

Pistor. Omdat allen, die niet zullen gevast hebben, de heilige dagen niet hebben gevierd, zich niet zullen onthouden hebben van de verboden spijzen, zoals de kerk die heeft ingesteld, door u als overtreders worden veroordeeld, en voor het gerecht gedagvaard. Ja, gij gaat ook voort, om uw tirannie tot onze zielen uit te strekken; want gij wilt, dat wij, of wij branden of niet, allen ongehuwd zullen blijven, daar wij uit het geloof en door het geweten tot de huwelijken staat geroepen worden.

Tapp. Is hier niet het hoogste recht het hoogste onrecht? Welaan dan, antwoord mij op dit een: of wij naar de wet der liefde de een de ander niet moeten dienen?

Pistor. Voorzeker.

Tapp. Waarom schikken zich dan de goede niet uit liefde tot die wetten, om alle ergernis weg te nemen, waardoor de kwaden van het kwaad worden terug gehouden?

Pistor. Het behoort de christenen een gemakkelijke zaak te zijn, dat zij ieders dienaar worden, opdat zij allen voor Christus mogen winnen, indien maar aan het gewetens vrijheid gelaten wordt, en het geloof geen geweld wordt aangedaan, zoals hier gewis geschiedt betreffende het gebod van de priesterlijke reinheid.

Mont. Hoe, zoudt gij dan, die een priester bent, de belofte van reinheid verachtende, u tot het huwelijk durven begeven?

Rosem. Ziet, nu komen wij zeer gevoeglijk tot de zaak zelf.

Pistor. Alles, waartoe de Schrift, zonder onderscheid, aan ieder de vrijheid gegeven beeft, moet men niet aan enkelen toestaan; want, "allen vatten het woord niet," om geen vrouw te trouwen. Daarom, als de Apostel zegt, "dat een iegelijk [man] zijn vrouw zal hebben," waarom zou dan een priester niet mogen trouwen?

Mont. Hebt gij een vrouw getrouwd of niet?

Pistor. Zegt gij het, dat ik er een getrouwd heb?

Mont. Een vast gerucht is daarvan omtrent u in omloop.

Pistor. Ik vraag niet, welk gerucht daarvan in omloop is.

Mont. Waarom loochent gij, wat iedereen zegt, en dat, als het nodig ware, wel door duizend getuigen zou kunnen bewezen worden?

Pistor. Hebt gij enige getuigen voor mijn huwelijk, breng die dan hier.

Mont. Al ontbraken er ook getuigen, zoudt gij, op het gerucht alleen, volgens onze vastgestelde wetten veroordeeld kunnen worden; doch, daar wij omtrent deze zaak getuigen in overvloed hebben, zullen wij u, hetzij gij het bekent of loochent, op hun getuigenis tot de vuurdood veroordelen.

Pistor. Indien dit ulieder voornemen is, waarom is dan dit onderzoek nodig? Waarom bindt gij mij dan terstond niet aan de paal, teneinde uw wraaklust te bevredigen? Gij bent bloeddorstig en blaast niet dan vuur.

Mont. Ik zeg u vooraf, wanneer gij zo voortgaat te weerstreven, als gij begonnen hebt, zullen wij u zo zwaar pijnigen., dat gij of van zelf of gedwongen zult moeten bekennen, dat u gehuwd bent.

Pistor. Zult gij dan, als rechters, mij, door geen getuigen voldoende veroordeeld, doen pijnigen? Is iemand verplicht zichzelf te verraden? Het is onbillijk, dat ik ulieden, die met het onderzoek aangaande mijn geloof belast bent, tot pijnigers zal hebben.

Mont. Vooreerst getuigt uw pastoor, dat gij gehuwd bent, waarom hij u ook hij het Hof van Mechelen heeft aangeklaagd. Ook getuigt dat het algemeen gerucht, waarom wij reden genoeg hebben, om u naar de pijnbank te brengen.

Pistor. Als de zaak omtrent de gevangene aldus gesteld is, zal het gemakkelijk vallen, valse geruchten van de onschuldige uit te strooien; en, als men daaraan zo gemakkelijk geloof slaat, zal het met ons leven spoedig gedaan zijn. Laat de pastoor van onze kerk roepen, om hier te getuigen, dat ik een vrouw getrouwd heb.

Mont. Wij weten, dat gij een vrouw gehuwd hebt.

Pistor. Wanneer hebt gij dit vernomen, en in welke kerk en voor wie is dit geschied?

Mout. Het gerucht, dat omtrent u loopt, is niet vals.

Pistor. Inderdaad, gij bent onbillijke rechters over mij, die alleen op het gerucht mij gedurende twee volle maanden in de gevangenis deed vertoeven.Wanneer het u genoeg is, getuigen te hebben van horen zeggen, gaat heen en veroordeelt mij, opdat ik eenmaal van de gevangenisstraf verlost worde, en gijlieden ophoudt mij langer moeilijk te vallen.

Mont. Waarlijk, uw dralen zal u niet baten, en wij zullen ons recht tot het uiterste tegen u volhouden.

Pistor. Uw bedrog, dat gij zoekt te plegen om mij te vangen, ken ik zeer goed; uw tijd is nu daar. Dit mijn lichaam kunt gij wel verbranden, maar mijn ziel zal de hemelse Vader voortdurend in Zijn hand bewaren.

Buch. Mijn lieve Johannes, wil toch uw hart tegen de heren leraren zo niet verharden: beken liever de waarheid; en geloof mij, uw zaak zal goed aflopen.

Rosem. Waarom stelt gij u tegen de heer commissaris zo onschuldig aan? Wat ik u bidden mag, verklaar u duidelijker in deze zaak.

Pistor. Mijn voornemen is niet, mij te verklaren tenzij ik mijn beschuldigers voor u zie; opdat, indien de aanklager niets bewijzen kan, de beschuldigde ontslagen worde.

Mont. Aangezien wij in onze voornemens weinig vorderen, moeten wij een anderen weg inslaan.

Duvev. Het is tijd onze samenkomst te eindigen, aangezien het middag wordt.

Mont. Wat zullen wij met de gevangene doen?

Brunch. Laat men hem weer naar de gevangenis brengen.

Tapp. Het is niet raadzaam, dat hij daarheen gebracht wordt, waar ook Willem Gnapheüs zit, opdat zij niet te samenspannen.

Mont. Wij zullen hem liever in deze kamer laten boeien, totdat wij na de middag terug keren.

Pistor. Al werd ik ook niet geboeid, ik zou toch niet ontvluchten.

Mont. Raadpleeg met uzelf, totdat wij terug komen, in hoeverre gij naar ons zult luisteren, en u van de gevangenis bevrijden.

Brunch. Waarom gaan wij niet?

Tapp. Maar hoor eens, verlangt gij niet, dat wij hier wachten zullen plaatsen, die de gevangene bewaren?

Brunch. Wel zeker; past gijlieden goed op hem.

 

Einde van de eerste samenspraak.

 

Tweede samenspraak gehouden voor de inquisiteurs des namiddags van dezelfde dag

 

Ment. Hoe denkt u er nu over, hoe bent gij te moe?

Pistor. Waarlijk, ik ben goedsmoeds.

Mont. Hebt gij hij uzelf alle dingen goed overlegd?

Pistor. O ja, zeer goed.

Mont. Hoe dan, zult gij eindelijk niet antwoorden op de vraag, die u gedaan is omtrent uw huwelijk?

Pistor. Ik zal er op antwoorden, maar onder de voorwaarde als ik gezegd heb, namelijk, dat mijn beschuldigers eerst hier moeten komen.

Mont. Zal ik u met één woord zeggen, waar de knoop zit?

Pistor. Ja, zeg het.

Mont. Wanneer gij ons niet duidelijk antwoordt, zullen wij u naar de raad des keizers zenden, teneinde die u daaromtrent pijnigt, of dat men u de laatste straf aandoe. Welaan, kom wat dichter hij mij. Wat antwoordt gij eindelijk?

Pistor. Aangezien gij rechters bent, verwondert het mij, dat gij zo vijandig op mij, arm mens, aanvalt.

Ment. Omdat gij u zo hardnekkig betoont, durf ik u met niet minder vrijmoedigheid tot de vuurdood te verwijzen, dan ik de heilige mis bedien; zo ver is het er ook vandaan, dat ik hierover Gods toorn zou vrezen.

Pistor. Ik geloof het wel, want zo zijn de Farizeeën en de vervolgers der christenen, dat zij met ons te doden Gode een dienst menen te bewijzen. Maar ziet gijlieden. wel toe, of gij hierin Christus’ navolgers bent, Die nooit iemand tot het geloof heeft gedwongen.

Rosem. Staat er niet geschreven "Dwingt ze in te komen”?

Pistor. Het woord mijns Heeren, dat gij ten onrechte aanhaalt, ken ik wel. God dwingt, en Hij gebiedt te dwingen, niet met gevangenissen, niet met vuur of geselingen, maar door een krachtig gebruik van Zijn Woord. Alzo moeten onze vijanden, opdat zij met ons verzoend worden, gedwongen worden door vurige kolen op hun hoofd te hopen, welke dwang, zoet en liefelijk als hij is, zich ook krachtig betoont. Och, of gijlieden insgelijks het voorbeeld der Apostelen navolgde, en vele duizenden mensen tot Christus' bruiloft door een goed leven en goed onderwijs, dwong!

Tapp. Maar deze besmetting is zo dodelijk, (lat, zo zij niet wordt uitgeroeid, zij als een kanker de naaste plaatsen verderft. Daarom is het beter, bijtijds een schurftig schaap te doden, dan toe te laten, dat het zijn venijn over de gehele kudde verspreidt.

Pistor. Christus stond dan in voorzichtigheid hij ulieden achter; want Hij wilde, "dat wij het onkruid zouden laten opwassen tot de oogst, opdat wij met het onkruid ook de tarwe niet uittrekken." De Apostel Paulus zegt ook: "Verwerpt een ketters mens na de eerste en tweede vermaning." In het Latijn is dit: "Haereticum hominem post unam & alteram admonitionem devita." Het Nederlandse woord "verwerpt," luidt in het Latijn "devita."

Daarop zei Mont. boertig: "Zeer goed "devita", dat is, neem hem weg uit het leven."

Pistor. Al schijnt gij dit nu op spottende wijze voor te stellen, nochtans zijn er onder uw orde wel geweest, die deze soort van uitlegging zeer snedig en gepast hebben geoordeeld. Indien ik nu een ketter ben, voor wie ik mij niet houd, waarom bestraft gij mij niet op de gepaste wijze, opdat ik weer ontwaken mag uit de strikken des duivels? Met meerder recht kan ik echter zeggen, dat gijlieden ketters en tegenpartijders van Christus bent, die, omdat wij tot uw partij niet behoren, ons in boeien sluit. Door welk voorbeeld van Christus hebt gij geleerd aldus met mij te handelen?

Mont. Het is niet te verwonderen, dat Christus zulk een voorbeeld niet nagelaten heeft; want Hij was te arm om een rechtsmacht te hebben.

Pistor. Foei; evenals of de Zoon het recht niet is overgegeven, en Hij alle macht niet heeft in de hemelen op de aarde? Wat heeft de Apostel Petrus gedaan, wiens navolger gij zegt, dat de paus van Rome is?

Mont. Heeft Petrus geen macht gebruikt, toen hij Ananias en Safira vervloekte?

Pistor. Wanneer gij u op het gezag van Petrus beroept tot de handhaving van uw zending, dood mij dan ook door de macht van Petrus, en lever mij door uw vloek aan de hel over?

Duvev. Wel, zoudt gij u wel aan het gevaar van zulk een vloek durven blootstellen, en de uitkomst daarvan met volkomen overgave verwachten?

Pistor. Waarom niet? Dan zou het openbaar worden, of de Heilige Geest de vloek van hen goedkeurde, die zich voor Apostelen uitgeven. Maar zij zullen deze wapenen niet in de hand nemen, die aan de keizer en de vorsten dezer wereld andere wapenen hebben ontleend, waarmee zij de rechtvaardigen onderdrukken en doden. Christus zegt: "Wilt gij [niemand dwingende] ten leven ingaan, onderhoudt de geboden." Maar zo zingt gij niet, uw lied dreigt ons met de dood, tenzij wij hij uw woorden zweren. Christus heeft niet gewild, dat de Zijnen hier heerschappij zouden voeren of macht hebben, of dat zij niet andere wapens dan met geestelijke strijden zouden. Doch de paus toont op allerlei wijzen, dat hij de antichrist is, en heeft ook die kracht niet, welke de Heilige Schrift aan Petrus met lof toeschrijft.

Tapp. Waarom zou het nodig zijn, dat wij hier lang prediken? Komt niet alle macht van God de Heere?

Pistor. Ja.

Mont. Zo komt dan ook onze macht van God, door welke wij u als ketter, na veroordeeld te zijn, kunnen overleveren in de handen van de wereldlijke macht.

Pistor. Op deze wijze zou men ook Judas Iskarioth kunnen verontschuldigen, die Christus aan de Overpriesters heeft overgeleverd, en ook de oversten der Joden, die er een gewetenszaak van maakten Christus te doden; maar gemakkelijk was het, Hem in handen van Pilatus tot veroordeling over te leveren.

Want door hetzelfde recht was hun macht van God, zoals gij zegt, dat uw macht van God is. Zie echter wel toe, dat deze goede redenen u niet verleiden, wat gelijk de gedachtenis van Christus en de Apostelen in zegening zal blijven, en de nakomelingen hun geboortedagen zullen herdenken, twijfel ik ook niet, wanneer gij mij, om de belijdenis der waarheid, ombrengt, of ik zal verheerlijkt worden, en gij daarentegen zult altijd onverheerlijkt blijven.

Tapp. O onbeschaamd mens! vergelijkt gij ons alzo hij de Schriftgeleerden en Farizeeën?

Rosem. Zijn wij vervolgers?

Pistor. Wat gij bent, al zweeg ik ook, tonen deze mijn boeien. Intussen beroep ik mij op uw eigen geweten, of gij aan mij minder doet dan de Joden, die Christus hebben gedood, aan Hem deden? Op uw bevel ben ik gevangen genomen, en moet ik zo lang in de gevangenis zitten. En nu dreigt gij mij, als een die om ketterij is veroordeeld, over te leveren in de macht van de wereldlijken rechter; wat is daarvan de oorzaak?

Mont. De keizer heeft bevolen u gevangen te nemen, wij hebben daaraan geen schuld. Zo u enig ongelijk is aangedaan, kunt gij daarover met de keizerlijke majesteit twisten.

Pistor. Meesterlijk weet gij de heerlijke waardigheid der keizerlijke majesteit tot een dekmantel voor uw goddeloosheid te gebruiken; maar hij heeft de behandeling van deze zaak op uw schouders gelegd, en wel als dengenen wie hij de godgeleerde kennis heeft opgedragen. Gij hebt de lastbrieven hij u, welke tevoren getoond zijn, waarom spreekt gij mij dan niet vrij, aangezien dit in uw macht is?

Mont. In onze macht? Geenszins; want gij bent de gevangene des keizers.

Pistor. O goede mannen! dwaalt niet, "God laat zich niet bespotten," en laat zich niet door u bedriegen.

Tapp. Foei, onbeschaamd mens, die zo stout en ongepast durft uitvaren tegen zulke beroemde bestuurders! Gij bent niet waardig, dat zulke lieden u antwoorden.

Pistor. Ik beroem mij niet zulk een leraar der onwetenden te zijn als gijlieden bent, of dat ik zeer geleerd ben.

Rosem. Aangezien gij niet zo geleerd bent, betaamt het u niet, zo tegen geleerde lieden uit te varen.

Mont. Gij bent een zeer hardnekkige ketter, waarom ik mij niet zou ontzien u tot de vuurdood te veroordelen.

Pistor. Och, of het mij gegeven werd voor de naam van Christus de dood te sterven!

Tapp. Och, mijn lieve broeder, bekeer u, want gij dwaalt zeer. Al kon ik ook de gehele wereld gewinnen, zou ik toch met u in deze toestand niet willen sterven.

Pistor. Naardien gijlieden zo gezind bent, zou ik met u niet willen leven of sterven. Gijlieden onderdrukt en kwelt mij, en ik zou, al had ik er de macht toe, ulieden in het minst niet hinderlijk willen zijn.

Mont. Hierover is nu genoeg gesproken; laat ons terugkeren tot ons vorig voorstel en de hoofdzaak van ons onderzoek. Zeg ons met één woord of het de priesters geoorloofd is te huwen of niet? Zwijgt gij?

Buch. Waarom weigert gij, bid ik u, uw gevoelen aan de heren te openbaren9

Pistor. Omdat er geen aanklagers, benevens deze rechters, verschijnen.

Mont. Gij bent hier vroeger reeds genoeg beschuldigd, dat gij een vrouw getrouwd hebt.

Pistor. Beschuldigd, maar door wie, wanneer en hoe? Aangezien gij een rechter bent, is het onbetamelijk, dat gij de persoon van een beschuldiger aanneemt.

Mont. Ja, uw huwelijk, dat gij voor velen bekend hebt, is niet in het verborgen geschied, maar in het openbaar.

Pistor. Waarom velt gij dan geen vonnis, gegrond op mijn belijdenis en de getuigenis van velen.

Mont. Dat kunnen wij gemakkelijk doen, want met mijn eigen oren heb ik gehoord, dat gij gezegd hebt, dat de ongehuwde staat der priesters niet gegrond is in het goddelijke recht.

Pistor. Welaan dan, aangezien gij mij zo dringt, laat mij dan op een openbare plaats mijn zaak verantwoorden. Indien ik mij daar niet kan verdedigen, noch de ongehuwde staat der priesters met bondige redenen wederleggen, wil ik de laatste straf dragen.

Mont. Weg met die raad; de heilige roomse kerk laat node toe, dat wij met ketters redetwisten, want zij zijn te hardnekkig om te bekennen, dat zij overwonnen zijn; daarom moet men hen liever met vlammen dan met woorden overwinnen, teneinde zij geen kwaad meer zouden doen.

Pistor. Hoe, heeft ieder er dan geen belang hij, wat er over de artikelen van ons geloof wordt besloten, dat al het volk daarvan kennis moet dragen?

Tapp. Wie zou in zulk een samenkomst uitspraak doen, en de twistende partijen scheiden'? Zouden dit schoenlappers en karrelieden doen'?

Pistor. Ja, de overeenstemming van de tegenwoordige gemeente, hij wie alleen het oordeel over de Schrift en de Profeten berust, en niet hij de een of de ander, die, om de titel van leraar, geëerd wordt.

Tapp. Mij drinkt, dat gij buiten uw zinnen bent; want aangezien het onwetende volk zonder kennis is, hoe zou het over godgeleerde zaken kunnen oordelen?

Pistor. Welk een uitvlucht is dit! Even alsof de Schrift zelf haar oordeel over de waarheid niet uitspreekt, zodat de gehele kerk geen schade kan lijden door enige onwetenden. Zo er bevonden wordt, dat ik niet oprecht noch getrouw de Heilige Schrift verklaar, niets zal verhinderen, dat zij mij allen, met goed recht, tot de vuurdood slepen, of mij, naar verdiensten, met stenen dood weipen. Maar, indien ik het veld behoud, en zij oordelen dat ik het gewonnen heb, zal ik zelf liever voor u bidden en een middelaar zijn, en mij midden in het gevaar voor ulieden begeven, dan dat ik zou dulden, dat u iemand, al ware het met de vinger, zou aanraken. Het zal hun genoeg zijn, indien zij maar met een woord de bekende waarheid hebben toegestemd, hoewel gijlieden niet voor enig oproer van het volk behoeft te vrezen, daar gij zo door de bullen van de paus, als door de macht van de keizer, voldoende bent gewapend.

Mont. Wij willen geen vingerbreed van het gebruik der roomse kerk afwijken, want het is betamelijker, dat het eenvoudige, domme en onkundige volk zich aan de uitspraak der geleerden en het oordeel van de kerk onderwerpt, dan dat de leraars en de voornaamste in de kerk naar hun wil en begeerte zouden luisteren.

Pistor. Waarlijk, zo doende zult gij niet mee werken, dat uw inquisitie geacht wordt, en zult gij geen ketterijen uitroeien; want door deze geheime twistredenen, waardoor gij de waarheid zelf onderdrukt, en de arme in het verborgen ombrengt, zult gij het volk, dat van de zaak kennis moet dragen, en dat het ook aangaat, nimmer kunnen voldoen, tenzij het u onverschillig is, of naar waarheid van u gezegd kan worden een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht.

Mont. De leken worden tot een twistgesprek over het geloof niet toegelaten, omdat zij lichtgelovig zijn, en zeer graag wat nieuws horen. Daarom, wanneer zij horen, dat gij Christus in de mond hebt, en dat gij hun de Heilige Schrift inscherpt, die de ketters gewoon zijn naar hun zin te verdraaien, zouden zij u terstond geloven; en het zou te vrezen zijn, dat er nieuwe ellende of oproer in de republiek zou ontstaan. De aartsketter Arius kan ons ten voorbeeld zijn, die zo vele zielen, door het zoete venijn van zijn valse leer besmet hebbende, ten verderve bracht, terwijl hij zich ook op de Heilige Schrift beriep, doch op zeer verkeerde wijze. Wanneer onze voorouders die ook in het begin hadden verbrand, zou er later in de kerk van God niet zulk een ellende zijn ontstaan.

Pistor. De ariaanse trouweloosheid met onze zaak is voorwaar wel een onbillijke vergelijking; want wij zijn tevreden ons gevoelen voorgesteld en dat met de Heilige Schrift bevestigd te hebben, en verwachten daarop het oordeel van de ware algemene kerk. Wij dwingen niemand, dat hij met ons hetzelfde gevoelt; maar Arius, wiens voorbeeld gij ijverig navolgt, door de wereldlijken arm te hulp te roepen, want daarmee hebt gij gedreigd, heeft buitengewone wreedheid aan de dag gelegd jegens hen, die zijn gevoelen niet wilden aannemen. Wie handelen dan volgens het Evangelie beter, gij die met Arius, als wrede wolven, de arme schapen slacht en verscheurt, of wij, die dit lot der vervolging, met de Apostelen en alle uitverkorenen, lijdzaam dragen.

Tapp. Dat gijlieden niemand dwingt, is, omdat gij daartoe geen macht hebt.

Pistor. Maar door welke macht, u van God gegeven, legt gij ons onder de bijl, verbrandt gij ons, slacht gij ons en brengt gij ons om het leven?

Tapp. Staat er niet geschreven: "Er is geen macht dan van God?" En weer: "Alle ziel zij de machten, over haar gesteld onderworpen?" Zegt Paulus ook niet: "Zijt met alle vrees onderdanig de heren, ook de harden?"

Pistor. O aanzienlijke man, deze laatste getuigenis is niet van Paulus, maar van Petrus. Bent gij zo bekend niet de voornaamste plaatsen van de heilige Schrift, dat gij de een schrijver in plaats van de anderen noemt? En, wanneer gij ook de geschriften van Paulus goed had ingezien, dan zoudt gij niet oordelen, dat hij sprak van deze uw macht, die gij u aanmatigt.

Tapp. Wilt gij ons leren hoe wij Paulus moeten verstaan? Ik denk toch, dat wij Paulus meer hebben gelezen dan gij, nietige godgeleerde!

Pistor. Maar wat zeggen de kinderen in de scholen: "Lezen" zeggen zij, “en niet verstaan, is dommer worden."

Rosem. Alle scheldwoorden nalatende, wat zegt gij van de woorden: "Er is geen macht dan van God?"

Pistor. Dat deze plaats u niet betreft; want hier geeft hij het recht van het zwaard alleen aan de overheid en aan hen, die gij de wereldlijke macht noemt, en niet aan hen, die tot uw orde behoren, zoals de bisschoppen en priesters, die eigenlijk behoren te strijden met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord naar het woord van de Apostel: "De wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk maar geestelijk." Christus heeft u allen lust om over anderen te heersen en ook alle eergierigheid verboden, als Hij zegt: Doch gij niet alzo."

Tapp. Nu zien wij duidelijk, dat gij Paulus niet verstaat, en dat gij de Heilige Schrift niet dan terloops, als anderen doen, leest. "Alle ziel," zegt hij, "zij de machten over [haar] gesteld, onderworpen." Hij spreekt in het meervoudig getal van "machten," en niet van macht. Door dit woord worden wij vermaand, niet minder de geestelijke dan de wereldlijke macht te zullen gehoorzamen, welke beide bedieningen, zo van de kerk als van de republiek, Christus wil uitgeoefend hebben, volgens deze woorden: "Zie hier twee zwaarden."

Pistor. Ja, hieruit ziet gij duidelijk, tenzij gijlieden blind bent, uw onbillijkheid en geheel verkeerde uitlegging van de Heilige Schrift, die niet anders dan door de Schrift zelf verklaard moet worden, en niet door dromen, die gij plaats geeft in uw hoofd. Ons wordt geboden: "alle menselijke ordening onderdanig te zijn", naar het zeggen van Petrus, of "de machten over ons gesteld," naar de leer van Paulus, en dat om "Gods wille". En wanneer gij vraagt welke machten men moet gehoorzaam zijn, verklaart u Petrus dat: hetzij de koning, als de opperste machthebbende; hetzij de stadhouders, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar [tot] prijs dergenen, die goed doen." Gij ziet dat daar onderscheiden machten bedoeld worden, aan wie het zwaard is toevertrouwd, maar het gebruik daarvan is geheel veranderd, want nergens worden de overspelers gestraft, de hoereerders wordt geen schande aangedaan, dronkaards worden met vreugde en gejuich begroet, dobbelstenen te gebruiken is een spel, valse eedzwering wordt zonder straf geduld, de begeerte tot het geld draagt de naam van behendigheid. Zo is het ook hij u een lichte zaak, Gods Woord door uw verklaringen en dromerijen te bederven. Maar, wanneer er eens een Ezra opstond, die de vervallen wet van God aan het licht bracht, die de kerkelijke mannen, die door dartelheid en gulzigheid worden weggerukt, en die afgeweken waren terechtbracht, die zoudt gij voor een driedubbele en misschien nog erger ketter uitschelden. Tegen deze wordt terstond het zwaard, dat niet aan u, maar aan de wereldlijke overheid is gegeven, uitgetrokken. Ontvangen aldus "de goede van de macht lof en de kwaden straf en vrees”?

Mont. Maar weet gij hoe?

Pistor. Wat?

Mont. Deze, die gij hier, zoals zij ook zijn, boosdoeners noemt, bekennen hun schuld, wanneer hun de zonde onder het oog gebracht wordt. Daarom is het billijk dat zij, wanneer zij om vergeving smeken, genade verkrijgen, en dat niet terstond het zwaard getrokken worde. Maar gij, die een vrouw getrouwd hebt, bekent niet terstond uw schuld van een ongeoorloofd huwelijk te hebben aangegaan. Wie zou zulk een hardnekkig mens genade bewijzen?

Pistor. Maar eilieve, wat acht gij toch zekerder of ondragelijker, dat een priester, als hij brandt, nu deze hoer, dan weer een andere aanhangt, of dat hij zich door het huwelijk met een vrouw verenigt? Ik beroep mij op uw geweten, dat gij mij oprecht naar de Schrift antwoordt.

Mont. Wij prijzen geen van beide.

Pistor. Maar, aangezien zij dan beiden volgens uw oordeel zondigen, waarom neemt gij dan de een niet zowel als de ander om hun zonde gevangen? Ik vrees echter, dat, wanneer dit geschiedde, in de gevangenis geen plaats genoeg zou zijn om alle overspelers en hoererende priesters op te sluiten.

Tapp. Deze knoop zal ik losmaken. Daar deze zich niet op hun zonden beroemen, maar hun schuld met ootmoed afbidden, wordt hun ook op godvruchtige wijze hun overtreding vergeven.

Pistor. Gij vergeeft hun wel, ja, gij ziet liever hun schandelijk leven door de vingeren, maar toch tevergeefs en goddeloos, aangezien hun de begane misdaden niet van harte leed zijn, en zij telkens weer tot hun onreinheden terugkeren, die zij met een leugenachtige en geveinsde belijdenis hebben uitgewist.

Rosem. Zie wel toe, dat gij niet lichtvaardig oordeelt, want, wanneer zij dagelijks vallen, biechten zij met berouw ook dagelijks.

Pistor. Beter ware het, om nimmer te biechten, dan onder het deksel van een gedane belijdenis des te vrijer te zondigen; oprecht te biechten is van harte de zonde te haten.

Rosem. Maar, goede man, zij biechten niet alleen, maar bidden God ook zonder ophouden, dat Hij hun hun zonden vergeve,

Pistor. Waarom pogen zij niet liever later oprechte boete te doen, vromer te leven, en te tonen aan alle geveinsdheid geheel vreemd te zijn?

Mont. Staat er niet geschreven: "De rechtvaardige valt zevenmaal per dag?"

Pistor. Dit beken ik; maar deze zijn niet rechtvaardig, en staan niet meer op, want wij zien niet, dat dit overspelig geslacht, als onreine varkens, van hun onreinheden afwijken, daar zij zich gulzig bedrinken en schandelijk hoereren, of de tijd in ledigheid doorbrengen. Moeten wij aan deze geveinsde gedaante van een vernieuwd leven de lof van gerechtigheid toeschrijven?

Mont. Wij bekennen, dat zij allen te bestraffen zijn, indien dit kwaad maar niet onverbeterlijk is. Maar nu, aangezien zeer velen er zich aan schuldig maken, moet, volgens de regelen, de menigte, die zich niet goed gedraagt, gespaard worden.

Pistor. De algemeenheid der zonde behoort gij niet als een dekmantel te gebruiken voor uw vergunning of toelating van de zonde, om haar niet te bestraffen. Want daar het zwaard tegen de overspelers niet wordt gebruikt, geloof ik, dat de reden daarvan is, dat zij, die dienaars van het zwaard behoorden te zijn, zelf aan dat euvel mank gaan, en aan dezelfde zonden zich schuldig maken. Daarom, ziet toe voor uzelf, dat, waar gij over mijn splinter hemel en aarde beweegt, en de balken in uw eigen ogen niet ziet, niet te eniger tijd zwaarder oordeel zult hebben te dragen. Ik word om het huwelijk, wat mij door God toegelaten is, maar door een aardsen god kwanswijs verboden wordt, voor een ketter gehouden, en tot een openbaar schouwspel aan de wereld voorgesteld; maar de ergere onreinheden, die gij in uw ongehuwde staat begaat, neemt niemand u kwalijk. Maar God ziet deze dingen, en zal die richten, hoe gij ook de ogen der mensen blinddoekt.

Rosem. Zou dan een priester met een gerust geweten mogen trouwen? Want dit schijnen uw woorden te betekenen.

Pistor. Indien ik het u zeg, zult gij mij niet geloven.

Mont. Laat ons eens horen, wat gij ons wilt zeggen.

Pistor. Maar ik vrees, dat gij als honden voor mij zult worden, die mij veeleer zult willen verscheuren dan van mij leren.

Mont. Goede woorden.

Pistor. Indien gij met het oordeel volgens de Schrift wilt tevreden zijn, is het antwoord gereed.

Ment. Welaan dan, waarom draalt u te antwoorden?

Pistor. Wel, zult gij u naar mijn oordeel richten?

Mont. Dat zeggen wij niet.

Duvev. Staat hem, bid ik u, toe te spreken; zie, wij geven het oordeel aan u over.

Mont. Dat staan wij u niet toe; naar wij gebieden u te antwoorden, opdat, indien gij in iets van de waarheid afdwaalt, gij door ons beter mag ingelicht worden.

Pistor. Met Pilatus bent gij onwaardig, dat men de getuigenis der waarheid voor u aflegt; "want men moet het heilige de honden niet geven, noch de parels voor de zwijnen werpen."

Mont. Maar zult gij eindelijk niet antwoorden, of gij een vrouw getrouwd hebt of niet.

Pistor. Niet anders of de getuigen moeten tegenwoordig zijn.

Mont. Waarom beroept gij u langs zovele omwegen op de getuigen? Het is genoeg, dat wij u daarvan beschuldigen.

Pistor. Bent gij dan de aanklager?

Mont. Ja, want ik klaag u aan, dat gij een vrouw getrouwd hebt.Verstaat gij het wel?

Pistor. Foei! gij geeft mij een monster, de aanklager rechter.

Mont. Wel, wat zou het, of mijn knecht de aanklager is en ik de rechter?

Pistor. Ik verbied dit niet; doe de knecht van de aanklager hier komen, en het werk van een aanklager op zich nemen. Eilieve, aangezien gij de aanklager bent, laat horen, wat legt gij mij ten laste? Ziet daar een aanklager zonder tong en stommer dan een vis.

Mont. Laat mijn knecht met vrede, ik zal voor hem spreken.

Pistor. Ik zeg u, dat ik het niet zal toestaan; hij heeft zijn jaren, laat hem zelf spreken.

Mont. Maar gij zelf hebt hier al vroeger uw huwelijk bekend; wilt gij het loochenen, dat gij bekend hebt?

Pistor. Gij zingt al weer uw oud liedje. Welnu, stelt eens dat ik, uit vrees voor straf of verdriet over mijn gevangenneming, bekend had, dat ik een moord begaan had, zoudt gij het daarom geloven?

Mont. Indien uw huwelijk niet waar ware, zou het te Leuven niet bekend zijn.

Pistor. Wel zo, even alsof een vals gerucht niet door de gehele wereld kan vliegen en die in beweging brengen. Voor iedere leugen van het gerucht zou ik liever een penning willen betalen, dan voor ware woorden vier gulden, want dat zou oneindig meer voordeel geven.

Duvev. Mijn vriend Johannes, bent gij vergeten, dat gij het onlangs bekende, toen wij u ambtshalve ondervraagden?

Pistor. Indien gij mij als rechters ondervraagt, en in mij een daad had gevonden, die des doods waardig is, dan staat het u vrij, het vonnis uit te spreken.

Duvev. Wij zijn uw rechters, noch aanklagers?

Tapp. Ik bid u, waarom talmt gij zo lang?

Pistor. Indien gij mij beloven wilt, dat gij mijn zaak zult beslechten, niet naar uw overleveringen of menselijke instellingen, maar naar de waarheid der Heilige Schrift, die boven alle besluiten der mensen gelden moet, en met recht groter gewicht heeft, dan zal ik u niet langer ophouden.

Mont. Wij beloven u niets zekers; maar wanneer gij de zaak oprecht bekent, veroorloven wij u wel te hopen.

Pistor. Waarlijk, ik wil die hoop niet kopen met gevaar van mijn leven en tot schade van uw zielen.

Mont. Allerliefste heer Johannes, ik zeg u, ter liefde Gods, dat ik niet kwalijk jegens u gezind ben. Maar, indien gij voortgaat uw huwelijk zo hardnekkig te loochenen, zal ik u waarlijk mijn tanden derwijze laten zien, dat uw hart er van verschrikken zal.

Pistor. Wanneer gij het ergst zult woeden, zal ik God ten ernstigste bidden, dat Hij mij goedertieren met lijdzaamheid begenadigt onder al mijn verdrukkingen.

Mont. Ik zweer u hij de heilige mis, dat ik er voortaan geen gewetenszaak van maken zal, vijandig met u te handelen.

Pistor. Dat is het, namelijk wat de Apostel heeft voorzegd: "Dat het in de laatste dagen zal geschieden, dat er mensen zullen zijn, liefhebbers van zichzelf, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, achterklappers, wreed, zonder liefde tot de goede."

Mont. Dit is zo niet; want wij verzetten ons aangezicht daarom zo tegen u, teneinde op alle manieren te beproeven, of wij eindelijk op enige wijze uw hard en verstokt hart zouden kunnen vertederen, niet om te verderven, maar om te behouden. Daarom raad ik u, oprecht te antwoorden en met één woord te zeggen wat gij gedaan hebt of niet.

Pistor. Gij zult mij nimmer kunnen overtuigen, dat ik een vrouw getrouwd heb. Hoedanig ik voor God ben, gaat u niet aan.

Duvev. Zie wel toe, dat gij u zelf niet in het lijden brengt, en uw eigen handschrift niet tegenspreekt, anders zal men u dwingen uw eigen handschrift te erkennen. Het is daarom voor u beter, dat gij uw aangegaan huwelijk bekent, en daarna met de Schrift uw daad, zoveel gij kunt, verdedigt. Daartoe vermaan ik u.

Pistor. Ik geloof wel, mijnheer, dat gij uw best doet mijn zaak ten beste te schikken, daarom zal ik mij niet bezwaren naar uw raad te luisteren. Indien gijlieden de rechtvaardigheid voorstaat, om mij, onschuldig mens, te behouden, en te bevrijden van het ongelijk, mij aangedaan, zoals gij nu mijn raadgevers bent; en indien ik deze mijn rechtvaardige en duidelijke zaak, die wel te verdedigen is, zo met de Schrift als met redenen zal bewezen hebben, zal ik niet nalaten te antwoorden op wat gij mij zult vragen.

Duvev. Wij zullen u alles toestaan, wat billijk is.

Pistor. Welaan dan, aangezien God mij roept tot de ontdekking van de verborgenheid mijns harten, en uw belofte er mij ook toe roept, zal ik geen uitvluchten meer zoeken; hoort daarom nu de oprechte belijdenis van de gehele zaak. Ik heb, dit beken ik, een vrouw getrouwd, maar in het geheim en zonder getuigen; maar ik heb haar naar recht getrouwd.

Mont. Eilieve, met welk recht, met goddelijk recht, of met menselijk?

Pistor. Is het al niet naar menselijk, dan is het naar goddelijk recht, opdat ik, deze weg inslaande: de brand in mijn vlees zou kunnen ontgaan, en hoererij vermijden.

Mont. Beweert gij, dat dit de priesters geoorloofd is, daar zij zich verbonden hebben door de belofte van niet te trouwen, en toch daarentegen in het huwelijk te treden?

Pistor. Waarom niet, wanneer zij branden? Het is toch beter te trouwen dan te branden, volgens de getuigenis van de Apostel.

Mont. Deze woorden van de Apostel mogen niet toegepast worden op de priesters, en op hen die enige gelofte hebben.

Pistor. Het is te verwonderen, u deze uitvlucht te horen maken, daar toch de Heilige Geest, de auteur van de heilige Schrift, niemand daarvan uitsluit, priester, noch non, aangezien de Apostel zo duidelijk zegt: "Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk [man] zijn eigen vrouw hebben,” tenzij onze gelofte afgelegd hebbende priesters geen mensen zijn, en daarom het woord van de Apostel hun niet aangaat.

Tapp. Met hen die reinheid beloofd hebben, is het anders gelegen dan met de leken.

Pistor. Is dan de brief aan de Hebreeën alleen aan de leken geschreven?

Mont. Het is altijd de bedoeling van de Heilige Schrift, om, waar zij spreekt van het recht des huwelijks, steeds de priesters uit te zonderen.

Pistor. Aangezien die bedoeling nergens in de Heilige Schrift is uitgedrukt, wie heeft haar u dan geopenbaard? Men mag hij de woorden en geboden van God niets bijvoegen of afdoen. Op wiens gezag, of liever, uit welke lichtvaardigheid durft gij hier de Heilige Schrift zo onwaardig naar uw zin verdraaien? Hij mijn huwelijk heb ik Christus tot raadsman gehad, Die wil, dat, wie het woord van onthouding vatten kan, het vatte. Maar, indien gij dit omkeert, zal het zijn, dat wie het niet kan vatten, hij het niet vatte. Op die vrijheid steunende, beken ik, dat ik een vrouw getrouwd heb, omdat ik de zaak overlegde, en niet grote spanning van mijn gemoed had ondervonden, dat het niet goed is, dat de mens alleen zij, dat is, ongetrouwd, dat hij een hulp nodig heeft, die hem gelijk zij, namelijk een vrouw. Op welke wijze kan iets duidelijker gezegd worden?

Mont. Indien gij maar had gewild, zoudt gij gemakkelijk in onthouding hebben kunnen leven.

Pistor. Hoe, zeg mij toch, zou ik beter de aandrang der natuur hebben kunnen onderdrukken, dan door het gezelschap van een vrouw, die ik genomen heb, om hoererij te vermijden? Intussen geloof ik niet, dat in vele monnikenkloosters iemand gevonden wordt, wiens hart groter afkeer zou hebben van het gezelschap der vrouwen, dan het mijn; ik zwijg zelfs, hoe ik mij bevlijtigd heb en ingespannen teneinde in onthouding te kunnen leven. Echter, hoe meer ik dat trachtte te, doen, des temeer nam het kwaad der begeerlijkheid in mij toe.

Rosem. Maar, door welke middelen zocht gij dit kwaad tegen te gaan?

Pistor. Door zulke, waarmee dit geslacht der duivelen gewoonlijk wordt uitgedreven, namelijk, door onmatig vasten, gedurig bidden en vlijtige arbeid. Ik voeg er hij, dat, terwijl ik mij zo pijnigde, ik mij gedurende twee jaren van allen sterken drank heb onthouden.

Mont. Deze dingen moest gij tevoren geweten en bedacht hebben, voor gij u in deze heilige orde liet opnemen, maar nu is de boetvaardigheid te laat.

Pistor. Indien ik mij zelf genoeg had gekend, en deze dingen tevoren geweten, zou ik mij niet hebben laten opnemen in de priesterorde, die mij nooit zeer behaagde.

Tapp. Wat heeft u dan bewogen om priester te worden?

Pistor. Niet anders dan het dringend aanhouden van mijn vader, die vooral wilde, dat ik priester zou worden, eensdeels, opdat de kosten, die hij voor mijn studiën gemaakt had, niet zouden verloren gaan; ten anderen ook, omdat hij een groot gedeelte van zijn dienst op mijn schouders wilde leggen, aangezien hij het kosterambt bediende.

Mont. Laat ons deze dingen laten rusten. Gij zegt dan, dat een pastoor zonder te zondigen een man mag worden?

Pistor. Dit spreekt de Schrift waarlijk zeer duidelijk voor mij uit; aan haar wil noch kan ik enige bepaling stellen.

Mont. Gij verstaat de Schrift niet.

Pistor. Weest gijlieden dan mijn leermeesters, ik zal mij als leerzaam leerling gedragen.

Mont. De canonieke rechten, waaraan gij door de eed verbonden bent, gebieden de priesters ongehuwd te blij ven.

Pistor. (gekscherend). Nu komt gij met uw hoogste recht voor de dag, waardoor ik nader gedrongen word. Vooreerst beken ik, dat het canonieke recht het ongehuwde leven aan kerkelijke personen gebiedt, waarover geen verschil bestaat; maar op grond van welk goddelijk gezag dit geschiedt, laat ik aan ulieden over te bewijzen, want hierover loopt de gehele kwestie. Bovendien, wat ik heb bezworen, heb ik ook gehouden. Ik heb gezworen, dat ik naar mijn vermogen en wetenschap volgens de canones zou leven; want dat is het formulier van de eed, die men doet. Zo ik mij langer had kunnen onthouden, zonde ik de breidel van het huwelijk niet hebben aangenomen.

Tapp. De algemene kerk, die door de Heilige Geest wordt bestuurd, kan, volgens haar recht, vele dingen instellen, ook dingen die buiten de Schrift zijn, zoals Paulus, een getrouw dienaar van deze kerk, zegt "De overige dingen zal ik verordenen als ik zal gekomen zijn."

Pistor. Voor zoveel de burgerlijke wetten, plechtigheden en zeden aangaan, stem ik graag toe, dat de kerk een vrije beschikking heeft; met die verstande nochtans, dat van deze dingen ons niets als een artikel, nodig ter zaligheid, moet opgedrongen worden. Maar, aangezien de ongehuwde staat der priesters door geen geschrift, dat waarlijk canoniek is, wordt bevestigd, moet hij vrij blijven; zo zelfs, dat hieruit de engelen zelf in de hemel geen nieuw geloofsartikel mogen maken, veel minder de kerk, die door het Woord Gods geregeerd wordt, en in geen dele over het Woord mag gebieden of heerschappij voeren.

Tapp. Loochent gij dan, dat de kerk niet iets mag gebieden, dan op straf van doodzonde?

Pistor. Ja, dat loochen ik; want gelijk de menselijke macht niet bevoegd is uit kinderen des lichts en medegenoten van het hemels Koninkrijk, kinderen der hel en der duisternis te maken, omdat dit Gode alleen toekomt, die de duivel heeft overwonnen, en het gebied alleen heeft over leven en dood, is geen kerk bevoegd, enig mens door haar instellingen te binden, wanneer die niet op Gods Woord gegrond zijn.

Mont. Wel, meent gij dan, dat men de kerkelijke instellingen vrij mag overtreden en verachten?

Pistor. Geenszins; indien die maar met de Schrift overeenkomen; hetwelk ik dikwerf nadrukkelijk verklaarde.

Tapp. Hoe oordeelt gij dan over zulke instellingen, die, ofschoon buiten het Woord, evenwel niet zijn tegen het Woord, van wier soort de kerk er vele heeft?

Pistor. In deze, hoewel men, om der liefde wil, veel moet toegeven, moet men evenwel het gewetens niet verstrikken; gelijk de Apostel ons alzo de ongehuwde staat aanprijst, wil hij nochtans over niemand een strik werpen. En dit zou hij doen, wanneer hij iemand door zijn woorden tot de ongehuwde staat drong, zoals gij al te vermetel doet.

Mont. Staak uw rede, wij zullen u op een andere wijze behandelen, daar wij dus niet vorderen.

Rosem. Ik bid u, zeer lieve Johannes, betoon u leerzaam jegens de Magistros nostros.

Pistor. Graag wil ik dit doen, indien zij mij maar wat goeds leren.

Rosem. Ik zal God vurig voor u bidden, dat gij weer op de rechten weg mag terugkeren.

Pistor. Wanneer ik van de rechten weg mocht afdwalen, bid dan voor mij.

Rosem. Nochtans zal ik morgen voor u bidden, als ik in de heilige mis zal zijn; zal u dat niet aangenaam wezen?

Pistor. Bid krachtig, ik heb er niets tegen, want de Heere is machtig, het gebed van mijn vijanden, ofschoon goddeloos, tot lof en eer van Zijn naam te wenden.

Duvev. Mijn heren, het is tijd dat wij naar huis gaan, want de avond begint te vallen.

Mont. Morgen komen wij terug; zorg intussen, dat gij alles wel overlegt, en van gevoelens verandert, tenzij gij wilt, dat wij u als een hardnekkige ketter verklaren; ik heb het u voorzegd.

Tapp. Waarlijk, ik geloof, dat het reeds over zeven uur is.

Rosem. Zo is het.

Tapp. Zie toe, dat de overdenking in deze nacht u wat goeds mag aanbrengen, zodat gij van gevoelens verandert, anders stelt gij uzelf aan geen klein gevaar bloot.

Pistor. De wil des Heeren geschiede.

 

Einde van de tweede samenspraak.

 

Derde samenspraak met dezelfde personen en inquisiteurs, nadat zij tevoren enige ogenblikken met Willem Gnapheüs gesproken hadden

 

Mont. Wel, heer Johannes. Hebt gij nu alles met uw hart overlegd, wat ik, heengaande, u beval?

Pistor. Ja, ik heb over alles nagedacht.

Mont. Hoe vindt gij u dan nu gesteld?

Pistor. Ik heb nooit zulk een gerust gemoed gehad als nu.

Rosem. Hebt gij in uw gemoed niet de kracht gevoeld van mijn gebeden? Toen ik heden de mis bediende, heb ik met een vurig hart God voor u gebeden; bent gij dit niet gewaar geworden?

Pistor. Zou ik niet gevoelen, wat het gebed van een goed man vermag? Ik ben nu zeer wel gemoed.

Mont. Zo, dat is goed, gij bent dan bereid om alles te herroepen, bent gij niet?

Pistor. Wat alles?

Mont. Ik ben bedrogen! Hij toont nog de oude knecht te zijn. Uw dwalingen bedoel ik; snode boef.

Pistor. Volgens mijn weten heb ik niet gedwaald in de gronden, die ik u van mijn geloof heb gegeven.

Tapp. Hebt gij niet gedwaald? Vooreerst hebt gij geen godvruchtig gevoelen omtrent de instellingen der kerk, die gij, als een ongehoorzame zoon, een vrouw gehuwd hebbende, zeer onwaardig hebt veracht. Dit zou nog te verdragen en te vergeven zijn, wanneer gij daarover berouw had; maar stoutmoedig hield gij staande, dat u zulks geoorloofd was door het goddelijke recht. Is dat niet dwalen?

Pistor. Mijn huwelijk heb ik met gezonde woorden, duidelijke plaatsen en voorbeelden uit de Heilige Schrift bewezen en bevestigd. Boven dit alles, al mocht ik ook hij ulieden niet zijn gevorderd, zo heb ik nog een ziel over, die ik, door de genade Gods, niet zal ontzien ook eindelijk over te geven, opdat ik met mijn bloed bevestig wat ik, op gezag der Schrift, staande heb gehouden. Buiten deze ziel heb ik niets meer, dat ik voor de eer van het Evangelie en bevordering der waarheid kan overgeven. Wanneer dit geschied zal zijn, hoop ik dat er niets zal zijn, dat men mij zal kunnen verwijten in het hoogste gericht van Christus, alsof ik mijn leven waardiger zou hebben geacht dan mijn Heere.

Mont. Zie wel toe, dat uw plan en voornemen niet al te overijld mogen zijn. Ik bid u ook, dat gij u niet moet verbeelden, dat wij naar uw bloed dorsten. Veel meer wensen wij op alle wijzen, dat gij tot de schoot der moederkerk mocht terugkeren.

Pistor. In hoever het u te doen is mijn leven te sparen, zal de zaak zelf wel bewijzen. Ik ben nu niet anders gezind, dan gij vernomen hebt.

Rosem. Ach mijn zoon, wees toch uzelf genadig. Ik bid God, dat Hij u andere gevoelens mag geven.

Pistor. Ja, ik wens veel meer, dat ulieden een ander verstand gegeven wordt, opdat gij niet alleen ophoudt het Evangelie te vervolgen, maar ook ons, die getuigen zijn van Gods Woord, te doden.

Mont. Gij wilt al te wijs zijn; wil toch niet op uw eigen voorzichtigheid steunen.

Pistor. Ik steun, voornamelijk in deze zaak. op mijn eigen voorzichtigheid niet, maar op de vastheid der steenrots, dat is, ik rust geheel op Christus, van Wiens woorden ik voorgenomen heb, ook zelfs in de dood niet af te wijken.

Mont. Zo; en bewegen u niet de kerkvaders, niet het gezag van de heilige kerk, niet de besluiten der kerkvergaderingen, niet de overeenstemming van het volk, niet het aangenomen en hel voor deugdelijk erkend gebruik van zo vele honderden jaren? Bent gij alleen wijzer dan allen? Uw gevoelens tegen deze allen door te drijven, is dat niet steunen op eigen voorzichtigheid?

Tapp. Zo moeten dan alle anderen, buiten u, dwalen?

Pistor. "Al ware het ook, dat een Engel uit de hemel ons een ander Evangelie verkondigde, dan wij van de Apostel hebben ontvangen, die zij vervloekt." De Heilige Schrift geeft ons de vrijheid van te trouwen, en deze zal ik mij door geen sterfelijk mens laten ontnemen. Daarentegen luister ik niet naar uw kerkvergaderingen, kerkvaders, het gezag der kerk, de gebruiken en gewoonten; al deze dingen kunnen Gods Woord niet veroordelen, waarvan ik weet, dat het aan onze zijde is.

Tapp. Luister toe; met een duidelijke plaats der Heilige Schrift zal ik u nu een grove dwaling wederleggen, daar gij toch wilt, dat men u niet anders dan de Heilige Schrift zal voorhouden. Aldus zegt Christus: “Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders." Wel mens, erkent gij niet het woord van Christus, onze Zaligmaker?

Pistor. Ik erken het graag en eer het ook. Maar wat wilt gij hiermee bewijzen?

Tapp. Aangezien het oprecht geloof van Petrus nooit ophield, volgt er ook uit, dat het in het pausdom van Rome niet kan ophouden, waarover Petrus nog door zijn opvolgers het hoofd is. Wat dus deze apostolische stoel heeft besloten zal geen rechtgevoelend mens loochenen, dat men het ook onverbrekelijk moet houden. Zie, daar hebt gij nu de Schrift, waarop gij u altijd beroept.

Pistor. O, valse uitleggers van de Schrift; over die naam van godgeleerden moet men zich wel schamen, wanneer zij op deze wijze overal de heilige dingen onderwijzen. Het geloof van Petrus, door hetwelk hij, tegen het gevoelen des vleses, Christus heeft beleden als de Zoon van de levende god, zal nimmer ophouden; en het zal ook nimmer ontbreken, zolang er in deze wereld uitverkorenen zullen zijn, die Christus' naam met Petrus, door dezelfde zekerheid van het geloof, zullen belijden. Maar in welk verband staat deze zekerheid (les geloofs tot het rijk van de paus, tot de grootheid der roomse kerk en tot menselijke instellingen? Christus zal hij zijn uitverkorenen blijven tot het einde der wereld. Door welk woord niets minder dan het roomse pausdom wordt versterkt met de woorden: "Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat," of van de dagen, of der personen, of der plaatsen, tijden, of spijzen, of ook der klederen en plechtigheden, waarin de paus geheel heerst, maar dit koninkrijk is binnen ons. Wat verder het gezegde tot Petrus betreft "En gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterkt uw broeders;" Dit wordt tot allen gezegd, die met Petrus belijders zijn van deze Petra, dat is, van die vasten steen Christus, door de geest van het geloof. Want ieder christen is bevoegd zijn broeders uit christelijke liefde te vertroosten, te onderwijzen, ten goede te vermanen en in het geloof te versterken.

Mont. Foei, welk een slecht gevoelen heeft deze mens van de paus, van het hoogste gebied van Petrus en van het gezag der kerk! Wanneer gij dit niet binnen weinige dagen herroept, zult gij als een ketter verbrand worden.

Pistor. Wel aan, maakt daartoe alles gereed, brengt spoedig het vuur aan, reeds lang genoeg hebt gij mij gedreigd.

Mont. Gij gelooft mogelijk niet, dat u zulk een zware straf nabij is, en ik bemerk, dat gij onze woorden voor een fabel houdt, en dat maakt u vermetel; maar, indien gij niet spoedig berouw toont, zult gij binnen weinige dagen gewaar worden, dat wij u niet tevergeefs bedreigden.

Pistor. Waarom haast gij niet, mijn bloed te vergieten, opdat gij uw handen daarin zoudt kunnen wassen?

Rosem? Ach, hoe ellendig heeft u die ketterij van Luther verleid!

Mont. Wat moet er toch eindelijk over u besloten worden? Wat moet er met u gebeuren?

Tapp. Heer Johannes, waarom laat gij uw verhardheid niet wat varen? Val toch de heer commissaris een weinig hij, die uw leven gaarne zag gespaard opdat gij niet gedood wordt.

Pistor. Wat wilt gij, dat ik doen zal? Wilt gij, dat ik de naam van mijn God zal afzweren en mijn geloof verloochenen, en als een verrader naar het leger des duivels overlopen! Wilt gij mij dit aanraden?

Tapp. Geenszins; maar, dat gij de hardnekkigheid van uw gevoelens betreffende de instellingen der kerk enigermate verzacht. Wanneer gij dit doet, zullen wij ons beijveren, dat gij van deze banden wordt ontslagen.

Pistor. Welaan, dat zal ik doen, en mijn gevoelen zo veel verzachten als met het behoud van mijn geloof en de inspraak van mijn geweten kan geschieden. Dat men mij pen en papier geve.

Mont. Dat gaat goed. Eilieve, ik bid u, stel u toch gevoeglijk aan.

Pistor. Maar ik vrees toch, dat ik u hier weer een deur zal open zetten, om mij te vangen en te verstrikken.

Mont. Gij behoeft niet te vrezen; wij zullen goedertieren met u handelen, wanneer gij u goedertieren in onze schoot werpt.

Pistor. Ziet, hier hebt gij, wat ik in het algemeen gevoel omtrent de menselijke instellingen; maar ik geef het u over, onder voorwaarde, dat gij mij over geen bijzondere zaken ondervragen zult.

Mont. Heer Ruard, lees het eens.

Tapp. Betreffende de instellingen der kerk belijd ik, dat men die niet lichtvaardig moet schenden, maar dat men die of noodzakelijk of prijselijk moet houden, voor zoveel die niet tegen Gods Woord strijden."

Mont. Dat is goed.

Tapp. Wat denkt gij dan van het verboden vlees eten in de vasten?

Pistor. Ziet toch, hoe spoedig gijlieden de belofte vergeet, die gij mij gedaan hebt en mij weer bijzondere zaken voorlegt.

Tapp. Volgens uw schriftelijke verklaring, die ons behaagt, kunt gij ons nu gemakkelijk antwoorden.

Pistor. Indien gijlieden niet tevreden bent met deze verzachting van mijn gevoelens, ziet, dan herroep ik alles, wat ik u daar even verklaard heb.

Tapp. Aangezien wij menen, dat gij in uw gemoed wankelt, welk ongelijk doen wij u dan aan, wanneer wij dit op de proef stellen?

Pistor. Waarlijk, altijd heb ik van ulieden gevreesd, dat gij niets anders zoekt dan een gelegenheid om mij te lasteren.

Tapp. Al zouden wij ook tevreden zijn, zo moeten wij ook toezien, dat ook zij voldaan zijn, die ons met dit onderzoek belast hebben; want hier wordt niet alleen onze zaak behandeld, maar ook de hun en die van alle goedgezinden.

Pistor. Gaat voort uzelf gelijk te blijven; want hij zal de moriaan schuren, die ulieden vroom zoekt te maken.

Mont. Aangezien gij de instellingen der kerk met ons op prijzenswaardige wijze vasthoudt, en aan haar gezag toekent, twijfel ik geenszins, of gij houdt het ook voor zonde, op dagen, die de kerk verboden heeft, vlees te eten?

Pistor. “Indien de spijs mijn broeder ergert, zal ik in eeuwigheid,” als Paulus, “geen vlees eten”.

Tapp. Maar, wanneer er geen vermoeden of vrees voor aanstoot bestond, en zich een gelegenheid opdeed om vlees te eten, zal u het kerkelijk gebod niet afschrikken?

Pistor. Wat bespringt gij mij toch arglistig?

Tapp. Laat ons daarover eens spreken.

Pistor. Christus Zelf antwoordt u hierop, Die duidelijk zegt: "Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt de mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat." De Apostel zegt: "Want het koninkrijk Gods is niet spijs en drank." Verder: "De spijs maakt ons Gode niet aangenaam." Ja, dezelfde Apostel gebiedt, "dat u dan niemand oordele in spijs of drank."

Tapp. Naar ik uit uw redenen kan afleiden, laat gij u niet aan de instellingen der kerk gelegen liggen. Waarom schrijft gij dan, dat men de instellingen der kerk niet moet verwerpen?

Pistor. Opdat gij niet zoudt dwalen, heb ik er het woord lichtvaardig bijgevoegd.

Rosem. Wat betreft de goede week, houdt gij die ook voor heilig?

Pistor. Gij hebt gehoord, dat Paulus de Galaten bestraft, omdat zij dagen, tijden en jaren onderhielden.

Tapp. Dat is, wat ik zeg. De Lutheranen zoeken niets anders dan aan het vlees toe te geven.

Pistor. Goede man, hier wordt niet gesproken over het toegeven aan het vlees, maar over de vrijheid van het geweten en de vrijheid der Schrift. Indien ik naar mijn smaak zou te werk gaan, zou ik vis in plaats van vlees kiezen. Daarom, wat de spijs aangaat, laat het u genoeg zijn, dat ik u gezegd heb, dat men hierin de liefde niet moet vergeten.

Tapp. Maar er is nog een andere reden, waarom de kerk zich van vlees moet onthouden; het is opdat ons vlees niet te dartel worde.

Pistor. Het vlees moet altijd bedwongen worden, want allen, die ooit God hebben behaagd, hebben hun vlees gekruisigd met de bewegingen en begeerlijkheden. Wat doet dat tot de leringen der duivelen, zoals de Apostel dit noemt, om namelijk onderscheid te maken in de spijzen en ongehuwd te blijven.

Tapp. Ik heb grote vrees, dat hij geheel met Luthers dwalingen besmet is. Wat denkt gij van de sacramenten?

Pistor. Ik denk er goed over, dat er sacramenten zijn.

Mont. Gelooft gij, dat er zeven zijn?

Pistor. Hierover zullen wij later spreken, nu moet de zaak van het huwelijk besproken worden.

Mont. Wie in het ene dwaalt,wordt ook verdacht in het andere.

Pistor. Het artikel van de sacramenten is het mijne niet, daarom zal ik de verantwoording daarvan niet op mij nemen.

Mont. Gij zoudt dat ten minste daarom doen, opdat gij uw verstand gevangen zoudt geven onder de gehoorzaamheid van Christus, ook wat de instellingen der kerk betreft.

Pistor. Doe ik dat dan niet, wanneer ik mij geheel voeg naar Gods Woord?

Tapp. Behoort gij niet te bedenken “dat gehoorzaamheid beter is dan offeranden?"

Pistor. Ik beken dit, doch niet alle gehoorzaamheid, maar alleen de gehoorzaamheid aan Gods geboden, "naar welke niet te luisteren een zonde is van afgoderij," volgens de getuigenis der Heilige Schrift.

Mont. Indien wij nog langer met u redetwisten, zult gij eindelijk nog loochenen, dat er een enige kerk is, aangezien gij haar zo goddeloos tegenspreekt.

Pistor. Dat behoeft gij niet te vrezen; daar hij wel dwaas moet zijn, die naar het eerste gestelde symbolum niet zou geloven, dat de algemene kerk is een gemeenschap der heiligen. En gelijk deze kerk door de Heilige Geest geregeerd wordt, alzo luistert zij ook, en gebiedt niet te onderhouden dan wat met Gods Woord overeenkomt, zoals ik ook tevoren gezegd heb.

Tapp. Gelooft gij dan, dat de algemene kerk heilig is?

Pistor. Waarom zou ik dat niet geloven, aangezien ik belijd, dat ik er een lid van ben?

Tapp. Geen levend lid, geloof ik, maar een verrot lid, als die haar instellingen van ganser hart veracht.

Rosem. Hoe kunt gij weten, of gij een lid van haar bent of niet?

Pistor. Door inwendige getuigenis des Heilige Geestes, die in mij spreekt.

Tapp. Wat hoor ik, spreekt de Heilige Geest in u?

Pistor. "Dezelfde Geest," zegt de Apostel, "getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn."

Rosem. Goede God, hoe laatdunkend zijn deze Lutheranen! Ik zou van mij zelf niet durven zeggen, dat ik de Heilige Geest had.

Pistor. Gelooft gij niet, "dat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is?" Deze uw ongelovigheid maakt, dat gij mistrouwend, goddeloos bent en niet in het bezit van de Heilige Geest.

Tapp. Aangezien gij de kerk Gods voor heilig houdt, waarom houdt gij ook haar geboden niet voor heilig?

Pistor. De kerk van God, waarvan Christus het Hoofd is, schrijft niet vele geboden voor, zoals uw wetgever, de paus van Rome; zij vermeerdert de verdoemenissen niet, zoals gijlieden doet.

Tapp. Wat, zou hij ook consacreren, die voor een eenvoudige tafel zonder enig heilig versiersel, en zonder waskaarsen de dienst verricht, tegen de instelling der kerk?

Pistor. Waarom zou het, naar het voorbeeld van Christus, niet geoorloofd zijn, het Avondmaal des Heeren alleen te bedienen zonder plechtigheden en waskaarsen en zonder priesterlijk gewaad?

Mout. Gij mens, gij bent snoder dan de hoofdketter Luther zelf.

Rosem. Er is geen hoop, dat wij dit verhard hoofd zullen overwinnen.

Topp. Wat denkt gij van het sacrament des laatste oliesels?

Pistor. Wien is het niet bekend, dat het een plechtigheid der kerk is?

Mont. Wij hebben arbeid en moeite genoeg gedaan om deze ketterse mens te bekeren, doch alles is tevergeefs, aangezien wij niet met hem vorderen, is het niet geraden langer met hem te spreken.

Tapp. Ik zie het ook wel, dat het met zijn zaligheid ten enenmale wanhopig gesteld is.

Mont. Wij zullen voortaan met vuur en hout jegens u handelen, hoort gij dat wel?

Pistor. Vervult de maat uwer vaderen aan mij. Ik bid de dood niet af, die, gelijk hij mij tot gewin, u tot een gedurige droefenis zal zijn.

Tapp. Al gaan wij nu heen, heer Johannes, zo wordt u evenwel nog tijd van beraad en om te herroepen gegeven; want wij zullen het vonnis niet aan u laten voltrekken, voor ik u nog eens in de gevangenis zal bezocht hebben.

Pistor. De wil des Heeren geschiede!

Mont. Laat ons heen gaan.

Rosem. Heer Johannes eet, en drink, en bekrimp u niet.

Pistor. Ik ben niet neerslachtig in mijn gemoed; ik eet en drink van harte; ik ben zelfs nooit zo gezond geweest als nu.

Rosen). Och, of u anders gezind was!

Brunth. Laat hem weer in de gevangenis brengen.

 

Einde van de derde samenspraak.

 

Nadat al deze dingen, gelijk gezegd is, dus uitvoerig behandeld waren, beminde lezer, geschiedde het, dat de broederlijke Ruard Tapper, gedachtig aan zijn belofte, die hij vroeger gedaan had, onze martelaar in zijn boeien en duistere gevangenis kwam bezoeken, terwijl hij in zijn gelaat zekere godvruchtigheid veinsde, om hem, zo mogelijk, tot herroepen te bewegen. Onder onbeschrijfelijk zweten was hij de wenteltrap opgeklommen; en onbegrijpelijk mag het heten, hoe deze weelderige en verwaande mens, die de naam had van godgeleerde, adem kon halen vanwege de stank. Nauwelijks had hij dan ook de voeten in de gevangenis gezet, of hij begon dadelijk op zeer onwaardige wijze over de onreinheid en de stank van die plaats uit te braken, en verfoeide in de hoogste mate de daar zichtbare onreinheid.

Toen Pistorius aan de tralies geroepen was, om met deze godgeleerde te spreken, bestrafte hij hem over de grote goddeloosheid, en wel, daar de gevangenis een plaats van bewaring behoorde te zijn, dat zij hem, die niets des doods waardig had bedreven, in zulk een stinkend hok opgesloten hielden. Ruard verontschuldigde zich hierover, en begon op allerlei wijze de gevangene te vleien en te vermanen, dat hij zich toch zo spoedig mogelijk uit deze boeien zou verlossen, teneinde niet langer de onreinen stank der gevangenis te moeten verduren. Zo min hij zich echter vroeger door dreigementen had laten bewegen, zo weinig vroeg hij nu ook naar de hoop op de zoete vrijheid, die hem aangeboden werd. In de loop van het gesprek wierp deze goede godgeleerde andermaal de kwestie op over de geboden der kerk, het gezag der kerkvaders en de besluiten der kerk. Eindelijk kwam hij zo ver, dat hij het gemoed van deze gevangene poogde te vertroosten onder heilige betuiging, dat hij zich zeer erbarmde over zijn val. Na elkaar gegroet te hebben, liep Ruard zo spoedig mogelijk naar de wenteltrap, onder weg spuwende en brakende vanwege de stank daar ingeademd. Pistorius keerde intussen naar zijn kot terug, dat krioelde van allerlei soort van ongedierte, veroorzaakt door tien booswichten, die daar met hem opgesloten waren, in wier midden onze martelaar neerlag, alsof hij het opperhoofd dier booswichten was. De tijd zijner gevangenschap bracht hij door met een bewonderenswaardige lijdzaamheid en godsvrucht, en predikte dagelijks onder dit uitvaagsel der mensen, teneinde hun verharde gemoederen tot de kennis van God en van het Evangelie te brengen, en tot de verachting van de dood, die een groot deel naar hun verdiensten ondergaan hebben, te bewegen, Daardoor werkte hij hij hen zoveel uit, dat velen openlijk betuigden, dat zij in ieder opzicht wensten, om met zulk een vroom man te mogen sterven.

Hij herhaling zei hij mij, dat hij er zich over verblijdde, dat hij tot bevordering van de waarheid zulk een artikel van de Schrift had aangehaald, dat in zich zelf duidelijk en aannemelijk was, welk artikel hem gegeven werd te verdedigen met zijn bloed, en dat hij daarmee de strijdkrachten van de snode godgeleerden zo had verzwakt, dat zij niet wisten, of zij dat artikel zouden behouden of verliezen; want, indien zij hem loslieten, zouden vele priesters zich als hij in het huwelijk begeven, en, indien zij hem gevangen hielden, zou de knaging van het geweten zijner tegenstanders nimmer ophouden.

Toen Pistorius hier bijna een maand had doorgebracht, om hem door de langdurigheid van zijn gevangenschap tot herroepen te dwingen, dat hij echter met zijn gehele hart afsloeg, geschiedde het dat Margaretha, dochter van keizer Maximiliaan, vergezeld van de heer van Montigny, graaf van Hoogstraten, en de gehelen Raad des keizers te ‘s Gravenhage kwamen. Hij die gelegenheid werden, uit alle steden van Holland, allen daarheen gebracht, die om ketterij gevangen zaten. In deze nieuwe Raad der inquisitie bekleedde het voorzitterschap de president van Mechelen, Mr. Joost Loveringen, een hardnekkig beuzelaar, en een beroemd rechtsgeleerde, die, zoals ik zelf gehoord heb, zeer goed ter taal was. Gedurende veertien dagen heb ik in die tijd met deze mensen en de inquisiteur te doen gehad, en een hevig twistgesprek gehouden, toen zij mij tot in de kleinste bijzonderheden over mijn geloof ondervroegen.

Toen Pistorius andermaal voor deze Raad gebracht werd, zoals vroeger plaats had, het Loveringen niet na hij hem aan te houden en te dringen, soms met vleiende, dan weer met dreigende en vreselijk snerpende woorden, van tijd tot tijd ook gouden bergen belovende, en wrong zich, als een Proteus, in allerlei bochten teneinde, het hart van Pistorius, dat onbeweeglijk bleef, als een Marpesische rotssteen, tot herroepen te dringen. Opdat de lezers uit é.een samenspraak mag beoordelen, hoe de andere waren, want zij komen op hetzelfde neer, zullen wij het laatste gedeelte van dit treurspel hun voor ogen stellen, waarin zij als in een spiegel zullen zien, hoe geweldig de duivel zijn slaven aandrijft en in beweging brengt, en eindelijk met een woede bezielt, opdat Christus mag worde omgebracht en de waarheid verdrukt, die echter tegen de poorten der hel staande blijft. De samenspraak, die wij hier meedelen, was het laatste onderzoek, dat in de grote zaal van het Hof te 's Gravenhage plaats had.

De inquisiteurs waren in de volgende orde geplaatst: naast de Voorzitter Loveringen zaten de heer van Angey, de heer van Assendelft en Sasbout. Tegen hem over, tegen het Oosten. hadden de godgeleerde inquisiteurs, Montanus, Tapper en Rosemundus plaats genomen. Naar het Zuiden zaten aan de tafel Brunthus, de procureur fiscaal en de eerste secretaris Sandelin. Klaas van Damme, de eerste gerechtsdienaar stond daarbij, om op de wenken en bevelen der heren te letten. Noordelijk zat Pistorius afzonderlijk.

 

De vierde en laatste samenspraak

 

De sprekers waren:

Mr. Joost van Loveringen, president van Mechelen, rechtsgeleerde;

Magister noster Nikolaas Copinus van Bergen, godgeleerd inquisiteur;

Magister noster Gottschalk Rosemundus, godgeleerde van Leuven;

Magister noster Ruard Tapper, van Enkhuizen, godgeleerde te Leuven;

Johannes Pistorius, van Woerden, gevangene.

Bijzitters van de inquisitie waren:

De heer Mr. van Angey, raadsheer van de geheimen Raad des keizers;

De heer Gerardus van Assendelft, ridder, raadsheer te 's Gravenhage;

Mr. Jakobus Sasbout, rechtsgeleerde en raadsheer;

Mr. Reinier Brunthus procureur fiscaal, rechtsgeleerde;

Mr. Arnoud Sandelin, eerste secretaris, die het verhandelde opschreef.

 

Loveringen. Hoe bent gij nu gezind?

Pistorius. Evenals tevoren.

Lover. Bent gij nog niet bereid te herroepen?

Pistor. Nog niet.

Lover. Gij zult of herroepen, of als een hardnekkig ketter verbrand worden.

Pistor. Mijn oren zijn al doof van die bedreigingen, mij reeds zo dikwerf gedaan.

Lover. Opdat gij niet meent, dat ik ijdele woorden spreek, zweer ik u hij mijn ridderlijke waardigheid, dat gij morgen zult sterven, want gij zult ons met uw voortdurende hardnekkigheid niet langer ophouden.

Pistor. Maar ik bemerk, dat daartoe nog geen hout aangebracht is. Waarom maakt gij nog geen brandstapel gereed, op het zien waarvan mijn hart van vreugde zal opspringen.

Lover. Gij boef, spot gij nog met ons?

Pistor. Ik bespot u niet, maar ik lach om uw ijdele bedreigingen.

Lover. Meent gij, dat de keizer zo arm is, dat hij niemand heeft, die het vuur voor u zou kunnen gereedmaken?

Pistor. Geenszins mijnheer, want dit nabij gelegen eikenbos kan hout genoeg opleveren, om twee duizend mensen van mijn soort, als het nodig is, te verbranden. Ik beschimp de uitnemende waardigheid der keizerlijke majesteit niet, maar gijlieden bent mij tot enige satans geworden. Gij vernieuwt zo dikwerf in mijn ogen het vuur, het hout, de paal, dat ik niet beter weet te doen, dan u ook door verachting te overwinnen. Gijlieden denkt wel, dat het er toe komen zal, dat ik de beleden waarheid door herroeping zal afzweren, doch dit zal zo niet zijn, tenzij God mij van mijn kracht berooft, want ik echter hoop, dat Hij niet doen zal.

Lover. Aangezien gij u dit voorgenomen hebt, zeg ik u aan, dat de zekere dood u tegen morgen bereid is.

Pistor. Welaan, laat mij de dood, waarmee ik van overlang en zo dikwerf bedreigd werd, aangedaan worden, en gebruikt gijlieden de macht, die u van boven gegeven is. Ik zal intussen God zo veel danken als in mij is, omdat Hij mij tot deze dag bewaard heeft.

Lover. Morgen, zeg ik, zult gij sterven; langer te leven zullen wij niet toestaan. Daarom, bereid u tot het laatste gericht voor, dat, zoals gij meent, u tot zaligheid te zijn.

Pistor. Ziet, hier ben ik, bereid tot alles, wat God gelieven zal mij op te leggen. Een kort uur zal veel rust geven.

Lover. Ik wil niet, dat gij de hoop voedt, dat uw rechtspleging zo spoedig daar zal zijn.

Pistor. Binnen een halve dag, op het langst, zal uw tirannie verzadigd wezen.

Lover. Alles is met hem gedaan;op de rechten weg kan hij niet meer gebracht worden.

Montanus. Hij is zeer hardnekkig.

Rosem. Wij hebben waarlijk grote lankmoedigheid jegens hem gebruikt; maar wij hebben aan eens doven mans deur geklopt.

Lover. Zie, gij snode aartsketter, ik verkondig u, dat uw laatste dag genaakt, waarin gij naar verdienste zult gestraft worden. Welaan, kies iemand uit, aan wie gij uw zonden,belijden zult.

Pistor. Ik wil niet, dat men mij de voorkeur geeft.

Lover. Weigert gij dan ook te biechten

Pistor. Geenszins goede man; want "indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve."

Lover. Wien wilt gij dan, dat u tot biechtvader gegeven worde?

Pistor. Wien gij wilt.

Lover. Een monnik of een wereldlijk priester?

Pistor. Ik vraag er niet naar, kies gij iemand.

Lover. Wilt gij aan de Magister noster Ruard biechten?

Pistor. Welaan, laat dit zo zijn.

Lover. Heer Magister, ik bid u, laat het u niet vervelen, de biecht van deze aan te horen.

Tapp. Zoon, zult, gij weigeren aan mij te biechten?

Pistor. Geenszins.

Lover. Ga in deze naaste kamer.

Tapp. Kom, laat ons daar alleen heen gaan. Heer Johannes, leg uw biecht af, als het u blieft.

Pistor. Ik, driedubbel zondaar, en die op velerlei wijze Gods toorn waardig ben, beken graag, dat mijn ongeloof, waardoor wij alleen van God worden gescheiden, de oorzaak is, dat ik mij niet zo geheel, de dood gering achtende, aan God overgeef en mij aan Hem toewijd. Ik beken ook, dat ik met handen en voeten, dat is, met alle neigingen mijns harten gewoon ben God te weerstreven, zodat mijn lust, om God door het geloof en mijn naaste door de liefde te dienen, nooit groot genoeg geweest is; want de kracht en de neiging tot zondigen zijn zo diep in mij geworteld, en wel door gebrek aan liefde tot mijzelf, dat ik, wanneer ik mij zelf goed bezie, niet dan zonde en enkel onreinheid ben, waarmee ik, van het hoofd tot mijn voetzolen toe, zo verontreinigd en er onder begraven ben, dat, zo Hij, Die door God tot een Rechter van levenden en doden gesteld is, met mij in het gerecht zal treden, Hij mij, naar mijn verdiensten, rechtvaardig tot het eeuwige vuur zal veroordelen. Maar ik hoop, dat de uitnemende en dierbare goedheid van God te onswaart, dit kwaad van mij zal afkeren, Die Zijn Zoon voor ons in de dood heeft overgegeven, opdat in Zijn bloed, waarmee ik mij verheug besprengd te zijn, door het onderpand des Geestes echt het bad der wedergeboorte, mijn zonden afgewassen worden, al zou ook haar aantal de veelheid van het zand der zee te boven gaan. Dit geloof geeft mij zo veel zekerheid en ritst, dat het mij gemakkelijk is, in deze schaduw des doods te gaan, met een zekere verwachting van een beter lot, dat wij verwachten, nadat wij dit leven zullen geëindigd hebben. Dit geloof gelieve in mij te versterken God, Die boven alles te prijzen is in eeuwigheid Amen.

Tapp. Ga voort.

Pistor. Dit is het, wat ik te biechten heb.

Tapp. Is dit biechten, daar gij geen zonden belijdt of met name noemt?

Pistor. Geloof mij, het ongeloof is geen geringe zonde om welke alleen de Heilige Geest de wereld zal oordelen.

Tapp. Weet gij dan niet, of er enige zonden door u is bedreven?

Pistor. Wilt gij, dat ik u als op de vingers voortel hoererij, dronkenschap, doodslag, meinedigheid en dobbelarij? Maar aan deze ken ik mij geenszins schuldig, ofschoon ik daardoor niet rechtvaardig ben.

Tapp. Gij behoorde uw ketterijen in mijn schoot uit te storten, en uw hardnekkigheid af te bidden, gij deze dingen voor hoofdzonden houdt.

Pistor. Al kunnen zij ook hoofdzonden genoemd worden, zo zie ik nochtans zulke gebreken in mij niet; tenzij gij hem voor een ketter houdt, die zich van Christus niet wil laten afscheiden, noch van Zijn woord tot de menselijke instellingen afwijken.

Tapp. Die zich van de kerk vervreemdt, scheidt zich ook van Christus af.

Pistor. Ik verblijd mij, dat ik van de kerk van de satan gescheiden word, opdat ik als een levend lid der ware christelijke kerk mag ingelijfd worden.

Tapp. Wanneer gij geem andere biecht aflegt, zult gij geen vrijspraak verkrijgen.

Pistor. Al spreekt gij mij niet vrij, zo is er evenwel Een, Die mij zal vrijspreken, en al mijn zonden vergeven, te weten God.

Tapp. Zult gij dan, terwijl gij de priesterlijke vrijspraak veracht, met de goddelijke tevreden zijn?

Pistor. Waarom niet? en wel omdat er geschreven is: "Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven." En wederom: “Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil."

Tapp. Teneinde gij in alles zoudt tonen, dat gij een Lutheraan bent, veracht gij ook mijn vrijspraak! O verloren mens!

Pistor. Maar, wat zal ik doen? Ik kan en wil u niet tegen uw dank de vrijspraak afpersen.

Tapp. Zoudt gij alzo de dood durven tegengaan, daar u de zouden niet vergeven zijn? Vreest gij de pijn der hel niet? Wat is dit voor een vermetelheid?

Pistor. God is niet gelijk aan een mens, dat Hij Zich over ons niet zou ontfermen. Ik geloof en ik weet, dat mij in Christus Jezus de vergeving van al mijn zonden weggelegd is.

Tapp. Och, och, hoe zeer doet het mij, dat gij alzo vreemd blijft aan de schoot der moeder, de heilige kerk, wier sleutelen gij zo hovaardig veracht! Ik weet niet, wat ik binnen, hij de heren teruggekomen, van u zeggen moet. Ik wilde niet, dat zij dit te horen kwamen. Daarom, om u te verschonen, zal ik deze dingen niet meedelen, opdat ik hun gemoederen, die nu meer dan genoeg tegen u in haat zijn ontstoken, niet meer verbitter.

Pistor. Ik geef u verlof daartoe.

Tapp. Maar het zou niet tot uw voordeel zijn, wanneer ik dit deed.

Pistor. Het is mij onverschillig, of gij dat doet of laat.

Tapp. Laat gij het dan aan mijn keuze over, dat ik deze dingen, zoals die hier voorvielen, daar binnen geheel meedeel?

Pistor. Ja.

Tapp. Of zoudt gij liever hebben, dat ik het verzweeg, opdat dit u niet te hatelijker maak?

Pistor. Of gij dit verzwijgt of meedeelt, ik vraag er niet naar; want, wat ik ook in hun ogen wezen mag, of welk oordeel zij ook over mij vellen, is mij onverschillig, aangezien ik de zekere overtuiging heb, dat ik ook God door geen schandelijken dood kan mishagen, want, gelijk ik Hem leef, hoop ik Hem ook te sterven.

Ruard Tapper, de huichelaar, dit horende, liep haastig naar binnen, tot de vergadering der inquisiteurs, terwijl hij Pistorius in de kamer achterliet. Toen hij geruime tijd daar alleen vertoefd had, en op de terugkomst van zijn verzoeker wachtte, verscheen hij eindelijk ongeroepen in de vergadering. Daar vond hij de huichelaar, met krodillentranen in de ogen, de wanhopige zaligheid van onze martelaar bewenen. Als hij, ofschoon ongevraagd, zich neerzette, terwijl Tapper de tranen uit de ogen wiste en de anderen hem met een strak gelaat aanzagen, begon de president van Mechelen hem weer te ondervragen, en vervolgde het begonnen onderzoek op de volgende wijze:

Lover. Wel, hebt gij gebiecht?

Pistor. Ja.

Lover. En hebt gij kwijtschelding van zonden ontvangen?

Pistor. Neen.

Lover. Waarom niet?

Pistor. Omdat mijn biechtvader mij niet waardig achtte de handen op te leggen.

Lover. Heer Magister noster, wat is de reden, dat gij deze mens geen kwijtschelding hebt gegeven?

Tapp. Omdat hij niet oprecht wilde biechten; want hij heeft slechts enige dingen in het algemeen gezegd, meer de wijze van biechten bespot dan godsdienstig geëerd, zoals deze ketters gewoon zijn.

Lover. Zo; en weet gij niet, dat gij sterven moet? Hoort gij niet dat het bericht des doods u genaakt? Waarom biecht gij dan niet, zoals andere christenen?

Pistor. Ik heb gebiecht; maar aan Hem, Die mijn belijdenis meer goedertieren heeft ontvangen dan deze mens.

Lover. Veracht gij aldus de biecht?

Pistor. Ik zeg niet, dat ik de vrijspraak der christelijke kerk veracht, maar aangezien hij mij die niet wilde geven, hoe kan ik hem die afpersen?

Lover. Wie zal u dan de zonden vergeven, wanneer gij ter dood gebracht wordt?

Pistor. Het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

Lover. Mijn heren, wat zullen wij doen? Wat zullen wij doen?

Mont. Het is, dunkt mij, een wonderlijke zaak, dat een mens zo verhard kan worden.

Rosem. Er is voor deze ellendigste mens geen hoop ter zaligheid over.

Lover. Wel hebt gij zulk een verdriet in uw leven, dat gij meer naar de dood wenst dan naar het leven?

Pistor. Mijn Christus is mij liever dan dit leven.

Lover. Hebt gij verlangen noch begeerte naar uw ouders? Verlangt u niet naar uw moeder?

Pistor. Waarom niet? Ik ben een mens, en al wat menselijk is, is mij niet vreemd.

Lover. Dit schijnt nochtans zo niet, aangezien gij hun ellende u weinig aantrekt. Gij moet wel wreed zijn, gij die door uw hardnekkigheid aanleiding geeft, dat zij of tot hongersnood of tot de galg geraken. Wij willen het niet voor u verbergen, dat uw oude vader door uw haat, van zijn kosterambt, dat hij zovele jaren bediend heeft, is ontzet. Meent gij, dat deze schande de oude man niet zeer hindert? En u zoudt hem kunnen helpen, zodat hij niet van honger zou behoeven te vergaan, of door droefenis verteerd worden, ik zwijg nog van erger dingen.

Pistor. Mijn ouders zijn mij lief en dierbaar, maar nog liever en dierbaarder is mij Christus, Wiens zaak ik hier moet schatten boven mijn bijzondere betrekkingen. Ik beveel mijn ouders Gode de Vader aan; daar zullen zij een veilige haven vinden, om in nood hun toevlucht te nemen. Ik twijfel niet, of de allerbeste Vader heeft zeer goedertieren de genade aan mijn ouders bewezen, dat zij zich onder alles, wat er met mij plaats heeft, zoals hun betaamt, geduldig in de Heere gedragen.

Lover. Maar uw vrouw, denkt gij daar niet aan?

Pistor. Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat." Ik beken, dat ik haar liefheb, maar in de Heere. Geen andere liefde eist zij, en ben ik ook haar niet schuldig.

Lover. Ik dacht, dat de zaak geheel anders stond dan gij zegt; want, naar ik meen, verdriet het u uw jeugd met haar hogen leeftijd door te moeten brengen. En dit is de reden, waarom gij liever met uw bedorven inbeelding van de godsdienst wilt sterven, dan tot uw droevig en onvruchtbaar huwelijk terugkeren. Heb ik het niet juist geraden?

Pistor. In geen dele, o aanzienlijke man! Ik heb mijn vrouw lief, volgens de trouwbelofte, die ik haar gedaan heb en schuldig ben. Haar liefde zal ik ook gemakkelijk ter zijde kunnen stellen, wanneer de Heere mij dit gebiedt. Want Christus zal hem als discipel verloochenen, die niet verlaat vader en moeder, vrouw en akkers, en Hem navolgt.

Lover. Indien wij u van deze gevangenschap ontsloegen, dan zoudt gij toch niet tot uw vrouw terugkeren, die de oorzaak geweest is van uw grote droefheid en moeite?

Pistor. Waarom zou ik tot haar niet terugkeren, daar zij been is van mijn beenderen en vlees van mijn vlees? Ik schrijf haar dit mijn kruis niet verder toe dan Christus Zijn Vader Zijn dood toeschrijft.

Lover. Wel, zoudt gij ook met nieuwe vreugde opspringen, wanneer wij u uit deze boeien ontsloegen, en u vrij lieten heengaan, waar gij wilde?

Pistor. Wanneer God dit behaagde, zou het mij niet onaangenaam zijn. Maar, aangezien gij het niet doen zult, verlies ik daarom de moed niet. Ik geef mij in alles aan Gods wil over.

Lover. Indien wij uw vrouw hier lieten brengen, zoudt gij met haar tot genoegen wensen te spreken?

Pistor. Ik wenste het wel, indien het mij vergund werd.

Lover. En, zo het u vergund werd, zoudt gij haar wel vleselijk willen bekennen?

Pistor. Foei, schaam u!

Lover. Wat?

Pistor. Dat gij mij met zulke nutteloze vragen kwelt.

Lover. Wees goedsmoeds; uw vrouw wordt heden van Woerden hier heen gebracht. Ja, ik bemerk, dat zij er reeds is; gij mag u wel verblijden, men zal u toestaan haar te zien en te spreken.

Pistor. Ik laat het aan uw goeddunken over wat gij eindelijk over mij, mijn vrouw en mijn zaak zult besluiten, ik bekommer mij daarover niet. "De raad des Heeren zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen."

Lover. Daar gij toch een vrouw moest trouwen, had gij een jonge behoren te nemen, die u kinderen zou ter wereld gebracht hebben.

Pistor. Foei, het ontbreekt de achterklapper nimmer aan stof, ook in deugdelijke zaken. Wanneer ik een jongere of zeer schone vrouw getrouwd had, zoudt gij gezegd hebben, dat dit huwelijk een werk des vleses was. Maar nu ik een vrouw getrouwd heb, die niet rijk is, die geen verdacht, maar een gewoon voorkomen heeft, die een gezette leeftijd heeft bereikt, en toch niet boven de jaren der vruchtbaarheid is, vindt dit huwelijk toch nog deze onbillijke spotter. Dat hij lastere!

Lover. Gij hebt gezegd, dat gij daarom voornamelijk een vrouw getrouwd hebt, omdat gij door de lust des vleses u van haar niet kon onthouden. Is het zo niet?

Pistor. Ik heb de waarheid gezegd.

Lover. Gij hebt u van het gebruik uwer vrouw gedurende deze vier maanden onthouden; en, wanneer wij u langer in de gevangenis opsloten, zoudt gij dan niet gedwongen worden voortdurend ongehuwd te leven? Waarom wendt gij dan de uiterste noodzakelijkheid voor tot een dekmantel van uw wellust?

Pistor. Maakt gij dan God zo wreed, Hem naar uw gemoed beoordelende, "dat Hij mij laat verzocht worden boven hetgeen ik vermag." Tot nu toe heb ik de handen vol gehad met mijn geestelijke vijanden, zo buiten als binnen mij, zodat het niet nodig was, dat deze dartele begeerlijkheid haar woede tegen mij bewees. Hierbij komt nog, dat gijlieden met uw personen en met uw bangmaken moest overwonnen worden, waardoor anders de onvoorzichtigen en eenvoudigen zouden betoverd worden.

Lover. Waarlijk, ik wenste dat gij de duivel zelf, als een nachtmerrie, bereden had, toen gij voor het eerst uw vrouw bekende. Ja, ik wenste, dat gij met tien onreine hoeren had te doen gehad, toen gij voor het eerst uw vrouw besliep, zoveel werk en moeite veroorzaakt gij ons.

Pistor. Foei, schaam u over zulke lastering tegen God en Zijn instelling van het huwelijk. Bent gij een rechtsgeleerde, bent gij een voorzitter van al de raadsheren, en nog wel aan het hof van de keizer, die zulke ongerijmde, zedeloze en goddeloze dingen uitbraakt? Zo lief mij God heeft, schaam en bedroef ik mij om uwentwil.

Mont. Mijnheer Johannes, ik bid u, wordt toch niet zo boos, want gij verstaat niet goed, wat de heer voorzitter zegt. Want dit is zijn mening; zo gij met de duivel had te doen gehad of hoererij gepleegd, gij zoudt, ernstig vermaand zijnde, uw zonde terstond beleden hebben; en dan had niemand hem vergeving kunnen weigeren, die zijn schuld oprecht had beleden. Nu hebt gij hij uw vrouw geslapen, en een ongeoorloofd bed houdt gij voor eerbaar. Het is er nog ver af, dat gij uw schuld in nederigheid zoudt bekennen; en daarom bent gij geen vergeving waardig. Deze uw hardnekkigheid, dat onboetvaardig hart, ontstelt de heer voorzitter.

Pistor. Indien gij met zulke koude verzinselen God, de Rechter, kunt bespotten, zal het met uw zaak niet kwalijk staan; "maar God laat zich niet bespotten."

Lover. Laat deze verdorven en boze mens weer naar de gevangenis brengen.

 

Einde van de laatste samenspraak.

 

Zie hier, goedwillige lezer, het einde van deze samenspraak, welke Pistorius, die met mij gevangen zat, mij terstond daarna verhaalde, aangezien er maar een houten beschot tussen ons beiden was, zodat gij aan de waarheid van het twistgesprek niet behoeft te twijfelen.

Wat daarna geschied is, zal ik u verder verhalen, voor zoveel ik dat zelf uit de gevangenis heb kunnen zien, of van geloofwaardige lieden heb vernomen.

Toen de nacht van die dag genaakte, waarin het laatste twistgesprek had plaats gehad, werd Pistorius, omtrent ten 10 uur, stilletjes door de gevangenbewaarder uit zijn gevangenis gebracht, onder de schijn van met zijn vrouw, die toen beneden in de gang van het huis was, te zullen mogen spreken. Maar de kinderen des duivels, die een vader van alle leugens is, bedrogen de goede man met leugens, en lokten hem met een valse hoop, want hij werd niet hij zijn vrouw gebracht, maar in het blok onder de aarde, waartoe gedurende enige dagen niemand toegang vergund werd. Door deze wijze van gevangenschap gaven zij genoeg te kennen, dat hij bestemd was om te sterven. Daar zat nu onze martelaar gedurende vier dagen met de voeten in het blok gekluisterd. Voor de laatste maal werd zijn geloof en standvastigheid des gemoeds van alle zijden bestreden, en wel door de aanzienlijken, de monniken, de priesters, de raadsheren, en de geringe lieden, die de drogredenaars van alle kanten daarheen hadden gezonden om hem te kwellen en tot herroepen te bewegen. Maar allen deden vergeefse moeite, want hij wilde geen handbreed van de belijdenis van het evangelie wijken. Ik zou hier ook kunnen meedelen de zeer vriendelijke samenspraak tussen de waarlijk goede ouden vader, Jan Dirksen, koster, en zijn zoon. Toen de goede man zag, dat zijn zoon standvastig was in het geloof aan God en Zijn Woord, en dat hij zijn huwelijk met zijn bloed wilde handhaven, zo zelfs, dat hij de dood verachtte, en niets van wat hem van zijn voornemen zou kunnen aftrekken aanmerkte of boven Christus lief had, poogde hij zijn zoon nog meer te versterken, en beval hem goedsmoeds en sterk te zijn, en zei, dat hij bereid was, om, naar het voorbeeld van Abraham, zijn zeer geliefde zoon, die hem nooit iets misdaan had, Gode op te offeren. Deze daad van de vader mishaagde de inquisiteurs in grote mate, en ontstelde in geen geringe mate al zijn tegenstanders. Het zou insgelijks een waardige arbeid zijn, indien ik mee verhaalde, welke antwoorden hij ieder gaf, die hem in deze vierdaagse gevangenschap vermaande, en met welke woorden en vermaningen hij ieder van zich liet gaan, behalve als ik mij van het noemen van namen onthield, en de zaak zelf geen uitvoerige mededeling vereiste.

Eindelijk, toen nu de drogredenaars en de schaar der tegenstanders zagen, dat zij in het geheel niet vorderden, met welke soort van wapenen zij ook de zeer standvastige martelaar aanvielen, zochten zij, die overwonnen waren, hem te overwinnen door de vuurdood. Er werd een hoop hout aangebracht en de gevangene werd de dood aangezegd, welke boodschap hij met een bewonderenswaardige en zonderlinge blijdschap van het hart ontving. De gehelen nacht hield hij zich met heilige overdenkingen en het lezen der Schrift bezig, en bracht ook enige tijd door met slapen.

Des anderen daags zaten op stoelen, die met fluweel waren bekleed, op een hoge stellage, die voor het Prinsenhof was opgericht, opdat zij van ieder konden gezien worden, aan de een zijde de heer Montigny, Graaf van Hoogstraten en de gehele Raad van Holland. Aan de andere zijde zaten, insgelijks naar zekere volgorde, de heer Ridderus, dienaar van de bisschop, een Dominikaner. Hij hem zaten drie abten, zeer ongeleerde, maar fraai gekapte mannen. Op hen volgden de godgeleerden van de inquisiteurs of kettermeesters. In het midden van de stellage stond een predikstoel, waarop zeer luid, met een schreiende stem, riep of liever schreeuwde, een Franciscaner van Leiden, een man, die blind was, zowel naar lichaam als naar ziel. Deze poogde, op zeer hevige wijze, door zijn haat tegen de ketterij, voor het omstaande volk de tegenstrijdige redenen, zoals hij zei, van onze martelaar te verzwaren. Toen hij nu kwam aan het artikel, betreffende het huwelijk der priesters, ontkende hij, dat Pistorius om het bijslapen hij de vrouw werd veroordeeld; maat, dat hij met recht gestraft werd, omdat hij staande hield, dat daarin geen misdaad of schuld was gelegen.

Toen deze predikatie, niet minder goddeloos dan dom, geëindigd was, keerde Pistorius zijn aangezicht naar het volk, en begon zijn verantwoording onverwachts op de volgende wijze: "Ziet," zei hij, "mijn lieve broeders, met welk een geweld de antichrist zijn rijk staande zoekt te houden." Daar hij voorgenomen had veel tot het volk te spreken, wilde hij zijn rede vervolgen doch Klaas van Damme de voornaamste gerechtsdienaar, trok hem, die gereed was zijn zaak te verantwoorden, op zeer onwaardige wijze terug, en dreigde hem in het openbaar, dat, wanneer hij niet zweeg, men hem met een stuk hout de mond zou snoeren. Het hart van de omstanders werd over dat woord zeer ontsteld, doch de vrome man betoonde zich der tirannie van de goddelozen gehoorzaam, als een lam, dat ter slachting bestemd is. Hierna werd hij door de dienaar des bisschops, Jakobus Ridderus, tot de wereld teruggedreven, wat zij ontwijden noemen; want, volgens de gewone plechtigheden, werd hij van alle priesterlijke sieraden beroofd, veracht en als een schouwspel voorgesteld. Toen het kerkelijk gewaad hem werd uitgetrokken, legde hij dat als een vervloekt voorwerp af en zei: “Nu gelijk ik veel beter christen in deze mijn, hoewel wereldlijke, kleding dan daar even." Daarna werd hem een geel doch kort kleed om het lichaam geworpen; en toen men dit om het lijf schikte, zei hij: "Welaan, dit kleed zal tot een bespotting zijn met Christus; het is zeer goed." Op zijn hoofd plaatste men ook een hoed met oorlappen, van dezelfde kleur, opdat allen, die hem zagen, hem voor een zot zouden houden. Met dit vreemde en nieuwe kleed bedekt en geacht als een uitvaagsel der wereld, luisterde hij met een vrolijk en opgeklaard gelaat naar het doodvonnis, door de secretaris voorgelezen. Daarna haastte hij zich ter dood te gaan, en geleek meer op iemand, die een ander ter dood leidt, dan op een die ter dood geleid wordt. In zijn wezen bespeurde men de vroegere vriendelijkheid, en in zijn gezicht dezelfde uitdrukking tot aan het einde zijns levens. Toen hij voorbij de gevangenis ging, wekte hij zijn medegevangen broeders met luider stem tot het martelaarschap op, zeggende: "Zeer lieve broeders, ik heb nu mijn voet gezet op de dorpel van mijn martelaarschap; weest goedsmoeds, als kloekmoedige krijgsknechten van Christus, opgewekt door mijn voorbeeld. Beschermt de Evangelische waarheid voor alle miskenning." Deze woorden namen zij met volle toestemming en vreugde aan, terwijl er een openbaar geroep en gejuich opging. Zijn martelaarschap vereerden zij daarna met kerkelijke gezangen, en hieven, terwijl de vijanden van Christus intussen op de tanden knersten, deze lofzangen aan: Te Deum Laudamus &," dat is: "O God, wij danken u, enz.", "Certamen magnum, etc.", dat is: "Een grote strijd enz." "Et o beata sanctorum Martyrum, solemma, &," dat is "Heil zij de strijd der vrome martelaren, enz." Zij, te weten, deze goede mannen, de monnik Bernardus, Gerardus Vormer en Willem van Utrecht, hielden niet met zingen op, totdat deze onze martelaar zijn geest aan God had overgegeven. Op hetzelfde ogenblik dat men de martelaar zag sterven, hoorde men ook het einde van hun gezang. Dit triomflied bracht de gemoederen der vervolgers zozeer in beweging, dat des anderen daags hetzelfde vonnis op hen zou toegepast zijn, indien niet alle tegenstanders, door de buitengewone standvastigheid van de martelaar, temidden der pijnigingen, zozeer ontsteld waren geweest.

Doch wij keren tot Pistorius terug. Toen deze op de brandstapel geklommen was, bejegende hij de scherprechter, die voor hem op de knieën viel, en, als naar gewoonte, bad, dat hij de dood, die hij hem zou aandoen wilde vergeven, zeer vriendelijk, sprak hem met het woord van broeder aan, en liet hem met beleefdheid gaan, terwijl hij hem de voorzegging herinnerde, die hij het jaar tevoren te Haarlem aan hem gedaan had. Hij had die namelijk voorzegd, dat zijn hart hem zei, dat ook hij eenmaal, omwille van het evangelie, in de handen van de scherprechter zou vallen. Als hij nu dichter hij het vuur gebracht werd, ontblootte hij zelf zijn borst voor de scherprechter, opdat deze het buskruit daarop zou strooien. Toen hij op de bank klom, drukte hij zijn rug tegen de paal. Het is niet te zeggen, toen hij gevoelde dat de scherprechter de straf verhaastte, hoe triomferend hij de dood de overwinning ontzei, zeggende: "Dood, waar is nu uw prikkel? Hel, waar is nu uw overwinning? De dood is verslonden tot overwinning door Christus." Als hij zag dat de scherprechter hem worgen wilde, deed hij zelf de strop, waarmee hij zou geworgd worden, met zijn handen om de hals vast. Daarna sloeg hij zijn ogen naar de hemel en zei: "Heere Jezus, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." En terwijl de scherprechter hem worgde, zei hij: "O Jezus Christus, Zoon van God, gedenk, mijner, ontferm U mijner!" Toen hij dit gezegd had, was hem de spraak benomen. Na het plegen van het wreedste geweld en de pijniging door de verwurging, werd er geen beweging der leden, geen schudden van het hoofd, geen draaien der ogen, zoals veelal plaats heeft, hij hem opgemerkt, wat inderdaad wel der vermelding waardig is. Men zou gezegd hebben, dat deze onze martelaar in een geruste slaap gevallen was, zoals ook geschiedde; want hij leeft nu met Christus, ontheven van alle ellende, Die van de belijdenis van de naam van Christus af tot in de dood niet van hem geweken is. Die kracht wil ons ook tot de dood verlenen die God, Die boven alles te prijzen is tot in eeuwigheid.

 

Wolfgang Schuch

 

[JAAR 1525]

 

Wolfgang Schuch, een geboren Duitser, kwam in Lotharingen, en wel in de stad St. Hippolyte, en werd daar tot pastoor der gemeente verkoren. Al dadelijk verwijderde hij in de vasten alle beelden en schilderijen, schafte de missen af, en verkondigde het zuivere Evangelie van Christus. Dit viel hem zeer gemakkelijk, daar het volk geneigd was tot de zuiverheid en gehoorzaamheid van het Evangelie, terwijl de lieden hem gunstig waren en zeer lief hadden.

Door de vijanden der waarheid werd hij hij Antonius, hertog van Lotharingen, beschuldigd, dat hij het volk opzette tegen hun heer en overste, ja, dat zij alle overheden verachtten en verwierpen; zodat de vorst, door zulk een beschuldiging in woede ontstoken, de stad te vuur en te zwaard dreigde uit te roeien. Toen de goede en getrouwe pastoor dit vernam, schreef hij de hertog een brief, waarin hij zijn ambt, onderwijs, dienst en de zaak van het Evangelie derwijze beschermde en verontschuldigde, dat, wanneer de vorst een rechtvaardig man geweest ware, die de waarheid en godsvrucht liefhad, deze bedreigingen gemakkelijk op de boze beschuldigers zouden teruggekeerd zijn. Hij toonde hem aan, hoe jammerlijk de godsdienst bedorven en het Evangelie met de voet vertreden was, en beloofde de vorst, zo uit zijn eigen als van het volk naam, alle gehoorzaamheid, die God de onderdanen bevolen heeft hun overheden te bewijzen.

Voor deze aangeboden.goedwilligheid bewees de vorst hem echter slechte dank; hij zond Casper Hassonville, edelman en stadhouder van Blamoye tot hem, die hem gevangen nam en te Nancy bracht, waar hij op wrede wijze werd verbrand, terwijl hij met grote standvastigheid, onder aanroeping van de goddelijke naam en het afleggen van een vrijmoedige belijdenis, zijn geest in de handen des almachtigen Vaders overgaf. Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1525.

In dit zelfde jaar werd er in de boerenkrijg een vroom predikant in zijn huis opgehangen.

 

M. Pet. Spengler, pastoor te Brisgau

 

[JAAR 1525.]

 

Nadat de boerenkrijg gestild was, werd de een voor en de ander na gegrepen en gevangen gezet, zodat de onschuldigen dikwerf met de kwaaddoeners, en de eenvoudigen met de bozen zonder onderscheid moesten lijden, wat de oproermakers verdiend hadden. Dit oproerig gespuis gaf zich voor Evangelisch uit, zodat alle godvruchtigen en Evangelische, om hunnent wil, hij alle mensen veracht en als boosdoeners gehaat werden. Onder deze was er een godvruchtig en geleerd pastoor te Brisgau gevangen, die de boeren ernstig had bestraft, omdat zij tegen hun overheden opstonden. Omdat hij het zuivere Evangelie van Jezus Christus predikte, was hij gevangen genomen. ‘s Nachts werd hij door de krijgsknechten gegrepen, en wreed behandeld, daar zij hem de handen op de rug bonden, en zijn voeten met een dik touw vast maakten, en wel in de tegenwoordigheid van zijn vrouw en kinderen; terwijl zij hem, onder bespotting en beschimping, te paard wegvoerden. Toen hij geruime tijd in een duistere gevangenis vertoefd had, en daar op de wreedste wijze werd behandeld, met pijnigingen van de geheime en andere leden des lichaams, veroordeelden zij hem eindelijk ter dood.

Hoe vlijtig zij ook onderzochten, konden zij geen oorzaak voor de dood vinden, en hem niet van oproer, tweedracht of andere daden overtuigen. Maar, omdat hij het gebod van God gevolgd en een echte vrouw getrouwd had, teneinde niet door het plegen van ontucht uit het rijk van God uitgesloten te worden, veroordeelden zij hem, dat hij in het water zou geworpen worden en moest verdrinken.

Toen hij door de scherprechter naar de plaats, waar hij sterven zou, werd uitgeleid, sprak hij ieder, die hem kwam vertroosten, zeer minzaam toe. Doch de monniken en priesters, die het hem, terwijl hij bad en tegen de verschrikkingen des doods kampte, zeer lastig maakten, met hun verzoek van aan hen te biechten en andere beuzelingen, waarmee zij hem van het juiste inzicht der woorden van Christus wilden afbrengen, verzocht hij hij herhaling, dat zij zouden zwijgen, terwijl hij met een liefelijke stem zei, dat hij iedere dag aan Jezus Christus, de Heere van de hemel en der aarde gebiecht had, en ook, zonder twijfel, vergeving der zonden van Hem had ontvangen. "Hem," zei hij, "zal ik heden een aangename offerande worden. Ik heb in deze zaak, waarom ik veroordeeld word, niets gedaan wat mijn Heere en God mishaagt. De Heere heeft mij een gerust geweten gegeven; zij, die dorsten om onschuldig bloed te vergieten, mogen wel toezien, wat zij beginnen, Wien zij verstoren en toornig maken, Die alle harten rechtvaardig oordeelt, want Hij zegt: “Mij is de wraak. Ik zal het vergelden." Dit zwakke lichaam zal ik toch binnen kort moeten afleggen; want ik weet, dat ik sterfelijk ben, en tot vergankelijkheid geboren. Ja, vroeger heb ik al wel mijn laatste dag begeerd, en gewenst om ontbonden te worden en met Christus te zijn. Wel ben ik waardig verdriet te lijden om mijner grote zonden wil; maar Christus is mijn Zaligmaker, Hij heeft voor mij het kruis gedragen, en is voor mij aan het kruis gestorven. Nu wil ik ook roemen in het kruis van onze Heere Jezus Christus." Zulke woorden konden sommigen niet verdragen; en zij bevalen de scherprechter, dat hij hem in het water zou werpen en wel van de plaats, waar hij geboeid zat om gedood te worden.

Toen hij in het water lag, bewoog hij zich geruime tijd, zodat de rivier door zijn bloed werd gekleurd, tot een zeker teken, dat het rechtvaardige bloed op die dag was uitgestort. Dit geschiedde in het jaar 1525.

 

Matthias Weybel

 

[JAAR 1525.]

 

Daarna was er een godzalige pastoor in het dorp Kempten buiten de stad onder de heerschappij van een abt, genaamd Op de Berg. Deze was in leer en leven zeer godvruchtig, verwierp het juk van de antichrist, en verkondigde het volk het zuivere Evangelie. Hij leerde het volk, dat de vergeving der zonden, de genade Gods en het eeuwige leven niet om onze verdiensten of werken, maar door een oprecht en waar geloof in de levenden Zoon Gods, de Heere Jezus Christus, die om onzer zonden wil gestorven en om onze rechtvaardigmaking uit de dode opgestaan is, kan verkregen worden; dat ook na zulk een geloof, tot een getuigenis dat het waarachtig is, christelijke werken, die in Gods Woord gegrond zijn, moeten volgen. In zijn predikatie vermaande hij de toehoorders voor de toekomstige ergernis des kruises en des doods, die hem te eniger tijd zou worden opgelegd en overkomen; dat zij zich aan zijn persoon of leer niet stoten of ergeren moesten, wanneer hij, om van het evangelie wil, dat hij nu verkondigde, gevangen genomen, bespot, gelasterd, ja gedood en verguisd zou worden, maar dat zij dan gedachtig moesten zijn aan de goddelijke Schrift, die betuigt, dat dit de heiligen Profeten, Apostelen, ja de Zoon van God zelf is overkomen, en wel moesten weten, dat, naar de leer van Paulus, allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden."

In dat land is het een gewoonte der pausgezinden, dat men ieder jaar, op St. Gordiaans en Epimachusdag het heiligdom uit de kloosters ronddraagt, waarbij dan aan het volk volle aflaat wordt verkondigd. Tegen deze heidense afgoderij en dit grove misbruik predikte Matthias, als een waar ijveraar voor de eer van God en de zaligheid van vele arme zielen, met zeer veel vuur en vrijmoedigheid, zodat hij de harten der zogenaamde geestelijkheid tegen zich beroerde, ontstak en verbitterde.

Kort daarna zong de abt, Sebastiaan Praatsteijner genaamd, zijn eerste mis, waarbij vele geestelijken, edelen en andere heren tegenwoordig waren. Na deze eerste mis predikte Matthias, en bestrafte en verwierp op hoogst ernstige wijze alle misbruiken van het pausdom, de pracht der geestelijken, benevens hun walgelijken hoogmoed en alle roomse gruwelen, zodat de broeder van de abt hem zeker na de predikatie zou doorstoken hebben, zo men niet tussen beide gekomen ware.

Na die tijd bedacht de geestelijkheid allerlei middelen, op welk een wijze uien hem zou kunnen ombrengen. Zij beproefden dat te doen dooi, het Zwabisch verbond, dat gewapenderhand altijd bereid was, niet alleen de oproerlingen, maar ook alle Evangelische predikanten, waar zij die slechts vinden konden, te grijpen en gevangen te zetten.

Op Zondag na St. Bartholomëusdag in het jaar 1525, kwam de koster in het huis van de pastoor te Kempten, waar hij toen met andere medebroeders vergaderd was, en riep hem om een kind te dopen, en een predikatie te houden, voor het volk, dat met het kind komen zou. En, ofschoon hem dit door de andere broeders ontraden werd, die hem zeiden, dat hij in de stad moest blijven, daar men wel wist, hoe de geestelijken jegens hem gezind waren, zei hij, dat, naardien zijn ambt en betrekking dit eisten, en hij tot vervulling van zijn dienst geroepen werd, hij daar heen wilde gaan, en afwachten, wat de genadige God met hem doen zou. Toen hij nu de stad verliet en naar de parochie ging, werd hij door de ruiters van het verbond en anderen overvallen, gevangen genomen en zwaar gewond, zo zelfs dat zijn moeder, die nog leefde, zei dat zij niet anders dacht dan dat hij ten gevolge van de wonden gestorven zou zijn. Zij bonden hem op een paard, en brachten hem in de drie mijlen vandaar gelegen stad Leeuwkerke, waar hij twaalf dagen gevangen zat, en niet zoveel kon verkrijgen, dat men zijn zaak rechterlijk zou behandelen, opdat hij niet onverhoord ter dood veroordeeld zou worden.

Toen de gemeente van Kempten vernam, dat de goede pastoor gevangen genomen was, wilden zij hem narijden; doch dit werd op grote straf verboden, en de poorten werden zelfs gesloten, opdat de gemeente hem niet zou volgen. De burgers van Leeuwkerke, die mee zo begerig waren om het Evangeliewoord te boren, gingen naar de hoofdman, en baden hem, dat hij de gevangene in hun handen wilde overleveren. Doch de hoofdman weigerde dit met te zeggen, dat dit niet in zijn macht was. Niettegenstaande gaf hij de burgers goede moed, en zei, dat hij hoogstwaarschijnlijk ontslagen zou worden; doch dit was niets dan bedrog, want spoedig daarna stegen de hoofdman en zijn volk te paard, en reden met de pastoor naar de naaste heide hij Leeuwkerke. Daar kwamen twee monniken, die hem zeer bespotten en uitlachten, zeggende: “Is dat de heilige man, die zo goed predikt? en andere onaangenaamheden meer, die zij jegens hem bedreven. Doch de vrome Matthias riep God de Heere aan, zong psalmen, en bad voor zijn vijanden en spotters, dat God hun dit mocht vergeven. Toen zij in het bos kwamen, zei de overste tot hem:"Pfaff, du must dein Leben lassen." De pastoor antwoordde: "De wil des Heeren geschiede!" Toen hij gebeden had, wierp de overste hem een strop om de hals, en hing hem aan een boom. Aldus eindigde de godzalige Matthias zijn leven in het jaar onzes Heeren 1525. Maai, aangezien het bloed der heiligen, dat hier op aarde vergoten wordt, wraak roept tot God in de hemel, liet God de Heere ook de dood van Zijn dienaren hier op aarde niet ongestraft, maar toonde Zijn gramschap geweldig. Want vele vrome mensen, die toen leefden, hebben getuigd, dat geen enkele, die tot de dood van de goede pastoor hebben medegewerkt, of door raad en daad daaraan hebben deelgenomen,een natuurlijke dood gestorven is. "Zonderling is het," zeggen zij, "dat de overste door de luizen verteerd is." Heren, wacht u dan voor het vergieten van het rechtvaardig bloed.

 

Jakobus Pavane

 

[JAAR 1525.]

 

Onder hen, die tot het gevolg van Briçonnet, bisschop van Melden, behoorden, was ook Jacobus Pavane, geboortig uit Boulogne, die, om het oprecht christelijk geloof, gevangen genomen en in de kerker geworpen werd, en wel in het jaar 1524. In deze tijd kwamen tot hem enige mensen, die voorden christelijke godsdienst heet noch koud waren, en brachten hem zover, dat hij herriep, wat hij vroeger godzalig had beleden, zodat hij vrij zou worden door de boete te doen, zoals zij het noemen, welke boete hij ook deed, 's daags na het Kerstfeest" in het jaar 1524. Nadat hij dit had gedaan, had hij daarover zulk een groot berouw en leedwezen, dat hij er altijd over zuchtte, en aan ieder, die hem in de gevangenis kwam vertroosten, zijn weemoed daarover betuigde.

Terwijl hij nog gevangen zat, betuigde hij door geschriften en, voor de rechter gebracht, met een openbare belijdenis de waarheid, en sprak vooral over het rechte gebruik van het Avondmaal des Heeren. Om die reden werd hij te Parijs veroordeeld en op het plein, Grève genaamd, levend verbrand, in het jaar onzes Heeren 1525.

 

Evert Bolt

 

[JAAR 1525.]

 

Evert Bolt, een schippersknecht uit de Mark, niet ver van Rappersweil, aan het meer van Zürich gelegen, werd, toen hij op zekere tijd iets tegen de roomse mis had gezegd, en met hem een mispriester, die mede uit het Evangelie tegen de mis het een en ander had onderwezen en gezegd, naar de hoofdstad Schwytz gevoerd en daar levend verbrand. In weerwil echter van de pijnigingen bleven zij beiden volstandig, en riepen Jezus Christus, het enig volkomen zoenoffer van al onze zonden, met ernst aan, hetgeen hij vele goedhartige lieden stof tot ernstig nadenken gaf. Dit geschiedde in het jaar 1525.

 

Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster, in Bohemen verbrand

 

[JAAR 1526.]

 

Op de 14den December in het jaar 1526, werd Nicolaas Wieretenarz, een geleerd en bejaard man door de pastoor Jakob hij de Raad als een Picardist aangeklaagd. Toen hij geroepen was, vroeg Ezahera hem, wat hij dacht van het sacrament des altaars. Hij antwoordde daarop: " Wat de Evangelisten en de Apostel Paulus ons geleerd hebben te geloven." De opziener vroeg: "Gelooft gij niet, dat Christus hier tegenwoordig is, vlees en bloed hebbende?" Hij antwoordde: “Ik geloof, dat wanneer een godvruchtig dienaar van Gods Woord aan de vergadering der gelovigen de weldaden, door Christus' dood verkregen, verkondigt, dat dan het brood en de wijn het Avondmaal des Heeren worden, waardoor zij deelgenoten worden aan het lichaam en bloed van Christus en aan Zijn weldaden, verkregen door Zijn bloed."

Nadat zij hem enige vragen hadden gedaan aangaande de mis, de voorbidding der heiligen en andere, werd hij eindelijk tot de vuurdood veroordeeld met zijn huishoudster Clara, een weduwe van 60 jaren, omdat zij de leer, welke zij van haren huisheer aangenomen had, niet wilde verloochenen.

Toen zij naar de gerechtsplaats gebracht werden,en bevolen om te bidden voor het kruisbeeld dat tegen het Oosten was opgericht, weigerden zij dit, en zeiden, "dat de wet van God niet toelaat, dat men voor enige afbeelding der dingen, die in de hemel of op de aarde zijn, zich neerbuigt, en dat men de levende God, de Heere van de hemel en der aarde, moet aanbidden, Die zowel in het Zuiden, Westen en Noorden woont, als in het Oosten." Zij keerden dan de rug aan het beeld toe, knielden neer met het aangezicht naar het Westen en baden God, terwijl zij de handen en ogen naar de hemel verhieven, op de vurigste wijze aan. Daarna nam ieder afscheid van zijn kinderen, terwijl Nicolaas gewillig de brandstapel besteeg, de artikelen van het geloof uitsprak, en vervolgens met naar de hemel geslagen ogen, bad en uitriep: Heere Jezus Christus, Zoon van de levende god, Die uit de onbevlekte maagd bent geboren, en U verwaardigd hebt, voor mij, onreinen zondaar, de dood des kruises te ondergaan, U roep ik aan; aan U beveel ik mijn ziel. Ontferm u mijner, en vergeef mij mijn zonden." Daarna sprak  hij de 31ste Psalm uit: "Op U, o Heere, betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden." Intussen plaatste de scherprechter Clara op de brandstapel en bond beiden aan de paal, terwijl de boeken, die men hij hen gevonden had, rondom hen opgestapeld werden, en aldus werden zij samen verbrand.

 

Johannes Heuchlin

 

[JAAR 1527.]

 

Johannes Heuchlin, van Lindau, werd door de raad van Ueberlingen, met drie andere priesters, die wegens de boerenkrijg berucht waren, naar de bisschop van Konstanz te Merseburg gezonden om door hem ondervraagd te worden. De drie priesters kwamen met een lichte straf vrij, maar Johannes werd, omdat hij de zuivere leer van het Evangelie het volk voorhield, vastgebonden en in zware en pijnlijke gevangenschap gebracht, en daar, onder zware martelingen, omtrent de volgende artikelen ondervraagd. Hij werd namelijk beschuldigd:

1. dat hij geloofde. dat de goede werken geen zaligheid verdienen;

2. dat hij geloofde, dat Christus eenmaal geofferd is aan het kruis. Hij nu voortaan niet meer wordt opgeofferd en dat daarom de mis geen offerande is voor levenden en doden;

3. dat hij het er voor hield en geloofde, dat menden leken het Avondmaal onder beide gestalten, van brood en wijn, behoorde uit te reiken;

4. dat hij geloofde, dat de priesters echte vrouwen mochten trouwen;

5. dat hij het ervoor hield, dat er geen vagevuur was en dat er niet meer dan twee wegen zijn: de een tot de zaligheid, de andere tot de verdoemenis.

Toen hij omtrent dit laatste artikel ondervraagd werd, zei hij: "Wanneer de Heilige Schrift van geen vagevuur spreekt, wat zal ik er dan van zeggen? Ach God, ik heb vagevuren genoeg in deze grote pijn en smart, die ik in deze zware gevangenschap geleden heb. Wanneer dit al geen vagevuren genoeg zijn, is het Gode geklaagd." Terwijl hij dit zei, weende hij bitter.

Onder zijn klagen en wenen lachte de vicarius van de bisschop. Toen de arme man dit zag, zei hij: "Och, lieve heer, waarom lacht u mij uit? Ik ben toch een verlaten, ellendig mens, die niet waardig ben, dat er, om mij gelachen wordt. Belach uzelf, God wil het u vergeven, want gij weet niet, wat gij doet." Over die woorden werd de vicarius zeer rood van schaamte.

Men vroeg hem, of hij deze artikelen voor de zijn erkende, en, toen hij dit deed, werd hem verder gevraagd,of hij die wilde herroepen. Daarop gaf hij ten antwoord, dat hij die niet kon herroepen, omdat zij met de Heilige Schrift overeenkwamen.

Toen zij op deze wijze niet met hem vorderden, werd er bevolen, dat Dr. Wendelijn, de vicarius van de bisschop, en Antonius, een Dominicaner monnik, met de Heilige Schrift hem van dwaling moesten overtuigen. Aangezien deze echter niets konden uitrichten, werd er de 10den Mei, te Merseburg aan het meer van Konstanz, een stellage opgericht, waar Heuchlin voor de bovengenoemde vicarius van de bisschop, de abt van Kreutzlingen en Petershuwsen en andere geestelijken werd gebracht, en hem de punten van beschuldiging werden voorgelezen. Toen hij op deze punten wilde antwoorden, werd hem geboden, dat hij geen andere woorden zou gebruiken dan alleen: “Dat geloof ik," en: "Dat geloof ik niet." Bovendien had alles in de Latijnse taal plaats, opdat het volk niet verstaan zou, wat er gesproken werd. Velen toonden groot medelijden met deze mens te hebben.

Eindelijk zei de vicarius: "Op gezag van de eerwaardige heer, de heer Hugo, bisschop van Konstanz, veroordelen, verwerpen en treden wij deze mens, met voeten als een ketter en tegenpartijder van de heilige moeder de kerk, en een bestrijder van het algemene geloof, als die de heilige orde niet waardig is; waarom wij gebieden, dat hij afgezet en van de orde beroofd moet worden."

Daarna werd hij, als naar gewoonte, op plechtige wijze door de vicarius ontwijd. Vervolgens klaagde Julianus Reuchlijn, de burgemeester van Merseburg, hem hij de rechter als ketter aan, en leverde hem aan de wereldlijke rechter over, die hem veroordeelde om tot as verbrand te worden. Toen Johannes Heuchlin dit vonnis had aangehoord, sloeg hij zijn ogen naar de hemel en zei: "Dat vergeve u God, want gij weet niet, wat gij doet." Met andere woorden dankte hij God en sprak: "U zij lof en dank, o eeuwige God, dat Gij mij verwaardigd hebt, om op deze dag, om Uws heiligen naams wil martelingen te lijden en de dood te ondergaan." Met het grootste geduld ging hij naar de gerichtsplaats, waar hij zou verbrand worden, en zong intussen enige psalmen en lofzangen, zoals: “Ere zij God in de hoogste hemelen," en: "Mijn ziel maakt groot de Heere," enz. Daarna gaf hij onder aanroeping van de naam van Jezus Christus, de geest in het vuur, en verkreeg alzo, om de christelijke waarheid, langs de weg van kruis en lijden, de onverwelkelijke kroon der overwinning in de vreugde der eeuwige zaligheid. Dit geschiedde op de 8sten Februari in het jaar onzes Heeren 1527.

 

Leonhard Keizer

 

[JAAR 1527].

 

Leonhard Keizer geboren te Raäb,in Beijeren, werd van Wittenberg, waar hij twee jaren gestudeerd had, geroepen, omdat zijn vader ernstig ziek lag en in doodsgevaar verkeerde. Toen de bisschop van Passau vernam, dat Leonhard was thuis gekomen, beijverde hij zich om hem gevangen te doen nemen. Door de vorst van Passau werd er een brief gezonden aan de rechter te Raäb, waarin bevolen werd, dat hij deze Leonhard moest gevangen nemen. Hij deed dit ook, en bracht hem drie dagen daarna in het Landgericht te Sherding, waar hij omtrent zijn leer en zijn geloof onderzocht werd door enige leraren, geestelijken, priesters en monniken.

De artikelen, die hij beleed, en waarom hij ook verbrand werd, waren de volgende:

Dat het geloof alleen rechtvaardig voor God, zonder toedoen der werken, en dat de werken alleen vruchten van het geloof zijn.

Dat er slechts twee sacramenten zijn, namelijk, de doop en het avondmaal van de Heere Christus.

Dat de mis geen offerande is voor de levenden en de doden.

Dat hij in twee jaren geen mis had bijgewoond.

Dat hij te Wittenberg het sacrament in beide gestalten, namelijk in brood en wijn, zoals Christus het Zelf had ingesteld, had ontvangen.

Dat de andere vijf geen sacramenten zijn, die in de Schrift gegrond waren.

Dat er drieërlei biecht is: De eerste die van het geloof, welke alle dagen nodig is. De andere die der liefde welke plaats heeft, wanneer ik mijn naaste vertoornd heb, en mij weer met hem verzoen, Matth. 18. De derde is die, wanneer men onder benauwdheid van het geweten raad vraagt aan een geleerd man, of aan een dienaar der gemeente, om uit Gods Woord te mogen vertroost worden.

Dat er geen andere voldoening voor de zonden is dan alleen het lijden en sterven van onze Heere Jezus Christus voor ons arme zondaars geschied.

Dat de priesters vrouwen mogen trouwen, en dat hun gelofte Gods Woord niet krachteloos mag maken. Dat het niet in onze macht is zich van vrouwen af te houden, maar dat Gods genade dat geven moet.

Dat wij alleen door Christus vrij zijn.

Dat de mens in goddelijke zaken geen vrije wil heeft.

Dat er geen vagevuur in de Heilige Schrift beschreven noch gevonden wordt.

Dat alle dagen even heilig zijn; dat het nochtans goed is, dat men in de week, zoals dit des Zondags geschiedt, bijeenkomt, om het Woord van God te horen, en te bidden voor alle noden.

Dat men geen onderscheid in spijs moet maken, alsof de een meer verboden ware dan de andere.

Dat men de gestorven heiligen niet behoort aan te roepen of als voorsprekers te vereren, maar God aan te roepen en Hem alleen te dienen. Dat wij ook geen anderen Middelaar hebben dan Jezus Christus, Die ons van God tot een Middelaar geschonken is, zoals de Schrift zegt. Dat men in de heiligen alleen de genade en de weldaden Gods moet opmerken, en God in Zijn heiligen prijzen en niet de heiligen zelf.

Toen hem gevraagd werd, wat hij van de maagd Maria dacht, antwoordde hij, dat zij een persoon was, die door de almachtige God hoog was begenadigd, om de moeder te zijn van Zijn allerliefste Zoon, doch uit genade en niet om haar verdiensten. Hierop zei de Leraar Rosin: "Nochtans zingt de christelijke kerk: "Quia tu meruisti portare," dat is: omdat gij hebt verdiend te dragen."

Daarop antwoordde Leonhard, dat Maria in haar lofzang (Magnificat) zelf anders betuigt; want zij zegt: "Hij heeft de nederigheid van Zijn dienstmaagd aangezien en de hongerigen heeft Hij met goederen verzadigd, en de rijken, dat is de werkheiligen, die op hun verdiensten roemen, heeft Hij leeg weggezonden."

Dat de paus geen macht had iemand te verdoemen, want dat zulks God alleen toekomt. Het is bekend, hoe men de ban gebruiken moet, en wel niet om te verdoemen, maar om de weerspannige en hardnekkige te dwingen en te beschamen, opdat hij zijn zonden belijdt en berouw krijgt, met bijvoeging, dat hij daarom van de gemeente Gods uitgesloten is, en alzo genoopt worde tot de gemeente terug te keren, en te begeren weer aangenomen en toegelaten te worden, zoals hij Matth. 18 staat, en gelijk Paulus deed, 1 Kor. 5.

Deze en dergelijke artikelen beleed hij in het openbaar, en legde sommige met groot verstand en verlichten geest zeer uitvoerig met de Heilige Schrift uit, zo zelfs, dat de geestelijke er doorgeroerd werd en zei: Heer Leonard, wat doet gij? wilt gij prediken?" Aldus beleed hij de waarheid voor God en de mensen op zeer vrijmoedige en onvermoeide wijze.

Eindelijk ontzetten zij hem van zijn priesterschap, deden hem de priesterlijke kleding uit en andere kleding aan, plaatsten een zwaar doorsneden muts op zijn hoofd, en gaven hem alzo als een leek aan de rechter der stad over. De bisschop van Passau en die van Regensburg baden voor Leonhard, dat men hem niet ter dood zou brengen.

De rechter nam hem mee, en bracht hem andermaal in de gevangenis, waar zijn vrienden en betrekkingen hem kwamen vertroosten, die hem tevens baden, om niet van de waarheid, om leven noch dood, af te wijken. Een kwam er tot hem en zei: "Heer Leonhard, gij zult verbrand worden." Hij antwoordde daarop: "Een andere boodschap te brengen ware beter, doch de wil des Heeren geschiede."

Daarna kwam de scherprechter tot hem, en vroeg hem, hoe hij heette. Hij antwoordde: "Ik heet Leonhard." De scherprechter hernam: “Ik kan u niet veel voorzeggen of leren. Gij weet, wat gij doen moet; ik moet nu handelen volgens het bevel van mijn genadigen heer." Toen zei Leonhard: "Lieve vriend, ik heb uw onderwijs niet nodig; doe wat u bevolen is," en hij stak zijn handen uit, die zeer stevig gebonden werden, en daar de touwen in de war zaten, vloekte de scherprechter op vreselijke wijze. Leonhard sprak hem aan en zei: "Lieve broeder, vloek niet, neem er de tijd toe, ik zal niet ontlopen."

Terwijl hij uitgeleid werd, om gedood te worden, vermaande hij het volk op zeer vurige wijze. Toen hij hij de galg kwam, en een grote menigte volks daar vergaderd zag, riep hij: "Hier is de oogst, hier zou men kunnen arbeiden. Bidt toch de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders tot de oogst uitzende." Terwijl hij aldus het volk toesprak, poogde de landsrechter dit hem te beletten,"en zei tot de scherprechter: "Maak er een einde aan, gij weet, wat u bevolen is."

Aldus werd de vrome getuige van Christus, tot op het hemd ontkleed, in het vuur geworpen, en aan een paal gebonden. Een priester kwam tot hem en zei, dat, indien hij hij enige artikelen gedwaald had, hij God om genade moest bidden, doch de heer Leonhard. wilde hem daarop niet antwoorden.

Toen het vuur aangestoken was, riep hij herhaalde malen met luider stem: "0 Heere Jezus, ik bid U, maak mij zalig." Het vuur verteerde zijn handen, voeten en het hoofd, en, toen het vuur te zwak werd, haalde de scherprechter het lichaam daar uit, wierp weer enig hout op de brandstapel, doorboorde zijn lichaam met een zwaard, stak een stok door dit gat, en wierp hem weer in het vuur, waar hij verbrandde. Aldus scheidde deze heilige martelaar van deze wereld, en wel op de 16den Augustus in het jaar 1527.

In dit jaar werd ook als ketter veroordeeld en verbrand Johannes Reuchlin, in Silezië.

 

Wendelmoet Klaasdochter

 

[JAAR 1527.]

 

Op de 15den November, in het jaar onzes Hoeren 1527, werd Wendelmoet Klaasdochter, een weduwe, van Monnikendam, in Holland, van het slot te Woerden gevankelijk te 'sGravenhage gebracht, terwijl zeventien dagen daarna de graaf van Hoogstraten, stadhouder van Holland, om harentwil mee te 's Gravenhage aankwam.

De volgende dag werd zij voor de stadhouder en de gehelen raad van Holland gebracht, waar zij de waarheid vrijmoedig in het openbaar beleed.

Toen men haar tot herroeping vermaande, en bedreigde haar te zullen verbranden, wanneer zij zich niet bekeerde, antwoordde zij; Wanneer u de macht van boven gegeven is, ben ik bereid om te lijden." Toen zei een hunner tot haar, dat zij daarom de dood niet vreesde, omdat zij die nog niet ondergaan had, waarop zij antwoordde: "Dat is zeker waar; ik zal ook de dood nimmermeer smaken, want Christus zegt: "Zo iemand Mijn woord bewaart, die zal de dood niet zien in eeuwigheid."

Toen men haar aangaande het sacrament, waarom zij inzonderheid gevangen genomen was, vroeg, wat zij daarvan dacht, zei zij: "Ik houd uw sacrament voor brood en meel en wilt gij het voor uw God houden, dan zeg ik u, dat het uw duivel is."

Aangaande de heiligen zei zij, dat zij geen anderen Middelaar of Voorspraak kende dan alleen Jezus Christus, Die aan de rechterhand des Vaders zit en voor ons bidt.

Als men haar, daar zij hardnekkig haar mening staande hield, andermaal aanzegde, dat zij sterven moest, en dat het goed zou zijn, wanneer zij zich daartoe met een oprechte biecht voorbereidde, antwoordde zij, dat zij nu reeds gestorven was, maar dat de Geest in haar leefde, want zij was in Christus, en Christus was in haar; dat zij hij de Heere Christus gebiecht had, Die al haar zonden had weggenomen. Niettemin vroeg zij, wanneer zij iemand vertoornd had, dat men dit haar dan vergeven wilde.

Toen zij daarna weer naar de gevangenis geleid was, werd zij intussen door velerlei mensen bezocht en aangevochten. Onder anderen kwam er een eenvoudige vrouw tot haar, beklaagde haar en zei eindelijk: "Kunt gij toch niet denken, wat gij wilt en stilzwijgen, dan zoudt gij niet behoeven te sterven." Daarop antwoordde Wendelmoet: "Lieve zuster, het is mij bevolen te spreken, en ik word er toe geroepen, zodat ik niet zwijgen mag."

Des Zondags morgens bracht men haar op het Hof, waar haar weer werd aangeraden, dat zij zou herroepen; maar zij antwoordde zeer vrijmoedig en zei: “Ik blijf hij mijn Heere mijn God, en ik zal van Hem niet afwijken in leven noch in sterven." De deken van Naaldwijk, ondercommissaris of inquisiteur of kettermeester, las vervolgens het vonnis, aangezien zij bevonden was niet op de rechte wijze in het heilige sacrament te geloven, en daarin volhardde, werd zij als een ketterse veroordeeld en overgeleverd in de handen van de wereldlijken rechter, die echter verklaarde en betuigde, dat hij niet toestemde in haren dood.

Daarna verliet hij als geestelijke de raad, daar hij in bloedige zaken niet oordelen mocht. Vervolgens las de kanselier haar vonnis, hetwelk inhield, dat zij tot as zou worden verbrand, en haar bezittingen zouden in beslag genomen en verbeurd verklaard worden. Nadat zij onophoudelijk door een monnik gekweld werd, om het kruis te kussen, of te vereren, wat zij echter van haar stiet, betrad zij met een opgeruimd gemoed en onveranderd aangezicht het schavot, waar zij door de scherprechter werd geworgd, terwijl zij haar ogen zo zedig neersloeg, alsof zij in slaap gevallen ware. Toen zij zich niet verroerde en de geest gegeven had, ontstak men het vuur en verbrandde haar, hetwelk geschiedde op de 20ste November in het jaar onzes Heeren 1527.

 

Martha Porzicz te Praag verbrand

 

[JAAR 1527.]

 

Martha Porzicz, een vrouw die uitmuntte in haar geslacht, en door de leraars in het college als ook door de rechters in het rechthuis werd ondervraagd, gaf op zeer kloekmoedige wijze rekenschap van haar geloof, en bracht de valse Hussiten, die de paus vleiden, hun dwaasheid onder het oog. Toen de opziener haar zei, dat zij zich van een kleed moest voorzien, om daarin verbrand te worden, antwoordde zij: "Een hemd en mantel zijn mij bereid, wanneer het mijn Leidsman zal behagen te gebieden." En, toen de omroeper zei, dat zij de sacramenten had belasterd, antwoordde zij: "Dat is zo niet, maar ik word veroordeeld omdat ik volgens de mispriesters niet wilde belijden, dat Christus met Zijn beenderen, haar, zenuwen en aderen in het sacrament is." Terwijl zij haar stem naar de zijde van het volk verhief, ging zij voort "Geef deze mispriesters geen geloof, want zij zijn leugenachtige bedriegers, buikdienaars, dronkaards, overspelers en Sodomieten," Toen zij uitgeleid en geboden werd voor het kruisbeeld haar gebed te doen, keerde zij dit de rug toe, hief haar ogen naar de hemel en zei: “Daar is onze God; daarheen moeten wij onze ogen verheffen." Daarna begaf zij zich naar de brandstapel, en stond de smart van het vuur met een standvastig gemoed door. Dit had plaats op de 4e December in het jaar onzes Heeren 1527.

 

George Carpentarius

 

[JAAR 1527.]

 

George Carpentarius van Emering, werd te München, een stad in Beieren, om de belijdenis van het evangelie, in een gevangenis, Valkentoren genaamd, gevangen gehouden, en door twee scherprechters uitgeleid om zijn vonnis te vernemen. Om hem te vermanen volgden hem twee Minderbroeders, wien hij echter zei, dat zij thuis zouden blijven.

Toen hij voor het raadhuis stond, las men hem vier artikelen voor, namelijk:

1. Dat hij niet geloofde, dat de priesters macht hadden iemand de zouden te vergeven.

2. Dat geen mens God uit de hemel kan doen neerdalen.

3. Dat God in het brood, wat de priester op het altaar uitdeelt, niet besloten is; en dat ook het brood van nature en wezen niet verandert.

4. Dat de water doop geen zaligheid aanbrengt.

Hem werd bevolen deze artikelen te herroepen; doch hij wilde de waarheid in geen dele verloochenen.

Ook de stadsonderwijzer kwam tot hem en vroeg hem: "George, bent gij ook bevreesd voor de martelingen, die gij zult moeten ondergaan? Indien men u losliet, zoudt gij niet tot uw vrouw en lieve kinderen willen gaan?" Hij antwoordde: "Waar zou ik liever willen heengaan dan daar?" De onderwijzer zei: “Herroep dan, wat gij beleden hebt, en gij zult losgelaten worden." George hernam: Ik heb mijn vrouw en kindertjes zo lief, dat ik er al de inkomsten van het gehele land van de hertog van Beieren niet voor in de plaats wil nemen; nochtans wil ik die allen graag verlaten om mijn Heere."

Toen hij naar de gerichtsplaats geleid werd, sprak de onderwijzer hem andermaal aan en zei: "Lieve George, geloof aan het sacrament van het altaar en belijd, dat het geen bloot teken is." Hij antwoordde. “Ik weet zeker, dat het sacrament een teken is van het lichaam van Jezus Christus, Die voor ons aan het kruis overgeleverd is. Deze Christus wil ik voor de gehele wereld belijden. Hij is mijn Zaligmaker, en in Hem geloof ik." Eindelijk vroeg de onderwijzer nogmaals, of hij in Hem geloofde en op Hem zijn vertrouwen stelde, Die hij zo onbevreesd met de mond beleed. George antwoordde daarop: "Het zou mij moeilijk en zwaar zijn de dood tegen te gaan, wanneer ik dit niet zo vast geloofde, als ik het met de mond belijd. Bovendien weet ik zeer goed, dat de toestand der christenen meebrengt, dat, waar ik Christus aanhang, ik vervolging zal moeten lijden."

Er kwam ook een priester tot hem, die hem vroeg, of hij het ook goed vond, dat men ira zijn dood voor hem zou bidden en hij missen voor hem doen zou. “Ik verlang alleen van u," zei hij, "dat gij voor mij bidt, zo langer leven in mijn lichaam is, opdat God mij geduld schenkt, teneinde ik met allen ootmoed in het christelijk geloof de pijnigingen mag ondergaan; maar, als mijn ziet van het lichaam gescheiden is, heb ik geen gebeden meer nodig."

Toen hij op een ladder gebonden was, richtte hij zeer treffende christelijke vermaningen tot het volk. Daarna bezochten hem christelijke broeders, die hem baden, dat, wanneer hij in het vuur lag, hij dan enig teken van zijn geloof tonen zou. Hij antwoordde: "dit zal u een teken zijn: zo lang ik mijn mond zal kunnen openen, zal ik niet nalaten de naam van Jezus te belijden." Hij was zo standvastig, dat zijn aangezicht niet veranderde en altijd even blijde en vrolijk ging hij naar de brandstapel.

Terwijl de beide scherprechters hem met de ladder oprichtten, sprak hij al lachende een christenbroeder aan, nam afscheid van hem, en vroeg hem vergeving voor hetgeen hij aan hem misdaan had, totdat hij op de brandstapel geworpen werd, waar hij herhaalde malen Jezus Christus aanriep. Toen de beul hem omkeerde, verhief hij zijn stem nog en riep: "Jezus, Jezus," en gaf aldus zijn geest aan God over, in het jaar van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1527.

 

Patrick Hamilton

 

[Jaar 1528.]

 

Patrick Hamilton was geboren uit een adellijk gedacht van Hamilton, ja zelfs verwant aan de koning van Schotland. Op bijna 23-jarige leeftijd was hij reeds, door zijn goed ontwikkeld verstand, in geen geringe mate in Gods Woord bevestigd en opgebouwd. Uit Schotland vertrok hij naar de hoge school te Marburg in Hessen, teneinde nog betere gronden voor de Evangelische waarheid te leggen, waar hij dan ook zeer in kennis toenam.

Daarna keerde hij van Marburg naar Schotland terug, en predikte daarin het openbaar en onbevreesd het Evangelie. Toen dit de hogere geestelijken en priesters, benevens andere dienaren van de antichrist vernamen, vergaderden zij in de stad St. Andries, en beraadslaagden daar, hoe zij omtrent Patrick handelen zouden. Dat hij van koninklijk bloed was, kwam hij hen niet in aanmerking. Zij legden het er op toe om hem gevangen te nemen en te doden, waartoe zij de koning van Schotland, die nog jong was, en geen groot verstand had, gemakkelijk konden bewegen.

Zij gelastten Patrick ook daar te komen, teneinde op de 1e Maart in het jaar 1528 voor hen te verschijnen. Patrick, met ijver bezield om belijdenis van de christelijke waarheid af te leggen, kwam daar een dag vroeger dan hij ontboden was. Nauwelijks had men vernomen, dat hij gekomen was, of hij werd door de bovengenoemde geestelijken beschuldigd. En, aangezien hij in de belijdenis van het evangelie volhardde, en dit niet wilde verloochenen, deden zij hem in de ban, namen hem gevangen,en veroordeelden hem ter dood. Aldus werd hij in het openbaar verbrand, en aan de almachtige God opgeofferd in het jaar 1528, op de leeftijd van 24 jaren.

 

Hendrikus, uit Vlaanderen

 

[JAAR 1528.]

 

Hendrikus, in Vlaanderen geboren, was een Augustijner monnik, die later het monnikspak en dat leven vaarwel zei, en in het huwelijk trad. Daarna reisde hij als een koopman, en werd te Kortrijk, om het Evangelie, gevangen genomen, en naar Doorrijk gebracht. waar hij gedurende zeven maanden in een diepe gevangenis geboeid lag. Eindelijk beloofde mr. Balthazar Cordensis hem het behoud van zijn leven, indien hij belijden wilde, dat de vrouw, die hij getrouwd had, een hoer was. Hij wilde dit in geen dele doen, maar bleef volstandig in de eenmaal afgelegde belijdenis van het geloof. Vervolgens werd hij van zijn priesterschap en monnikenorde ontzet, waarover hij met vrolijk gemoed de Heere dankte en zong: “Te Deum laudamus; te Dominum confitemur."

Daarna werd hij veroordeeld om levend verbrand te worden, welke pijn hij, om de naam van Jezus Christus, met bewonderenswaardige standvastigheid doorstond in het laatst van de maand April, in het jaar onzes Heeren 1528.

 

Steven Renier

 

[JAAR 1528.]

 

Te Nonnay, in Languedoc, in het aartsbisdom Vienne gelegen, bestond een kast, die men gewoonlijk "de heilige deugden" noemde. Het volk had zich laten wijsmaken, dat zij een groot en wonderlijk heiligdom bevatte, hetwelk nooit iemand gezien had, aangezien de kast gewoonlijk boven aan het gewelf der kerk bevestigd was, terwijl de mispriesters van haar zeiden, dat toen op zekere tijd iemand erin wilde zien, die daarom blind en lam gas geworden. Deze kast werd opzekeren Hemelvaartsdag van boven gelaten, en met grote pracht omgedragen, zodat mannen, vrouwen en kinderen van alle zijden in het hemd en met ontblote hoofden en voeten samen liepen, en zichzelf gelukkig achtten, wanneer zij haar kussen mochten. Toen op zekere tijd deze kast door het slot werd gedragen, werden alle gevangenen losgelaten, zelfs zij die de grootste schelmstukken bedreven hadden, uitgenomen de aanhangers van Luthers leer.

Toen deze stad in zulk een duisternis verzonken lag, zond God, in het jaar 1528, een leraar der Heilige Schrift daarheen, Stefanus Machapolis genaamd, een bedelmonnik, die naar Saksen gereisd was, om Dr. Martinus Luther te zien en te horen. Deze begon tegen het bovengenoemde misbruik en alle andere afgoderij en het bijgeloof in het openbaar te prediken; doch hij zag zich verplicht van daar te gaan en zich naar een andere plaats te begeven. In dezelfde stad kwam een ander, een Franciscaner monnik, Steven Renier genaamd, die zich nog beter van zijn plicht kweet.

Deze werd daarom gevangen genomen, doch hij bleef standvastig tot het einde, zodat hij de goddelijke waarheid met zijn eigen bloed te Vienne verzegelde. waar hij levend verbrand werd, terwijl de Heere hem met een bijzondere standvastigheid versterkte.

 

Een glasblazer en een riemsnijder

 

[JAAR 1528.]

 

Onder de regering van Ferdinand de eerste, werden twee Hoogduitse handwerkslieden, van wie de een glasblazer en de ander een riemsnijder was, door de monniken als Lutheranen aangeklaagd en door de geestelijken te Praag tot de vuurdood veroordeeld. Toen zij naar de gerichtsplaats gebracht werden, bespraken zij vele zaken uit de Heilige schrift, zodat zij zelfs enige tot schreien bewogen. Aan de paal geplaatst zijnde, versterkte de een de ander op bemoedigende wijze; want toen de glasblazer zei: "Daar de Heere Jezus zeer wrede dingen voor ons heeft geleden, laat ons ook deze dood graag ondergaan, en ons verblijden, dat ons deze genade wedervaart van voor de wet Gods te lijden, antwoordde de riemsnijder: “Ik heb op mijn bruiloftsdag zulk een blijdschap niet gesmaakt als ik nu gevoel. Toen het hout werd ontstoken, baden zij met luider stem: "Heere Jezus Christus, Gij hebt in uw benauwdheden voor uw vijanden gebeden. Wij bidden dan ook, vergeef de koning, die van Praag en de geestelijkheid, want zij weten niet wat zij doen, en hun handen zijn vol bloed. Allerliefste mensen, bidt voor uw koning, dat hem de Heere de kennis der waarheid geve, want de bisschoppen en de geestelijkheid verleiden hem." Na deze zeer godvruchtige vermaning uitgesproken te hebben, ontsliepen zij zeer zacht in de Heere, op de 28sten Augustus, in het jaar onzes Heeren 1528.

 

Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd Schlosser

 

[JAAR 1529.]

 

Mr. Jakob Keyser was een bedienaar van het goddelijke Woord te Schwarzenbach, in de heerschappij Brijsenzee, onder het gebied van Zürich. Hij was geboortig van Uznach, uit het Baseal, hetwelk die van Schwyz toebehoorde. Toen hij eens, op het voortdurend aanhouden van zijn landslieden, in de week naar Oberkirch gegaan was, en daar het Evangelie gepredikt had, werd hij in het bos te Eschenbach door enige lieden van Schwyz gevangen genomen, en wel de 22ste Mei 1529, en van daar weggevoerd naar het hoofdvlek Schwyz. En, ofschoon de heren van Zürich voor hem tussenbeiden traden, teneinde hem in het leven te behouden, werd hij toch de 29sten Mei daar levend verbrand. In het begin was hij wat kleinmoedig, maar werd daarna in de dood gesterkt, en riep God, door Jezus Christus, zijn enige Verlosser en Voorbidder, tot het einde vurig aan.

 

Lodewijk van Berquin

 

[JAAR 1529.]

 

Lodewijk van Berquin, uit het edele geslacht der Berquinen, in Artois geboren, was een zeer geleerd man, die koning Frans de eerste onder zijn edellieden had opgenomen. Dikwerf bestrafte hij de leraren van de Sorbonne (de godgeleerde school te Parijs) over dwalingen. Aangezien hij naar de beginselen der Evangelische waarheid handelde, waren zij hem zeer vijandig en brachten hem in groot gevaar. Door hun listige toeleg viel hij in handen van de opperste raad van Parijs, van wie hij het vonnis ontving, dat zijn uitgegeven boeken moesten verbrand worden; dat hij de artikelen, die hem ten laste gelegd werden, moest afzweren, en dat hij een eeuwige gevangenschap moest ondergaan met die verstande, dat de gehele zaak aan de wil en het goedvinden van de koning zou onderworpen blijven. En, ofschoon hij door grote en aanzienlijke mannen daartoe aangezocht en geraden werd, wilde Berquin het vonnis van de raad in geen dele gehoorzamen. Toen hij volstandig bleef en alles verachtte, werd hij eindelijk, door een ander vonnis als een hardnekkig ketter veroordeeld, en wel dat men hem eerst met een strop zou verworgen, en daarna op een plein, Grève genaamd, verbranden. Met bewonderingswaardige standvastigheid onderging hij dit alles in de maand Mei van het jaar onzes Heeren 1529.

 

Dionysius van Rieux

 

[JAAR 1529.]

 

Dionysius van Rieux was een van de eerste, die te Melden de Evangelische leer beleed, en met zijn bloed standvastig bezegelde. Hij betuigde openlijk, dat de mis een ware verloochening van de dood en het lijden van Christus Jezus was. Dit gevoelen en deze waarheid hield hij vast; doch Briconet, de bisschop van Melden, beproefde door alle:lei middelen hem hiervan af te brengen, en beloofde hem te zullen verlossen, en ook de jaarlijkse renten en voordelen te zullen geven. Doch hij stond hem zeer sterk tegen, bestrafte hem hard en zei: "Ja heer, bent gij er toe gekomen en zo uitzinnig geworden dat gij mij tot zodanige verloochening, en verzaking van mijn God wilt verleiden? Weet gij niet, dat er geschreven staat: "Wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor mijn Vader”. Deze woorden van onze Heere Jezus Christus waren hij deze vromen man derwijze in zijn hart gedrukt, dat hij die dikwerf met groten nadruk herhaalde, ja dikwerf verschrikte, wanneer hij die uitsprak.

Hij werd veroordeeld om levend verbrand te worden, en op een stuk mandwerk naar de gerichtsplaats gevoerd, terwijl hij onophoudelijk sprak en het volk vermaande, dat zij de waarachtige leer van het eeuwige leven en van de zaligheid moesten aannemen. Men had een houten kruis in zijn handen gebonden, dat hij echter met inspanning van alle krachten uit zijn handen wist los te wringen, en wierp het in een plaats, waar het water placht te vloeien. En, daar het op die dag zeer had geregend, dreef het kruis met het water weg, hetwelk de priesters en monniken derwijze speet en ergerde, dat zij zich niet konden bedwingen hem allerlei leed aan te doen. Aldus werd hij levend verbrand, en wel, volgens het verlangen van de vijanden der waarheid, onder langzame en onlijdelijke pijnigingen. Drie malen werd hij in de lucht getrokken, terwijl er een zwak vuur onder hem werd gestookt. Intussen liet hij niet na God aan te roepen, totdat hij de adem had uitgeblazen. Alzo werd deze goede en godvrezende man de Heere Christus opgeofferd, op de 3de Juli in het jaar 1529.

 

Petrus Flysteden en Adolf Clarenbach

 

[JAAR 1529.]

 

Petrus Flysteden, geboren in Gulik, kwam in de maand December van het jaar 1528 te Keulen, om daar de lieden de weg der zaligheid te leren, en de dwalingen aan het licht te brengen, waarin zij gevangen lagen, vooral de schandelijke afgoderij, die zij met het misbrood bedreven. Teneinde daartoe een geschikte gelegenheid te vinden, en dit te beter te kunnen doen, ging hij naar de domkerk, plaatste zich hij het altaar, en bleef daar met het hoofd gedekt staan. Toen nu in de mis de misouwel opgeheven werd, keerde hij zich met de rug naar het volk, zuchtte enige malen en spuwde op de grond.

Na afloop van de mis wandelde hij nog enige tijd in de domkerk rond. Door de priesters en de leken, die daar tegenwoordig waren, werd dit opgemerkt, en deze verwonderden er zich zeer over, dat hij de misgod, hun sacrament, zoals zij dit noemden, geen eer bewees, noch aanbad. Niemand evenwel vroeg hem, zoals hij gehoopt had, om welke reden hij dit deed.

De priesters haastten zich dit de opperrechter bekend te maken, die op de straat stond te wachten, totdat hij de dom verlaten zou, en hem daar aangreep en zei: Gij moet met ons mee gaan." Onverschrokken met een lachenden mond antwoordde Petrus: "Graag, daarom ben ik hier gekomen." Vervolgens brachten de dienaars hem als gevangene naar de Frankentoren.

Toen Petrus daar gedurende geruime tijd gezeten had, vaardigde de raad van Keulen enige af, die met de kettermeester en andere leraren tot hem kwamen, en hem onder vele andere artikelen ook vroegen om welke reden hij het hoogwaardig sacrament veracht, versmaad en zich daartegen zo verzet had. Petrus antwoordde, dat hij het nachtmaal des Heeren Christus niet had veracht, maar alleen het misbruik; en dat hij dit met geen andere bedoeling had gedaan, dan dat de gemeente hem daarover aanspreken zou, en hij dusdoende gelegenheid zou hebben, het dwalende volk, dat het sacrament als zijn God eerde, te onderrichten en te vermanen.

Toen zij hem vroegen, of hij over deze daad berouw had, en hij dit nog wel eens zou doen, antwoordde hij,dat het hem niet berouwde; en hij wel te Keulen zou willen komen om dit te doen, omdat het sacrament geen God is, en men zulke afgoderij, als uien daar bedreef, niet behoefde te dulden. Hij verklaarde verder, dat het slechts uiterlijke tekenen waren, die men in het geloof moest gebruiken, en daarom ook niet moesten eren, aanbidden of in een kastje sluiten. Deze en dergelijke antwoorden brachten de heren aan de raad over, waarop werd besloten, dat, wanneer hij zijn voornemen niet liet varen, men hem aan de opperbestuurder van het hoogwereldlijk gericht zou overleveren, om hem terecht te stellen. Toen hij overgeleverd werd, ging hij met een opgeruimd gelaat naar het huis van de opperbestuurder, zodat zelfs ieder er zich over verwonderde. Evenmin was hij mismoedig, toen hij in de kelder gebracht werd. Daar enige tijd vertoefd hebbende, lieten de opperbestuurder en de schepenen hem er uit halen, teneinde hem aan het gestrengste onderzoek te onderwerpen, terwijl zij meenden hem tot herroepen te zullen dwingen. Zij pijnigden hem zo lang, dat het de beul zelf, zoals hij betuigd heeft, begon te hinderen; die hem dan ook niet langer wilde martelen. Zij wonnen er echter niets anders hij, dan dat hij alleen tot God zuchtte, en Hem om troost en hulp aanriep, en ook dankte, dat Hij hem waardig keurde, om Zijns Woords wil te lijden. Toen zij niets op hem vermochten, lieten zij hem weer in het blok geboeid liggen, spijzigden hem met brood en water, pijnigden hem van tijd tot tijd, en dreigden hem nu en dan met een zwaard en de brandstapel, opdat hij herroepen zonde.

Daarna bracht men hij hem Adolf Clarenbach, die vroeger onderwijzer te Wezel was, en te Keulen, om de Evangelische waarheid, die hij standvastig beleed, werd gevangen genomen. Vervolgens werd hij, na veel met de leraren en schriftgeleerden over het aanbidden van de heiligen, over de pauselijke macht, over de mis, over het vagevuur en over andere menselijke instellingen en geboden gesproken te hebben, aan de wereldlijken rechter overgeleverd, en alzo hij deze vromen getuige van Jezus Christus, Petrus Flysteden, in de gevangenis gebracht.

Terwijl zij aldus hun dagen in verdrukking doorbrachten, rustten de bloeddorstige schriftgeleerden en leraren niet, en zetten de rechters tegen hen op, teneinde zo hun onschuldig bloed te doen vloeien. Een zekere ziekte,die toen te Keulen heerste, legden zij de gelovigen ten laste, terwijl zij riepen dat God vertoornd was, omdat men de ketters in het leven liet. Zij brachten het eindelijk door hun schreeuwen zo ver, dat men deze beide vrome belijders der waarheid zou doen sterven, wanneer zij niet wilden herroepen.

Toen dit besloten was, kwam op de 7den September 1529, de opperbestuurder in de avond tot hen, en vroeg hun, of zij niet wilden herroepen. Als zij dit weigerden, vertrok hij. Daarna verschenen er hij hen enige priesters, teneinde hen te onderwijzen, die ook tot hen zeiden, vooral het woord tot Clarenbach richtende: "Lieve Adolf, wij zijn hier niet gekomen om lang met u te redetwisten, maar wij verlangen wel, dat gij het einde wilt bedenken, en niet zo hardnekkig aan uw mening blijft vasthouden; ten allen tijde zijn er toch vele vrome en heilige mensen geweest, God de Heere laat ons immers niet allen dwalen." Adolf antwoordde: "Zo spreken zij gewoonlijk allen; maar wij houden ons aan de Heere Jezus Christus en aan Zijn heilig Woord, niet aan de mensen, en zo kunnen wij niet dwalen. Dat Woord zullen wij belijden zo lang onze mond open is en wij kunnen spreken."

Des anderen daags, omtrent 9 uur kwam de opperbestuurder, en leidde Petrus en Adolf uit de gevangenis, terwijl de beul beiden aan elkaar bond. Toen loofden zij God de Heere, en spraken: "Lof, eer en dank zij U, almachtige Vader, dat Gij deze dag hebt laten aanbreken, waarnaar wij zo lang verlangd hebben. 0 Heere, zie toch neer, want het is tijd." Daarna werden zij naar het gerecht geleid, om het vonnis te horen, en zo verder naar de galg, waar zij heerlijke vermaningen richtten tot het volk, elkaar vertroostten, en de Heere dankten en prezen. Toen zij buiten op het veld kwamen, beleed Adolf, dat zijn hart en gemoed zo vrolijk was, en hij niet geloofde, dat er grotere vreugde op aarde gesmaakt kon worden.

Daar vroeg een monnik hem, of men ook zielsmissen voor hen lezen zou, in dat geval wilden zij het geld daartoe hij het volk inzamelen, zoals gewoonlijk plaats had. Adolf antwoordde: "Geenszins; ik vraag naar uw gewoonte niet, of meent gij, dat onze zielen in de zak der priesters moeten varen?”

Vervolgens begon Petrus in het kort zijn geloof aan het volk mee te delen, hoewel de opperbestuurder hem herhaalde malen in de rede viel, en maakte het volk de artikelen duidelijk, waarom zij moesten sterven. Toen de opperbestuurder dat hoorde, zei hij tot de scherprechter: “Hang de boef op!" Petrus zei tot de opperbestuurder: “Heer opperbestuurder, gij begint het bloed der christenen te vergieten; zie voor uzelf toe, wat gij doet, opdat gij het voor God kunt verantwoorden. Pilatus wist niet, wat hij deed; maar gij weet wel, wat gij doet, en waarom gij het doet. Ga nu heen en zeg, dat gij aan het bloedvergieten onschuldig bent. Er staat geschreven: "Gij Rechters, oordeelt, wat recht is." Vervolgens trad de scherprechter op Petrus toe, en trok hem de klederen, tot op het hemd, uit, en bond hem de handen op wrede wijze over elkaar. Toen kwam Adolf tot hem, en zei: "Broeder, wees sterk in de Heere en vertrouw op Hem; want heden zullen wij met Christus onze broeder in eeuwigheid leven. Wees standvastig in het geloof, en vrees het vuur niet. Ik zal ook op de Heere vertrouwen en Zijn Woord zal mijn zegel zijn." Petrus antwoordde: "Ik wil sterven als een christenmens." Toen nam de beul hem, en leidde hem in de hut, die van hout en stro was samengesteld, zette hem aan de paal, wierp een keten om de hals, zodat hij niet meer spreken kan, en met zijn voeten begon te spartelen, en hij blies daarop de laatste adem uit.

Toen Adolf zich ontkleed had, ging hij zelf vrijwillig naar de hut, sloeg zijn ogen naar de hemel en dankte de Heere. Als hij in de hut kwam, en zag, dat Petrus de geest gegeven had, sprak hij hij zijn lijk: "Broeder, hebt gij de geest gegeven, dan is de Heere genadig geweest; ik wil u spoedig volgen." Toen hij zich aan de paal geplaatst had, bond de scherprechter hem, hing hem een zak buskruit aan de hals, en stak het vuur aan. Adolf verlangde, dat men hem intussen de belijdenis des christelijken geloofs zou voorlezen, wat een monnik dan ook deed. Toen dit geëindigd was, zei Adolf: Dit geloof ik, en hij dit geloof wil ik leven en sterven."

Terwijl intussen het vuur begon te branden en al feller werd, riep Adolf met luide stem: "0 Heere, in Uw handen beveel ik mijn geest." Daarna ontplofte het buskruit en verstikte hem, zodat hij niet meer spreken kon, en gaf de geest. Aldus werden hun lichamen samen verbrand in het jaar 1529.

 

Willem van Zwolle

 

[JAAR 1529.]

 

Willem van Zwolle was vroeger in groot aanzien hij Christiaan, koning van Denemarken, en gesteld over de vestingwerken. Toen hij daarna in de leer van het Evangelie onderwezen was, beleed hij die, waar hij ook kwam, met grote standvastigheid. Op aanhitsen van de schriftgeleerden en farizeese drogredenaars van Leuven, werd hij te Mechelen, in Brabant, gevangen genomen, omdat hij van de waarheid des Evangelies een vrijmoedige belijdenis had afgelegd. Deze hielden hem enige schriftelijke artikelen voor, met het bevel, dat hij die binnen twaalf dagen moest beantwoorden. Deze artikelen waren de volgende:

1. Of het een christen vrij staat een eed te doen, als de overheid die van hem eist.

2. Hoe ver de pauselijke macht zich uitstrekt.

3. Of er geen vagevuur is, waarin de zielen na dit leven gepijnigd worden.

4 Of men de gestorven heiligen moet aanroepen.

5. Of het niet genoeg is, als men het sacrament onder één gestalte ontvangt.

6. Of men op verboden dagen boter, eieren en vlees mocht eten.

7. Of niet zij, die de gelofte van een kuis leven hebben afgelegd, schuldig zijn hun gelofte te vervullen.

8. Of men de geboden der kerk en die des keizers niet moest gehoorzamen, die verboden om boeken van Luther te kopen, te bezitten en te lezen.

Op deze artikelen antwoordde Willem schriftelijk en zond het antwoord toe aan de deken van Leuven.

Aangaande het 1e artikel, betreffende het eedzweren, zei hij, dat een christen met een goed geweten mocht zweren hij de naam van God, als hij daartoe verzocht werd van de overheid om de waarheid te bevestigen van die dingen, welke de ere Gods en de welvaart van de naaste betreffen; maar in onbeduidende zaken moeten onze woorden zijn ja, ja, en neen, neen, volgens de leer van Christus, Matth. 5, vs. 37.

Op het 2de artikel, betreffende de pauselijke macht antwoordde hij: "Zo lang de paus het wereldlijke zwaard gebruikt, en zich aan de gehoorzaamheid der overheid onttrekt, en hij er zich niet om bekommert, hoe hij het geestelijke zwaard zal aanwenden, namelijk Gods Woord, Ef. 6, zo lang heeft hij geen macht, om het geweten te binden of te ontbinden.

Op het 3de artikel, dat van het vagevuur spreekt, zei hij, dat hij liever wilde sterven, dan te geloven dat er een vagevuur is, zoals de pausgezinden zich inbeelden en voorgeven. Want een oprecht christen weet hij zijn sterven, dat hij zalig is, en dat hij, die niet gelooft, veroordeeld is, zodat de missen, de nachtwaken en jaargetijden de stervenden niet kunnen baten.

Op het 4de, betreffende de aanroeping van gestorven heiligen, zei hij, dat de heilige Schrift daarvan niets leert, maar dat heiligen, zo lang zij op aarde leven, getrouw voor elkaar moeten bidden, dat wij een enige Middelaar en Voorspraak in de hemel hebben, Jezus Christus, en dat hij zich daarmee tevreden stelde.

Op het 5de, betreffende het sacrament van het lichaam en het bloed van Christus, geloofde hij, dat Christus het Zijnen discipelen tot een Nieuw Testament had gegeven, dat hij de mis niet hield voor een offer of genoegdoening voor de doden, aangezien het bloed van Jezus Christus, aan het kruis vergoten, voor alle gelovigen voldoende is. Verder beweerde hij, dat het tegen het bevel en instelling van Christus was, dat men de leken daarvan alleen het brood gaf; ja, dat dit zelfs was tegen de geestelijke rechten van de paus. Dat men hieruit bespeuren kon, hoe onzinnig deze valse leraars zijn, daar zij niet alleen tegen Gods Woord, maar ook tegen hun geestelijke rechten handelen, die zij nochtans in het algemeen hoger achtten dan Gods Woord.

Op het 6de verklaarde hij, dat het allen gelovigen ten allen tijde geoorloofd is vlees te eten, zo het slechts matig en met dankzegging geschiedt, doch voor zich moesten toezien, dat zij er niemand door ergerden. "Overigens zijn alle dingen," zei hij, de gelovigen rein; maar de ongelovigen is niets rein, omdat hun gemoed onrein is." Ik heb er nochtans niet tegen, dat in lijden van droefheid vastendagen worden ingesteld, zoals op het bevel van de koning van Ninevé geschiedde, teneinde men door zodanige uitwendige handelingen het volk tot hartelijk berouw en het inroepen van Gods barmhartigheid opwek. Wie nu in dit geval het bevel van de koning, van de keizer of van de overste veracht en overtreedt, vertoornt daarmee God de Heere zwaar. Wanneer overigens een gelovig christen vlees, boter of eieren eet, zo eet hij dit, volgens de leer van Paulus, de Heere, zonder onderscheid te maken in de dagen, waarbij hij moet zorgen, dat de naaste daardoor niet worde geërgerd.

Op het 7de, betreffende de geloften der monniken en nonnen, zei hij: “In de Heilige Schrift kan ik de instelling door God van zulke orden niet vinden, maar dit geschiedt alleen door de mensen buiten het Woord van God. Daarom behoren zulke lieden het kloosterleven vaarwel te zeggen, aangezien hun verrichtingen, waaimede zij de zaligheid menen te verdienen, rechtstreeks strijden tegen de Heilige Schrift.

Op het 8e, waarin over het lezen van Luthers boeken gesproken was, zei hij “Ik heb die gelezen, niet om daardoor de keizerlijke majesteit te verachten, maar om te onderzoeken, wat goed of kwaad was, en vooral om de waarheid te onderscheiden van menselijke leringen en dromerijen, opdat ik de laatste zou kunnen verwerpen.

Om deze oude afgelegde en beproefde belijdenis van het geloof, waai in hij tot het einde toe wilde volharden, verklaarden de bovengenoemde drogredenaars van, Leuven hem voor een ketter, en leverden hem over aan de wereldlijke overheid.

In zijn gevangenschap heeft hij, een geleerde en godzalige man zijnde, zijn laatste wil en belijdenis, benevens zijn gevoelens over de rechtvaardigmaking, de sacramenten, de mis, het vagevuur, de aanroeping van de heiligen, de pauselijke macht, de menselijke instellingen en andere punten, in schrift gesteld, dat later door Johannes Bugenhagen Pomeranus te Wittenberg, in druk werd uitgegeven.

Toen deze getrouwe getuige van Jezus Christus in handen der overheid te Mechelen was overgeleverd, veroordeelde deze hem tot de vuurdood, en alzo werd hij tot as verbrand, op de 20sten Oktober 1529.

In dit jaar verwierp men ook te Straatsburg en te Bazel de leer van de paus, en werd daar de leer der waarheid aangenomen, waardoor vele harten vertroost werden.

Spoedig daarna, en wel in het laatst van de maand Februari 1531, maakten de vorst van Saksen, de landgraaf Johan Philips en enige andere vorsten en aanzienlijken des rijks te Smalkalden een verbond, waarvan de inhoud was, dat men de Evangelische leer zou voorstaan en handhaven.

 

George Scharer, van Salveld

 

[JAAR 1529.]

 

Nadat George Scharer gedurende negen jaren wereldlijk priester geweest was, ging hij, teneinde God te beter te kunnen dienen, in het klooster der Barrevoetermonniken. Maar, aangezien hij het daar anders vond dan hij wel gehoopt had, zei hij de monnikskap vaarwel; want hij vond daar niet anders dan haat, nijd, geschil, twist en tweedracht, een geveinsd leven, schijnheiligheid, maar geen goede daden. Toen de lust in de waarheid van het Evangelie in hem ontwaakt was, wilde hij niet langer in de broederschap van St. Franciscus blijven, maar ging over tot de gemeenschap van Jezus Christus, "want St. Franciscus," zei hij, "heeft voor mij niet geleden; hij is ook voor mij niet gestorven; hij is ook niet mijn Middelaar en Verlosser, Christus is voor mij gestorven; die alleen is mijn Middelaar en Verlosser. Door Hem alleen kan ik zalig worden."

Gedurende enige tijd verkondigde hij te Rastad, in Beieren het Evangelie, en werd om die reden gevangen genomen. Toen men hem aangaande zijn geloof ondervroeg, legde hij een vrijmoedige belijdenis af, zowel mondeling als schriftelijk, waarom hij later werd onthoofd. Men was eerst voornemens hem levend te verbranden, doch uit genade werd hij met het zwaard gestraft, met de bepaling nochtans dat men zijn lijk zou verbranden.

Toen hij naar buiten geleid werd, riep hij met een blijmoedig hart de Heere aan, en deed een innig gebed. Daarna sprak hij de omstanders aan en zei: "Zo zeker ik als een christen sterven wil, om het Woord des Heeren, zo zeker zal ik u een teken geven." Hij zijn onthoofding viel hij op de buik, en bleef een geruime tijd liggen. Daarna keerde het lijk zich langzaam om op de rug, de rechter voet over de linker geslagen en de rechter hand over de linker.

Toen de omstanders dit zagen, greep hen een grote ontzetting en schrik aan. De overheid beval nu, dat men het lijk niet zou verbranden, maar begraven. Dit geschiedde omtrent het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1529.

 

Theunis Teecksen, van Naarden in het Gooiland

 

[JAAR 1530.]

 

Nadat Theunis Teecksen, van Naarden, geruime tijd aan de hogeschool te Leuven gestudeerd had, en zeer in de vrije kunsten en geleerdheid uitblonk, keerde hij naar Naarden terug, waar hij zijn tijd in allerlei ijdelheid doorbracht, zoals dikwerf studenten gewoon zijn te doen. Zijn dagelijkse bezigheid bestond alleen in het, in gezelschap van anderen, najagen van vermaken. Dit duurde zo lang, totdat het God behaagde zijn verstand te verlichten, en hem van een Saulus tot Paulus te maken.

Omtrent het jaar 1530 geschiedde het, dat deze Theunis, terwijl hij op een wandeling buiten de stad was, door God derwijze geslagen werd, dat hij neerviel, en door vier mannen voor dood werd tehuis gebracht. Toen hij later tot zichzelf kwam, zag men aan hem, wat hier boven reeds gezegd is, dat God hem in een Paulus had veranderd, want van die tijd af liet hij zijn wild, woest en ijdel leven varen, en trad, als een discipel van Jezus Christus Diens school binnen. Vroeger had hij het kisten maken geleerd, en wat hij daarmee verdiende, deelde hij op milde wijze uit aan de armen. Vervolgens benaarstigde hij zich, als een andere Paulus, om, naar de mate zijner gaven, de mensen de rechte wegen des Heeren voor te stellen, de instellingen der mensen te bestraffen, en te leren, dat men zich aan Gods Woord alleen behoorde vast te houden. Hij betoonde ook een groten afkeer te hebben van de verordende heilige dagen des pausdoms; van de gruwel der mis met alles, wat daartoe behoorde. Om dit alles was hij hij de godvrezenden zeer bemind, zodat zij dagelijks zijn gezelschap zochten, om van hem uit Gods Woord onderwezen te worden, hetwelk dan ook met rijke vruchten werd gezegend.

Aangezien echter de duivel onze aartsvijand is en een vader der leugens, begon hem dit al spoedig te ergeren, en hij zocht dit dan ook door zijn handlangers te verhinderen, hetwelk hem ook ten dele gelukte. Was hij hij velen, om zijn deugdzaam leven en goed onderwijs bijzonder bemind, aan de anderen kant werd hij ook door velen gehaat. Zijn vijanden brachten het zover, dat hij hij de procureur-generaal, Mr. Brunt, van Amsterdam, hij het Hof van Holland werd aangeklaagd als iemand die dagelijks verleiding en oproer onder het volk teweeg bracht. Over deze aanklacht werd hij door de procureur-generaal aan het Hof ontboden. In gezelschap van zekere Meijnart, van Heusden, die later de betrekking van ambtenaar te Arnemuiden in Zeeland bekleedde, verscheen hij daar met grote vrijmoedigheid, terwijl Meijnart hij de deur van des procureurs huis op Theunis bleef wachten.

Toen Theunis hij de procureur kwam, gaf hij met behoorlijken eerbied te kennen, dat hij de man was, die hij van Naar de ontboden had, en dat hij gekomen was, eensdeels om de waarheid te verdedigen en anderdeels om zijn beschuldigers van valsheid te overtuigen. Terwijl Theunis met de procureur in gesprek was, en zij inzonderheid spraken over de mis, stemde de procureur-generaal met hem in, wat hij aangaande de mis gezegd had, en voegde er hij, dat hij ook van die mening was, maar die mening, om zijn ambt en eer te behouden, geheim hield. Na een lang samenspraak liet hij Theunis gaan, en zei hem, dat hij moest vertrekken, totdat hij hem weer zou ontbieden.

Nadat hij nu weer te Naarden was teruggekeerd, en wel tot grote ergernis van zijn vijanden, liet hij niet na de christenen te onderwijzen in het ware geloof, van de verdiensten van Christus, en verklaarde zich tegen de mis van de paus, de aflaten, bedevaarten en het aanroepen der heiligen. Ten gevolge daarvan was hij hij de vromen zeer bemind, en werd er een grote menigte in het Woord des Heeren gesticht en onderwezen. Zijn vijanden intussen, raasden en tierden daarover, en bezigden allerlei middelen om hem hij het volk gehaat te maken. Daar zij echter zagen, dat zij daarmee Diets konden winnen, werden zij eindelijk zo verbitterd op hem, dat zij hem, waar zij hem op straat ontmoetten, met stenen wierpen, terwijl zij meenden aldus de waarheid te zullen onderdrukken. Hij gedroeg zich zeer vriendelijk jegens ben, en vroeg hun, waarom zij hem nu zo vijandig haatten, aangezien hij Christus en Diens Woord zocht, daar zij hem vroeger, toen hij zijn leven in ijdelheid en lichtvaardigheid had doorgebracht, zozeer beminde. Dit kon echter niet helpen, en hij werd andermaal hij het Hof aangeklaagd, Door zijn vijanden gedrongen, schreven de heren van Naarden aan de procureur Mr. Brunt, dat hij niet moest verzuimen Theunis Teecksen hij hem te ontbieden. Na de ontvangst van dit schrijven, durfde hij dit niet nalaten, liet hem door een deurwaarder ontbieden, en zei hem toen, dat hij Naarden moest verlaten en zich uit de voeten maken; want hij was in zijn geweten overtuigd, zoals reeds is meegedeeld, dat Theunis niet anders dan de waarheid verkondigde. Theunis was daarover echter niet ontmoedigd, in zijn overtuiging, en zei, dat hij zich verblijdde, daar hij inzag dat zijn offerande nabij was, dat zijn bruiloft genaakte, en hij tot Christus Zijn Bruidegom zou gaan. Hij bewees dit ook met de daad, want van blijdschap trok hij zijn beste kleren aan, die hij naar 's Gravenhage had mee genomen, en reed alzo, met de deurwaarder in een rijtuig gezeten, naar ‘s Gravenhage, waar hij, nauwelijks aangekomen zijnde, op de gijzelkamer gevangen gezet en bewaard werd.

Toen hij daar enige tijd had doorgebracht, werd hij eindelijk onderzocht, inzonderheid aangaande het leerstuk van de mis, waarop hij zich kloekmoedig verantwoordde. Daar zij niets op hem konden winnen, veel minder hem van zijn geloof aftrekken, lieten zij hem afzonderlijk zitten, terwijl er belet werd, dat iemand hem bezocht, en hem pen, inkt en papier verschafte. Vroeger had hij veel aanzoek, van heren, burgers en edellieden, die allen hun best deden, om hem van zijn gevoelens af te brengen, vooral deed dit de heer Assendelft, wien hij met grote vrijmoedigheid antwoordde, dat hij, die zich moedwillig van de waarheid afscheidde, zondigde tegen de Heilige Geest, welke zonde hier noch hiernamaals konden vergeven worden. Hij zei ook, dat men zich Christus en Diens Woord niet behoorde te schamen, en herhaalde dikwerf het gezegde: " Wie zich Mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben." De heren zouden graag hebben gezien, dat hij zich heimelijk zou hebben verborgen, waartoe hem hij herhaling de gelegenheid gegeven werd; maar hij wilde dit niet doen, daar hij verzekerd was, dat hij Gods Woord naar waarheid had onderwezen, en tegen niemand iets misdaan had.

Toen hij geruime tijd in zijn gevangenschap had doorgebracht, werd hij eindelijk veroordeeld om levend verbrand te worden, dat daarna ook geschiedde. Hij het wegleiden naar de gerechtsplaats merkte men een grote vrijmoedigheid hij hem op, daar hij God met een blijmoedig gelaat dankte, dat Hij hem waardig keurde als een lam van Christus voor de waarheid geofferd te worden, terwijl hij zong: “Ik arm schaapje aan de heide," enz. Vervolgens trok hij zijn schoenen en kousen uit, en gaf die aan de armen, en, nadat hij de Heere had gedankt, werd hij aldus te 's Gravenhage verbrand.

Men kon niets anders tegen hem inbrengen, dan dat hij het volk verleidde. Hij was een jonge man van bijna 24-jarige leeftijd.

 

Thomas Hytten

 

[JAAR 1530.]

 

Thomas Hytten was een bedienaar van het goddelijke Woord te Maidstone, die door de aartsbisschop van Canterbury en Jan Fisher, bisschop van Rochester, werd gevangen genomen. Nadat zij hem geruime tijd door hongerlijden en andere straffen gepijnigd hadden, waaronder hij echter standvastig hij zijn afgelegde belijdenis volhardde, werd hij eindelijk veroordeeld om verbrand te worden, en wel, omdat hij de Heere Jezus Christus en Diens heilrijke genade getrouw en in het openbaar verkondigd had. Aldus onderging hij te Maidstone de vuurdood in het jaar 1530.

 

Thomas Bilney

 

[JAAR 1531].

 

Thomas Bilney was van zijn jeugd af aan de hogeschool te Cambridge opgeleid. Aangezien zijn verstandelijke vermogens goed ontwikkeld waren, nam hij hoe langer zo meer in kennis en geleerdheid toe, zodat hij in de geestelijke en wereldlijke rechten begon te studeren. Daar hij een getrouwen tuchtmeester had, liet hij de studie in het wereldlijke recht varen, en hield zich alleen met het onderzoek van de ware godsdienst bezig. Door een bijzondere ijver tot de ere Gods, trok hij velen tot zich, en deelde de genade Gods,die hij uit de Evangelische waarheid ontvangen had, aan ben mee. Hierdoor kwamen vele studenten van de genoemde hogeschool tot de kennis van het Evangelie, onder wie zich Arthur en Hugo Latimers bevonden. Later verliet Bilney de hogeschool, en predikte in steden en dorpen het Evangelie, waarbij zekere Wolsey hem op zijn tochten vergezelde. In die tijd stond Thomas, kardinaal en aartsbisschop te York, in groot aanzien; maar bovenal in het oog lopend waren zijn vermetelheid en eergierigheid, waardoor hij zijn ijdelheid niet alleen aan zijn eigen persoon, maar ook aan alle geestelijke dienaren aan de dag legde. Daardoor vond Bilney, benevens anderen, zich gedrongen, tegen zulk een vermetelheid van de geestelijken zich te verzetten, en zij begonnen dan ook op sommige plaatsen tegen zulke weidse titels, als ook tegen de pauselijke hoogmoed, zich te verklaren, en die te vernederen. Ten gevolge daarvan begreep de kardinaal zijn zaak te moeten handhaven. Toen hij dus bemerkte, dat men hier en daar het Evangelie verkondigde, riep hij, in December 1528, een plechtige vergadering van vele geestelijken bijeen, en beloofde, dat hij de misbruiken, die in de roomse kerk waren ingeslopen, met ijver wilde afschaffén. Intussen moesten Bilney, Arthur en anderen herroepen, wat zij van de eerzucht en hoogmoed des pausen hadden gezegd. Dit verhinderde echter Bilney niet in de uitvoering van zijn voornemen, want in het verkondigen van de waarheid werd hij hoe langer zo ijveriger, zodat hij niet ophield te prediken, en de gruwel des pausdoms des te vrijmoediger te ontdekken en heviger te bestraffen. Ofschoon de satan het goede voornemen der christenen niet kan verhinderen, mort hij er toch over en verzet er zich tegen. Deze voortreffelijke leraar benaarstigde zich, om, zoveel in hem was, ieder op de weg der zaligheid te leiden, die zijn ondergang zochten te bewerken, onder wie Thomas Morus, de rijkskanselier in Engeland, een geleerd man, maar een hevige vijand van de waarheid, de voornaamste was, en voorts de bisschop van Norwich en Richard Rix, die niet alleen door het verlies van zijn ogen, maar ook naar zijn verstand blind was. Morus liet Bilney gevangen nemen, beschuldigde hem van ketterij, en bewerkte, dat hij tot de vuurdood veroordeeld werd, vooral omdat hij na zijn herroeping had durven prediken. Daags voor zijn marteldood wilde hij onderzoeken, of zijn vlees de verschrikkelijke hitte van het vuur wel zou kunnen verdragen. Hij bracht de nacht met bidden door, en terwijl de wachters sliepen hield hij zijn vinger in de kaars; maar toen het hem pijn veroorzaakte, trok hij de vinger terug, en zei tot zijn vlees: wat mag dit toch zijn? Kunt gij niet verdragen, dat u een vinger verbrand worde? Hoe zult gij dan kunnen verdragen, wanneer uw gehele lichaam zal verbrand worden? Daarna stak hij zijn vinger hij herhaling in de vlam, en bereidde zijn vlees aldus enigermate tot het toekomstige lijden voor. De volgende dag werd hij, om de belijdenis van Christus, verbrand, en onderging die dood met grote volharding, in het jaar onzes Heeren 1531.

 

Willem Thrace

 

[JAAR 1531.]

 

In het jaar 1531 hadden geen gebeurtenissen plaats der vermelding waard, tenzij wij hier wilden meedelen wat het lijk van zekere Willem Thrace aangedaan werd, die in zijn leven een dapper krijgsman was. Deze gebeurtenis komt op het volgende neer. Deze Willem stierf in een landstadje, Todyngton genaamd, gelegen in de provincie Glocester. Voor zijn dood maakte hij een christelijk testament, en, opdat dit als deugdelijk zou worden aangemerkt, liet hij het enige tijd daarna door zijn zoon Richard bezorgen hij de aartsbisschop van Canterbury, William Waram genaamd. Hij deed het, omdat dit vanouds de gewoonte was. Toen de aartsbisschop dit testament tot aan het einde gelezen had, hield hij raad met zijn priesters en andere handlangers, en, nadat hij ieders mening en gevoelen gehoord had, verklaarde hij in het openbaar, dat deze Willem Thrace, ofschoon reeds geruime tijd overleden, een ketter was. Hiermee nog niet tevreden zijnde, beval hij, dat het lijk moest worden opgegraven en verbrand. En, teneinde dit op ordelijke wijze en te beter zou plaats hebben, zond hij het vonnis aan dokter Parker, die in die tijd kanselier van het bisdom Wigorne was, met bevel, dat hij dit vonnis terstond moest ten uitvoer brengen, terwijl deze er met nauwkeurigheid voor zorgde, dat er niets verzuimd werd van wat hem bevolen was.

Koning Hendrik, de achtste van die naam, hoorde van deze meer dan barbaarse wreedheid, die de leraren in de godgeleerdheid en andere godgeleerden aan het lijk van een zodanigen goede en aanzienlijken man gepleegd hadden. Bovendien zag hij, dat deze schijnbaar godvruchtigen zich buiten zijn weten en toestemming zozeer vergrepen hadden, en was hij, met alle recht, daarover zeer ontevreden en liet derhalve door een zijner dienaren de kanselier ontbieden. De kanselier wierp de schuld van alles op de aartsbisschop, die kort tevoren was gestorven. Hij kon zich echter niet verontschuldigen, en werd veroordeeld tot betaling aan de koning ener som van ongeveer duizend kronen.

Het testament van genoemde Willem Thrace was van de volgende inhoud. In de eerste plaats beval hij zich in de handen Gods, betuigde dat hij in geen dele twijfelde aan Diens goedheid en barmhartigheid, en dat hij bepaald verzekerd was, dat hij genade van Hein zou verkrijgen door de verdiensten van Zijn enige Zoon Jezus Christus, en door de kracht van Zijn lijden, dood en heerlijke opstanding, en dat door deze middelen al zijn zonden zouden uitgewist worden. Dat hij zeker geloofde, dat Zijn Verlosser leefde, dat hij op de jongste dag weer met dit vlees bekleed zou worden, waarin hij de Heere zou aanschouwen, betuigende, dat deze hoop vast in zijn hart geworteld was en hem nimmer zou verlaten.

Aangaande de zaligheid van zijn ziel, twijfelde hij geenszins, of dit geloof zou genoegzaam zijn ter zaligheid, zonder bijvoeging der hulp van goede werken, menselijke aflaten of enige andere zaken.

De hoofdinhoud en de grond van zijn geloof was eindelijk, dat er slechts een enige God is en een Middelaar tussen God en de mensen, de mens Jezus Christus; daarom beleed hij geen anderen beschermer of voorspraak hij de Vader te hebben dan Zijn Zoon Jezus Christus; dat andere heiligen zulk een macht niet hebben, aangezien zij aan niemand iets van de genade Gods kunnen meedelen, die zij uit zichzelf niet kunnen verkrijgen. Daarom vermaakte hij niet het minste van zijn bezittingen aan hen, die gebeden beloofden uit te storten, offers te brengen voor de afgestorvenen, of missen te doen voor zijn ziel; want, vasthoudende aan de beloften Gods, was het voor hem zeker, dat "zo wie gelooft, en gedoopt is zalig zal zijn, en, wie niet gelooft, verdoemd zal ween." Aangaande het begraven van zijn lijk maakte hij geen enkele bepaling, en bekommerde zich ook weinig over de plaats, waar hij begraven zou worden, bedoelende daarmee de staatsie en pracht van de begrafenis; hij voegde er hij, wat Augustinus zeer wijs heeft gezegd, dat de pracht of heerlijkheid van de graven meer strekt tot welbehagen der levenden dan tot hulp der doden.

Voorts onderwierp hij zich geheel aan de wil van zijn erfgenamen. Betreffende het deel van zijn bezittingen, dat hij aan de armen vermaakte, betuigde hij, dat hij dit deed uit een goed hart, en hoopte, dat dit als een vrucht des geloofs zou ontvangen worden, terwijl hij niet meende, dat hij daarmee de gunst en de genade van God verdiende, maar veel meer, dat hij daardoor toonde, dat God hem genade bewezen had; zodat hij met de daad geen andere verdiensten erkende, dan die van Jezus Christus, door Wie alle goede werken welbehagelijk zijn voor de Vader, gelijk Christus zelf zegt hij Matth. hoofst. 25, vs. 33: “Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven”, en verder: "Voor zoveel gij [dit] één van deze mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij [dit] Mij gedaan."

Hij zei ook, dat men moest bedenken, dat de goede werken geen goede mensen maken, maar dat de goede mensen goede werken doen.

Het overige van zijn bezittingen vermaakte hij aan zijn vrouw, Margaretha genaamd, en aan zijn zoon Richard,die hij ook benoemde tot uitvoerders van zijn laatste wil. Hij bezegelde zijn testament met zijn eigen hand, op de 10e Oktober 1531.

 

Jakobus Baynham en Richard Bayfield

 

[JAAR 1532.]

 

Jakobus Baynham was een rechtsgeleerde en procureur te Londen en wel aan het hof te Lincoln. Te Londen woonde ook een zekere koffermaker. Deze beide mannen werden door de bisschop Johannes Stokesley beschuldigd:

1. dat zij het vagevuur loochenden;

2. dat zij weigerden de heiligen allen eerbied te bewijzen; en werden daarom als ketters aangeklaagd. Maar, aangezien zij de zuivere leer niet wilden verzaken, en de bovengenoemde artikelen niet wilden herroepen, deden hun vijanden hun schrikkelijk hun toorn gevoelen. Om hun volharding werden zij in het jaar 1532 te Londen verbrand, en droegen de martelingen en hun dood met de grootste standvastigheid.

Op zijn doodsbed dankte bisschop Stokesley God, dat hij in zijn leven meer dan vijftig ketters had gedood. Was dat geen heerlijke roem, om daarmee naar de hemel te varen? Terwijl Jakobus op de brandstapel stond,toonde hij het grootste geduld en standvastigheid, zodat hij het brandende hout in zijn armen nam, en als de dood omarmde. Zijn wezenstrekken veranderde niet, en hij had zijn gezicht op het volk gericht, terwijl hij dat opwekte om standvastig te zijn in de beleden waarheid, totdat de vlammen hem de stem en de adem benamen, en de hersenen in het hoofd begonnen te smelten.Voor hij de geest gaf, en gevoelde, dat de hersenen werden aangetast, en door de neusgaten begonnen te lopen, hield hij eenmaal de hand voor de mond. Hij hield zich vast, totdat de spraak nog eens wederkeerde, zodat hij andermaal tot het volk sprak, en hield dit vol, totdat hem de kracht en de macht des lichaams ontnomen waren.

Tot deze martelaars kan ook gerekend worden Richard Bayfield, een monnik van Bery en geboren te Hadler. Deze was van nature vreesachtig en kleinmoedig, doch God schonk hem genade, dat hij sterk in het geloof en volstandig bleef. In November van het jaar 1632 werd hij op het Smitsveld te Londen, omdat hij de boeken van Tyndal had overgezet, verbrand.

 

Drie mannen te Arras verbrand

 

[JAAR 1533.]

 

In April van het jaar onzes Heeren 1533 werden in de stad Arras drie mannen, om de getuigenis van Jezus Christus en Diens Heilig, onbevlekt Woord, verbrand. De een heette Nikolaas de Schrijver, geboren niet ver van het dorp Pas, in Artois. De ander heette Johannes a Pisis, herkomstig van Arras. De derde was genaamd Stefanus Burlet, een kleermaker en burger van Benrick, in het bisdom van Doornik.

 

Johannes de Cadureo

 

[JAAR 1533.]

 

Mr. Johannes de Cadurco, van Limonick, een kandidaat in de keizerlijke rechten, en die in deze rechten gestudeerd had aan de hogeschool te Toulouse, was een zeer ervaren, vernuftig en kloekzinnig man, niet alleen in de rechten, maar ook in het vlijtig onderzoek van de Evangelische waarheid in de goddelijke Schrift. Hij werd beschuldigd van het volk te Limonick op Allerheiligendag onderwezen en vermaand te hebben tot godsvrucht. Tot verzwaring van zijn zaak bracht ook veel toe, dat hij, bij gelegenheid van een prachtige maaltijd, bij een tafelgesprek zei: "Christus moet over ons gemoed en hart heerschappij hebben." Daarenboven moest door zijn toedoen, na de maaltijd ieder een verhaal of gesprek uit de Heilige Schrift meedelen, teneinde langs deze weg alle zondige gesprekken, dansen, springen en andere lichtzinnige handelingen te voorkomen. Toen de beurt kwam aan Cadurco om een soortgelijke christelijke aanspraak te houden, breidde hij zijn rede langer uit dan enig ander, die aan deze maaltijd deelnam.

Om die reden werd hij, in Januari van het jaar onzes enige Zaligmakers Jezus Christus 1533, gevangen genomen. Toen men hem onderzocht en ondervroeg, beloofde hij de rechters, dat hij alles zou meedelen, wat hij van de christelijke godsdienst dacht en geloofde, namelijk wanneer men hem boeken verschafte, en hij geleerde mannen bracht, teneinde met hen over alle stukken te spreken. Hij verklaarde ook, dat hij in het minst geen twistgesprek wilde beginnen, wanneer dit niet tot stichting zou plaats hebben. Hij verlangde ook over de belangrijkste hoofdstukken en artikelen van het geloof zo te spreken, dat er geen vreemde zaken of geschillen mee vermengd zouden worden. Doch, aangezien hij een moedig en zeer verstandig man was, die zijn antwoorden op alle vragen gereed had, en vooral de getuigenissen der Heilige Schrift, die daarbij te pas kwamen, vreesden zijn vijanden, die wel wisten hoe zwak hun bewijzen waren, waarmee zij, om hun godsdienst te beschermen, voor de dag moesten komen, dat zij de strijd verliezen zouden. Zij legden hem daarom drie artikelen voor, die hij bij zijn gewoon onderwijs herroepen moest, en belijden, dat hij daarin gedwaald had, in welk geval hij zou worden losgelaten. Ofschoon Mr.Johannes aanvankelijk wat wankelbaar was, werd hij later door de Geest Gods dermate versterkt, dat hij in geen dele tot enige herroeping te bewegen was.

In het begin van de maand Juni werd hij als ketter veroordeeld en naar de St. Stevensstraat gebracht, waar hij eerst van zijn geschoren kruin en daarna van zijn academische waardigheid werd beroofd. Bijna drie uren was men daarmee bezig, gedurende welke tijd hij vrij mocht spreken, zodat hij van alle zaken, waarover men hem ondervroeg en die men tot hem zei, een daarop toepasselijke schriftelijke verklaring gebruikte.

Er bevond zich toen daar een zwarte monnik van de Dominicaner orde, die men Predikheren noemt, die als naar gewoonte zou prediken, en tevens het pauselijk geloof zou uiteen zetten en beschermen. Tot bewijs van zijn woorden gebruikte hij de plaats, die Paulus beschrijft in Zijn 1e Brief aan Timotheüs, hoofdstuk 4: "De geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leringen der duivelen." Mr. Johannes de Cadurco riep met luider stem: "Ga voort! Ga voort!" Hij deed dit, daar de monnik niet anders dan deze plaats uit de Heilige Schrift aanhaalde, zoals zij naar hun goeddunken gewoon zijn de Schrift uit haar verband te rukken, en alzo de ware bedoeling te vervalsen. Zonderling is het, dat hetgeen er volgde op de door de monnik aangehaalde plaats, hem zelf, namelijk de geveinsden in alle kleuren beschreef en uitdrukte. Door het geroep van Johannes werd de monnik derwijze ontzet en verslagen, dat hij geen woord meer spreken kon. Toen zei de Cadurco “Wilt gij niet verder lezen, dan zal ik het zelf doen." Hij begon nu te lezen wat er verder in de brief van Paulus volgt: "Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten [als] met een brandijzer toegeschroeid; verbiedende te huwelijken, [gebiedende] van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging voor de gelovigen en die de waarheid hebben bekend." Daarna gaf hij met grote vrijmoedigheid een uitlegging van deze plaats, en wees die de toehoorders, die er met belangstelling naar luisterden, duidelijk aan.

Nadat hij aldus van zijn voortreffelijke bediening was beroofd, en hem spotklederen waren aangetrokken, werd hij naar het paleis gebracht, om daar zijn doodsvonnis aan te horen. Toen hij dit verliet, riep hij: "O paleis der boosheid! o zetel der ongerechtigheid." Daarna het hij niet na de Heere te loven en te prijzen, en het volk met allen ijver te vermanen tot de zaligmakende kennis van God, en legde zelfs in het vuur, waarin hij verbrand werd, belijdenis af van de Heere, zo lang zijn ziel in zijn lichaam was. Dit geschiedde in het jaar 1533.

 

Vier mannen te 's Hertogenbosch gedood

 

[JAAR 1533.]

 

In het jaar 1533 werden bij het Hof van Brussel uitgekozen tien personen, zo schepenen als raadsheren en gezworene, om met enige van hun commissarissen en hun procureur-generaal te beraadslagen over hen, die te 's Hertogenbosch vanwege de Lutherse leer berucht waren. De afgevaardigden bestonden uit de volgende heren: Adriaan van Eynthouts en Willem Pijnappel, schepenen; Mr. Dirk de Burggraaf, Willem van Os, Matthijs Stoeters en Gijsbert Pels, gezworene; Jan van Erp, van Bezze, Gojart Simonsz., Hendrik Dagverlies en Aart Heym, raadsheren. Toen deze in de stad 's Hertogenbosch waren samen gekomen, om zich van de hun opgedragen last te kwijten, veroordeelden zij enige tot de brandstapel en anderen tot het zwaard. Zo werd, op de 3de Juli, Joost Gerritz. Lepper, omdat hij de ware godsdienst niet wilde verzaken, onthoofd. Vervolgens werd Pieter Hors, wever te Vucht, om dezelfde reden aan een paal op de markt te 's Hertogenbosch geworgd en daarna geheel verbrand. Op Donderdag na St. Katharina werd ook Emond de snijder onthoofd, en Mr. Willem glazenmaker eerst geworgd en daarna verbrand.

 

Alexander Conus

 

[JAAR 1533.]

 

Alexander Canus, van Eboras, werd te Lyon, om de Evangelische waarheid, gevangen genomen en in de kerker geworpen, waar hij de zuivere leer van het goddelijke Woord zeer standvastig beleed. Daarna werd hij naar Parijs gebracht, waar hij door de Hogen Raad veroordeeld werd om, met de gebruikelijke plechtigheden, van zijn priesterschap ontwijd en vervolgens levend verbrand te worden. Zijn bijzondere vroomheid en standvastigheid, waarmee hij door God, temidden van zware pijnigingen en martelingen, werd versterkt, zijn waardig beschreven te worden, doch om der beknoptheid wil nagelaten.

Na zijn ontwijding werd hij eindelijk naar de Malbertsstraat gevoerd, waar hij boven een zwak vuur werd verbrand, en zo offerde hij zijn geest op in de handen van de almachtige Vader, in het jaar 1533.

 

Johannes Pointet

 

[JAAR 1533.]

 

Johannes Pointet, geboren te Savoye, was een chirurgijn, die deze bediening te Parijs uitoefende. Hij werd daar beschuldigd en aangeklaagd door de grauwe monniken, die zich ook Minderbroeders noemden, en door zulke lieden, die hij dikwerf van de Spaanse pokken genezen had. Hij had kennis aan velen, die, tegen het goddelijk gebod, de boze en ongoddelijke belofte onvoorzichtig hadden afgelegd geen vrouw te zullen trouwen en aanhangen. Hij werd dus beschuldigd door hen, die hij had welgedaan, en die hij door vermaning en onderwijs nog meer deugden poogde in te prenten. Zij gebruikten daartoe een leraar van de Sorbonne, dokter Clericus geheten, die hem zo lang vervolgde, totdat hij in de kerker geworpen en later veroordeeld werd, om eerst te worden geworgd en daarna verbrand. Hier toonde hij eerst, hoe krachtig en geweldig de Geest des Heeren in hem werkte, want, toen het uitgesproken vonnis zou volvoerd worden, werd Pointet met een biechtvader in een kapel, die bij het gevangenhuis stond, gelaten, waar de biechtvader hem drong, dat hij voor een beeld op de knieën zou vallen, en bidden om vergeving van zonden. Maar Pointet verwierp hem zeer hard en gestreng, en noemde hem de satan, die zijn best deed om hem te verleiden, en tot de ongoddelijke beeldendienst te verlokken. De biechtpriester verschrikte, en was verslagen over zijn woorden, en keerde met de grootste haast naar de raad terug. Vervolgens gingen twee raadsheren met de voorzitter tot hem in de gevangenis, terwijl zij dachten, dat Pointet razend en krankzinnig was geworden. Doch Pointet sprak hen niet zachter aan, dan hij vroeger de biechtvader gedaan had, maar bestrafte hen op harde wijze, en zei, dat zij bloeddorstige moordenaars en ombrengers van onschuldigen waren, door wie de kinderen Gods, tegen alle recht en reden, ongoddelijk en schandelijk werden omgebracht.

De voorzitter en de raadsheren werden door deze vrijmoedigheid zeer verbitterd, en dermate tegen hem in gramschap ontstoken, dat zij hun vonnis herhaalden en bevalen, dat men de vromen Pointet, voor men hem verbrandde, de tong moest uitsnijden, en dat, wanneer hij geen schuld bekende, hij volgens het eerste vonnis zou worden gedood. Aldus werd hem de tong uitgesneden, wat hem echter niet verhinderde voortdurend standvastig en vrijmoedig de waarheid te belijden, en hun boosheid te bestraffen, zo veel dit mogelijk was. Om die reden werd het derde vonnis over hem uitgesproken, namelijk dat men hem levend zou verbranden, hetwelk ook plaats had onder zulke wreedheden als zij slechts konden bedenken. Alzo heeft hij, standvastig in het geloof, dit sterfelijke leven afgelegd, in het jaar onzes Heeren 1533.

 

Johannes Frythus

 

[JAAR 1533.]

 

Johannes Frythus, die een hogen ouderdom bereikt had, was een geleerd man, en bezat voortreffelijke gaven; maar bovenal was hij zeergodvruchtig wat vooral bleek, toen hij, tot grote eer kunnende geraken, de kerk van Christus liever wilde ten dienste staan. Hij studeerde eerst te Oxford, waar hij in korte tijd grote vorderingen maakte, en bewees een man te zijn, die voor de studie als geboren was. Vervolgens kreeg hij kennis aan Willem Tyndal, die hem het eerst met de leer van het Evangelie bekend maakte. In die tijd stichtte Thomas Wolsey een prachtig college, dat toen het college van Frydeswide heette, maar later het college van Christus werd genoemd. Hij stichtte dit college meer om aan zijn eergierigheid te voldoen, dan tot bevordering van de vrije kunsten. Toen hij, wegens de door hem gepleegde gruweldaden, door de koning was ontboden, nam hij vergif in, en stierf onderweg, zodat hij het bouwen van dit college, niet kon voltooien. En, evenals de hoogmoedige kardinaal tot verfraaiing van het uitwendig gebouw van dit college geen kosten had gespaard, had hij ook getracht, enkel uit eerzucht, voortreffelijke mannen als hoogleraars daarin te plaatsen. Onder deze bevonden zich Frythus, Wilhelmus Tyndal, Tavernus van Boston, een uitstekend liefhebber der muziek, Johannes Clericus en vele andere geleerde mannen. Zodra deze echter kennis en lust kregen in de zuiveren godsdienst, werden zij ogenblikkelijk door de kardinaal van ketterij beschuldigd, en in een donkere gevangenis onder de grond gezet, waar zij door de stank van gezouten vis dodelijk verzwakt werden. Johannes Clericus en enige anderen stierven in de gevangenis. Wegens zijn bijzondere bekwaamheden en geleerdheid is zijn naam nog te Oxford vermaard. Frythus, die tot meer belangrijke zaken door God werd bewaard, werd toen wel uit de gevangenis daar ontslagen, maar bleef toch niet lang zonder kruis. Er brak namelijk een zware vervolging tegen hem uit, zodat hij gedurende enige tijd uit Engeland moest vluchten, en zich in geen drie of vier jaren durfde vertonen. Spoedig daarna begon Thomas Morus hem te haten en te vervolgen, en, aangezien hij kanselier van het rijk was, vervolgde hij hem te water en te land, liet aan alle wegen op hem loeren, en beloofde hun, die hem aanwezen, een grote som gelds. Toen nu de beklagenswaardige man zag, dat hij van alle zijden omsingeld was, vluchtte hij van de een plaats naar de andere, veranderde van kleding, en bezocht, wat hij slechts kon, doch kon geen veilige plaats vinden, zelfs niet bij zijn vrienden. Toen hij zich te Rhedinge, een stadje bij Londen, bevond, werd hij gegrepen, en, toen men hem vroeg, wie hij was, kon hij niet spoedig genoeg antwoorden, en bemerkte men, dat hij zich met opzet verkleed had, waarom de overheid dier plaats hem gevangen nam, en met de voeten in het blok sloot. Hoewel hij daar geruime tijd moest doorbrengen, en bijna van honger stierf, wilde hij zich toch niet verraden. Eindelijk verzocht hij, dat men de onderwijzer dier plaats tot hem wilde toelaten, die Leonardus Coxus heette, en een geleerd man was. Toen deze tot hem kwam, begon Johannes zich in de Latijnse taal over zijn ellendigen toestand te beklagen. Hierover verwonderde zich Leonardus Coxus derwijze, dat hij niet alleen medelijden met hem had, maar hem ook begon lief te krijgen. In hun verder onderhoud spraken zij ook over de studie, de hogescholen en de talen, en van de Latijnse kwamen zij ook op de Griekse taal. Toen Coxus hoorde, dat Frythus die ook kon spreken, verwonderde hij zich, en kreeg hem hoe langer zo meer lief. Hij ging daarom naar de overheid, en beklaagde zich, dat men de jongen man, die onschuldig en zeer geleerd was, in de gevangenis onrecht en geweld aandeed. Door zijn voorspraak wist hij het zover te brengen, dat Johannes werd losgelaten.

Doch zijn vrijheid was spoedig geëindigd, want het kruis vervolgde hem van alle zijden. Eindelijk werd hij' verraden, en in de Tower te Londen gevangen gezet, waar hij menige strijd voerde met de bisschoppen; vooral streed hij mondeling en schriftelijk met Thomas Morus, de kanselier van het rijk, waardoor hij aanleiding tot schrijven kreeg. Met een van zijn oude goede, vrienden hield hij een samenspraak over het avondmaal des Heeren, dat vooral liep over de vier volgende punten:

1. Dat het geen artikel des geloofs was, waarop de vrees der verdoemenis stond.

2. Aangezien het lichaam van Christus ons in alles gelijk is, behalve in de zonde, dat het onmogelijk was, dat het op vete plaatsen tegelijk was.

3. Dat het onnodig was, de woorden van het avondmaal naar de letter te verstaan; maai, dat men op de wijze van spreken behoorde te letten, opdat de een plaats door de andere verklaard, en Schrift met Schrift moest vergeleken worden.

4. Dat men het avondmaal naar het bevel en de instelling van Christus moest houden, en dat men door de grote wanorde, die de priesters en pausgezinden hadden aangericht, niet moest dwalen. Doch, aangezien deze samenspraak wat uitvoerig was, verzocht zijn vriend hem die schriftelijk mee te delen, en hem die, teneinde haar te kunnen onthouden, ter hand te stellen. Frythus bewilligde daarin, hoewel hij in het begin daartoe geen grote lust bad, aangezien hij wel begreep, dat er gevaar aan verbonden was. Doch hij lette meer op het verzoek van zijn vriend dan op het gevaar van zijn leven. Toen was daar een kleermaker, Willem Holt genaamd, die vertrouwelijk kennis en vriendschap aanknoopte met de ouden en bekenden vriend van Johannes Frythus, en hield zeer dringend hij hem aan, hem het bewuste geschrift ter lezing te geven; hij stond dit ook toe, zonder te denken dat daaruit iets kwaads zou volgen. Doch de kleermaker spoedde zich naar de kanselier, en bracht hem dat geschrift, hetwelk later de aanleiding werd tot zijn dood. Toen de kanselier het geschrift, benevens twee andere geschriften van Frythus, die hem door de vijanden der waarheid waren toegezonden, in handen had, benaarstigde hij zich zeer, de geschriften van Frythus te wederleggen, maar sloeg daarbij de bal zo mis, dat hij zich al dadelijk over zijn weerlegging schaamde, en zelfs verbood, dat men zijn eigen boek zou verkopen, en beval dit achter te houden; dit deed hij zonder twijfel, opdat Frythus daarvan geen exemplaar zou in handen krijgen. Nochtans ontving Frythus van een goed vriend een exemplaar, dat hij met de meesten spoed overschreef, en hij beantwoordde het uit de gevangenis aldus, dat er niets uitgelaten was, wat tot verklaring der zaak diende. Het goed ontwikkelde verstand van Frythus kan men niet alleen uit dit geschrift opmaken, maar ook uit andere geschriften, die hij over het vagevuur schreef. In deze strijd had hij met drie hoogmoedige tegenpartijders te kampen, te weten niet de bisschop van Rochester, Morus en Rastal; de eerste was met vele plaatsen uit de geschriften der kerkvaders toegerust, terwijl de tweede met de Schrift en de derde met de natuurlijke wijsbegeerte en vrije kunsten de overwinning meende te zullen behalen. Deze vielen hem tegelijk op het lijf; doch hij weerstond en overtuigde hen derwijze, dat hij Bastal eindelijk tot zijn gevoelen overhaalde. Benevens andere deugden, toonde hij zich ook in de bescherming der waarheid vriendelijk, godvruchtig, voorzichtig en ernstig te zijn. De strijd over het avondmaal zette hij grondig en met ernst uit elkaar, doch met zulk een bescheidenheid, dat hij zich niet tegen de pausgezinden verklaarde, tenzij hij daartoe door de uiterste nood gedrongen werd. Echter, indien hem de nood niet drong, was hij bereid met ieder vrede en eensgezindheid te houden. Zelfs toen Morus met hem redetwistte, en zich op het gezag van dokter Barnes beriep, om de tegenwoordigheid van het lichaam en bloed van Christus in het avondmaal te verdedigen, antwoordde Frythus hem, at hij bereid was de belofte af te leggen, over deze zaak nimmermeer te twisten, indien men namelijk het gevoelen van dokter Barnes wilde omhelzen en laten gelden; want hij was het met hem eens, dat men het sacrament niet moest aanbidden. Verder, wanneer men het niet met afgoderij vermengde, dat men in het overige gemakkelijk zou overeenstemmen, indien het vergif maar weggenomen was, waarvoor men vrezen moest.

Nadat hij door zijn geschriften zich ridderlijk tegen Morus, de kanselier van het rijk, tegen de bisschop van Rochester en Rastal verdedigd had, werd hij vervolgens naar Lameth gebracht, teneinde daar eerst voor de bisschop van Canterbury en daarna te Crodon voor de bisschop van Winchester rekenschap van zijn zaak af te leggen. Eindelijk werd hij voor de algemene vergadering der bisschoppen te Londen gesteld, waar hij zijn zaak zeer goed zou hebben kunnen verdedigen, indien men hem daartoe gelegenheid gegeven had. Het rechtsgeding, met hem gehouden, heeft hij in een geschrift samengesteld, waarin hij toont, hoe men met hem handelde, op welke wijze hij werd ondervraagd en welke artikelen hem werden voorgehouden, welk geschrift hij later uit de gevangenis zijn vrienden toezond.

Eindelijk gaven deze tirannen hem aan de scherprechter en de wereldlijke overheid over. Na de gewone plechtigheden aan hem volbracht te hebben, voerden zij hem naar zekere plaats, Smitsveld genaamd of de paardenmarkt, waar men hem aan een paal bond. Als een getuigenis van zijn standvastigheid dient de mededeling, dat, toen men stro op hem wierp, om het vuur aan te steken, hij de brandende houten met beide handen opraapte, en openlijk betuigde, dat hij niet onwillig was zijn lichaam te laten verbranden,en wel om zulk een goede en rechtvaardige zaak, te weten, om de wil des Heeren Jezus Christus, de Zoon van God en Diens leer; welke getuigenis hij, tot op deze dag, voor de gehele wereld met zijn eigen bloed heerlijk heeft bezegeld. De pijn, welke hij leed, was des te zwaarder, aangezien de vlammen van hem op zijn metgezel, die achter hem met de rug aan dezelfde paal gebonden was, overwaaiden. Doch God de Heere schonk hem zulk een lijdzaamheid, dat hem de langdurige pijn niet zwaar viel, zodat hij zich meer om zijn metgezel bekommerde dan om zichzelf. Dit geschiedde in het jaar 1533.

 

Andries Hewet

 

[.JAAR 1533.]

 

In die tijd was er te Londen een jong en eenvoudig mens, die wel niet gestudeerd had, maar toch in de zaken van het Godsrijk grondig was onder wezen. Hij was Andries Hewet genaamd en als kleermaker bij een burger te Londen werkzaam. De naam van zijn meester was Willem Holt, door wie hij werd verraden en aangeklaagd. Om zijn belijdenis werd hij gevangen genomen en bij mr. Frythus gebracht en voor de bisschoppen gesteld, waar men hem vroeg, wat hij van het sacrament of laatste avondmaal dacht. Hij antwoordde, dat hij er juist over dacht als Mr. Johannes Frythus. Een van de bisschoppen zei toen: gelooft, gij dan niet dat dit het wezenlijke lichaam van Christus is, dat uit de maagd Maria is geboren?" Hewet zei: "Neen, dat geloof ik niet." De bisschop hernam: "Waarom niet?" Hewet antwoordde: "Omdat Christus Zelf bevolen heeft, dat men hen niet geloven moest, die zeiden: "Ziet hier of daar is de Christus, want er zullen vele valse profeten opstaan, enz." Sommige bisschoppen begonnen daarover te lachen, maar Stokeley, de bisschop van Londen, zei tot hem: "Wat praat gij van Frythus! Hij is een ketter, en reeds tot de vuurdood gedoemd en gij met hem. Indien gij uw gevoelen niet laat varen, en uzelf niet aan ons onderwerpt, zult gij zeker ook verbrand worden." Hewet zei: "Dat sla ik niet af." Toen de bisschop hem nog eens vroeg, of hij zijn gevoelens wilde herroepen, gaf hij ten antwoord, dat hij doen wilde, gelijk Frythus gedaan had. Terstond daarop werd hij bij hem in de gevangenis gebracht, en met Frythus aan een paal verbrand.

 

Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend verbrand

 

[JAAR 1534.]

 

Ofschoon de vervolgingen in het jaar onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus, 1534, in verscheidene streken zeer zwaar waren, vooral te Parijs, in Frankrijk, gaven daarom de gelovigen de moed niet op. Integendeel, zij, die de waarheid hadden omhelsd, beijverden zich des temeer, om de lust daartoe in zich op te wekken. God de Heere verwekte dag op dag lieden van allerlei staat en rang, wien Hij de ogen des verstands opende, opdat zij de waarheid van het zuivere Woord van God hoe langer zo meer zouden inzien, zodat er in alle provinciën van Frankrijk vrome gelovige lieden gevonden werden, in staat om de antichrist het hoofd te bieden. De verkeerde handelingen en het bedrog der Minderbroeders van Orleans hadden velen lieden in die stad en in andere plaatsen en steden, langs de rivier de Loire gelegen, de ogen geopend voor de bijgelovigheden van het pausdom, en reden gegeven om zich daarvan af te scheiden en God op zuivere wijze te dienen. En, in weerwil dat Denys Bryon, baardscheerder van zijn beroep, die te Santerre woonde, levend was verbrand, en tot zijn laatste ademtocht volstandig was gebleven in het oprechte geloof, verkoelde nochtans geen gelovig christen uit vrees, of door martelingen, welke zij wisten, dat men anderen aandeed. Zij verzamelden zich van alle streken en plaatsen om de standaard en de banier van het heilige Evangelie, en bestreden met een volhardende en zuivere belijdenis der waarheid de leugens van de satan, welke zijn handlangers verzonnen, om het rijk van hun meester in stand te houden. Onder deze blonk vooral uit Hieronymus Vindocin, een Jakobijner monnik. Deze had, met nog een anderen Jakobijner monnik, Fenario geheten, geruime tijd in Gascogne gewoond, en kreeg om zijn bekwaamheden van zijn geestelijke verlof om andere landen te bezoeken, waarvan hij dan ook, met nog een anderen monnik, Pieter du Pont geheten, en geboortig van Tonnius, in Agenois, gebruik maakte. Op zekere tijd vatten zij het voornemen op om Zwitserland en wel de stad Genève te bezoeken. Toen zij daar waren, hoorden zij de zuivere en onvervalste verklaring van Gods heilig Woord, en namen in korte tijd in de kennis daarvan derwijze toe, dat zij hoe langer hoe meer de grove dwalingen en bijgelovigheden van de Roomse kerk inzagen, zodat Pieter du Pont en nog enige anderen daar bleven. Vindocin keerde intussen naar Gascogne terug, en werd daar, op bevel van de inquisiteur, Rochet genaamd, gevangen genomen, en in de kerker van de bisschop te Agen gesloten. Door Arnaud de la Combe, geestelijke en keurder van boeken, maar die tevens de grootste godslasteraar ter wereld was, werd hij aangaande zijn geloof ondervraagd. Vrijmoedig beleed hij de waarheid, en schaamde zich het. heilig Evangelie niet, waarom hij dan ook werd veroordeeld en ontwijd; doch hij beriep zich op het hof van het parlement. Aangezien er echter in geheel Gascogne niemand in dit beroep bewilligde of dit goedkeurde, verkreeg de la Comba, als vicarius of stadhouder van de bisschop, verlof van de aartsbisschop van Bordeaux op gezag van het parlement, niet de ontwijding, niettegenstaande het beroep, voort te gaan. Volgens dit besluit, werd Vindocin, op de 4den Februari 1534, onder de gewone plechtigheden ontwijd, en alzo in handen van de wereldlijken rechter overgeleverd. Op dezelfde dag werd hij door de opperrechter Jacques Sevin, Pieter Destrades, officier van de rechtbank, Nikolaas Nadal en anderen, veroordeeld om levend te worden verbrand, welk vonnis na de middag in een weide bij de rivier Le Gravier, even buiten de stad aan hem voltrokken werd. Bij dit nieuw en droevig schouwspel was een grote menigte van mensen tegenwoordig, onder wie bijna niemand, die deze onschuldige man nog niet wat ergers toewenste; en, ofschoon zij allen zich over zijn standvastigheid en zijn geduld moesten verwonderen. waren de vijanden der waarheid zeer hevig op hem verbitterd. Aldus werd hij verbrand. Tot hem werden gezonden om bij zijn dood tegenwoordig te zijn, vier monniken, een Jakobijner, en Augustijner, een Karmelieter en een Grauwe monnik, derhalve uit elke bedelorde één, om hem tot biechten op te wekken en te beproeven hem van zijn geloof afvallig te doen worden. Een hunner heette Willem Lapidanus, een Vlaams priester, die in die tijd te Agen voorlezingen hield over de wijsbegeerte. De martelaar bleef echter volstandig bij zijn gevoelens, maakte hen allen met hun eigen bewijzen beschaamd, en offerde, temidden der vlammen, aan God, Zijn hemelse Vader, zijn gelukzalige ziel op.

Kort daarna werden de inquisiteur Rochet en zijn secretaris Richard te Tonlouse gevangen genomen, en aangeklaagd van zich aan de zonde der Sodomieten te hebben schuldig gemaakt, en acht dagen later daarom verbrand. Hieruit blijkt, welke rechters de kinderen Gods in deze wereld hebben, en in wiens handen zij worden overgeleverd. Eindelijk ziet men ook hier de geveinsde schijnheiligheid, die onder de kappen der geestelijkheid schuilt, die zich toch als grote heiligen voordoen, en niet nalaten de gelovigen te vuur en te zwaard te vervolgen.

 

Andries Bartholomeï

 

[JAAR 1534.]

 

Omstreeks diezelfden tijd werd ook levend verbrand Andries Bartholomeï, alleen omdat hij, toen hij naar de jaarmarkt te Lyon reisde, voor een beeld, dat op de weg stond, niet had willen knielen. Aldus offerde ook deze zijn ziel aan God op.

 

Joost de pottenbakker

 

[JAAR 1534.]

 

Donderdags na Maria Lichtmis, in het jaar onzes Heeren 1534, werd Joost de pottenbakker, wonende te Vucht, om de ware leer, die men toen de Lutherse noemde, op de markt te 's Hertogenbosch onthoofd, nadat hij omtrent acht maanden een zeer zware gevangenschap en veel verdriet ondergaan had.

 

Verscheidene martelaars te Parijs

 

[JAAR 15311.]

 

In Oktober van het jaar van onze enige Verlosser en Zaligmaker Jezus Christus, 1534, werden aan de predikstoelen te Parijs papieren aangeplakt, waarin de goddeloze gruwelen der is en andere pauselijke bijgelovigheden aangetekend stonden. Op verschillende plaatsen van de stad werden vele gelovige en godvruchtige mensen omgebracht, omdat zij hun begeerte naar de zuivere leer en onvervalste godsdienst aan de dag legden.

Berthel Mylon, de jichtige bijgenaamd, een jonge man, die over zijn gehele lichaam, uitgenomen zijn tong, door de jicht was aangetast was derwijze in vuur en liefde tot de godzaligheid ontstoken, dat hij geen ogenblik verzuimde, om ieder te vermanen, te onderwijzen en de genade van de eeuwige God te verbeiden. Door de vijanden der waarheid werd hij gevangen genomen, die, terwijl zij zich over zijn uitnemende kracht en standvastigheid verwonderden, hem op de plaats de Grève levend lieten verbranden.

Johannes du Bourg, koopman te Parijs, die in een huis woonde, dat het zwarte paard tot uithangbord had, werd ook om het Evangelie gevangen genomen en daar op een wrede wijze levend verbrand.

De rentmeester van Nannettes, in Bretagne, werd ook, om de kennis van het goddelijke Woord in de gevangenis geworpen, en te Parijs bij het kruis, du Toroir genaamd, levend verbrand.

Hendrik Bouheron, metselaar van beroep, werd aldaar mede, om het ware geloof, gevangen genomen, daarna zijne tong doorstoken en met een ijzeren nagel aan zijn wang bevestigd en vervolgens levend verbrand.

Cantella, een onderwijzeres van jonge meisjes, gaf een heerlijk voorbeeld van standvastig geloof, waarom zij levend verbrand werd, en wel aan het einde van de Huchetstraat.

Stefanus de la Forge, een burger van Doornik een zeer vermaard koopman te Parijs, werd ook in die stad gevangen genomen, en, omdat hij het Evangelie zeer genegen was, en dit trachtte te bevorderen, op het St. Janskerkhof levend verbrand.

 

Quoquillart, van Besançon

 

[JAAR 1534.]

 

Te Besançon, in het hertogdom Bourgondië, was een priester Quoquillart geheten, die om de belijdenis van de Evangelische leer, welke hij met grote vrijmoedigheid aflegde, eerst van zijn priesterlijke waardigheid beroofd en ontwijd werd; vervolgens onderging hij de dood met een gerust geweten, en bezegelde aldus de waarheid van de Heere Jezus Christus met zijn bloed, in het jaar 1534.

 

Maria Becaudette

 

[JAAR 1534.]

 

Maria Becaudette, bijgenaamd Gaborita, geboren te Essarts in Poitiers in de heerlijkheid van het graafschap Funtenay. Zij was werkzaam bij een burger in de stad La Rochelle, die haar ook onderwees in de christelijke godsdienst. Later vertrok zij naar Essars, waar zij zich metterwoon vestigde. Toen zij een grauwe monnik hoorde prediken, die het Woord Gods niet zuiver en onvervalst verklaarde, vermaande en bestrafte zij hem alleen met getuigenissen uit de Schrift. De Minderbroeder werd woedend, en riep meer dan tien getuigen bijeen, en zei haar, dat zij alles nog eens herhalen moest. Zij weigerde dit niet, en bracht de zuiverheid van het goddelijke Woord aan het licht, beleed dat met standvastigheid, en verkondigde hem het vreselijk oordeel des Heeren, dat hem overkomen zou. De monnik klaagde haar aan, en beschuldigde haar, waarom zij werd veroordeeld om verbrand te worden, welk vonnis de hoge raad te Parijs bevestigde. Onder grote en mannelijke vroomheid werd zij verbrand, en stond de Evangelische waarheid voor tot aan haren dood.

 

Petrus Gaudet

 

[JAAR 1534.]

 

Petrus Gaudet was geboortig uit een dorp bij Parijs. Nadat hij de orde van de ridders van Rodus, die men St. Jansheren noemt, had aangenomen, reisde hij met zijn vrouw naar de gemeente Gods te Genève, en wel in het jaar van onze enige Heiland Jezus Christus 1534. Ongeveer zes maanden daarna riep hem zijn oom, die bevelhebber was bij de bovengenoemde ridderorde, op bedrieglijke wijze, daar hij een wreed vijand van de Evangelische waarheid was, uit Genève terug. Hij beschikte, dat hij door enige verraders, die op het slot Penan hun verblijf hielden en dienaren waren van de uit Genève verdreven bisschoppen, werd gevangen genomen, hetwelk plaats had op de 23e juli, in de avond van St.Jan.

Toen hij op het slot vijf dagen was gevangen gehouden, en zeer gestreng werd gepijnigd en gemarteld, hield hij toch vol het Evangelie zeer standvastig voor te staan en te beschermen.

Eindelijk werd hij op zulk een wrede en onmenselijke wijze ter dood gebracht, dat het verhaal daarvan met recht te verschrikkelijk is om aan te horen. Dan eens wierp men hem in het vuur, dan weer trok men hem er uit, en werd hij andermaal daarin geworpen. Doch temidden van zulk een gruwelijke pijniging riep hij de almachtige God zonder ophouden aan, en gaf de tweede dag de geest, in het jaar van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus 1534.

 

Johannes Cornon

 

[Jaar 1535.]

 

In de maand Mei van het jaar onzes Heeren 1535, werd te Mascon, om het geloof in het onvervalste Evangelie, gevangen genomen en in de kerker geworpen, een landbouwer die zich met de akkerbouw bezig hield, Johannes Cornon geheten. Hij was een man, die in het Woord van God zeer godvruchtig, geleerd en goed geoefend was, hoewel hij lezen noch schrijven kon.

Toen hij voor de rechters stond, antwoordde hij zo gepast en standvastig, dat zij zich schaamden en verwonderden. Zij veroordeelden hem om levend verbrand te worden, over welke veroordeling hij zo goed gemoed was, dat hij zich op geen andere rechtbank wilde herroepen.

Op een stuk mandwerk werd hij naar de strafplaats gebracht, en betuigde hij het zuivere Woord van God in zijn leven, hij heeft dat ook met zijn dood bezegeld, en wel in het laatst van de maand Juni van bovengenoemd jaar.

 

Cowbrig, te Oxford levend verbrand

 

[JAAR 1535.]

 

In de omtrek van Glocester werd in deze tijd een Engelsman gevangen genomen, Cowbrig genaamd, en van daarnaar Oxford gebracht, waarin die tijd Dr. Smith deken was van de hogeschool. Dr. Cootse was de oudste na hem. Deze beiden, benevens andere godgeleerden, gedroegen zich zeer wreed en onmenselijk jegens deze goede en onschuldige man. Immers, deze pausgezinde nachtuilen kunnen van nature het licht van het heilige Evangelie in geen dele verdragen, en haten en vervolgen dat te vuur en te zwaard, terwijl zij menen daardoor de waarheid uit te roeien. Doch tevergeefs, want bij de uitkomst is gebleken, dat het bloed der martelaren het zaad is van de kerk Gods, en dat er meer mensen tot God bekeerd werden door het zien van de grote standvastigheid, die God in de harten van de getuigen der waarheid stort, dan door de openbare verkondiging van het heilige Evangelie, die zij nooit, hetzij in het openbaar, of in het geheim wilden toelaten, zoals dit duidelijk bleek in deze goede Cowbrig. Terstond, nadat hij gevangen genomen was en aangaande zijn geloof ondervraagd, wierpen zij hem in een akelige kerker, Bocard genaamd, waar zij hem bijna van honger lieten sterven, zodat hij geheel vermagerd en als uitgemergeld was. Hij verdroeg dit echter alles met groot geduld om de naam Gods, Die hij temidden van zijn benauwdheden loofde en prees, en dankte God zijn hemelse Vader, omdat Hij hem waardig achtte, dit alles voor de waarheid te mogen lijden, en betuigde, dat hij bereid was die met zijn bloed te bezegelen. Aangezien echter deze valse huichelaars geen reden hadden om Cezen Cowbrig hij het volk te beschuldigen, behielpen zij zich met leugens, en strooiden onder het volk uit, dat er te Oxford een ketter gevangen zat, die, als men van Jezus sprak, dat wel kon verdragen, maar dat hij het Woord Christus op generlei wijze kon horen uitspreken; waarom zij het volk wijs maakten, dat hij verdiende levend verbrand te worden, wat dan ook de meesten te Oxford geloofden. O grote valsheid en geveinsdheid van deze Farizeeën! O grote en valse leugens, waarmee de onschuldige verdrukt wordt! Maar de dienaar is niet beter dan zijn meester. Christus, Die de waarheid zelf was, werd vals beschuldigd; wat wonder dan, dat een getuige der waarheid door leugens vals beschuldigd wordt! Toen nu deze valse beschuldiging door de gehele stad verspreid was, werd er een dag bepaald, op welke dit onschuldig lam naar het slachthuis zou worden gevoerd. Onder de toeloop van een grote menigte had dit dan ook plaats, terwijl zij met stokken gewapend waren, uit vrees dat iemand hun deze prooi ontnemen zou. Toen hij op de strafplaats kwam, waar hij zich zou opofferen, begaf hij zich vrijwillig in een hut, die uit hout en stro was samen gesteld, en daar voor hem gereed stond om er in verbrand te worden. Terwijl hij temidden der vlammen stond, riep hij herhaalde malen de naam des Heeren met luider stem aan, zeggende: "Heere Jezus Christus, wees uw armen dienaar genadig;" en beval aldus zijn geest in de handen van zijn hemelse Vader.

 

Vijf martelaren in Schotland verbrand

 

[JAAR 1535.]

 

Vroeger werd reeds verhaald, hoe Patrick Hamilton, uit een aanzienlijk en edel geslacht van Hamilton geboren, en vermaagschapt aan de koning van Schotland, ter dood veroordeeld en levend verbrand werd, om de belijdenis van de Evangelische waarheid. Zeven jaren na diens dood, in het jaar 1535 namelijk, werden te Edinburgh de hoofdstad van Schotland, op het kasteel vijf personen tegelijk verbrand, omdat zij de duisternis van het pausdom hadden verlaten, en het helder schijnende licht van het Evangelie aangenomen. Onder dezen waren twee Jakobijner monniken, een priester en een kanunnik. Hun ondervragers en rechters waren de aartsbisschop van St. Andries, Jan Majeur, Pieter, de kapelaan, andere Minderbroeders, wier voorloper Hamilton vroeger was geweest.

 

Martinus Gonin, een Waldenzer

 

[JAAR 1535.]

 

Martinus Gonin werd geboren in een klein dal van Piemont, Angrogna genaarnd, welks inwoners altijd de misbruiken der menselijke instellingen hebben erkend en gehaat. Toen Martinus bij de Waldenzen kwam, werd hij door tien tot een dienaar van het goddelijke Woord gekozen. De Waldenzen, ofschoon zij goede mensen waren, bijzonder godvrezend en zeer geneigd tot het Woord van God, zagen echter wel in, vooral nadat het licht der Evangelische waarheid was opgegaan, dat in hun gemeenten veel ontbrak, wat tot de ware godsdienst en de godzaligheid nodig was; ja, dat zij vele dingen, door onwetendheid van tijd tot tijd ingevoerd, voor goede hadden aangenomen, die nochtans van de Evangelische zuiverheid en het bevel der christelijke kerk hemelsbreed verschilden. Zij zonden deze Martinus met Johannes Geraardt naar Genève, tot Willem Farel, die toen in de stad bedienaar van het goddelijke Woord was en baden hem, dat hij toch de roeping wilde aannemen, om hun kerk en gemeenten te hervormen en te heistellen, volgens de uitspraak der Goddelijke Schrift, zowel die gemeenten, welke gevonden werden in het gebergte in Dauphine, Provence en bij Piemont, als in Italië, Calabrië, Apulië, die de begeerte naar de godzaligheid en de vrees Gods hadden aangekweekt.

Toen Martinus de zaak, waarom hij was uitgezonden, met grote vlijt en getrouwheid uitgevoerd had, keerde hij in de maand April 1536 terug, met het voornemen om naar het dal van Angrogna te reizen, teneinde zijn ouders en vrienden te bezoeken.

Toen hij op zekere tijd uitging, onderzocht de cipier George Borel hem, en vond enige Godvruchtige vermanings brieven, die Willem Farel, Antonius Saunieries en andere dienaren te Genève aan enige godvruchtige aanhangers van de Evangelische waarheid geschreven hadden De cipier beval hem toen in de gevangenis te gaan, en sloot hem in een diep donker hol, waar hij hem twee dagen opgesloten hield.

Op de derde dag kwam de procureur des koning benevens enige anderen uit het departement tot hem, en zei, dat hij een verspieder was, aangezien hij brieven bij zich had. Martinus zei: "Leest die, en gij zult zien, dat zij van geen krijgszaken spreken, of geen andere zaken behelzen, die de vorsten aangaan, maar dat zij alleen godvruchtige vermaningen en geboden, om het leven naar de vrees Gods in te richten, inhouden." Enige hunner vroegen, vanwaar hij was, en trachtten uit de brieven te bewijzen, dat hij een Lutheraan was. Martinus antwoordde: "Ik ben geboren in het dal Angrogna in Piemont; nu woon ik te Genève, en ben boekdrukker. Ik ben geen Lutheraan, en begeer dat ook niet te zijn, aangezien Luther voor mij niet gestorven is, maar Christus alleen, naar Wie ik mij noem, en word daarom een christen genaamd, voor Wien en met Wien ik bereid ben te leven en te sterven.

Toen hem gevraagd werd, wie er te Genève predikte, antwoordde hij: "Willem Farel en Petrus Viret." De procureur des konings hernam: die twee hoofden van de Lutherse sekte?" met uw verlof," zei hij, zij zijn in geen dele, wat gij meent; maar zij zijn getrouwe dienaars van de almachtige God, die de zuivere leer van het Woord Gods verkondigen, zoals de Apostelen gedaan hebben." Betuigt gij dan," zei de procureur, "dat alles wat onze moeder de heilige roomse kerk leert, zoals de mis, het vagevuur, de aflaat, goede werken en dergelijke andere dingen vals is? Martinus antwoordde, dat zij de kerk der bozen was, die haren oorsprong en wasdom van de duivel had, waarvan de paus, de ware antichrist, het hoofd is. "Maar," zei hij, "het zal juist zo geschieden als bij Mattheüs geschreven is: "dat alle plant, die de hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden." De procureur vroeg, wanneer dit geschieden zou. Martinus antwoordde: "Wanneer de zoon der verderfenis, die in de tempel Gods zit, geopenbaard zal wezen, zoals Paulus zegt. Geef mij de Bijbel, en ik zal het u tonen." "Wij hebben heden genoeg daarvan," zei de procureur, "morgen zullen er leraars komen, die u anders zullen antwoorden; zij zullen de Bijbel en het misboek ook mee brengen."

Des anderen daags kwam tot hem in de gevangenis een grote menigte Minderbroeders, predikbroeders, priesters, en ook enige raadsheren van het parlement. Toen vroegen hem de procureur en de kettermeester: "Wel, hebt gij nog meer te zeggen dan gij reeds gedaan hebt?" Martinus zei: "Ik weet niet, wat gij mij vragen wilt." Toen begon de kettermeester, als de stoutste, aldus te vragen: “In wie gelooft gij'?" "Ik geloof," zei Martinus, “in God de Vader door Christus Jezus, zoals er in de artikelen van het geloof staat: ik heb ook geen ander geloof." Toen vroeg de kettermeester weer, op welke wijze hij God de Heere aanriep en aanbad. "Op die wijze," antwoordde Martinus, "als onze Zaligmaker ons heeft leren bidden, namelijk: "Onze Vader, Die in de hemelen zijt" &. Woedend vroeg de kettermeester verder, "Beweert gij dan, dat de voorbidding van onze moeder de heilige kerk niet baat?" Martinus antwoordde: "Gijlieden meent dit en zegt het, maar het zijn niet anders dan menselijke en duivelse woorden, die met hun hoofd en insteller de paus vervallen zullen, zoals er geschreven staat Openb. 17, vs. 18:" welke plaats door Martinus verklaard werd.

Toen werden de monniken en priesters zo woedend, dat zij met vuisten op de tafel sloegen, hun mutsen op de grond wierpen, en riepen, dat men hem niet verder behoorde te ondervragen of te onderzoeken, aangezien hij een verdoemd ketter was. "Zijn de profeten," zei Martinus, "en Christus Jezus, mijn Zaligmaker, en ook de Apostelen ketters, zo wil ik één wezen met hen; want ik houd mij aan geen andere leer dan de hunne vast, en wil mij aan geen andere overgeven.

Op deze wijze werd het twistgesprek over de artikelen van de godsdienst en de schandelijke misbruiken der roomse kerk gedurende vier dagen en wel vier á vijf urenlang, voortgezet. Eindelijk verlangde Martinus een misboek van hen, teneinde hun een bijzonder groot misbruik aan te tonen in de Kanon, dat begint. “Te igitur clementissime," waar zij Christus weer met vlees en beenderen, in een beet brood besloten, voor de zonden van levenden en doden opofferen, "dat immers," zei hij, "zeer dwaas en van alle waarheid en het geloof in Jezus Christus vervreemd is. En dit is ook zo, want onze enige Zaligmaker Jezus Christus is eens in het heilige der heiligen ingegaan, en heeft Zich aan het kruis voor onze zonden opgeofferd, zodat Hij door de storting van Zijn allerzuiverst bloed, dat Hij Zijn Vader opofferde, al de onreinheid en de smetten onzer gebreken en zonden geheel afgewassen en ons ten enenmale, gereinigd heeft. Derhalve is zodanige offerande tegen het Woord van God vernieuwen of herhalen niet alleen onnodig, maar ook goddeloos, aangezien alzo de offerande van Jezus Christus wordt vernietigd." Toen werden de monniken en hun aanhangers hoe langer zo woedender, stampten met de voeten op de grond, sloegen op de tafel, trokken de mutsen van het hoofd, en zeiden, dat hij een ketter was, dat hij de duivel had, omdat hij niet geloven wilde aan de mis terwijl de cipier bevolen werd hem in een toren te sluiten. Toen de menigte nu uit elkaar zou gaan, zei de kettermeester hun, dat het hem het best dacht, aangezien deze mens geen Fransman was, hem in het water te werpen, opdat het volk hem niet zou horen spreken; want er was gevaar, dat hij het volk, dat hem horen zou, door zijn welsprekendheid nog erger zou maken dan hij zelf was; waarom het hem goed dacht, dat de opperste landsrechter dat moest trachten te verhoeden.

Twee dagen daarna, de 15de April 1535, des avonds omstreeks negen uur kwam de onderstadhouder, die ook kastelein genoemd werd, met de scherprechter en twee gerechtsdienaren, in de gevangenis, terwijl Martinus sliep. Wakker geworden zijnde, zei Martinus tot hen: "Waar gaat gij naar toe, mijn vrienden? Ik merk het wel, en zie, wat gij mij doen wilt; gij wilt mij namelijk in de rivier werpen, opdat niemand van het volk mij zou zien, maar God, die alle dingen opmerkt, kan u gemakkelijk zien. Ik ga nu, opdat ik eeuwig met Hem leeft; en ik bid Hem, dat Hij u die kennis schenkt, dat gij uw bozen raad en daad mag belijden. Nu, laat ons gaan in de naam des Heeren!"

Toen hij dit gezegd had, stond hij op, en liet zich door de scherprechter binden, om naar de strafplaats geleid te worden. Bij het verlaten van de gevangenis beval hij al de gevangenen de Heere aan, van wie het merendeel weende, vooral zij bij wie door hem begeerte naar het goddelijke Woord opgewekt was, terwijl zij hem wederkerig ernstig opwekten, om welgemoed en getroost te zijn. Toen hij de stad werd uitgeleid, bad hij God voor de overheid en de raad, die hem alzo behandelden, en vermaande hen, die hem volgden, dat zij zich moesten wachten voor de beeldendienst.

Toen hij aan de oever van de rivier, Isère geheten, gekomen was, en de scherprechter hem aan de een voet gebonden bad, verzocht hij, als een getrouw dienaar en waarachtig getuige van Jezus Christus, de onderstadhouder, dat hij de beul zo lang wilde laten wachten, totdat hij een weinig zou gesproken hebben. Toen hem dit werd toegestaan, leerde en vermaande hij het volk, dat hem in grote scharen gevolgd was, dat zij met hun gehele hart en met alle vlijt het Evangelie van onze Heere Jezus Christus moesten volgen, en dat naarstig lezen, zo om hun zaligheid, die daarin werd voorgesteld, als ook om de dwalingen, misbruiken en goddeloosheden in te zien, waarin de paus hen gevangen hield.

Zo gij hem wilt volgen," zei hij, "zult gij spoedig naar de helle varen; en hoe goddeloos hun leer en tucht is, kunt gij gemakkelijk zien in hun leven, dat zij in allerlei boosheid en schelmerij doorbrengen. Daarom, volgt liever de Heere en onze Zaligmaker, waaidoor gij een zalig leven zonder gevaar vinden zult. Deze en vele andere dingen, die niet geschreven zijn, predikte hij hun anderhalf uur achtereen, tot grote verwondering der toehoorders, die met lust naar hem luisterden: zo zelfs, dat er velen waren, die het beweenden, dat de goede man aanstonds zou worden omgebracht.

Doch de goddeloze beul, die dit lang wachten begon te vervelen, en liever een dronk wijn dan dit zaligmakend voedsel van het Woord Gods genoot, beval hem zeer onbeleefd, dat hij zijn rede moest eindigen. Vervolgens viel Martinus aan de oever der rivier op de knieën, richtte zijn gebed tot God, en vroeg van Hem vergeving voor zijn zonden, door het lijden van Jezus Christus. Zijn laatste woorden waren: "U beveel ik, o Heere Jezus Christus, mijn geest." De beul deed vervolgens een kort touw om zijn hals, en draaide dat zo lang totdat hij op de grond viel. Daarna stiet hij de man in de rivier, en hield hem bij de ene voet, die gebonden was, zo lang vast, als hij zich nog roerde. Daarna sneed hij het touw los, en liet het lichaam in de rivier drijven. Aldus scheidde de vrome martelaar van Jezus Christus uit deze wereld.

 

Een landbouwer te Zierikzee

 

[JAAR 1536.]

 

Jezus Christus, onze enige Zaligmaker, dankte Zijn hemelse Vader, dat Hij Zijn goddelijke wil voor de wijzen en de verstandigen verborgen hield, en de kinderen openbaarde. Aldus heeft de Heere ongetwijfeld wat naar de wereld veracht is verkoren, zoals Paulus zegt, opdat Hij daardoor de machtigen en wijzen zou`beschaamd maken, zoals wij dagelijks in vele voorbeelden zien.

In Zeeland woonde een eenvoudig landbouwer, die gevankelijk naar Zierikzee gebracht werd, omdat hij niet wilde geloven, dat in het misbrood waarachtig God en mens was. Hij hield deze ware mening zo vast, dat hij in geen dele daarvan was af te brengen. En, ofschoon hij een ongeleerd man was, versterkte God de hemelse Vader hem aldus, dat hij op generlei wijze aan de valse en bedrieglijke woorden der mispriesters en monniken gehoor gaf. Om die reden werd hij eindelijk tot de vuurdood veroordeeld, en naar het galgenveld gevoerd. Hier was een Jacobijner monnik, die hij om zijn pluimstrijkerij en dwaze praatjes een ekster noemde, zeer bezig met zijn afgodisch kruis en andere beuzelingen hem te kwellen; maar, onder dat alles riep hij voortdurend de Heere aan, en bad onophoudelijk: “Vader, Vader, hemelse Vader?” Hij werd aan de paal geplaatst, terwijl men een zakje met buskruit gevuld, aan zijn hals hing. Vervolgens zette de beul een paar bossen stro, omdat daar niet veel hout te vinden is, om zijn lichaam, en stak dat aan. Alzo gaf deze goede man zijn leven over en bezegelde met zijn dood de waarheid, welke hij in zijn leven had beleden.

Wie is er toch onder alle wijze, hooggeleerde, kloekzinnige leraren, die de waarheid door hun groot vernuft beter gevonden heeft, dan deze man in zijn eenvoudigheid? Hun verstand was in ijdelheid veranderd; maar deze man bezat door de genade des Heeren de kennis van God, en daarom verwierp hij de blinden, doden en stommen afgod. Hij wist, dat Christus zit aan de rechterhand Zijns Vaders in de hemel, en daarom geloofde hij hen niet, die roepen: Hier is Christus en daar is Christus. O, God, dat de mensen nog zo blind zijn en het brood of de ouwel voor hun God houden! Dat leren ons toch de katten, muizen en honden wel anders. Het zon toch wel een arme dwaas veel minder een God moeten zijn, die zich door deze dieren zou laten verslinden. Verlicht hun ogen o Heere!

 

Johannes Scheniz.

 

[Jaar 1535.]

 

Johannes Scheniz werd, om de belijdenis der goddelijke waarheid, op het bevel van Albertus, aartsbisschop van Mainz, op de 21sten Juli 1535, te Salsborn verwurgd. Later heeft Luther in een openbaar geschrift, deze boze daad van bovengenoemde bisschop moedig aan de kaak gesteld en ernstig bestraft.

 

Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde verbrand

 

[JAAR 1536.]

 

Tijdens de regering van Hendrik de achtste, koning van Engeland, voor de grote hervorming der kerk plaats had, was er in En geland een vroom en getrouw dienaar van Jezus Christus, Wilhelmus Tyndall genaamd, geboren bij de grenzen van Wales (Engeland). Van zijn kindsheid aan was hij aan de hogeschool te Oxford opgeleid, waar hij niet alleen opgroeide en toenam in de wetenschappen der vrije kunsten, maar bovenal in de kennis der Heilige Schrift, waarnaar zijn begeerte zich vooral uitstrekte. Toen hij in het college van Magdaleria was, las hij aan zekere studenten, zijn metgezellen, enige stukken over de goddelijke leer in het geheim voor, en onderrichtte tien in de waarheid van God. Zijn zeden en zijn omgang waren zo, dat hij door alle mensen werd geacht, en gehouden voor een zeer godzalig man, die met deugdelijke gevoelens was begaafd en met een onbevlekt leven versierd. Toen hij geruime tijd te Oxford had gestudeerd, vertrok hij van daarnaar de hogeschool te Cambridge, om daar zijn studiën in de goddelijke leer voort te zetten. Bij het toenemen in kennis en na het verkrijgen van verschillende graden aan de hogeschool, vertrok hij van daar, en ging hij een ridder te Glochester wonen, mr. Welche genaamd, waar hij zeer bemind was, en spoedig de gunst en de achting van zijn heer verwierf.

Aangezien deze edelman een dagelijkse tafel hield, die met goede en lekkere spijs was voorzien, kwamen er dikwerf bij hem te gast verscheidene abten, diakonen, archi-diakonen en andere grote meesters en leraars die voordelige ambten bekleedden. Terwijl zij aan tafel zaten, kwamen zij vaak met mr. Tyndall in gesprek over de geschillen en andere opvattingen in de godsdienst. Daar hij, door zijn grondige kennis in de goddelijke wetenschap, zeer goed tegen hen gewapend was, spaarde hij hen niet, en ontzag zich niet rond en eenvoudig zijn gevoelen bloot te leggen, en wel over zodanige betwiste zaken, waarin hij zag, dat zij nu en dan gedwaald hadden, en weerlegde hun dwalingen met duidelijke en openbare plaatsen der Heilige Schrift.

Deze weerleggingen en twistgesprekken duurden zo lang, totdat zij hem eindelijk een heimelijke haat toedroegen. Zij wisten niet, hoe zij anders hun lagen zonden leggen dan dat de kanselier zijn priesters zou doen bijeenkomen, onder wie mr. Tyndall ook moest verschijnen. Toen hij daar verscheen, dreigde, lasterde en berispte de kanselier hem zeer gestreng, en richtte vele beschuldigingen tot hem, ofschoon er geen aanklagers konden gevonden worden, die hem naar recht konden beschuldigen. Toen zij niets in hem vonden, ontkwam hij voor ditmaal aan hun handen, en keerde tot zijn heer terug.

Niettegenstaande dit alles, nam daarna hun haat hoe langer hoe meer toe, zodat hun schreeuwen en razen niet eer ophield dan nadat zij hem van zijn heer hadden verjaagd. Van daar vertrok hij naar Londen, om zich de bisschop Cutbert Tonstal ten dienste te stellen; maar God, Die alles in het verborgen bestuurt, had bepaald, dat hij geen gunst bij deze bisschop vinden zou. Want, nadat hij enige hulp en bijstand van Humfred Mummots, lid van de raad van Londen, en andere godzalige mannen genoten had, verliet hij Engeland en ging naar Duitsland, waar deze godvruchtige man, vervuld van een innige liefde voor zijn vaderland, geen moeite of arbeid ontzag, om zijn broeders en landgenoten in Engeland, tot dezelfde lust en de begeerte naar Gods heilig Woord op te wekken, waarmee de Heere hem had begiftigd.

Na daarover bij zichzelf overlegd, en met Johannes Frythus geraadpleegd te hebben, zag hij geen beter middel om zijn voornemen uit te voeren, dan de Heilige Schrift in de volkstaal over te zetten, opdat het onwetende volk de klaarheid en eenvoudigheid van Gods heilig Woord mocht inzien, vooral daar hij door ervaring geleerd had, dat, zo lang de Heilige Schrift voor hun ogen verborgen was, het niet mogelijk was om de leek in de waarheid te versterken. En die onwetendheid was de voornaamste bron, waaruit al het kwaad in de kerk voortvloeide; want daar intussen de gruwelijke daden en afgoderij, welke de farizeese priesters bedreven, gehandhaafd werden, konden deze niet opgemerkt worden. Daarom gebruikten zij alle geweld, om de Heilige Schrift te verduisteren, en die voor de ogen van het volk te verbergen, opdat zij niet gelezen zou worden; en, wanneer zij al gelezen werd, de rechten zin aldus te verdraaien en te verduisteren door de donkere nevelen van hun valse drogredenen, zodat zij allen wisten te verstrikken, die hun gruwelijke daden wilden berispen. En de waarheid, die men het volk zou willen leren, blusten zij door hun schijnschone redenen en door hun wijsgerige bewijsvoeringen, door hun wereldse vergelijkingen, en door hun verdraaiende dubbelzinnigheid uit. Ja, wat meel, is, zij speelden er zo mee en stelden zo velerlei uitleggingen voor de ogen van de eenvoudige en onwetende lieden, dat, ofschoon zij in hun harten verzekerd waren, dat al wat zij spraken vals was, men nochtans hun arglistige raadselen niet kon ontdekken, tenzij de Schrift in hun moedertaal werd overgezet.

Hierom werd deze vrome godzalige man verwekt, ja zonder twijfel door de Geest Gods gedreven, om eerst het Nieuwe Testament in zijn moedertaal over te zetten, wat hij deed omtrent het jaar van onze Zaligmaker 1527. Daarna vertaalde hij ook de vijf boeken van Mozes, en voorzag die van verscheidene verklaringen en voorredenen, die waardig zijn door alle vrome christenen gelezen te worden. Hij schreef ook vele andere godzalige boekjes, die grote stichting in de kerk van God hebben bevorderd. Toen dit alles nu, vooral zijn overzetting van het Nieuwe Testament, onder het volk werd verbreid, was het inderdaad een wonder te zien, welk een deur voor het licht daardoor werd geopend. En, gelijk zij in vele vrome mannen veel goeds teweeg brachten, alzo verachtten en vermeden de goddelozen die integendeel, opdat het volk niet wijzer zou worden dan zij; terwijl zij aan de andere zijde vreesden, dat door de helder schijnende stralen van het heilige Evangelie hun valse geveinsdheid en hun werken der duisternis zouden kunnen ontdekt worden, en het volk oproerig zou beginnen te worden, zoals bij de geboorte van Jezus Christus, Herodus beroerd werd en geheel Jeruzalem met hem. Maar inzonderheid heeft de satan, die als de vorst der duisternis verstoord was wegens de bekendheid en de verbreiding van het Heilige Evangelie door zijn werktuigen alle mogelijk geweld gedaan, om de gezegende arbeid van deze godvruchtige man te verhinderen en te beletten. De bisschoppen waren zeer verbitterd en ontstoken tegen Wilhelmus Tyndall, vooral omdat hij het Nieuwe Testament en de vijf boeken van Mozes had overgezet en vele andere heerlijke geschriften had uitgegeven, zoals een voortreffelijk boek over de christelijke gehoorzaamheid en een geschrift tegen Thomas Morus. Hun woede bedaarde niet eer dan nadat zij een bevel van de koning verkregen hadden, om deze boeken te verbieden; en, hiermee nog niet tevreden, gingen zij in hun boosheid voort, en bedachten allerlei middelen om hem in hun strikken te vangen, en op een valse geheime wijze hem van het leven te beroven. Ten gevolge daarvan vertoefde hij enige tijd in Duitsland, waar hij met Martinus Luther en andere kloekzinnige leraars had gesproken, en vertrok weer naar de Nederlanden, om zich metterwoon te Antwerpen te vestigen. Toen de bisschoppen en Thomas Morus, door enige slechte lieden, die van Antwerpen kwamen, daarvan hoorden, onderzochten zij alles naarstig, zoals uit de geschreven stukken te Londen blijkt, wat op Wilhelmus Tyndall betrekking had namelijk, waar en met wie hij woonde, waar het huis stond, hoe zijn voorkomen was, welke kleding hij droeg, en met wie hij verkeerde, teneinde zo veel te beter, hem hun arglistige lagen te leggen, zoals ook daarna plaats had. Mr. Tyndall was namelijk te Antwerpen thuis bij een Engelsman, Thomas Points genaamd, waar tevens vele Engelse kooplieden gelogeerd waren. Terwijl hij daar vertoefde, kwam er opzettelijk een man uit Engeland, Hendrik Filippus geheten, die zag dat mr. Tyndall dikwerf met deze kooplieden verkeerde. Deze maakte kennis met hem, zo zelfs, dat Wilhelmus Tyndall, aangezien hij een geleerd man was, hem zo ver wist te brengen, om in hetzelfde logement te komen vertoeven, en hem daarenboven zijn boeken en andere zaken toonde, die zich in zijn studeerkamer bevonden. Hij koesterde geen wantrouwen of achterdocht, dat hij door te bisschoppen werd gebruikt en gezonden om hem te ver raden.

Doch Filippus vond niet goed zijn aanslag aan de bestuurders en beambten van Antwerpen te kennen te geven, uit vrees dat de Engelse kooplieden het mochten vernemen en Tyndall waarschuwen. Hij ging daarom naar Brussel, en deelde alles aan de procureur-generaal van de keizer mee, en bracht in weinig tijd zo veel teweeg, dat hij met de procureur-generaal en andere beambten weer naar Antwerpen ging. Zodra hij te Antwerpen kwam, ging hij naar het huis van de bovengenoemde Points, en vroeg aan de vrouw van het huis naar mr. Tyndall, en voegde er bij, dat hij bij haar het middagmaal wilde houden, en, omdat hij Tyndall als gast daarbij wilde nodigen, verzocht hij dat zij goede spijzen zou gereed maken. Intussen ging hij uit om de beambten, die hij van Brussel had mee gebracht, te waarschuwen dat zij op hem moesten passen, en plaatste hen in de straat en voor de deur van het huis. Even na den middag kwam hij terug en ging naar Tyndall, en vroeg hem, na hem gegroet te hebben, twintig gulden te leen, aangezien hij op de reis van Mechelen zijn beurs verloren had. Wilhelmus Tyndall, die zeer eenvoudig was, deed dit terstond daar hij met de valse streken dezer wereld onbekend was.

Verder sprak hij hem aan en zei: "Mr. Tyndall, gij zult heden mijn gast wezen!" "Neen," antwoordde hij, "met enige van mijn vrienden ben ik reeds ten eten genodigd, en gij zult mijn gast zijn, waar gij zeer welkom zult wezen."

Na deze gesprekken, toen het tijd werd om te eten, gingen beiden heen, waarbij Filippus uit beleefdheid zeer grote beweging maakte, en verzocht hem het eerst de deur uit te gaan. En aangezien mr. Tyndall een kort man was en voor Filippus de deur uitging, stak de laatste zijn hand boven zijn hoofd, om de beambten, die hij bij de deur geplaatst had, een teken te geven, dat hij de man was die zij moesten grijpen, hetwelk de beambten, die zijn onschuld zagen, zelfs bedroefde, toen zij hem aangrepen. Alzo brachten zij hem bij de procureur-generaal, waar hij zijn maaltijd duur moest betalen, want al dadelijk na het eten liet de procureur-generaal beslag op al zijn goederen en boeken leggen. Van daar brachten zij hem naar het kasteel te Vilvoorde, waar deze ijverige dienaar van Christus in de gevangenis vertoefde tot de tijd, wanneer hij als een offerande zou vallen.

Nadat deze bloeddorstige mensen hem dikwerf, wegens zijn geloof, ondervraagd en gepolst hadden, ofschoon hij de dood niet schuldig was, en zij geen middelen konden vinden om hem van de goddelijke waarheid af te trekken, veroordeelden zij hem, op het voortdurend aanhouden van de Leuvense leraren, en op grond van het bevelschrift des keizers, gegeven in de vergadering te Augsburg, om levend verbrand te worden. Zij leiden hem dan buiten het kasteel naar de strafplaats. Toen hij aan de paal gebonden was, richtte hij vele vurige gebeden tot God en Zijn enige Zaligmaker Jezus Christus, en riep met luider stern: “Heere, open de ogen van de koning van Engeland." Na eindelijk zijn geest in de handen van Zijn hemelse Vader aanbevolen te hebben, werd hij eerst door de scherprechter verwurgd en daarna tot as verbrand. Aldus is deze standvastige martelaar van Christus te Vilvoorde in de Heere ontslapen, in het jaar onzes Zaligmakers 1536.

Men zegt, dat de procureurfiscaal van Brabant omtrent Tyndall getuigde, dat hij een zeer geleerd, goed en heilig man was, die een stil en deugdzaam leven leidde. Een geloofwaardig koopman heeft betreffende deze Tyndall een zaak verhaald, die in deze geschiedenis niet mag verzwegen worden. Te Antwerpen bevond zich een soort van tovenaar, die in vele duivelse kunsten zeer wel ervaren was en gewoonlijk vertoefde in een herberg waar vele buitenlandse kooplieden kwamen logeren; deze liet dan, wanneer de kooplieden aan tafel zaten, wijn en vlees brengen, uit welke streken der wereld zij slechts verlangden. Toen Tyndall dit vernam, verzocht hij een van deze kooplieden, om ook eens daar tegenwoordig te mogen zijn, wanneer deze tovenaar daar weer zijn kunst zou vertonen, wat hem werd toegestaan. Op zekere tijd, toen men wist dat deze tovenaar daar weer komen zou. om zijn duivelse kunsten te laten zien, bezocht ook Tyndall met enige andere kooplieden deze herberg, om eens te zien wat deze man ten uitvoer zou brengen. De tafel werd gedekt, de spijzen werden opgebracht, en Tyndall en de andere kooplieden namen aan de tafel plaats.

Daarna verzochten zij deze tovenaar, om enige van zijn kunsten te vertonen. Hij deed daarbij zijn uiterste best om te bewijzen, dat hij in de zwarte kunst een goed meester was, doch hij kon ditmaal niets uitrichten.

Toen hij eindelijk zag, dat al zijn toverijen tevergeefs waren, en hij zeer terneer geslagen was, werd hij als gedwongen om aan de maaltijd in het openbaar te belijden, dat er iemand aan de tafel was, die al zijn pogingen deed mislukken, en belette datgene te doen, wat hij anders gaarne zou gedaan hebben. Dusdanig was de godsvrucht van deze man, dat de duivel in zijn tegenwoordigheid geen macht had, om door enige toverij de ogen der mensen te bedriegen.

 

Een verzoekschrift, geschreven door Wilhelmus Tyndall, aan koning Hendrik de achtste, aan zijn adel en de onderdanen van Engeland.

 

Wilhelmus Tyndall bidt zeer ootmoedig zijn koninklijke genade goed te willen overwegen en te letten op de wegen, langs welke de kardinaal en zijn heilige bisschoppen hem geleid hebben van de tijd aan, dat de koning aan de regering kwam, en acht te geven op de opgeblazen hoogmoed van de kardinaal, en waar nu al de ijdele dingen gebleven zijn, waarop hij zich beroemde, en hoe God hem en al de arglistige aanslagen der geestelijken heeft weerstaan. Wij, die daarin niets te doen hadden, hebben, niettegenstaande dat, in alle zaken gearbeid; ja, de verzorging van onze dienaren heeft ons meer gekost dan iemand anders van het gehele christelijke rijk; waarvoor wij nochtans niets ontvangen heb dan haat en smaad van alle mensen, en zijn een verachting geworden onder alle volken, maat vooral onder hen, die wij het meest hebben welgedaan.

Daarom bid ik zijn koninklijke majesteit, dat zij toch medelijden heeft met haar eigen ziel, en niet langer wil toelaten, dat onder haren naam Jezus Christus en Zijn heilig Evangelie zal gesmaad en vervolgd worden, opdat het zwaard van Gods toorn weer mag worden ingetrokken, hetwelk daarom voornamelijk was ontbloot.

Verder bid ik ook, dat zijn koninklijke genade mededogen heb met zijn ongelukkige onderdanen, opdat ook zijn koninkrijk door de boze raadslagen van deze vergiftigde priesters niet ten enenmale onderga, want, wanneer zijn majesteit, die slechts een mens is, sterft en zijn adel en onderdanen niet weten, wie zijn kroon zal erven, zouden er, zonder twijfel, in het rijk grote moeilijkheden en gevaren ontstaan.

Daarom is ook mijn verzoek aan de adel en aan de wereldlijke heren, dat zij aan de voeten van zijn koninklijke majesteit neervallen, en haar ootmoedig bidden, dat zijn majesteit de persoon wil aanwijzen, die hem zal opvolgen, opdat de wereldlijke heren, ridders en het volk hem een eed van getrouwheid mogen zweren, teneinde er later geen verschil of strijd over de opvolging ontsta, want, indien dit door het zwaard of door een oorlog zou moeten beslist worden, ben ik van gevoelen, dat het gehele koninkrijk daardoor zou kunnen teniet gaan.

Eindelijk wend ik mij tot de onderdanen van het koninkrijk Engeland, en bid hun ernstig, dat zij zich tot de Heere bekeren, aangezien de zonden der onderdanen de oorzaak zijn van kwade regeerders; terwijl de oorzaak van het bestaan der vals leraars is, dat het volk geen liefde tot de waarheid bezit, gelijk de Apostel Paulus zegt, 2. Thess. 2, vs. 10: "Wij zijn allen zondaars, honderd maal meer waardig dan wat wij lijden." Laat ons elkaar vergeven, en bedenken, hoeveel groter zondaren wij zijn, hoe heerlijker onze vreugde zal wezen, in zoverre wij een oprecht berouw en leedwezen over onze zonden hebben, volgens het voorbeeld van de verloren zoon. Want Jezus Christus is voor de zondaren gestorven; Hij is hun zaligmaker; Zijn bloed is hun schat, waarmee Hij voor hun zonden heeft betaald. Hij is het gemeste kalf, geslacht om hen vrolijk te maken, wanneer zij zich weer tot hun genadige Vader willen bekeren. Zijn verdiensten zijn de kostelijke kledingstukken, waarmee de afschuwelijkheden van hun zonden zijn bedekt. Voorts, wanneer de vervolgingen door de koning en andere wereldlijke heren, die met de geestelijkheid samenspannen, voortkomen uit onwetendheid, dan twijfel ik niet, of hun ogen zullen binnenkort geopend worden, zodat zij zullen zien, en berouw en leedwezen gevoelen; en God zal hun genade bewijzen, en zich over hen ontfermen. Maar, indien het uit opzettelijke boosheid voortkwam, uit een hart, dat wetens en willens tegen de wet van God zich aankant, en uit een hartelijke lust tot zondigen, om moedwillig in hun oude wegen te wandelen, zodat er geen hoop op berouw meer overblijft, en zichzelven aan de ongebonden wellusten van zondigen ten enenmale hebben overgegeven, die de zonde is tegen de Heilige Geest; dan zullen zij weldra zien, dat God de scherpte van Zijn zwaard tot hen zal keren, waarmee zij het bloed van Christus vergoten hebben, om hun eigen bloed daarmee te vergieten, volgens de voorbeelden der Heilige Schrift.

 

Brief, geschreven door Wilhelmus Tyndall, aan de vromen martelaar Johannes Frythus, tijdens hij in de Tower te Londen gevangen zat.

 

Genade en vrede van God de Vader en onze Heere Jezus Christus zij met ulieden, amen.

Allerliefste broeder Johannes, ik heb vernomen, dat de geveinsden, nu zij hun grote zaak hebben uitgevoerd, tot hun oude natuur zijn teruggekeerd. De wil van God worde volbracht, en wat Hij bevolen heeft, eer de wereld gegrond was, geschiede, en zijn heerlijkheid heerse overal.

Allerliefste, hoe het ook met uw zaak gesteld zij, beveel uzelf geheel en ten enenmale aan uw hemelse Vader en aan uw allergenadigste Heere; vrees de bedreigingen der mensen niet, en verlaat u geenszins op hen, die u met schone woorden vleien; maar stel uw vast vertrouwen alleen op Hem, Die waarachtig is in Zijn beloften, en machtig om Zijn woord te vervullen. Bedenk, dat uw zaak het Evangelie van Christus is, een licht, dat door het bloed van het geloof moet gevoed worden, een lamp, die dagelijks moet bereiden gevuld worden, een olie, die iedere morgen, en elke avond moet worden ingegoten, opdat het licht van de lamp niet uitga; want, al zijn wij zondaren, onze zaak nochtans is rechtvaardig. Indien wij geslagen worden, als wij weldoen, en dit dan geduldig verdragen, dat is genade bij God, want hiertoe worden wij geroepen. Immers, Christus heeft ook voor ons geleden, en beeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen, die geen zonde gedaan heeft. Hierin hebben wij de liefde gekend, dat Christus Zijn leven voor ons gesteld heeft; zo zijn wij schuldig voor de broeders het leven te stellen. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen; en, wanneer wij met Christus lijden, wij zullen ook met Hem verheerlijkt worden, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, dat het gelijkvormig worde aan Zijn verheerlijkt lichaam, naar de krachtige werking, waarmee Hij ook alle dingen zichzelf onderwerpen kan.

Allerliefste, heb goede moed, en vertroost uw ziel met de hoop van dit hoge loon, en draag het beeld van Christus in uw sterfelijk lichaam, opdat het zijn onsterfelijk lichaam mag gelijkvormig worden. Volg het voorbeeld van al uw andere lieve broeders na, die liever hebben gekozen te lijden in de hoop van een betere opstanding. Houd uw geweten rein en onbevlekt, en spreek dat niet tegen. Houd u vast aan die leerstukken, welke volstrekt nodig zijn ter zaligheid. Denk aan de lasteringen der vijanden van Christus, die zeggen dat zij geen anderen vinden dan zulken, die bereid zijn liever hun geloof te verzaken, dan de pijnigingen te lijden; zo ook, dat de dood van ben, die zich aait verloochening hebben schuldig gemaakt, en daarna voor hun eens geloochend geloof sterven, hoewel God en de gelovigen aangenaam, niet kostelijk is; want zeggen deze geveinsden zij moeten noodwendig sterven, en verzaking kan hun niet helpen, en, indien verzaking hen had kunnen redden, zouden zij wel vijf honderd maal verloochend hebben. Doch, daar zij bemerkten, dat het hun niet baten kon, zijn zij door enkel hovaardij en boosheid gestorven, terwijl zij met hun monden betuigden, wat hun eigen geweten getuigde, dat vals was.

Daarom, allerliefste broeder bent gij bereid uzelf Gode tot een geschikte offerande over te geven, geef u dan over, en beveel u geheel en alleen aan uw lieven en welbeminden Vader. Dan zal Hij Zijn kracht in u openbaren, en u aldus versterken, dat gij in het geheel geen pijn gevoelen zult, die anderen de dood zou veroorzaken, en volgens Zijn belofte, zal Zijn Heilige Geest in u spreken, om u te leren, wat gij zult antwoorden. Zijn waarheid zal Hij wonderbaar door u voorstellen, en zal sterk in u werken, zelfs boven wat gij in uw hart denken kunt; ja, ofschoon ook de geveinsden met hun aanhangers uw dood gezworen hebben, nochtans bent gij niet dood; una salus victis nullam sperare sulutem. Om niet van mensen hulp te verwachten, heeft hij, die voor de ogen der geveinsden schijnt overwonnen te zijn, de hulp van God nodig; ja, wat meer is, het zal God aanleiding geven, om u, ter wil van Zijn zuivere waarheid door het vuur en het water te doen heengaan, in spijt van al de vijanden zijner waarheid. Er valt niet een haar van uw hoofd tegen de wil van uw hemelse Vader, totdat uw uur geslagen is, En, wanneer die uur geslagen is, dan moeten wij zonder uitstel van hier verhuizen, hoe onwillig wij ook zijn. Maar, indien wij gewillig zijn, zullen wij beloning en dank ontvangen van onze hemelse Vader.

Zo dan, vrees de bedreigingen der mensen niet, en laat u niet door schone woorden overwinnen, met welke middelen de geveinsden u zullen bespringen; laat de inbeelding op menselijke wijsheid geen heerschappij voeren in uw hart; ja, al waren het ook uw eigen vrienden, die u het tegendeel zouden raden. Dat de vrome martelaar Bilney u een waarschuwing en een voorbeeld zij, en laat hun masker u niet bedriegen, en laat uw lichaam niet bezwijken. Die volstandig zal blijven tot het einde toe, zal zalig worden. En, wanneer ook de pijn uw kracht mag te boven gaan, denk dan aan het gezegde van Christus, dat al wat gij in Zijn naam bidden zult, Hij u dat zal geven. Bid uw hemelse Vader in Zijn naam, en Hij zal uw pijn verlichten en spoedig doen eindigen. De Heere des vredes, der hoop en van het geloof zij met ulieden, amen.

 

Jan Lambert, ook genoemd Nicholson

 

[JAAR 1538.]

 

Jan Lambert, van Norwich, was een van de eerste, die zich in Engeland tegen de vijanden der goddelijke waarheid verklaarden. Toen deze zag, dat in zijn vaderland verkeerde dingen plaats hadden, en hij tot de studie, waartoe hij van zijn jeugd bestemd was, een bijzondere lust had, vertrok hij op zeer jeugdigen leeftijd uit Engeland naar een andere plaats, waar hij meende zich te beter in de vrije kunsten te kunnen oefenen. Daar hij hoopte, dat het na enige jaren in zijn vaderland beter gesteld zou zijn, vooral omdat Cromwell en Anna Boleyn leefden, en de paus van Rome zijn gezag in Engeland verloren had, wijdde hij zich aan het evangelie. Maar, aangezien men in die tijd geen gehuwde priesters duldde, vergenoegde hij zich in de schooljeugd te onderwijzen, daar hij toen niet verder gaan kon. Toen hij dit gedurende geruime tijd niet alleen op een eervolle wijze, maar ook tot nut der jeugd gedaan had, gebeurde het, dat hij op zekere tijd in de St. Petruskerk te London een leraar Taylor genaamd, hoorde prediken, die groten ijver in de prediking van het Evangelie aan de dag legde. Deze Taylor was tijdens de regering van Eduard de zesde bisschop te Lincoln, en werd daarna, op bevel van koningin Miria in de Tower te Londen gezet, waar hij ook stierf. Na de predikatie sprak Lambert Taylor aan, en zei, dat hij over een punt in de godsdienst twijfelde, en vroeg Taylor, hem dit te ontnemen, en daarvan grondig te willen inlichten; het betrof namelijk het sacrament van het lichaam en bloed van Christus. Taylor verontschuldigde zich toen. en gaf voor, dat hij iets te doen had, zodat hij hem niet terstond daarop kon antwoorden, en verzocht, dat hij hem te gelegener lijd weer zou aanspreken. Lambert kwam dan ook weer tot hem, en legde hem schriftelijk tien punten voor, die ontleend waren aan de Heilige Schrift en de oude kerkvaders. Onder deze was het eerste en voornaamste over de woorden van Christus, waar Hij zegt: “Deze beker is het Nieuwe Testament." Indien deze woorden," zei hij "de wijn noch de drinkbeker in het Nieuwe Testament veranderen, kunnen de woorden van het brood ook het brood niet wezenlijk in het lichaam van Christus veranderen." Zijn twee punt was: "Aangezien een natuurlijk lichaam niet op twee verschillende plaatsen tegelijk kan zijn, zo volgt noodzakelijk, of dat Christus geen natuurlijk lichaam gehad heeft, of dat Hij, volgens de eigenschap van alle natuurlijke lichamen, niet lichamelijk op twee plaatsen tegelijk is, te weten, aan de rechterhand des Vaders en in het sacrament." Voorts stelde hij nog andere punten uit de oude kerkvaders voor. Doch, om het beknopt samen te vatten, Taylor openbaarde de zaak, om Lambert tevreden te stellen, aan Dr. Barus. Deze Barus, ofschoon hij het Evangelie enigermate was toegedaan, gaf hem nochtans te kennen dat zulke gevoelens hem niet behaagden, en dat hij vreesde, dat de loop van het Evangelie zou worden gestuit, wanneer men zulke vereerders van de sacramenten gehoor gaf. Hij gaf Taylor daarom de raad, de zaak aan de aartsbisschop van Canterbury, Thomas Cranmer voor te stellen: en ziedaar de aanvang van het rechtsgeding tegen Lambert.

Toen hij voor de aartsbisschop geroepen was, moest hij zijn zaak in het openbaar voor de rechtbank verdedigen. Men moet hierbij opmerken, dat de aartsbisschop in die tijd de zaak van het heilig avondmaal nog niet recht verstond; die hij echter later, toen hij tot kennis der waarheid gekomen was, met groten ijver tegen vele lieden in Engeland verdedigde, en daarover een boek schreef. Sommigen zeggen, dat Lambert zich van de bisschop op de algemene raad van de koning beriep.

Koning Hendrik had zijn echte vrouw, Anna Boleyn, laten onthoofden, hetwelk niet alleen de vorsten in Duitsland, die in dat jaar een verbond met hem gemaakt hadden, maar ook allen vrouwen in Engeland zeer mishaagde. Hij gebood ook alle stiften en kloosters te slechten, en hun bezittingen te verkopen. Om dit alles en vooral, omdat hij de paus uit het rijk verjaagd had, werd hij zo gehaat, dat het volk de wapenen opvatte, en een oproer tegen hem verwekte. Stephanus Gardiner, bisschop van Winchester, geheimraad van de koning, een zeer bloedgierig mens, wendde alle middelen aan om de loop van het Evangelie te stuiten. En, aangezien hij zag, dat de zaken wat gevaarlijk stonden, meende hij onder deze omstandigheden enig alarm te moeten maken. Hij ging daarom naar de koning, en hield hem op scherpe wijze voor, hoe gehaat hij zich bij de algemene man gemaakt had; vooreerst, omdat hij de pauselijke kerk uit zijn koninkrijk had verdreven; vervolgens, omdat hij geboden had, dat men de stiften en kloosters omver zou werpen; dat men ook niet vergeten had, hoe hij zich van zijn huisvrouw Katharina had laten scheiden; dat het nu tijd was om alles te herstellen, en de gunst weer te winnen van zijn onderdanen. Hij raadde hem daarom, dat hij aan deze ketter Lambert tonen moest, welk voornemen en welke macht hij had om zulke ketters te bejegenen, en versterkte item in de verwachting, dat hij de openbare mening zou vernietigen, die men van hem koesterde, dat hij namelijk de sekte en nieuwe gevoelens toegedaan was. De koning luisterde naar deze verkeerden raad meer dan hij behoorde, vaardigde een gebod uit, en schreef aan alle heren en bisschoppen in het koninkrijk, te Londen, om zonder uitstel daar te komen, en hem tegen alle ketters, die hij op priesterlijke wijze wilde verdelgen, bijstand te verlenen. Lambert werd ook gedagvaard. Een grote menigte kwam samen, om met aandacht te vernemen, hoe deze nieuwe beweging, waar men tevoren nooit van gehoord had, zou eindigen.

De zaal, waar het verhoor plaats had, was geheel gevuld met mensen. Daarna werd Lambert uit de gevangenis voorgebracht, onder geleide van een hoop gewapende lieden om voor de koninklijke rechterstoel te verschijnen. Alles was gereed, en men wachtte naar niemand anders dan de koning. Eindelijk verscheen de koning met zijn lijfwacht, geheel in het wit gekleed, zodat alle voorwerpen schitterde, en een prachtig gezicht opleverden. Aan zijn rechterzijde zaten de bisschoppen, achter hem de raadsheren en rechtsgeleerden op hoge banken en in rode kleding, zoals gebruikelijk was. Aan de andere zijde waren gezeten de heren en rechtspersonen, benevens de gehele ridderschap, terwijl daar achter de boogschutters geplaatst waren, die op de koning wachtten.

Toen koning Hendrik op de koninklijken zetel had plaats genomen, zag hij Lambert verachtelijk aan, en beval Dr. Day, bisschop van Leicester, dat hij het volk met luider stem zou meedelen waarom hij dit verhoor had bevolen, dat hij in eigen persoon wilde bijwonen; te weten, omdat hij de ridderschap, de bisschoppen, als ook het tegenwoordig zijnde volk wilde verklaren, dat niemand moest denken, dat hij, door de pauselijke heerschappij te fnuiken, ook tegelijk allen godsdienst wilde uitroeien, en de ketters vrijheid geven de vrede der Engelse kerk, waarvan hij het hoofd was, naar hun goeddunken te verstoren. Dat daarenboven niemand menen moest, dat hij zich geroepen achtte, om met de ketters uitvoerig in een twistgesprek te treden maar alleen zover, opdat de ketterijen van de tegenwoordig zijnde Lambert en zijn aanhangers, zowel door hen als door de bisschoppen weerlegd en in het openbaar zouden veroordeeld worden. Daarna zei de koning tot Lambert: "Kom hier, gij vrome man; hoe is uw naam?" Lambert antwoordde ootmoedig: "Ik heet Jan Nicholson, maar men noemt mij ook Lambert." De koning hernam: "Hoe, hebt gij twee namen? Al was gij ook mijn broeder, zo zou ik u toch niet geloven, omdat gij twee namen hebt." Lambert antwoordde: "Heer koning, uw bisschoppen hebben er mij toe gebracht, dat ik mijn naam heb moeten veranderen." Na vele woorden beval de koning hem, dat hij ronduit moest zeggen hoe hij over het sacrament dacht. Toen begon Lambert over zijn zaak te spreken, en dankte God in de eerste plaats, dat Hij het hart van de koning zover had vertederd, dat hij zelf de strijd over de godsdienst begeerde aan te horen. Verder zeide hij, dat er velen door de verkeerdheid der bisschoppen onschuldig, buiten weten van de koning, werden gedood. Maar aangezien de Koning van alle koningen hen nu had verlicht, zodat hij zelf de betwiste zaken zijner onderdanen begeerde aan te horen, hoopte hij daarom, dat God iets buitengewoons tot Zijn eer zou uitvoeren. De koning vertoornde zich daarover, viel hem in de rede en zei: “Ik ben hier niet gekomen om mijn lof te horen verkondigen: ga, en wel zonder omwegen, tot de hoofdzaak over." Lambert verschrikte en zweeg, en bedacht, wat hij de koning eigenlijk zou antwoorden. Doch de koning werd zeer toornig, en zei: "Wat denkt gij nu bij uzelf? Wilt gij niet antwoorden op de vraag over het sacrament des altaars? Bekent gij dat het lichaam van Christus daarin is of niet?' Bij deze woorden zette de koning de muts van het hoofd. Lambert zei: “Ik antwoord met de heiligen Augustinus, dat het lichaam van Christus enigermate daarin tegenwoordig is." De koning zei vervolgens: "Spreek mij niet van Augustinus of anderen, maar zeg mij ronduit, of het er in is of niet.” Deze woorden herhaalde de koning ook in het Latijn. Lambert zei: “Ik geloof niet, dat het erin is.” Daarop hernam de koning: "Dan bent gij veroordeeld door de uitgedrukte woorden van Christus die zegt: "Dat is mijn lichaam." Terstond beval hij de bisschop van Canterbury, dat hij deze dwaling zou wederleggen. Toen Cranmer een korte toespraak tot de toehoorders had gericht begon hij op bescheiden wijze met Lambert te spreken; en zei: "Lieve broeder Lambert, laat ons samen spreken, onder deze voorwaarde, dat, indien ik uit de Schrift bewijs, dat uw mening vals is, gij uw dwaling erkennen zult; daarentegen, indien gij uw mening uit de Schrift kunt bewijzen, zo beloof ik u, dat ik gewillig de waarheid zal aannemen."

Cranmer haalde toen een plaats uit de Handelingen der Apostelen aan, en wel die, dat Christus de Apostel Paulus op de weg was verschenen. Met deze plaats wilde hij bewijzen, dat het lichaam van Christus op dezelfde tijd op twee verschillende plaatsen wezen kon, aangezien Hij in de hemel was, en in die zelfden tijd ook aan de Apostel Paulus op aarde verschenen was. "Indien men nu zeggen kan, dat hij op twee plaatsen geweest is, waarom zou men dan niet kunnen zeggen, dat Hij op vele plaatsen tegelijk kan zijn?” Hiermee meende de aartsbisschop het tweede bewijs van Lambert te wederleggen, dat hij aan Dr. Taylor had opgedragen; want de koning had zich tegen het eerste bewijs verklaard. Lambert antwoordde: “De aartsbisschop kan met deze plaats zijn mening niet verdedigen, want de Schrift zegt niet, dat Christus met de Apostel op aarde gesproken heeft, maar dat hem een licht van de hemel omscheen, dat hij ter aarde gevallen is en een stem heeft gehoord, die zei: "Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij!" Deze plaats verhindert niet, dat Christus, ter rechterhand Gods zittende, met de Apostel Paulus zou hebben kunnen spreken, en door hem op aarde gehoord worden: want die met Paulus waren hoorden wel een stem, maar zij zagen niemand." De aartsbisschop hernam: "Paulus betuigt zelf, Hand. 26, vs. 16, dat Christus hem in zulk een gezicht is verschenen." Doch Lambert antwoordde: "Christus heeft ook gezegd, in deze geschiedenis, dat Hij hem verder zou verschijnen en uit de handen der heidenen verlossen; nochtans lezen wij nergens, dat Hij hem ooit lichamelijk verschenen is." Toen Lambert zo juist en verstandig over de bekering van de Apostel Paulus sprak, en zich derwijze verdedigde, dat de koning daarover ontroerd werd en de aartsbisschop hem niet genoegzaam kon wederleggen, en de toehoorders elkaar aanzagen, trad de bisschop van Winchester voor, die de zesde in de orde was, misschien wel uit vrees, dat iemand voor hem iets zou zeggen, wat hij zich had voorgenomen, en verbrak, zonder bevel van de koning, de orde van het twistgesprek, eer nog de aartsbisschop tot een besluit was gekomen, en viel op de knieën en bad, dat men hem wilde toestaan te spreken en tegen Lambert ook het een en ander in te brengen. Hij noemde een plaats uit 4 Kor. 9, vs. 1: "Heb ik niet Christus Jezus onze Heere gezien?" en h. 15, vs. 5, 6, 7, 8. Hij is gezien van Cefas, daarna van Jakobus, daarna van al de Apostelen, ten laatste ook van mij, als van een ontijdig geborene." Lambert antwoordde, dat hij er niet aan twijfelde of Christus gezien was, maar wel of Hij op dezelfde tijd op verschillende plaatsen gezien was volgens de natuur des lichaams; op dit laatste moest hij neen zeggen. Verder haalde de bisschop van Winchester de plaats van Paulus aan, 2 Kor. 5, vs. 16: "indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen [Hem] nu niet meer [naar het vlees]." Lambert antwoordde, dat men dit niet lichamelijk verstaan moest, wanneer men in aanmerking nam, wat de Apostel van zijn openbaring zegt: “Ik ken een mens in Christus, die opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; en ik weet, dat deze mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam [geschied zij] weet ik niet, God weet het) in het paradijs opgetrokken is geweest &." "Door welke woorden gemakkelijk kan verstaan worden, dat de heilige Paulus, in deze openbaring in de hemel opgetrokken zijnde, zulke onuitsprekelijke dingen heeft gehoord en gezien, even alsof Christus lichamelijk van de hemel neergedaald ware, om Zich aan de Apostel te openbaren, inzonderheid omdat de Engel des Heeren gesproken heeft: “Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heen varen." En de heilige Petrus zegt, Hand. 3, vs. 21: "De hemel moet hem ontvangen tot de tijden der wederoprichting van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond al Zijner heilige Profeten van [alle] eeuwen." Met welke woorden hij een zekere tijd aangeeft en bedoelt.

Na de bisschop van Winchester, vatte ook het woord op Tonstall, bisschop van Duram, en sprak veel over de almacht van God, totdat hij aldus besloot: "Indien Christus dat niet kon doen, wat Hij aangaande de verandering van zijn lichaam in brood gezegd heeft, zou. Hij zonder twijfel niet beloofd hebben, dat Hij het zou doen." Lambert antwoordde: "Het staat nergens geschreven, dat Christus gezegd heeft, dat Hij zijn lichaam in brood veranderen zou. Het is ook niet nodig, dat Hij het doet; maar het is een zinnebeeldige en een in de Schrift gebruikelijke manier van spreken, dat aan het teken de naam van het betekende voorwerp gegeven wordt, gelijk te zien is in de plaatsen waarde Schrift spreekt van de besnijdenis, van het verbond, van het Paaslam, van de doortocht door de Rode zee, enz." Aangezien zij hem met geen bewijzen uit de Schrift konden wederleggen, begonnen de geestelijke heren hem met lasterlijke woorden te bejegenen.

Na deze sprak Stokille, bisschop van Londen, hield een lang voorrede en zei, dat, indien het de toehoorders behaagde, hij bewijzen wilde, dat de zaak, waarover zij streden, niet alleen geen wonderwerk was, maar dat zij ook in het geheel niet tegen de natuur streed. "Want," zei hij, "het is niet ongerijmd, dat het wezen van twee dingen, die aan elkaar gelijk zijn, het een in het andere veranderd wordt, zodat de toevalligheden en hoedanigheden blijven, ofschoon het wezen wordt veranderd." Hij bewees dit met het water, hetwelk over het vuur zo lang kookt, totdat het eindelijk in damp overgaat en verdwijnt.

Nu leren de wijsgeren, dat geen natuurlijk wezen kan worden veranderd, tenzij er een andere stof of wezen uit ontstaat. Zo zeggen wij, dat de stof van het water in de lucht wordt veranderd, ofschoon de hoedanigheid van het water, namelijk de vochtigheid, ook na de verandering van het water dezelfde blijft, want de lucht is vochtig evenals het water. Na dit bewijs gegeven te hebben, begonnen de heren bisschoppen te triomferen en meenden dat zij, volgens deze wijsgerige verandering der grondstoffen, de overwinning zeker zouden behalen. Lambert wilde daarop antwoorden, doch de bisschop stemde hem zijn sluitrede niet toe, namelijk, dat de vochtigheid van het water dezelfde bleef, nadat het wezen daarvan in de lucht was veranderd. "Want," zei hij, "ofschoon wij met de wijsgeren erkennen, dat de lucht van nature vochtig is, zo is dit nochtans een andere vochtigheid dan die van het water, zodat, wanneer het water in de lucht veranderd wordt, zo is er wel vochtigheid aanwezig, zoals gij zegt, maar zij is geen vochtigheid meer van het water, maar van de lucht, in welke lucht het water veranderd is. Bij de wijsgeren is het een algemene regel, dat het onmogelijk is, dat de hoedanigheden der natuurlijke dingen zonder hun innerlijk wezen bestaan, waarin zij besloten zijn en blijven."

Toen begonnen de koning en zijn bisschoppen aldus tegen Lambert te schreeuwen, dat zij hem zeker doof zouden gemaakt hebben, indien hij aan zulk een geschreeuw niet gewoon ware geweest. Het zou te uitvoerig zijn, en het is onnodig, alle bewijzen mee te delen, waarmee de bisschoppen te voorschijn kwamen. Als Lambert nu aldus door zijn tegensprekers belasterd en overbluft was en door de pracht van de plaats als verschrikt, en door het langdurige twistgesprek, dat van de middag tot vijf uur duurde, zeer vermoeid en neergedrukt was, en zag, dat hij bij de vijanden niets kon uitrichten, begreep hij, dat het beter was te zwijgen, dan langer tevergeefs met hen spreken. Aangezien Lambert nu niet meer antwoordde, zeiden de bisschoppen wat zij verkozen. Alleen bracht Lambert enige gezegden van Augustinus bij, om er zijn bedoelingen mee te bevestigen.

Eindelijk, toen nu de dag verstreken was, en de kaarsen opgestoken waren, wilde de koning een einde aan het twistgesprek maken, en zei tot Lambert: "Wat zegt gij, bent gij niet tevreden met de vele leringen en bewijzen, die deze geleerde mannen u met grote moeite en inspanning hebben voorgehouden? Wat wilt gij nu liever: sterven of leven? Antwoord, het staat u nog vrij te bedenken, en het een of het andere te kiezen." Lambert antwoordde, dat hij verplicht was, zich aan de wil van de koning te onderwerpen. "Neen," zei de koning, "onderwerp u aan de wil van God en niet aan mij." "Ik beveel," hernam Lambert, "mijn ziel aan God de Heere, en mijn lichaam aan uw genade." Toen zei de koning: “Indien gij u aan mij overgeeft, moet gij sterven, want ik heb bij mij zelf besloten geen ketter te laten leven." Toen wendde hij zich naar Cromwell, en beval, dat hij het vonnis eindelijk moest voorlezen. In die tijd was Cromwell een groot vriend van alle vrome christenen, en betoonde hun, naar zijn vermogen, alles goeds. De bisschop van Winchester was hierbij zo slim, dat hij het vonnis liever door Cromwell dan door een ander liet lezen, opdat hij hem, indien hij dit weigerde, in hetzelfde gevaar zou kunnen brengen. Zo werd dan het besluit, op bevel des konings, door Cromwell voorgelezen, waarin stond, dat alle ketters verbrand moesten worden, die iets zeiden of schreven tegen de pauselijke kerk en het sacrament des altaars. Er werd ook een ander besluit aan de kerkdeuren aangeplakt, met bevel, dat men dat vier malen in het jaar van de predikstoelen moest aflezen, opdat de leer van het sacrament de lieden des te dieper zou worden ingeprent.

Dit was de veroordeling van Johannes Nicholson, waaraan nu niets meer ontbrak, dan dat zij werd uitgevoerd. Gedurende zijn gevangenschap stelde hij zijn antwoord schriftelijk op, met een gepaste voorrede aan de koning, waarin hij betuigde, dat hij tweeërlei troost had, de een aan God, de anderen aan de koninklijke majesteit. Daarna verklaarde hij de redenen waarom hij dit boek geschreven had. Na de voorrede bewees hij zijn gevoelen omtrent het avondmaal met vele plaatsen uit de Heilige Schrift, en inzonderheid, dat Christus, toen Hij nog op aarde was, en ook na Zijn opstanding, hemelvaart en het zitten ter rechterhand Gods, nooit meer dan één plaats met Zijn lichaam ingenomen heeft. Ook wees hij uit de getuigenissen der kerkvaders aan, dat het nachtmaal des Heeren een verborgenheid en geestelijk werk is, en dat het lichaam en bloed van Jezus Christus waarachtig in deze verborgenheid is begrepen.

Toen nu de dag van zijn dood genaakte, werd hij omstreeks acht uur, uit de gevangenis naar het huis van de heer Cromwell gebracht, waar Cromwell hem om vergiffenis bad voor hetgeen hij hem had misdaan. Toen men hem aanzegde, dat het uur van zijn dood geslagen was, scheidde hij welgemoed uit Cromwell's kamer, en werd van daarin een zaal gebracht, waar hij, na de adel gegroet te hebben, zonder de minste droefheid en vrees deel nam aan het maal. Na het eten ging hij naar de strafplaats, om God de Heere een offerande van een aangename reuk te brengen, wat ook plaats had in het jaar 1538.

 

Mr Petrus, pastoor te Duway

 

[JAAR 1538.]

 

Meester Petrus, wiens eigenlijke naam ons onbekend is, was enige jaren in zekere kerk te Duway pastoor, en werd eindelijk, in het jaar 1538, omdat hij de waarheid van het Evangelie, ofschoon niet zo rein en met zulke vrijmoedigheid als wel betaamde, maar naar de omstandigheden des tijd en van het land, dat nog in onwetendheid en duisternis lag, had verkondigd, aangeklaagd, en door de opstokers en andere handlangers van de geestelijke van Arras in de gevangenis gezet. Toen men hem voorbracht, wilden zijn tegenpartijders naar geen verdediging horen, maar overlegden alleen, hoe zij hem veroordelen en ombrengen zouden. Hij liet echter de waarheid niet varen, maar verdedigde haar uit Gods Woord met meer ernst en beter, dan hij ooit had gedaan. In die tijd was er een predikmonnik, wijbisschop te Arras, bisschop van Salybry geheten, een onaangenaam, onhandelbaar mens, die zeer verblind, een gierigaard en een bedrieger was. Deze zogenaamde fijne bisschop, zo ook zijn zogenoemde geestverwanten, greep de christenen met twee woorden aan, namelijk, met de woorden ketterij en kerk, om vooral daardoor het volk te bewegen. Het eerste woord paste hij toe op allen, op wie het vermoeden rustte de nieuwe godsdienst te zijn toegedaan; met het andere woord verzachtte hij zijn razen en woeden jegens hen, die de waarheid getrouw bleven belijden. Toen hij nu met Meester Petrus sprak, maakte hij ook daarvan gebruik, en had geen ander bewijs dan dit zeggen: "Uw leer en woorden zijn ketters, ergerlijk, slecht klinkend, schandelijk, en van die aard, dat heilige oren daardoor vergiftigd en geërgerd worden." Verder: "Uw leer is tegen onze moeder de heilige kerk, haar instellingen" enz.

Toen nu de geestelijke heren te Arras deze godzaligen man met gevangenschap, twistgesprekken, schampere woorden en bedreigingen lang genoeg hadden geplaagd, verklaarden zij hem eindelijk voor een halsstarrige ketter, en werd hij als zodanig veroordeeld. Aangezien zij echter niemand durfden te doden, ontwijdden zij hem, en beroofden hem van het priesterschap en alle geestelijke orden en voorrechten, en alzo werd hij, zoals zij het noemen, van hun lichaam afgesneden en aan de wereldlijke overheid bevolen, hem als een verdoemden ketter te straffen. Overeenkomstig hun bepaling, richtte men een soort van toneel op, opdat men het apenspel, dat met de ontwijding der priesters bedreven werd, te beter zou kunnen zien. Vervolgens betrad de bovengenoemde bisschop, omringd door een groot aantal priesters, het toneel, en volbracht aan hem de zogenaamde wereldlijke ontwijding.

Mr. Petrus prees God met een vrolijk hart, dat Hij hem deze eer bewezen en zijn onreinen rok had uitgetrokken, waarin hij aldus geleefd had, en waarin hij ook zou verdorven zijn, indien God hem deze barmhartigheid niet had bewezen. Toen de dienaren van de antichrist hun gewone plechtigheid der ontwijding verrichtten, zei Meester Petrus bij herhaling tot hen: "Scheert, scheert, snijdt en neemt alles weg, opdat er niet overblijft, want dat heb ik van ulieden ontvangen; maar het ware priesterschap, dat God mij inwendig heeft geschonken, waardoor ik mij aan Hem heb overgegeven en tot een offerande geheiligd, is niet in uw macht, om mij dat naar uw goedvinden te ontnemen. Na de volbrachte ontwijding deed men hem een wereldlijk kleed aan, en werd hij veroordeeld om tot as verbrand te worden. Toen men hem naar de brandstapel bracht, bad hij God, dat Hij hem in de laatste strijd wilde versterken, waardoor hij zich tot Zijn eer zou opofferen. Toen vele burgers uit de stad hun pastoor zagen, weenden zij en baden voor hem tot God, terwijl sommigen hem vervloekten, zoals er gewoonlijk onder een hoop volk goede en kwaden worden gevonden. Vele vrome zielen weide echter door zijn gruwelijke dood getroost en gesticht, vooral toen zij zagen, dat hij zo standvastig en met een naar de hemel gericht gelaat de geest gaf. Doch de anderen, bij wie weinig ijver gevonden werd, en die niet wisten, welke eer en heerlijkheid voor God de dood van zijn lieve martelaren is, braakten het goede, dat zij van God ontvangen hadden, weer uit, keerden, uit vrees voor hetzelfde gevaar, tot de pauselijke goddeloosheid terug en werden verder grotere huichelaars, dan zij ooit tevoren waren geweest.

 

Geertruida Adriaans

 

[JAAR 1538.]

 

In het jaar onzes Heeren 1538 werd Geertruida Adriaans de Roevre, vrouw van Wouter Hoogendoren om de zuivere leer der waarheid te Vucht aan het gerecht overgeleverd, en volgens het vonnis van de regering te 's Hertogenbosch verbrand.

 

Vijf martelaren in Schotland verbrand

 

[JAAR 1539.]

 

George Buchanan verhaalt in zijn Schotse geschiedenissen, dat er velen om de belijdenis der waarheid in 1539, in Schotland werden vervolgd. Vijf gelovige schapen vielen in deze vervolging in de klauwen der antichristelijke wolven, en werden in het laatst van Januari samen verbrand, en enige anderen, die mee gevangen genomen waren, ten eeuwige dage uit Schotland gebannen. Buchanan zat in die tijd ook gevangen, maar ontvluchtte in het geheim uit een venster, en wel terwijl de wachters sliepen, die bij hem en anderen geplaatst waren, om hen gade te slaan. Hij leefde nog geruime tijd daarna. Dit geschiedde zeven of acht maanden voor koning Jakobus de vijfde in het huwelijk trad met Maria de Guise, weduwe van de hertog van Longueville.

 

Louwijs Courtet

 

[JAAR 1539.]

 

Louwijs Courtet, beroemd advocaat in het graafschap Genève, in Savoye, kreeg in die tijd groten lust in het Evangelie, dat te Genève werd gepredikt. Hij was geboren in een dorp, Vouvrey genaamd, in het ambt van Chaumont, in het bovenbedoelde graafschap Genève, waar hij tot schout was aangesteld. Aangezien hij om enige zaken dikwerf te Genève zijn moest, kwam hij daar tot kennis der goddelijke waarheid, die bij hem niet leeg of onvruchtbaar was, omdat hij daardoor niet alleen zijn leven beterde, maar ook zijn huisgezin en andere goede vrienden de ontvangen schat deelachtig maakte. Aangezien echter de wereld zulk een liefelijke reuk niet verdragen kon, bleef hij ook niet lang onvervolgd, maar behoorde spoedig tot hen, die zulk een groten en kostelijke schat de mensen voordragen. Hij werd daarop op bevel van vrouw Charlotte van Orleans, weduwe van Filippus van Savoye, de hertog van Nemours en graaf van Genève, die destijds als voogdes van haren zoon Jakobus, het bestuur over het land van Genève had, en heerschappij voerde over Fossigny, gevangen genomen. Mr. Claudius David, die toen rechter over het land was, en voor een voornaam rechtsgeleerde wordt gehouden, en later in krankzinnigheid is gestorven, stelde een aanklacht tegen hem in, en toen hij hoorde, dat hij standvastig bleef, veroordeelde hij hem tot de brandstapel. Op de dag der uitvoering van het vonnis, de 19e April 1539, sterkte God Zijn dienaar, nadat deze uit de toren Annissi naar de strafplaats Mussière genaamd was geleid, om verbrand te worden, derwijze, dat hij hen, die hem ter dood brachten, ernstig uit Gods Woord vermaande. Toen de beul het hout aanstak, en het volk, volgens het algemeen gebruik, "Misericorde" uitriep, waarmee zij wilden zeggen: God zij genadig," zei Courtet met luide stem: "Lieve vrienden, bekommert u niet over mij; ik ben zeer getroost in de Heere." Aldus nam hij, temidden der pijnigingen van het vuur, afscheid uit dit leven, en had een zalig einde.

 

Thomas Cromwell, graaf te Essex

 

[JAAR 1539.]

 

Thomas Cromwell was van geringe afkomst, doch bezat een groot verstand, en was een goede raadgever, zo zelfs, dat Engeland in wereldlijke zaken zijns gelijke nauwelijks bezat, waarom hij ook raadsheer werd van Koning Hendrik de achtste. Nadat hij in Engeland veel goeds tot stand gebracht, en de koning vele trouwe diensten bewezen had, werd hij door sommige oproerige heren bij de koning aangeklaagd, aangezien zij hem vooral haatten, omdat de koning hem tot graaf van Essex had verheven. Hij alleen raadde de koning aan te doen, wat nooit enig vorst in Europa durfde beginnen, laat staan uitvoeren. Immers, niettegenstaande de Engelsen een zeer bijgelovig volk zijn, laadde hij alle vijandschap van de gehele geestelijkheid op zich alleen. Geen kloosters liet hij staan, maar deed die geheel omverwerpen; ja hij dreef alle aartsbisschoppen en bisschoppen, en bovenal de bisschop van Winchester derwijze in het nauw, dat hij zijn geheime handelingen tegen de vrome christenen verbrak en vernietigde. Het is niet te beschrijven, hoe vele goede lieden raad en troost hij deze Cromwell vonden, en daarentegen hoezeer zijn vijanden hem het leven zochten te benemen. In het begin was hij de dienaar van de kardinaal van York, en gedroeg zich in zijn verschillende betrekkingen zo uitstekend, dat hij beter voor koning dan voor kardinaal kon optreden. Benevens Cromwell, waren in die tijd bij de kardinaal van York ook geplaatst Morus en Gardinerus, bisschop van Winchester, die reeds van hun vroegere jeugd tot grote ambten werden gebruikt. Op volwassen leeftijd beval de kardinaal hem bij de koning aan, en wist hem daar tot grote eer te doen stijgen. Toen hij al hoger en hoger klom, spraken de kamerdienaar en de rentmeester des konings en Cromwell samen over de jaarlijkse inkomsten van het koninkrijk, waarbij hij betuigde, dat, indien de koning naar hem wilde horen, hij het dus kon aanleggen, dat hij de rijkste vorst in het gehele christelijke rijk werd. Toen de koning dit vernam, begeerde hij wel van hem te weten, hoe dit zou kunnen geschieden. De raad, die hij daartoe gaf, was, dat men de inkomsten, schatten en kostbaarheden uit al de kloosters van het gehele koninkrijk moest nemen, en op eens de heilloze monniken en schandepriesters uit het land jagen, aangezien zij leefden van het zweet des armen volks, en er niets voor deden. Deze raad beviel de koning, en wel omdat de paus hem had belemmerd, in de zaak van zijn huwelijk met Anna Boleyn. In die tijd waren er vele kloosters in Engeland; want in de heerlijkheid Norfolk alleen werden meer dan twintig kloosters gevonden van de bedelmonniken, behalve vele andere geordende en niet geordende monniken en nonnenkloosters. En, aangezien Engeland in 32 provinciën was verdeeld, kan men licht nagaan, welk een grote menigte er in het gehele koninkrijk moest zijn, zodat er niet alleen vele, maar ook zeer rijke kloosters in Engeland waren.

Toen de paus van Rome in Engeland zijn macht en invloed verloren had, deden de bisschoppen hun best, om dat te herstellen, of ten minste vele van zijn leerstellingen te behouden. Ten gevolge daarvan nodigde de koning alle bisschoppen en geleerde lieden uit, teneinde met hen over de zaken van de godsdienst te spreken. Er had dan ook een grote vergadering van geleerde mannen plaats. Cromwell voegde zich ook bij de bisschoppen, terwijl hij Alexander Alesius meebracht. De bisschoppen bewezen Cromwell, alsdan stadhouder van de koning, grote eer, en ook hij groette hen allen vriendelijk. Vervolgens zetten de bisschoppen en leraren zich op hun plaats: eerst de aartsbisschop van Canterbury, daarna de bisschoppen van Londen, Lincoln, Salisbury, Bade, Elie, Herford, Leicester, Norwich, Rochester, Wigorne, enz. Cromwell, als de stadhouder en zegelbewaarder des konings, deelde aan de vergadering mee, dat het vooral de begeerte des konings was, dat zij zich in de zaak van de godsdienst niet naar enig menselijk gezag, maar alleen naar de toetssteen van het goddelijke Woord moesten gedragen.

Toen Cromwell zijn reden bad geëindigd, stonden al de bisschoppen op, en dankten de koning onderdanig, niet alleen voor de bijzondere toegenegenheid tot de kerk van onze Heere Jezus Christus, maar ook voor de getrouwe vermaning en waarschuwing, die hun vanwege de koning was meegedeeld.

Daarna ging men terstond tot het twistgesprek over. Boner, bisschop van Londen, een groot ijveraar voor de pauselijke instellingen, werd door Cromwell bestraft, omdat hij de stoutheid had, met sommige stellingen te bewijzen, dat er zeven sacramenten waren, die gegrond waren op de aantekeningen van de hoogleraren, Deze Boner werd ter zijde gestaan door zijn vrienden, de aartsbisschop van York, de bisschoppen van Lincoln, Bade, Leicester en Norwich; tegenover hen stonden de aartsbisschop van Canterbury, de bisschoppen van Salop, Elie, Herford, Wigorne en anderen.

Nadat zij enige tijd met elkaar hadden gesproken, begon eindelijk de aartsbisschop van Canterbury te redetwisten, en hield een inleidingsrede, waarin hij hen vermaande, dat zij niet als drogredenaars met woorden moesten kijven; dat zij niet gekomen waren om over ijdele plechtigheden te handelen, maar over de vergeving van zonden, over de waren troost van de arme gemoederen, over de rechtvaardigmaking van het geloof, over de goede werken, over de sacramenten enz.

Daarna beval Cromwell de heer Alesius, die daar tegenwoordig was, en veel behagen scheen te hebben in de woorden van de aartsbisschop, dat hij zijn mening ook zou te kennen geven. Deze wendde zich tot Cromwell, de bisschoppen en de andere kerkelijke dienaren, en richtte met allen eerbied zijn toespraak tot hen, en zei, dat, ofschoon hij zich niet tevoren tot spreken had voorbereid, hij zich nochtans op de genade Gods verliet, die hun mond en wijsheid belooft, die ondervraagd worden en bereid zijn rekenschap te geven van hun geloof, en hij aldus zijn gevoelens vrij uit wilde openbaren. En, aangezien de aartsbisschop het goed vond, eerst over de sacramenten te spreken, bevestigde Alesius in zijn gesprek het gevoelen van de aartsbisschop, verklaarde het woord sacrament, en bewees, dat er slechts twee sacramenten zijn, te weten, de doop en het avondmaal.

De bisschop van Londen kon niet langer zwijgen, en keurde de woorden van Alesius af. Doch de bisschop van Herford, die uit Duitsland was terug gekomen, waarheen hij als gezant door de koning tot de protesterende vorsten gezonden was, werd verontwaardigd over de hoogmoed van de bisschop van Londen, keerde zich tot Alesius en bad hem, dat hij met hen niet zou redetwisten met getuigenissen van de hoogleraren der hogeschool, aangezien die dikwerf in de leer der sacramenten tegen elkaar streden. Daarna wendde hij zich tot de bisschoppen, bestrafte hen scherp, en vermaande hen betreffende hun ambt en betrekking. Alesius hierdoor versterkt, verklaarde de leer der sacramenten duidelijk uit de Heilige Schrift. Doch de bisschop van Londen streed daar heftig tegen, en zei, dat men niet allen uit de Schrift, maar ook uit de geschriften der kerkvaders en kerkvergaderingen behoorde te redetwisten, en dat men de leer van deze zo hoog moest schatten, als die van de Heilige Schrift. Cromwell en de aartsbisschop van Canterbury lachten daarover met elkaar, en verwonderden zich over het grove onverstand van de grote bisschop. Alesius wilde verder spreken, doch, aangezien de tijd was verstreken, daar het bijna middag was, zei Cromwell, dat hij zich tevreden stelde met hetgeen hij ditmaal had gesproken, en sloot daarom deze samenkomst.

De volgende dag kwamen de bisschoppen andermaal samen, en zetten het begonnen twistgesprek voort. Toen echter Alesius zag, dat hij niet aan het woord kon komen, bracht hij zijn gevoelens in schrift, die Cromwell van hem ontving en de bisschoppen toonde. Dit twistgesprek werkte zo veel uit, dat, hoewel Cromwell voor de zaak te zwak was, en de godsdienst niet goed kon zuiveren, de gemeente in Engeland in een veel betere toestand werden gebracht dan zij tevoren waren.

Door bedrog en de geheime handelingen van zijn vijanden, kwam Cromwell drie jaren later in grote nood. En, daar zij hem vooral om de zaak van de godsdienst vijandig waren, wisten zij het zover te brengen, dat men hem in de Tower te Londen gevangen zette, waaromtrent hij kort tevoren een wet had uitgevaardigd, dat men hem, die te Londen in de Tower gevangen zat, zonder verder de zaak te onderzoeken ter dood zou veroordelen; en alzo kwam de goede man in nood door de bepaling, die hij zelf gemaakt had. Men zei, dat hij zulk een gestrenge wet niet gemaakt had uit onbarmhartigheid of tirannie, maar om de bisschop van Winchester, de groten vijand van Christus en van de ware godsdienst, te betrappen. Later berouwde het de koning zeer, dat hij Cromwell had laten doden, aangezien hij zijn liefde en genegenheid tot hem niet kon verbergen, gelijk men later zelf van hem vernam.

Twee dagen na Cromwells dood, werden Wilhelmus, Hieronymus en Thomas Garret, godgeleerden in Engeland, verbrand.

 

Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau, verbrand

 

[JAAR 1539.]

 

In het jaar 1539 werd Catharina, de vrouw van Melchior Salassovius, raadsheer te Krakau, in Polen, door de bisschop daar, Petrus Gamratus, tot de vuurdood veroordeeld, omdat zij niet geloofde aan de tegenwoordigheid van Christus in het brood des avondmaals, volgens het gevoelen van de roomse kerk. Zij verlangde naar de uitvoering van dit vonnis als naar een bruiloft, en eindigde op de markt te Krakau met vreugde op de brandstapel haar leven.

 

Robertus Barnes

 

[JAAR 1540.]

 

Robertus Barnes, geboren in Engeland, niet ver van Lynna, in de heerlijkheid Norfolk gelegen, was reeds op jeugdigen leeftijd Augustijner monnik geworden, en daar hij een zeer goed verstand had, werd hij bevorderd tot doctor in de Heilige Schrift. Daarna leerde hij uit Luthers geschriften de Evangelische waarheid kennen, en verkondigde die met vlijt en in het openbaar tegen het rijk van de antichrist aan het volk. Daarom werd hij later in het jaar onzes Heeren 1525, door de dienaren van het Babylonische rijk, voor het gericht ontboden, en eindelijk door de bisschoppen van London, Rochester, Bathonies en Asaph, om vijf en twintig artikelen veroordeeld, die hij voor de kardinaal moest herroepen. Toen zij hem in de gevangenis hadden geworpen, wist hij in het derde jaar uit te breken en te ontvluchten, en kwam bij Maarten Luther in Duitsland, waar hij met andere aanhangers der goddelijke waarheid enige j aren werd onderhouden. Toen hij vervolgens vernam, dat koning Hendrik de paus vijandig was geworden, en dat zijn gemoed tot de vrees Gods en de kennis der waarheid geneigd was, keerde hij, uit liefde tot zijn vaderland, en uit begeerte om daar het zuivere woord van het Evangelie te planten, waartoe hij nu goede gelegenheid scheen te hebben, naar Engeland terug, en verkondigde daar het reine en zuivere Evangelie. Met anderen was hij daarna belast met een zending naar Wittenberg, waar i onder andere gesproken werd over de scheiding van het huwelijk des konings. Toen de koning van gevoelen veranderde, en in de meeste punten de roomse leer weer was toegedaan, werd Barnes te Londen gevangen genomen, in de Tower opgesloten en de 29e Juni van het jaar 1540, onder grote volharding, op het Smitsveld, met nog twee anderen om dezelfde godsdienst levend verbrand.

 

Stefanus Brun

 

[JAAR 1540.]

 

Stefanus Brun, een landbouwer van Rutiers in het Bisdom van Ambrun, in Dauphiné, was in het bezit van de kennis der Evangelische waarheid, en werd door Gaspar Augerius de Gap, rentmeester van de bisschop, vervolgd, alleen opdat zijn goederen zouden verbeurd verklaard kunnen worden. Met allen ijver legde hij zich daarop toe, geholpen door de kettermeester Domicellus, een Minderbroeder, zodat Stefanus gevangen genomen werd in de maand September van het jaar 1540; en, nadat hij zijn gevoelens over de godsdienst had geopenbaard, werd hij veroordeeld tot de vuurdood. Toen hij naar de strafplaats werd heengeleid, was hij zo onverschrokken en welgemoed, dat hij tot zijn vijanden zei: "Wat wilt gij mij toch doen? Gij meent, dat gij mij van het leven beroven zult, doch gij dwaalt zeer; want aldus wordt mij bij mijn God het eeuwige leven gegeven, waar ik nu heenga, omdat te beërven." Daarna vermaande hij het volk, dat zij God alleen door Jezus Christus moesten dienen en aanroepen. Toen hij aan de plaats, Plauvol genaamd, kwam, onderging hij met zulk een standvastigheid de dood, dat de vijanden der waarheid in het openbaar bevalen, dat niemand over zijn dood mocht spreken, wanneer zij niet met dezelfde straf wilden gestraft worden.

 

Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen levend begraven

 

[JAAR 1540.]

 

Toen keizer Karel de vijfde in het jaar 1510 uit Frankrijk naar de Nederlanden gekomen was, teneinde het oproer te Gent te stillen, vervolgde hij, op het sterk dringen der priesters en monniken, de christenen op de wreedste wijze, en werden er twee mannen en vrouwen ter dood gebracht. Toen de mannen in het raadhuis waren geleid, werd het vonnis over hen uitgesproken, dat hun lichamen tot as moesten verbrand worden, en hun goederen aan de keizer vervallen. Nadat het vonnis was gelezen, werden zij weer in de gevangenis gebracht, waar zij twee dagen vertoefden, gedurende welke tijd vele monniken en priesters daar kwamen en hen op hun gewone wijze pijnigden.

Intussen heerste er in de stad een grote drukte, daar men zich gereed maakte om de gevangenen ter dood te brengen. En, ofschoon het gebruikelijk was, dat men hen, die ter dood veroordeeld waren, op een zekere plaats voor de stad bij de galg doodde, vonden zij goed, om de burgers vrees aan te jagen, de strafoefening ditmaal op de kleine markt voor het raadhuis bij de St. Pieterskerk te doen plaats hebben. Toen nu de derde dag was aangebroken, waarop het vonnis zou worden voltrokken, had er zulk een grote oploop in de stad plaats, dat het bestuur, om oproer te voorkomen, bevelen moest, dat alle burgers zich met de wapenen op de markt moesten bevinden, en het gericht beschermen. In zulk een oproer en groten toeloop van volk, kon men de laatste woorden van de arme gevangenen niet goed verstaan, ook daarom niet, omdat zij wegens de langdurige gevangenschap verzwakt en bijna half dood waren; alleen de naast bijstaanden getuigden, dat zij hun tijd met tot God te bidden doorbrachten, en Hem smeekten, dat Hij tien in deze laatste strijd met Zijn genade en barmhartigheid wilde bijstaan. De Fiskaal liet een brandende waskaars halen, en gaf die aan de beul, om het vuur daarmee aan te steken. Hij deed dit met zulk een groten spoed en in overijling, dat hij bijna van de plaats viel, waar hij stond. Het vuur ontbrandde allergeweldigst, zodat de lichamen van deze martelaren spoedig verbrand waren.

De dag na deze strafoefening werden er twee tamelijk bejaarde vrouwen, geboren te Leuven, die voor anderen de Evangelische waarheid beleden en verdedigd hadden, tot een gruwelijke dood veroordeeld, namelijk om levend begraven te worden. De een heette Antoinette, en was afkomstig uit een aanzienlijk oud geslacht. Hun voorvaders hielden vroeger het regeringsambt. Zij stierven beiden met een bewonderenswaardige, ja met een ongelofelijke moed, hoewel zij overigens zwak en onvermogend van lichaam waren.

 

Jan Marlar

 

[JAAR 1542.]

 

Te Orchies, een kleine stad, niet ver van Douay, werd zeker iemand, Jan Marlar genaamd, op de weg, toen hij naar huis op reis was, aangezien hij enige tijd te Leuven gestudeerd had, door de overheid van eerstgenoemde plaats gevangen genomen, omdat hij aan sommigen de waarheid van het Evangelie had gepredikt. De inwoners van Orchies leverden hem, de 2de November 1541, over aan Mr. Jan de Latre, in die tijd beambte bij de gouverneur te Douay. Marlar bleef standvastig en volhardde bij de belijdenis der zuivere leer, zodat allen, die tot hem kwamen, om met hem te redetwisten en hem te overtuigen, in tegenwoordigheid van de overheid, dooi, hem te schande werden gemaakt, waarom men hem voor het gericht bracht, en tot de vuurdood veroordeelde, welke dood hij op de 20sten Januari van het volgende jaar standvastig en geduldig onderging.

Margaretha Boulard, een deugdzame weduwe van George Martius, burger te Circhies, werd insgelijks door de overheid der plaats gegrepen, en wel op de Iste November, zijnde Allerheiligendag, en de volgende dag aan het gerecht te Douay overgeleverd. Hoe ijverig deze vrouw in de zuivere leer en de godsdienst was, kan nauwelijks gezegd worden. Toen men haar aangaande haar geloof ondervroeg, beleed zij zonder schroom, wat zij uit de heilige Schrift had geleerd. En, omdat zij standvastig bij de goddelijke waarheid bleef, en de menselijke instellingen niet wilde aannemen, werd zij veroordeeld om levend begraven te worden, welke gruwelijke dood, die de vrouwen in Nederland ondergaan moesten, door keizer Karel was bevolen.

Drie dagen na haar neef Marlar werd zij ter dood gebracht, te weten op de 239ten Januari, op welke dag zij haar ziel de Heere aanbeval en zalig stierf.

 

Vijf personen te Vucht gedood

 

[JAAR 1542.]

 

Op de 1e April van het jaar onzes Heeren 1542, werden te Vucht, door de overheid van 's Hertogenbosch, om de christelijke godsdienst, twee vrouwen en een man levend verbrand.

Er werd ook een ander man ter dood gebracht en een vrouw levend begraven. Zij woonden te Valenciennes, en waren Walen, die geen Duits kenden, en vluchten moesten naar Wesel, om daar te wonen en hun godsdienst vrij te kunnen belijden. Zij moesten sterven, omdat zij het heilige sacrament des avondmaals niet anders dan ondertwee gestalten wilden ontvangen, zoals men dat in vele plaatsen van Duitsland en Oostland gebruikte. Zeer gewillig en met vreugde ondergingen zij de dood.

 

Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in Agenois, boven Dordogne

 

[JAAR 1542.]

 

In het jaar onzes Heeren 1542, omtrent drie weken voor het Kerstfeest, beval het hof van het parlement van Bordeaux, dat men gevangen zou nemen Mr. Aymont de la Voye, die het Evangelie predikte in de stad Saintefois, in Agenois. Dooreen priester uit de parochie en andere priesters in dezelfde stad werd hij aangeklaagd en beschuldigd, die zeiden, dat hun gewone inkomsten door zijn prediking waren verminderd. Mr. Aymont werd drie dagen tevoren gewaarschuwd, om te vertrekken en de gevaren te ontvluchten. “Ik ware liever" antwoordde hij, "nooit geboren, dan dat ik dat doen zou. Het komt met de taak van een goed herder niet overeen, om te vluchten, als men de gevaren ziet komen, zoals Christus zegt, Joh. 10. Men moet blijven, opdat de schapen niet verstrooid raken. Nu dan, de Heere heeft mij de genade gegeven, dat ik u Zijn Evangelie prediken zou: en zou ik nu om eetje bezoeking weglopen? Men mocht eens denken, dat ik niets dan fabelen, dromerijen en andere dingen aangaande God gepredikt had, en alzo zou er grote ergernis gegeven worden. Zo bid ik u dan, daarvan niet meer te spreken; want ik weet, dat wat ik gepredikt heb waarachtig is, en, omdat te bevestigen wil ik lichaam en ziel verpanden, en met Paulus zeggen: "Ik ben niet alleen bereid om gebonden te worden in de stad Bordeaux, maar ook daar om Christus' wil te sterven." Toen zij deze grote volharding zagen, kwelden zij hem niet meer. Als nu de beambte kwam om hem gevangen te nemen, vertoefde hij drie dagen in de stad, in welke tijd Mr. Aymont drie toespraken tot het volk hield, en met een buitengewoon geheugen verhaalde alles, wat hij in vroegere tijden geleerd had, en wilde omdat te bevestigen duizend levens daarvoor overgeven, als hij er over te beschikken had. Dit bracht het volk in beweging, daar zij zijn onschuld en liefde bemerkten en zij zeiden: "Is hij er de oorzaak niet van, dat men zo veel niet meer speelt, of zich dronken drinkt, en dat vele boosdoeners van hun kwaad afstand doen?” Zij liepen daarom op de beambte toe om hem te verlossen. Mr. Aymont wilde dit niet gedogen en riep: "Houdt op, mijn broeders en vrienden, belet toch mijn martelingen niet; want het is Gods wil, dat ik om Zijns naams wil zal lijden, die men niet mag weerstaan." De raadsheren besloten en namen op zich hem gevangen te nemen, naar Bordeaux te brengen, en bevalen, dat de beambte zou terugkeren. Drie dagen daarna werd hij, door een grote menigte, naar Bordeaux geleid, waar al dadelijk vele getuigen tegen hem gehoord werden, van wie het merendeel priesters waren, uitgenomen de heer van Riverack, een grote pluimstrijker, die er zich op beroemd had, dat hij Mr. Aymont, al zou het hem ook duizend kronen kosten, zou laten verbranden. Ofschoon hij de getuigen weerlegde, gaven de rechters hem daarin toch geen gehoor, maar namen de getuigenis der priesters aan, die vooral voortdurend over het vagevuur, spraken, daar hij altijd had beweerd, dat Jezus Christus ons alleen zuivert. Mr, Aymont weerlegde ook de eerste en tweede president. De eerste weerlegde hij, omdat de president de parochie, die de gevangene toebehoorde, voor een van zijn kinderen verkregen had, en de ander, omdat hij een neef was van de eerste, welke zijn tegenpartij was.

Voorts werd bent toegestaan zich te verontschuldigen, dat hij deed met een aantal van zeven of achtentwintig mannen, die met ere genoemd moeten worden, en van zijn onschuld getuigen waren, die echter niet ontvankelijk werden verklaard, omdat men zei, dat zij verdacht werden ook tot deze sekte te behoren.

Toen hij aldus gedurende acht of negen maanden gevangen zat, leed hij zeer veel verdriet, maar verdroeg dit alles geduldig, gesterkt als hij werd door het geloof en de hoop. Bij herhaling was hem in deze tijd gezegd en meegedeeld, dat men hem binnen korte tijd zou verbranden, welke tijding hij echter met zulk een vreugde ontving, dat zijn vijanden zich dagrover verwonderden. Hij bleef altijd welgemoed, en zei met Paulus: “Ik begeer van dit lichaam ontbonden te worden en met Christus te zijn; Christus is mijn gewin, beide in leven en in sterven."

Hij beklaagde zich zeer, dat hij de waarheid niet duidelijker aan het volk had voorgesteld, zoals God hem die had leren kennen en geopenbaard door Zijn Woord. Ja, hij beklaagde zich ook onder zuchten en wenen, dat hij niet had geleefd zoals het een christen betaamt, ofschoon hij voor de mensen een voortreffelijk leven leidde, waarvan ook zijn vijanden een goede getuigenis moesten afleggen.

Eindelijk, omstreeks de 28sten Augustus van het jaar 1542, maakten de rechters een einde aan zijn rechtszaak, verwierpen zijn onschuld en weerleggingen, en kluisterden hem in zware boeien, dat een zeker teken voor zijn dood was. Des woendags daarna werd hij tegen alle bevelen zeer wreed gepijnigd, opdat hij allen zou noemen, die zijn gevoelen waren toegedaan. De eerste president greep hem bij de baard, en riep tot hem: “Zeg eens boef, spreek, want gij bent veroordeeld; er ontbreekt ons niets meer dan uw metgezellen te kennen." "Welke metgezellen bedoelt gij?” vroeg Mr. Aymont, "want ik heb er anders geen dan die weten en doen de wil van God mijn Vader; het zijn edellieden, kooplieden, ambachtslieden of anderen." Toen hij gepijnigd werd, zei hij: "Dit lichaam zal sterven, maar de geest zal leven, en het rijk van God zal eeuwig duren." Als hij bijna twee uren achtereen gepijnigd werd, viel hij in onmacht, want hij was zwak van gestel; doch, toen hij weer bijkwam, zei hij: "Heere mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" De tweede president zei tot hem: "Gij erge Lutheraan, gij hebt God verlaten!" Aymont antwoordde: "Wel, mijn heren, waarom pijnigt gij mij zozeer? 0 Heere, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." De president zeide: "Ziet toch, deze schelm bidt voor ons." Onder al de martelingen noemde of verklapte Aymont niemand, maar onderging de pijnigingen geduldig en zei: "Ik dacht veel meer medelijden bij de mensen te vinden dan ik nu bemerk. Nu dan, ik bid de Heere, dat ik bij Hem ontferming mag vinden."

Daarna werd hij gesloten in de gevangenis bij de toren der vrijheren, die zeer eng is, tot Zaterdags. Ten 8 uur in de morgen werd zijn vonnis gelezen, hetwelk inhield dat hij levend zou worden verbrand. Toen hem dit werd, meegedeeld, was hij niet in het minst verschrikt, en loofde God grotelijks voor Zijn genade. Toen ontboden zij bij hem Karmelieter, Augustijner en Jakobijner monniken en Minderbroeders, om hem de biecht af te nemen. Hij wilde die echter niet ontvangen, maar begeerde de pastoor van St. Christoffel, en zei tot de monniken: "Maakt u allen van hier weg, ik zal de Heere mijn zonden belijden. Gij ziet dat ik al genoeg door de mensen beroerd ben, en wilt gij mij nog meer beroering aandoen? Anderen hebben mijn lichaam, wilt gij mijn ziel wegnemen? Maakt u toch van hier weg."

Toen kwamen tot hem twee raadsheren van Longeau en van Cassagne, om hem te vertroosten; maar hij was zo sterk in het geloof, dat hij hen vertroostte. Toen hij zag, dat men de pastoor van St. Christoffel belet had, hem de biecht af te nemen, koos hij een Karmelieter, de minste onder al de monniken, die hij bij zich hield, terwijl hij de anderen liet heengaan. Zij bleven zolang alleen, totdat hij de monnik bekeerde.

Daarna bracht men hem het middageten, bij welke gelegenheid hij de vrouw en de dochter van de gevangenisbewaarder bij zich riep, tot wie hij zei: “Van mijn God heb ik mijn begeerte verkregen, want nu is het omtrent acht jaren geleden sinds Hij mij de kennis van Zijn Woord verleende.Toen kwam er als van zelf bij mij op, dat ik om Zijns Woords wil te Bordeaux sterven zou, wat nu in vervulling gaat." Omtrent een uur na etenstijd traden de gevangenis binnen de eerste en de tweede president van Cassagne, Mongeau en andere raadsheren. Toen begon Mr. Ayrriont over het avondmaal te spreken, en verklaarde, dat hij geloofde, dat, zo dikwerf de christenen gemeenschappelijk vergaderd waren, in de belijdenis van één geloof, en aldus het brood des Heeren genoten, zij dan waarachtig gemeenschap hadden aan het lichaam en het bloed van Jezus Christus, en verklaarde met een bijzondere genade, hetgeen Paulus schrijft, 1 Kor. 11 en andere plaatsen der heilige Schrift. De tweede president viel hem in de rede, en zei: “Wij moeten horen. hoe gij denkt over het vagevuur. Aymont antwoordde: "Dat is goed gezegd, en ik zal u mijn gevoelen meedelen. Gij weet wel, dat in de Heilige Schrift vagen, zuiveren en wassen één zaak betekent, en er staat geschreven: "Hij heeft ons gewassen in Zijn bloed, Gij zijt niet verlost door zilver of goud, maar door het bloed van Christus."

"En hebt gij niet gelezen, dat Paulus in zijn brieven menigmaal zegt, dat wij door het bloed van Christus van de zonden zijn gezuiverd?" De tweede president zei, dat de brieven met de kinderen om mosterd gingen. "Met de kinderen!" zei Mr. Aymont: "ik vrees, dat gij niet veel gelezen hebt." Een monnik hernam: "Mr. Aymont, u zoudt hem met een woord tevreden stellen, wanneer gij slechts zeggen wilt, dat er een plaats is, waar de zielen na de dood gezuiverd worden." Hij antwoordde: “Dat geef ik u te bewijzen. Hoe, wilt gij mij laten verdoemen en zeggen, wat ik niet weet?" De tweede president zei: “In dit uur zult gij sterven, en denkt gij niet in het vagevuur te komen? Indien iemand sterft in een dagelijkse zonde, zal hij terstond in het Paradijs komen? Hij antwoordde, dat zijn geloof op God zo vast was, dat hij niet twijfelde, of hij zou beden naar het Paradijs gaan. De president vroeg hem: "Waar is het Paradijs?" Aymont antwoordde: "Waar God met Zijn majesteit en heerlijkheid is." De eerste president hernam: "De canones maken melding van de overledenen en van de gestorvenen, maar in uw predikatiën hebt gij nooit anders dan de armen aanbevolen." Hij antwoordde "Wat ik deed, moest ik doen, moest ik bewijzen uit Gods Woord; maar in de canones heb ik nooit gestudeerd. Toen vroegen zij hem, of hij de kerk en haar instellingen verachtte. Hij antwoordde: “Ik geloof, dat alles waarachtig en goed is, wat de kerk beveelt en instelt, wanneer zij door het bloed van Jezus Christus wedergeboren en op Zijn Woord gegrond is." De president vroeg hem: "Welke kerk is dat?" Hij zei daarop: "Gij moet weten, dat Eclesia een Grieks woord is, en een vergadering betekent, en in deze vergadering, waar de gelovigen samenkomen tot ere van God en tot opbouwing van de christelijke godsdienst, daar is, naar de beloften des Heeren Jezus Christus, de Heilige Geest met hen." De tweede president zei: "Hieruit volgt, dat er vele kerken zijn, en wanneer ook de ambachtslieden vergaderden, dan was dit ook een kerk." Hij antwoordde: "Het schaadt niet, dat er onder de christenen vele gemeenten zijn, want Paulus zegt wel: "Al de gemeenten, die in Galatië zijn, en nochtans maken alle gemeenten maar één kerk uit." Toen zei de raadsheer van Longeau: "De kerk, waarvan gij spreekt, is die niet, waarin de artikelen van het geloof van staat: "Ik geloof één heilige algemene kerk." Waarop hij antwoordde: “Ik geloof waarachtig aan die." De tweede president vroeg, wie het hoofd van die kerk was. Hij antwoordde: "Jezus Christus." De president hernam: "Is het de paus niet?" Hij antwoordde: "Neen!" Toen zei de president: “Wat is hij dan?" Aymont antwoordde: "Hij is een dienaar wanneer hij een man van eer is, want de bisschoppen zijn dienaren, zoals er staat 1 Kor. 4, vs. 1, waar Paulus zegt: "Alzo houd ons een [ieder] mens als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods. Men vroeg hem, of hij niet aan de paus geloofde, waarop hij antwoordde, dat hij hem niet kende. Zij vroegen hem, of de paus niet een nakomeling van St. Petrus was. Hij antwoordde: "Wanneer hij gevestigd is op het waarachtig fundament Jezus Christus, dan geloof ik, dat, wat hij dan doet, zeer goed gedaan is." Toen zei de tweede president: “0, arm mens, gij maakt, dat ik medelijden met u moet hebben, omdat gij uzelf gaat verdoemen. Aymont antwoordde. "Verdoemen! Verdoemen! Verdoemen!" en riep met luider stem: "Ach, welk een vertroosting! maar daarentegen hoop ik op wat anders; want heden zal ik mijn God zien! "Wie zal mij scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?" Neen, niets zal mij scheiden, maar ik heb diep medelijden met u allen."

Daarna gingen zij van hem heen, doch de monniken blijven bij hem. Toen hij uit de gevangenis werd geleid naar de plaats, waar hij sterven zou, zong hij de 114den Psalm: "Toen Israël Egypteland verliet," &. Toen hij voor St. Andries kwam, wilden zij, dat hij God, Maria en de Justitie om vergiffenis zou bidden.

God en de justitie vroeg hij om vergiffenis, doch zei, dat hij Maria niets misdaan had, en waar geen misdaad bedreven is, daar behoeft geen vergiffenis plaats te hebben. Vandaar werd hij geleid naar St. Lodewijk, en op de tamelijk lange weg daarheen verzuimde hij niet te prediken, zichzelf versterkende en verblijdend, dat hij om de naam van Christus mocht sterven, die om zijnentwil gestorven was. Toen zei een voerman: "Hoest eens, hoest eens, het is te lang gepredikt." Aymont antwoordde: Die van God is, hoort graag over Hem spreken." Toen hij een Mariabeeld voorbij ging, riepen vele lieden hem na, en belasterden hem zeer, omdat hij het beeld niet groette, en alleen Jezus Christus aanriep. Als hij dat hoorde, riep hij met luider stem: “Ik bid U, o mijn Heere, mijn God, wil toch niet toelaten, dat ik van U wijk, of bij anderen hulp zoek dan bij U alleen." Toen hij op de straf plaats aankwam, liet de scherprechter hem op de grond neerzitten om wat uit te rusten. Daar deelde hij de reden, waarom hij sterven moest mee en zei: "Mijn heren, ik sterf om het Woord en het Evangelie van onze Heere Jezus Christus. 0, gij christenen hoort!" Toen de koetsiers en gerechtsdienaren dit hoorden, maakten zij een grote beroerte en riepen: "Maakt haast met hem, maakt haast met hem, opdat hij niet spreke." - "Hoe," zei Mr. Aymont, "ik wil bewijzen, dat ik niet als een ketter sterf, maar als een christen." Werd hem dit toegestaan? Zij zeiden: "Neen." Toen fluisterde hij wat in het oor van de Karmelieter, die hij had bekeerd. Daarop nam de scherprechter hem en liet hem de ladder opklimmen. Toen riep Aymont en zei: "0 Heere, kom mij te hulp, en vertoef niet, en veracht het werk Uwer handen niet, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen. Mijn broeders, mijn heren studenten, ik bid u, legt u met ijver op het Woord van het evangelie toe; er bestaat toch niets anders, wat eeuwig duurt, dan het Woord des Heeren; leert de wil van God erkennen, en vreest hen niet, die alleen macht hebben over het lichaam en niet over de geest."

Ten laatste zei hij: "Dit vlees strijdt wonderlijk tegen de geest, maar ik zal er spoedig van ontslagen worden! 0 Heere, in Uw handen beveel ik mijn ziel! Mijn heren, bidt voor mij!" Dikwerf bad hij: "Heere, mijn God, in Uw handen beveel ik mijn ziel." Eindelijk werd hij door de scherprechter verwurgd en zijn lichaam verbrand. Aldus scheidde de vrome martelaar van deze wereld, in het jaar 1542.

 

Richard Mekins

 

[JAAR 1542.]

 

Richard Mekins, een jongeling van 15 jaren, had in een gezelschap bij zijn bekende vrienden over het sacrament horen spreken. Hij had er zoveel van gehoord, dat hij niet nalaten kon naderhand ook bij anderen daarover te spreken. Hij werd daarom beschuldigd bij de bisschop van Londen, Edmond Boner, die hem terstond dagvaardde en voor hem riep. En, aangezien hij volstandig bleef, werd hij zeer spoedig daarna, niettegenstaande zijn jeugd, ter dood veroordeeld en verbrand, in het jaar 1542.

Door deze gruwelijke tirannie maakte Boner zich bij vele mensen gehaat. Het volk meende, dat het de bisschop meer betaamd had, zulk een jongeling in het leven te behouden, dan hem op zulk een jammerlijke wijze te laten doden, vooral daar hij, wegens zijn jeugd, zeer zwak en onschuldig er uitzag.

Omstreeks deze tijd bevonden zich te Londen een schilder, Jan genaamd, en een Duitser, Gillis geheten. Deze werden, wegens de ware godsdienst, bij Boner, de bisschop van Londen, aangeklaagd. Toen zij voor de bisschop en de rechters stonden, om hun zaak te verdedigen. kwam daar bij toeval een, die tot de lijfwacht van de koning behoorde, Lancelot genaamd, een aanzienlijk en daarenboven zeer vroom en godvruchtig man, die de zuivere leer was toegedaan. Door gebaren gaf hij zo veel te kennen, dat hij deze beide gevangenen geen kwaad hart toedroeg.Om die reden werd hij terstond met hen onderzocht, de volgende dag, omtrent 5 uur in de ochtend, op de plaats St. Gillis gebracht, en benevens de anderen verbrand. Er waren echter weinige mensen, die dit treurig schouwspel begeerden te zien.

Richard Spenser was een mispriester niet ver van Canterbury. Deze liet het pausdom varen, nam een vrouw, en arbeidde met zijn handen, om op eerlijke wijze de kost te verdienen. Bovendien had men vermoeden op hem, dat hij verkeerde leringen van het nachtmaal onderwezen had. Om die reden werd hij door de kettermeesters gegrepen, ter dood veroordeeld en verbrand. Te Salisbury werd hij ter dood gebracht, en wel in het jaar 1542.

In het jaar 1542 liet Johan Longlant, bisschop te Lincoln, twee vrome christenen op een dag verbranden, de een Jakob Morton genaamd, omdat hij aan een ander het "Onze vader" in zijn moedertaal geleerd had; de ander, Thomas Bernhard geheten, omdat men de Zendbrief van Jakobus in de Engelse taal bij hem had gevonden.

Omstreeks deze tijd liet Boner, bisschop van Londen, een jongeling, Jan Porteur genaamd, een kleermaker, in de gevangenis Newgate genaamd werpen, omdat hij in de St. Pauluskerk in de Bijbel had gelezen. In deze gevangenis liet de moorddadige bisschop hem geruime tijd kwellen, en eindelijk jammerlijk ombrengen, en wel in het jaar 1542.

 

Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du Huisset

 

[JAAR 1542.]

 

Omtrent een jaar na de dood van Jan Marlar en Margaretha, van wie wij boven gesproken hebben, werd te Bouvignes, een dorp niet ver van Orchies de schrijver, Hector Remy genaamd, gevangen genomen. Toen hij een heerlijke belijdenis van zijn geloof had afgelegd, en daarin volstandig bleef, werd hij te Douay onthoofd. Zijn vrouw, Mathinette du Buisset, een eerbare en deugdzame vrouw, beleed insgelijks de zuivere leer van Gods Woord, en verdedigde die zeer standvastig: waarom zij door het gerecht te Douay veroordeeld werd en levend begraven.

 

Constantinus en drie anderen

 

[JAAR 1542.]

 

Te Houn, de hoofdstad van Normandië, was zeker iemand, Constantinus genaamd, en met hem nog drie anderen, die, om het zuivere, en onvervalste Evangelie, dat zij op vrome wijze beleden, als ketters veroordeeld en ter dood verwezen werden. Toen Constantinus de wagen zag, waarmee men gewoon was het slijk en de andere onreinheden van de stad te vervoeren, en die ook bij zijn terechtstelling zou worden gebruikt, zei hij meteen verblijd gemoed: "Wij zijn nu een uitwerpsel en onreinheid der wereld geworden, ja, stinkende voor de mensen. Doch, laat ons blijde en vrolijk zijn, want de reuk van onze dood zal zoet en kostelijk zijn voor God de Heere." Aldus werden zij aan de Heere opgeofferd in het jaar na de geboorte van onze Zaligmaker Jezus Christus 1542.

 

Claudius de Schilder, een goudsmid

 

[JAAR 1542.]

 

Te Parijs woonde een jonge man, met name Claudius de Schilder, een goudsmid van beroep. Hij was de zoon van een schoenmaker, nog zeer jong en had nauwelijks de leeftijd van 20 jaren bereikt. Nadat hij drie jaren te Genève had gewoond, en daarin de christelijke godsdienst was onderwezen, keerde hij naar Parijs terug, om zijn ouders, vrienden en bekenden de genade deelachtig te doen worden, die hij van God had ontvangen, en hen te brengen tot de kennis der waarheid. Door enige lieden, en wel, zoals sommigen melden, door hen, bij wie hij zijn handwerk uitoefende, werd hij bij de rechter Morin als ketter aangeklaagd en door hem gevangen genomen. Hij werd beschuldigd, dat hij van de beelden en van de wonderen, die daar onder groten toeloop van volk niet alleen werden vereerd, maar ook aangebeden, had gezegd, dat zij niet veel verschilden van de afgoden der heidenen, en dat men die uit de kerken der christenen behoorde te werpen, wanneer men maar het minste vermoeden had, dat er afgoderij mee gepleegd werd. Verder werd hij beschuldigd, dat hij nog enige andere dingen had gesproken, overeenkomende met de gevoelens van Luther, waarom hij op zeer wrede wijze in de kerker werd geworpen. Vijf malen werd hij zeer zwaar gepijnigd, opdat hij zijn geloofsgenoten zou aanwijzen doch tevergeefs, daar hij alles met een standvastig gemoed geduldig verdroeg.

Toen hij daarna voorgebracht werd om zijn beweringen en gevoelens te herroepen, was hij er zover vandaan, om dit te doen, dat hij verklaarde, het met zijn dood te zullen bevestigen. Hij werd daarom in het rechthuis geleid en veroordeeld, dat hem eerst de tong uitgesneden, en dat hij daarna levend verbrand zou worden. Bij het vernemen van dit vonnis veranderde zijn aangezicht in geen dele, maar hij stak zelfs de tong zover uit, als hij slechts kon, opdat de scherprechter die te gemakkelijker zou kunnen uitsnijden. De beul trok de tong met een tang naar voren, sneed die met een mes los, en sloeg en de jongman bij herhaling mee in het aangezicht. Het omstaande volk nam de tong, die zich nog verroerde, op, en wierp daarmee de martelaar in het aangezicht. Van daar werd hij op een wagen naar de strafplaats gevoerd, wat met zulk een opgeruimd gelaat bij hem geschiedde, dat het niet scheen, dat hij naar de gerichtsplaats, maar naar een bruiloftsfeest of uitgelezen maaltijd ging. Toen hij op de plaats, waar hij verbrand zou worden, was aangekomen, verliet hij zelf de wagen, en plaatste zich aan de paal. Onder geen woorden is het te brengen, welk een blijmoedig gelaat hij toonde, toen hij met een keten aan de paal werd vastgemaakt, en met welk een tevreden gemoed hij het geroep en het getier van het opgeruide volk verdroeg. Geen onbetamelijk woord of geluid liet hij horen, het bloed, dat uit de mond van zijn pas uitgesneden tong vloeide, spuwde hij van lijd tot tijd uit, en sloeg daarbij zijn ogen naar de hemel, vanwaar hij zijn hulp wachtte. Toen het buskruit op zijn hoofd gestrooid was, en de beul hem onder bedreigingen het vuur toonde, was hij daarover in het minste niet ontzet en verlangde zelfs met een zekere beweging des lichaams naar de vlammen. De schrijver van deze geschiedenis zegt dat het nauwelijks kan gedacht worden, dat de wijsgeren, die zovele boeken hebben geschreven over de verachting van de dood, met zulk een standvastig gemoed dergelijke wrede pijnen en martelingen konden verdragen. Aldus toonde hij bovenmenselijke krachten te bezitten. Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 1542.

 

Mr. Johannes Beek

 

[JAAR 1543.]

 

Mr. Johannes Beek, geboren te Essars, niet ver van Sedan, in Brue, zat om de leer van het evangelie geruime tijd te Parijs gevangen, en had in de gevangenis vete zware en verschrikkelijke martelingen te verduren, maar volhardde toch zeer standvastig in zijn christelijke belijdenis. Om die reden word hij van zijn Rooms priesterschap ontzet, en in de handen van de wereldlijke overheid overgeleverd, die te Troyes, in Champagne, op de wijnmarkt hem liet verbranden, en wel in de maand Juni van het jaar 1543.

 

François Bribard

 

[JAAR 1543.]

 

François Bribard werd geboren te Clemon, in Solongue, van wie men zei, dat hij de secretaris was van de kardinaal van Beley. Toen hij van Straatsburg te Parijs terugkeerde, werd hij daar gevangen genomen, en, nadat hem de tong was uitgesneden, onderging hij, om de belijdenis van de leer van het evangelie, met grote standvastigheid de pijnlijken vuurdood, in het jaar onzes Heeren 1543. Voor zijn dood redetwistte hij zo wakker en dapper met de leraren der Sorbonne, en maakte hen naar aanleiding van hun eigen uitgegeven boeken derwijze beschaamd, dat de leraar Picard, terwijl hij over hem sprak, van hem zegt: “Hij sprak aldus, dat, indien wij niet vast overtuigd waren geweest, hij ons samen zou hebben verleid." Voor zijn dood zei dezelfde Picard: "Wanneer men hem de tong niet had uitgesneden, zou hij de gehele wereld bedorven hebben.”

 

Sommige Engelse martelaren

 

[JAAR 1543.]

 

In de toren van de bisschop van Winchester werd een priester opgehangen, terwijl er zekere Hendrik van Glocester met zijn dienaar werd verbrand. Voorts werd er ook te Londen verbrand zekere Kirby, een kleermaker van beroep.

In het jaar 1543 werden ook drie voortreffelijke mannen te Windfore verbrand, namelijk, Antonius Person, een priester, die van twee punten werd beschuldigd: vooreerst, dat hij voor twee jaren de woorden in zijn predikatie had gebruikt: "Gelijk Christus aan het kruis tussen twee moordenaars hing, alzo hangt Hij nog, als de priester Hem opheft, tussen twee bloedige handen," enz. Verder, omdat hij op de predikstoel openlijk gezegd had, dat het volk het lichaam van Christus niet moest eten, zoals het aan het kruis gehangen had, zodat zij het een stuk na het andere daarvan beten, en hun het bloed in de mond vloeide; maar dat men het heden moest eten zoals morgen en overmorgen, voorts, dat Christus Zijn macht na Zijn opstanding heerlijker had bewezen dan ooit tevoren.

Robert Testwood, een voorzanger, werd alleen daarom tot de vuurdood veroordeeld, omdat hij tot een priester, die bij de opheffing van de hostie zijn God zeer hoog ophief, gezegd had: "Och, hoe hoog! Ja, nog veel hoger; maar zie toe, dat hij niet vatte.”

Jan Marbecke, mee een voorzanger, werd beschuldigd, dat hij uit vele schrijvers een groot aantal spreuken had getrokken, en die met zijn eigen hand had afgeschreven, die zowel tegen de mis als tegen het sacrament des altaars waren gericht. Verder, omdat hij gezegd had, dat de mis, waarin de priester het lichaam van Christus opofferde, enkel afgoderij en goddeloosheid was, en dat zij aangezien zij God van zijn eet, en heerlijkheid beroofden, billijker wijze door de christenen niet behoorde bijgewoond te worden. Voorts, dat de elevatie, of de opheffing van het sacrament, gelijk stond aan de kalveren van Jerobeam, die hij in de tempel had opgericht, en dat met de mis meer afgoderij werd bedreven, dan in vroeger met de kalveren van Jerobeam plaats had. Eindelijk, dat men er niet aan moest twijfelen, of Christus in de mis in het openbaar werd bespot. Deze drie bleven standvastig, en werden verbrand te Windfore, op de 20e Juli, in het jaar 1543.

 

Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een Bijbel op zijn borst gebonden

 

[JAAR 1543.]

 

In de vervolging van Merindola was er een buitenlandse boekverkoper, die onder vele andere boeken ook de Latijnse en de Franse Bijbel te koop had. Toen de bisschoppen dit gewaar werden, vroegen zij terstond de boekverkoper, hoe het kwam, dat hij zulke boeken op zulke plaatsen te koop durfde aanbieden. De boekverkoper vroeg hun wederkerig, of er niet meer aan de heiligen Bijbel gelegen was, dan aan de fraaie beeldjes, die zij onlangs in menigte voor hun vrouwen gekocht hadden. Nauwelijks had hij dit gezegd, of de bisschop van Aix hernam: "Mijn deel aan het hemelrijk wil ik er met een eed op verpanden, wanneer deze boekverkoper geen Lutheraan is:" en terstond daarop liet hij hem grijpen. Een menigtepriesters en vele slechte lieden schoten ogenblikkelijk toe, vielen op hem aan en riepen: "Valt aan, valt aan, op deze Lutheraan, naar het vuur, naar het vuur met hem!" Terwijl zij hem op jammerlijke wijze voortsleepten, sloeg de een hem in het gelaat, trok de ander hem bij het haar, en wierp hem bijna ter aarde; de derde trok hem bijna de baard uit, zodat het bloed de straat kleurde, eer hij de gevangenis had bereikt. De volgende dag werd hij voor de geestelijke rechters en bisschoppen gesteld, en op de volgende wij ze ondervraagd: "Hebt gij deze Bijbels en het Nieuwe Testament in de Franse taal niet in het openbaar te koop aangeboden?" Waarop de arme gevangene antwoordde: Ja." "Weet gij niet, dat het in de gehele christenheid verboden is, de Bijbel te koop aan te bieden of te laten drukken dan alleen in de Latijnse taal?" "Het tegendeel weet ik; want ik heb vele Bijbels verkocht in de Franse taal, die met vergunning van de keizer openbaar in druk zijn uitgegeven, benevens andere, die te Lyon zijn gedrukt zo ook is het Nieuwe Testament onder gunstige toelating van de keizer gedrukt." Met de grootste vrijmoedigheid zei de gevangene verder: "Wilt gij, die hier in Avignon woont, alleen in de gehele christenheid een gruwel van het Testament van de hemelse Vader hebben? Waarom laat gij niet toe, dat het Testament en de geloofwaardige boeken van het genade verbond Gods overal verkocht en verstaan worden? Wilt gij verbieden, wat de Heere Jezus Christus bevolen heeft openlijk te verkondigen en te verklaren? Weet gij niet, dat onze Heere Jezus Christus Zijn heiligen Apostelen macht heeft gegeven, om in allerlei talen te spreken, opdat het heilige Evangelie aan alle schepselen in alle talen zou verkondigd worden? Waarom verbiedt gij niet veel meer die boeken en schilderijen, waarin verkeerdheden en schandelijkheden vervat zijn, waardoor de mensen tot hoererij en ontucht aangespoord worden? Uitdrukkelijk verklaarde hij hun, dat zij daarvan in het laatste oordeel Gods rekenschap zouden moeten geven. Toen werden de bisschoppen van Aix en andere geestelijken zo toornig, dat zij schenen te zullen barsten, en zeiden "Wat behoeft men hem nog verder te ondervragen. Naar het vuur, naar het vuur, naar het vuur met de ketter. en geen woorden meer verspild! Doch de rechter Laderius en de anderen bewilligden daarin niet zo dadelijk, want hij vond geen genoegzame reden om deze boekverkoper te doden. Daarom deed hij het voorstel, dat, indien hij de tegenwoordige bisschoppen en geestelijken voor getrouwe en ware geestelijken en zielenherders van Gods kerk wilde erkennen, hij alsdan voor ditmaal met een lijdelijke boete zou getuchtigd worden, en het leven behouden. Doch de boekverkoper antwoordde, dat hij dit met een goed geweten niet kon doen, aangezien hij met de daad bevonden had, dat zij meer van ontuchtige, zedeloze beelden, schilderijen en gezangen hielden, en die de voorkeur gaven boven de Bijbel en Gods Woord: dat hij hen daarom ook billijkerwijze voor Bachus en Venuspriesters in plaats van voor herders der algemene christelijke kerk moest houden. Daarop werd hij op staande voet tot de vuurdood veroordeeld, en op dezelfde dag ter dood gebracht. Tot een bewijs van de oorzaak van zijn vonnis hadden zij hem twee Bijbels, de een voor de borst, de ander op de rug gehangen, die aldus met hem verbrand moesten worden. En waarlijk, dit waren geen valse tekenen, want deze arme boekverkoper had in waarheid het Woord Gods in het hart en in de mond, daar hij niet naliet onder weg en op de gerichtsplaats het volk ernstig te vermanen tot vlijtig lezen en betrachten der Heilige Schrift, waardoor velen bewogen werden tot onderzoek der waarheid. Velen mensen hinderden het zeer, dat men niet alleen de onschuldige man ter dood veroordeelde, maar dat men ook de heiligen Bijbel zulk een schande aandeed. En, daar men vreesde, dat er oproer uit ontstaan zou, lieten zij, om allen bevreesd te maken, in de stad en het omliggende land de volgende dag uitroepen, dat allen, die in de Franse taal boeken bezaten, waarin van de Heilige Schrift, op welke wijze dan ook, melding werd gemaakt, die boeken op zekere plaats moesten brengen, en aan de commissarissen, die daartoe aangewezen waren, overleveren met de waarschuwing dat, indien er later bij iemand dergelijke boeken gevonden zouden worden, hij, evenals de genoemde boekverkoper, naar lichaam en ziel gestraft zou worden.

In dit jaar werden te Leuven 28 à 30 personen, zo mannen als vrouwen, in hun huizen op zekere tijd gevangen genomen, en daarna aan palen verbrand.

 

Joost Jushurgh

 

[JAAR 1541.]

 

Toen de vijanden der waarheid Joost Jusburgh te Leuven lieten zoeken doch hem niet vonden, vernamen zij, dat hij naar een abdij twee mijlen van die stad gegaan was, om daar de klederen van de monniken te herstellen, daar hij een kleermaker van beroep was. Zij baden de landvoogd van Brabant, om hem gevangen te nemen, die hem dan ook, terwijl hij aan zijn werk was, door enige schutters in de abdij liet vatten en gevangen nemen. Toen hij hem bezocht, vond hij het Nieuwe Testament en enige predikatiën van Luther bij hem, over welke buit zij zich verblijdden, en hem gebonden naar Brussel overbrachten. De volgende dag kwamen er twee raadsheren tot hem, die hem vroegen, wat hij van de Leuvense artikelen dacht, te weten van de pauselijke macht, van het vagevuur, van de offerande der mis, van de aflaten, van de sacramenten en andere artikelen. Hij antwoordde daarop kort, dat hij geloofde, dat de gerechtigheid, de heiligheid en de verlossing van het menselijke geslacht de mensen uit loutere barmhartigheid geschonken worden. Toen zij hem vroegen, waarom hij zulke boeken bij zich droeg, aangezien het hem niet betaamde dergelijke boeken te lezen, antwoordde hij, dat het hem wel betaamde te lezen, wat tot zijn zaligheid nodig was; dat de zaligheid, die in het Nieuwe Testament vervat is, hem niet minder aanging dan grote heren of groten vorsten. Doch zij zeiden: “Het zijn ketterse boeken." Hij antwoordde: Ik beschouw ze voor goede en heilzame boeken."

Op zeer scherpe wijze vorderden zij van hem, dat hij zijn geloofsgenoten, die met dezelfde ketterij besmet waren, zou aanwijzen. Hij antwoordde echter, dat hij geen ketter was, daar hij niets anders geloofde dan de leer van de Zoon van God, en dat hij niemand voor ketters hield, dan die de zuivere leer vervolgen. Op het woord vervolgen, ofschoon hij niemand noemde, werden zij zeer beroerd, en bedreigden hem, dat zij hem zo zouden mishandelen, als zij nog niemand gedaan hadden, ja, dat zij hem met gloeiende tang het een lid na het andere van het lichaam zouden scheuren, indien hij zijn geloofsgenoten niet bekend maakte. Daarop zei hij, dat de landvoogd in het klooster een aantal monniken rondom hem had gevonden, met wie hij gesproken had. Wilden zij die gevangen nemen, dat moesten zij naar hun goeddunken handelen.

Toen de commissarissen zagen, dat zij niets van hem vernemen konden, lieten zij hem weer naar de gevangenis brengen, en gedurende negen weken op een hoge afgesloten kamerplaatsen, zodat niemand met hem spreken kon. Daarna bracht men hem naar Leuven, om zijn geloofsgenoten daar aan te wijzen, doch tevergeefs, want hij had bij zichzelf besloten, zich liever in stukken te laten scheuren, dan zijn lieve vrienden en medebroeders in gevaar te brengen. Te Brussel andermaal in de gevangenis gebracht, liet de landvoogd hem voor het gerecht stellen. In die vergadering stonden de beide bovengenoemde raadsheren op, die zijn vrijmoedige belijdenis gehoord hadden, lazen die in het openbaar voor, en vroegen hem, of dit zijn belijdenis niet was. Hij antwoordde daarop: Ofschoon gij de getuigenissen, waarmee ik mijn belijdenis bevestigd heb, er hebt uitgelaten, erken ik deze enkele artikelen, en ben bereid die op grond van het goddelijke Woord te bevestigen." Toen zeiden zij: "Aangezien gij deze artikelen voor de belijdenis van uw geloof erkent, verlangen wij, dat gij die herroept, want zij zijn ketters en tegen onze heilige moeder de roomse kerk. Maar, indien gij daarbij volhardt zal men u levend verbranden, en anderen tot een afschrikkend voorbeeld op een ongehoorde wijze pijnigen.” Joost antwoordde: “Ik zou met mijn weten niet graag een slecht gevoelen aanhangen, maar heb ik, op menselijke wijze, ergens in gedwaald, dan verlang ik, dat men mij op grond der Heilige Schrift terecht brengt." Zij zeiden: "Veel redetwisten baat hier niet, men wil, dat gij uw schandelijke gevoelens zult herroepen." Joost antwoordde: “Ik zie niets kwaads in mijn artikelen, en daarom kan ik ook niets herroepen, of ik zou tegelijk de eeuwige waarheid Gods moeten verloochenen. Dat ben ik nimmer voornemens te doen." Zij zeiden echter:,Opdat gij u niet te beklagen zoudt hebben, dat men u zou hebben overhaast, zal men u tot morgen tijd geven om u te bedenken." Aldus lieten zij hem ditmaal weer naar de gevangenis brengen.

De volgende dag op Vrijdag de 5e januari, kwamen de dienaren der stad in de gevangenis, en brachten Joost weer voor het gerecht. Toen hij voor de rechters stond, vroegen zij hem: “Zijt gij in deze nacht van gevoelen veranderd, en wilt gij herroepen? Indien gij u niet haast en herroept, moet gij sterven." Joost antwoordde daarop: “Ik ben bereid uit de Heilige Schrift van u te leren, en ben ook bereid mijn artikelen met de Heilige Schrift te verdedigen. Wilt gij mij niet onderwijzen noch aanhoren, maar met mij tegen recht en met geweld handelen, bedenkt, dat gij Gode daarvan rekenschap geven moet. Wat mij aangaat, ik zal met Gods hulp de eeuwige waarheid Gods voor de mensen niet verloochenen." Doch de rechter antwoordde: "Men behoeft hier niet te redetwisten, maar, wanneer gij u voor zulk een goede redetwister houdt, dan zullen wij na etenstijd twee of drie geleerden zenden; met hun kunt gij dan zolang redetwisten, totdat gij moe wordt." Intussen veroordeelden zij hem, dat hij als een ketter tot as zou verbrand worden. Toen Joost dit vonnis vernam, viel hij op de knieën, en dankte God allereerst en ook daarna de rechters, dat zij hem door dit vonnis van alle jammeren van het vergankelijke leven wilden verlossen.

Des namiddags kwamen tot hem twee geestelijken, van wie de één een predikmonnik en doctor der Heilige Schrift, een rechte huichelaar, en de ander een bedelmonnik was. Men liet deze beiden in een kamer met Joost alleen gaan, opdat zij hem de gehelen dag met hun vragen zouden kwellen. In de eerste plaats zeiden zij, dat zij door de raadsheren waren gezonden om hem te troosten, en de zaligheid zijner ziel hem op het hart te drukken, aangezien hij geen hoop kon voeden om het tijdelijke leven te behouden; daarom baden zij hem, dat hij zijn ziel niet tegelijk met het lichaam in gevaar zou brengen. Joost verzocht hun daarentegen, dat zij maar weer naar huis zouden gaan, en zich over hem niet moesten bekommeren, en hem geen verdriet zouden aandoen. Of, indien zij toch iets voor hem doen wilden, dat zij de rechter zouden verzoeken, dat hij onthoofd mocht worden; wanneer zij dit voor hem konden gedaan krijgen, dan was alles goed, en zij konden weer naar hun klooster terugkeren.

De monniken beloofden, dat zij hun best wilden doen, om dit, indien het mogelijk ware, voor hem te verwerven. Zij bleven niet lang uit, kwamen terstond terug, en bleven bijna voortdurend in de gevangenis bij hem. Na het uitspreken van het vonnis zat Joost nog drie dagen gevangen, en zij wilden hem niet ter dood brengen voor de volgende Maandag, op hoop, dat hij intussen zou herroepen. Des Zondags in de vroegte, toen de monniken zagen, dat Joost geenszins wilde herroepen, gaven zij hem te kennen, dat er hoop bestond, dat hij met het zwaard zou worden gedood; doch de monniken zeiden hem niet, dat de koningin toegestaan had hem met het zwaard te doden, maar gaven alleen voor, dat dit wellicht zou mogen plaats hebben, teneinde zij hem des te beter zonden kunnen dwingen, en van hem verkrijgen, wat zij begeerden. Zij hielden daarom sterk bij hem aan, dat hij zou biechten opdat het volk weten zou, dat hij als een vroom christen gestorven was. Doch Joost wilde er niet naar horen, en zei, dat hij aan God zijn zonden gebiecht had, vertrouwende, dat hem door Jezus Christus zijn zonden vergeven waren, en dat hij het lichaam en bloed van Jezus Christus reeds sedert lang door het geloof in de geest ontvangen had, enz.

Onder hen, die tot Joost kwamen, om hem van de waarheid tot de afgoderij te doen afvallen, was ook de pastoor van de kapel, door wiens tussenkomst hij in de gevangenis was geworpen. In de nacht voor de morgen, dat hij zou worden ter dood gebracht, gaf men de anderen gevangen christenen vrijheid, om Joost eens te mogen aanspreken en afscheid van hem te nemen. Hij werd zwak, en had grote dorst. Men bracht hem wijn; maar hij dronk weinig, en klaagde zeer over de dorst.

Toen hij in de gevangenis een groot aantal mensen rondom zich vergaderd zag, deelde hij in een voortreffelijke rede mee, hoe gewillig hij zich de Heere opofferde, en wekte de omstanders op tot gelijke standvastigheid. Met vele troostrijke spreuken uit de heilige Schrift sterkten de omstanders, onder wie zich ook Gillis Tieleman bevond, hem andermaal, en baden met gebogen knieën voor hem tot God.

Toen zij de gehelen nacht bij Joost hadden vertoefd, en zagen, dat de dienaars niet langer wilden wachten, namen zij afscheid van Joost, wensten hem goede nacht en bovenal de troost des Heilige Geestes, tot aan zijn einde. Aldus keerde ieder naar zijn plaats terug.

Des morgens vroeg kwamen de schutters en de beul, ook de rechter, die hem veroordeeld had, en verzocht hem om vergeving. Joost antwoordde: "Wat mij aangaat, wil ik u van hart vergeven; maar zie toe, dat gij het in het gericht van God verantwoorden kunt. Nadat alles, wat tot de terechtstelling behoorde, gereed gemaakt was, werd Joost naar de markt gebracht, en hem daar het hoofd afgeslagen. Vele goede lieden werden daarover zeer bedroefd, omdat zij zagen, dat men iemand om het leven gebracht bad, die nergens over had gesproken dan over God en het Evangelie. Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 1544.

 

Gillis Tieleman

 

[JAAR 1544.]

 

Gillis Tieleman, woonachtig te Brussel, in Brabant, was een godvruchtig, eenvoudig man, die veel voor de armen over had, zodat hij dikwijls ‘s nachts werkte, en op de dag de zieken en behoeftigen hielp. Deze man had door Gods genade zijn verkeerde neigingen dermate overwonnen, dat hij omtrent niemand onderscheid maakte, welke mening men ook toegedaan was, of tot welke sekte men ook behoorde. Voor ieder was hij dienstaardig en behulpzaam, en allen bewees hij eerbied. Omstreeks het jaar 1540 was er een dame, die haar testament gemaakt had, waarin zij een groot deel van haar bezittingen aan de priesters en monniken had vermaakt, opdat zij voor haar zouden bidden. Gillis bezocht haar, bracht haar op zachte wijze onder het oog, dat zij daaraan niet goed deed, en zei: "0 dame, gij weet toch wel, dat het onmogelijk is met uw voet de zee te bedekken, alzo is het u ook onmogelijk de buik te kunnen vullen van deze priesters en monniken." Toen de dame dus door Gillis vermaand en terecht gewezen was, herriep zij haar testament, en vermaakte aan de armen het geld, dat zij vroeger de priesters en kloosterlingen beschikt had. De gemeentegeestelijke van de kapel hoorde, dat alzo de buit aan zijn handen ontnomen was, en in aanmerking nemende, dat Gillis overal zieken ging bezoeken, en dat, waar hij kwam, de dienst der priesters niet meer werd begeerd, klaagde hij hem aan, en liet hem als ketter gevangen nemen. Terwijl hij gevangen zat, en men in tangen tijd nog geen aanklacht tegen hem ingebracht, noch een vonnis over hem geveld had, stond hij in de gevangenis de gevangenen ten dienste, en was de gevangenbewaarder behulpzaam, en wel zo getrouw, dat hij hem zelfs toeliet op de straat te gaan, om water, hout en andere dingen te halen. Eindelijk benijdden de vijanden hem dit, en beschuldigden hem nog heviger van ketterij. Toen men Gillis dienaangaande ondervroeg, beleed hij zeer onversaagd de Evangelische waarheid, en verwierp het roomse bijgeloof en de afgoderij. Daarna werd hij op de pijnbank gelegd, om van hem te vernemen, wie zijn gevoelens waren toegedaan, doch hij wilde niemand verklappen. Onder de aangedane martelingen viel hij in een erge flauwte, zodat men meende, dat hij onder de handen van de scherprechter sterven zou. Hij lag zo lang in flauwte, dat zij hem bij het vuur moesten brengen, en warm drinken geven, opdat hij weer zou bijkomen. Toen zei Gilles: "0 goede God! Gij bestuurt ook, dat mijn vijanden mijn dienaars moeten zijn, om mij te genezen. Daarna bedreigden zij hem, dat hij om zijn hardnekkige ketterij zou verbrand worden, en dat hij schande zou ondergaan voor het oog van alle mensen. Doch Gilles zweeg op alles, wat zij zeiden. Hij antwoordde “Ja," en zei dat een christen niet anders had te verwachten, aangezien Christus Zijn navolgers niet anders beloofd had. Zo werd hij dan veroordeeld, om in het openbaar te worden verbrand, welke dood hij standvastig om de naam van Jezus Christus onderging, in het jaar onzes Heeren 1544. De medelijdende mensen bedreven over Gillis grote rouw, beklaagden hem zeer na zijn dood, en ieder gaf een goede getuigenis van zijn onberispelijk leven voor de mensen.

 

Willem Husson, apotheker

 

[Jaar, 1541.]

 

Omstreeks dezelfde tijd, namelijk in het jaar 1541, werd Willem Husson, een apotheker, om Gods Woord, uit Blois verjaagd. Hij kwam te Rouen, en nam des morgens in de nabijheid van de Martinvillepoort bij een weduwe zijn intrek, die hij onder andere vroeg op welke tijd het parlement gewoon was uiteen te gaan. Toen hij vernam, dat dit omstreeks 10 uur plaats had, ging hij naar het paleis, en liet hier en daar op straat kleine boekjes vallen, waarin de hoofdinhoud der christelijke leer vervat was, en de misbruiken der menselijke instellingen verworpen werden. Het parlement kwam daarover zo in opschudding, dat men terstond beval alle poorten te sluiten, en in de logementen te vernemen, welke vreemdelingen er in de stad waren. Toen men bij de bovenbedoelde weduwe kwam, verklaarde zij, dat er des morgens een man bij haar gekomen was, die gevraagd had op welke tijd het parlement uiteen ging, dat hij twee uren daarna was teruggekomen, had gegeten en weggereden was. Men reed hem terstond op alle wegen na, en zond lieden te paard uit om hem te zoeken, zodat zij hem dan ook halverwege Dieppe vonden, grepen en naar Rouen brachten. Terstond werd hij aangaande zijn geloof ondervraagd, dat hij, zonder enige dwang beleed, en zei, dat hij in de stad gekomen was om deze boekjes uit te strooien, en dat hij het voornemen had dit ook te Dieppe te doen.

In de volgende week werd hij veroordeeld om levend verbrand te worden, en, aangezien hij enige tijd gestudeerd had, gaf men hem een leraar van de Sorbonne, de Banda genaamd, het hoofd der Karmelieters, opdat deze hem weer tot het katholieke geloof zou bekeren.

Nadat zijn vonnis was voorgelezen, voerde men hem terstond uit de gevangenis op een kar tot voor de Domkerk, waar de genoemde leraar de arme lijder een kaars in de hand liet binden, en trachtte hem er toe te bewegen, voor een Lievevrouwenbeeld boete te doen. Doch Husson wilde niet naar hem luisteren, en liet de kaars vallen; waarom men hem dadelijk de tong uitsneed en naar de Kalvermarkt voerde, waar genoemde leraar een uitvoerige predikatie hield. Toen de monnik sprak van de barmhartigheid Gods, luisterde Husson aandachtig; maar, toen hij over de verdiensten der heiligen en dergelijke dromerijen handelde, wendde hij het gezicht en de oren van hem af. Toen deze leraar zag, welke gebaren Husson maakte, hief hij de handen omhoog, en riep overluid tot het volk: "Ziet, deze mens is ter dood veroordeeld, en nog van de levenden duivel bezeten." Nadat het monnikenspel was geëindigd, werd Husson aangevat, en met een touw door een rad in de lucht opgetrokken, terwijl zijn handen en voeten op de rug waren samen gebonden. Toen het vuur ontstoken was, hing hij daarover enige tijd, en verroerde zich niet; alleen, toen hij de geest zou geven, zag men dat hij een weinig het hoofd boog. Alzo stierf standvastig deze heilige martelaar van Christus.

 

Geerte Stelmees en Neeltje Claas

 

[JAAR 1511.]

 

Op de 1e Juli 1541 werden te Haarlem, in Nederland om de goddelijke waarheid, verdronken Geerte Stelmees en Neeltje Claas, en onder de galg begraven.

 

Francisco San Roman

 

[JAAR 1544.]

 

In het jaar 1511 werd er een Spanjaard, Francisco San Roman genaamd, door de Spaanse kooplieden te Antwerpen naar Bremen in Neder-Saksen om enig geld gezonden. En, aangezien hij graag weten wilde, welke godsdienst er toch bij de Duitsers en Saksers, die in Spanje zo gehaat en gevloekt was, beleden werd, bezocht hij te Bremen de kerk. Ofschoon hij weinig van de Hoogduitse taal verstond, verleende God hem nochtans de bijzondere genade, dat hij de predikatie ten dele begreep, en daarna met de predikanten daar, vooral met de heer Macabes zolang omging, totdat hij de hoofdzaken der christelijke leer juist vernomen en die geheel beleden heeft. Toen hij te Antwerpen gekomen was, en en vernomen werd, dat hij van godsdienst was veranderd, lieten de monniken hem daar terstond gevangen nemen, en vroegen hem onder andere, of hij niet geloofde, dat de paus van Rome de stedehouder van Christus en het hoofd der christelijke kerk was, die alle schatten der kerk in zijn macht had, die naar zijn believen alle dingen binden en ontbinden, ja zelfs nieuwe artikelen van het geloof maken en de vorige vernietigen kon. Francisco antwoordde daarop, dat hij van al deze dingen niets geloofde, dat hij er zeker van overtuigd was, dat de paus de ware antichrist en uit de duivel was, aangezien hij als vijand van Christus zich goddelijke eer toeeigende, en op aandrijven van zijn vader de duivel alle zaken met elkaar vermengde en verwarde om zijn bedrog daarmee goed te maken en te bedekken, waardoor hij de kudde van Christus verstrooide en zijn lammeren verscheurde en verslond. Toen nu Francisco de majesteit van de paus dus aantastte, en daarenboven de kramerij der mis, het vagevuur en de pauselijke aflaat verwierp, scholden zijn landslieden, de Spanjaarden, en de monniken hem vooreen godslasteraar, en begonnen hem met de vuurdood te dreigen. Francisco antwoordde daarop: “Ik weiger niet wegens deze mijn belijdenis te sterven; ja ik acht het een bijzondere eer te zijn, de leer van Christus met mijn bloed te bevestigen, Die voor mij, armen zondaar, vroeger ook Zijn dierbaar bloed op het hout des kruises vergoten heeft. En, ofschoon gij uzelf voor geweldige en machtige lieden acht, nochtans kunt gij mij niet anders ontnemen of iets anders verbranden dan deze ellendigen zondigen wormenrok. Ik heb geleerd hem te vrezen, die te gebieden heeft over het lichaam en de ziel. Zalig zal ik mij achten, wanneer ik slechts, tot mijn heil, van uw tirannische en boze gemeenschap verlost, in de eeuwige vreugde en heerlijkheid mag opgenomen worden."

Deze toespraak hinderde de monniken derwijze, dat zij de boeken van Luther, Melanchton, Oecolampadius, ja zelfs het Nieuwe Testament, dat hij van Bremen had meegebracht, voor zijn ogen verbrandden. Toen Francisco zag, dat deze snoodaards ook het Nieuwe Testament niet spaarden, sprak hij hen met krachtige woorden op hoogst ernstige wijze aan. Ten gevolge daarvan werd hij door zijn landgenoten, alsof zij uitzinnig waren, naar een toren zes mijlen van Antwerpen gebracht, waar hij in de duisternis, in een diepe kuil onder de grond gedurende acht maanden, onder zware verdrukking moest vertoeven.

Eindelijk werd hij weer losgelaten, en terwijl keizer Karel de vijfde omstreeks die tijd te Regensburg een rijksdag hield, reisde Francisco daarheen, sprak den keizer zelf driemalen met grote vreugde aan, en vermaande hem, dat hij zijn landen van de zwerm der valse leer zuiveren en de ware godsdienst weer invoeren moest. Hij overtuigde hem ook, dat de Duitse vorsten, die geprotesteerd hadden, en de Staten een betere zaak voorstonden, en dat hun gevoelens omtrent de godsdienst oneindig oprechter en meer waarachtig waren dan die der Spanjaarden, die in hun afgoderij en andere dwalingen ten enenmale verblind en verzonken bleven. In het begin luisterde de keizer goedgunstig naar hem, en antwoordde hem vriendelijk, dat hij op zijn bede wilde letten, ja, dat hij er reeds werk van maakte, de zaak ten goede te schikken. Toen Francisco de keizer voor de vierde maal wilde aanspreken, werd hij door de Spanjaarden aangegrepen, en zou in hun eerste woede bijna in de Donau geworpen zijn, indien de keizer dit niet had verhinderd. De keizer beval, dat men hem gerechtelijk moest onderzoeken. In de eerste plaats werd hij in een onreine gevangenis geworpen, daarna met andere boosdoeners op een wagen gesmeten, en moest het keizerlijke hof volgen. Zoals sommigen zeggen is hij zelfs met de keizer, die toen een tocht naar Afrika ondernam, naar Afrika en van daarnaar Spanje gebracht, aan de inquisiteurs overgeleverd, en andermaal in een verschrikkelijke, diepe en duistere gevangenis geworpen, en eindelijk tot de vuurdood veroordeeld. Toen hij daaruit geleid en voorbij een houten kruis gevoerd werd, wilden zij hem dwingen dat kruis te aanbidden. Francisco wilde dit echter op generlei wijze doen, en zei: "De ware christenen zijn niet gewoon hout en steen te aanbidden. Ik ben een christenmens en gevoel de hulp en de bijstand van God in mijn hart. Gaat daarom nu maar voort en brengt mij ter plaats waar ik sterven moet." En dit geschiedde ook. Onder het volk had er een groot geroep plaats, dat deze ketter het kruis niet had willen aanbidden. Terstond daarna, zoals de beeldendienaars van nature tot leugens genegen zijn, schreven zij aan dit kruis een goddelijke kracht toe, en zeiden, dat dit kruis zoveel macht en kracht bezat, dat het zich door zulk een vervloekten ketter niet had willen laten aanbidden. Ja, het duurde niet lang, of het gerucht werd verbreid, dat men een bijzonder wonderteken aan dit kruis opgemerkt had; waarom iedereen met messen naar dit kruis liep, teneinde een stukje van dit heiligdom machtig te worden.

Toen men aan de brandstapel gekomen was, hielden de priesters en hun aanhangers voortdurend bij Francisco aan, om hem tot herroepen te bewegen. Doch Francisco verzocht hun met een onbeschroomd hart en een vrijmoedig gelaat, dat zij er een einde aan zouden maken, en het vonnis, dat over hem geveld was, uitvoeren; dat het nodig was, de tijd niet te vergeef, te verspillen, en zij toch met hun aanhouden niets vorderden. Zo werf] dan eindelijk het hout aangestoken. Toen Francisco geruime tijd in de vlammen gestaan had, trokken zij hem er weer uit, terwijl zij meenden, dat hij zou herroepen. Alles was echter tevergeefs; want Francisco bleef standvastig. Onder andere zei hij ook: "Hoe kunt gij toch zo nijdig en afgunstig zijn, dat gij mij met dat talmen zulk een groot goed, waarnaar ik zozeer verlang, kunt misgunnen?" Daarop werd hij terstond verbrand. Wel is het te verwonderen, en Gods genade en barmhartigheid daarom zeer te prijzen, dat Hij in de grote en verschrikkelijke duisternis, waarin Spanje nog beden meer dan enig ander volk verkeert, deze Spanjaard en nog anderen verlichtte, en tot kennis van Zijn goddelijke waarheid liet komen. Immers, een van de roomse basilisken heeft zelf gezegd, dat hij Duitsland en Engeland wel had verloren, maar dat hij Spanje nog behield, als zijn kuise en onbevlekte dochter.

 

De bewoners van Mirandola en Cabriëra

 

[JAAR 1545.]

 

De bewoners en burgers van Mirandola en Cabriëra vertrokken, zoals men zegt, voor bijna twee honderd jaren uit Piemont naar Provence, namen daar vele woeste, onbebouwde en onbewoonde plaatsen in, en beijverden zich dermate door zware arbeid, overleg en kloekmoedigheid, dat zij later in overvloed koren, wijn, olie en amandelen en andere voortbrengselen inoogstten, en er ook goed en vet vee gevonden werd, ofschoon, voor zij er kwamen, Mirandola onbewoonbaar, woest en onvruchtbaar was.

Deze goede mensen, die God vreesden, aan wie de Heere steeds het zaad der godzaligheid schonk, ofschoon zij verjaagd, verstrooid en veracht werden en met de dieren in het wild moesten leven, brachten echter, waar zij ook kwamen, de zegen des Heeren mee. De wereld haatte hen nochtans derwijze, dat men hun alle schande en smaad aandeed, ben van oneerbaarheid en andere zonden beschuldigde, zodat men hen niet waardig achtte, dat de aarde hen voedde of droeg.

Onder al de verachting en versmaadheid gedroeg dit volk, dat te Mirandola en Cabriëra woonde, zich zo liefderijk, vriendelijk en godvruchtig, dat in hun gehele leven en handelingen de vrees Gods opgemerkt en grote getrouwheid en rechtvaardigheid bevonden werden. In dat licht van de kennis der waarheid, hetwelk God hun had gegeven, beijverden zij zich zeer, dat dagelijks meer en meer te ontsteken, en spaarden daartoe geen kosten of moeite, hetzij om boeken van de Heilige Schrift te verkrijgen, hetzij om geleerde en verstandige mensen in de goddelijke leer hier en daar, ja, tot de verste einden der wereld uit te zenden, waar zij vernamen, dat de glans van het zaligmakende licht was opgegaan. Toen zij namelijk hoorden, dat in enige steden van Duitsland en Zwitserland het Evangelie werd verkondigd, zonden zij, in het jaar 1530, twee mannen, namelijk George Morel, geboren te Fresseur in Dauphiné, hun prediker van het Evangelie een godvruchtig man, die zij, teneinde onderwezen te worden, in de school gehouden hadden, en Petrus Masson uit Bourgogne. Zij zonden deze uit, om over de leer van het geloof en der godzaligheid met getrouwe en verstandige dienaren der gemeenten te spreken, en meer en meer met de gewoonten en gebruiken van de godsdienst bekend te worden, zo ook om inlichting te vragen tot recht verstand van enige zaken, waaraan zij nog twijfelden. Toen zij beiden te Bazel met Johannes Oecolampadius, te Straatsburg met Bucer en Capito, te Bern met Barthold Haller, gesproken en beraadslaagd hadden, werd Petrus Masson te Dyon gevangen genomen, in de gevangenis geworpen, en als een Lutheraan ter dood veroordeeld. George kwam alleen te Mirandola terug, en wel met, boeken, brieven en bevelen, die hij van de Duitse gemeenten had ontvangen. Hij verhaalde in het openbaar waarom hij op reis geweest was, in hoe vele en grote dwalingen zij nog verkeerden, waar hun oude dienaars, die zij Baarden en Omen noemden, hen toegebracht en van de rechten weg der godzaligheid afgeleid hadden.

Toen het volk dit vernam, namen zij de verbetering van hun gemeenten derwijze ter harte. dat zij uit Apulië en Calabrië bejaarde, verstandige en ervaren mannen riepen opdat zij met hen zouden raadplegen om de kerk te hervormen en te verbeteren.

In één woord, men bracht, het zo ver, dat dit alles het parlement en de opperste raad van Aix ter ore kwam, en de bisschoppen, priesters en monniken van Provence zeer in beroering bracht. Onder anderen was er een monnik, die tot de Dominicaner orde behoorde, Johannes van Rome geheten, een zeer wreed en hard mens, die van de bisschoppen en de gezant van Avignon macht had verkregen, om hen te onderzoeken en gevangen te nemen die als Waldenzen of onder de Luthersen naam bekend waren, die dan ook niet naliet de gelovigen te kwellen, en door allerlei martelingen, die hij slechts kon bedenken of uitvinden, te pijnigen. Onder al zijn uitgezochte martelingen was dit een der ergste, en die hij ook het meest aanwendde. Hij vulde namelijk schoenen of laarzen met kokend vet, die hij aan de voet liet trekken van hen, die hij zo op een bank had laten binden, dat hun voeten over een zwak vuur hingen. De eerste, die hij aldus liet pijnigen en martelen, waren Michelot, Serra van Cabriëra, Merus genaamd, en Willem Melus, en vele anderen na hen, die hij ook eindelijk met een zware en pijnlijken dood deed ombrengen.

Toen Frans, koning van Frankrijk, van de ongehoorde wreedheid van deze monnik hoorde, zond hij aan het opperste parlement van Provence brieven, en beval, dat men hem gevangen zou nemen, en aangaande hem alles zou onderzoeken; en, wanneer de waarheid bleek, dat men hem moest doden. Doch toen Johannes van Rome door hen, die hem gunstig waren, vernam, welk gevaar hem boven het hoofd hing, vluchtte hij naar Avignon om de roof te halen, die de wrede moordenaars uit de bezittingen der bewoners van Mirandola verkregen hadden. De buit was echter, buiten zijn mening, door zijn eigen huisvolk weggeroofd, die hem alles ontnamen, wat hij met ter dood brengen en moorden bijeen geraapt had.

Spoedig daarna tastte een ziekte hem aan, waarin hem de pijn zeer lastig en drukkend was, en waarbij men hem met geen middel hoegenaamd enige verlichting kon aanbrengen. Er was zulk een ondraaglijke stank bij hem, dat niemand het bij hem kon uithouden, zodat de Jakobijnen hem uit hun klooster naar een gasthuis lieten overbrengen, aangezien niemand, ook hij zelf niet, de stank verdragen kon, die uit zijn lichaam, dat vol zweren was en van de wormen krioelde, opsteeg. Terwijl hij aldus in pijn en jammer verkeerde, riep hij dikwerf: "Ach, wie zal mij verlossen! Wie zal mij doden!" Hij wilde zichzelf ombrengen, doch de macht ontbrak hem. Aldus eindigde deze goddeloze en wrede mens, die zo vele godvruchtige lieden vermoord had door grote en onlijdelijke smart, onder verschrikkelijke jammeren wanhoop zijn leven.

Er werd ook niemand gevonden, die hem wilde aanraken om te begraven, dan een monnik van dezelfde orde, die hem voor de heerlijke eer en het recht der begrafenis, die hem niet toekwam, een haak in het vergane lichaam sloeg, en aldus tot een graf, dat hij daartoe gemaakt had, sleepte.

Na de dood van broeder Johannes van Rome, zette de bisschop van Aix de vervolging voort door Perianet zijn dienaar. Deze wierp vele lieden in de gevangenis, waar sommigen wegens de zware pijnigingen die men hun aandeed, de waarheid verloochenden en afzwoeren. Anderen, die sterker en standvastiger waren, werden als ketters veroordeeld en aan de aangewezen rechter overgeleverd. Deze rechter was zekere Miranus, een wreed mens, die, zonder enig onderzoek of kennis van zaken in te stellen allen doodde, die de dienaar van de bisschop slechts als ketters aangewezen had. Doch ook deze heeft niet lang daarna het loon zijner ongerechtigheid en wreedheid ontvangen, zoals wij later vernemen zullen.

Het parlement en de raad van Aix brachten na de dood van de goede stadhouder Cuisinette vele gelovigen om het leven, en wel gedurende de tijd, dat de heer Revesti in de raad de president verving. Toen hij van deze betrekking en dit ambt was ontslagen, reisde hij naar zijn huis Revestum, waar hij door zulk een zware ziekte en vreselijke pijn werd bezocht, dat zijn vrouw en andere huisgenoten hem niet durfden te genaken. In woede en razernij scheidde hij uit dit leven en ontving voor zijn boosheid en wreedheid een rechtvaardige beloning. De opvolger in zijn betrekking en ambt was Mr. Bartholemeus Cassaneus. Terwijl deze het voorzitterschap bekleedde, werden er tien burgers van Mirandola te Aix voor het gerecht gedaagd en wel door tussenkomst en voor de procureur des konings.

Maar, toen zij van enige goede en toegenegen vrienden vernamen, dat de raad voorgenomen had, hen onverhoord in de gevangenis te werpen en ter dood te brengen, durfden zij op de bepaalde dag niet te komen. En, omdat zij verzuimd hadden voor het gerecht te verschijnen, werden zij, als verachters van het gerecht, veroordeeld en gevonnist. Om dit alles werd er een vonnis uitgesproken, dat, zonder onderscheid, man, vrouw of kinderen van Mirandola verbrand moesten worden, hun huizen vernield, hun olijfbomen en andere vruchtbomen omgehakt en de gehele plaats verwoest. Ieders mond was vol over dit wrede vonnis, en wel omdat men nooit iets dergelijks gehoord of gezien bad. Wie het vernam, werd met schrik en vrees vervuld. Om dit te volvoeren, waren de gezworen vijanden der waarheid met alle ijver, machten kracht werkzaam.

Intussen kregen de bewoners van Mirandola, door tussenkomst van Langeüs, die in die tijd stadhouder en gezant van de koning te Turijn was, brieven, waarin hun werd toegestaan, dat zij hun zaken voor het gerecht mochten verdedigen, waarvan zij ook gebruik maakten, en hun geloofsbelijdenis aanboden. Aldus verhinderde de almachtige God het voornemen der goddelozen voor een wijle tijd, teneinde Hij de godvruchtigen een weinig rust schonk, dat zo lang duurde, totdat Johannes Minierus, heer van Dopeda, president van de raad werd.

Deze Dopeda had veel invloed in die heerlijkheid, zo om zijn ambten, die hij bekleedde, als ook omdat hij nu tijdens de afwezigheid van de heer van Grignan, als gezant van de koning, de hoogste macht had in Provence. Al zijn krachten en vermogens wendde hij aan, om het besluit en het vonnis van het parlement tegen de bewoners van Mirandola, niet alleen te versterken of met de dood te volbrengen, maar ook om als een dienaar van de duivel en een wild dier de wreedheid, waar aan nauwelijks iets meer kon worden toegevoegd, te verhogen, zoals verder blijken zal.

Toen nu de heer van Grignan uit Provence vertrokken was, legde deze gruwelijke president aan Minierus alle redenen bloot, die hem in het volvoeren van zijn plannen zouden kunnen. dienen, om het bloed van de christenen te vergieten, en hun goederen te roven. Al de krijgssteden, die de koning toen in Provence had, verzamelde hij, en voerde er het leger bij, dat de gezant van de paus te Avignon en in het gehele graafschap Ventis bijeenvergaderd had. Gewapenderhand ging deze goddeloze bevelhebber er toe over, om de bewoners van Mirandola en Cabriëra en van andere steden en dorpen, tot twee en twintig in getal, te verwoesten en uit te roeien. Teneinde hij dit te gemakkelijker zou kunnen doen, gaf hij de krijgslieden verlof alles tot buit en roof te mogen nemen, en alles te verbranden en te doden, zelfs de mannen en kinderen. Voor hij te Mirandola kwam, beroofde en verbrandde hij eerst een stad, Rupen genaamd, vervolgens St. Stefanus, Villelaurus, Lormarinus, Mottam, Gabriëra, St. Martinus, Pepinus en andere plaatsen aan gene zijde van de berg Lebrum.

Toen de inwoners van deze plaatsen, van wie het merendeel naar Mirandola gevlucht was, die vreselijke en buitengewone wreedheid zagen, weken zij in een bos, Laura genaamd, totdat het geweld, en de wreedheid als een onweer zou zijn voorbijgetrokken en verkoeld. Maar, toen zij zagen, dat hun vervolgers langer zo meer in wreedheid en boosheid toenamen, en hen hoe langer hoe dichter naderden, vonden zij het geraden, daar zij er niets beters op wisten, hun vrouwen en kinderen te verlaten en een goed heenkomen te zoeken, terwijl zij meenden, dat de vrouwen en kinderen te eerder genade bij de vijanden zouden verkrijgen, dan wanneer de mannen bij haar waren.

Onbeschrijfelijk was het verdrietelijk zuchten, wenen, huilen, dat er gehoord werd bij het droevig scheiden, waar de man zijn geliefde vrouw, de vader zijn zoete kindertjes in benauwdheid achterliet. Nadat de dienaren van het goddelijke Woord een predikatie gedaan, en volgens hun gewoonte gebeden hadden, vertrokken zij in deze grote ellende, in de laten avond, bij het invallen van de nacht teneinde meerdere ongelukken en gevaren te voorkomen.

In de vroegte van de anderen dag kwamen de soldaten aan de plaats, waar de vrouwen alleen, zonder haar mannen, waren achtergebleven. Sommige krijgsknechten, die haar goedgunstig en met barmhartigheid bewogen waren, liepen vooruit naar de streek, waar zij in het bos zich ophielden, om haar mee te delen hoe dicht de vijanden reeds genaderd waren. Zij vonden haar samen eendrachtig biddende, en wel na de gewone morgenpredikatie, die in de vroegte plaats had. Nauwelijks waren de vijanden aan deze plaats gekomen, of deze arme lieden werden beroofd van al haar bezittingen, die zij nog uit de plundering en de brand overgehouden hadden. De vrouwen en meisjes werden van alles beroofd, sommigen geschonden en geschaakt, geslagen, terwijl zij alle oneerbaarheid en onkuisheid met haar bedreven. Sommigen verkochten zij en deden haar allerlei smaad en ellende aan.

Intussen reed Dopeda langs de brede Cadentse weg met zijn ruiters door het bos van Mirandola. Toen hij daar kwam, werd hij slechts een jongeling meester, die hij aan een olijfboom liet binden en op een wrede wijze doorschieten. Temidden van zijn lijden sloeg de jongeling steeds de ogen naar de hemel, en wel onder luide uitroepingen, als blijk van zijn godvruchtig gemoed. Naar men zegt, waren zijn laatste woorden: "0 Heere God, deze mensen ontnemen mij dit ellendigen smartvol leven, maar gij zult mij, om Uws Zoons Jezus Christus wil, het eeuwige leven schenken." Aldus blies hij, na doorschoten te zijn, de laatste adem uit.

Mirandola werd aldus, zonder enige tegenstand, ingenomen, beroofd en verbrand, en door de gravers en arbeiders tot de grond geslecht. Toen Mirandola verwoest was, trokken zij met de gehele hoop naar Cabriëra, dat zij de 20sten April belegerden. Nadat zij het geruime tijd en menigmaal hadden bestormd en beschoten, en er geen hoop was het op een gemakkelijke wijze in handen te krijgen, beloofden de president Dopeda en Polinus, de bevelhebber des legers, onder belofte van zekere getrouwheid, de bestuurders van de stad, dat zij er voor zorgen zouden, dat hun zaken voor de wereldlijken raad, zonder enig geweld van wapenen, gebracht en beoordeeld zouden worden, en dat hen geen geweld of ongelijk zou worden aangedaan, wanneer zij de poorten openden. Na deze belofte openden de bewaarders en verdedigers der stad de poorten terstond, en gaven vrije toegang aan Polinus en Dopeda.

Toen echter dit meinedig, dubbelhartig, en tirannisch gespuis de stad was binnengetrokken, verbraken en overtraden zij alle geloften. Dopeda liet er vijf en twintig van hen, die hij begeerde, vangen en binden en naar een veld buiten de stad brengen, waar de soldaten hen op wrede wijze ombrachten.

Daarna toonde hij ook zijn onmenselijke wreedheid aan de vrouwen, van wie hij er veertig liet vangen, van wie velen in zwangere toestand verkeerden. Deze liet hij in een schuur opsluiten, en deed die aan de vier hoeken in brand steken; en wanneer er enige de brand wilden ontvluchten, werden zij door de soldaten met zwaarden en spiesen er weer in gedreven. Er werden ook veler: gevangen genomen, die zich in holen en andere plaatsen verborgen hadden, en bij paren aan elkaar gebonden, naar de zaal van het slot Cambria overgebracht, aan wie de soldaten hun moedwil betoonden, totdat zij stierven, na haar eerst te hebben bespot en aan hun lusten overgegeven.

Eindelijk gingen de hoofden en bevelhebbers van de wellustelingen en moordenaars van Avignon naar de tempel, en grepen een groot aantal vrouwen, meisjes en kinderen, aan welke zij alle boosheid en wreedheid pleegden, waarbij zij niemand, man noch vrouw, jong noch oud spaarden.

De anderen, die in dezelfde tijd en daarna op verschillende wijze omgebracht werden, waren omtrent duizend in getal, met wie zij, zonder onderscheid van persoon of leeftijd, onredelijk en tirannisch handelden, alsof zij woedend en razend waren.

Tot een eeuwige gedachtenis van zulk een dusgenaamde heerlijke overwinning, werd er door de pausgezinden in de stad Cabriéra een zuil opgericht, waarop zij de dag en het jaar lieten beitelen, waarin de stad werd ingenomen en geplunderd door mr. Johan Minier Dopeda, hoogste president in het parlement van Provence, tot een herinnering van een wreedheid, zoals nooit werd aanschouwd, gehoord noch beleefd.

Hieruit kunnen de nakomelingen zien, met welke middelen de roomse antichrist zijn zetel der boosheid en der gruwelen placht te beschutten en te beschermen, die dermate in alle ongerechtigheid en boosheid is verzonken, dat hij zich in geen dele niet enige gerechtigheid en waarheid redden kan. Met geweld van wapenen, met verdrukking, moorden en ombrengen, moet hij zijn zaken drijven en beschermen. Tot die middelen alleen neemt hij zijn toevlucht.

Intussen kwamen zij, die uit Mirandola naar het gebergte, de steenrotsen en andere vlekken in de omtrek, tot levensbehoud gevlucht waren, hoe langer zo meer in ellende en nood, en wel door gebrek aan spijs tot voeding van het lichaam. Door enige van zijn vrienden verzochten zij, voor hij deze wreedheid aan hen pleegde, de president dat het toegelaten mocht worden, met hun vrouwen en kinderen vrij ergens heen te gaan, al ware het slechts in het hemd, om hun ontbloot lichaam te bedekken. Doch Dopeda antwoordde zijn vrienden: "Ik weet, wat ik doen zal; er zal niet een uit mijn handen ontkomen; ik zal hen naar het oord van de hel zenden, opdat zij daar met de duivelen wonen." Met deze en dergelijke dreigende woorden gaf hij de hoofdman en bevelhebbers verlof, om alle steden, dorpen en vlekken in te nemen, daar te worgen, en te plunderen, daar er toch niemand was, die zich verweerde, teneinde zich met moed te beschermen. Aldus heeft deze zogenaamde machtige krijgsman, die uit het raadhuis ten oorlog en verwoesting rondreisde, aan deze onschuldige, eenvoudige, godvrezende en beklaaglijke mensen zijn kracht, ja zijn tirannische wreedheid betoond.

 

Petrus Bruly

 

[JAAR 1545.]

 

Petrus Bruly, geboren in Lotharingen, en bedienaar van het Woord Gods bij de Franse gemeente te Straatsburg, werd door vele gelovige broeders in Nederland, onder de heerschappij van keizer Karel, verzocht een bezoek te brengen aan de steden in Vlaanderen, Henegouwen en Artois, waar zich vele goede en godvrezende mensen bevonden, die hongerden naar de hemelse spijs, en bovenal begerig waren naar de vertroosting van het goddelijke Woord.

Met toestemming en verlof van de gemeente waar hij toen bedienaar was, ondernam genoemde Bruly deze reis, en ging daarheen met getuigschriften en brieven van Martinus Bucer, die toen te Straatsburg de voornaamste bedienaar was van het Woord. Nadat hij met trouw en vlijt verricht had waartoe hij was uitgezonden, en de steden Valenciennes, Doornik, Arras en Rijssel bezocht had, keerde hij weer naar Doornik terug, en verkondigde daar het Woord van God zo naarstig en vurig, dat hij nu en dan met geopende deuren het Evangelie predikte.

Toen de overheid en de raad van de stad dit vernamen, hielden zij de poorten van de stad bijna drie dagen achtereen gesloten, lieten met groten ijver naar Petrus zoeken, ja beloofden hem een beloning, die hem levend of dood kon overleveren, waarover de gelovige broeders zeer verslagen waren.

Als zij hem enige dagen verborgen hadden weten te houden, en hem buiten gevaar wilden brengen, plaatsten zij hem in een mand, en lieten hem ‘s nachts over de muur neer. Toen hij echter beneden in de vest was neergelaten, viel er een grote steen van de muur, en brak hem het been. Daar men hem des morgens in die toestand vond, werd hij gevangen genomen en naar de burcht der stad geleid. Toen hij daarheen gebracht werd, dankte hij God de Heere, door Wiens wonderbare, voorzienigheid hij daar werd gevangen gehouden, toen hij de vervolging wilde ontvlieden, waartoe hij door zijn prediking aanleiding had gegeven. Gedurende zijn verblijf in de gevangenis gedroeg hij zich steeds zoals een oprecht en standvastig getuige en martelaar betaamt, zowel in het verborgen als in het openbaar bij de overheid, voor wie hij Jezus Christus en Zijn Evangelie vrijmoedig, standvastig, zuiver en getrouw beleed.

Gedurende zijn gevangenschap kwamen velen hem bezoeken, sommigen uit dwaze nieuwsgierigheid om een Hoogduitse gevangen predikant te zien, anderen uit lust om tegen hem te getuigen en hem tegen te staan, sommigen ook met een goede bedoeling en begeerte, om door hem onderwezen te worden in de kennis van God en de leer van het Evangelie, welke hij op voortreffelijke wijze ten dienste stond.

Op verlangen van enige goede vrienden en broeders, stelde hij zijn belijdenis in geschrift, en zond die ook aan zijn vrouw. Zij luidde aldus:

Jezus Christus, de gekruisigde, zij uw zaligheid!

Uw brief heb ik gelezen, allerliefste zuster in Christus Jezus, die gij door Margaretha mij toegezonden hebt, die mijn hart zeer getroffen heeft, omdat ik daaruit duidelijk zie, dat gij en al de broeders grote zorg voor mij hebt. Wat mijn banden aangaat, of die mij zwaar en pijnlijk onaangenaam zijn, kunt gij gemakkelijk zien in de brieven, die ik tot mijn broeders, die met mij gevangen zitten om het Woord van Jezus Christus, dezer dagen gezonden heb. Uit deze zult gij duidelijk bemerken, wat ik bij mij zelf gevoelde, en wat ik anderen wilde raden. Deze tonen ook, dat ik niet begeerd heb van hen of voor hen, dat ik in mij niet zou willen laten geschieden, en wel, God is getuige, opdat de Heere mij in Zijn bescherming en de oprechte belijdenis der waarheid beware.

"Ofschoon mijn huisvijand mij zeer lastig valt, nochtans zal hij, door de kracht des Heilige Geestes ten onder gebracht worden, want Christus Jezus, op Wie ik mijn hoop gevestigd heb, zal mij meer goeds geven, dan ik in mijn hart maar kan bedenken. Om Zijn eer zal ik mij steeds overgeven of aan het vuur, of aan het water, of aan andere martelingen, die mijn vijanden kunnen bedenken, zodanige echter als God zal goedkeuren. Voorts zal ik u schrijven, wat gij van mij vraagt, hoe men mij ondervroeg, en wat ik zowel aan de rechters als aan de leraren heb geantwoord. Het zou echter te uitvoerig worden u alle redenen te beschrijven, die ze mij vroegen en ik hun antwoordde: ik zou die trouwens ook niet kunnen schrijven, doch ik meen, dat gij dit ook niet begeert; dat gij alleen die vragen en antwoorden bedoelt, welke het geloof en de christelijke leer betreffen. Deze zal ik u meedelen.

Vooreerst, op de 26ste November vroeg Dr. Hasard, een monnik van de Franciscaner orde, in het bijzijn van de overste van het slot te Doornik en de procureur-generaal van zijn keizerlijke majesteit, hoe ik over het sacrament des altaars en over de mis dacht. Ik antwoordde daarop, dat de gelovigen, die van de dienaar het brood en de wijn ontvangen, waarlijk het lichaam en bloed van onze Heere Jezus Christus genieten, niet met de buik of met de mond, maar met het hart, met de ziel en het gemoed, en door de Geest, die het geloof in hen opwekt en versterkt, hetwelk de beloften aangrijpt, die er worden voorgehouden, van welke beloften deze de eerste is: "dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt;" en de andere: "dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwe Testaments, hetwelk vergoten wordt tot vergeving der zonden."

Dezelfde leraar vroeg mij, of ik ook aan de verandering geloofde. Ik antwoordde hem, dat ik die niet geloofde; maar dat het brood brood bleef, en de wijn op gelijke wijze zijn natuur behield, dat de Heilige Geest het brood en wijn noemde ook na het avondmaal; zodat ik dan zorgde niet te dwalen, wanneer ik dus sprak gelijk de Schrift pleegt te spreken.

Daarna vroeg hij mij, of ik geloofde, dat, wanneer de priester de woorden van het sacrament had uitgesproken, op de altaar het waarachtig lichaam en bloed van Jezus Christus was. Ik antwoordde hem, dat ik aan geen andere inzegening geloofde, dan die door de dienaar in de bediening van het avondmaal verricht wordt wanneer hij het volk, dat daarom samen komt, de inzetting van Jezus Christus herinnert met zulke woorden, dat hij door ieder kan worden verstaan, met vermelding van het lijden en de dood van Jezus Christus, waardoor de gedachtenis van zulk een grote weldaad wordt vernieuwd; dat dit de ware inzegening is. welke, volgens de instelling des Heeren in het avondmaal behoort te geschieden; maar, dat zulk geheimzinnig spreken en mompelen over het brood geen inzegening kan heten, maar wel een zodanige handeling, die meer de tovenaars en bezweerders dan de christenen betaamt; want, zoals dit duidelijk genoeg is, toen Christus het avondmaal instelde, sprak hij zijn woorden tot de Apostelen, die daar tegenwoordig waren, en niet tot het brood of tot de wijn.

Vervolgens vroeg hij mij, hoe ik over de mis dacht. Ik antwoordde hem, dat de mis, zoals men die thans in de roomse kerk noemt, in geen dele het avondmaal van Jezus Christus is, maar veeleer een bederf daarvan, waarmee de Heere Jezus Christus in grote mate wordt verongelijkt, en Zijn lijden en dood vernietigd.

Betreffende de aanbidding, die er geschiedt, zei ik, dat zij het brood en de schepselen aanbaden. Zij zeiden daarop: "Dan zijn wij allen afgodendienaars." "Ziet voor uzelf toe," hernam ik, "in welke ellende zij u storten, die het Woord Gods u ontnemen, en u verleiden, om naar hun eigen dromerijen en leringen der mensen te luisteren." Over deze zaak werd veel uitvoeriger gesproken, maar dit was het voornaamste.

Later werden mij vragen gedaan omtrent het vagevuur, namelijk, of ik geloofde, dat er een plaats was waar de zielen na dit leven heengaan, opdat zij voor hun zonden gestraft worden. Ik antwoordde, dat ik aan geen ander vagevuur geloofde dan het bloed van Jezus Christus, en dat ik geen andere zuivering en reiniging zocht. Toen vroeg hij mij, of ik dan geloofde, dat de schuld met de straf vergeven of kwijtgescholden werd. Ik antwoordde daarop, dat God de mens beide kwijtscheldt, dat Hij Zijn genade niet ten dele schenkt; maar, wanneer Hij vergeeft, vergeeft Hij beide: schuld en straf.

Hieruit vloeide de vraag voort, wat ik dan dacht van zovele heerlijke missen, gebeden en andere goede werken, die dagelijks voor de doden geschieden. Ik zei, dat zulke werken verrichtingen waren, ingesteld buiten het Woord van God, en daarom ijdel en onvruchtbaar, ja, dat het ook zonden waren, omdat zij zonder geloof geschieden; want er staat geschreven, Rom. 14, vs. 23: "wat uit het geloof niet is, dat is zonde."

Toen zij zeiden, dat al de heiligen, die vroeger geleefd en dit voor de doden gedaan hadden, dan gedwaald moesten hebben, antwoordde ik dat de heiligen, die in vroegere tijden leefden, en zulke diensten en rechten aan de doden hebben bewezen, met onwetendheid en zonden bevangen waren; dat het ook niemand verwondering moet baren, wanneer zij de gewoonte en het gebruik van hun tijd gevolgd hebben, dat ik hen in deze dingen niet vrij van zonden wil spreken en onschuldig verklaren.

Ook omtrent de verering van de heiligen vroegen zij mij, hoe ik daarover dacht. Ik antwoordde hun, dat wij de heiligen niet beter kunnen vereren, dan door hun geloof, dat zij betoonden, na te volgen, zo ook de liefde, het geduld, de ootmoed, waarin zij de Heere Jezus Christus nagevolgd hebben. Daarin kunnen zij ons alleen ten voorbeeld gesteld worden, teneinde hen na te volgen, waarin zij de Heere Christus gelijkvormig waren, en Zijn voorbeeld navolgende, zoals de Apostel vermaant: "Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus." Feestdagen voor de heiligen in te stellen en te vieren, te hunner ere avonden te houden en vastendagen te gebieden, hun beelden te schilderen en daarvoor kaarsen te ontsteken, dat is niet het eren van de heiligen, maar afgoderij met hen plegen, en hun schande aandoen. En dat dit zo is, blijkt genoeg daaruit, dat zij in hun leven zulke dienstbetoningen ten allen tijde hebben bestraft en afgekeurd.

Zij vroegen mij ook, hoe ik dacht over de aanbidding en aanroeping van de heiligen bij God. Ik antwoordde, dat dit geen leer van God was, maar veelmeer een godslastering, welke men niet behoorde toe te staan. Zodoende toch bewijst men hun, wat de enige God alleen toekomt, die alleen de verborgen dingen ziet, welke men de gestorven heiligen toeschrijft, wanneer men gelooft, dat zij de gebeden horen, als men tot hen bidt, alsof zij de nood der aanbidders kenden. Daarenboven strekt zulk een leer tot grote verachting van Christus, Die de enige Middelaar en Advocaat, en ook tot een Voorbidder van God de Vader is gesteld, en dat is alleen mijn gevoelen omtrent de gestorven heiligen, doch de anderen, die hier nog leven, mogen wel voor elkaar bidden, en met hun gebeden elkaar helpen en bijstand verlenen.

De vraag over de vrije wil werd ook niet vergeten, integendeel, men ondervroeg mij zeer naarstig, hoe ik erover dacht. Ik antwoordde daarop, dat, wilde men over de vrije wil terecht naar de eis der zaak spreken, men de mens volgens de verschillenden staat, waarin hij verkeerd heeft, onderscheidenlijk moest beoordelen. Vooreerst geloof ik, dat de eerste mens, die naar de gelijkenis en het beeld van God geschapen is, vrijheid gehad heeft zowel tot het goede als tot het kwade; en dat hij alleen de kracht en het vermogen van de vrije wil gekend heeft, zo lang hij in onschuld verkeerde: maar de ellendige en onzalige mens behield de gave van God niet lang, en verloor die door de zonde; en niet alleen hij, maar ook allen, die uit het natuurlijke zaad van Adam geboren en voortgekomen zijn, zodat zij in het geheel geen macht bezitten om, wanneer zij in hun eigen natuur blijven, iets goeds voor God te kunnen doen, daar alles kwaad is, wat in hen gevonden wordt. En, om de waarheid te zeggen is er nu niemand van de kinderen van Adam, die een vonkje goeds bezit, en de mens kan dus ook geen vrije wil hebben, want alle mensen zijn van nature tot het boze geneigd. Daarom zegt de Apostel, dat de natuurlijke mens niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid. Bij Hosea, zegt de Heere aldus: Het heeft u bedorven o Israël." Op een andere plaats zegt de Apostel, "dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God."

Deze getuigenissen des Geestes tonen genoegzaam, dat er nu geen vrije wil in de mensen voor God is, om goed te doen. Ik zeg met nadruk: voor God, omdat de mens wel vele schone werken, die in schijn goed zijn, doen kan voor de mensen, zoals de wetten gehoorzamen ten aanzien van uitwendige dingen, maar in het gericht voor God hebben zulke werken geen waarde, ja zijn zelfs zonden. Wat ik tot dusverre heb gezegd, moet verstaan worden van hen, die door de Geest van God niet wedergeboren zijn.

Laat ons nu overgaan tot de beschouwing van een christen, gedoopt in het bloed van Christus, die nu in nieuwigheid des levens wandelt. Aan zulk een mens geeft Christus zijn vrije wil terug, en vernieuwt hem tot alle goede werken, echter niet volmaakt, want nimmer zal men in hem zien, dat hij het goede werk naar behoren en volkomen doen zal, maar hij heeft steeds bij vernieuwing Gods hulp nodig, wat de Apostel van zichzelf aan de Romeinen betuigt: Het willen is [wel] bij mij, maar het goede te doen dat vind ik niet." De vrije wil bezitten wij dus niet meer, zoals de eerste mens die bezat, die het goede, zoals hij wilde, ook kon volbrengen en doelt. Dit gebrek ontstaat uit het bederf van onze natuur, niet uit enige onmacht of ziekte, die in Christus Jezus onze Hernieuwer zou zijn. Ziedaar wat ik van de vrije wil geloof en, hoe ik daarover denk.

Daarna ondervroegen zij mij aangaande de goede werken op deze wijze: "Naardien een mens in zichzelf geen macht heeft, het goede, wat hij wil met de daad te volbrengen, kan hij dan geen goede werken doen?" Daarop antwoordde ik, dat een mens dit uit zichzelf niet kan doen, maar, geholpen door de Geest van God, kan hij wel goede en welbehaaglijke werken verrichten. Wanneer de werken goed Zijn en Gode aangenaam, komt dit niet voort uit de menselijke natuur of macht, maar alleen en geheel uit de kracht en de genade van Christus, Die in de mens woont, en de werken volbrengt. Verder zei ik hun, dat het met de mens is als met een boom, die eerst goed moet zijn, voor hij goede vruchten kan voortbrengen, en dat de mens zelf hierin werkt en een medearbeider is aan die werken, welke ook tot het eeuwige leven in de Schrift beloofd wordt.

Daarna volgde de vraag over de rechtvaardigmaking. Ik antwoordde daarop, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, zoals in Rom. 3 gezegd wordt. "Hoe!" hernamen zij, "alleen door het geloof? Worden wij ook niet door de goede werken en de liefde gerechtvaardigd?" Toen antwoordde ik, dat men zulke werken en ook geen liefde vindt in enig mens, die niet gerechtvaardigd is. "Mag dan," zeiden zij, "een mens, al verkeerde hij in doodzonde, niet een aalmoes geven ter ere van God, Die hij bovenal bemint?” Neen hernam ik, want de zondaar mag wel al zijn goed aan de armen geven, maar niet zozeer ter ere van God, Die hij bovenal lief moet hebben, als wel uit enige menselijke genegenheid; want indien hij God boven alles lief had, zou de zonde hem niet behagen, en hij zou aan God vergeving vragen. Aangaande de goede werken antwoordde ik hun, zoals boven is vermeld.

Toen vroegen zij mij, wat ik dan het geloof noemde, hetwelk zo krachtig is, dat het alleen de mens rechtvaardigt. Daarop antwoordde ik, dat het geloof is een gewisse verzekering des gemoeds, die door de Heilige Geest geschiedt, van Gods barmhartigheid en van Zijn goede wil over ons, in het Evangelie beloofd en aangeboden.

Doch deze beloften van de liefde en goedheid Gods over ons, worden ons in Jezus Christus Zijn Zoon getoond en gegeven. Door dit geloof houden wij voor zeker en gevoelen wij, dat God ons onze zonden wil vergeven, om Zijns Zoons wil, in Wie wij geloven. “Dat is," zeiden zij, "de beschrijving van het geloof niet, zoals Paulus zegt Hebr. 11." Deze, hernam ik, vind ik toch in Paulus.

Omtrent de menselijke instellingen ondervraagd zijnde, of ik die ook aannam of geheel verwierp, antwoordde ik, dat ik de zodanige prees en aannam, die tot enige wettelijke of burgerlijke bedoeling dienstig zijn, maar dat ik de andere geheel versmaadde en verwierp, zoals het huwelijksverbod voor priesters en monniken, het verbod van vlees te eten op zekere dagen en andere dergelijke beuzelingen en plechtigheden, waarmee zij het gewetens der mensen willen binden, ja zelfs op straf van dodelijke zonde.

Daarna ondervraagd zijnde aangaande de beelden, of die de gelovigen geoorloofd zijn te bezitten, antwoordde ik, dat ik er, wat mij aanging, in het geheel geen begeerde, en dat men die in de kerken der christenen vooral niet behoorde te dulden, want met zulke beelden verontreinigt men de kerken, die alleen bestemd zijn om het Woord van God te horen, de sacramenten te bedienen en om de algemene gebeden te doen, waarvan de heiligheid hoger is dan de beelden en schilderijen. Ik toonde ook aan, dat zulke gegoten, gesneden of geschilderde beelden de mensen dikwerf aftrekken van Gods Woord. Doch in de huizen zei ik, mogen die toegelaten en geplaatst worden als dingen, die goed noch kwaad zijn, in zoverre men er geen afgoderij mee bedrijft, want dan behoort men die het buis uit te werpen. Doch, wat mij aangaat, als ik bedenk, dat zij door het Woord Gods zo scherp verboden worden, acht ik dat men ze geenszins behoort te duiden of toe te laten, want hun gebruik deugt nergens toe. Zoals een schilder en maker van een beeld door God vervloekt is, zo is dit ook met het beeld het geval, gelijk men zien kan in het Boek der Wijsheid, h. 3, 12, 13, 15.

Daar zij, naar ik dacht, vermoedden, dat ik een wederdoper was, vroegen zij mij ook aangaande de doop. Ik antwoordde, dat de doop een teken was des verbonds, dat God met de christenen gemaakt heeft, waarin hij betuigt, dat Hij de God van ons en van ons zaad wil zijn, en ons onze zonden vergeeft. Deze belofte wordt door de waterdoop bevestigd, want, gelijk door het water de onreinheid van het lichaam wordt afgewassen, alzo worden in de doop de smetten der ziel afgewassen en weggenomen, en wel door de kracht van het bloed van Christus, dat wij dan door de werking, des Heilige Geestes genieten en deelachtig worden. Daarenboven is de doop een teken van een gedurige afsterving, die in ons gevonden moet worden, want gelijk het water in kleine hoeveelheid en slechts gedurende enige ogenblikken op het hoofd gestort wordt, opdat men niet zou verdrinken, alzo betekent dit het afsterven van het vorige leven, opdat wij weer een nieuw leven zouden beginnen en leiden. De doop moet men ieder toedienen, zowel de kinderen als de volwassenen en bejaarden, die de naam van christen willen dragen. Ik zeg, volwassenen en bejaarden mensen, die in hun kindsheid niet zijn gedoopt, en die men dan dopen moet, als zij tot het christelijk geloof overgaan. En willen zij de doop niet ontvangen, nadat zij daartoe bekwaam zijn, zo zullen zij, als verachters der heilige instellingen van God, nimmer het koninkrijk der hemelen beërven. Zo ook de kinderen der gelovigen, al bezitten ze het geloof niet, dat zich krachtig in daden betoont, noch zaken, die men behoort te geloven, zo moet men hen nochtans, om hun leeftijd, tot de doop brengen in het geloof der ouders, want door de kracht van Gods beloften en betuigingen behoren zij Hem toe. Aangaande de kinderen, die zonder gedoopt te zijn sterven, van welke de ouders beiden, of een van beiden, gelovig zijn, geloof ik, dat ook de kinderen Gode toebehoren, en niet in het voorportaal der hel komen, zoals men tot nu toe dacht, want Gods genade is aan het sacrament niet gebonden, alsof zij zonder de doop Hem niet zouden toebehoren, in zoverre zij zulke kinderen zijn, die het sacrament kunnen ontvangen.

Aangaande de beloften vroegen zij mij of een christen enige belofte mocht afleggen, en zich met een belofte onder eedzwering tot het een of ander verbinden. Ik antwoordde, dat een christen zodanige beloften mag afleggen, die hij weet dat Gode aangenaam en in zijn eigen macht zijn, en anders niet. En, daar ik bespeurde, dat zij mij inzonderheid aangaande de beloften der monniken ondervroegen, zei ik, dat een mens geen eeuwige armoede of gehoorzaamheid mag beloven, veel minder dan eeuwige reinheid. Daarom behoren zij, die zulke beloften hebben afgelegd, God vergiffenis te vragen, en waar zij tot een ander leven worden geroepen dan waarvoor zij belofte hadden afgelegd, mogen zij dat aanvaarden, zonder enige wroeging van hun geweten, dat zich wegens de vorige belofte ook bezwaard zou kunnen gevoelen. Het is wel waar, dat men zulke belofte voor een zekere tijd mag doen en houden moet, doch niet voor eeuwig.

Aangaande de biecht antwoordde ik, dat ik elke dag en aan alle plaatsen voor mijn God en ook voor de mensen beleed, dat ik een ellendig zondaar ben, die dagelijks de veroordeling verdien, behalve als mij Gods genade door Christus gegeven werd, aldus moet ik mijn boosheid en zonden voor God biechten en Hem vergeving vragen. Van zulk een biecht is de Schrift vol, en deze hebben de Profeten en Apostelen en alle andere godvruchtige dienaren van God afgelegd. Maar wat de mens aangaat, wanneer ik mijn naaste door woorden of werken vertoornd heb, zo behoor ik voor hem mijn schuld te belijden, opdat ik met hem en hij met mij verzoend worde, en alle haat en vijandschap afgelegd en de goede vriendschap behouden worde. Er is nog een andere manier van biechten, dat men doet in raad te vragen betreffende zulke zaken, die de benauwde en bezwaarde gewetens betreffen, zoals wanneer ook iemand twijfelt omtrent enige zaken, waarmee zijn geweten gedrukt is, hoewel hij de barmhartigheid van God erkent in Zijn belofte; want, ofschoon hij die in het algemeen opmerkt, zo past hij die niet eigenlijk op zichzelf toe, die in zulk een bekommering verkeert; in dat geval zal hij wijs handelen, dat hij een wijzen en verstandigen man zoekt, aan wie hij zijn zaak kan openbaren, de beklemdheid van zijn hart te kennen geven, en hem raad vragen. Dan behoort hij, aan wie raad gevraagd wordt, de woorden der Schrift, die ieder in het bijzonder op Gods barmhartigheid wijzen, voor te houden, waarmee hij de ander kan vertroosten en van alle onrust bevrijden. Zulk een biecht is zeer aan te prijzen als een goddelijke, waaruit ook de oorbiecht baren oorsprong had; want die geschiedde in het geheim en tussen twee personen, zoals deze willen dat de oorbiecht moet plaats hebben, die niet van God afkomstig is, noch door de getuigenis der Heilige Schrift bevestigd; want de Heere eist zulk een opsomming van de zonden eens mensen niet, en kan ook niet plaats hebben, zoals de Profeet David genoegzaam aantoont, als hij zegt: Heere, wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen [afdwalingen]!" Nochtans gebiedt de paus, met bedreiging van doodzonde, dit ten minste eenmaal 's jaars. Daarom verwerp ik zulk een biecht, die als een hel is voor het geweten, en als een diepe poel bevonden is, om die arme zielen te verslinden en te versmachten.

Daarenboven vroegen zij mij, hoe ik over de maagd Maria dacht, of ik geloofde, dat zij, maagd zijnde, haar zoon heeft gebaard, en daarna maagd gebleven is. Ik antwoordde met het artikel van het geloof: "ik geloof dat Hij ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, en ik geloof dat maagd gebleven is. Toen zei Dr. Hasart als een grof onwetend mens: "Wat beweegt u daartoe om Maria als maagd te erkennen, daar er nochtans geen plaats in de Schrift is, waarmee men dit kan bewijzen?” Hierop antwoordde ik, dat ik zulks duidelijk en klaar daar had gevonden; want er is geschreven, dat Jozef haar niet bekende, totdat zij haren eerstgeboren zoon baarde. Hij zweeg toen, en sprak verder niets meer. Nog aangaande vele andere dingen ondervroegen zij mij, maar de bovenstaande zijn de voornaamste, die wel genoeg zullen zijn. Des Vrijdags kwamen de leraren M. Fiablus en M. Aventmus, benevens Dr. Hasart, uit de Domkerk. Deze poogden mij voor een ketter te verklaren, vooral wat het leerstuk van de mis betrof. Ik twijfelde ook niet, of zij verlangden dat vooral ongeschonden te houden, want het bevoordeelt de keuken, en levert vele voordelen op. Doch door de genade des Heeren koude de raad en de rechter wel bemerken, dat ik niet stom of zonder woorden was, want ik gaf hun in het geheel niets toe. Wat men van ben zeggen kon, heb ik, buiten hun bedoeling, in het openbaar en vrijmoedig aan het licht gebracht. Toen zij tot mij kwamen, heb ik hen hard genoeg aangesproken. En mocht ik, door vrijmoedigheid in mijn woorden, de christelijke betamelijkheid overtreden hebben, dan bid ik de Heere, dat Hij mij dit vergeve. De liefde en de ijver tot Zijn eer en Woord gaven mij daartoe moed, en drongen er mij toe, en wel in de tegenwoordigheid van de overheid. Dit heeft sommigen verblijd en anderen geërgerd, zodat zij spijtig van mij heengingen. Maar dit ontzet mij niet, want ik ben niet beter dan mijn Heere, Meester en Hoofd Jezus Christus. Gij, mijn zuster, en al onze broeders, bidt onze allerbeste Vader, door Jezus Christus Zijn Zoon, dat Hij mij door Zijn Heilige Geest versterkt in de waarheid, en mij geve de wasdom des geloofs en der hemelse goederen. Ik zal, zoals het mij betaamt, voor de gehele gemeente bidden, en bovenal voor u en Margaretha, mijn goede zuster. De Heere mag haar goedheid, die zij mij beeft bewezen en nog bewijst, gedenken."

Deze vrome getuige en martelaar van Jezus Christus schreef ook enige andere brieven vol Evangelische vertroosting, die wel waardig zijn gelezen te worden, doch om der beknoptheid wil zullen wij die niet meedelen.

Terwijl hij nog in de gevangenis vertoefde, werden er nog sommige anderen, die mede om het Evangelie en de christelijke waarheid gevangen waren, ter dood veroordeeld en levend verbrand, aangaande wie Petrus zei, dat hij niets beters wachtte dan zijn broeders en medegevangenen wedervaren was. Aldus werd hij, onder volstandige belijdenis der leer, die hij onderwezen en gepredikt had, nadat hij vier maanden in de gevangenis had doorgebracht, veroordeeld om levend verbrand te worden. Die dood onderging hij zeerstandvastig, om de naam van Jezus Christus, op de 17e Februari 1515.

 

Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der Poele en de vrouw van Jan de Bock

 

[Jaar 1545.]

 

Te Gent in Vlaanderen, woonde een welgesteld man, viskoper van beroep, die de wereldse genietingen najaagde en liefhad, en ook door de wereld werd bemind en geacht. Hij was een grote dronkaard, dobbelaar en speler en ook door onwetendheid een vijand van de Evangelische waarheid, waarnaar hij niet horen wilde of die verdragen kon, zoals dit met vleselijke mensen het geval is. Op zekere tijd, toen in genoemde stad een predikant predikte, en een groten toeloop had, omdat het scheen, dat hij de waarheid verkondigde, had ook Maarten Huerblok zijn predikatie bijgewoond. Een goed en godvruchtig man sprak hem aan, en vroeg hem, wat hij van zulk een prediking dacht, en wat hij daarvan had verstaan. Toen hij niets daarop kon antwoorden, raadde een andere vriend hem aan, dat hij hem nogmaals moest gaan horen, beter op zijn woorden letten, en de Heere vurig, en ernstig bidden, dat hij daaruit wat mocht opzamelen, "en ik," zei hij, "zal ook de Heere voor u bidden." Nadat hij hem dikwerf had gehoord en geen lust noch smaak tot de goede zaak kreeg, vroeg zijn vriend hem of hij ook bad tot de Heere. Hij antwoordde: "Wat zou ik bidden? Ik weet niet, waarmee u mij plaagt." Op aanhoudende vermaning van zijn vriend bad hij de Heere, dat hij toch nut mocht trekken uit de prediking wat de Heere hem ook verleende. Toen hij namelijk op zekere tijd hoorde, dat de dronkaards het koninkrijk Gods niet beërven zullen, nam hij dit zeer ter harte, en begon met zijn vriend over zulke en andere zaken te spreken. En, aangezien hij inzag, dat het gezelschap, waarmee hij gewoon was om te gaan, hem zeer hinderde om een godzalig leven te leiden, verliet hij gedurende drie maanden die stad, en bezocht enige godzalige broeders, die hem in alles onderwezen, en hem leerden, hoe hij zich behoorde te gedragen.

Bij zijn terugkomst leidde hij een christelijk leven, en onthield zich van alle pauselijke bijgelovigheden en afgoderij, bezocht de armen, en deelde hun op milde wijze van zijn goederen. Die om de waarheid gevangen zaten vertroostte hij, ja volgde hen door een godzalige vrijmoedigheid met goede vermaningen uit de Schrift tot bij het schavot, en versterkte en vertroostte hen alzo in het openbaar voor het oog van ieder met Gods Woord.

De parochiepriester der gemeente ontbood hem eens, en raadde hem, dat hij de bediening van het sacrament zou bijwonen. Hij antwoordde, dat hij dit wel begeerde, en verzocht de parochiepriester, dat hij het dan zou bedienen naar het bevel van Jezus Christus. De priester antwoordde, dat hij dit niet zou durven doen, en verzocht hem andermaal, dat hij genoegen wilde nemen het zo te ontvangen als de andere lieden.

Toen Maarten Huerblok meer en meer bekend werd, kwamen tot hem allen, die de Heere lief hadden, en overlegden samen, hoe men het best onder dit boos en afgodisch geslacht zonder enige besmetting zou kunnen leven. En, toen sommigen beweerden, dat men wel vrij volgens het geloof zou kunnen leven, zonder vervolging te lijden, antwoordde Maarten: "Ja, dat is wel waar, in zoverre men Christus niet wil belijden, want die belijdenis heeft gevolgen. Maar bedenkt ook wat Christus zegt: "Wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemelen [is]."

Eindelijk begon dit de dienaren van de antichrist, de monniken en priesters te hinderen. En, daar zij wilden zorgen, dat hun koophandel niet zou verlopen, wisten zij het zover te brengen, dat Maarten Huerblok gevangen werd gezet. Terstond ondervroeg men hem, wie tot zijn aanhangers behoorden, en poogde dit met smekingen en bedreigingen te vernemen. Doch hij zei, dat het geen broederlijke liefde kon heten, om iemand te verraden of te verklappen, daar toch het leven er mee gemoeid was.

Toen hem door de monniken gevraagd werd, hoe hij dacht over het sacrament des altaars, antwoordde hij: "Wanneer het volgens uw verordening wordt voorgesteld, is het niet anders dan een gebakken God." Zij herhaalden hun vraag, en voegden er bij: "Gelooft gij dan niet, dat het lichaam van Jezus Christus in de handen des priesters is als hij de mis bedient?" Maarten antwoordde, dat Jezus Christus door de geestelijke dienaren op aarde zo slecht is behandeld geworden, dat men Hem hier tevergeefs zou zoeken.

Op deze wijze ging Maarten voort te betogen hoe de christenen door het geloof het lichaam en bloed van Jezus Christus deelachtig worden, en dat het brood brood bleef en de wijn wijn en dat men ook de beide zaken brood en wijn behoorde te ontvangen. Wanneer het brood en de wijn zodanig blijven, zeiden de monniken, "waarom maakt gij dan zoveel drukte, om dat in beide gestalten te ontvangen?" Maarten antwoordde: "Al blijven zij in hun wezen, zij zijn nochtans voor de gelovigen, die het volgens de instelling van Christus ontvangen, heilige tekenen, van grote verborgenheid; en men behoort die te ontvangen, zoals Christus die heeft ingesteld, namelijk in beiderlei gestalten. Niemand behoort zo vermetel te zijn, om het bevel van Jezus Christus te veranderen, dat is, om er iets af of bij te doen, want Christus, Die de wijsheid des Vaders is, wist wel, wat Hij deed; en door Zijn kennis zag Hij wel de willekeurigheid, die deze leraren opnieuw in hun kerk invoeren."

Eindelijk, nadat hij bij herhaling op de pijnbank was en gemarteld was geworden, vooral om zijn broeders te verklappen, en men die van hem niet te weten kort komen, werd hij, op de 8e Mei, voor de vierschaar van de raad van Vlaanderen in de genoemde stad Gent geleid. En, omdat hij dikwerf met verscheidene personen een samenkomst gehouden had, en verkeerde gevoelens koesterde omtrent de majesteit van het sacrament, van het vagevuur, van de voorbidding voor de doden, en omdat hij dikwerf vermaand was, maar niets wilde laten varen, noch van gevoelen veranderen, werd het vonnis over hem uitgesproken, dat hij op de plaats, Verlen genaamd, levend zou verbrand worden.

Op de weg naar de gerichtsplaats zei hij: "Al is het vlees krank, de geest is bereid." Er was een monnik, broeder Lieven Stoop geheten, die hem tot herroeping aanmaande. Doch toen Maarten dit op vrome wijze weigerde, zei de monnik: “Ga dan van dit vuur in het eeuwige vuur." Maar hij leed alles geduldig, daar hij wist, dat God niet oordeelt zoals de mensen. Aldus stierf hij vroom en standvastig voor de waarheid, en werd tot as verbrand, op de 8e Mei, in het jaar onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus 1545.

Op de andere dag, 9 mei, werden om dezelfde oorzaak te Gent onthoofd Jan de Bock en Nikolaas van der Poele, terwijl de vrouw van Jan de Bock levend werd begraven. Alzo hebben deze de waarheid met de dood bezegeld.

 

Jan Michiel

 

[JAAR 1545.]

 

Omstreeks dezelfde tijd strooide Jan Michiel, die vroeger een Benedictijner monnik te Bourges was geweest, doch sinds het jaar 1534, lust tot de zuivere leer had verkregen, het zaad des goddelijke Woords in de harten van vele mensen. Aangezien hij een leraar in de Heilige Schrift was, moest hij iedere Zondag in de parochiekerk, Fourchaux genaamd, waar een grote toeloop van mensen plaats had, prediken. Toen daar de waarheid meer en meer wortelen schoot, reisde hij naar Zwitserland, om de gemeenten daar te bezoeken, waar hij volkomen in de zuivere leer versterkt en bevestigd werd. Ook deed hij een reis naar Avignon, om met de Joden over de Hebreeuwse taal te spreken. Op zijn terugreis werd hij te Berry ontdekt, gevangen genomen, veroordeeld en naar Parijs overgebracht, waar eindelijk zijn vonnis op het ernstig aandringen van de president Liset door het parlement werd bekrachtigd. Nadat hij op de gerichtsplaats een heerlijk gebed gedaan en het gehele volk door zijn standvastigheid zeer bewogen had, werd hij in de avond van het Kerstfeest verbrand. Enige maanden vroeger was er ook verbrand een zeer jonge student, en wel op aandringen der monniken van St. Sulpitius.

In die tijd bevonden zich te Angers vijf getuigen van Jezus Christus, te weten: Franciscus Fardean, Simon le Rogier, Jean de Vignole, Dionysius Saureau en Wil de Rev. Door oogluiking van de bisschop Johannes Olivery, hielden zij met de gemeente te Angers in het geheim bijeenkomsten. Toen dit echter bekend werd, moesten deze vijf martelaren de goddelijke waarheid met hun bloed en zalig sterven bevestigen, ten gevolge van welke dood, als uit een heilig zaad, later vele honderden vrome christenen voortkwamen.

 

Jakobus Chobard geeft aan zijn moeder in de gevangenis zijn schriftelijke belijdenis om aan de rechter te overhandigen

 

[JAAR 1545.]

 

In het jaar 1565 werden er in de stad Michel, in het hertogdom Bar in Lotharingen, zeer vele gelovige christenen gevangen genomen, terwijl sommigen ontvluchtten. Dit geschiedde, omdat zij met elkaar samenkomsten hielden, om de Heilige Schrift te lezen en te spreken, over de wil van de almachtige en eeuwige God. Onder hen bevond zich ook de onderwijzer der stad, Jakobus Chobard genaamd, die met drie mispriesters had gesproken en geredetwist over de sacramenten. Hij beweerde zeer sterk, dat de sacramenten namelijk de doop en het avondmaal des Heeren, niemand baten konden dan die deze door het geloof ontvangen. De priesters vatten dit aldus op, dat hun missen levenden noch doden helpen konden of ergens toe dienden.

Hij werd aldus door hen beschuldigd, en in de gevangenis geworpen, waar hij gedurende veertien of vijftien weken zijn gevoelens met redenen en getuigenissen der goddelijke Schrift standvastig voorstond en beschermde.

Toen men hem tot herroeping opwekte, en beloofde, dat hij en de andere gevangenen, wanneer zij boete deden of berouw toonden, vrij zouden zijn, bezweek hij niet, maar nam te vrijmoediger en vuriger de zaak ter harte, zodat hij later de belijdenis van zijn geloof zeer duidelijk en uitvoerig op schrift stelde. Hij gaf die aan zijn moeder over, teneinde die aan de rechter ter hand te stellen, maar wenste dat zij die aan niemand anders overgaf. De eenvoudige onkundige vrouw, die niet wist, wat zij deed, overhandigde de belijdenis aan de rechter, die deze uit vijandschap aan de hertog van Lotharingen, Franciscus, toezond, op wiens bevel en vonnis Chobard veroordeeld werd om levend verbrand te worden. Zonder uitstel en ook zonder de zaak naar behoren nauwkeurig onderzocht te hebben, werd het vonnis, door de hertog geveld, door de rechter ten uitvoer gebracht.

Toen Chobard naar de strafplaats werd geleid, begon hij het volk, dat hem volgde, te vermanen en te onderwijzen. De onderrechter, die ook provoost genoemd werd, beval hem te zwijgen, en zei, dat zij, die daar tegenwoordig waren, de geboden en leringen beter kenden dan hij, en dreigde hem, wanneer hij niet ophield of wilde zwijgen, dat hij hem de tong zou laten uitsnijden. Chobard sprak dan ook daarna niet meer; alleen hield hij zich bezig met God aan te roepen, te bidden en bij herhaling de woorden uit te spreken: "Mijn God, ontferm U mijner; mijn God, ontferm U over uw getuige en martelaar."

Daarna werd hij, zonder enige beweging van zijn lichaam zachtmoedig als een lam levend verbrand. Na zijn dood werd hij door vele lieden, ook door enigen uit de raad, beklaagd, dat hij, als de goede, geleerde en godvruchtige man, zo onschuldig was omgebracht, zodat de overheid beval, dat niemand zeggen moest, dat hij als een godzalig christen de dood ondergaan had, maar wel als een ketter en boos mens.

 

Adam van Metz

 

[JAAR 1545.]

 

In het jaar 1545 trok een groot aantal krijgslieden de stad Metz binnen. Slechts enkele voorname inwoners wisten van hun komst. Zij kwamen daar, om de brave lieden, die zich daar, ofschoon klein in aantal, bevonden, om het Woord Gods te horen, te overvallen en te overweldigen. Zij werden onverwacht overvallen, en waren ongewapend, daar zij aan geen vijanden gedacht hadden, zodat het zich liet aanzien, dat zij allen zouden gedood worden. Naar het oordeel van alle mensen had dit ook gemakkelijk kunnen geschieden, want de vijanden stelden zich tegen die kleinen hoop als woedenden en razenden aan. Dit zal blijken uit het verhaal van wat zij aan een oude man deden, die stil in de straat stond zonder enige stok of wapen, zoals ook het merendeel der inwoners ongewapend was. Intussen geschiedde het, dat een der inwoners aan de krijgslieden te kennen gaf, dat deze Adam het Evangelie was toegedaan, zoals men dit ook omtrent anderen meedeelde. Toen men tegen hem schreeuwde: "Deze zijn ketterse honden," liep een deugniet naar deze oude man en zei: "Leg aan, leg aan." Deze brave man antwoordde alleen: "Wat wilt gij van mij?" Terstond werd een geweer op hem afgeschoten, welk schot de braven oude man in de buik trof. Hij gevoelde, dat hij gekwetst was, waarom hij in de grootste jammer uitriep: "O mijn God, help mij!” De deugniet keerde zijn geweer om en zei: "Zo schelm! gij roept uw God aan, maar Hij zal u niet helpen," en gaf hem tevens een slag met de kolf van het geweer, zodat de ongelukkige ter aarde stortte. Terstond liet een ruiter zijn paard het lichaam van de verslagen man vertreden. Deze Adam, die nog niet dood was, begon God, terwijl hij daar lag, aan te roepen, doch stierf spoedig daarna. Dit bewijst, dat het toen niet geoorloofd was over God te spreken anders dan lasterende. Wel werd het toegestaan over alle helse vijanden te spreken, want zij gaven voor, dat zij de hemel verdienden, wanneer zij allen ombrachten, die de paus niet aanbaden. Aldus gedragen zij zich, die de antichrist dienen; zij zoeken alles te vernielen, wat goddelijk is, zoals alle ware christenen integendeel alles doen om, wat verkeerd is, ten goede te verbeteren. Doch de monniken en hun aanhangers, die zich beijverd hebben om deze vervolging te bevorderen, zijn er nog niet en het einde van hun kwade voornemens is nog niet daar, doch hiernamaals zullen zij gewaar worden wat hun bereid is. Mag de Heere echter hun de ogen openen en hun harten bewegen, vooral hun, die door onwetendheid zondigen, opdat zij met de anderen niet veroordeeld worden.

 

Pieter Chapot

 

[JAAR 1515.]

 

Pieter Chapot, geboren in Dauphiné, was een geleerde, jongeman, die in deze hachelijke en gevaarvolle tijd ook tot het volk des Heeren geroepen werd. Hij verliet zijn woonplaats Genève, om een reis te doen in Frankrijk, en hield zich enige tijd bij een boekdrukker te Parijs op, om de drukproeven na te zien der boeken, die daar gedrukt werden. Terwijl hij daar was, betuigde hij dikwerf, in tegenwoordigheid van enige geloofwaardige lieden, dat hij bereid was, om te lijden voor de naam van onze Heere Jezus Christus, wanneer de nood dit vereiste, wat hem God ook liet overkomen. Om tot het verhaal van hem te komen, moet men weten dat hij enige boeken van Genève liet komen, om door het lezen daarvan de kerk van God enig nut aan te brengen, voor hen die enige begeerte toonden, en behoefte hadden, om zich door behulp van deze boeken te laten onderwijzen. De grote ijver, die hij daarbij toonde, was oorzaak, dat hij in handen kwam van zekere Jan Andries, boekverkoper aan het hof van Parijs, die langs geheime wegen zijn best deed, om de kopers en de verkopers der boeken te betrappen. Hij deed dit, omdat hij daartoe omgekocht was door de president Liset en door de leden van de Sorbonne te Parijs. Eindelijk werd hij overvallen en gestraft door een rechtvaardig oordeel van God, en wel door een beroerte, tengevolge waarvan hij op het veld stierf, zonder berouw of belijdenis van zijn bedreven misdaden. Toen Chapot nu gevangen werd gezet, wat door de commissaris van de kamer te Parijs was bevolen, en wel in de vakantietijd daar, gaf hij zeer gegronde redenen voor zijn geloof op, onder betoning van zeer uitnemende zedigheid. De raadsheren, die met de behandeling van deze zaak waren belast, voeren als razenden en dollen tegen hem en alle andere gelovige christenen uit. Zij verhoorden deze Chapot niet alleen in zijn redenen, maar gingen zover, dat zij met hem in twist geraakten in dat de tegenwoordioheid van de leraren der Sorbonne. Voor zij dit deden, had Chapot een uitvoerige rede voor hen gehouden, waarin hij in het brede aantoonde, wat het ambt was van de rechters van dit hof; te weten, dat zij zich niet door de beschuldigingen van andere personen moesten laten meeslepen in de zaken, die de godsdienst betreffen, aangezien de Heilige Schrift daarin moest oordelen en de twist beslechten, wanneer de mensen het daarin niet met elkaar eens kunnen worden. De Schrift was de ware toetssteen, waaraan men beproeven kon, of een leer van goede of valse gehalte is; en dat het hun derhalve betaamde deze toetssteen ter hand te nemen en er kennis van te hebben, voornamelijk als er spraak is om iemand van valse leringen te beschuldigen, en daarover geen oordeel te vellen naar de wil en de begeerte van andere lieden. En, indien het hun behaagde zijn leer onpartijdig door de leraren te laten onderzoeken, verzocht hij hun, om het daarbij te laten, en dat dit dan voor de raad mocht plaats hebben, want hij was van zijn goed recht verzekerd, alsmede van hun onpartijdig oordeel, en dat zij omtrent hem niets anders zouden bespeuren, en ook geen ander oordeel over hem zouden kunnen uitspreken, dan dat hij een oprecht, vroom christen was en geen ketter. Deze rede beviel de leden van het hof zeer goed. Zij lieten daarom drie leraren roepen, te weten: Mr. Nikolaas Clericus, deken van de faculteit der godgeleerdheid, Johan Hiccard en Nicolaas Maillard, gezworen vijanden der waarheid, die, in het begin dit weigerden, daar men zich aan hun mededelingen en inzichten had overgegeven, en antwoordden, dat het onbehoorlijk zou zijn, en van verkeerde gevoelens zou getuigen, indien men tegen de ketters zou redetwisten. Evenwel lieten zij zich door de goedheid van Chapot bewegen, om eindelijk met hem een gesprek te houden. Bij zijn verantwoording beriep hij zich op niets anders dan op de Heilige Schrift; terwijl zij integendeel niets anders bijbrachten dan de besluiten van kerkvergaderingen, gewoonten, bepalingen en andere beuzelachtige dingen. Doch Chapot kwam gedurig terug op de onbedrieglijke regel van Gods Woord; en hield staande, dat alle bepalingen en sluitredenen altijd behoorden gericht te worden naar de regel van Gods Woord. Hij verlangde derhalve van de rechters, dat zij alle meningen en aanzien van personen zouden laten varen, om eenvoudig onderzoek te doen naar de waarheid en oprechtheid, zonder zich daarvan door iets anders te laten aftrekken. Deze heren en leraren werden derwijze met spijt en toorn vervuld, dat zij overluid begonnen te schreeuwen en te roepen; ja, zij knarsten op de tanden, gingen vandaar weg, en verweten de leden der kamer van het parlement, dat zij door hen waren misleid, om, volgens de begeerte van een schelmse en doortrapten ketter, hen te ontbieden, teneinde in hun tegenwoordigheid te laten redetwisten over artikelen, die reeds vroeger door hen waren veroordeeld en bestraft, en bedreigde hen derhalve, om hen voor deze handelwijze ter behoorlijke plaats te zullen aanklagen. Toen Chapot hun twist en gekijf hoorde, wilde hij nog eens herinneren, wat hij reeds had voorgehouden; doch dit werd hem niet toegestaan, en wel wegens het groot gerucht en oproer, dat deze vervolgers en wijze leraren der hogeschool van Parijs verwekten, terwijl zij schuimbekten van woede en op hun borsten sloegen, tot een teken van berouw, dat zij gevoelden van zover in een twistgesprek met een ketter te zijn getreden. Nadat zij vertrokken waren, zei de beklaagde tot de heren: "Gij hebt geboord, mijn goede heren, dat deze lieden, op wie de waarheid schijnt te steunen, niets anders weten bij te brengen dan bedreigingen en geschreeuw; derhalve is het niet langer nodig u de rechtvaardigheid van mijn zaak in het licht te stellen; want deze leraren hebben mijn zaak genoeg gerechtvaardigd, daar zij mij niet hebben kunnen bewijzen, dat ik enige dwaling aankleef, noch door de Schrift, noch door enige andere voldoende redenen, die zij tegen mijn bewering konden bijbrengen.

Daarna viel Chapot op de knieën, hief de samengevouwen handen naar de hemel, en richtte zijn bede tot God bij wijze van dankzegging, en bad God, dat Hij hem Zijn genade wilde verlenen, teneinde zijn zaak te kunnen verdedigen en beschermen, en Hij het achtbaar gezelschap, dat daar verzameld was, wilde ingeven om naar waarheid te oordelen, alles tot Zijn eer. Nadat zij Chapot hadden doen wegleiden, ontstond er grote twist tussen de voorzitters en de raadsheren, waarbij zij derwijze op elkaar verbitterd waren, dat er vrees bestond voor bloedstorting; zodat Chapot enig uitzicht had om ontslagen te worden, zo niet de aanbrenger van zijn rechtsgeding, die een gezworen vijand was van hen, die de ware godsdienst waren toegedaan, met gestrengheid er op aangedrongen had, om hem te doen sterven, al ware het zoals hij zei, om geen andere reden, dan dat men verboden boeken bij hem had gevonden. Chapot werd terstond geroepen, om hem dit te vragen. Hij antwoordde, dat hij verscheidene boeken bezat, waarvan het merendeel bijbels waren, te weten de boeken des Ouden en Nieuwe Testaments, terwijl de andere beschouwingen en uitleggingen daarvan bevatten. Hij zei verder, dat zij hierop met ernst moesten letten, en wel uit vrees, dat, wanneer zij alle boeken veroordeelden, die te Genève gedrukt waren, men hen zou belasteren, dat zij de Bijbel en de Heilige Schrift zulk een haat en nijd toedroegen, welke boeken nochtans door Gods wonderbaar bestuur door alle mensen aangenomen en voor heilig, ja, zelfs door de ketters, als de onveranderlijke waarheid werden erkend. En, wanneer zij deze nu veroordeelden en verwierpen, zou men hen van onuitsprekelijke goddeloosheid beschuldigen. Wat nu verder de andere boeken betrof, hield hij staande, en erkende, dat zij uit de Bijbel geput en overeenkomstig met de leer van de kerkvaders waren. Het besluit, zijn antwoord en zijn redenen hadden derwijze op hun gewetens gewerkt, dat zij Chapot zochten los te laten; doch de onbeschaamdheid van sommigen dier leraren en de flauwhartigheid dergenen, die bevreesd waren gemaakt door de hogeschool te Parijs, bracht het zover, dat deze Chapot toch eindelijk werd veroordeeld om levend te worden verbrand. De tong zouden zij hem laten behouden, onder voorwaarde echter, dat hij tegen hun moeder de heilige kerk, niet zou spreken of haar lasteren.

Toen Chapot naar de gerechtsplaats, Maubert genaamd, geleid werd, ging de leraar van de Sorbonne, Maillard geheten, tot Chapot, en hield hem onafgebroken gezelschap, daar hij vreesde aangezien Chapot het gehele hof tengevolge van zijn toespraken in verdeeldheid had gebracht, dat het volk ook daardoor oproerig geworden was, en hij in hun handen mocht vallen. Toen Chapot op de plaats Maubert gekomen was, verzocht hij verlof om op te staan, om volgens toelating van het hof, het volk te kunnen toespreken, opdat niemand menen zou, dat men hem als een ongelovige ter dood bracht. Maillard wilde hem dit beletten, behalve als Chapot woorden zou spreken, die Maillard hem zou voorzeggen. Chapot bad hem, dit niet te willen beletten, omdat het slechts een uur geleden was, dat hij zelf in de kapel bekend had, dat zijn leer de zuivere en ware leer der zaligheid was. Maillard antwoordde, dat er redenen bestonden, waarom men het volk die niet moest inscherpen. Toen hij nu door twee mannen op de kar gezet werd begon hij, zijn hoofd naar alle richtingen wendende, het volk aldus aan te spreken: "0 christenmensen! o christenmensen!" Toen hij wilde voortgaan, overviel hem een flauwte, die hem slechts toeliet met een zwakke stem en de ogen naar de hemel geslagen te bidden: "Heere God, hemelse Vader, geef mij sterkte en moed, die ik altijd van U begeerd en afgebeden heb,opdat ik de mensen rekenschap mag geven en belijdenis afleggen van mijn geloof, teneinde zij mogen weten en erkennen, dat ik geen ketter ben, maar in alle opzichten en artikelen overeenstem met de ware christelijke kerk." Daarop verhief hij weer vrijmoedig zijn stem en zei: "0 christenmensen, ofschoon gijlieden ziet, dat men mij hier ter dood wil brengen als een kwaaddoener, en, ofschoon ik mij voor God aan alle zonden schuldig ken, zo is het voor u allen kennelijk, dat ik nu bereid ben als een oprecht christen te sterven, vast gelovende in God de Vader, de almachtige Schepper van de hemel en der aarde. Ik lierhaal het, in God, Die het begin en de oorsprong van alle dingen is, en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere, Die de eeuwige wijsheid is van voor de grondlegging der wereld, door Wie alle dingen zijn gemaakt in de hemel en op de aarde, Die door Zijn lijden en sterven ons verlost heeft van de slavernij des eeuwige doods, waarin wij bedolven lagen door de val en de ongehoorzaamheid van Adam en Eva. Ik geloof ook, dat Hij ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria." Daar hij nog verder wilde voortgaan, viel Maillard hem in de rede en zei: Mr. Pieter, het is juist op deze wijze, dat gij voor het volk vergiffenis moet verkrijgen van de maagd Maria, die gij zo zwaar vertoornd hebt zonder verder iets meet, te zeggen of te prediken; denk veeleer aan uw geweten. Daarop antwoordde Chapot: "Mijnheer, ik bid u, laat mij spreken, want ik zal niets zeggen, wat een christen onbetamelijk is. Aangaande de maagd Maria heb ik niets miszegd en ik zou ook niet willen, dat ik haar had vertoornd." Maillard antwoordde daarop: "Toch moet gij haar aanbidden, of anders zult gij levend worden verbrand." Chapot keerde zich wedernaar het volk, en vervolgde met de twaalf artikelen des christelijken geloofs, bewees dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest niet meer waren dan één God, onderscheiden in drie personen, die wij alleen moeten aanbidden door Jezus Christus, Zijn Zoon, onze Heere. En, aangezien deze valse handhaver van de maagd Maria hem onophoudelijk bemoeilijkte en lastig viel, betuigde hij aangaande het artikel: "geboren uit de maagd Maria," dat hij het altijd voor zeker en gewis had gehouden, en tot zijn dood toe zou belijden, dat zij maagd was voor, in en na de bevalling, en achtte haar zeer gelukkig onder alle heiligen, daar zij de vrucht van onze Verlosser gedragen had, die is Jezus Christus, onze Zaligmaker en onze Gezalfde. Terwijl hij nu verder wilde spreken over het artikel van het nachtmaal, en het onderscheid tussen de roomse mis en het nachtmaal des Heeren, werd hij in het spreken verhinderd, terwijl er gemor ontstond onder de leden van de Sorbonne. Men haastte zich, om hem zo spoedig mogelijk ter dood te brengen. Terwijl men hem ontkleedde, richtte hij met een ijverig gemoed zijn gebed tot God, en bad voor zijn rechters, die hem ter dood hadden veroordeeld. Maillard zei, dat hij daaraan weldeed, aangezien hij de maagd Maria als zijn voorspraak zo weinig had geacht. Toen Chapot ontkleed, omhoog getrokken en verheven was, sprak Maillard andermaal: "Zeg maar eens het "Ave Maria" op, en gij zult verwurgd worden." Dit was toen de grootste gunst, die zij betoonden aan hen, die God wilden verloochenen. Doch Chapot riep onophoudelijk: "Heere Jezus, Davids Zoon, ontferm U mijner”. En, aangezien Maillard hem zeer ruw duwde, verontschuldigde hij zich en zei: Kunt gij van mij vergen, dat ik zal spreken, terwijl ik met dit touw worden gewurgd?" Daarop zei Maillard: "Spreek alleen, Jezus Maria," of men zal u anders levend verbranden. Sommigen zeggen, dat hem in de benauwdheid der pijn de woorden “Jezus Maria" uit de mond vielen, maar dat hij terstond daarop zei: "0 Heere wat heb ik gedaan? Vergeef het mij! 0 Heere, U alleen komt de eer toe." Maillard liet daarop het touw dichter toetrekken en hem verworgen; nochtans gevoelde hij de vlammen en de hitte van het vuur.

Terstond nadat dit afgelopen was, ging Maillard bij de kamer van het parlement zijn beklag doen over het verkeerde, dat men vreesde veroorzaakt te zijn door de toespraken, die Chapot in het openbaar gehouden had. Hij had hem, ten gevolge van hun vroegere toelating, waarover groot gemor ontstond, niet kunnen beletten te spreken, maar, indien men dit in het vervolg ook aan anderen zou toestaan, zou de goede zaak ten enenmale tenietgaan. Hij viel eindelijk het hof in deze zaak zo moeilijk, dat er besloten werd, de martelaren bij het verlaten van de gevangenis de tong uit te snijden, zoals gebruikelijk was, zonder enig aanzien van personen, opdat het volk door hun toespraken niet zou verleid worden. Na die tijd werd deze wreedheid gestreng toegepast, tenzij iemand de leer van het Evangelie herriep. Die zou worden vergund de tong te behouden, opdat de dwaling voor het volk zou kunnen herroepen worden.

 

Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te Doornik

 

[JAAR 1545.]

 

Tijdens de vervolging, in het jaar 1545 5, werd zekere Adriaan, kleermaker van beroep, met Marion, zijn vrouw, om de waarheid van het evangelie, gevangen genomen. Doch het uiteinde van beiden was zeer ongelijk, want Adriaan herriep uit zwakheid zijn gevoelens, en werd zeer kort na zijn gevangenschap, op bevel van de keizer, onthoofd, terwijl zijn vrouw integendeel volstandig bleef, en door haar standvastigheid een zeer goed voorbeeld was voor alle gelovigen te Doornik. Hoewel de vijanden der waarheid haar door allerlei middelen zochten wankelmoedig te maken, en haar mededeelden, dat haar man berouw had betoond, konden zij haar niet bewegen, en gaf zij hun geen geloof, doch trachtte steeds de waarheid voor te staan, en gaf te kennen, dat zij geen martelingen of de dood vreesde, waarmee de rechters haar ten strengste bedreigden. Terwijl zij dat van haar zagen, werd zij veroordeeld, om levend begraven te worden. Toen men haar naar de strafplaats leidde op de grote markt van de stad, hield zij niet op het volk te vermanen, en tot God te bidden voor hen, die nog in verblindheid en onwetendheid verkeerden. Toen zij voorbij de gevangenis, het Belfroy genaamd, ging, waar zij dacht, dat haar man nog gevangen zat, riep zij met luider stem: "Gegroet Adriaan, ik ga naar een ander bruiloftsfeest." Toen zij het schavot beklommen had, zag zij de aarde, de kisten andere voorwerpen liggen, die voor haar gereed gemaakt waren, wat haar echter geen vrees aanjoeg, maar zij sprak met een blijmoedig gelaat en een moedig hart tot hen, die met haar op het schavot stonden: “Is dit de pastij, die gijlieden voor mij gereed hebt gemaakt?" Waarmee zij zinspeelde op de vorm van het holle stuk hout, waarin haar lichaam zou worden gelegd als in een pastij, want het was gemaakt in de vorm van een doodkist, in lengte en breedte geschikt om er een geheel volwassen mens in te kunnen leggen. En, opdat het lichaam van boven wel gesloten zou kunnen worden, waren er drie ijzeren stangen dwars doorgebracht, de een op de hoogte van de borst, de andere in het midden en de derde beneden op de een. Toen deze goede beklagenswaardige vrouw in de kist gelegd was, moest de beul veel geweld plegen voor hij de ijzeren stang in het midden over haar lichaam kon doorschuiven, om alles goed te verzekeren eer men de aarde op haar wierp. Aan het einde van deze kist bevond zich ter hoogte van het hoofd een gat, waar de beul een strop doortrok om haar te verworgen, dat men onder het schavot zou toetrekken, zodra het lichaam met aarde zou bedekt worden. Als Marion in de kist uitgestrekt lag, ingesloten door de ijzeren stangen, zoals gezegd is, zag zij gedurig op naar de hemel, en richtte haar gebed tot God, totdat zij met de strop, die onder het schavot werd toegetrokken, was geworgd. Toen het aangezicht en het lichaam van deze deugdzame vrouw met aarde bedekt waren, eindigde zij onder schrikkelijke pijnigingen haar leven en martelaarschap.

 

Rochus, een Brabander

 

[JAAR 1545.]

 

Rochus, uit Brabant, was een bekwaam beeldhouwer, en gedroeg zich in zijn leven en wandel eerlijk en oprecht. In het jaar 1545 woonde hij in Spanje en wel in de stad St. Lukas, niet ver van Sevilla. Toen God de Heere hem de waarheid enigermate had geopenbaard, begon hem zijn ambacht tegen te staan. Het hinderde hem, dat hij de afgoderij en het bijgeloof door zijn arbeid bevorderde. Hij maakte toen enige kunststukken uit liefhebberij. Eens tijd had hij een kunstig houten Mariabeeld gebeeldhouwd, en dat in zijn werkplaats opgericht. Op zekere tijd ging daar een inquisiteur voorbij, die hem vroeg, voor hoeveel hij dat Mariabeeld wilde afstaan. De beeldhouwer noemde hem de prijs, doch de inquisiteur bood hem nauwelijks de helft daarvoor. Rochus zei, dat, wanneer hij het voor die prijs gaf, hij er nauwelijks zout aan zou verdiend hebben, toen hij daaraan werkte. De inquisiteur zei: “Ik geef er niet meer voor; gij kunt het mij voor dat geld wel afstaan." Rochus antwoordde: "Gij zult het hebben, indien gij mij betaalt, wat billijk is; doch liever sla ik het aan stukken dan het te geven voor het geld, dat gij mij geboden hebt." De inquisiteur zei: "Eilieve, laat zien, bekijk het eens, en sla het in stukken." Toen greep Rochus een stuk gereedschap, wierp dat op het Mariabeeld, zodat het gezicht van het beeld enigermate werd beschadigd. Om die reden werd hij terstond in de gevangenis gebracht, alsof hij een grote misdaad bedreven had. Maar hij zei: “Hoe, mag ik met mijn werk niet doen, wat ik wil? Mag, ik dat niet maken en veranderen naar mijn goeddunken? Het was niet naar mijn zin gemaakt." Geen verontschuldiging hielp echter, men wilde niet naar hem horen.

Drie dagen daarna werd hij als een ketter veroordeeld om levend verbrand te worden. En onder het volk liep het gerucht, dat hij verbrand zou worden, omdat hij de maagd Maria had beschadigd. Toen hij naar de brandstapel gebracht werd, riep hij met luider stern, en vroeg, of er niemand uit Vlaanderen tegenwoordig was. Enige zeiden, dat er twee schepen in de haven lagen, die op een goede wind wachtten, om naar Vlaanderen te zeilen. Men verzocht hem vrij te zeggen, wat hij te bestellen had, terwijl men hem beloofde, dat dit getrouw zou worden uitgevoerd. Toen zei hij: "Och, helaas! niets anders heb ik te verzoeken dan mijn vader te Antwerpen te willen meedelen, dat ik in deze stad verbrand ben om geen andere reden dan gij vernomen hebt." Aldus werd de goede man verbrand.

 

Pieter Mioc

 

[JAAR 1545.]

 

Nadat Pieter Mioc enige maanden in een diepe, vochtige en stinkenden toren, onder padden en ander ongedierte had doorgebracht, werd hij in het jaar 1545 te Doornik verbrand. Toen hij voor de overheid werd gesteld, zei hij, "Lieve heren, hoe komt het toch, dat gij mij zo vijandig bent, om mij naar het leven te staan, daar toch vroeger, toen ik nog een schandelijk en goddeloos leven leidde, niemand van u een woord tot mij sprak?"

Toen hem het voorbeeld van een zijner bekenden, Bergibian genaamd, werd voorgehouden, die kort tevoren zijn gevoelens had herroepen, zei Pieter, dat men in goddelijke zaken geen mens ter wereld schuldig was te geloven dan de Heere Christus alleen.

Toen hem ook de vijanden der waarheid onophoudelijk in de rede vielen, en hem in het geheel niet wilden laten uitspreken, zei hij: Breng mij weer naar mijn padden, die mij in het bidden niet zo hinderen als gijlieden.

Toen hij aan de paal gebonden was, werd hem een zakje buskruit aan de hals gehangen; en, toen dit ontplofte en een harde slag gaf, trachtten de monniken en hun aanhangers de omstanders met een zekere gretigheid wijs te maken, dat dit de ziel van de brandende ketter was, die de duivel met zulk een gedruis weghaalde.

Wat de bovengenoemde Bergibian betreft, hij was een zeer geleerd en begaafd man, en gaf zich gewillig, zonder zich te laten weerhouden door de tranen zijner vrouw, ouders, vrienden en huisgenoten, in de handen der vervolgers over. Maar, aangezien hij de Heere verzocht had, werd hij eindelijk door, ongeduld over zijn gevangenschap, uit vrees voor de vuurdood en door het gestadig aanhouden van de roomse baalpriesters afvallig, herriep zijn gevoelens, en werd in plaats van op de brandstapel te sterven, als een, die een ketter was geweest, onthoofd.

 

Vier martelaren uit Schotland verbrand

 

[JAAR 1545.]

 

In Schotland leefden onder anderen vier lieden, met name Robert Lam, Jakob Kanald, Jakob Jager en Willem Andries. Zij waren goede bekende, kooplieden in de stad St. Jan; en, aangezien zij veel omgingen en gemeenschap hadden met Hoogduitse kooplieden, kwamen zij tot de kennis van het Evangelie. Toen zij op zekere tijd een monnik hoorden prediken, die de zuivere leer zeer lasterde, spraken zij daarover met elkaar, en beklaagden zich, dat men het Woord Gods aldus ontheiligde. De monnik bemerkte dit, sprak hen, toen de dienst geëindigd was, aan, en drong hen hem ronduit te zeggen, wat hun in zijn predikatie mishaagde. Een hunner nam het woord en zei: "Wij hebben u niet in het openbaar willen tegenspreken en in de rede vallen; maar wij bidden om Gods wil, dat gij de waarheid des Evangelies wilt prediken, en u op geen kromme wegen begeven en daartegen strijden." De monnik werd toornig, en schold hen voor ketters. Daarna ging hij heen, en klaagde hen aan bij de kardinaal van St. Andries. Deze ontbood deze mannen bij zich, ondervroeg hen, en veroordeelde hen ter dood, en wel dat zij moesten opgehangen en verwurgd worden. Hun vrouwen leverden verzoekschriften in, deden een voetval voor de kardinaal, en baden hem om het leven van haar mannen, zo zij niet in groten nood zouden komen, daar ook zij beschuldigd werden, alsof zij ketters waren, vooral een van haar, Helena genaamd, die een jong kind op haren arm aan de borst had en dat zoogde. Zij bovenal werd beschuldigd, dat zij niet geen behoorlijken eerbied van de maagd Maria gesproken had, hetwelk zij standvastig loochende, terwijl zij zei, dat zij in het Evangelie geleerd had, dat de maagd Maria, de moeder des Heeren, gezegend en zalig werd geprezen onder alle vrouwen.

Niettegenstaande dit alles, werd zij ter dood veroordeeld, terwijl de beul haar terstond het kind uit de armen scheurde, haar handen op de rug bond, en haar met de vier andere martelaars naar de strafplaats voerde. Zij overwon echter haar vrouwelijke zwakheid, hield zich dapper, en toonde de Heere Christus meer te beminnen dan haar man en haar kinderen. Toen haar man gereed stond de ladder te beklimmen, wendde zij zich tot hem, troostte hem op heerlijke en bijzondere wijze, en zei: "Goede nacht, lieve man, verwacht getroost deze smadelijke dood, en bedenk, dat Jezus Christus Gode Zijn Vader gehoorzaam is geworden tot in de dood des kruises. Het is immers een belangrijk en kostelijk woord: Wanneer wij met Hem lijden, zullen wij ook met Hem heersen." Wees daarom getroost, weldra zullen wij bij onze Zaligmaker Christus zijn." Toen zij aldus haren man had getroost, werd hij met de anderen gedood, doch zij werd naar de zee gebracht en daar verdronken. Alzo ontsliepen zij standvastig in de Heere.

In het gebied Norfolk was een martelaar, Rogier genaamd, een leek, die op bevel van de hertog van Norfolk verbrand werd, omdat hij aangaande het sacrament een zuivere en christelijke belijdenis had afgelegd.

 

Frauciscus d'Augy

 

[JAAR 1545.]

 

Toen Franciscus d'Augy weer van Genève naar Frankrijk was teruggekeerd, werd hij te Nonnay, in Vivarais, gevangen genomen, en door het parlement veroordeeld om levend verbrand te worden, zoals ook geschiedde. Met groten ijver was hij bezield, en hij heeft een heerlijke belijdenis zijns geloofs afgelegd. Toen hij in het midden der vlammen stond, hoorde men hem met luider stem roepen: "Weest getroost, lieve broeders, ik zie de hemel geopend en de Zoon Gods staan, Die mij tot Zich nemen wil." Door deze woorden werden velen van de omstanders derwijze gesterkt, dat zij hem met luider stem betuigden dat zij, zoveel God hun gaf, hun geloof zouden belijden, bij welke gelegenheid er niet veel aan ontbrak, of zij hadden hem moeten volgen. Doch in die tijd kwam niemand er door in gevaar.

 

Johannes Diazius

 

[Jaar 1540.]

 

Johannes Diazius was geboren in de stad Cuenca, gelegen op de uiterste grenzen van Spanje bij Granada boven de grenzen van het rijk Toledo. Nadat hij gedurende dertien of meer jaren aan de hogeschool te Parijs vertoefd had, reisde hij eindelijk naar Genève, om de staat en de gesteldheid der gemeenten te leren kennen, waarvan hij gehoord had, dat zij door de geleerde man, Johannes Calvijn, hervormd en door, de waarachtige en Apostolische leer gereinigd en vernieuwd waren. In deze stad sprak hij met Calvijn en andere dienaren der gemeente gedurende enige maanden over de godsdienst.

Daarna vertrok hij naar Duitsland, om ook daar de gemeenten te leren kennen, waar hij wist dat het zuivere en reine Woord van God werd gepredikt. Hij kwam eerst te Bazel, waar hij de bedienaars der gemeenten, die het bestuur over de scholen en gemeenten hadden, aansprak en vriendelijk groette. Vervolgens ging hij naar Straatsburg, waar hij zich metterwoon vestigde, aangezien hij daar vele geleerde mannen vond, bij wie hij zeer geliefd was en aangenaam verkeerde, vooral bij de geleerde man Martinus Bucer.

Toen de keizerlijke majesteit een vergadering had. bijeen geroepen te Regensburg, besloot de wijze raad van Straatsburg, ook Johannes Diazius met Martinus Bucer van stadswege daarheen te zenden. Toen zij te Regensburg waren, sprak Diazius een Spanjaard aan, Petrus Malvenda genaamd, die van roomse zijde daarheen was gezonden om aan het gesprek deel te nemen. Toen Malvenda Diazius zag, met wie hij te Parijs zeer gemeenzaam om had gegaan, was hij zeer verwonderd en zei, dat hij ternauwernood geloven kon hem met eigen ogen te zien, vooral in Duitsland en onder de protestanten, die zich meer verheffen en er mee pralen zullen, een Spanjaard tot hun gevoelens en geloof gebracht te hebben, dan tienduizend Duitsers of ontallijk vele andere lieden daartoe te hebben bekeerd. Hij vroeg aan Diazius, hoe lang hij in Duitsland gewoond had, om welke reden hij daar gekomen was, en of hij de leer van Martinus Bucer en van andere Duitsers als de ware erkende. Diazius antwoordde, dat hij omtrent zes maanden in Duitsland vertoefd had; dat hij om geen andere reden daar gekomen was dan om het land te leren kennen, en de Apostolische godsdienst, die daar weer in het leven was geroepen, oprecht te belijden, en zijn gevoelens en mening daarover met geleerde mannen te bespreken. Ja, waarlijk," zei Malvenda, "zes maanden in Duitsland te vertoeven schijnen een godvruchtig mens geen maanden, maar gehele jaren, ja zelfs eeuwen toe, zo ellendig is het om in Duitsland te wonen voor hen, die de eenheid der roomse kerk lief hebben."

Na deze eerste samenspraak ontmoette hij Diazius twee malen alleen, en redeneerde veel met hem over de godsdienst. Bij de laatste samenspraak vroeg Malvenda Diazius, waarom hij te Regensburg was gekomen. Diazius antwoordde, dat hij vanwege de stad Straatsburg was gezonden teneinde zijn gebeden te voegen bij de gebeden der kerk van Christus, en mee te werken om eenheid tot stand te helpen brengen in die artikelen, waarover het grootste geschil bestond. "Dan bent gij," zei Malvenda, "hier tevergeefs gekomen, want in deze gehele samenspraak zal er niet van gerept worden. Wilt gij echter ten algemene nut werkzaam zijn, dan behoort gij naar Trente te reizen tot de kerkvergadering, die de paus heeft bijeen geroepen, waar alle gewone geestelijken zullen samenkomen, en zich beijveren om dit doel te bevorderen."

Toen Diazius dit gehoord had, zag hij gemakkelijk in, dat de bedoeling van de priesters enkel bedrog was. Hij nam daarom afscheid van hem, en wilde later niet meer met hem spreken.

Ten gevolge van de vrijmoedigheid van Diazius, die hij in deze samenspraak had aan de dag gelegd, was Malvenda zeer op hem verbitterd. Hij begon na die tijd lagen te leggen en naar middelen om te zien, hoe hij Diazius zou kunnen ombrengen. Daar hij dit echter niet openlijk durfde te doen, begon hij dit in het geheim met opgeraapte leugens, en zond brieven naar het hof van de keizer, en wel aan een predik of Jakobijner monnik, die biechtvader was van de keizer. In deze brieven deelde hij mee, dat er te Regensburg zich een Spanjaard bevond, Johannes Diazius genaamd, die hij te Parijs gekend had als iemand, die jegens de algemene kerk gunstig gezind en een gehoorzaam kind van haar was. (De kerk noemen zij, die op de roomse grondslagen van kwade en boze lieden zelf door hen gebouwd is). Verder schreef hij, dat hij hem nu te Regensburg onder de Protestanten gevonden had, als een vijand der heilige kerk en een vriendenvoorstander der Luthersen, en dat hij dit door een openbare belijdenis bewezen had; waarom hij begeerde en bad, dat men toch dit kwaad door zeer gestrenge middelen zou tegengaan.

Deze wanhopende en bloeddorstige priesters vreesden niets anders, wanneer de zaak, die nu begonnen was, doorging, of geheel Spanje zou eindelijk de ogen openen, en de ellende, verblindheid en ook de slavernij en tirannie opmerken, waarin zij door deze bedriegers gehouden en waarmee zij betoverd werden.

Toen de monnik deze brief had gelezen, liet hij de zaak, zoals zij was. Wat hij in de zin had, wist men niet zeker. Toen nu Malvenda geen antwoord op zijn brief ontving, en daarenboven zag, dat Johannes Diazius zich van zijn aanbevolen dienst te Regensburg zeer naarstig kweet, zond hij andere brieven, veel scherper en van boos opzet getuigende, naar de monnik. Toen de biechtvader deze brieven ontving en las, stond er bij toeval een andere Spanjaard, Marquina genaamd, bij hem, die te Rome een gezaghebbend ambt bekleedde, en zich destijds, om enige gewone zaken aan het hof van de keizer bevond. Toen deze vernam, wat er aangaande Diazius geschreven was, met wie hij vroeger zeer goed bevriend was, nam hij het zeer euvel op, dat zijn lieve vriend dus aangeklaagd en van ketterij, zoals zij het noemden, beschuldigd werd. Aangezien hij hem zeer goed kende, en wist, dat hij een oprecht en vroom man was, begon hij hem zeer ijverig te verontschuldigen, en zei in het openbaar, dat men Malvenda daarin niet moest geloven, aangezien deze waarschijnlijk door verborgen haat en nijd, of om enige andere oorzaken onwaarheid geschreven had; dat men te eerder de algemene getuigenis van vele aanzienlijke en voortreffelijke mannen geloven moest, die ten allen tijde voor het oprecht, redelijk en deugdzaam gemoed van Johannes Diazius hoge achting hadden betoond. Hij verzocht daarom de monnik deze zaak zo lang geheim te houden, en er geen gevolg aan te geven, dan nadat men er meer zekerheid van mocht hebben. Men zegt, dat de Monnik daarop zou geantwoord hebben, dat, indien Johannes Diazius lang bij de ketters vertoefde, hij de kerk schade zou berokkenen; en dat het daarom wel nodig was hem te bekeren of spoedig om te brengen. Niet lang daarna reisde Marquina naar Rome, en verhaalde daar alles aan Alphonsus, de broeder van Johannes Diazius. Intussen werd de bijeenkomst, die te Regensburg bepaald was, verbroken en geheel opgelieven. Johannes Diazius reisde vervolgens naar Nieuburg, een stad, gelegen aan de rivier de Donau, in het gebied van de doorluchtige vorst hertog Otto Hendrik Palzgraaf, om daar alle pogingen aan te wenden een boek te doen drukken, door Martinus Bucer geschreven.

Terwijl dit in Duitsland plaatshad, rustte ook Alphonsus, de broeder van Diazius, te Rome niet, maar ondernam de reis naar Duitsland, teneinde zijn broeder van de waarachtige godsdienst af te trekken, op zulk een wijze als dit het best zou kunnen geschieden. Hij nam ook een dienaar mee, die te Rome geruime tijd scherprechter of beul geweest was. Met deze en nog een ander kwam Alphonsus met de postwagen te Augsburg, en reisde van daar met de beul naar Regensburg, waar hij zijn broeder hoopte te vinden. Hij ontmoette daar het eerst Malvenda, en vroeg hem raad, hoe hij in deze zaak handelen moest.

Daarna zonden zij een bode naar Claudius Senarcleüs, die een goed vriend van Diazius was, om van hem te vernemen waar Johannes Diazius zich ophield, daar zij vermoedden, dat Claudius vooral dit wel zou weten. De bode zei, dat er vanwege het hof des keizers brieven naar Johannes gezonden waren, die zeer belangrijk waren. Claudius antwoordde, dat hij waarlijk niet wist, waar die zich thans bevond, maar, indien er iets aan hem te bezorgen was, beloofde hij, dat hem getrouw ter hand te zullen stellen. De Spanjaard verliet hem, schijnbaar tevreden met dit antwoord. Kort daarna keerde hij terug, en zei tot Claudius, dat er een edelman in de Kroon gelogeerd was, die een goed vriend was van Diazius, en voor hem enige brieven van het hof des keizers had meegebracht, waaraan zeer veel gelegen was; hij verzocht hem daarom nadrukkelijk, om toch de plaats te willen aanwijzen, waar Diazius was of zelf die edelman te komen bezoeken in het logement. Claudius, die Diazius, graag een dienst bewees, kwam met de Spanjaard in het logement, waar hij Alphonsus, de broeder van Diazius, vond, die hem onder allerlei vriendschapsbetuigingen verzocht de plaats te willen aanwijzen, waar Diazius te vinden was, aangezien hij grote dingen met hem te behandelen had. Hij zei hem ook, dat hij brieven had vanwege het hof des keizers en van zijn allerbeste vrienden, en dat hij belangrijke zaken met hem te bespreken had, waaraan hem veel gelegen was. Claudius gaf hem hetzelfde antwoord, wat hij vroeger aan de Spanjaard gegeven had, dat hij namelijk niet wist, waar Diazius was; doch, om niets te verzuimen, wilde hij dit aan andere lieden vragen, en het hem dan te kennen geven.

Toen Claudius zijn woning verliet, deelde hij deze zaak aan Martinus Bucer, Johannes Brentius en anderen van hun mee, en vroeg hun raad, wat hij doen zou. De gevoelens waren daarover verschillend; de een oordeelde, dat men hem Diazius zou aanwijzen, de ander meende, dat men dit niet doen moest, waarvoor ieder zijn redenen bijbracht. Eindelijk werd er besloten, dat men hem zeggen zou, waar Diazius zich bevond, wat men voor het beste hield, teneinde er niets door onwetendheid of onvoorzichtigheid zonder noodzakelijkheid verzuimd zou worden. Men zou echter zijn best doen, Diazius tevoren te waarschuwen, wanneer er soms gevaar aan verbonden mocht zijn.

Aldus gaf Claudius Alphonsus te kennen, dat Diazius in de naaste stad Nieuburg was. Alphonsus dankte hem zeer, en verzocht hem met hem mee te rijden, daar hij een paard tot zijn beschikking had en wat er verder nodig was. Claudius antwoordde, dat hij dit op dat ogenblik niet kon doen, maar dat hij wel een brief aan Diazius wilde schrijven, en hem daarin berichten, waar hij hem ergens zou kunnen vinden. In de grootste haast schreef Claudius een brief, en gaf hem die, waarin niets anders stond dan wat men weten mocht. Doch de andere brieven, waarin zij Diazius waarschuwden, door Claudius, Martinus Bucer en andere goede vrienden geschreven, stelden zij aan de bode, die met Alphonsus reizen zou, ter hand, en drukten hem ernstig op het hart, dat hij die aan niemand anders geven of tonen zou dan aan Johannes Diazius zelf. Daarenboven gaven zij hem de geschiedenis van het gesprek te Regensburg mee, om die aan de secretaris van hertog Otto te overhandigen, en duwden hem ook in het geheim geld in de hand, opdat hij alles met te beteren ijver zou ten uitvoer brengen.

Aldus nam Claudius afscheid van de bode maar bovenal van Alphonsus, die hem vriendelijk dankte, en hem zijn dienst ten allen tijde aanbood. Eindelijk bad hij hem, zo hij hem en Diazius waarlijk liefhad, om niemand te zeggen, wat er tussen hen beiden besproken was, bovenal, dat hij dit Malvenda niet moest meedelen, want hij wist wel, hoe Malvenda, aangezien hij hem niet wilde volgen, jegens Diazius gezind was; daarom was het nodig, vooral van de kant van Diazius, dat deze zaak buiten weten van Malvenda teneinde zou gebracht worden. In één woord, hij verzocht dit zo nadrukkelijk, dat Claudius niet anders meende dan dat het hem ernst moest zijn.

Let evenwel, goede lezer, op het schandelijk schelmstuk van deze verrader. Zodra Claudius van hem was weggegaan, nam hij de bode, benevens al diens brieven en geschriften, en ging daarmee dadelijk naar Malvenda en, nadat zij alles gelezen hadden, verscheurden zij de brieven uitgenomen het geschrift, dat over het gesprek handelde, hetwelk aan de secretaris van de hertog Otto moest ter hand gesteld worden.

Terstond daarna kwam dit Claudius, Martinus Bucer en de anderen ter ore, waardoor zij nu goed inzagen, dat deze lieden niets goeds in de zin hadden. Zij schreven daarom met een anderen bode naar Diazius, en drukten hem op het hart, dat hij zich voor deze mens wachten moest.

Daarop reed Alphonsus naar Nieuburg, met de brieven bij zich, die Malvenda aan Diazius had geschreven, waarin hij hem op het hart drukte, dat hij zijn broeder, die hem toch niet anders dan goed zou raden, gehoor zou geven. Hij beloofde ook, dat, indien hij hem volgde tot in Italië, en Duitsland met zijn Duitsers, die niet dan verdervers zijn van de goede en oprechte lieden, wilde verlaten, hij bij de biechtvader der keizerlijke majesteit zo veel zou uitwerken, dat alles wat vroeger van hem was geschreven, zou herroepen en verbeterd worden, en dat het hem geen schade zou doen, wat hij vroeger ook onvoorzichtig mocht neergeschreven hebben. Met deze brieven kwam Alphonsus, vergezeld van zijn dienaar de scherprechter, te Nieuburg.

Toen Johannes Diazius hem zag, was hij, zoals wel te denken is, bovenmate verwonderd, aangezien hij in geruime tijd geen brieven van hem ontvangen had, en dacht, dat hij nog te Rome was. Na hem gevraagd te hebben naar de reden van zijn onverwachte komst, deelde hij hem de ware reden mee, gelijk wij boven hebben geschreven, waarom hij zulk een moeilijke reis ondernomen had. De goede Diazius, die een oprecht man was, vermoedde geen kwaad, en meende, dat zijn broeder uit ware broederlijke liefde tot hem gekomen was. En, ofschoon hij graag gezien had, dat hij een andere mening ware toegedaan, en omtrent alles goede gevoelens en een oprecht oordeel mocht hebben, zo beviel hem zijn goed hart en gezindheid zeer goed, en ontving hij hem zeer vriendelijk, daar hij niet wist, dat hij, volgens het spreekwoord, een slang aan de boezem koesterde, die hem later op schandelijke wijze het leven zou benemen.

Toen zij met elkaar begonnen te spreken, zei Alphonsus, dat hij zulk een grote, gevaarlijke en moeilijke reis om niets anders had ondernomen, dan om te beproeven zijn broeder van zijn voornemen tot een beter en wel tot de schoot der heilige kerk weer te brengen, en stelde hem ook vele gevaren voor, waaraan hij bloot stond, wanneer hij bij zijn gevoelens bleef volharden. Hij deelde hem mee, dat hij van alle voortreffelijke mannen, heren en vorsten versmaad zou worden, die de Lutherse leer en naam in erge mate vijandig waren. Hij hield hem voor, dat hij zijn gehele geslacht schande, zichzelf ongeluk, gevangenschap, ellende, ja het zwaard of de vuurdood op de hals zou halen, en vele dergelijke drangredenen gebruikte hij, om het hart van zijn broeder wankelmoedig te maken en te doen twijfelen.

Ofschoon het Diazius van harte leed deed, dat zijn broeder zulk een verkeerde mening koesterde, en menselijk gevaar en tirannie meer achtte dan de kennis der waarheid, antwoordde hij hem op alles, wat hij gezegd had, met vriendelijke woorden: "Lieve broeder, deze leer heb ik aangenomen niet uit onverstand, noch uit enig eigen vleselijk overleg maar met een zekere en vaste overtuiging. Ik belijd ook openlijk, aangezien ik het begin en de voortgang door de Heilige Schrift bevestigd vind, dat zij waarlijk is de volmaakte en eeuwig blijvende leer der heilige Profeten en Apostelen. Ik kan ook deze leer, die ik door de bijzondere genade van God beleden heb, zonder grote schande en lastering niet verwerpen, en derhalve zullen mij ook geen wereldse gevaren van mijn voornemen afbrengen. Bedenk zelf, lieve broeder, of het een voorzichtig man wel zou betamen, wanneer hij het tijdelijk ongeluk ontliep, om zich in het eeuwige verderf te storten? En waarlijk er bestaat geen andere zonde tegen de Heilige Geest, dan de beleden waarheid op oneerlijke wijze te vervolgen, welke zonde hier noch in eeuwigheid zal vergeven worden. Het zijn daarom gewichtige redenen, die mij in deze begonnen loop en deze belijdenis doen volharden. Met geheel mijn hart wenste ik ook, mijn lieve broeder, dat gij zoveel ijver en arbeid u getroost om de wil van God te kennen, als gij ijver betoond hebt om menselijke zaken te onderzoeken en te behartigen. Naar uw helder verstand te oordelen, en de oneindige barmhartigheid van de eeuwige Vader herdenkende, zou ik niet durven twijfelen, of God zal u de schat Zijner hemelse wijsheid openen, opdat gij ook de wil van God uit de goddelijke Schriften leerde kennen en belijden, voorzover gij uw arbeid en uw verstand aanwendt. Ach, dat het mij gegeven ware, lieve broeder, u deze kennis met mijn eigen bloed te moeten deelachtig maken! Want, zoals de Zoon van God Zelf betuigt: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, Die gij gezonden hebt." Het is waarlijk een zeer beklaaglijke zaak, dat de mensen in zulke hoge, ernstige en gewichtige zaken zo onachtzaam en boos zijn, dat zij de goddelijke stem, die van boven uit de hemel hun tegen klinkt, en alle schepselen toespreekt, zo lichtvaardig verachten, of zo hoogvaardig verstoten. Zo gij de zaken zelf recht inziet, wat zult gij toch anders vinden, waarom wij door deze boze mensen veroordeeld en bijna iedere dag tot de dood overgeleverd worden, dan dat wij al onze hoop niet op menselijke dingen maar op de levende god stellen, buiten Wie geen zaligheid te wachten is? Onderzoek daarom onze zaak eerst goed, mijn lieve broeder, en, als gij die goed onderzocht hebt, zult gij zelf zeggen, dat men die om geen gevaren des lichaams behoort te verlaten. Waarlijk, wat mij aangaat, mijn hart is door de milde barmhartigheid en goedheid Gods dus versterkt, dat ik mij op generlei wijze van de leer, die ik aangenomen heb, zal laten aftrekken."

Toen Alphonsus de standvastigheid van zijn broeder zag, beproefde hij het op een andere wijze. Wat hij namelijk niet door schrik, vrees en gevaren kon verkrijgen, hoopte hij teweeg te brengen door giften en gaven. Hij zei, dat hij uit de kerkelijke goederen omtrent vijfhonderd dukaten in het jaar inkomen had, die hij aan hem wilde uitkeren, wanneer hij met hem naar Rome wilde gaan.

Johannes zei hierop: "Lieve broeder, ik ben zo geldgierig, niet, als gij soms denkt; had ik rijkdom en eer willen zoeken, dan zou ik mijn leven anders aangelegd hebben. Nu acht ik de kennis der hemelse leer, welke de Heere mij door Zijn milde goedheid gegeven heeft voor de allerhoogste eer, en rust voor mijn gemoed, ja voor de kostbaarste rijkdom."

Eindelijk, toen ook dit niet gelukte, bedacht bij nog een andere list, en peinsde op zijn doortrapte verraderij en bedrog, waarmee hij zijn eenvoudige, goedhartige en oprechte broeder, die geen bedrog, of valsheid in het hart had, bedrieglijk zou aanvallen. Deze boze bedrieger nam nu de schijn van godzaligheid aan, en onder verzuchtingen van het hart sprak hij zijn broeder met een droevig gelaat aldus aan: “Ik bemerk nu wel, lieve broeder, dat uw volharding, geloof en oprechtheid zo groot zijn in de kennis van en het vasthouden aan de Evangelische leer, dat gij mij ook tot uw gevoelens overgehaald hebt; want zo onverstandig en onwetend ben ik niet, mijn lieve broeder, dat ik deze uw godzaligheid die te bewonderen en navolgenswaardig is, niet zou hebben opgemerkt, of ook hhet grote nut, dat de kerk van God in het aloerneen en de lieden van onze gewesten in hhet bijzonder, uitdezeuwe leer zouden kunnen trekken. Bovenal, laten wij samen van ganser hart en met alle vlijt ons benaarstigen, dat de zuivere leer van de Zoon van God in de gehele wereld, zover dit slechts mogelijk is, gepredikt, en het Evangelie ook in onze gewesten, onder het volk, verbreid en bevorderd worde, zoals onder andere volken plaats heeft. Tot zulk een belangrijk werk van God zult gij, lieve broeder, niet alleen voorzichtig, maar ook niet grote ijver de genade en gaven Gods gebruiken, die de almachtige God u, boven vele anderen uit ons gewest, verleend heeft. Immers, wanneer gij langer in Duitsland blijft, en onder zulke lieden woont, wier taal gij niet verstaat, wat doet gij anders, dan het talent, dat gij van God zo rijkelijk hebt ontvangen, tot niemands nut in de aarde begraven? Gij ziet ook, dat in dit land vele geleerde mannen zijn, bedreven in nuttige wetenschappen, en ook zeer bekwaam en ervaren in de ware godsdienst, die uw dienst niet verlangen. Ja, die niet alleen niet verlangen, maar ook, als ik mij niet in hen vergis, u er toe zullen opwekken en dringen om de leer, die gij van hen ontvangen hebt, tot stichting en verbetering van onze medemensen en tot nut van ons vaderland aan te wenden. Maar, aangezien onze landen in deze tijd met ongelooflijke tirannie verdrukt worden en gij daar ook niet vrij zoudt kunnen wonen, raad en vermaan ik u om met mij naar Italië te reizen. Van deze reis durf ik mij deze vrucht beloven, dat gij groter nut zult stichten, meet, de ere Gods bij de verklaring van de Evangelische leer zult bevorderen, dan gij immer in Duitsland of elders zoudt kunnen doen. Vooreerst gaan wij naar Trente, waar vele geestelijke afgezanten vergaderd zijn, die zeer genegen zijn tot de Evangelische leer. Indien gij daar nu ook was, om hen hiertoe te vermanen en te dringen, zonder twijfel zouden zij, wat zij nu in hun hart besloten hadden, en door de tirannie van de paus niet durven openbaren, openlijk belijden en er voor uitkomen. Bedenk nu wel, welke grote nuttigheid het zou hebben, dat een gehele vergadering, die samengekomen is om de tirannie der bozen te bevestigen, door u zover zou kunnen worden gebracht, om de waarheid te onderzoeken en te openbaren. Uw gevoelens kunt gij met die geleerde mannen bespreken; en bent gij beter onderwezen dan zij, dan zult gij, ik durf u dit hunnentwege beloven, hen als vlijtige toehoorders bij het onderwijs leren kennen; en deze uw leer, die overigens vast staat, en door de getuigenis van God is versterkt, en die gij door uw deugden en geleerdheid hebt opgeluisterd, die zij ook in u prijzen en hoogachten, die u anders niet veel goeds gunnen, zult gij des te beter kunnen bevestigen. Daarna zulten wij bezoeken Rome, Napels en de andere steden van Italië, waarin zich ook vele lieden bevinden, die kennis der waarheid hebben, waar gij ook met geen geringe en onwetende lieden zult behoeven om te gaan, maar met vorsten en heren, die gij in de ware kennis zult kunnen versterken, en wellicht openlijk de waarheid zult doen belijden. Wanneer gij alzo eindelijk geheel Italië, ten minste de voornaamste lieden, voor uw leer en leven gewonnen had, zou ook van zelf volgen, dat bij u de hartelijke begeerte ontstond, dat deze leer namelijk, zonder gevaar voor u, door andere voortreffelijke mannen in Spanje mocht kunnen verkondigd worden. Welk nut stichten die lieden toch, die al zijn het geleerde en goede lieden, nochtans alleen onder de schijn van de godsdienst in Duitsland als verborgen blij ven? Naar mijn mening zorgen zij alleen voor zichzelf, terwijl het hun zeer weinig ter harte gaat, in welk een jammer en onwetendheid andere lieden verzonken liggen.

Zoudt gij nu, lieve broeder, deze grote en belangrijke zaak. verachten, die gij voor ogen ziet en gevoelt? Zoudt gij u aan deze openlijke roeping Gods onttrekken? Of meent gij voor uzelf alleen te leven? Waarom zoudt gij de zwakheid van andere lieden niet te hulp willen komen, die tussen hoop en vrees, tussen zekerheid en twijfel verkeren, en uw hulp en uw onderwijs verlangen, ja, met betraande ogen en opgeheven handen de kennis der zuivere leer als van u eisen en afbidden? Waarlijk, gij mag het zuchten en klagen van zo vele heiligen niet in de wind slaan, aangezien er op de medewerking van zo vele voortreffelijke lieden te rekenen is.

Nu dan, wat mij aangaat, wil ik u, als een getrouw broeder en dienaar, in dit goddelijke werk behulpzaam zijn; u op mijn kosten en met alle opoffering naar Italië vergezellen, u in kennis en vriendschap brengen met de voortreffelijkste lieden, en, waar gij mij nodig hebt, daar zal ik u, zoals ik schuldig ben, als een getrouw broeder behulpzaam zijn."

Johannes Diazius verwonderde zich boven mate over deze ongewone redenen van zijn broeder, en verblijdde zich zeer, daar hij dacht, dat zijn broeder dit van harte meende. Hij behandelde hem daarom veel vriendelijker dan hij tot nog toe gedaan had, en zei, dat hij gewillig, en bereid was, de eer van de Heere Jezus Christus, waar hij kon of mocht, desnoods met verlies van zijn leven, te bevorderen. Hij prees het voornemen van zijn broeder, nam zijn raad ter harte, en beloofde, dat hij van zijn kant zich. zou benaarstigen. Maar, aangezien het een gewichtige en grote zaak was, en er vele zwarigheden en gevaren aan verbonden waren, moest men zich ook rijpelijk en ernstig beraden, en met geleerde en verstandige mannen overlegd worden, hoe dit het best tot verbreiding der ere van God en tot. stichting der mensen, ten uitvoer gebracht zou kunnen worden. Hij zei daarom, dat het hem goed dacht, dit gehele plan aan de mannen, die aan de samenspraak hadden deelgenomen, en die nu te Regensburg waren, mee te delen; en, wat zij in deze zaak besloten, dat wilde, hij doen.

Dit voorstel beviel Alphonsus zeer goed, daar hij misschien wel dacht, dat zij, aan wie dat plan werd voorgesteld, onnadenkende lieden waren, en zijn heimelijke en verborgen listen en verraderij niet bemerken zouden.

Johannes Diazius schreef dus brieven aan de betrokken personen te Regensburg, waarin hij hun de plannen van zijn broeder meedeelde, die begeerde dat hij met hem naar Italië zou reizen, en waarbij hij tevens de reden voegde waarom zijn broeder dit verlangde. Eindelijk betoonde hij zijn goede wil, namelijk, dat hij in zijn hart besloten had, in deze zaak niets te doen, dan wat de broeders goedkeurden. Een zodanigen brief schreef hij ook aan Bernhardus Ochinus, die in die tijd het Evangelie van Christus verkondigde te Augsburg, en verlangde van hem ook zijn gedachte en mening te horen.

Toen deze brieven te Regensburg gelezen waren, kwamen de leden der vergadering samen, opdat ieder zijn mening en zijn gevoelen daarover zou uitbrengen. Zij besloten eenparig, om aan de bedrieglijke redenen van de moordenaar geen geloof te slaan, daar zij wel bemerkten, dat hij het er alleen op toelegde zijn onschuldige broeder te bedriegen. In die tijd waren er ook enige, die de moord, welke deze bedrieger in het hart had voorgenomen, tevoren vaststelden en profeteerden.

In overeenstemming met elkaar schreven zij aan Diazius, en gaven te kennen, wat de broeders in deze zaak besloten hadden. Hetzelfde schreef hem ook Bernhardus Ochidus.

Toen nu Alphonsus bemerkte, dat zijn plan bij allen afgeslagen en omvergeworpen was, en dat zijn bedoelingen niet langer verborgen konden blijven, hoewel hem dit zeer speet nochtans, aangezien hij inzag, dat hem zeer veel gelegen was aan de goedwilligheid van zijn broeder, om de misdaad, die hij in zijn hart had voorgenomen, te volbrengen, wilde hij hem niet met harde woorden verbitteren, maar veinsde met alle inspanning zijn droefheid. Hij zei, dat hij het oordeel en mening der geleerde lieden niet kon verwerpen, dat zij in hun schrijven hadden uitgesproken; nochtans om toch enige dank voor zijn grote moeite en arbeid te ontvangen, bad hij Johannes ernstig, om geen bezwaar te maken met hem naar Augsburg te rijden, waar alle zaken haar einde en beslag zouden krijgen.

Dit begeerde de bedrieglijke schelm uit grote valsheid en boosheid, daar hij graag zijn onschuldige broeder, onder de schijn van vriendelijkheid, op een vrij en open veld buiten de stad gebracht had, teneinde hem op een verborgen plaats zo veel te gemakkelijker te kunnen vermoorden. Johannes, die geen argwaan koesterde, zou hierin bewilligd hebben, zo niet intussen Martinus Bucer, voor dat Alphonsus afreisde, te Nieuburg gekomen was, en hem dat verboden had.

Aangezien de leden der vergadering te Regensburg niet waren samen gekomen, en voornemens waren naar huis terug te keren, namen Martinus Bucer en Martinus Frechtius, predikant te Ulm, hun weg naar Nieuburg, teneinde Johannes Diazius, wat zij reeds vroeger schriftelijk hadden gedaan, nog te beter op het hart te drukken, namelijk, dat hij zijn broeder Alphonsus niet moest vertrouwen, en niet met hem naar Italië moest reizen. Onder de broeders werd dus besloten, dat Alphonsus alleen zou afreizen. Hoewel Alphonsus dit euvel opnam, betuigde hij nochtans, dat dit hem goed was, en dat hij niets anders begeerde dan Johannes zijn broeder, die hij, zoals hij zei, bovenmate lief had, genoegen te doen.

Des avonds voor de dag, waarop hij op reis zou gaan, en wel na etenstijd, sprak hij zijn broeder geheel alleen, wekte hem op tot standvastigheid in de kennis van de ware godsdienst, en beloofde dat hij, zoveel hij slechts kon, altijd tot zijns broeders dienst zou zijn, en gaf hem eindelijk zelfs veertien gouden kronen, om daarvoor nieuwe klederen te kopen, welke Johannes eerst wel weigerde, doch eindelijk moest aannemen. tenslotte hadden zij nog een drukke woordenwisseling, die blijken gaf van broederlijke eenheid en waarachtige liefde, en scheidden alzo, niet zonder aandoening en tranen, van elkaar, en begaven zich ter rust.

De volgende dag, in de vroege ochtend van de 25sten maart, stond er een wagen te Nieuburg gereed, waarmee Alphonsus en zijn dienaar, de scherprechter, naar Augsburg zouden vervoerd worden. Aldus scheidden deze broeders, en namen andermaal onder tranen afscheid van elkaar. Toen Alphonsus vertrokken was, waren de anderen, namelijk Bucer, Frechtius en Claudius zeer verblijd; want zij verkeerden voortdurend in vrees voor deze man. Des namiddags van die dag reisden Bucer en Frechtius, toen zij meenden, dat er geen gevaar meer bestond, insgelijks af.

Toen Alphonsus dicht bij de stad Augsburg kwam, wilde hij niet, dat de voerman de stad binnen zou rijden, maar liet zich met grote moeite buiten om de vest brengen, totdat hij aan het kruis kwam, waar hij wilde zijn, opdat hij in de stad niet zou gezien, herkend en de moord niet zou verhinderd worden. Als de voerman hem in zijn logement had gebracht, zei Alphonsus tot hem, dat hij des anderen daags vroeg naar Italië wilde reizen, doch dat hij eerst een brief aan zijn broeder zou schrijven, en verzocht hem daarom de brief te willen komen afhalen, voor hij naar Nieuburg terugkeerde, wat de voerman beloofde te zullen doen.

In de vroegen ochtend van de 26e Maart kwam de voerman om de brieven. Men zei hem, dat Alphonsus nog te bed lag, aangezien hij de voorgaande nacht zeer laat gedronken had, dat hij nu nog in de vasten slaap was, en zij verzochten hem of hij binnen een paar uren terug wilde komen, dat hij beloofde te zullen doen. Dit had men echter slechts voorgewend, opdat de voerman te langer zou vertoeven, en deze moordenaars te beter tijd zouden hebben, om hun moord met minder gevaar te plegen. Toen de voerman later terug kwam, zei men hem, dat hij reeds naar Italië was afgereisd, dat hij te Augsburg geen brieven had kunnen schrijven, maar beloofd had van Yzerbrug brieven te zenden. Na de voerman met enig geld tevreden gesteld te hebben, liet men hem gaan, terwijl hij niet beter wist, of alles was zoals men aangaande Alphonsus gezegd had. Aldus reisde de voerman terstond met zijn metgezel, die met Alphonsus daags tevoren in hetzelfde rijtuig te Augsburg was gekomen, weer naar Nieuburg terug. Omtrent de middag kwamen zij in een stadje, Bothmes genaamd, halverwege Nieuburg en Augsburg, van iedere stad drie mijlen gelegen. Daar vonden zij, ongedacht in de herberg Alphonsus aan tafel zitten, met zijn dienaar de beul en een bode van Auusburg die zij hadden meegenomen, en die ook hun plannen niet kende, benevens een priester uit die stad, en verscheidene andere gasten. Toen Alphonsus, de voerman en zijn metgezel zag, ontzette hij zich zeer, daar hij ervoor had willen zorgen, dat, wat hij voorgenomen had te doen, niet door hem belet of verijdeld zou worden. Hij zette echter een vrolijk gezicht, en verzocht de voerman zich met zijn metgezel aan tafel te zetten. De voerman weigerde dit in het begin, omdat er zo velen aan tafel zaten, en ook, omdat hij tehuis wilde zijn; maar, aangezien zij er op aandrongen, zaten zij aan. Terwijl zij daar zaten te eten, bedacht hij een nieuw bedrog, dat hij aan de voerman pleegde. Hij zei, dat hem buiten zijn gedachte een moeilijke zaak voorgekomen was, waarvan hij uit die plaats zijn broeder Johannes Diazius moest onderrichten. Maar, aangezien er nog enige dingen te beschikken waren verzocht hij de voerman, daar nog een dag op zijn kosten te vertoeven, teneinde hij alles aan zijn broeder zou kunnen meedelen door een bekende en getrouwen bode. Ofschoon de voerman die dag graag tehuis had willen zijn, bleef hij met zijn metgezel die dag daar, en wel uit achting voor Alphonsus, die dit zozeer verlangde, alsmede in het belang der grote zaak.

Na de maaltijd, toen zij van alles zekerheid hadden, overlegde Alphonsus met zijn beul, hoe zij de moord plegen zouden, wat moeilijk met een zwaard zou kunnen geschieden. Zij besloten dus een bijl in deze stad te kopen, teneinde daarmee Johannes Diazius te doden. Een andere voorzichtigheid mochten zij ook niet uit het oog verliezen; zij moesten namelijk deze bijl niet bij een bijlverkoper kopen, opdat men geen achterdocht jegens hen krijgen zou. Zij gingen daarom naar een timmerman, kochten daar een bijl, en kwamen in het logement terug, waar zij niemand vonden dan de logementhouder en de bode van Augsburg. Zij zeiden aan de logementhouder, dat zij ergens heen moesten reizen, van waar zij terstond zouden terugkeren, en daar zij hun paarden niet wilden vermoeien, bevalen zij, dat zij andere zouden gereed maken, die vlug, en van zessen klaar waren.

Terstond daarop steeg Alphonsus met zijn beul te paard, gevolgd door de bode van Augsburg, die wel nergens van wist, maar mee ging, omdat hem de reis geen geld kostte.

In korte tijd bereikten zij een dorp, Veltkerken genaamd, bij Nieuburg gelegen, waar zij die nacht bleven. De 27sten Maart kwamen zij voor het openen der poorten te Nieuburg. Toen de dag nauwelijks aangebroken was, verlieten zij hun paarden, bonden die aan een heining, en lieten die door de bode van Augsburg bewaren. Vervolgens nam de beul, de dienaar van Alphonsus, de hoed en de mantel van de bode, om minder herkend te worden, en ging met zijn meester de stad in. De beul ging vooruit, terwijl Alphonsus volgde, daar zij afgesproken hadden, dat de beul de moord zou plegen, en, wanneer hem dit niet goed gelukte, zou Alphonsus hem helpen en bijstaan. Aldus kwamen zij aan het huis van de predikant, waar Johannes Diazius thuis was. De beul klopte daar aan, en vroeg aan de broeder van de predikant, die de deur opende, waar Johannes Diazius was, en voegde er bij, dat hij brieven bij zich had van zijn broeder Alphonsus. De jongeling antwoordde, dat Johannes nog te bed lag. Daar de jongeling de beul en Alphonsus van vroeger kende, vroeg hij hem, wat de verwisseling van kleren te betekenen had.

De beul intussen, opdat het niet zou uitkomen wat hij van plan was te doen, beval de jongeling naar boven te gaan, en Diazius te zeggen, dat hij gekomen was met brieven van zijn broeder. Toen Diazius dit gezegd werd, sprong hij het bed uit, en deed, uit groot verlangen om te weten wat zijn broeder schreef, slechts een ochtendkleed aan, en ging in een andere kamer tegenover de zijne. Als de beul door de jongeling daar gebracht werd, bleef Alphonsus beneden aan de deur van de trap wachten, opdat er niemand naar boven zou gaan en de moord verhinderen. Maar, aangezien de jongeling zich ook in de kamer bevond, was de beul niet op zijn gemak, want de tegenwoordigheid van de jongeling verhinderde hem zijn euveldaad te bedrijven. Eindelijk zond hij de jongeling naar de fontein, om wat water te halen.

Toen de jongeling vertrokken was, haalde de beul de brief voor de dag, waarvan hij zei, dat deze van Augsburg gezonden was.

Toen Johannes de brief had, ging hij, daar het nog duister was, naar het raam, teneinde daar te beter te kunnen lezen. Zoals men later gezien heeft, stond er in de brief, dat, toen hij nauwelijks te Augsburg aangekomen was, hem werd gezegd, dat zijn broeder in groot gevaar verkeerde; dat hij daarom, door broederlijke liefde gedrongen, hem vermaande, zich te wachten voor de listen en lagen van Malvenda, de biechtvader, en zijn aanhangers, die allen, als vijanden van Christus, om de belijdenis van de ware godsdienst, op allerlei wijze het er op toelegden zijn bloed te vergieten. Deze en dergelijke woorden waren in de brief vervat. Terwijl Diazius bezig was deze brief te lezen, haalde de beul, die achter hem stond, de bijl, die hij onder de mantel verborgen had, voor de dag, en sloeg die in de rechterzijde van de slaap zijns hoofds tot aan de steel. Daar de hersens op wrede wijze waren gekwetst, was hij in hetzelfde ogenblik geheel bewusteloos, zodat deze heilige martelaar niet het minste geluid maakte.

Daarna, opdat door het vallen van het lichaam geen gedruis zou worden gemaakt, en zij alzo van de moord konden overtuigd worden, legde de beul, met beide handen het vallende lichaam opvangende, het lijk op de grond, en liep terstond de trap af naar zijn meester. Dit alles ging zo haastig en geheim in zijn werk, dat niemand er intussen iets van bemerkte.

Claudius Senarcleüs, die nog te bed lag, en door onaangename gedachten werd bevangen, sprong haastig uit bed, greep spoedig enige klederen om naar de kamer te gaan en te zien, wat Diazius deed. Toen hij in de kamer kwam, hoorde hij de moordenaars nog op de trappen; en, daar hij niet wist, of zij naar beneden gingen of naar boven kwamen, sloot hij de trapdeur, en ging de kamer binnen.

Toen hij daar kwam, en het lichaam op de grond zag liggen, werd hij, zoals men wel denken kan, in zijn hart zo verschrikt en verbaasd, dat de klederen hem uit de hand vielen, en hij geen woord kon spreken. Eindelijk, toen hij enigszins tot zichzelf gekomen was, ging hij naar Diazius, die daar op de vloer lag, met de ogen naar de hemel geslagen en de handen gevouwen, alsof hij bad.

Ogenblikkelijk trok Claudius hem de bijl uit het hoofd, om te zien, of hij leefde. Hij bemerkte, dat hij, ofschoon dodelijk gewond, nog tekenen van leven gaf; doch na verloop van een uur blies hij de laatste adem uit. Zijn ogen waren voortdurend naar de hemel gericht, alsof hij Gods barmhartigheid voor zich inriep. Toen hij van God hoorde spreken, gaf hij een teken, dat hij dit verstond. Dadelijk riep Claudius al de huisgenoten samen, die getuigen waren van deze gruwelijke moord.

Alzo eindigde de heilige martelaar Gods, Johannes Diazius, zijn tijdelijk leven, en werd door tussenkomst van zijn broeder, op de wijze van Kaïn, te Nieuburg vermoord, de 27sten Maart in het jaar onzes Zaligmakers Jezus Christus 1546.

Enige vrome burgers reden deze boze moordenaars te paard na, en achterhaalden hen in een stad omtrent vier mijlen aan deze zijde van Yzerbrug, waar zij in een logement vertoefden en juist sliepen. Zij reden voort tot Yzerbrug, gaven de raad van deze zaak kennis, en drongen er op aan deze moord niet ongestraft te laten. Toen de moordenaars te Yzerbrug kwamen, werden zij terstond op gewelddadige wijze gevangen genomen. Zij gaven daar voor, dat zij edellieden waren, en gezonden door de keizerlijke majesteit wegens enige belangrijke zaken; doch men gaf hun geen geloof, omdat men bekend was met de schandelijke moord, die zij gepleegd hadden. De Paltzgraaf Otto Hendrik zond twee gezanten naar Yzerbrug, om de doodslagers tot de dood op te eisen, terwijl de gezanten meegenomen hadden de slaapmuts van Diazius, de verdichte brief, en de bloedige bijl. Intussen schreven deze moordenaars aan de kardinalen te Trente en te Augsburg brieven, waarin zij verzochten hen te verlossen. En wat vermag deze bloeddorstige geestelijkheid niet? Zij brachten het eindelijk zover, dat de keizerlijke majesteit een bevel gaf, de gehele zaak van deze moordenaars uit te stellen, en er niets in te besluiten dan nadat hij met zijn broeder daarover zou gesproken hebben.

Een van de gezanten van Nieuburg, ziende, dat er geen hoop was om recht te verkrijgen, keerde terug. De Paltzgraaf schreef zelf aan de regering te Yzerbrug, dat de moordenaars onder borgstelling en verzekering overgeleverd moesten worden naar Nieuburg, waar de moord had plaats gehad, of toe te staan, dat hij de zaak zelf naar recht zou behandelen. Doch de regering toonde hem het bevel van zijn keizerlijke majesteit.

De Protestanten verzochten daarna aan de keizer te Regensburg om de zaak volgens het recht te behandelen en teneinde te brengen; doch zij ontvingen van hem geen antwoord.

Toen de keizer te Nieuburg kwam, verzocht de regering hem daar ootmoedig, aan de rechters te Yzerbrug te bevelen, deze zaak naar het recht te behandelen. Zij ontvingen echter geen ander antwoord dan dat de keizer geen macht had om in het land, dat zijn broeder, de koning van Rome, toebehoorde, iets te gebieden. Zo zij in deze zaak iets wilden verkrijgen, moesten zij dit zijn broeder verzoeken; en toch was enige weinige dagen vroeger zijn bevel uit Dinckelspeel gegeven, dat men de behandeling der zaak moest uitstellen.

De paus en kardinalen, met hun goddeloze en bloeddorstige geestelijken, is het te wijten, dat men de eenvoudigen en onschuldige vervolgt, hun jammerlijk het goed en leven ontneemt, en de boosdoeners en moordenaars voorstaat, beschut en beschermt. Maar God zal eens rechtvaardig zonder aanzien van personen richten en oordelen. Dan zullen, zoals er geschreven staat, de geweldigen op ernstige wijze gestraft worden.

 

Eusinas, ook Driander genaamd, een Spanjaard

 

[JAAR 15146.]

 

Ensinas, ook Driander genaamd, geboren in Spanje, was de leermeester van de godvruchtigen martelaar Johannes Diazius. Op het aanhouden en smeken van zijn ouders en vrienden, woonde hij, tegen wil en dank enige jaren te Rome. Toen hij door zijn broeder Franciscus Driander, die om de zuiveren godsdienst in Duitsland woonde, geroepen werd, dat hij zich tot de gemeente Gods begeven zou, werd hij door zijn eigen huisgezin verraden, gevankelijk overgeleverd, en van dat ogenblik aan in een enge gevangenis geworpen. Daarna bracht men hem in een grote volksvergadering, waar alle kardinalen en bisschoppen, die zich toen in Rome bevonden, waren bijeen gekomen, om hem te ondervragen. Met vrijmoedigheid en standvastigheid beleed hij de zuivere leer van het goddelijke Woord, stond die met ijver voor, en veroordeelde alle boosheid en het bedrog van de roomse antichrist. Door deze vrijmoedige belijdenis werden de kardinalen en vooral de Spanjaarden, zijn landgenoten, zo woedend, dat zij riepen, dat men hem moest verbranden.

Eindelijk brachten het deze vijanden der waarheid en godzaligheid zover, dat deze goede man en getrouwe dienaar van de Heere Jezus Christus zijn leven om de heerlijke getuigenis der waarheid moest overgeven, en wel kort na de dood van Johannes Diazius, zijn leerling, in het jaar 1546.

 

Anna Asker, Jan Lacels, Jan Adlams en Nicolaas Belenian

 

[JAAR 1546.]

 

Anna Askew, uit een edel en voortreffelijk geslacht in Engeland, in het graafschap Lincoln, een dochter van de heer Willem Askew, betoonde zich zeer standvastig en moedig in de kennis van Jezus Christus. Op 25-jarige leeftijd redetwistte zij twee malen met de zogenaamde geestelijkheid, de vijanden van de Heere Christus, ontdekte en hield hun voor ogen de gruwelijke godslastering van de mis, om welke reden zij veel smaad en lijden moest verdragen. Nadat men haar gevangen genomen had, pijnigde en martelde men haar zo geweldig, dat de aderen haar in het lichaam sprongen. Daarna, omdat zij zo volstandig bleef, vervloekte men haar, en gaf haar als een ketters en verdoemd mens aan de duivel over. Zij stond dit echter met zulk een blijmoedig gemoed door, dat zij al zingende en de Heere lovende in de gevangenis gebracht werd, daar zij wist, dat Christus hen allen zalig noemt, die om Zijns naams wil door de mensen vervloekt, gelasterd en vervolg werden. Gedurende haar gevangenschap beschreef zij op verzoek van vele gelovige mannen en vrouwen, op welke wijze zij voor de vijanden der waarheid werd onderzocht. Haar brief luidt aldus:

Om aan uw begeerte te voldoen, heb ik het eerste onderzoek, dat ik onderging neergeschreven, welk onderzoek plaats had in Maart van het jaar onzes Heeren 1545.

Vooreerst vroeg Christoffel, de ondervrager, mij in de zaal van de Cellebroeders of ik niet geloofde, dat het sacrament, dat over het altaar hing, het ware lichaam van Christus was. Waarop ik hem de wedervraag deed, waarom St. Stefanus werd gestenigd. Hij antwoordde mij, dat hij het niet wist. Toen antwoordde ik, dat ik ook zijn ijdele vraag niet zou beantwoorden.

Vervolgens zei hij mij, dat er bij mijn onderzoek een vrouw voorkwam, die getuigde, dat ik gezegd had, dat God niet woonde in tempelen met mensenbanden gemaakt. Toen bewees ik hem uit de Handelingen der Apostelen h. 7, vs. 48 en 17, vs. 24, dat dit Stephanus en Paulus hadden gezegd. Hij vroeg mij daarop, in welke zin ik die uitspraak genomen had. Ik antwoordde hem, dat ik de parels niet voor de zwijnen wilde werpen, want de zemelen zijn voor zulken genoeg.

Verder vroeg hij mij, waarom ik gezegd had, liever vijf woorden in de Bijbel te lezen dan in de kerk vijf missen te horen. Ik beleed hem, dat ik dit gezegd had, niet om de Zendbrieven en Evangeliën te verachten, maar omdat het een mij zeer sticht en het andere in het geheel niet, zoals Paulus betuigt, 1 Kor. 14, vs. 8: “indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot de krijg bereiden?"

Ten vierde vroeg hij mij, hoe ik dacht over de belijdenis of biecht. Ik deelde hem mijn gevoelen daarover mee, overeenkomende met de woorden van Jakobus, h. 5, vs. 16: Belijdt elkaar de misdaden, en bidt voor elkaar."

Vervolgens vroeg hij mij, hoe ik over het boek des konings dacht. Ik antwoordde, dat ik het niet wist, want ik had het niet gezien.

Verder vroeg hij mij, of ik de Geest van God bezat. Ik antwoordde hem, dat, wanneer ik Die niet had, ik een boos en verloren mens zou zijn.

Daarna zei hij, dat hij om een priester had gezonden, om mij te ondervragen. Toen deze kwam, vroeg hij mij terstond, hoe ik dacht over het sacrament van het altaar. Hij was zeer begerig daarover mijn mening te horen. Doch ik verlangde, dat hij mijn onwetendheid in deze zaak in aanmerking wilde nemen; en ik wilde hem verder geen antwoord geven, omdat hij een priester was.

Ten zevende vroeg hij mij, of de stille missen voor de doden nuttig waren. Ik antwoordde, dat het grote afgoderij was, om daarin zo zeker te geloven als in het bloed van Christus, Die voor ons gestorven is.

Daarna werd ik geleid naar de heer schout, die mij op gelijke wijze ondervroeg als de anderen vroeger gedaan hadden.

Bovendien beschuldigde de schout mij van een zaak, die ik niet, maar zij zelf beweerd hadden, hetwelk een vraag betrof, of namelijk het gewormte, dat de hostie gegeten heeft, ook God gegeten en ontvangen had, of niet. Ik gaf hem daarop geen antwoord, maar lachte. De kanselier van de bisschop zei mij, dat het af te keuren was, als ik mij verstoutte van de Schrift te spreken; "want Paulus," zei hij, "verbiedt de vrouwen te spreken, of gemeenschap te hebben met Gods Woord." Ik antwoordde hem, dat ik de bedoeling van Paulus zo goed verstond als hij, en ook de plaats, 1 Kor. 14, dat de vrouwen in de gemeente niet behoren te spreken om te onderwijzen. Ik vroeg hem, hoeveel vrouwen hij op de stoel had zien klimmen en prediken. Hij antwoordde, dat hij dit niet gezien had. Daarop hernam ik, dat niemand de arme vrouwen mag beschuldigen, wanneer zij niets misdaan hebben."

Vervolgens beval de schout, dat men mij zou wegbrengen. Ik vroeg hem, of hij ook borg voor mij stellen wilde. Hij antwoordde kortweg "neen", en zo werd ik in de gevangenis gebracht, waar ik twaalf dagen vertoefde, zonder dat er iemand van mijn vrienden werd toegelaten om met mij te spreken. Wel zond men een priester bij mij, die voorgaf door de bisschop bevolen te zijn, om mij te ondervragen en goede raad te geven, wat hij echter niet deed. Hij vroeg mij vooreerst, waarom ik gevangen zat, waarop ik antwoordde, dat ik het niet wist. Daarna zei hij, dat het jammer was, dat ik daar zonder reden zat, en hield zich, alsof hem dit hinderde. Hij vroeg mij, of ik gebiecht had. Ik antwoordde van neen. Hij zei toen, dat hij iemand zou laten komen, om mij de biecht af te nemen. Ik zei hem, dat, wanneer een van drieën tot mij kwam, namelijk doctor Crome, de heer Willem Witehead of Huntington, ik tevreden zou zijn; want dat ik wel wist dat het zulke wijze mannen waren als een van u of enige anderen. "Ik veracht u niet, zei ik, "aangezien ik u niet ken."

Daarop zei hij: "Meent gij dan niet, dat ik of een ander, die ik u zenden zal, ook zo eerwaardig ben als die anderen? Indien zij dit niet waren zou de koning ons niet toelaten te prediken." Toen antwoordde ik, dat Salomo zegt, dat, wanneer ik de wijzen hoorde, ik wijsheid bekomen zou, maar wanneer ik gemeenschap had met de dwazen, dat ik dan dwaasheid zou verkrijgen.

Daarna zei hij: "Ik vraag, wanneer de hostie gevallen was, en een dier had die gegeten, of dan dit dier God had ontvangen of niet." Daarop antwoordde ik hem: "Aangezien gij mij op een anderen tijd dezelfde vraag gedaan hebt, bid ik u, beantwoord die zelf, daar ik dit niet doen zal, want ik gevoel, dat gij komt om mij in de strik te vangen." Hij zei, dat het tegen de leer der hogescholen was, vragen te doen en die te beantwoorden. Ik antwoordde, dat ik een vrouw was, en voorschriften der hogescholen niet kende. Na dit met hem te hebben gesproken, scheidde hij van mij met schone woorden.

De 23e Maart kwam mijn neef Britaigne tot mij in de kerker, en vroeg mij, of er geen middel was om mij te verlossen. Nadat wij samen gesproken hadden, ging hij naar de schout, om hem mijn zaken aan te bevelen. De schout antwoordde, dat hij graag doen zou wat hij kon, maar dat hij mij niet kon ontslaan zonder toestemming van de beambte der gemeente; want, daar men om dusdanige zaak niemand mocht gevangen zetten zonder orde van een beambte der gemeente, mocht men iemand ook niet ontslaan zonder hem.

Daarna ging hij naar de kanselier, die hem zeide, dat de zaak zo slecht stond, dat hij die niet zou durven uitvoeren zonder toestemming van de bisschop van Londen, en dat hij hem daarover spreken zou. Hij beval mij, dat ik de volgenden dag des namiddags om drie uur bij hem moest komen; en zei ook, dat hij tevreden zou zijn, wanneer men de wijze mannen ontbood, die ik begeerde, welke mijn verlangen zouden te kennen geven, en dat ik zonder hardheid zou behandeld worden. Toen zij wisten, dat ik dr. Crome, de heer Willem Witehead en Huntington verlangde, liet hij die door mijn neef Britaigne roepen, opdat ik hun zou meedelen, wat ik op het hart had.

De volgende dag liet de bisschop mij om één uur halen, hoewel hij dit bevolen had om drie uur. Toen ik hij hem kwam, zei hij, dat hij zeer bedroefd was om mijn treurigheid, en verlangde, dat ik de waarheid. zou belijden. Ik antwoordde: "Mijnheer, omdat gij het bepaald hebt om drie uur, zullen mijn vrienden niet voor die tijd komen. En nu zult gij mij het wel willen vergeven, dat ik u niet antwoord dan nadat zij gekomen zijn." Hij ging toen naar de galerij en gebood zijn dienaar, dat hij mij zou ondervragen, die mij dan ook vroeg: "Mejuffrouw, waarvan bent gij beschuldigd?" Ik antwoordde hem: "Vraag dit mijn beschuldigers, want ik weet het nog niet." Daarna nam hij het boek, dat ik in mijn hand. had, en zei: "Deze boeken zijn de oorzaak van uw lijden; wacht u, wacht u, want, die deze gemaakt heeft, is verbrand geworden op het Smitsveld." Ik vroeg hem, of hij er zeker van was, wat, hij zei. Hij antwoordde, dat hij zeer goed wist, dat het boek gemaakt was door Jan Frethes. Ik vroeg hem, hoe hij kon oordelen over een boek, voor hij dit had gezien. Mij dunkt zei ik, dat zulk een overhaast oordeel, en zonder betere ondervinding, een bewijs is van een onverstandig rechter. Met schande vertrok hij.

Vervolgens kwam mijn neef Britaigne, en de bisschop zei tot hem, dat hij mij moest aanraden het verborgene mijns harten te openbaren, en zei dan ook tot mij, dat hij graag zien zou, dat ik mijn vrienden vertrouwde, dat is, dat ik hun moest te kennen geven al wat ik op mijn hart had, en dat dit mij tot geen nadeel zou strekken. Ik antwoordde hem, dat ik niets had te zeggen, want dat mijn hart en geweten, Goddank, niet bezwaard waren. Daarna bracht hij een gelijkenis bij, die echter niet gepast was. "Wanneer iemand enige wond heeft, dan zal geen wijs chirurgijn zijn hand daaraan willen staan om die te helen, voor hij die ontbloot gezien heeft. Zo kan," ging hij voort, "ik u geen goede raad geven, wanneer ik niet weet, waarmee uw geweten bezwaard is." Ik antwoordde hem, dat mijn geweten niet bezwaard was; en een pleister te leggen op een gezonde huid, is dwaasheid. Toen zei hij: "Gij dwingt mij u te bezwaren, daar gij gezegd hebt, dat het sacrament, wanneer het in de bus of kast blijft, niets anders dan brood is." Ik antwoordde, dat ik dit niet gezegd had, en zei, dat de inquisiteurs mij zulk een vraag gedaan hadden, waarop ik niet wilde antwoorden, dan nadat zij mij gezegd zouden hebben waarom Stephanus gestenigd was. Zij zeiden, dat zij dit niet wisten en, toen zei ik tot hen, dat ik het hun ook niet zeggen wilde.

Toen zei de bisschop, dat ik toch de Schrift aanhaalde. Ik antwoordde, dat ik niets anders bijbracht dan wat Paulus zegt aan de Atheners, Hand. 17, dat God niet woont in tempelen door mensenhanden gemaakt. Hij vroeg mij, wat mijn geloof was in deze zaak. Ik antwoordde, dat ik geloofde, zoals de Heilige Schrift mij bewees. Hij vroeg: zegt de Heilige Schrift niet, dat het Christus lichaam is? Ik geloof het, zei ik, zoals de Schrift het zegt. Toen zei hij: "Wilt gij zeggen, dat de Heilige Schrift zegt, dat het Christus lichaam niet is? Ik antwoordde voortdurend, dat ik geloofde, zoals de Heilige Schrift het uitdrukt. En daarop wachtte hij een poos, terwijl hij dacht, dat ik hem enig antwoord zou geven, om aan zijn mening te voldoen; doch mijn antwoord was, dat ik geloofde, zoals ons Christus en Zijn Apostelen geleerd hebben. Hij vroeg mij, waarom ik zo spaarzaam met mijn woorden was. Ik zei, dat God mij gegeven had de gave om het te weten, en niet om het uit te spreken, en dat Salomo zegt, Spreuk. 19, dat het een gave van God is, als een vrouw weinig woorden heeft.

Vervolgens zei hij mij, dat ik gezegd had, dat de mis afgoderij was. Ik antwoordde hem, dat de ondervragers mij gevraagd hadden, of de zielmissen de doden baten of niet, waarop ik met luider stem had uitgeroepen: O Heere, wat grote afgoderij! dat wij veel meer de missen geloven zouden dan in de dood uw Zoons Jezus Christus. Toen zei de bisschop: "Welk antwoord is dat?" "Mijn heren", zei ik, "hoewel dit antwoord nietig is, toch is het voldoende op zulk een vraag." Daarna zei ik hem, dat er een priester was, die alles gehoord had, wat ik voor de schout en anderen betuigd had. Deze priester was de kanselier van de bisschop en daar tegenwoordig, die zei: "Het is waar, dat zij dus heeft geantwoord." Er waren ook nog andere priesters, zoals dr. Standish en anderen, die mij aanvielen; maar ik antwoordde hun gedurig, dat, wat ik de bisschop gezegd had, genoeg was. Dr. Standish zei tot de bisschop, dat hij mij zou gebieden mijn mening te openbaren over de plaats van Paulus. Ik antwoordde, dat het tegen de leer van Paulus was, dat een vrouw de Schriften uitlegde, vooral waar zovele geleerde mannen waren.

De bisschop zei, dat hij wel wist, dat ik een priester, die mij gevraagd had, of ik het sacrament met Pasen wilde ontvangen, had bespot. Ik verlangde dat ik mijn beschuldiger wilde zien. Doch de bisschop stond dit niet toe, en zei: “Ik had er u een gezonden om u te raden, maar bij het eerste woord hebt gij hem uitgescholden. Ik zei, dat ik dit niet loochende, want dat ik bespeurd had, dat hij een pausgezinde was, en gaf hem toen verder geen antwoord. Toen zei hij, dat ik zou gezegd hebben, dat er zestig priesters te Lincoln tegen mij gewapend waren. Inderdaad, zei ik, dat heb ik gezegd; want mijn vrienden hadden zij meegedeeld, dat, wanneer ik daar kwam, de priesters mij zeer veel leed zouden aandoen, waarop zij zich beroemd hadden. Ik maakte nochtans geen zwarigheid daarheen te gaan, want ik wist, dat mijn belijdenis goed was, en bleef er negen dagen, om te zien, wat men mij te zeggen had. Terwijl ik daarin het klooster was, en in de Bijbel las, kwamen tot mij van twee tot vijf ja soms zes paar mensen, om met mij te spreken; doch zij keerden terug en zeiden niets evenals onwetende en onverstandige mensen. De bisschop vroeg, of zij niet met mij gesproken hadden. Ik antwoordde hem, dat er eindelijk een geweest was, die iets tegen mij gezegd had, doch dat zijn woorden niet veel betekenden, zodat ik ze mij ook niet meer herinnerde. Hij zei mij toen: "Velen zijn er, die de Schrift lezen en kennen, maar zij volgen haar niet na." Ik hernam daarop, mijnheer, ik wenste wel, dat alle mensen met mijn handelingen bekend waren, daar ik verzekerd ben, dat er niemand is, zo hij de waarheid wil spreken, die iets van mij zou kunnen zeggen, wat niet recht en billijk is. Kent gij iemand, die iets anders getuigen kan, ik bid u, laat hij bij mij gebracht worden."

Daarna vertrok hij, en zei, dat hij mijn gevoelens bij wijze van artikelen optekende. Hij schreef dan ook iets, maar, wat dat was, weet ik niet, want ik kon er geen afschrift van bekomen.

Eindelijk bood de bisschop haar een geschrift aan, waaronder hij verlangde, dat zij haren naam zetten zou. Maar aangezien dit in alles niet billijk was, onderschreef zij het op deze wijze: “Ik Anna Askew geloof alle dingen, vervat in het geloof der christelijke kerk," enz. En omdat zij schreef "der christelijke kerk," ging hij woedend zijn kamer in, terwijl Britaigne, de neef van Askew, hem volgde, en smeekte haar genadig te zijn. De bisschop zei, dat zij niet eerlijk gehandeld had, om dus te schrijven, aangezien zij een vrouw was. Britaigne verzocht hem, dit ten goede op te nemen, daar dit vrouwelijke zwakheid was, en hij wijzer behoorde te zijn dan een vrouw,

Docter Weston ging tot hem en zei: "De reden waarom zij geschreven heeft "christelijke kerk" is, omdat zij niet verstaan had, dat het woord "kerk" reeds vroeger in het geschrift opgenomen was." Later ging de bisschop andermaal tot haar om haren naam en die van haar borgen te hebben. De vrienden en Anna dachten vrijheid te verkrijgen, volgens de bepalingen van de wet, doch zij werd naar de gevangenis terug geleid tot de volgende dag. Op die dag las men haar het geschrift van de bisschop voor, dat zij, zoals gezegd is, aldus had ondertekend, en zij werd weer naar de gevangenis gebracht. De volgende dag beval men haar borgen, om te verschijnen in de St. Pauluskerk, hetwelk zij deden. Na veel moeite en drukke gesprekken, namen zij van de borgen zekerheid, om haar voor te stellen en te doen komen zo dikwijls zij ontboden werd. Zo werd zij eindelijk verlost.

Enige tijd daarna werd Anna voor de raad des koning ontboden, om te verklaren, of zij in haar belijdenis wilde volharden, en wie haar in deze leer had onderwezen. Zij, antwoordde, dat zij aangaande haar geloof genoeg gezegd had, maar dat zij niet gezind was om iemand te beschuldigen. En, wat zij daar meer sprak, beschrijft zij aldus: ”Ik ben hier niet om verantwoording te doen voor mijn medegevangenen, omdat ik bij hun ondervraging niet geweest ben. Met mij ging het aldus. Toen ik voor de raad stond, werd ik ondervraagd door Mr. Kyme. Ik antwoordde, dat mijnheer de kanselier met mijn gevoelen in deze zaak zeer goed bekend was. Zij waren echter met dit antwoord niet tevreden, maar zeiden, dat de koning verlangde, dat ik hem de bijzonderheden zou openbaren. Ik zei hem ronduit, dat ik dit niet doen zou, maar, indien de koning mij wilde aanhoren, zou ik hem de waarheid zeggen. Toen zeiden zij, dat dit niet nodig was, want dat de koning gewichtiger zaken te doen had. Ik antwoordde, dat de allerwijste koning Salomo zich wel verwaardigd had het geschil aan te horen van twee arme, onzedelijke vrouwen; veel meer behoort hij naar zijn genade te horen naar een eenvoudige vrouw, zijn gehoorzame gelovige dochter. Zodoende gaf ik hem geen ander antwoord. Toen vroeg mij de kanselier hoe ik over het sacrament dacht. Ik antwoordde, dat ik altijd wanneer ik in de christelijke vergadering met dankzegging het brood ontving van de gedachtenis van de dood van Christus, volgens de instelling van Christus, de zegeningen van Zijn heerlijk lijden deelachtig werd.

De bisschop van Winchester gebood mij rechtuit te spreken. Ik zei, hoe zou ik een nieuw lied zingen in een vreemd land. Toen zei de bisschop dat ik figuurlijk sprak. Ik antwoordde hem, dat dit voor hem zo veel te beter was; want zei ik, wanneer ik de waarheid zei, zoudt gij haar toch niet aannemen. Hij begon toen te lachen en te spotten, en zei, dat ik een papegaai was. Ik zei, dat ik gewillig was, alle spotternij van hem te verdragen. Door de raad werd ik toen ernstig bestraft, omdat ik, in alles wat zij verlangden, mijn gevoelen niet wilde uitspreken. Aldus heb ik hun van tijd tot tijd voldoende geantwoord betreffende zaken, die te uitvoerig zouden zijn om mee te delen; want meer dan vijf uren bracht ik bij hen door.

Daarna bracht mij de klerk van de raad naar de jonkvrouw Garnisch. De volgende dag werd ik weer voor de raad gesteld, waar zij wilden horen, wat ik van het sacrament dacht. Ik antwoordde, dat ik gezegd had, wat ik zeggen kon. Na vele redekavelingen bevalen zij mij dichter bij te komen. Vervolgens kwamen de heer van Lysie, de heer van Essex en de bisschop van Winchester, die hartelijk begeerden, dat ik belijden zou, dat het sacrament vlees, bloed en been was. Ik zei toen tot de heer Par en tot de heer Lysie, dat het schande voor hen was, om mij dingen aan te raden waarvan zij het tegendeel wisten; waarop zij met weinige woorden antwoordden, dat zij wel wensten, dat alle zaken wel waren. De bisschop verlangde vriendelijk met mij alleen te spreken. Ik zei, dat Judas dit ook deed, toen hij Christus verried. Hij wilde mij toen er toe dwingen, doch ik weigerde het hem, waarvan hij de reden vroeg. Ik antwoordde hem, dat, gelijk de Schrift zegt, in de mond van twee of drie getuigen alle waarheid bestond. Daarna begon de kanselier alleen met mij te spreken en van het sacrament te ondervragen. Ik vroeg hem, hoe lang hij aan beide zijden zou hinken. Hij wilde toen weten, waar ik gevonden, had dat van aan beide zijden te hinken gesproken wordt. Ik zei, in de Schrift, 1 Kon. 18, vs. 21. Na deze woorden vertrok hij.

Na vele redenen en gesprekken over en weer, bestrafte de bisschop Anna, omdat zij de Schrift gelezen had."Hierdoor," zei hij, "bent gij tot dwaling vervallen, en blijft er hardnekkig in; het is der vrouwen ambt niet; ieder moet in zijn roeping blijven. Het betaamt een vrouw evenmin over de Schrift te oordelen, als een zeug om een zadel te dragen." Anna begon te lachen en zei: "Mijnheer, het is even betamelijk, dat een zeug het zadel draagt, als een ezel een bisschopsmijter."

De bisschop dreigde haar met de vuurdood. Zij antwoordde, dat zij de gehele Schrift had doorzocht, maar nog nooit gevonden had, dat Christus of Zijn Apostelen iemand hadden doen sterven, "Welaan," zei hij, "God zal uw bedreigingen bespotten."

Daarna kwamen dr. Core en dr. Kobinzon tot haar, maar zij konden het met elkaar niet eens worden. Zij schreven haar een briefje over het sacrament en wilden, dat zij dit zou ondertekenen, hetgeen zij echter weigarde. Daarna werd zij weer gevankelijk naar de kerker gebracht waar zij ernstig ziek werd, en dacht te zullen sterven. Zij verlangde daarom met Latimer te spreken, dat haar echter niet werd toegestaan. Hoe het verder met haar gegaan is beschrijft zij aldus:

"In deze plaats werd ik een ketterse genoemd, en veroordeeld voor de wet, wanneer ik niet van mening wilde veranderen. Ik antwoordde hem, dat ik niet ketters was, en volgens de wet van God, alleen om deze reden, de dood niet verdiend had. Ik betuigde, dat ik de belijdenis van mijn geloof, en wat ik de raad geschreven had, geenszins wilde verloochenen, omdat ik wist, dat het de waarheid was. Toen vroegen zij mij, of ik ook loochende, dat het sacrament het lichaam en bloed van Christus was. Ja, zei ik, want de Zoon van God, die geboren werd uit de maagd Maria, is thans verheerlijkt in de hemel, en zal van daar ten jongste dage komen, gelijkerwijze Hij is opgevaren. En, wat gij uw God noemt, is een stuk brood. Wilt gij dit beproeven? Let er eens op: sluit het in een kast, en eer drie maanden zijn verlopen, zal het verschimmeld en verloren gegaan zijn. Dit geeft mij de verzekering, dat het geen God is Daarna wilden zij mij een priester zenden, doch ik begon te lachen. Zij vroegen mij, of dit niet goed was. Ik zei, dat ik mijn misdaden voor God zou belijden, en dat ik verzekerd was, dat Hij mij door Zijn genade zou verhoren. Zo werd ik veroordeeld.

Wat ik omtrent mijn geloof aan de raad schreef was, dat het gewijde brood ons beschikt wordt, opdat wij het met dankzegging gebruiken zouden ter gedachtenis van de dood van Jezus Christus, teneinde het enige geneesmiddel voor onze ziel te verkondigen; want in het nachtmaal ontvangen wij de weldaden en zegeningen van Zijn heerlijk lijden.

Daarna wilden zij weten, of het brood, dat zij in hun bussen hadden, God was of niet. Ik zei"God is Geest,en wil in geest en waarheid aangebeden zijn." Verder vroegen zij:"Loochent gij dan ten enenmale, dat Jezus Christus in het sacrament is?" Ik antwoordde, dat ik geloofde, dat Jezus Christus, de enige Zoon van God, daar niet in woont.

Op zekere Dinsdag daarna werd ik uit de gevangenis naar de kroon geleid, waar zekere Mr. Riche en de bisschop van Londen met allen ijver en onder vleierijen beproefden mij van God afvallig te maken. Doch ik verwierp en verachtte hun ijdele aanhalingen uit verschillende schrijvers. Een hunner, wiens naam Nikolaas Sarton was, raadde mij aan om te doen,zoals hij gedaan had, doch ik antwoordde hem, dat het beter voor hem zou zijn, indien hij niet geboren ware geworden, en ik sprak vele andere woorden meer.

Toen liet Mr. Riche mij in de gevangenis van de Tower te Londen brengen. Nadat ik daar enige tijd had vertoefd, bevalen Mr. Riche en een ander lid van de raad mij, met alle gehoorzaamheid te zeggen, of ik geen mannen of vrouwen van mijn geestverwanten kende.

Ik antwoordde van neen. Aangaande vele vrouwen van het hof ondervroegen zij mij, en zeiden, dat het de koning gezegd was, dat ik velen van mijn sekte kende. Ik zei, dat men de koning zeer slecht had ingelicht.

Daarna vroegen zij mij, wie mij in de gevangenis had geholpen, en de raad gegeven om mijn gevoelens vast te houden. ik zei, dat geen schepsel mij de mond had gegeven; dat al de hulp, die ik in de gevangenis genoten bad, mij door mijn kamenier betoond was. Toen zij namelijk te Londen door de straat ging, hebben vele bedienden en leerlingen uit de winkels mij geld gezonden maar, wie zij waren, weet ik niet. Zij zeiden, dat vele vrouwen en jonkvrouwen mij geld gezonden hadden. Ik beleed, dat dit waar was, maar dat ik ze, niet kende, dan alleen een man, die mij twee kronen bracht, welke de vrouw van Hertford mij toe zond, en een andere, die mij ongeveer anderhalve kroon deed toekomen, die ik echter niet kende. "Bovendien," zei hij, "bevinden zich in de raad zeer velen, die u bijstand verlenen." Ik zei, dat het niet zo was.

Dit voorbij zijnde, werd ik op de pijnbank gelegd, omdat ik niet zeggen wilde, wie mijn geestverwantenwaren. Mijn pijnigingen duurden zeer lang. En, aangezien ik lijdzaam genoeg, en geen groot misbaar maakte, deden de kanselier zelf en Mr. Riche alle moeite, om mij met hun eigen handen te trekken en te pijnigen, zodat ik bijna bezweek. Doch de stadhouder van de Tower liet mij losmaken, waarop ik terstond in onmacht viel, evenals iemand die sterft. Nadat ik een weinig moed had herkregen, sprak de kanselier omtrent twee uren met mij, terwijl ik op de grond lag uitgestrekt, en meende mij van mijn gevoelens af te trekken; doch de Heere mijn God, Die ik eeuwig danken zal, bewees mij de genade volstandig te blijven, wat ik hoop te zullen blijven tot het einde toe.

Toen werd ik in een huis gedragen, en op een bed gelegd, waar ik in mijn tedere leden zulk een grote smart leed, als, geloof ik, nooit iemand uitstond. Ik dankte God de Heere. De kanselier vroeg mij nog eens, of ik mijn gevoelens wilde laten varen, dan zou ik weer in eer hersteld worden en niets zou mij ontbreken; maar, wanneer ik het niet deed, zou hij mij weer in de gevangenis opsluiten en daarna laten verbranden. Ik zei hem kortweg, dat ik liever wilde sterven dan mijn geloof jegens God verzaken. Aldus werd ik eindelijk weer in de kerker gebracht, waar ik de volgende verklaring schreef:

"Ik Anna Askew, in vrome hoop, weet zeer wel, dat mijn barmhartige Vader mij geeft het brood der lichamelijke pijnen en het lijden, maar toch zo zwaar niet als mijn misdaden wel verdiend hebben. Ik belijd, dat ik een arme zondares ben voor Zijn majesteit, en bid om Zijn eeuwige genade. Want ofschoon ik ten onrecht door de mensen om mijn gevoelens veroordeeld word, neem ik de eeuwige God, Die hemel en aarde gemaakt heeft, tot getuige, dat ik geen gevoelens aankleef tegen Zijn goddelijk Woord; en ik hoop van Hem, Die een uitdeler van alle genade is, dat Hij mij beschermen zal tegen alle leringen, die tegen Zijn heilige waarheid strijden.

Dat ik als een ketter veroordeeld ben, is omdat ik belijd, dat het gewijde brood, na de inzegening van de priester, is en altijd blijft brood, terwijl zij geloven, dat, wanneer de priester de woorden der inzegening gesproken heeft, het dan geen brood meer blijft, maar het lichaam van Christus is, dat aan het kruis hing, bestaande in het vlees, bloed en beenderen, hetwelk ik niet geloof. Immers, de artikelen van het geloof zouden vals moeten zijn, daar zij uitdrukkelijk zeggen, dat Hij zit ter rechterhand des Vaders, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ziehier nu de ketterij, die ik belijd, waaraan ik vasthoud, en waarom ik sterven moet. Betreffende het heilige nachtmaal des Heeren geloof ik, dat het een noodzakelijke gedachtenis is van Zijn dood en lijden. Voorts neem ik ook alles aan, wat mijn Verlosser Jezus Christus gebiedt te geloven. Eindelijk geloof ik, dat al de Schriften waarachtig zijn, die Hij met Zijn dierbaar bloed bezegeld heeft. Ja, gelijk Paulus zegt, dat de Schrift, die Hij ons beschikt heeft, genoegzaam is tot onze lering en zaligheid, zodat ik geloof, dat ons geen andere waarheid nodig is, dan deze beschreven, waardoor God Zijn gemeente regeert.

En, aangezien Hij mij die met Zijn eigen Woord in het Evangelie geleerd heeft, heb ik die, door de genade Zijns Geestes, in mijn hart weggelegd, en mijn volmaakte hoop is, dat Zijn Woord, zoals David zegt, een lamp voor mijn voeten wezen mag. Er zijn er, die zeggen, dat ik de eucharistie verloochen, of het sacrament der dankzegging, doch dit is vals en ergerlijk van mij gezegd; want ik belijd en geloof, dat, wanneer de sacramenten bediend worden, zoals Christus die heeft ingesteld, en ons heeft nagelaten, zij een bijzondere versterking voor ons allen zijn. Maar aangaande uw missen, zoals men die nu bedient, zeg ik, dat het de gruwelijkste afgod is, die ter wereld bestaat; want mijn God wil niet met de tanden gegeten worden, en Hij sterft niet weer. Voorts ben ik bereid de dood te sterven op wat ik gezegd en beleden heb." Voor zij gedood werd, deed zij met een vurig hart het volgende gebed: "0 Heere, ik heb nu meer vijanden dan haren op mijn hoofd, maar laat niet toe, dat ik door hen met ijdele woorden overwonnen word. Strijdt Gij voor mij, want ik hoop alleen op U. Helaas, ik ben uw arm schepsel! 0 zoete Heere, geel mij voortdurend vrijmoedigheid, om tien te verachten, die tegen U opstaan, want in U is al mijn welbehagen! 0 Heere, van ganser hart begeer ik, dat Gij door Uw barmhartige goedheid hun wilt vergeven, die mij leed aandoen of aangedaan hebben. Open ook hun ogen, die bezwaard of overvallen zijn door blindheid, opdat zij hierna doen mogen, wat U welbehaaglijk is, en dat u we waarheid eenmaal verschijne in dit koninkrijk, en alle menselijke leringen uitgeworpen worden. 0 Heere alzo moet het geschieden!"

In diezelfden tijd werden ook drie godvruchtige mannen, Jan Lacels, Jan Adlams en Nikolaas Belenian een priester te Shropshire, gevangen genomen, omdat zij de schandelijke afgoderij der beelden bestraften en de beelden, zoals de goddelijke Schrift doet, verwierpen en vervloekten.

Zo werden dan eindelijk Anna Askew en deze drie vrome mannen ter dood veroordeeld, en tegelijk, om de getuigenis der Evangelische waarheid op het Smitsveld te Londen verbrand. Goedsmoeds gingen zij naar de gerichtsplaats, en prezen uit de vlammen met lofzangen de eeuwige en almachtige God. Dit gebeurde op de 16e juli in het jaar 1546.

Ten zelfden tijde werd er in de wolken aan de hemel een zeer zonderling geluid gehoord, en God de Heere wreekte van stonde aan de dood van Zijn onschuldige getuigen voor de ogen der mensen, en wel aan de wrede heer van Norfolk en diens zoon, tot een voorbeeld van alle anderen, die de Heere Christus Jezus en Zijn leden vervolgen, vermoorden en ombrengen.

 

Veertien burgers te Meaux, in Brie verbrand

 

[JAAR 1546.]

 

Tot de steden van Frankrijk, waar het Evangelie van Jezus Christus gepredikt was, en die het Woord Gods met ijver hadden aangenomen, moet vooral gerekend worden de stad Meaux, in Brie, aan de rivier de Matne, tien mijlen van Parijs gelegen. Onder de heerschappij van de bozen antichrist waren er zeer weinige steden, waar de godzalige leer met zulk een groten ijver werd ontvangen, met zo vurig verlangen begeerd, zo gemakkelijk zich uitbreidde, en met zulke standvastigheid werd beschermd en vastgehouden als in genoemde stad.

Het middel, waardoor God de Heere deze stad heeft verlicht door Zijn helder schijnend Woord, was Willem Briçonnet, bisschop in deze stad, een geleerd man, bezield met ijver om de waarheid te belijden, en vervuld van de zucht om die te verbreiden.

Toen hij pas in zijn bisdom kwam, ging hij, zoals een goed herder betaamt, zijn gemeente, in zijn bisdom gelegen, bezoeken, en vond daar het volk geheel vervreemd van de kennis van God en als verlaten, want, wat hun door de Minderbroeders en andere bedelmonniken onderwezen was, diende alleen tot voordeel van de kloosters en tot vulling van de buik der monniken. Toen de bisschop hun loosheid en hun bedrog zag, verbood,hij hun, door een heiligen ijver bezield, in zijn gehele bisdom te prediken, en stelde in hun plaats andere godvruchtige mannen aan, onder wie zich bevonden Jakobus Faber, Stapulanus, Michaël Arandensis, Martialis en Gerardus Rufus, door wier vlijt en ijver, als ook door de goede gezindheid van de bisschop, die de waarheid Gods verkondigde, en geen kosten spaarde om geschikte boeken daartoe te verkrijgen, de kennis van het Evangelie spoedig werd uitgebreid. Door het gehele koninkrijk weerklonk dit lofwaardig gerucht, dat menigeen met ingenomenheid hoorde, maar anderen zeer verbitterde en ergerde.

Intussen schoot het zaad, dat in de gemeente uitgestrooid was, dagelijks meer en meer op, en bracht overvloedige vruchten voort tot vertroosting en zaligheid der uitverkorenen, totdat de satan, de vorst der duisternis en de vijand van het zalige licht, de val van zijn rijk zag, en van zijn gewone middelen begon gebruik te maken, namelijk van de grauwe monniken, die de bisschop Briçonnet voor de hoogste raad lieten roepen en hem van ketterij beschuldigden. Bij deze monniken sloten zich de leraars van de Sorbonne en andere vijanden der Evangelische waarheid aan. De handlangers van de duivel vielen eerst de bisschop aan, die zij gemakkelijk tot afval wisten te verleiden. Daarna besprongen zij met meerder geweld de anderen. Van ben, die zij vast en sterk in het geloof bevonden, werden sommigen verbrand, onder wie zich een jongeling bevond, meester Jakob genaamd. Hij was een onderwijzer, die met zulk een ijver de leer der waarheid bevorderde, dat hij het eerst te Parijs verbrand werd om de zuivere leer van het avondmaal, die toen bij zeer weinig mensen bekend was. Sommigen werden gegeseld, anderen onder grote schande op het schavot tentoongesteld, verjaagd of uit Frankrijk gebannen. Ja, de vijanden van het evangelie rustten niet, voordat de vrijheid tot de verbreiding der waarheid was ontnomen, en het heldere licht en de zaligmakende kennis die vroeger zo heerlijk scheen en bloeide, was onderdrukt en vernietigd. Nochtans konden zij, met alles wat zij deden, niet zoveel uitrichten, dat zij de kennis der waarheid, die in de harten van vele mensen was ingedrukt en bevestigd, uitroeiden of vernietigden. Want, toen de goedgezinde lieden, in wier harten de vrees Gods en de kennis leefden, ondervonden, dat de waarheid in het openbaar niet meer kon worden beleden, begonnen zij geheime vergaderingen samen te houden, naar het voorbeeld der Profeten, die onder Achab, en van de christenen, die in de eerste bloei der kerk leefden, die, om de gruwelijke vervolgingen te ontgaan, geheime plaatsen bezochten, die geschikt waren om te bidden. Aldus kwamen ook deze godvruchtige lieden, naar de gelegenheid zich voordeed, nu eens in een huis, dan weer in een grot, soms ergens in een wijngaard of woud samen. In zodanige samenkomst vertroostte, vermaande en onderwees hij, die het meest in de Heilige Schrift ervaren was, de anderen uit Gods Woord. Wanneer dit afgelopen was, baden zij eendrachtig vurig de Heere aan, wensende en hopende, dat Frankrijk weldra het Evangelie mocht aannemen, en niet langer het boos en goddeloos geweld van de antichrist verdragen.

Eindelijk, nadat zij geruime tijd gewacht hadden, en er in het geheel geen verbetering of verandering in de godsdienst plaats had, ja, de verfoeilijke bijgelovigheden en schandelijke gruwelen, door de paus ingevoerd, dagelijks toenamen en ingang verkregen, begonnen sommigen, die wat vuriger van geest waren, en zich van de tijd aan, dat zij de kennis der waarheid hadden ontvangen, van alle afgoderij onbesmet bewaard hadden, volgens zekere regel van een christelijke gemeente zich te verenigen in het jaar onzes Heeren 1546. Om dit tot stand te brengen vonden zij bijzondere aanleiding in de buitengewoon schone verordening der Waalse gemeente te Straatsburg ingesteld, die bij ieder godzalige bekend is, welke ook enige van hen hebben bezocht, die met vlijt er kennis van namen. De voornaamste ontwerpers en bestuurders in deze gehele zaak waren Stephanus Manginus, een zeer goed en bejaard man, Petrus de Klerck, een wolkammer van beroep, doch in de Heilige Schrift zeer goed geoefend, in de taal, die men in Frankrijk gewoonlijk spreekt. Met enige anderen, ten getale van veertig h vijftig, hielden deze samen raad, om een dienaar onder ben te kiezen, die hun het Woord Gods zou verkondigen en de sacramenten bedienen. Deze zaak werd niet lichtvaardig en onbedacht begonnen, want, toen zij allen met eenparige harten enige dagen met vasten en bidden hadden doorgebracht, werd Petrus de Klerck met algemene stemmen tot hun dienaar gekozen, die zijn ambt met naarstigheid en ijver bekleedde, en al de broeders des Zondags en op heilige dagen samen bracht in het huis van Stefanus Manginus. In zulke vergaderingen legde hij hun de Heilige Schrift uit, naar de genade en het verstand hem door God geschonken. Zij zonden ook samen hun gebeden tot de almachtige God, en zongen psalmen en geestelijke liederen. Daar vierde zij ook eens of meermalen het avondmaal zoals het door Christus was ingesteld, na de belofte te hebben afgelegd de roomse afgoderij niet meer te willen aanhangen. Deze kleine vergadering breidde zich in korte tijd dermate uit, dat het aantal, dat daar samenkwam, spoedig klom tot drie of vierhonderd mensen, zowel mannen als vrouwen, jongen en bejaarden, niet allen uit de stad, maar ook uit de dorpen, zelfs vijf á zes mijlen in het rond. Dit was de reden, dat zij door enige boze mensen werden verraden en beschuldigd. Hierbij werden zij door sommige goedgunstige lieden gewaarschuwd, dat zij zich voor de lagen en listen zouden wachten. Zij antwoordden echter, dat al de haren van hun hoofd geteld waren dat er geschieden moest, wat de Heere behaagde.

De 8sten September in het jaar 1546, de dag waarop de roomsen de geboorte van Maria vierde, des ochtends omtrent zeven uur, kwam er een bode bij de overheid, die zei, dat zij nu hun samenkomst aanvingen. Toen de overheden dit vernamen, kwamen zij en de ambtman met zijn dienaren, handlangers en ook de provoost of Rooderoede met zijn dienaren en knechten, die belast zijn het land te beveiligen tegen moordenaars en ander slecht gespuis.

Deze kwamen aan het huis van Manginus, en gingen de kamer binnen, waar de anderen waren samen gekomen. Petrus was juist bezig aan de gemeente een plaats uit te leggen en te verklaren uit de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs. Enige ogenblikken bleven zij stil staan, alsof zij verwonderd waren. Eindelijk vroeg de overheid, wat al die lieden daar deden, en waarom zij niet naar hun kerken. gingen. “Zij doen," zei Petrus, "wat gij nu ziet, doch houdt u een weinig stil, totdat wij geëindigd hebben."

De anderen zeiden, dat zij gevankelijk met hen moesten mee gaan. " Welaan," zei Petrus "wanneer dit de Heere alzo behaagt;" en hij liet zich terstond binden. Deze zachtmoedigheid volgden de anderen ook na, zo mannen als vrouwen, ten getale van twee en zestig.

Onder deze bevond zich een meisje, dat door haar jeugd niet wist, met welke groten haat de waarheid van het Woord Gods werd verdrukt, Toen deze zag, dat zij gevangen genomen werd, omdat zij in zulk een heilige en eerwaardige vergadering tegenwoordig geweest was, zei zij tot de overheid: "Wanneer gij mij in een bordeel of andere schandelijke plaats had gevonden, zoudt gij mij niet aldus laten binden."

Doch de overheid legde haar het zwijgen op, en aldus werd deze gehele menigte naar de stadsgevangenis gebracht. Het was waarlijk een wonderlijke zaak, te zien hoeveel mannen en vrouwen zo gewillig en zachtmoedig door zo weinige dienaren geleid werden. Indien zij enige weerspannigheid hadden willen betonen, zouden zij gemakkelijk door ouders en vrienden, die in de stad waren, zijn verlost geworden. Zij wilden dit echter niet doen, en gingen zelfs vrolijk en opgeruimd langs de straat en zongen psalmen, vooral de 79sten psalm: "Heere, de heidenen zijn in uw erfdeel gevallen; zij hebben uw heilige tempel ontheiligd."

Toen zij in de gevangenis waren gesloten, begon men hun aangaande hun samenkomsten te ondervragen. Onder andere dingen, waarmee zij hen beschuldigden, was het voornaamste en ergste, dat zij het avondmaal des Heeren gehouden hadden. Men behoeft niet te vragen, hoe de pausgezinden en monniken om deze zaak alleen beroerd en woedend waren, vooral toen zij zagen, dat zij geheel in verachting zouden geraken wanneer deze hun grote waardigheid, die zij reeds lang ongedeerd hadden opgehouden, vallen zou in de handen der ongeleerde ambachtslieden; wanneer ook de vette offerande, die niet gehouden werd ter gedachtenis van Christus, maar alleen ten bate van de keuken en de buik, als rook verdwijnen zou.

Toen men nu alles ondervraagd had, wat tot verdrukking der onschuld en der waarheid dienen kon, bond men ben als schapen en lammeren, wierp hen op de wagen zonder stro of iets anders, dat tot gemak kon dienen. Aldus werden zij zonder verwijl met de grootste spoed naar Parijs gevoerd; zodat sommigen van hen, die door ouderdom en zware arbeid zwak en gebrekkig waren, door de ongebaande weg en het schokken van de wagen, zeer gekneusd en verminkt waren voor zij op de pijnbank, waarop men hen zou ondervragen, gelegd waren. Zij leden daar zware pijnigingen, vooral de veertien mannen, die door de hogen raad te Parijs ter dood veroordeeld werden.

Deze mannen waren: Petrus de Klerck, Stefanus Manginus, Jakop Bouchebee, Jan Brisebarre, Hendrik Hutinot, Thomas Honoratus, Jan Boudovin, Jan Flesche, Jan Piquery, Pieter Piquery, Jan Matheston, Filippus Petit, Michiël Caillon, en François de Klerck, die allen werden veroordeeld om op een stuk gevlochten tiendwerk voorgesleept en levend verbrand te worden op de grote marktte Meaux, op een geschikte plaats, naast het huis van Manginus, waar zij hun samenkomst hadden gehouden.

De anderen, die niet zo vast en volstandig waren in de godzalige leer, ondergingen niet zulk een wreed vonnis, maar moesten toch veel uitstaan; want sommigen werden gegeseld, anderen gebannen, enige werden te schande gesteld, om namelijk toeschouwers te zijn van de dood der genoemde mannen, onder wie er een was, die onder de armen met touwen werd gebonden en alzo opgehangen, met een strop om de hals, opdat hij te beter het ter dood brengen der anderen zien zou. Sommige vrouwen werden ook veroordeeld, om haar mannen met schande te zien ombrengen.

Eindelijk bepaalde de raad ook en beval, dat het huis van Matiginus, waar zij gewoon waren geweest samen te komen, tot de grond moest worden afgebroken, tot een eeuwige gedachtenis van zulk een boze daad, zoals zij dit noemden; en dat men op die plaats een kapel zou oprichten, waar men ter ere van hun afgod, die zij uit het brood scheppen en maken elke Donderdag een plechtige mis zou doen, waarvan de kosten betaald zouden worden uit de bezittingen van hen, aan wie alles op wrede wijze ontnomen was. Ziedaar wat in het voortreffelijke vonnis te Parijs vervat was.

Toen het vonnis door de raad was geveld, was de duivel niet tevreden met het bloed der rechtvaardigen, daar hij zag dat daarmee niets gewonnen was, om zijn rijk te versterken, maar veel meer, dat hij overwonnen en beschaamd zou worden, wanneer deze in de belijdenis der waarheid standvastig bleven. Op allerlei wijze benaarstigde hij zich dan ook, om hen van hun geloof af te trekken, en hun standvastigheid aan het wankelen te brengen, wanneer hij die niet met geweld kon verbreken. Als een vorst en ingever van allen kwaden raad blies hij de rechters in, dat zij deze veertien, die ter dood veroordeeld waren, in de kloosters moesten plaatsen, de een van de ander gescheiden, en dat zij alzo ieder in het bijzonder moesten beproeven.

Doch, toen zij alles beproefd hadden, en bevonden, dat deze mannen standvastig en onwankelbaar waren, en men hen niet in het minst van hun geloof kon afbrengen, leverden zij hen aan Gillis Berthelot, de beambte, over, om hen naar Meaux over te brengen, en daar het vonnis aan hen te voltrekken. Deze veertien mannen werden op een wagen gelegd, en, om hun allerlei verdriet aan te doen en van allen troost te beroven, reden er twee leraars van de Sorbonne, dokter Maillard en dokter Picard, op ezels nevens de wagen, die hen zonder ophouden met schandelijke woorden aanvielen, om de godvruchtigen van het geloof af te trekken, zo zelfs, dat Petrus de Klerck met een verontwaardigd gemoed tot Picart zei: "Ga van ons, gij Satan, en verhinder ons niet aan God te denken."

Terwijl zij deze treurigen tocht met grote moeite, pijn en onderverzoeking deden, liet God iets geschieden, dat waardig is te worden verhaald, en dat die beklaaglijke lieden, welke naar lichaam en ziel zeer gekweld, benauwd en verslagen waren, zeer versterkte en bemoedigde. Toen zij namelijk door het bos van Luren, dat drie mijlen van Parijs licht, reden, kwam hen uit het naaste dorp Couberon, iemand tegen, die wever van beroep was. Hij liep naast de wagen, en vermaande hen, dat zij vromelijk in de belijdenis der waarheid moesten volharden. "Mijn broeders en vrienden," zei hij "weest welgemoed en sterk van hart, weest niet versaagd om van het Evangelie, zoals het behoort, een vrijmoedige getuigenis te geven."

Doch, aangezien de wagen met grote snelheid voortreed, zodat hij door de voorsten niet goed kon worden verstaan, stak hij zijn hand omhoog, en riep luide: "Broeders, denk aan Hem, Die daar boven in de hemel is." De dienaars en knechten, die de beambte volgden, dachten, dat hij een Lutheraan was, en wierpen hem, zonder hem iets te vragen, op de wagen, waar de anderen op lagen.

Zo zijn de wonderbare wegen des Heeren, welke niemand erkent dan zij, die Zijn wil en Zijn voorzienigheid opmerken en ondervinden. Immers, deze man, die door zulk een goddelijke ijver hen aansprak, heeft hun flauwhartigheid en moedeloosheid derwijze verzoet, vertroost en versterkt en hun krachten alzo vernieuwd, dat sommigen beleden, dat de komst van dezen man hen dermate verheugde, alsof er een Engel uit de hemel tot hen gezonden was, om hen te vertroosten; zo zelfs, dat zij, die vroeger wegens grote droefheid hadden gezwegen, hun hoofd begonnen op te heffen en zich in de geest verblijdden. Alzo boezemde deze ambachtsman, uit een woest bos komende, hun goede moed in, teneinde het Evangelie van Jezus Christus te handhaven. Toen zij in het dorp te Liuren kwamen, en het volk met grote scharen naar de weg liep, waar de wagens voorbijgingen, en dezen man zagen, die zij goed kenden, riepen sommigen, dat hij een Lutheraan was, en nog meer dan enig ander, die bij hem zat, verdiende verbrand te worden, hetwelk de beambte en zijn dienaars aanleiding gaf, om hem stevig te binden.

Toen zij te Meaux kwamen, sloot men hen andermaal in de gevangenis, legde hen op de pijnbank, pijnigde en ondervroeg ben, vooral de veertien mannen; doch zij verrieden niemand van hen, die de Evangelische leer hadden aangenomen. Terwijl zij op de pijnbank uitgerekt en als vaneen gescheurd werden, was er een van hen, die zeer vrijmoedig de pijnigers en beulen toeriep en opwekte, dat zij het onzalige lichaam niet sparen moesten, dat zich zozeer tegen de Geest en de wil Zijns Scheppers weerspannig betoond had.

Des anderen daags, toen zij ter dood zouden gebracht worden, begonnen de leraren weer met hen te redetwisten, vooral over het avondmaal. Toen Picart en de anderen in het geheel niet wisten wat zij zeggen zouden, vroeg Petrus de Klerck hun, waarop zij hun verandering of transsubstantiatie grondden, en waaraan zij wisten, of zij ook, wanneer zij het brood aten en de wijn dronken, enige smaak van vlees of brood ondervonden.

Eindelijk hield men hun voor, dat wie in de oren der overpriesters wat fluisteren, dat is, hun zonden biechten wilden, deze enige genade zouden ondervinden, namelijk, dat men hun tongen niet zou uitsnijden. Van de genoemde veertien waren er, zeven, die door enige moedeloosheid, of omdat zij dachten, dat er niet veel aan gelegen was, de voorgestelde voorwaarde aannamen, en wel tot grote droefheid van de anderen, die door generlei bedreigingen of beloften hun belijdenis wilden verzaken.

Omtrent twee uur in de namiddag werden zij uit de gevangenis gehaald. De beul eiste toen van Stephanus Manginus het eerst de tong die hij gewillig uitstak. Toen de beul die uitgesneden had, spuwde Manginus het bloed uit, en sprak nog zo verstaanbaar, dat men hem drie malen hoorde zeggen "De naam des heeren zij geprezen!" Hij werd terstond op een stuk tiendwerk geworpen, wat men ook aan Petrus de Klerck deed, en weggesleept; de anderen werden op een wagen vervoerd.

Zij, die niet ter dood veroordeeld waren, volgden hen terstond te voet tot op de grote markt. Daar waren, tegenover het huis van Manginus, veertien galgen opgericht, en wel in het rond, ringsgewijs en nog een andere galg, wat verder van de anderen staande, waaraan men de Jongeling Michiel Piquery onder de armen hangen zou, en wel omdat zij zich schaamden hem, jong als hij was, te verbranden.

De beulen bonden hen als schapen, die naar de slachtbank geleid werden. En, toen zij, wien de tong was uitgesneden, de Heere loofden, en de anderen psalmen zongen, begonnen de mispriesters, als dolle en woedende lieden, ook te roepen en te zingen: "0 salutaris Hostia," en “Salve regina" en dergelijke schandelijke godslasteringen meer; en hielden niet dit geroep en geschreeuw niet op, dan nadat deze heilige offeranden als in een zoete reuk door het vuur waren verslonden.

Des anderen daags, de achtsten der maand hielden de vijanden van het Evangelie, alsof zij hun zaken goed hadden gedreven, een prachtige en weelderige processie, alsof zij de waarheid nu als gevangen en in triomf rondleidden. Bij deze processie droegen zij hun hostie, verlicht en versierd met een groot aantal kaarsen en flambouwen. Toen zij aan de plaats kwamen, waar deze heilige martelaren waren verbrand, en het vuur nog brandde, zetten zij daar hun hostie neer. Bij die gelegenheid klom Picart op de predikstoel, waarboven een goud laken uitgespannen was, opdat de zon zijn hoofd niet zou beschijnen. Daar begon de zogenaamde voortreffelijke en geleerde dokter te prediken en te schelden tegen hen, die daar verbrand waren, en zei, dat het ter zaligheid nodig was te geloven, dat deze in het diepst der hel veroordeeld waren; en, al kwam er een engel uit de hemel, die wat anders verkondigde, men die niet moest geloven; ja, dat God geen God zou zijn, wanneer Hij die niet in eeuwigheid verdoemde. Doch met al hun schelden en verdoemen konden zij de vrouwen, wier mannen verbrand waren, er niet toe brengen dit ook te belijden. Integendeel, deze verklaarden, dat zij in al de tijd, die zij met haar mannen hadden geleefd, van hen niet anders ondervonden en aanschouwd hadden in de vrees Gods en alle godzaligheid, waarna immers de eeuwige verdoemenis niet volgen kan.

Intussen waren deze bloeddorstige mensen nog niet verzadigd bij al het storten van dit onschuldig bloed; maar gingen met allen ijver als grijpende wolven voort, om de kudde des Heeren te verdrukken en om te brengen, en alzo Zijn erfgoed te vernielen. Tijdens deze vreselijke en gruwelijke vervolgingen, vluchtten velen naar andere steden in de nabijheid en verafgelegen. Deze verstrooiing intussen was het Evangelie zeer bevorderlijk; want ieder, naar de gaven en gelegenheid hem verleend, betuigde, beleed en bevorderde de waarheid, zoals Pharon Mangenius te Orleans en in andere plaatsen met groten ijver deed, en ook Petrus Bonpain te Aubigny. Deze werd later te Parijs verbrand.

 

Sanctus Nivet

 

[JAAR 1516.]

 

Toen de bovengenoemde veertien mannen verbrand waren, zocht men ook naar zekere Sanctus Nivet, geboren te Meaux, in Brie gelegen. Gedurende enige tijd vertrok hij met zijn vrouw naar het Evangelische land. Toen hij echter bemerkte, dat hij in de stad Montbeliard niet veel kon doen, aangezien hij zwak van gestel was, en geen zwaar werk kon verrichten, wilde hij terugkeren. De bedienaar van het Woord Gods en ook diens vrouw rieden hem dit af. Hij antwoordde echter, dat zij daar een veel te gerust en gemakkelijk leven leidden, hetwelk oorzaak was, dat zij niet zo ijverig waren om Gods Woord en eer te verbreiden, want onder het kruis worden de harten te beter door Gods Woord in ijver ontstoken.

Hij keerde alzo naar Meaux terug, en hield zich daarin de openbare straat in een burg, te St. Martijn bezig met het verkopen van enkele kleine artikelen. Terstond werd hij herkend en gevangen genomen. Zijn vonnis was spoedig geveld, aangezien hij meer beleed dan de rechters wel wilden horen.

Onder meer zaken is vooral der vermelding waardig, dat hij eens een rede gehouden had, waarbij de rechters, om hem bevreesd te maken, vroegen "Wilt gij dat voorstaan of verantwoorden?" Hij antwoordde daarop: "En gij, mijn heren, zoudt gij wel durven loochenen, wat zo openbaar en waar is?” Toen men hem beval, dat hij genade zou vragen, bad hij de rechters ootmoedig, zowel te Meaux als te Parijs, dat zij om de ere Gods, medelijden zouden hebben met hun eigen zielen, en aan hun zaligheid denken, aangezien zij zo veel onschuldig bloed vergoten en krijg gevoerd hadden tegen Jezus Christus en Zijn heilig Evangelie.

De stadhouder van Meaux, die de vroomheid van deze man zag, die naar zijn beweren erger was dan die van de genoemde veertien samen, verzocht aan de president, meester Pieter Liset, dat men hem niet te Meaux ter dood zou brengen, en wel uit vrees, zoals hij zei, dat deze hardnekkige man het volk zou verderven, dat is, het geringe volk meeslepen. Zij lieten hem de dood ondergaan te Parijs, omstreeks het jaar 1546.

 

George Sophocardius

 

[JAAR 1547.]

 

In deze geschiedenis wordt ons op treffende wijze beschreven de onbeschaamde en hoogmoedige goddeloosheid van een wrede Schotse kardinaal, wiens voortdurend streven was de voortgang van het evangelie zo veel mogelijk te verhinderen, en die een getrouw bedienaar van het Woord Gods liet ombrengen. Maar, gelijk aan de een zijde de wijsheid en de barmhartigheid van God aan deze George Sophocardius gebleken zijn, alzo deed God aan de anderen kant Zijn rechtvaardig oordeel blijken in de dood van deze kardinaal, die hem werd voorzegd door deze uitnemende getuige des Heeren.

Jakobus de vijfde, koning van Schotland, was in het laatst van helt jaar 1 542 overleden, en Maria de Guise, zijn nagelaten weduwe, Jacques Hamilton, de stadhouder van de koning, en David Betune, kardinaal van St. Andries, hadden het bestuur aanvaard, doch zo, dat van de een kant, wat de adel betrof, velen hunner in slechts weinige jaren door velerlei handelingen werden onderdrukt. Ook de koningen van Engeland en Frankrijk hadden zich van ver met de zaak bemoeid, zo zelfs dat zij door hun dienaren geheel Schotland in beweging brachten. De kardinaal, gedrongen door zijn eigen eerzucht, door de gezantschappen van de paus, door brieven uit Frankrijk, maar voornamelijk door het huis van Guise, dat zijn klauwen van ver en nabij begon te tonen, en zich een groot vijand toonde te zijn van hen, die in Schotland de godsdienst waren toegedaan. Nog erger werd de woede bij hem gewekt, toen hij bemerkte, dat vele heren en edellieden hun oren neigden, om het pausdom recht te leren kennen. De vrees maakte zich daarbij van hem meester, dat zij spoedig zouden inzien, welke verkeerdheden er waren ingeslopen, en dit een rede zou kunnen worden, waardoor hun kerkelijke tirannie niet langer zou worden geduid. Daarom legde deze kardinaal jegens enige edellieden zonderlinge lagen, en verzette zich ook tegen hen, die de godsdienst waren toegedaan, en meende zodoende de een of andere partij afbreuk te doen. En, aangezien hij voortdurend twist zocht te stichten onder de edellieden, bracht hij eindelijk zoveel teweeg, dat in het laatst van het jaar 1545 tussen beide partijen zulk een geweldig en wreed gevecht uitbrak, dat er meer dan honderd op de plaats dood bleven. Daarna raadpleegde hij met de koning over andere noodzakelijke zaken, en begaf zich omstreeks de maand Februari 1511 naar Edinburg. Drie weken vroeger hadden de geestelijken een algemene vergadering gehouden, waar onder andere werd besloten en goedgekeurd, dat men George Sophocardius, een bedienaar van het Evangelie, en een zeer welsprekend man, zou gevangen nemen. Deze Sophocardius vertoefde toen een mijl van daar, ten huize van Jan Cowburn, een Schots edelman. Tengevolge van dit besluit, zond men terstond volk te paard om George te grijpen en gevankelijk binnen te brengen. Maar aangezien Cowburn hem met alle moeite probeerde te verbergen, hield hij het afgezonden volk geruime tijd aan de praat, om zo doende de geschikte nacht af te wachten. Toen de kardinaal door zijn verspieders van de bedoeling van Cowburn werd onderricht, ging hij zelf daarheen met de stadhouder van de koning, en plaatste op alle wegen en uitgangen wachten. Nadat hij deze voorzorg genomen had, deed hij zijn best om George in handen te krijgen, wat hem echter niet gelukte noch door woorden noch door belofte noch door bedreigingen. Hij liet tot zich roepen de graaf van Bothwel, die op een van zijn pachthoeven woonde. Daar nu deze Bothwel met veel volk kwam, aangezien hij een zeer aanzienlijk heer was, verkreeg hij eindelijk zoveel, dat men hem George zou toevertrouwen, en legde een eed af, dat hij hem voor alle kwaad en overlast zou bewaren. Toen de priesters hun gewenste roof in handen hadden, zonden zij hun gevangene van Edinburgh naar St. Andries. Nadat hij daar enige weken geweest was, vergaderden de priesters daarin groot aantal, niet om met hem te spreken, maar om hem te veroordelen en te verdoemen. Dit had plaats op aanhitsing van de kardinaal, die er zich op beriep, dat het hem door een besluit van de paus niet geoorloofd was iemand ter dood te veroordelen. Hij schreef aan de stadhouder des konings, en verzocht deze een commissie te benoemen, en te bevelen, dat er een rechter van lijfstraffelijke rechtspleging zou benoemd worden, die zich tegen George zou verklaren, welke reeds door de priesters en de geestelijkheid voor een ketter was verklaard.

Ogenschijnlijk was er niets, dat deze zaak zou hebben kunnen verhinderen, maar David Hamilton, die een bloedverwant van de stadhouder des Konings was, zocht met smeken en bidden, met vermaningen en bestraffingen de stadhouder te winnen, terwijl hij betuigde, dat hij zich verwonderde over de grote vrijheid, die de stadhouder zich veroorloofde, om de bedienaren van het goddelijke Woord alzo te overvallen; welke bedienaren men toch van geen andere misdaad kon beschuldigen dan dat zij het Evangelie van Christus predikten. Hij zei ook, dat het een ongeoorloofde zaak was de onschuldige te verlaten, en die over te leveren in handen van mensen, die in wreedheid de wilde dieren overtreffen, en alzo door hen gekweld, gepijnigd en gemarteld te worden. Verder zei hij, dat hij zeer goed wist, dat de roomse leer een valse leer was, die een opraapsel was van mensen; dat de priesters zelf genoegzaam in hun harten overtuigd waren, dat hun vervalste leer een gruwelijke afgodendienst was.

Dit betuigde hij, aangezien hij vroeger het pausdom ook toegedaan was, doch om de afgoderij daarvan was afgevallen. En, toen hij eenmaal belijdenis van de leer des Evangelies had afgelegd, verklaarde hij, dat hij die zou vasthouden, rijken en armen zon vermanen die te lezen, om die te leren kennen en te openbaren door woorden en werken. Toen hij niet de stadhouder des konings sprak, voegde hij er bij: "Bedenk en zie eens, wat men van u denken en zeggen zal; denk daarom aan de genade, die God u gegeven heeft, dat de koning, die een hard en wreed man was, en ook uw vijand, uit de wereld werd gerukt, toen hij de weg bewandelde, die gij nu betreedt, terwijl zij, die hem door hun raad dus veranderd en tot het kwade aangezet hebben, ook u nu in het verderf zoeken te storten In het begin hebben zij al hun macht aan u betoond; en nu zoeken zij door hun bedrieglijke raad u ook in de strik te vangen. Denk aan de overwinning, die u verkregen hebt op de weerspannigen, zonder iets te verliezen, en over de vijanden, die veel machtiger waren dan gij, en die toch tot hun grote schande en tot geluk van velen door u werden overwonnen en verslagen. Bedenk vooral, wie zij zijn, voor wie gij God verlaat, en alzo uw vrienden verstoot. Ontwaak toch, en verlaat toch dien duistere nevel van leugens, die deze valse mensen en booswichten rondom u ophopen. Stel u Saul, de koning van Israël voor ogen, die van geringe afkomst was, en toch verheven werd tot hoge waardigheid en koninklijke eer. Hoe goedgunstig en goedertieren was God jegens hem gezind, toen hij zich goed en godzalig gedroeg, en integendeel, met welke ongelukken werd hij bezocht, zo spoedig hij zich ongehoorzaam betoonde jegens God. Vergelijk aldus de vooruitgang van uw zaken met de voorspoed van Saul, en bedenk, dat, indien gij de verkeerden weg blijft volgen, die men u geeft, gij geen andere uitkomst dan Saul ondervond te wachten hebt, ja, God geve, dat zij nog niet erger zij dan die van Saul; want wat deed hij anders dan gij nu doet, namelijk, de goddeloze mensen behagen, die hun boosheid niet konden bedekken."

De stadhouder des konings was door deze toespraak zeer bewogen, en schreef aan de kardinaal, dat hij zich met het rechtsgeding van Sophocardius niet te zeer haasten moest, maar dat hij de gehele zaak zou laten rusten tot zijn komst; en verklaarde dat hij niet zou instemmen in de veroordeling van George Sophocardius, wanneer niet de zaak van zijn rechtsgeding naarstiger zou onderzocht worden; en, in geval de kardinaal haastig in deze zaak te werk ging, zou de wraak daarover op zijn hoofd neerkomen. Verder betuigde hij, dat, voorzover hem aanging, hij zijn handen daarvan afwies, en verklaarde geen deel daaraan te hebben, noch oorzaak te willen zijn van het vergieten van dat onschuldig bloed. De kardinaal antwoordde daarop zeer scherp, dat, aangezien hij zeer goed wist, zo hij traag en nalatig was in zijn antwoord, de gevangen man, die door het geringe volk zeer bemind werd, van zijn hand zou verlost worden, hij ook niet wilde dat zijn rechtsgeding in enige samenkomst of twistgesprek zou behandeld worden, omdat hij zijn eigen ongelijk inzag; derhalve had hij geen hoop op een goede uitkomst. Verder, aangezien hij niet verlangde, dat na het besluit hetwelk in de volle vergadering van de priesters genomen was, men enig onrechtvaardig vonnis zou vellen, antwoordde hij in de grootste gramschap, dat hij aan de stadhouder des konings niet had geschreven, alsof het in diens macht ware, maar begeerde, dat hij zijn naam voegen zou hij de veroordeling en het vonnis des doods, dat nu reeds over de gevangen persoon geveld was.

Aldus vertoornd, liet hij George uit de gevangenis halen, en beval Jan Vinirarn een zeer geleerd man, die de leer van het evangelie in het geheim was toegedaan, dat men in het openbaar uitspraak zou doen, zoals de zaak zich dan zou toedragen. Tot grondslag voor zijn uitspraak koos Viniram de plaats der Heilige Schrift uit Matt. h. 13, en zei, dat het Woord Gods het goede zaad was, en de ketterijen rechtstreeks tegen het Woord Gods strijden, en nochtans met opzet onderhouden en beschermd worden, en dat deze voortspruiten uit en aangekweekt worden door de onwetendheid van hen, die zich herders der kerk laten noemen, die geen hoop hebben het geestelijke zwaard van het Woord Gods te kunnen gebruiken, en langs die weg de ketters niet konden overwinnen, noch de verdwaalde mensen op de rechte weg brengen. Nadat hij daarna op gezag van Paulus in de eerste brief aan Timotheüs het ambt van een ware bisschop aangetoond had, bewees hij, dat het enige middel, om alle ketterijen te bestrijden, het Woord Gods is, en dat men ze moest tegenstaan door de leer der Heilige Profeten en Apostelen, als zijnde de ware toetssteen van het Woord Gods.

Ofschoon het vertoog, of de redevoering van Viniram een ware veroordeling was tegen de opgeblazenheid en listigheid der pausgezinden, die daar verzameld waren, niet opdat zij George Sophocardius en anderen van ketterij beschuldigen zouden, maar opdat zij met woorden en daden zouden tonen, dat zij zelf ketters waren, daar zij hen ombrachten, die zich tegen hun dwalingen en opgeblazenheid verzetten; niettemin legden zij alles, wat er gezegd was, tot hun voordeel uit, en om de schijn aan te, nemen, alsof zij in hun uitspraak en handeling met goed overleg te werk gingen, brachten zij George in de kerk, en lieten hem een hoge predikstoel beklimmen, tegenover welke nog een andere stoel stond, waarop zich een priester vertoonde, Jan Lander genaamd, die omringd was van zijn geestverwanten, die daar waren gekomen, om over de zaak te oordelen. Er was echter aan geen vergelijking of een onpartijdig oordeel te denken, want deze Lander braakte allerlei schandelijke en afgrijselijke smaadredenen tegen Sophocardius uit, zoals zulke lasteraars gewoonlijk doen, en altijd hebben gedaan tegen ben, die de ware godsdienst voorstaan. Dit duurde zeer lang, en toch miste de verdediging, allen grond, zodat zij eindelijk Georfe weer vandaar naar het kasteel terugleidden, waar hij de gehele nacht in de kamer van de kastelein vertoefde, en de tijd in het gebed tot God doorbracht. Des anderen daags zonden de bisschoppen tot hem twee Franciscaner monniken, die hem bekend maakten, dat hij moest sterven, en hem vroegen, of hij bij een van beiden wilde biechten. Hij antwoordde, dat hij niets niet hen te doen had, en dat hij hun ook niets wilde openbaren of te kennen geven. Indien zij hem echter enige vriendschap wilden bewijzen, verzocht hij hun de vergunning om nog eens te mogen spreken met de persoon, die daags tevoren zulke schandelijke smaadredenen over zijn lippen had doen vloeien. Door toelating van de bisschoppen verkreeg Viniram toegang tot het kasteel, en sprak geruime tijd met George. Nadat Viniram zijn ogen gewassen had, daar hij zijn tranen niet had kunnen bedwingen, vroeg hij George stil, of hij het heilige sacrament des avondmaals ook wilde gebruiken. George antwoordde hem daarop zeer vriendelijk: "0 ja, zeer graag, mits het geschiede onder de beide gestalten, volgens de instelling van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus." Toen Viniram tot de bisschoppen was teruggekeerd, verklaarde hij hun, dat George met allen eerbied voor God de Heere bekend had, dat hij zich onschuldig hield aan al de misdaden, die men hem oplegde. En wat men nu aan hem bewees, was niet om het leven voor hem af te smeken, daar hem de dood toch reeds was aangezegd, maar om allen een duidelijk getuigenis te geven van zijn onschuld, die hij wist, dat voor God te prijzen was. De kardinaal werd toornig en zei: “En gij, Viniram, wij kennen u al sedert geruime tijd." Op het uitgedrukt verlangen van George, om het nachtmaal onder beiden gestalten te ontvangen, zei deze kardinaal, nadat hij met de bisschoppen in het geheim gesproken had, als met hun raad en voorweten, dat het onredelijk zou zijn wanneer een hardnekkige en verdoemde ketter, die door de kerk was veroordeeld, enige voorrechten of weldaden van haar genieten zou.

Nadat men dit had meegedeeld, was het omtrent negen uur in de morgen, en alzo de tijd, waarop de bedienden en huisgenoten van de kastelein zich gereed. maakten om te ontbijten. Zij vroegen George, of hij bij hen wilde blijven, waarop deze antwoordde: Ja, veel liever dan ik nog ooit tevoren gedaan heb, omdat ik bemerk, dat gijlieden oprechte mensen bent, en u met mij verenigt tot een zelfstandig lichaam van Christus; en vooral ook, omdat ik bemerk, dat dit het laatste maal zal zijn, dat ik in deze wereld genieten zal." Daarna zijn woord richtende tot de beambte of kastelein, zei hij hem: “Ik vermaan u, in de naam van God, en om de liefde, die gij onze Zaligmaker Jezus Christus toedraagt, om u aan deze tafel neer te zetten, en naar mij te willen horen, totdat ik naar mijn begeerte u kort zal hebben vermaand, en de zegen over het brood zal hebben uitgesproken, dat wij eten zullen als broeders in de Heere;daarna wens ik u Gode aan te bevelen." Toen de tafel niet een wit tafellaken was gedekt, en het brood er op gebracht, begon George met korte en duidelijke woorden bijna een half uur te spreken over het nachtmaal en het lijden en sterven van Jezus Christus. Hij vermaande ook voornamelijk de broeders, dat zij alle gramschap, toorn en boosheid moesten afleggen, een bijzondere liefde in hun harten laten wonen, opdat zij mochten betonen ware en oprechte leden van Christus te zijn, Die altijd bij de Vader voor ons tussentreedt en voor ons bidt, opdat onze offerande der dankzegging hem aangenaam zij tot het eeuwige leven. Na dit gezegd en God gedankt te hebben, brak hij het brood, zette het voor zich, en gaf aan ieder van de aanzittenden een stukje. Na de wijn gedronken te hebben, bad hij hun allen, dat zij in deze dankzegging zouden denken aan de dood des Heeren en voegde er bhij, dat ei, voor hem een veel bitterder drank gereed stond om te drinken dan voor tien, en wel om geen andere reden, dan omdat hij het Evangelie had gepredikt. Na de dankzegging te hebben uitgesproken, ging hij naar zijn kamer, waar hij zijn tijd met bidden doorbracht.

Kort daarna verschenen er twee beulen in de kamer; de een deed George een lang zwart hemd aan, terwijl de ander aan verschillende plaatsen van zijn lichaam zakjes met buskruit bond. Aldus toegerust, brachten zij hem in een andere kamer, en bevalen hem daar te blijven, totdat zij hem zouden komen halen. Terzelfder tijd werd er op de binnenplaats van het kasteel een schavot opgericht, om George daarop te verbranden. Tegenover dit schavot bevonden zich enige ramen, die sierlijk belegd waren met tapijtwerk en kussens, waarop de kardinaal en zijn raad rustten, om zo hun ogen te verzadigen aan dit schouwspel, daar hun de dood van deze vromen martelaar hoogst aangenaam was. Ja, wat nog meer is, hij liet de plaats, met soldaten bezetten, opdat hij temeer zou worden geacht. Aan alle hoeken van het kasteel werd ook het geschut gereed gemaakt om te schieten. Daarenboven liet zich ook het trompetgeschal horen, terwijl George naar beneden gebracht werd en het schavot beklom, waar hij terstond aan de paal werd vastgemaakt.

Terwijl hij begon te bidden, vooral om de spoedige verbreiding van het Evangelie, wenkte de kardinaal de beulen, die terstond het hout aanstaken waardoor de vlammen het buskruid bereikten, waarmee zij George hadden omhangen. De kastelein stond zo dicht bij de paal, dat de hitte van het vuur hem verwarmde. Niettemin wekte hij George tot volharding op, en zei, dat hij goede moed moest houden, en zijn ziel in de handen van God aanbevelen. George antwoordde hem: "Deze vlam kwetst wel mijn lichaam, maar verzwakt mijn ziel niet." Verder zei hij: "En hij," waarmee hij de kardinaal bedoelde, "die mij met hoogmoedige en spijtige ogen gadeslaat, zal binnen zeer weinige dagen smadelijk en schandelijk verstoten en tot schande gemaakt worden, in plaats van mij nu zo rustig en trots aan te zien." Terwijl hij dit zei, verworgde de beul hem met het touw, dat jij om de hals had, en benam hem bijna de kracht om de woorden goed uit te spreken. Het lichaam werd tot stof en as verbrand, terwijl de bisschoppen die in hun nijd en boosheid volhardden, op straf van verbanning, geboden, dat niemand voor de ziet van George zou bidden. Dit zou echter ook doelloos geweest zijn, want deze gelukkige ziel verblijdde zich in de hemel met Jezus Christus, volgens de plaats in het 14e hfst. van de Openbaring van Johannes: "Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen." Zo hoog de kardinaal geëerd werd door en in aanzien stond bij de bijgelovige mensen, en wel wegens deze onrechtvaardige zaak, zoveel temeer werd hij integendeel door dergelijke, eerbare en vrome lieden veracht en veroordeeld, en wat George hem had voorzegd, zag men hem spoedig overkomen. Nadat namelijk enige weinige weken verlopen waren, had de zoon van de graaf van Rethuse een groot verschil en twist met de kardinaal, waarbij hij het voornemen opvatte de kardinaal, door de hulp van enige edellieden, de voet te lichten. Kort daarna kwamen zij dan ook met hun zevenen te St. Andries, waar zij er nog enige vonden, die hun partij hadden gekozen, en vonden daar een goede gelegenheid om op zekere vroegen ochtend in het kasteel te komen, en er zich meester van te maken. Toen zij in de kamer van de kardinaal kwamen, brachten zij hem daar met dolken om. En, daar de lieden uit de stad toeliepen om hem te helpen, lieten zij ogenblikkelijk de kardinaal, die geheel bebloed was, uit hetzelfde raam hangen, waaruit hij George Sophocardius had zien ombrengen, zodat ieder verbaasd en beschaamd naar huis ging. De gelovigen loofden God wegens Zijn wonderbare oordelen, die Hij openbaarde tot wraak van het onschuldig vergoten bloed aan George Sophocardius zoals Buchanan dat beschrijft in het 15e boek der geschiedenis van Schotland.

 

Vijf martelaren te Parijs

 

[JAAR 1547.1

 

Omstreeks deze tijd werd de stad Langres, een der oudste en voornaamste bisschoppelijke steden van Frankrijk, verlicht door de glans van het heilige Evangelie. De satan echter, die zag, dat zijn rijk hierdoor zou worden omver gestoten, verzuimde niet alle middelen door zijn dienaren aan te wenden,om dit, op welke wijze dan ook, te beletten. Zo werd dan ook een goed man, Jan Seraphin genaamd,van Tours in Touraine, die daar reeds een vrij talrijke gemeente had verzameld, gevangen genomen, en met Michiël Mareschal, Jan Camus de Grote van Dijon en nog een ander, wiens naam niet bekend is, in de gevangenis te Parijs geworpen. Zij werden daar omtrent hun geloof ondervraagd; doch met standvastigheid beleden zij Christus en Zijn Evangelie, verwierpen alle menselijke instellingen en roomse bijgelovigheden, en hielden vast aan de zuivere en onvervalste leer, die ons door de Apostelen en hun ware navolgers is overgeleverd. Om die reden werden zij samen in het jaar 1547 te Parijs levend verbrand; in welke pijniging zij zich tot verwondering van allen, die het zagen, zeer standvastig gedroegen. Bij de uitvoering van dat vonnis dezer vijf martelaren, was vooral opmerkelijk, dat François Picart een der leraren van de Sorbonne, die verbaasd stond over de grote en buitengewone kracht van God, die zich bij deze martelaren openbaarde, in plaats van als naar gewoonte te roepen en te razen, hun tot geduld begon op te wekken. Een der martelaren zei met lachenden mond zo luid tot hem, dat ieder het kon horen: mijnheer, geloofd zij God, dat gij uw verkeerde venijnige woorden terugneemt; maar, wanneer gij nu in mijn plaats was, zoudt gij u dan wel durven beroemen zulk een taai geduld te hebben, als de goede God mij thans verleent?" Aldus offerden deze vijf vrome getuigen van Christus met grote standvastigheid temidden der vlammen, hun zielen op in de handen van hun hemelse Vader.

 

Mr. Johan, de Engelse

 

[JAAR 1547.]

 

Meester Johan, de Engelse genaamd, was een advocaat te Sens, in Bourgondië. Om de christelijke godsdienst, welke hij door zijn belijdenis betoond had, werd hij door de Hogen Raad te Parijs veroordeeld om levend verbrand te worden. Met grote standvastigheid onderging hij dan ook de marteldood in de maand Maart van het jaar 1547.

 

Mr. Leopard du Pré

 

[JAAR 1547.]

 

In de maand Juli van het jaar onzes Heeren 1547 werd meester Leonard du Pré, een zeer geleerd man, te Limoges geboren in de stad Bar aan de rivier de Seine gelegen, gevangen genomen. Door twee valse broeders, die met hem van Dyon te Bar gekomen waren, was hij verraden. Toen de bestuurders der stad hem aangaande alle artikelen van de christelijke godsdienst ondervroeg, legde hij omtrent alles een standvastige belijdenis af. Ten gevolge daarvan kwamen tot hem de monniken en andere geveinsde huichelaars, die weldra van hun valsheid en goddeloos geloof overwonnen werden, en door de kracht der waarheid enigermate moesten bekennen, dat hij een getuige van het Evangelie was.

Hij werd echter niet losgelaten, maar naar de Hoogste Raad te Parijs gezonden, waar hij werd veroordeeld om levend te worden verbrand. Dit had ook plaats in de maand Augustus van het jaar 1547, terwijl de martelaar tot zijn laatste ademtocht de evangelische waarheid beleed en handhaafde.

 

Acht burgers van Langres

 

[JAAR 1517.]

 

Omstreeks de laatste dagen van de maand September, in het jaar van onze enige Zaligmaker 1517, werden te Langres, om het Woord van God, verbrand Johannes Taffignon en zijn vrouw Johanna Sejournam, Simon Mareschal en zijn vrouw Johanna Bailly, Willem Michaut, Jakob Boulereau en Jakob Bretenay, allen burgers geboren in de stad Langres. Hun voortreffelijke vroomheid en standvastigheid in de belijdenis der waarheid brachten vele godvruchtigen en liefhebbers van de waarheid groten troost en vreugde aan, maar niet zonder grote verwondering aan de vijanden gramschap en toorn.

Onder alle anderen toonde Johanna Bailly, de vrouw van Mareschal, een zeer vroom en mannelijk hart te bezitten. Toen zij naar de brandstapel gingen, wekte zij de anderen en vooral haar man met een vroom gemoed tot geduld en christelijke volharding op. Men verhaalt, dat zij, onder andere Godvruchtige toespraken, tot het volk ook zei, dat de eenheid en gemeenschap des levens en des lichaams, die zij in de huwelijken staat beoefend hadden, niets anders dan huwelijksvoorwaarden en beloften waren; maar, dat de Heere Jezus Christus zich aan hen waarlijk ten huwelijk zou geven op die dag, wanneer zij samen door hun dood Hem zouden belijden.

Aangezien zij de jongste was, werd zij tot het laatst gespaard, teneinde haar met schone beloften tot herroepen te bewegen. Doch ook zij, evenals de anderen, volhardde zeer standvastig en onwankelbaar tot het einde toe in de belijdenis der waarheid.

 

Stefanus Peloquinus

 

[JAAR 1547.]

 

In de stad Blois in Frankrijk leefde een zeer oud burgerlijk geslacht van de Peloquins, hetwelk met twee godvruchtige gebroeders God de Heere wilde vereren, en die Hij vormde tot twee vrome strijders in de orde van zijn Zoon Jezus Christus. Zij hadden beiden gestudeerd, en waren in de christelijke godsdienst onderwezen in de stad Genève. Vandaar gingen zij naar Frankrijk, om de geestelijken strijd voor de waarheid te ondernemen. Stefanus, die ouder was dan zijn broeder Dionysius, wei het eerst tot de strijd uitgezonden, en vertrok van Genève, waar hij zijn huisgezin had, naar Orleans en Blois, om vandaar enige gelovige christenen over te brengen naar Genève. Doch de Heere, die door Zijn wonderlijke macht gedurig werkt, en al de handelingen van Zijn schepselen leidt, bestuurde het, dat Zijn dienaar, met zijn gehele gezelschap, door een beambte van de maarschalk vastgehouden werd in een stad, Chateau Renard genaamd. Anne Audebert, wier dood hierna zal worden verhaald, was ook bij het genoemde gezelschap, dat op weg was naar de stad Genève. Hun weg, echter werd verkort en hun voornemen verijdeld, en in plaats van een toevluchtsoord, dat zij hier op aarde zochten te vinden, beschikte God hun een blijvende en eeuwigdurende stad. Stephanus werd van Chateau Renard naar Parijs gevoerd, waar zij hem ondervroegen en hij getuigenis aflegde van de evangelische waarheid, zodat hem de heren van de vurige kamer te Parijs, zoals zij genaamd werden, veroordeelden, dat de tong hem uitgesneden en hij daarna door een zwak vuur levend moest verbrand worden. De grote kloekmoedigheid, waarmee hij deze zware pijnigingen op de plaats van het St. Janskerkhof doorstond, wekte bij alle aanschouwers van zijn dood verbazing en bewondering op.Vijf jaren later hhet de Heere zijn broeder Dionysius Peloquin dezelfde weg bewandelen, en getuigenis afleggen van de waarheid in de stad Lyon, zoals wij later horen zullen.

 

Steven Poulliot

 

[JAAR 1547.]

 

Steven Poulliot, geboren in de stad St. Aubert bij Caudebec, in Normandië, vertrok van daarnaar Meaux, in Brie, waar hij niet lang buiten vervolging bleef. Hij werd gedwongen te vertrekken, en ging naar La Fère, in Tretenois, vier mijlen van Soissons, waar hij gevangen genomen werd en naar Parijs gezonden, en daar onder grote benauwdheid en verzuchtingen vertoefde. Toen het de heren van het parlement gelegen kwam, werd het vonnis over hem uitgesproken, en wel dat de tong hem zou uitgesneden en hij levend verbrand worden. Bij de uitvoering van zijn vonnis legde men een pak boeken op zijn schouders, die met hem werden verbrand.

Toen hij uit de gevangenis werd geleid, voor de tong hem was uitgesneden, zei hij op klagende toon: “Helaas, mijn God, wat is de wereld nog in duisternis! Nog belijdt zij de waarheid niet!" Aldus kwam hij op de plaats Meauber genaamd, en werd daar om de evangelische waarheid verbrand in het jaar 1547.

 

Jan Brugier

 

[JAAR 1547.]

 

Jan Brugier in een plaats Formaal genaamd, zijnde een dorp in Auvergne geboren, werd door de beambte des konings van Frankrijk gevangen genomen te Siège van Montferrand. Hij wist echter met nog een ander, die daar om dezelfde reden gevangen zat, uit de gevangenis te breken. Deze medegevangene sprong ‘s nachts het eerst over de muur, zonder zich te kwetsen; en, toen Brugier hem nasprong brak hij een been, ten gevolge waarvan hij onder zware pijn en met grote moeite ontkwam. Daarenboven hinderde hem geweldig de gedachte, dat hij zo schandelijk door de vlucht zich onttrokken had aan de roeping die God hem had aangewezen, om Zijn naam te belijden. Dikwerf beklaagde hij zich daarover, en betuigde, dat, wanneer God hem zo veel levenstijd vergunde, hij deze schade met gewillige gehoorzaamheid wilde vergoeden, wat hij ook later toonde. Immers, spoedig daarna werd hij weer door de dienaren van de beambte van Montferrand gevangen genomen, waarbij hij op echt vrome wijze de waarheid beleed en voorstond.

Toen zijn rechtsgeding in orde was, werd hij naar Parijs gezonden, in de gevangenis la Concergerie genaamd opgesloten, en daar door Mr. Pieter Liset ondervraagd, die in die tijd de eerste president was van het parlement. Toen het parlement zag, dat hij standvastig en onwankelbaar bleef in het geloof, veroordeelde men hem om in de stad Issoire levend verbrand te worden, en wel met de boeken, die bij hem gevonden waren, voorts dat zijn bezittingen verbeurd verklaard moesten worden, en bij het eigendom des konings gevoegd.

Vervolgens werd Brugier weer in de bovengenoemde stad Issoire gebracht, waar ook gekomen was de inquisiteur, Orri genaamd, een oude vijand der waarheid, die in het openbaar op de markt predikte, dat ieder zich zou wachten voor de bedriegerij van deze Lutheranen.

"In waarheid," zei hij, "al wat zij zeggen is waar; maar in hetgeen zij zeggen is valsheid gelegen. Zij komen wel met ons overeen in het geloof, dat God almachtig, en waarachtig is; dat Christus is de Zaligmaker der wereld; dat de Heilige Schrift door de Heilige Geest geopenbaard is, en ook in alles wat vervat is in de artikelen van ons geloof. Maar het venijn bestaat vooral in het verloochenen; want zij zeggen u, dat God niet in de heilige hostie is; zij loochenen het vagevuur, de vergiffenis der zonden door onze heiligen vader de paus, de aanroeping der heiligen en andere instellingen en besluiten, vastgesteld en bevestigd door onze moeder de heilige kerk. Vooral daarin is hun dwaling gelegen. Daarom moet gij samen u daarvoor wachten."

Alzo vermaande deze valse en bedrieglijke profeet het arme onwetende volk, zoals hij dit overal deed, waar hij kwam. Toen nu het vonnis van het parlement tegen Brugier in de raad van Issoire door de stadhouder van Montferrand, en in tegenwoordigheid van de advocaat, de procureur en andere beambten van de koning bij de genoemde rechtbank, gelezen was, verzocht Orri om de gevangene aan te spreken, en hem aangaande het artikel van het sacrament te onderwijzen, terwijl hij wilde betogen, dat de hoedanigheid van het brood en de wijn verloren ging, en Christus' lichaam en bloed daarvoor in de plaats kwamen, ja, zelfs zo lang en breed als hij gehangen had aan het kruishout. Brugier antwoordde: "Veronderstel eens, dat onze lichamen konden gevoed worden door die naakte gedaante zonder enige zelfstandigheid, dan zou, hetgeen gij zegt enigermate doorgaan; maar,aangezien dat niet geschieden kan, welk onderscheid is er dan tussen de beelden, en hetgeen er mee aangeduid wordt?" Dit wordt toch in alle sacramenten vereist; want anders zou het niet anders zijn dan een verbeelding, ja, een afgod, wat ik niet belijd." Orri zei: "Wanneer gij loochent, dat het lichaam van onze Heere in de hostie is, nadat de priester de woorden der inzegening, met de bedoeling om te zegenen, uitgesproken heeft, dan zeg ik u, dat gij de almacht van God loochent, die alles doen kan, wat Hij wil." Brugier antwoordde: “Ik loochen de almacht van God niet; want wij twisten niet daarover, of God de macht heeft omdat te doen of niet; maar wat hij in zijn avondmaal gedaan heeft en ook wat Hij wil, dat wij doen zullen." Orri bedaarde wat, en zei tot hem: "Wel nu dan, waarom sprak gij niet alzo te Parijs voor mijnheer de president? Brugier hernam: “Ik heb nooit anders voor de president gesproken, en men zal in mijn gehele rechtsgeding niet zien, dat ik iets anders beleden heb. Toen vertrok Orri, en zei tot sommigen, dat men deze armen mens groot leed en onrecht aandeed, en dat zijn gevoelens over het sacrament niet kwaad waren. Een van hen, die dat hoorde, zei tot hem: "Waarom hebt gij dan zijn doodsvonnis ondertekend en daarin bewilligd? Gij had dit het hof moeten bewijzen, en u tegen het vonnis moeten verklaren." "Wat moest ik doen?" zei Orri, "ik zou waarlijk niet weten, hoe ik daarmee had moeten beginnen. Is er mogelijkheid om het vonnis te veranderen, zodat hij niet verbrand worde, ik wil mijn best daartoe doen." Doch de beambten van de koning wilden in het geheel er niet naar horen, terwijl zij zeiden, dat zij niet zouden durven veranderen, wat door het parlement was besloten, uit vrees van te zullen worden gestraft.

Daarna kwamen er priesters bij Brugier, om hem te vermanen. Zij hielden hem een lang houten kruis voor, met een beeld daarop gehecht, dat gewoonlijk deze heilige vaders op Goede Vrijdag aan het volk vertonen, met de uitroep: "Misericordia, Misericordia," en zij zeiden: "Nu, ziedaar, Brugier, gij spreekt zoveel van Jezus Christus, en zegt, dat gij op niemand betrouwt dan op Hem alleen; thans is het uur geslagen, dat gij dit met daden tonen kunt. Wilt gij dan dit waarachtig en waardig kruis niet aanbidden, waaraan Hij gehangen heeft om uwent en onzentwil?" Brugier zag hem van ter zijde aan, schudde het hoofd en zei: "Och arme mensen! ik bid het maaksel van mensenhanden niet aan, maar wel de waarachtige God en Vader in geest en in waarheid."

Men wilde hem dwingen, om de maagd Maria aan te roepen. Een van de beambten zei tot hem, dat hij haar verachtte en onteerde; "daar zij nochtans", zei hij, "een voorspraak is voor arme zondaren." Brugier zei: "Ik wenste wel, dat gij mij met vrede liet, en toestond, dat ik een weinig aan mijn God kon denken, eer ik sterf. Ik ben met de enige advocaat tevreden, Die door God gegeven is voor de zondaren; daarmee doe ik de maagd Maria geen oneer aan; wat ik wel doen zou als ik zulk een gruwelijke heiligschennis beging. Wilt gij, dat ik haar lieve kind van het ambt als voorspreker beroof om het haar als een gestolen zaak te schenken? Dat kunt gij toch niet begeren! Wilt gij echter toestaan, dat ik voor al het volk betuigen zal, wat ik uit de Heilige Schrift geleerd heb, dan zult gij horen, hoezeer ik haar in waarde houd." De beambten des konings wilden dit niet toestaan, maar zeiden, dat hij zich wachten moest het volk te schande te maken.

Toen men hem een kruisje wilde geven, riep hij luide: "Neen, neen, dat is het kruis niet, dat ik dragen moet; weldra zal ik het mijn in al mijn leden dragen, en wel met de hulp en de bijstand des Heeren."

Op Zaterdag werd hij naar de gerichtsplaats op de markt gebracht, waar een grote menigte mensen tezamen was. Op de markt was een kruisgalg opgericht, met twee katrollen van boven en een grote ijzeren keten, welker beide einden even lang waren, teneinde Brugier daaraan vast te maken, opdat men hem zou kunnen omkeren en optrekken. Even onder de kruisgalg waren twee palen geplaatst, op de hoogte van een volwassen mens, waarop dwars een smalle balk lag, en daaronder het hout en andere brandstoffen. Bij het zien van dit alles schrikte Brugier echter niet, maar sprak de scherprechter zelfs moed in. Toen hij hem zou vastmaken, viel hij onder het klimmen; en Brugier riep hem toe: "Houd moed, meester Pouchet! Bent gij niet gekwetst?" Nadat hij om het midden des lichaams aan de grote keten was vastgemaakt, en de handen en voeten met koperdraad waren gebonden, hief hij de ogen naar de hemel en zei: "Ik bid u ootmoedig, hemelse Vader! om de liefde Uws Zoons, mij in deze uur te versterken met Uw Heilige Geest, opdat Gij het werk, dat Gij in mij begonnen hebt, volbrengt tot Uw eer en tot stichting van Uw arme gemeenten." Na voor zijn vijanden te hebben gebeden, keerde hij zich met een gewillig hart naar het vuur, dat achter hem brandde. Vervolgens wierp de beul de dwarse balk naar beneden, zodat Brugier in het midden van het vuur bleef hangen, en wel zonder schreeuwen of wenen, totdat hij zijn hoofd liet zinken en in stilte de laatste adem uitblies.

Wegens de grote standvastigheid van de heiligen martelaar geraakte het volk in beweging, en maakte groot misbaar en geschreeuw. Sommigen zeiden: "Ziet de wonderlijke kracht van God!" Anderen dankten God, dat zij in hun leven een martelaar hadden zien sterven. Aldus was er grote verbazing en gemompel onder het volk. Toen de beambte des konings, Orri en de scherprechter dat zagen, waren zij derwijze bevreesd, dat zij ijlings naar hun woning keerden, alsof zij vervolgd werden, en hun grote gevaren boven het hoofd hingen. Zij gingen de weg op naar Montferrand, wel zes mijlen van Issoire. Daar de scherprechter zag, dat de anderen heen gingen, liet hij de vrome martelaar half verbrand hangen. Toen de pastoor van de stad, die bij Brugier gestaan had en een grote huichelaar was, door sommigen gevraagd werd, wat zijn gevoelen van deze zaak was, antwoordde hij duidelijk, zodat velen het hoorden: "God verlene mij de genade, in Brugiers geloof te mogen sterven!" Dit was de vrucht van de dood des heiligen martelaars, in het jaar 1547.

 

Marten, de schoenmaker

 

[JAAR 1547.]

 

Te Yperen in Vlaanderen leefde een zeer jeugdig jongeling. Hij was schoenmakersknecht en zeer ijverig in de kennis der evangelische waarheid. Toen hij daarom gevangen genomen werd, ging hij vrijmoedig en onversaagd tot ieders verwondering naar de gevangenis.

In de gevangenis werd hij zeer aangevochten door vier bedelmonniken, die alles aanwendden om hem als ketter te doen veroordelen. Aangezien daar slechts weinigen om die reden gedood waren, en de overheid goed wilde onderzoeken, of het billijk was iemand om die reden te doden, werd deze zaak met allen ijver behandeld, aangezien daar toen zulk een ijver niet bestond, om het bloed der christenen te vergieten, als wel later. De monniken deden intussen hun best, maar moesten dikwerf met schande en schaamte wijken. Zulk een tong en mond gaf de Heere aan deze jongeling, dat het zelfs de overheid en allen, die hem hoorden, zeer verwonderde.

Terwijl hij gevangen zat, kwam op zekere tijd een rijk man van zijn familie tot hem, die hem vriendelijk aansprak en zei, dat hij steeds bij zijn vrienden was bemind geweest, en zich nu van hun goede vriendschap niet behoorde te beroven. Hij antwoordde, dat hij zich geenszins aan die liefde wilde onttrekken, en dat hij ook hoopte, dat zijn vrienden geen reden zouden hebben, om hem hun gewone vriendschap te ontzeggen. De bezoeker zei: "Zij zijn ook bereid om u te helpen, en uit deze gevangenis te verlossen, wanneer gij niet hardnekkig aan uw gevoelen blijft vasthouden. Bescherm uw leven, gij bent nog jong. Wat beweegt u meer te doen dan anderen? Al is ook het leven der priesters slecht en. hun leer vals, wat gaat u dat aan? Leef voor uzelf goed en zwijg; laat hen voor hetgeen zij zijn en red uw leven!" Met een vertoornd gemoed keerde Marten zich om en zei: "Ach, gij satan, ga weg van mij, want gij bent mij een aanstoot. Zal ik de kelk niet drinken, die de Heere mij zal geven?" Toen monniken noch vrienden iets bij hem konden winnen, werd hij eindelijk veroordeeld om levend te worden verbrand. Daarna lag hij uit een raam en zag het hout aandragen, waardoor hij zou worden verbrand, terwijl een hunner hem toeriep: "Ziet gij het wel? dat is om u te verbranden." Hij antwoordde: "Vergeleken met het eeuwige is dit een zeer klein vuur; en voor weinig leed zal ik eeuwige vreugde ontvangen." Toen hij aan de paal gebonden werd, vroeg een monnik hem, of hij van zijn gevoelen geen afstand wilde doen. Hij antwoordde: "In geen de1e" De monnik verdoemde zijn ziel, en verkondigde hem de eeuwige veroordeling, waarover het volk zeer beroerd werd. Een uit de schare riep in drift tot de monnik, dat hij de macht niet had, om de ziel te doden. Eindelijk werd hij levend verbrand, en offerde zeer standvastig zijn ziel op aan de Heere.

 

De vrouw van Bygaerden en haar zoon

 

[JAAR 1548.]

 

Aangezien de antichrist en zijn gezanten, de bisschoppen, priesters en monniken niets anders najagen dan geldzucht, en daarvoor alles veil hebben, zoals vasten, bidden, waken, missen, sacramenten en al hun goede werken en verdiensten, bracht het hun bijzonder veel voordeel aan, dat zij de afgodische heiligen in zulk een grote eer wisten te houden. Hieruit toch vloeide voort de aflaat. Van daar de bedevaarten, beloften en ontheffing van beloften en dergelijke winstgevende handelingen meer.

Toen echter door de predikatie van het goddelijke Woord de aflaat ten dele niet meer werd geacht, telden de lieden de bedevaarten ook niet veel meer, zodat de voordelen zeer inkrompen en met gehele vernietiging werden bedreigd. Doch, opdat dit alles niet geheel zou vervallen, en door ongewoonte in de schaduw geplaatst worden, zonden de bisschoppen deze lieden, die nu de heiligen niet meer uit eigen beweging bezochten, de heiligen als thuis. Zij, die vroeger heren waren, in tempels zaten, en door de lieden bezocht werden, werden eindelijk bedelaars, in kisten en kasten gesloten, en bezochten de lieden; ja liepen zelfs van huis tot huis, teneinde enig geld op te zamelen. Heere, God, wij moeten ons schamen, dat mensen, laat staan christenen, de onredelijkheid zover drijven, en wel met doodsbeenderen, klederen en andere dergelijke voorwerpen!

Een dusdanige afgezant kwam op zekere lijd, met de kas dezer gestorven heiligen te Bygaerden in Brabant. Nadat hij in de kerk zijn kramerij had ten toon gesteld, om daardoor in het bezit van geld te komen, klom hij volgens oude gewoonte op de predikstoel, om zijn koopwaren ten hoogste aan te prijzen. Hij deed dit zo, dat alle godvruchtige harten, die lust hadden in het goddelijke Woord, verschrikten wegens deze schandelijke afgodische prediking. De vrouw van Bvgaerden die zeer ijverde voor de eer van de eeuwige en almachtige God, die hier zo lasterlijk vertrapt werd, zond haren zoon, die deze godslasteraar dwong de predikstoel te verlaten, opdat de eenvoudige lieden door zijn valsheid niet zouden verleid en bedrogen en hem de mond gestopt zou worden, en hij de eer, die de almachtige God alleen toekomt, niet langer zou toeschrijven aan zijn schepselen.

Toen deze bedrieglijke priester met grote schande uit de predikstoel verjaagd was, beijverde hij zich om zich daarover te wreken, en berichtte deze zaak aan zijn bisschop. Deze deed derwijze zijn best, dat hij het eindelijk zover bracht, dat de vrouw van Bypaerden en haar zoon gevangen gezet, en deze beiden om deze reden van het leven beroofd werden. Dit geschiedde op het slot te Vilvoorden, waar zij zeer standvastig de waarheid met hun bloed bezegelden.

 

Michiel Miquelot

 

[JAAR 1548.]

 

Michiel, bijgenaamd Miquelot, te Froyennes bij Doornik geboren, was een jong man en kleermaker van beroep. Om de belijdenis van het Evangelie werd hij gevangen genomen en veroordeeld om onthoofd te worden, indien hij zijn gevoelens niet wilde herroepen, of om te worden verbrand, wanneer hij bij zijn belijdenis bleef. Toen de rechter hem vroeg, wat van beide hij koos, antwoordde hij met een vriendelijk en blij gelaat: "Die mij de genade zal geven, teneinde om Zijns naams wil gewillig te sterven, zal mij ook genade verlenen, om de pijn van het vuur ter wille van Zijn eer goedsmoeds te kunnen verdragen. Alzo werd hij als een vroom getuige der waarheid levend verbrand.

 

Octavianus Blondel

 

[Jaar 1549.]

 

Octavianus Blondel, te Tours in Touraine geboren, was een juwelier, en hield zich veelal te Lyon op. Nadat hij sedert enige tijd de evangelische waarheid had leren kennen, gedroeg hij zich in zijn handel en gehele leven zeer oprecht, zodat hij niet alleen bij zijn geloofsgenoten, maar ook bij andere kooplieden, met wie hij omging, bemind was, en zeer hoog door hen werd geacht. In het jaar 1518 liep er een gerucht dat hij een koffer met goud en edelgesteenten liet maken, en dat hij die, zoals men zei, te Konstantinopel wilde verkopen. Daarin vonden sommige vijanden van hem aanleiding om op zijn doen en leven te letten. Hij logeerde in genoemde stad in de "Kroon”. En, aangezien hij een vrijmoedige en ernstig, maar tevens vriendelijke man was, kon hij van de logementhouder niet vele onaangename woorden en bijgelovige afbeeldsels verdragen, en bestrafte die in het openbaar en onderwees hem betere dingen. De logementhouder had echter in die vrijheid geen behagen, begon hem te haten, en verklaagde hem bij Gabriël de Saconnex, zanger in de dom te Lyon. Deze Saconnex stelde zijn verraderij niet lang uit, en liet Blondel door een edelman uit Dauphiné aanspreken en geld te leen vragen. Toen Blondel dit afsloeg, dachten deze hongerige wolven, dat zij goede vrienden in het parlement hadden, door wie zij een goede buit uit zijn bezittingen konden bekomen, en lieten hem in het begin van Februari grijpen en gevangen nemen, Toen hij de volgende dag omtrent zijn geloof werd ondervraagd, legde hij in het openbaar een christelijke belijdenis af. Toen de zanger dit vernam, maakte hij zich reeds vrolijk in de hoop bezitter te worden van Octavianus' goederen, en beijverde zich daarom, dat men hem alles zou ontnemen. Doch zijn goede vrienden bemerkten het, zodat de hoop van Saconnex in rook vervloog; waarom Saconnex niet verzuimde Octavianus tot de dood te vervolgen. Gedurende zijn gevangenschap deed hij aan de andere gevangenen zeer veel goeds; want sommigen bevrijdde hij, door hun geld te geven om hun schuldeisers te betalen; anderen voorzag hij van klederen en van levensonderhoud. Zijn vrienden baden hem zijn gevoelens te herroepen, opdat hij het leven er mocht afbrengen. Toen hij geruime tijd volstandig gebleven was, veranderde hij eindelijk door gedurig aanhouden uit menselijke zwakheid tot droefheid en hartzeer van vele vromen zijn belijdenis, en zei, dat hij, wat hij vroeger beleden had, niet recht en genoegzaam had verstaan. Doch deze huichelarij hielp hem niet, en God verbeterde door Saconnex deze zijn val weer en bracht hem terecht. Toen laatstgenoemde namelijk zag, dat alle hoop vervlogen was, beijverde hij zich uit grote bloeddorstigheid, dat Blondel, ofschoon hij zijn gevoelens had herroepen, ter dood werd veroordeeld. Blondel wilde zich dat niet getroosten, en beriep zich op het parlement te Parijs. Toen hij de gevangenis verliet, en naar Parijs overgebracht zou worden, sprak hem een vroom christen aan, en verweet hem zijn zware val, zei, dat hij de mensen meet, had gevreesd dan God, en vermaande hem, dat hij God om vergiffenis zou bidden, en weer tot zijn vroegere goede christelijke belijdenis zou terugkeren. Octavianus nam deze vermaning ter harte, die door Gods genade zoveel bij hem uitwerkte, dat hij, nadat hij te Parijs aangekomen was, en door de rechters gevraagd was, bij welke belijdenis hij volhardde, blijmoedig en zonder ontzetting antwoordde, dat hij nu de eerste belijdenis vasthield, teneinde Gode te behagen. Aangaande zijn latere belijdenis verklaarde hij, dat hij in gene dele daarbij wilde blijven, aangezien de satan, door aansporing van zijn vrienden en de zwakheid van zijn vlees, hem daartoe had gebracht en verleid. Daarom bad hij God, hem zijn val te vergeven en Zijtje genade te bewijzen, teneinde bestendig bij Zijn waarheid te mogen volharden.

Na deze verklaring werd het reeds over hem gevelde vonnis bevestigd, namelijk dat hij levend zou worden verbrand, hetwelk terstond te Parijs plaats had” Het is nauwelijks te zeggen, hoezeer zich de vijanden met de uitvoering van het vonnis haastten, daar zij vreesden, dat men zijn vrijverklaring zou afbidden en deze volgen zou, aangezien de hovelingen hem lief hadden en hoogachtten. Tot het einde legde hij een bijzondere opgeruimdheid aan de dag, waardoor vele onwetende lieden gesticht werden en bewogen, om de enige Zaligmaker en Middelaar en de leer van het heilige Evangelie te leren kennen.

Er was ook een arme boekverkoper, die gewoon was in de tijd der vervolging evangelische boeken van Genève naar Frankrijk te brengen. Aan Franciskus Vasseijs, een koninklijk raadsheer te Bourges, had Urias-brieven gebracht, door wie hij terstond aangeklaagd en in de gevangenis gebracht werd. Toen de koninklijke raadsheer hem onderzocht, en hem aangaande zijn geloof ondervroeg, beijverde deze zich zeer, om hem van zijn belijdenis af te brengen, en zei eindelijk: "Welaan, daar u sterven wilt, zult gij ook sterven." De boekverkoper antwoordde hierop: "Ofschoon ik mij over de brief, die ik u gebracht heb, heb te beklagen, wil ik daarin berusten, en u alleen vermanen en waarschuwen in deze zaak niet tegen uw geweten te handelen." Door deze woorden had de koninklijke raadsheer zich billijk van zijn boos voornemen moeten laten afschrikken; maar hij volhardde in zijn kwaad, en onderschreef tegen zijn geweten het vonnis van deze arme boekverkoper. Toen hij daarna vernam, dat deze boekverkoper langs deze weg was verbrand geworden, werd Vasseüs zo verschrikkelijk door Gods hand aangegrepen, dat hij zich naar bed begeven moest. En, ofschoon hij nog een jeugdig man was, en men geen bijzondere ziekte hij hem kon bespeuren, nochtans eindigde hij door zijn onrustig geweten onder het grootste ongeduld en een gruwelijk geschreeuw binnen weinige dagen zijn leven.

 

Mr. Mattheüs, een onderwijzer

 

[JAAR 1548.]

 

Te Doornik woonde een zeer geleerd man, Mr. Mattheüs genaamd, die om van het evangelie wil vandaar verdreven werd, en te Gent in Vlaanderen ging wonen. Hij hield daar een school, en bevlijtigde zich zijn toehoorders en leerlingen boven het gewone onderwijs ook het zuivere Evangelie in te planten, en de gruwelen van de priesters voor te houden. Toen hij zag, dat er enige om het Evangelie waren gevangen genomen, waarschuwde hij de raad van de stad Gent, dat zij hun handen niet moesten verontreinigen door het vergieten van het onschuldig bloed der rechtvaardigen, terwijl hij hun de rechtmatige toorn van de rechtvaardige God voor ogen stelde. Hij schreef dit in een brief, en stelde die de raad zelf ter hand. Om die reden werd hij gevangen genomen, en als ketter gevonnist om de vuurdoor te sterven. En, aangezien hij niet zoveel Hoogduits kende, om het omstaande volk te vermanen, ging hij stilzwijgend als een lam naar de gerichtsplaats, en wel onder betoning van groot medelijden van de zijde van het volk. De monnik, die hem gedurig met zijn afgoderij kwelde en plaagde, beval hij bij herhaling heen te gaan, en alzo werd hij, zeer standvastig en met een goed vertrouwen op de Heere, verbrand.

 

Hubert Burre

 

[JAAR 1549.]

 

Hubert Burre, zoon van Jan Burre, te Dijon, was ongeveer negentien jaren oud en kleermaker van beroep. Om de belijdenis der waarheid, werd hij te Dijon gevangen genomen. Onder alles bleef hij standvastig, zo zelfs dat noch het smeken van zijn ouders, noch de gevaren des doods, hem afschrikten, om de waarheid, die hij eens beleden had, te verloochenen. In de maand Maart van het jaar onzes enige Zaligmakers Jezus Christus 1549 werd hij verbrand, en wel onder de grootste volharding.

 

Mr. Leonhard Galimard

 

[JAAR 1549.]

 

Leonhard Galimard, geboren te Vendôme, werd omstreeks de 15den Mei in het jaar van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1549 te Chery bij Blois gevangen genomen. Vandaar werd hij naar Parijs overgebracht, en in de gevangenis gezet. Toen hij zijn belijdenis had afgelegd, en de zuivere leer van het Evangelie goed en getrouw had voorgestaan, werd hij door de raad veroordeeld om levend verbrand te worden. Bij onderging die dood met grote standvastigheid op dezelfde dag, waarop Florentius Venot, van wie wij hierna spreken zullen, werd verbrand.

 

Een en dertig personen te Valladolid gestrafd

 

[JAAR 1549.]

 

Op de 20sten Mei 1549 werden te Valladolid, een stad in het koninkrijk Kastilië, een en dertig personen gestraft, die beschuldigd werden van de Lutherse leer aan te hangen. Bij het vellen van dit vonnis waren de prins Don Karel, zoon van koning Filippus, en Johanna, koningin van Portugal, weduwe, zuster van de koning van Spanje tegenwoordig. Van de een en dertig personen werden er vijftien, zo mannen als vrouwen, levend verbrand. De anderen werden op andere wijze gestraft en hun bezittingen naar de grootheid van de zaak, aangezien zij in de aangenomen leer bleven volharden, verbeurd verklaard en verdeeld. Niettegenstaande de meesten hunner van oude geslachten afstamden, van adel waren, en machtige vrienden hadden, onder wie zelfs kinderen van hertogen en markgraven, werd deze straf zeergestreng toegepast, opdat Spanje met deze leer niet zou besmet worden, daar de Lutherse leer reeds aanhangers kreeg onder de adel.

 

Mr Florentius Venot te Parijs verbrand

 

[JAAR 1549.]

 

Meester Florentius Venot, geboren in Courgivot bij Sedan in Brie, legde een bijzondere grote standvastigheid in al zijn lijden en pijnigingen aan de dag, zelfs tot grote verwondering der vijanden van het Evangelie. Boven beschrijving vele en velerlei pijnigingen leed hij tijdens hij te Parijs om de christelijke waarheid gevangen zat, welke gevangenschap vier jaren en negen dagen duurde. In de gevangenis te Parijs was er onder andere een plaats, die men Hypocrates' gat noemde, omdat zij van onderen smal en puntig en van boven wijd was, in de vorm van een kruidenierszak, waarin men de drank, Hypocras geheten, maakt.

Zoals de beulen zelf getuigden, had in deze plaats nog nooit iemand langer dan veertien dagen doorgebracht, zonder in gevaar van zijn leven te hebben verkeerd, of zonder woedend of krankzinnig te zijn geworden. In deze gevangenis werd Florentius gebracht, waar hij staan, zitten noch liggen kon, en vertoefde daar bijna zeven weken. Het plan van deze wrede tirannen, en bovenal van Mr. Pieter Liset, de president, was om de onwankelbare standvastigheid van deze vromen martelaar van Jezus Christus te verbreken, of hem ten minste in de gevangenis te doen sterven, opdat hij door de liefelijke reuk van zijn dood, wanneer hij die in het openbaar onderging, geen vruchten zou nalaten tot stichting van andere lieden. Door de bijzondere genade van de eeuwige en almachtige God werd hij echter tegen alles derwijze gewapend, dat hij al hun voornemens verijdelde, en hun martelingen en pijnigingen overwon. Toen hij bij de raad in een kamer gebracht was, die men de brandkamer noemde, zei hij ook tot de president en de anderen, dat zij allerlei martelingen en pijnigingen konden aanwenden, om de kracht des Geestes in hem uit te roeien, of hem in de gevangenis te doen sterven, maar dat het vergeefse moeite was, daar hij hoopte, dat God hem de genade zou bewijzen, om teneinde toe te volharden, en de allerheiligste naam van God met zijn dood te loven, te prijzen en groot te maken.

Door Zijn overvloedige barmhartigheid schonk God hem, na een korte tijd, deze goede begeerte. Hij gaf hem goede en geschikte tijd om belijdenis af te leggen volgens zijn wens,opdat deze hoogmoedige en verwaande lieden zien zouden, dat de kracht der waarheid zo groot is, dat de raad van alle mensen daarvoor moet wijken, en dat God door alles, wat door de wereld zwak en dwaas wordt geheten, Zijn grote macht en wijsheid openbaart, en toont hoe ijdel en dwaas zij is.

Op zekere tijd, toen men een algemene processie had gehouden, weinig tijd na de intocht van koning Hendrik te Parijs, werd Florentius met enige anderen, die mede om het woord Gods waren gevangen genomen, voorgebracht. Daar ontwijdde men hem, en beroofde hem van zijn Rooms priesterschap. Nadat deze handelingen waren afgelopen, werd het doodsvonnis over hem uitgesproken, namelijk., dat men hem eerst de tong zou uitsnijden en daarna levend verbranden. Teneinde hem grotere schande en oneer aan te doen, en, ware het mogelijk, vrees aan te jagen, bevalen zij, dat hij al de anderen, die toen op verscheidene plaatsen van de stad gedood werden, moest zien ombrengen. Maar, al had men Florentius' tong uitgesneden, zodat hij niet spreken kon, nochtans boezemde hij de anderen moed in door gebaren, met de ogen naar de hemel te slaan, en meer andere tekenen, zoveel hij slechts vermocht. Hij werd ook zeer versterkt, toen hij in ben de wonderbaarlijke genade des Heeren aanschouwde.

Zo werd hij eindelijk, na veel pijn en smart geleden te hebben, in Malbertsstraat, op de 9e Juli, in het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1549, des middags ten 3 uur levend verbrand.

 

Een kleermaker te Parijs voor de koning van Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna verbrand

 

[JAAR 1549.]

 

In de St. Anthoniestraat te Parijs woonde een arme man, kleermaker van beroep, die zeer spoedig na de intocht en de huldiging van de koning van Frankrijk, Hendrik de tweede, te Parijs door de onderbeambte van het koninklijke hof werd gevangen genomen, omdat hij op een roomsen heiligendag had gewerkt. De onderbeambte vroeg hem, waarom hij op zulk een dag zijn werk verrichtte, en of hij niet wist, dat het verboden was op die dag te werken. Hij antwoordde, dat hij werkte om in zijn behoeften te voorzien, en tot onderhoud van zijn leven, en dat hij geen anderen dag kende dan de Zondag, op welke dag hij niet met een gerust geweten zijn werk zou mogen doen. De onderbeambte vroeg hem nog naar vele andere zaken, waarop hij zulk een antwoord gaf, dat hij hem daarna gevangen liet zetten.

Daarna kwam de onderbeambte in het paleis van de koning, en, om de schijn aan te nemen zijn ambt goed te hebben vervuld, deelde hij de regenten en heren van het paleis mee, dat hij een Lutheraan gevangen had genomen, die op de heiligen dag had gewerkt, die hij aangaande vele dingen had ondervraagd, en daarop zulke antwoorden had gekregen, die van zoveel boosheid getuigden als hij nog nooit van een mens gehoord had. Toen dit daarna de koning werd meegedeeld, nam men hem gevangen, en werd hij op verlangen van enige regenten voor de koning geroepen, en in zijn kamer gelaten, om hem te horen.

De edelen en andere dienaars werden uit de kamer verwijderd, en slechts weinigen van de voorname heren waren daar tegenwoordig. Vervolgens gebood de koning de bisschop van Maltscon, Petrus Castellanus, die onder de hovelingen de geschiktste en geleerdste scheen te zijn, dat hij de kleermaker zou ondervragen. Toen de kleermaker was binnen gebracht, bewees hij de vorst de eer, die hij hem schuldig was, en dankte God voor de grote eer, die hem te beurt viel, voor zulk een machtige vorst te mogen verschijnen, om daar rekenschap te geven van zijn geloof.

Als nu Castellantis hem uitvoerig ondervroeg aangaande de belangrijkste en gewichtigste artikelen van de christelijke godsdienst, antwoordde hij zo goed en gepast, en zonder in het minst te haperen, als de zuivere, eenvoudige en onvervalste leer vereist. En, ofschoon Castellanus en de andere edelen hem schandelijk en smadelijk op het lijf vielen en ernstig bedreigden, leed hij nochtans alles met een onwankelbaar gemoed. en bezweek in geen dele, welke gevaren men hem ook voorspiegelde. Met grote vrijmoedigheid beleed hij voortdurend de waarheid, stond die voor en beschermde haar. Die dit hoorden en zagen, verwonderden zich bovenmate, dat een gering en eenvoudig man met zulk een vrijmoedigheid en standvastigheid bij de koning op alle vragen zo goed en gepast wist te antwoorden.

Doch de bisschop en de andere regenten van het koninklijke hof maakten de koning wijs, dat hij een bij uitstek boos en zeer hardnekkig, moedwillig mens was, en dat men hem weer naar de rechter behoorde te zenden, om daarnaar verdienste gestraft te worden. Zo werd dan door de onderbeambte bevolen, dat men zijn zaak volgens het recht zou behandelen, hetgeen dan ook spoedig daarna geschiedde. Binnen weinige dagen werd hij door de beambte van 's konings hof veroordeeld om levend te worden verbrand. En alzo werd hij, volhardende in de belijdenis der waarheid om de naam van Jezus Christus, van zijn leven berooid, in het jaar onzes Heeren en Heilands Jezus Christus 1519.

Er wordt geen melding gemaakt van enige anderen, die voor de koning gebracht en verhoord zijn, dan alleen van deze handwerksman, door wien de almachtige God wilde, dat de vorst de eenvoudige waarheid zou horen. Hoewel er te die tijd vele, ja zelfs kloeke en verstandige mannen gevangen en omgebracht zijn, zodat men geen uitvluchten zou hebben, alsof het hoge en onbegrijpelijke dingen waren, waarover alleen bisschoppen priesters en monniken zouden mogen spreken en handelen.

 

Claudius Thierry

 

[JAAR 1519.]

 

Claudius Thierry, geboren te Chartres, was een jonge man en apotheker. Op reis van Genève naar Frankrijk werd hij te Orleans gevangen genomen, waar hij het geloof, dat hij in de gemeente Gods uit de evangelische leer ontvangen had, op eenvoudige wijze beleed. Om die reden werd hij ter dood veroordeeld, en wel om levend verbrand te worden. Hij was met dit vonnis tevreden, maar zijn ouders en vrienden baden hem zo dringend, dat hij eindelijk aan hun verlangen voldeed, door zich van dat vonnis op de Hoge Raad te Parijs te beroepen. Het vonnis werd daar echter bevestigd; en alzo zond men hem naar Orleans terug, waar hij met grote standvastigheid de smarten des doods onderging, en levend werd verbrand, wat geschiedde in het jaar 1519.

 

Anna Oudebert, een weduwe

 

[JAAR 1549.]

 

In hetzelfde jaar werd Anna Oudebert, geboren te Orleans, weduwe van Peter Genest, apotheker in het stadje Castrorenard gevangen genomen, terwijl zij op weg was naar Genève, om de gemeente Gods te bezoeken. Met haar nam men ook gevangen Stefanus Peloquin, een getrouw getuige en martelaar van Jezus Christus. Nevens haar waren er ook nog enige andere gevangen genomen, die uit mensenvrees het Evangelie niet durfden belijden.

Van Castrorenard werd Anna naar Parijs overgebracht, en daar door de Hoge Raad ter dood veroordeeld, en wel om in haar stad Orleans levend te worden verbrand. Op Zaterdag de 28e September kwam zij in de stad, en werd des namiddags ten twee uur naar een brandstapel gevoerd om gedood te worden.

Men verhaalt, dat, toen zij uit de gevangenis naar de plaats werd geleid, Matroy geheten, en met een touw gebonden was, zij met een verblijd en opgeruimd gemoed zei "Och, hoe schoon is deze riem, die mij mijn Bruidegom geeft! Op Zaterdag huwde ik mijn eerste man, en op Zaterdag zal ik weer met Christus Jezus mijn Bruidegom in de echt treden."

Toen zij zag, dat er een wagen gebracht werd, waarop men gewoon was het slijk en de onreinheden weg te brengen, sprak zij met een verblijd en vrolijk gelaat: “Is dit de wagen waarop ik zitten moet?”en klom er met een opgeruimd gemoed op. Die kracht en standvastigheid behield deze weduwe tot het einde, zodat allen, die haar zagen, zich verwonderden; terwijl de gelovige en godvruchtige lieden door haren dood werden versterkt in het geloof. Aldus werd zij, om de getuigenis der evangelische waarheid levend verbrand, in het jaar van onze Zaligmaker 1549.

 

De marteling van Mr. Nikolaas, in Henegouwen

 

[JAAR 1549.]

 

Omstreeks het jaar 1549 nam de vervolging in Henegouwen zeer toe; velen werden er gevangen genomen, en onder die Mr. Nikolaas, geboren in Frankrijk, Barbara, zijn vrouw, Augustijn, een barbier en diens vrouw Maria, geboren in een dorp bij de stad Bergen, in Henegouwen. Gedurende enige tijd hadden zij te Genève gewoond, en vergezelden elkander naar Nederland, om daarna in Engeland te gaan wonen. Toen zij in Henegouwen gekomen waren, verzocht Augustijn de geleerden Mr. Nikolaas, dat zij de kleine kudde des Heeren te Bergen zouden bezoeken, om hun de gave en genade mee te delen, die hun van God gegeven was, waaraan hij volvaardig voldeed. Zo kwamen zij dan in de genoemde stad samen, waar zij vriendelijk door de broeders ontvangen werden, terwijl de, gemeente door de goede vermaningen van Mr. Nikolaas zeer werd versterkt en getroost. Nadat zij daar enige tijd hadden vertoefd, namen zij afscheid van de gemeente, en gingen naar Doornik, om alzo verder te reizen naar Engeland. Bij het vertrek werden Augustijn en zijn vrouw herkend, en bij de beambte beschuldigd, en tot op vier mijl nabij Doornik vervolgd, waar zij allen werden gevangen genomen, uitgezonderd Augustijn, die de dienaars niet zagen, noch wisten, waar hij was gebleven. Met Mr. Nikolaas en de twee vrouwen keerden zij terug, die onderweg door de beambte wreed werden behandeld en bespot.

Toen zij aan tafel zaten om te eten, deed Mr. Nikolaas zijn gebed tot God, zoals de gelovigen gewoon zijn. De beambte hoorde dit, en zwoer bij de dood en de wonden van Christus en zei: "Nu zullen wij zien, of God u uit mijn handen verlossen zal, gij ketterse boef!" Mr. Nikolaas antwoordde hem zeer vriendelijk: "Mijn vriend, wat heeft Jezus Christus u gedaan, dat gij Hem als vaneen scheurt in uw lastering? Ik bid u, in de naam van God, dat gij ophoudt. En is uw hart zozeer verbitterd door haat tegen de Zoon van God en Zijn Woord, dat gij niet laten kunt de Heere Jezus Christus te bespotten, wreek u dan aan mij, en koel daarmee uw gemoed, want dat zal mij veel aangenamer zijn." Alzo kwamen zij in de stad Bergen als arme schapen op een wagen gebonden, en zongen psalmen met een blij gemoed. Vervolgens werden zij naar het kasteel der stad gevoerd, in een duistere gevangenis gezet, en geketend aan de voeten alsof zij moordenaars waren. Na enige dagen kwam tot hem de hertog van Aarschot met vele priesters en Minderbroeders, onder wie de opziener een doctor in de godgeleerdheid was. Zij vroegen hem, vanwaar hij was, waar hij naar toe ging en welk geloof hij had. Mr. Nikolaas gaf op alles, wat hem gevraagd was, zulk een antwoord, dat hij de Minderbroeders dikwerf beschaamd maakte, die niet wisten, wat zij zeggen zouden, en als uit één mond niet anders riepen dan! "Hij heeft de duivel! naar het vuur, naar het vuur met de Lutheraan!" Mr. Nikolaas hernam: “Hoe, mijne heren, gij zoudt de verantwoording van een Jood of Turk wel willen aanhoren, en vreest gij nu verleid te zullen worden? Indien uw leer de waarheid van God is, behoeft gij niet te vrezen overwonnen te zullen worden." Na langdurige ondervraging verlangde hij de toestemming, om zijn belijdenis te mogen schrijven, wat hem werd toegestaan in de gevangenis, en waarbij hij goede en genoegzame rekenschap van zijn geloof gaf.

Intussen kwamen zijn vijanden tot hem, en vroegen, waar hij gelogeerd had, toen hij door Bergen reisde. Hij antwoordde, dat hij in die stad niet thuis behoorde, en daar niet meer dan eenmaal geweest was, waarom hij geen plaats kon noemen. "Wanneer ik echter," zei hij, "het huis zag, dan zou ik dat mogelijk wel herkennen." Hij werd stevig gebonden en door de stad geleid, doch hij wees hun de plaats niet aan.

Toen zij zagen, dat zij in hun voornemen bedrogen waren, gingen zij naar Barbara, zijn vrouw. Onder vleiende woorden nam de hertog van Aarschot haar bij de hand en zei: "Barbara, mijn vriendin, ik bid u, uw leven te sparen; gij bent nog zulk een jeugdige vrouw. Wanneer u ons het huis wilt wijzen, waar u gelogeerd hebt, beloof ik u uit de gevangenis te ontslaan en los te laten." Door deze beloften werd de arme vrouw overwonnen, en wees het hun aan, hetwelk een oorzaak was van grote vervolging, want velen werden daar gevangen genomen.

Nadat men tegen Mr. Nikolaas de rechterlijke behandeling van zijn zaak gevorderd had, werd hij uit de toren van Aubron voor de rechters gebracht, waar het doodsvonnis over hem werd uitgesproken, en wel om levend tot as verbrand te worden. Toen Mr. Nikolaas dit vonnis vernam, verblijdde hij zich in de Heere en zei: "Geprezen zij onze God, Die mij zoveel eer en aanzien bewijst, mij te verkiezen om in de dingen van Zijn geliefde zoon een getuige te zijn." Daarna zong hij met zulk een vuur een psalm, dat de dienaars, die hem bewaarden, zich zeer verwonderden. Terwijl hij het uur van zijn sterven afwachtte, werd hij in de kamer van de wacht der gevangenis geleid, waar hij zijn klederen van het stro reinigde, en zei: "Mijn vrienden, ik reinig mij, omdat ik geroepen word tot de bruiloft en het avondmaal van het Lam." Toen hij zich aldus gereed maakte en reinigde, kwam er een dienaar van de stadhouder, die hem verbood het volk aan te spreken. Toen hij dit hoorde, verlangde hij de stadhouder zelf te spreken. Deze verscheen, en verbood het hem, onder bedreiging hem anders een bal in de mond te laten stoppen. Mr. Nikolaas antwoordde: "Omdat gij het mij verbiedt, zal ik gehoorzaam zijn. Maar ik verzoek u, mij toe te staan God te bidden en te loven, daar ik de dood tegenga." Dit werd hem veroorloofd, onder voorwaarde van niet tot het volk te spreken.

Ten twee uur na de middag kwam men hem halen om ter dood gebracht te worden. Toen hij het kasteel verliet, hief hij de ogen verblijd naar de hemel en riep de Heere aan. Toen hij aan de gerichtsplaats gekomen was, volgden hem vele monniken, om hem inliet bidden te hinderen. Terwijl hij zich naar het volk wendde, riep hij met luider stem: "0 mannen, mannen, hoe lang zal uw hart versteend zijn!" Men liet hem niet verder spreken; maar er kwam een dienaar, die hem in het gezicht sloeg. Toen zei Mr. Nikolaas: "Och, arm volk, gij bent niet waardig, dat men u Gods Woord voorhoudt." Vervolgens werd hij aan een paal gebonden. De Minderbroeders belasterden hem gruwelijk, en zeiden, dat hij de duivel had; doch hij herinnerde hun het vers uit de 6den Psalm . Wijk van mij alle boosdoeners," &. Terstond werd het hout aangestoken. Toen hief hij zijn aangezicht naar de hemel, riep de Heere aan en zei: "0, eeuwige Vader, in Uw handen beveel ik mij," en aldus scheidde hij zalig uit deze wereld.

 

Maria, de vrouw van Augustijn, de barbier

 

[JAAR 1549.]

 

Na de laatst verhaalde terechtstelling namen de rechters Maria, de vrouw van Augustijn, onder handen, en vroegen haar, wat men te Genève deed, als men het avondmaal uitdeelde, en of zij daar ook het avondmaal had bijgewoond. Ze antwoordde toestemmend, en zei, dat men het daar waarlijk bediende volgens de instelling van de Heere Christus Jezus. Op alle andere vragen antwoordde zij naar de mate van het geloof, door de Heere haar geschonken, en bleef zeer standvastig, zodat zij noch door belofte, noch door pijnigingen van de kennis der waarheid kon worden afgebracht. Het doodsvonnis werd over haar geveld, en wel om levend te worden begraven: hetwelk volgens de bepaling van de keizer de straf was, waarmee de standvastige vrouwen in Nederland zouden worden omgebracht.

Vervolgens werd zij op de plaats gebracht, waar zij begraven zou worden. Daar hief zij haar ogen naar de hemel en loofde de Heere wegens de genade haar bewezen, door haar uit de gruwelijke duisternis en verblindheid te verlossen. In het graf viel zij op de knieën, en deed een gebed tot de Heere. Toen de scherprechter haar zou neerleggen, verzocht zij om een neusdoek over haar aangezicht te spreiden, hetwelk plaats had. Vervolgens werd haar gehele lichaam met zand bedekt, terwijl de beul op het zand sprong, met zijn voeten derwijze op haar lichaam stampte, dat zij haar ziel zalig aan de Heere overgaf.

 

Augustijn, de barbier

 

[JAAR 1549.]

 

Toen Mr. Nikolaas en Maria gedood waren, bezocht Augustijn de markten, en verkocht specerijen en andere kleine koopwaren, om zo de kost te verdienen. Onder andere kwam hij in de stad Beaumont, omstreeks zes mijlen van Bergen, in Henegouwen. Toen hij zijn koopwaren daar uitgestald had, werd hij herkend en bedrogen. Toen hij zag, dat men toebereidselen maakte, om hem gevangen te nemen, liet hij zijn waren op de markt staan, en vluchtte de stad uit. Hij was bovenmate vreesachtig en kleinmoedig, zodat hij dikwerf, alleen op het zien of de ontmoeting van gerechtsdienaren schrikte en beefde, en bovenal vreesde hij voor gevangenschap. Toen hij onder grote vrees de stad ontvlucht was, ging hij naar het dichtst nabij gelegen bos, om zich daar te verbergen, doch tevergeefs, want zijn uur was geslagen. Op de muren van de stad waren enige lieden, die zagen dat hij zich in het bos verbergde, en dit terstond de gerechtsdienaren te kennen gaven. Gevankelijk werd hij de stad Bergen binnen geleid, om daarin verhoor genomen te worden, aangezien Bergen de hoofdstad was van Henegouwen. Daar ondervroeg men hem aangaande zijn leven en geloof, waarop hij met grote vrijmoedigheid antwoordde. Met reden verwonderde men zich daarover, aangezien hij altijd zo vreesachtig en versaagd was, en zich nu in de grootste nood en het ergste gevaar zo vroom en vrijmoedig betoonde, dat zijn tegensprekers zich schaamden. Hoe wonderbaar zijn toch 's Heeren werken, en hoe waarachtig openbaarde Hij zich in zijn belofte, die gezegd heeft: “Wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Want gij zijt [het] niet, die spreekt, maar [het is] de Geest uws Vaders, die in u spreekt."

Toen men zijn vrijmoedige belijdenis gehoord had, en zijn rechtsgeding geëindigd was, werd hij veroordeeld om levend te worden verbrand. Ongeveer acht dagen voor het vonnis zou worden uitgevoerd en hij naar Beaumont gebracht werd kwam de opziener van de Minderbroeders van Bergen, een groot vijand van de evangelische waarheid, en hield een lang aanspraak, waarin hij trachtte te bewijzen dat hij ketters en verdoemd zou wezen, indien hij de leer, die hij aangenomen had, niet verloochende. Doch Augustijn hield de mond niet gesloten, want, terwijl de monnik daar stond en predikte, viel hij hem dikwerf, in tegenwoordigheid van de gehele vergadering in de rede en zei: "Bevestig, wat gij zegt met het Woord Gods, en men zal het geloven. Gij zegt veel, en bewijst weinig, waarmee gij te kennen geeft, dat gij een leraar der leugens zijt,die men niet behoort te geloven. Wat mij aangaat, ik geloof de leer van Profeten en de Apostelen, en deze is mij tot mijn zaligheid genoeg."

Na deze toespraak werd Augustijn naar de herberg, de Engel geheten, gebracht, om daar een paard te bestijgen, en naar Beaumont te worden vervoerd. In de herberg was een edelman gelogeerd, die hem een volle beker wijn overreikte en zei: "Mijn vriend, heb medelijden met uzelf; en wilt gij uw leven niet behouden, behoud ten minste uw ziel. Ik heb groot medelijden met u." Augustijn antwoordde: “Ik dank u voor de goede gunst, die gij mij bewijst. Gij ziet immers, dat ik zulk een groot mededogen met mij en mijn ziel heb, dat ik mijn lichaam overgeef om verbrand te worden, liever dan tegen mijn geweten te zondigen. Ik acht dit echter mij tot zaligheid; want, wat ik lijd, is niet om mijn zondig leven, maar, alleen om het Woord van Jezus Christus, om wie alle martelaren hun bloed hebben gestort, wat ik ook wens te doen."

Daarna werd hij te paard gezet, en naar Beaumont gevoerd, vergezeld van een grote menigte van dienaars, die met stokken en wapenen hem geleidden. Toen zij in de stad kwamen, werden zij nauw ingesloten, aangezien men daar de uitvaart hield van de zoon van de hertog van Aarschot, die omgekomen was; zodat er vele prinsen en hertogen gekomen waren, die ook de gevangene bezochten, en hem aangaande zijn geloof en de godsdienst ondervroegen, die hij allen vriendelijk antwoordde. Onder anderen sprak de graaf van Alam geruime tijd met hem.

Eindelijk werd hij buiten de stad op een berg geleid, om aldaar als opgeofferd te worden. Om zijn volharding en zijn geduld was het merendeel van het volk zo woedend op hem, dat zij riepen, dat die hem met de voeten achter een paard behoorde te binden, en alzo naar de berg slepen. Toen hij op de plaats aangekomen was, waar hij gericht zou worden, riep hij de Heere aan, en daarna werd hij aan een paal gebonden. Toen nu de brand in het stro gestoken was, en hij de hitte gevoelde, begon hij de Heere te loven. Eindelijk riep hij, temidden der vlammen, met luider stem: "0 eeuwige Vader! aan U beveel ik mijn ziel;" en gaf kort daarna zijn ziel aan de Heere over.

 

Staat en toestand van Christus' kerk in Nederland, en de oorzaken waardoor de vervolging tegen haar in grote mate werd vermeerderd

 

Het zal niet ondienstig zijn, beminde lezer, voor wij met de geschiedenis der martelaren in het begin van het jaar 1550 voortgaan, het een en ander mee te delen aangaande de staat en de toestand van Christus' kerk in Nederland en van de oorzaken, waardoor de vervolging tegen haar in grote mate werd verzwaard en uitgebreid.

 

 

Het had de almachtige God behaagd vele koninkrijken, vorstendommen en landen enige lust tot Zijn heilig en alleen zaligmakend Woord te verlenen, en daardoor de pauselijke bijgelovigheden en afgoderij te verloochenen; zo zelfs, dat men ook in Nederland, niettegenstaande er vele strenge bevelen gegeven waren, om de godsdienst uit te roeien en de belijders om te brengen, meer en meer toenam in de kennis der zaligheid. In verscheidene landen was er reeds veel bloed vergoten, doch het bleek allerwegen, dat het niets hielp. Immers, daarna volgde de openlijke verandering van de godsdienst in Engeland, Schotland, Denemarken, Zweden en eindelijk ook in Frankrijk, alzo in meest alle landen om Nederland gelegen. En aangezien de Nederlanders een belangrijke handel dreven in al deze landen en koninkrijken, en dagelijks daarin verkeerden en handelden, en ook de inwoners van die landen, om handel te drijven, Nederland bezochten, zo werden daardoor meer en meer lieden van lieverlede tot deze godsdienst getrokken, waartoe ook zeer veel bijdroeg het verspreiden van de boeken en de geschriften der leraars die de hervormden godsdienst beleden in andere landen opgesteld en gedrukt. In verscheidene steden en plaatsen van Nederland werden vele geheime vergaderingen gehouden, toespraken en predikatiën gehouden, en het volk in deze godsdienst geoefend, onderwezen en versterkt, en wel zo, dat velen zich daarin zo ijverig betoonden, dat zij, wanneer zij ten gevolge van de bevelschriften gevangen genomen en ter dood veroordeeld werden, met blijdschap en vrijmoedigheid naar de strafplaats gingen, alsof zij aan een heerlijk bruiloftsfeest werden genodigd. Onder weg zongen zij psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, onderwezen het Volk in de ware godsdienst, wekten die op om de roomse kerk te verlaten, die verklarende voor de kerk van de antichrist, ja, voor een moordkuil, en wendden alle middelen aan, die zij slechts konden, om het volk van haar af te trekken.

Aangezien nu, zo hierdoor als door vele andere middelen, de bewoners van Nederland meer en meer tot de genoemden godsdienst werden getrokken, werd ook de vervolging tegen hen hoe langer zo heviger, en wist de geestelijkheid zijn keizerlijke majesteit, na vele verzoeken, zover te brengen, dat hij op 29 April in het jaar 1550 een zeer gestreng bevelschrift tegen de belijders van de hervormden godsdienst liet uitvaardigen, waaruit ten duidelijkste bleek, dat men voor had de geestelijke inquisitie overal in Nederland in te voeren, en niettemin door de wereldlijke macht de wrede en bloedige bevelschriften op gestrenge wijze te doen voltrekken. Het bevelschrift luidde als volgt:

 

Verordening, wet en eeuwig besluit om uit te roeien en te vernietigen de sekten en dwalingen, opgestaan tegen ons heilig christelijk geloof, en tegen de bepalingen van onze moeder, de heilige kerk, gegeven te Brussel, op de 29e april 1550.

 

Karel, bij de gratie Gods Rooms keizer, gedurig uitbreider van het rijk, koning van Germanië, Kastilië, Leon, aartshertog van Oostenrijk, hertog van Bourgondië, Lotharingen, Brabant, Limburg, Luxemburg en van Gelre, graaf van Vlaanderen, Artois, Bourgondië, paltzgraaf van Henegouwen, Holland, Zeeland, enz. Allen dengenen, die deze zullen zien, saluut!

Al is het zo, dat wij boven alle zaken bijzonder toezicht en eenparige zorg altijd gedragen hebben, om het oude oprechte geloof en de christelijke godsdienst in en over al onze koninkrijken, landen en heerlijkheden te onderhouden en te doen onderhouden en alle betamelijke middelen en wegen aangewend hebben, om de vele en verschillende sekten, dwalingen en ketterijen, reeds sedert lang in het christenrijk bekend gemaakt en verspreid, tegen ons genoemd geloof en de leringen en bepalingen van onze moeder, de heilige christelijke kerk te verdrijven en uit te roeien, en tot dat einde gerechtelijk doen besluiten en bekend maken in onze landen, waar ook gelegen, door verschillende bevelschriften, wetten, besluiten en geboden, waarin grote en zware straffen gesteld zijn tegen de overtreders daarvan. Niettegenstaande dit alles, vernemen wij, tot ons groot leedwezen, dat verscheidene lieden, die in onze genoemde landen van elders handel drijven en verkeren, met de bedoelde sekten, dwalingen en ketterijen besmet en verpest zijn, en medewerken anderen dagelijks op geheime wijze te verleiden, te bedriegen en tot hun vervloekte, valse en kwade leringen te vervoeren, en het onwetende volk in die mate te onderwijzen, dat wij het zeer nodig vinden, dat men op naarstige wijze de inquisitie toepast en onderzoek doe jegens zulke verleiders, hun medeplichtigen, begunstigers en aanhangers, en dat bovendien onze genoemde besluiten, wetten en geboden vernieuwd en weer uitgevaardigd en afgekondigd worden in en over al onze genoemde landen, waar ook gelegen, en de naleving daarvan daar geschiede en gestreng gehandhaafd worde, om ten enenmale teniet te doen en uit te roeien de oorsprong, de grond en de wortel van deze besmettelijke pest. Hebbende in de algemene vergadering der Staten in onze genoemde landen, die de laatste maal gehouden is in deze onze stad Brussel, hen vermaand, en op het hart gedrukt en bevolen, dat een ieder, zich zou benaarstigen, om zich en de zijnen te houden aan en voort te gaan met ons genoemd oud en oprecht geloof en christelijke godsdienst, en met alle zorgvuldigheid mee te werken tot uitroeiing van alle genoemde dwalingen en nieuwe en valse meningen, daar men, bijvoorbeeld, bij onze naburen kan zien de rustverstoringen bij het gemene volk, beroerten en verwarring van de algemene staat, rust en welvaart en andere ongelegenheden, die voortspruiten en volgen, buiten het verlies der zielen. Zo is het, dat wij, begerende met ons gehele hart en uit al onze macht daarin te voorzien en verbeteringen te brengen, op nieuw, n goed en rijp overleg van de raad en voorlichting van onze zeer lieve en beminde zuster, de Koningin-weduwe van Hongarije, Bohemen, enz., en voor onze bestuurders en bevelhebbers in onze genoemde landen, waar ook gelegen, de ridders van onze orden, en van de hoofden, voorzitters en lieden van onze raad van State en geheime beambten, en volgens onze rechte wetenschap en op eigen gezag, geboden, besloten, bevolen en verordend hebben: verbieden, besluiten, bevelen en verordenen voor een eeuwige bod en wet, wat hierna, volgt.

Vooreerst, dat niemand, van welke stand of rang hij ook zij, zal mogen drukken, schrijven, uitschrijven, overschrijven, noch met zijn weten onder zich hebben, ontvangen, dragen, bewaren, verbergen, verzwijgen, noch onder zich houden, verkopen, kopen, geven,verspreiden, uitstrooien of laten vallen, in kerken, op straten of andere plaatsen, enige boeken of geschriften, gemaakt door Maarten Luther, Johannes Oecolampadius, Ulrich Zwingli, Martinus Bucer, Johannes Calvijn, of andere ketters of stichters van hun, of van andere kwade en valse sekten, verworpen door de heilige kerk, of van hun aanhangers, medeplichtigen en begunstigers, dwalende buiten ons voornoemd heilig christengeloof, breder uiteengezet in zekere verklaring, op ons bevel op nieuw uitgevaardigd door de rector en die van de hogeschool van onze stad Leuven, van de 26sten Maart laatstleden, welke verklaring wij voor geldend geoordeeld hebben en nog voor geldend houden, willende en bevelende, dat deze nagekomen, onderhouden en afgekondigd worde met deze onze brief; noch ook enige andere boeken, die sedert dertig jaren allerwegen zijn geschreven of gedrukt, of later geschreven of gedrukt zullen worden, zonder vermelding van de schrijver, drukker, van tijd of plaats. Verder, niet te schilderen of te doen schilderen, verkopen, of te koop aan te bieden, te hebben, houden, bewaren of te behouden enige beelden, schilderijen of schandelijke beeltenissen van de maagd Maria, of van de heiligen, heilig verklaard door de heilige kerk of door de geestelijken staat. Te verbreken, in stukken te houwen en te vernietigen de beelden en schilderijen, die ter ere of tot gedachtenis daarvan mochten vervaardigd zijn, niet in huis of elders te houden of gedogen te houden enige geheime samenkomst of onbehoorlijke vergadering, noch in zulke zich te laten vinden, waarin de genoemde ketters en verleiders in het geheim hun dwalingen zaaien en onderwijzen, herdopen en op verschillende wijzen samenspannen tegen de heilige kerk en de algemene welvaart.

Insgelijks verbieden wij allen leken en anderen briefwisseling te houden en te redetwisten over de Heilige Schrift, in het openbaar of in het geheim, vooral in twijfelachtige of strijdende zaken of anderen de Heilige Schrift voor te lezen en te onderwijzen, tenzij zij godgeleerden zijn of in de godgeleerdheid gestudeerd hebben, door een hogeschool of anderen bevoegd verklaard, en daartoe door de geestelijken van de plaats toegelaten. Verder, niet te preken, verdedigen en te beweren, in het openbaar of in het geheim, enige leringen van de genoemde schrijvers, op straffe, wanneer iemand bevonden wordt overtreden of gedaan te hebben tegen een van de bepalingen boven gemaakt, behandeld te zullen worden als oproerige personen en onruststokers in onze staat en van de algemene welvaart, en gevonnist te zullen worden met het zwaard, te weten, de mannen, en de vrouwen met levend te begraven, ingeval zij haar dwalingen niet willen blootleggen of verdedigen. En, wanneer zij in hun dwalingen, meningen of ketterijen blijven volharden, gevonnist te worden met de vuurdood, en in elk geval hun bezittingen verbeurd verklaard en in beslag genomen ten onze voordee1e Verklarende, dat zij van de dag af, dat zij tegen ons bevel, onze wet en ons verbod gehandeld zullen hebben, of tot de genoemde dwalingen vervallen zijn, onbevoegd zullen zijn om over hun goederen te kunnen beschikken, en zullen alle verpandingen, giften, afstanddoeningen, verkopingen, overdrachten en opdrachten, testamenten en laatste wilsbepalingen, door hen gedaan en gemaakt sedert de genoemden dag, zonder kracht en van geen waarde zijn.

Wij bevelen voorts en gebieden, dat niemand, van welke stand of rang hij ook zij, zich verstoute te herbergen, logeren en in zijn huis te ontvangen, te onthalen, te onderhouden en te verzamelen en met enige levensmiddelen, klederen, geld en goederen bij te staan of met zijn weten te begunstigen enige, die voor ketters gehouden of daarvan verdacht worden. En dat allen die deze herbergen, logeren, ontvangen en onthalen zullen, wetende dat zij ketters zijn, gehouden zijn die aan te klagen en te beschuldigen bij de inquisiteur of bij de beambte van hun plaats, voorzover die daartoe bevoegd is; en, in geval hij dit niet is, aan de voornaamste beambte van de naaste goede stad van hun verblijf; op straffe, indien zij daarin in gebreke blijven, gevonnist te worden als begunstigers van genoemde ketters.

Dat zij, die besmet en overvallen mochten geweest zijn door enige dwaling, ketterij of verkeerde opvatting in het geloof, in de sacramenten of verordeningen van de kerk, uit onnozelheid, onwetendheid, menselijke zwakheid en broosheid, zonder opzet en zonder de opzettelijke wil van te scheiden en zich af te zonderen van de unie der heilige kerk, en zonder tegenstand geboden of iets gedaan te hebben tegen enig artikel van dit bevel, of last gegeven te hebben tot enig openbaar schandaal of een andere zaak of handeling, strekkende tot rustverstoring of verleiding van iemand anders, waarvan het wereldlijk recht kennis moet dragen, doch zich in tijd en gewillig bekeerd en berouw gehad te hebben, en deswegens bij de Apostolische inquisiteur, de bisschop of zijn dienaar tot boete, afzwering en gratie te zijn toegelaten, zullen nochtans niet terstond mogen verkeren, omgaan of met elkaar mogen handelen over enige zaak ons genoemd geloof aangaande en betreffende, op straf van gehouden te zullen morden voor een afvallige.

Desgelijks, indien iemand niet geheel vervuld is met ketterij of dwaling, maar als verdacht daarvan aangemerkt wordt, en uit die hoofde door de geestelijken rechter bevolen wordt de genoemde ketterij te laten varen, of veroordeeld zijnde door het wereldlijke recht enige boete en openbare belofte van verbetering te doen, wat wij toestaan en verklaren de kracht te hebben van afzwering, later weer besmet was met ketterij, ofschoon het niet bleek, dat hij overtreden of iets gedaan had tegen enig artikel van onze geboden; willen wij nochtans bepalen, dat deze, volgens verklaring van het geestelijk gerecht, gehouden worde voor een afvallige, en volgens die gestraft met verbeurdverklaring van leven en bezittingen, zonder enige hoop van verzachting, of vermindering van genoemde straffen.

Bevelen voorts, dat zij, die betrapt zullen worden, of bij voorafgaand onderzoek verdacht worden van ketterij of dwaling als bovengenoemd, ofschoon zij tot het doen van boete of verkrijging van gratie waren toegelaten, zoals gezegd is, zullen deze nochtans niet mogen bezitten noch bedienen in onze genoemde landen, waar ook gelegen, enig voortreffelijk ambt, wat dat ook zijn mag, noch in onze raad zitting hebben noch in een onzer steden. Gebiedende daarom zeer scherp aan onze beambten en commissarissen, belast met de vernieuwing van de wet, die te stellen tot Staat van schepenen of anderen, gelijk gezegd is.

Verder, wij willen bevelen en besluiten, dat niemand, van welke staat, rang en stand hij ook zij zal toegelaten en ontvangen worden in een stad of in een dorp van enig land, waar ook gelegen, om daar te wonen, tenzij hij overlegt een bewijs van omgang en verkeer van de geestelijke van zijn laatste woonplaats, welk bewijs hij verplicht zal zijn te vertonen en over te leveren in handen van de voornaamste beambte van de stad of het dorp, waar hij zich zal willen vestigen, op straf, dat zij, die zulk een bewijs niet meebrengen, niet toegelaten zullen worden om daar te wonen, maar als verdacht zullen worden gehouden. En wij gelasten de beambten of particulieren heren en hun onderhorigen, dat het niet geoorloofd is zulken lieden enig geleide of enige brief van goed gedrag te verlenen.

Idem, willen ook, dat al onze justitieraden, beambten en rechters en onze dienaren en onderdanen, wereldlijke heren en hoge raadsleden, op verbeurte van hun genoemde ambten, rechtsmacht en hoge rechtsbedeling of andere straffen, naar bevind van zaken en de billijke uitspraak toe te passen, zich gehouden zullen achten naarstig te onderzoeken en rechterlijk te behandelen bij de inquisitie en die met de handhaving van deze genoemde zaak belast zijn, jegens alle personen, van welke rang of stand zij ook mogen zijn, vooral wat de overtreding van ons genoemd bevel betreft en in zaken, die tot hun kennis behoren, en van hun wereldlijke en tijdelijke rechtsuitspraak afhangen.

En dat zij voorts op begeerte en verzoek der inquisiteurs van het geloof en van de gewone rechters van de bisschop, wanneer zij samen, of bij wijze van mededinging, indien het de geestelijke beslissing van ketterij betreft, tegen iemand in rechten willen opstaan, hun te verlenen alle hulp, gunst, bijstand en medewerking tot de uitvoering en het volbrengen van hun last. En voorts, in het gevangen nemen, vasthouden en verzekeren van hen, die zij besmet en verpest bevinden, na te komen de bepaling, die de genoemde inquisiteurs van ons hebben, en de voorschriften, die wij hun tot dit einde hebben doen geven, aan welke beambten, rechters en dienaren wij bevelen de voorschreven bijstand te verlenen, zonder enig uitstel of beletsel, onder de dekmantel van de voortduring van het rechtsgeding, voorkeur, of om enige andere reden, op straffe van naar bevind van zaken gekastijd te worden. Bevelende onze procureurs-generaal en hun dienaren de nalatigen in rechten te betrekken, en het vonnis op te maken, op straf van verlies van hun staten en bedieningen, hun rechtsgebied en andere tuchtigingen, zoals naar bevind van zaken zal worden geoordeeld.

Vermanen voorts, en verzoeken zeer ernstig, zowel de aartsbisschoppen, archi-diakenen, abten en hun dienaren, beambten en anderen geestelijke rechters, als ook de genoemden inquisiteurs en hun onderafgevaardigden in onze genoemde landen, en ieder van hen, zoals hij betaamt, dat zij tot het volbrengen van hun last, eerst en tevoren onderzoeken of bij hun afgezanten en commissarissen laten onderzoeken, met alle naarstigheid, of van de geestelijke personen ook besmet zijn en beschermd worden de genoemde dwalingen, en tot vereffening, straf en verbetering daarvan zich met vlijt te verzetten, en tegen hen de lijfstraffelijke rechtsgedingen voeren, zoals het behoort, zonder enige verschoning of draaierij. En, indien boven de genoemde geestelijke beslissing of het vermoeden van ketterij enige tegenkanting plaats heeft tegen onze bevelschriften of openbaar verfoeilijk schandaal, zijnde een openbare misdaad, in zulk een geval, wanneer het algemeen misdrijf door de geestelijken rechter aangetoond zal zijn, in geval van veroordeling, wanneer zij in hun dwalingen blijven volharden, of die herroepen bij eeuwige gevangenschap, afzwering onder ede of anderszins, zal niet te min, door onze genoemde wereldlijke rechters tegen hen, als gevaarlijke personen, rechtsingang moeten verleend worden, met aanranding en verbeurdverklaring van hun tijdelijke en erfelijke bezittingen en anderszins, zoals de zaak gebieden zal.

Item, dat al degenen die enige kennen, of kunnen kennen, die met ketterijen zijn besmet, verplicht zijn terstond en zonder uitstel, die aan te brengen, te verklagen en bekend te maken aan de inquisiteurs of beambten van de bisschoppen, en bij hun afwezigheid aan de priesters en geestelijken van de gemeenten, teneinde hun overste daarmee bekend te maken. Insgelijks, indien er iemand gevonden wordt, die iets gedaan heeft tegen onze bevelen en geboden, wat vooral aanleiding geven kan tot schandaal, beroerte onder het volk of oproer, dat degenen, die deze kennen, verplicht zijn daarvan terstond kennis te geven aan onze zaakgelastigden of hun beambten en dienaren, of de bestuurders van de plaats, waai, zulke besmette medeplichtigen wonen.

En desgelijks zullen zij verplicht zijn, indien zij de plaats kennen, waar enige dier ketters zich ophouden en verbergen, die te kennen te geven aan de bestuurders dier plaatsen, op straf van gehouden te zullen worden voor begunstigers, voorstanders en aanhangers der ketterijen, en gestraft worden met hetzelfde vonnis, als aan de ketter of misdadiger zou voltrokken worden, indien hij aangetast of gevangen genomen ware.

En, om zoveel te gemakkelijker kennis te verkrijgen van de ketterijen, dwalingen en verkeerde meningen, bevelen wij, dat de aanbrengers wanneer er een zeker bewijs van misdaad bestaat, en de beschuldigde overtuigd wordt, zullen genieten de helft van de bezittingen van de genoemden beschuldigde, indien deze niet meer bedragen dan honderd pond groot Vlaams (f600). Maar in geval de bedoelde bezittingen meer mochten bedragen dan de genoemde som, zullen zij alleen de tienden penning ontvangen van hetgeen de genoemde goederen meer zullen bedragen na aftrek van de gerechtskosten.

En, om de genoemde vergaderingen en onbehoorlijke en geheime samenkomsten te beletten, waarin de voornoemde dwalingen en ketterijen worden gezaaid en gepredikt, willen wij, dat degene, die iemand zal aanklagen of aanbrengen, die de genoemde vergaderingen en samenkomsten gehouden heeft, indien hij tot de vergadering behoort, voor dit maal zal vrij verklaard en ontslagen worden, zonder dat hij, omdat hij daar zou geweest zijn, zal mogen gestraft of getuchtigd worden, onder belofte zich daarmee niet meer te bemoeien, en in geval zulk een aanbrenger of beschuldiger aangaande ons heilig christengeloof en van de heilige sacramenten der kerk goede gevoelens heeft, en tot de genoemde vergadering niet behoort, zal hij hebben de helft van de verbeurd verklaarde goederen, wanneer deze de bedoelde honderd ponden niet te boven gaan.

Dat al onze genoemde beambten en rechters, en die van de steden en particuliere personen, verplicht zullen zijn, zorgvuldig en voortdurend toezicht te houden, en hun plicht te doen en zich te bevlijtigen tot onderhouding van dit ons bevel en gebod, gelijk gezegd is; welverstaande, zover onze beambten voorkwamen en prevenieerden de beambten van de particuliere heren of de rechters van hun steden, landen of heerlijkheden, kennis nemende, in geval van verhindering van genoemde zaken, verplicht zijn de verbeurdverklaring toe te wijzen en toe te staan, volgens de inhoud van dit ons bevel, behoudens, wat hun verbeurdverklaringen en de gerechtskosten aangaat, hun recht, uitvoerig vervat in zekere verklaring van ons, door ons daarop gemaakt, en gezonden naar onze vorstelijke hoven en provinciale raden, op de 20sten November II anno 1519.

En, opdat onze genoemde rechters en beambten, die de genoemde ketters, wederdopers en overtreders van ons voorschreven bevel en gebod, gevangen genomen en gegrepen zullen hebben, onder voorwendsel, dat de straffen te groot en te zwaar zouden schijnen te zijn, en alleen gesteld tot vrees van de beschuldigde en misdadiger, geen reden zouden hebben, met hen hun medeplichtigen en begunstigers te huichelen, of hen lichter te straffen dan zij verdiend hebben, zoals men dikwerf bemerkt heeft, dat geschied is, willen wij, dat degene, die zich met hun weten tegen dit bevel zullen gedragen hebben, door bij zich te houden, te drukken, verkopen, verspreiden of bekend maken enig ketters en schandelijk boek, geschrift of schilderij of iets gedaan en verricht te hebben tegen de artikelen hierboven of onder vermeld, of iets van die aard, waarlijk gestraft en gekastijd zullen worden, zoals boven is verklaard. Verbiedende al onze leden van de rechtbank, beambten en rechters, mitsgaders onze onderhorigen en onderdanen, wereldlijken heren, behorende tot het hoge gerechtshof en hun beambten, de voorschreven straffen te verminken, te verzachten en te veranderen; maar als hun gebleken zal zijn de voorscheven overtreding, de voorschreven straffen zonder achterhouding te verklaren en te bevelen, navolgende het tegenwoordig bevel, op straf van verlies van hun staten, ambten, rechtsgebied, en hoge rechtelijke bedieningen, en onbevoegd verklaard worden ten eeuwige dag om enig ambt te mogen bezitten of te bedienen, en daarenboven nog naar goedvinden te worden gestraft. Bevelende al onze beambten, ons mee te delen of aan onze genoemde zuster, de koningin-regentes, wanneer de rechters en raadsheren of anderen, kennis hebbende van de voorschreven overtreders, bezwaar maken onze voorschreven bevelen op te volgen en de voorschreven straffen vast te stellen en toe te passen, om tegen hen rechtsingang te verlenen bij de voorschreven straffen; en onze procureurs zulke besluiten jegens hen te nemen, als zij naar de aard der zaak redelijker wijze zullen goedvinden.

Verder, wanneer enige van de bedoelde ketters of wederdopers, die beschuldigd of gedaagd werden, naar het buitenland vertrokken of gevlucht zijn, en zich hebben verborgen gehouden, zodat men hen niet behoorlijk kon straffen, maar alleen in de ban doen, wetende, dat hun geestverwanten en aanhangers gestorven of ter dood gebracht zijn, zodat het de beambte onmogelijk zou zijn omtrent hem overtuigend en genoegzaam te doen blijken, dat zij ketters of wederdopers zijn, en onder dit voorwendsel, en hen in dit opzicht vertrouwende, hen dagelijks helpende met verzoekschriften om brieven van ontschuldiging, of andere voordelen in rechterlijke zaken te verwerven, wat de bedoelden ketters en wederdopers ongepaste aanleiding en reden zou geven tot hun dwalingen en verkeerde leringen terug te keren, en die in onze genoemde landen te verspreiden, tot groot gevaar, schande en ontering van hen en van onze onderdanen, willende daarin voorzien, verbieden wij de hoofden van onze vorstelijke hoven en voorzitters van onze provinciale raden, de bovenbedoelden verdachten en beschuldigden wegens genoemde ketterij en herdoop, die eens rechterlijk opgeroepen, doch niet verschenen waren, maar zich bij voortduring laten uitbannen, te schenken, verlenen of doen verlenen enige ontheffing van rechterlijke straf, om hen van die blaam te zuiveren of in onze voorschreven landen toe te laten te vertoeven; maar verklaren, dat zulke vluchtelingen en ballingen als overwonnen zullen worden beschouwd, en tegen hen rechtsingang zal worden verleend met toepassing van de voorschreven straffen.

Insgelijks verbieden wij ook een iegelijk, van welke staat of rang hij ook zij, op straf van gehouden te worden voor begunstiger van de ketters, ons of aan onze raden macht hebbende, gratie te verlenen aan de bovenbedoelde vluchtelingen, ballingen of wederdopers of andere besmetten, verzoekschriften te helpen indienen, om gratie te bekomen van hun misbruiken, dwalingen, ketterijen en overtredingen van onze bevelen, welke wij zonder enige schikking door wie het ook wezen mag, zonder weten en bepaald bevel van ons of van onze genoemde zuster de koningin, op straf van eeuwig onbevoegd te worden verklaard, om te mogen hebben of bedienen enig opperbestuur, ambt of staat in onze genoemde landen, en daarenboven naar goedvinden gestraft te worden. Verbiedende ook allen advocaten, procureurs, schrijvers, rechtsgeleerden en lagere beambten, zulke verzoekschriften te maken, te schrijven of aan te bieden, onder bedreiging van dezelfde straf.

Bevelen en gebieden ook, dat niemand kwijtschelding zal mogen toestaan van een vonnis, gegeven door de inquisiteurs, bisschoppen en hun beambten, zonder eerst en tevoren de bedoelde kwijtschelding te vertonen aan de leden van onze geheimen raad, en daarop te verwerven onze brieven van toelating in zoverre de zaak daarvoor vatbaar is.

Voorts, aanmerkende dat de bedoelde sekten en dwalingen voornamelijk voortgevloeid zijn zowel door de menigte van verschillende boeken, geschreven door veroordeelde en ketterse schrijvers, zo ook, dat verscheidene drukkers, boekverkopers, en verhuurders van boeken en hun bedienden en medehelpers, vervalst hebben de Bijbels en andere goede boeken van verschillende wetenschappen, overgezet in vele talen. En dat enige onderwijzers hen hebben ter zijde gestaan met de kinderen voor te lezen en te leren vele boeken, die niet betamelijk zijn, noch dienstig om de jeugdige scholieren er uit te onderwijzen; begerende daarin te voorzien, en een orde vast te stellen, waarnaar de bedoelde drukkers, boekverkopers en onderwijzers zich voortaan hebben te gedragen, hebben wij bevolen en bepaald, bevelen en bepalen voor gebod als boven:

Dat niemand, van welke staat, rang, stand of natie hij ook wezen mag, zal mogen drukken of doen drukken in onze landen, waar ook gelegen, enige boeken, verzen, balladen, liederen, brieven, voorspellingen en almanakken, noch enige andere zaken, oude of nieuwe, van de Heilige Schrift, of van enige anderen aard en in welke taal het ook zij, tenzij hij eerst en tevoren van onzentwege vergunning zal hebben ontvangen om te mogen drukken, en daartoe onze toestemming en toelating te hebben verkregen. En dat de genoemde boeken, verzen, balladen, liederen, brieven, voorspellingen en almanakken eerst onderzocht zullen worden door de beambte van die plaats, of door enige daartoe bevoegd verklaard of daartoe de bevoegdheid te geven, en dat men daarop vergunning en verlof van ons zal verkregen hebben om te mogen drukken; op gelijke straf als boven, indien in de genoemde boeken, verzen, balladen, liederen, brieven, voorspellingen en almanakken enige dwaling gevonden wordt bij overtreding daarvan gebannen te worden ten eeuwige dag uit al onze genoemde landen, waar ook gelegen, en bovendien te betalen de boete van drie honderd Karolusguldens, en die te verhalen op en te ontvangen uit de bezittingen van de overtreders.

En zullen de meesters en voorname drukkers gehouden worden het werk te verantwoorden van hun metgezellen en knechten, die bij hen in de drukkerij werkzaam zijn, en de zaak helpen uitoefenen. Welke metgezellen en knechten wij verbieden, op deze straf, iets te drukken in hun of andere huizen, of in andere geheime of ongewone plaatsen, buiten de werkplaats en de winkel van hun meesters.

Dat men onze brieven van verlof, toestemming en vergunning om te mogen drukken, niet zal mogen geven, dan nadat de bedoelde drukkers bewijzen zullen hebben gegeven van hun betrekking, toestand, bevoegdheid, goede naam, faam en gerucht.

Dat al degenen, die zulke brieven van verlof, toestemming en vergunning verkrijgen, gehouden zullen zijn, voor zij daarvan gebruik maken, de eed te doen in handen van zulke personen en beambten, als bij de genoemde brieven daartoe bevoegd zullen zijn verklaard en te onderhouden en te onderzoeken wat hierna volgt, op verbeurte van hun leven.

Vooreerst, dat zij niet zullen drukken, noch doen drukken enige boeken, verzen, balladen, liederen, brieven, voorspellingen, almanakken, of enige andere zaken, hetzij oud of nieuw van de Heilige Schrift, of van anderen aard en in welke taal het ook zij, tenzij die eerst onderzocht zijn door enige van hen, die wij daartoe aangewezen hebben, of zullen aanwijzen, en van ons hebben verkregen verlof, vergunning en bijzondere toestemming, verleend en gegeven na het genoemde onderzoek, om de genoemde boeken, verzen, liederen of enige andere zaken te mogen drukken.

Dat zij ook niet zullen drukken of doen drukken enige der voorschreven zaken, anders dan in die stad, waar hun dit bij de gezegde brieven is veroorloofd en toegestaan. Dat zij voorts gehouden zijn bij alles, wat zij drukken de korte inhoud voor het werk te stellen van genoemde brieven van octrooi of privilegie met handtekening van de secretaris, die deze afgegeven heeft, benevens de naam en toenaam des drukkers en de plaats en het jaartal van de druk des werks.

Dat, als zij genoemde brieven van octrooi en de kopie der boeken of stukken waarvoor zij consent hebben, ondertekend door de gecommitteerde der visitatie, zullen hebben bekomen, zij gehouden zijn alvorens dezelve te verkopen of verspreiden, de kopie en een der gedrukte boeken of stukken aan gezegden gecommitteerde ter hand te stellen om dezelve behoorlijk te vergelijken. En, als dezelve conform worden bevonden, gezegde kopie te laten in handen van de gecommitteerde, om, des nodig, daarmee verantwoordelijk te zijn, ten allen tijd en stond als hem zulks zal worden verzocht; alles op straf van verbeurte van gezegde brieven van octrooi en naar bevind van zaken te worden gekastijd.

En, om te voorzien in de gevallen, dat boeken als anderszins niet in onze Staten gedrukt, bij boekverkopers of uitgevers worden gedeponeerd, bevelen en gebieden wij, dat niemand, van wat staat of beroep, zal mogen verkopen of doen verkopen enige boeken, verzen, balladen, liederen, brieven, almanakken of andere geschriften, in het openbaar of het geheim, tenzij hij bij ons of onze gezanten in de landen, waar hij gezegde werken zal willen verkopen of doen verkopen, daartoe geapprobeerd zij.

Dat bij degenen, wie het vergund is om boeken en ander drukwerk te verkopen, zulks niet mag geschieden tenzij zij gedrukt zijn bij gezworene en geadmitteerde drukkers met bijvoeging der bovengenoemde privileges. Ook zullen zij geen boeken of anderszins in vreemde landen gedrukt, mogen ver' kopen zonder kennisgeving aan de gecommitteerde, alvorens hun balen te ontsluiten en te ontpakken, opdat deze of zijn zaakgelastigde daarbij tegenwoordig zij, om de boeken na te zien voor het te koop stellen of verkopen, met verbeurte van het leven, indien men bevond, dat zij enige boeken verkocht hadden, die dwaling bevatten, en een boete van twintig Karolusguldens voor elk boek, geen dwaling inhoudende.

Dat van onze raad niemand worde veroorloofd boeken te verkopen dan die ter goeder naam bekend zij en zwere deze onze ordonnantie na te komen. Ook zal deze moeten wonen in vaste of geprivilegieerde steden, in welke stad hij alleen zijn boeken zal mogen verkopen.

Dat van nu voortaan alle boekverkopers in hun winkels openlijk ten toon moeten hangen een lijst van alle verboden boeken volgens de verklaring van de Universiteit van Leuven, teneinde de kopers geen onkunde zouden kunnen voorwenden, op straf van honderd Karolusguldens. Alsook een lijst van de boeken in hun winkel voorhanden, zonder een enkele daarvan te verzwijgen, met toepassing van dezelfde straf. En, opdat dit alles te beter worde nagekomen, zullen de beambten van de plaatsen waarboeken verkocht worden, met een deskundige tweemaal des jaars al de winkels visiteren van de voorzegde boekverkopers, teneinde op hen de voormelde straf toe te passen, indien hij hen enige verboden boeken gevonden worden.

En zullen gezegde beambten ten allen tijde en stonden, zo dikwijls hun goeddunken zal, deze visitatie houden, en zullen verkopers verplicht zijn telkens, als hun dit verzocht wordt, hun huizen en winkels open te stellen en de lijst te vertonen, op straf van honderd Karolusguldens. Deze visitatie zullen zij ook verplicht zijn te ondergaan, al is het dat zij enige vrijheden en privileges te die opzichte genieten zonder onderscheid van jurisdictie of rechterlijke macht, en zullen wij zonder aanziens des persoons in deze handelen, om de algemene welvaart te bevorderen, onrust en stoornis te voorkomen, bovenal ten gunst van ons heilig christelijk geloof.

Ook wordt bij deze aan alle kramers of venters, uitgezonderd aan gepriviligeerde boekverkopers, verboden, enige boeken, getijboekjes, liedjes, balladen, verzen, almanakken of anderszins gedrukte stukken uit te stallen of in de achterbuurten uit te venten, op verbeurte van gezegde boeken en straf naar bevind van zaken.

En, om te voorkomen dat de kinderen in hun eerste jeugd verkeerd zouden worden onderwezen, zo bevelen wij, dat voortaan niemand, van wat staat of stand hij zij, een openbare school zal mogen houden, om de jeugd, jongens en meisjes te leren lezen, schrijven en spreken in wat taal ook, tenzij hij eerst bevoegd worde verklaard door de hoofdbeambte der plaats en van de geestelijke der parochiekerk, onder welke hij zijn verblijf zal willen houden, of van de hoofdstukken en superintendenten, die daarop vanouds toezicht hadden, op straf van twaalf Karolusguldens bij een eerste overtreding, vierentwintig bij een tweede en voortdurende verbanning van de plaats zijner woning. Wel te verstaan dat voorzegde beambten, geestelijken, superintendenten of andere autoriteit van toezicht over de schoolmeesters, goed toezicht zullen houden om daartoe aan te stellen personen van goede naam en faam, die onder geen verdenking liggen van valse lering, op straf dit op ben te verhalen, indien daarin enige nalatigheid bevonden worde. Dat degenen, die alzo bevoegd verklaard zijn om school te houden, geen boeken zullen mogen voorlezen of gebruiken in de bijzondere scholen, dan zulken, die daartoe aangewezen zijn met toestemming en verklaring van onze Universiteit te Leuven, gedateerd als boven.

En, hoewel naar onze mening onze tegenwoordige ordonnantie van voortdurende kracht is, zonder de noodzakelijkheid deze telkens bekend te maken en uit te roepen na de eerste publicatie, zo willen wij, opdat niemand der vreemdelingen of der jonge lieden onkunde voorwende, dat om de zes maanden, namelijk St. Jansavond in de zomer en Kerstavond in de winter, door elke beambte van de voornaamste steden en andere plaatsen van onze landen, waar men gewoon is te publiceren en uit te roepen, opnieuw worde bekend gemaakt, op straf van tien Karolusguldens, die bij gebreke van die, door de beambte zullen betaald worden ten onze profijt voor de eerste maal, en twintig Karolusguldens voor de tweede maal. En indien hij voor de derde maal mocht bevonden worden nalatig te zijn, zal hij van zijn ambt, zonder nadere verklaring, vervallen verklaard worden en hetzelve mitsdien als vacant worden beschouwd. En bevelen wij, of de nieuwe publicatie al of niet gedaan zij, dat de overtreders zullen worden gekastijd met de daarop gestelde straffen, zonder aanzien des persoons en zonder geldigheid van het voorwendsel, alsof de nieuwe publicatie niet ware gedaan.

Waarom wij onze Raad van State, onze geheimen raad, de president en de leden van onze groten raad in Brabant, de stadhouder, de president en de leden van onze raad in Luxemburg, de stadhouder, de kanselier en de leden van onze raad in Gelderland, de stadhouder van Limburg, Valkenburg, Dalhem en andere onzer landen in het Overmaassche, de gouverneur, de president, en de leden van onze raad in Vlaanderen en Artois, de Groot-Baljuw en de leden van onze raad in Henegouwen, de stadhouder, de eerste en anderen raden in Holland, de gouverneur, de president en de leden van onze raden in Namen, de stadhouder en de leden van onze raad in Friesland, de stadhouder van Overijssel en Groningen, de stadhouder, de president en de leden van onze raad in Utrecht, de gouverneur van Rijssel, Douai en Orchies, onze provoost van Valenciennes, de rentmeester van Bewester- en Beooster-Schelde in Zeeland, de schout van Mechelen en allen anderen onze rechters, leden der rechtbank en officieren van Justitie, en die van onze vazallen, hun stedehouders, allen en een iegelijk bevelen en gelasten wij bij deze, dat ze ons tegenwoordig bevelschrift, wet en gebod naar de voorschreven wijze zullen uitroepen en publiceren, of doen uitroepen en publiceren, een ieder in zijn gebied en behoorde, om ten eeuwige dag te onderhouden en waar te nemen al de artikelen daarin vervat; in rechten betrekkende en doende betrekken alle overtreders en ongehoorzamen bij toepassing van de bovengemelde straffen, zonder enige gratie, verschoning of verzachting, zonder recht van beroep, of enig aanzien van ordonnantiën, statuten, privileges en gebruiken daarmee in strijd, welke wij geen geldigheid in deze toekennen; maar hebben wij naar wijs beleid, gezag en volle macht tot hetzelve besloten en besluiten bij deze, al zulks te doen met onze volkomen macht, gezag en bijzonder bevel. Waarom wij elk en een iegelijk bevelen en gelasten, dit ernstig ter harte te nemen en daaraan te gehoorzamen, als zijnde dit ons stellig believen. Tot welk einde wij deze oorkonde van ons zegel hebben voorzien.

 

Gegeven in onze stad Brussel, de voorlaatste dag van April, in het jaar onzes Heeren Duizend vijf Honderd en vijftig, van ons keizerrijk het een en dertigste en van ons rijk van Castilië en andere het vijf en dertigste.

Aldus omschreven:

Bij de Keizer in zijn raad.

Was getekend,

VEREYCKEN.

 

En hoewel dit Plakkaat zonder enig bezwaar in verschillende provinciën en steden naar ouder gewoonte is afgekondigd geworden, zo heeft hetzelve terstond in alle landen bij ieder grote vrees, opspraak, morren en achterdocht verwekt, en enige steden, daarin bezwaar ziende, hebben niet willen gedogen, dat hetzelve daar zou afgekondigd worden, omdat zij duidelijk inzagen, dat dit met haar ondergang zou eindigen. Antwerpen vooral heeft daartegen zwarigheid gemaakt en geweigerd hetzelve uit te roepen, alvorens zelf daartegen eerst gehoord te zijn. Want, zodra was dit plakkaat niet bekend geworden, of vele kooplieden maakten zich gereed om te vertrekken; zij schorsten hun handel, kochten en verkochten geen goederen meer, zodat de gewone nering in grote mate verminderde, de waarde der huizen daalde, en de gemene burger zich nering en geldeloos bevond, en stad met ondergang werd bedreigd. Daarom hebben zij door verstandige mannen, nauwkeurige kennisneming laten doen van alle ongevallen, die reeds uit vrees voor de Inquisitie waren voortgesproten, en nog dreigden voort te spruiten. Deze hebben een groot aantal kooplieden, inwoners der stad en anderen in de brede gehoord, en hun getuigenis en verklaring naar behoren op geschrift gesteld, al hetwelk zij met uitvoerige schriftelijke bewijzen uit de genoemde kennisneming, de Plakkaten, privileges en herkomsten van de Lande en de stad en anderszins door hun eed bevestigd, door hun afgevaardigden ten hove hebben gezonden, ter inzage van de loffelijke koningin Maria van Hongarije, Landvoogdes vanwege de keizer in de Nederlanden en buitendien aan alle heren en raden voorgesteld het kwaad, dat daaruit zou voortkomen, met verzoek dat zij benevens de keizerlijke majesteit zou willen vergunnen en gebieden, dat hun stad van de Inquisitie mocht verschoond blijven, en volgens hun privileges niet aan het geestelijk onderzoek onderworpen worden.

De raad van Brabant de zaak overwegende, heeft de vrijheid der landen voorgestaan, en tot sterking van Antwerpen zich tegen de Inquisitie en het Plakkaat verklaard; ook de andere steden van Brabant hebben evenals Antwerpen geweigerd het Plakkaat af te kondigen. Kortom, de klachten en vertogen, de benauwdheid en opspraak van groot en klein, zijn zo menigvuldig geworden, en de ondergang des lands was voor allen zo duidelijk, dat de goedhartige en vaderlandlievende koningin in persoon naar haren broeder, de keizer, op de rijksdag te Augsburg is gereisd, en zijn Majesteit zozeer overtuigd heeft, dat het plakkaat enigszins is gewijzigd en verzacht; nochtans heeft Antwerpen zwarigheid gemaakt het Plakkaat te laten afkondigen, omdat zij vernomen hadden, dat enige geestelijken in het geheim tot inquisiteurs waren aangesteld, totdat men hun vast beloofd en toegezegd heeft, dat zij met generlei Inquisitie hoegenaamd zouden gekweld worden, maar dat de inwoners en kooplieden zouden blijven bij hun oude vrijheden en privileges, waarom zij ook tegen de toelating der voorzegde uitroeping bij twee afzonderlijke akten hebben geprotesteerd op de vierde en vijfde November vijftienhonderd vijftig.

Hoewel het nu scheen, dat het ontstane gemor en de gevreesde oproerigheid der gemeente gestild en gedempt was, zo is de haat en afkeer van velen tegen de Inquisitie en de vervolging zeer toegenomen, want, hoe groter de vervolging werd, hoe groter menigte de roomse kerk verliet en de gereformeerde religie aannam. Temeer was dit het geval, omdat zij bespeurden, dat niettegenstaande de gemaakte bezwaren tegen de Inquisitie, degenen, die door de paus en de keizer tot geheime inquisiteurs waren aangesteld, zoals Ruard Tapper en Remigius Driutius niet aflieten alles in het werk te stellen om aan hun last gevolg te geven, en niet alleen zij, maar ook andere geestelijken, hun ondergeschikten, als Mr. Petrus Titelmannus, Wilhelmus Lindanus, Franciscus Sonnius en anderen daartoe aangesteld, die zich niet hebben ontzien, in sommige provinciën, waar het genoemde Plakkaat van April was uitgeroepen, in gevolge hun last enigen te vervolgen en te doden, voornamelijk in Vlaanderen, Holland, Henegouwen, Artois, Doornik, Rijssel en elders, hetwelk het volk zeer verdroot, als zij vernamen en hoorden de wreedheid, gierigheid en zonderlinge voorstellingen der inquisiteurs, en als zij zagen het verloop van veel volks als gevolg van de kwellingen en vervolgingen der inquisiteurs, zo zelfs dat West-Vlaanderen en andere plaatsen geheel ontbloot werden van rijkdom en handwerkslieden. Dit was de aanvang van de ondergang der Nederlanden.

Na de lezer aldus ingeleid te hebben, gaan wij voort met het verhaal van de martelaren, die in het jaar vijftienhonderd vijftig hun leven gewillig voor de getuigenis der goddelijke waarheid hebben afgelegd.

 

Faninus, van Faventia

 

[JAAR 1550.]

 

Faninus, uit een stad in Italië, Faventia genaamd, had in zijn jeugd geen kennis aan de goddelijke waarheid, doch later heeft hij de Heilige Schrift met allen ijver gelezen, voorzover die in het Italiaans was overgezet, wel wetende, dat de kracht des eeuwige, almachtige Gods niet gebonden was aan een bepaalde taal, als Hij de mens Zijn goddelijke wil en Zijn kennis wil openbaren, zo heeft hij zich beholpen met zijn gewone taal en daarin zeer naarstig de goddelijke Schrift onderzocht.

Nadat hij dit gedurende lange tijd bad gedaan en de zoete vrucht der godzaligheid had gesmaakt, wilde hij uit dankbaarheid aan God, de schat, hem gegeven en toebetrouwd, niet voor zichzelf alleen behouden, maar die aan zijn broeders deelachtig maken, want hij wist maar al te goed, dat het de mens niet betaamt, als God hem door Zijn Geest heeft verlicht en de kennis van Zijn wil geopenbaard, die zo kostelijke en dierbare waarheid verholen te houden en te begraven. Zo is hij begonnen deze kennis van het Evangelie van onze Heere Jezus Christus in verscheidene plaatsen te openbaren en te verbreiden. Niet dat hij zijn gevoelen openlijk aan een ieder bekend maakte, maar het dacht hem genoeg, als hij iemands lust daartoe kon opwekken.

Maar, daar de dienaren van de paus zijn voornemen gewaar werden, hebben ze met allen ijver getracht om Faninus gevangen te nemen, zoals dan ook geschied is.

Toen hij daar in de kerker lag, werd hij door bidden en smeken van zijn vrouw, kinderen en vrienden zo ver vervoerd, dat hij de leer en de waarheid van het heilig evangelie verloochende, en dientengevolge uit de kerker is vrijgelaten.

Maar, nadat hij uit de gevangenis was verlost, werd hij zo beroerd en weemoedig van hart, dat hij tot algehele wanhoop scheen te zullen vervalen. En voorzeker, ware hij niet door de alvermogende hand Gods behouden, en door zijn overvloedige barmhartigheid bewaard, dan zou hij tot de verschrikkelijkste wanhoop vervallen en daarin bezweken zijn. Want hij wist zeer goed, dat hij Jezus Christus, Die Hij tevoren met alle macht had aangegrepen, en met goede vrucht des Geestes had beleden, nu meinedig en onwaardig had verworpen, opdat hij in dit leven bij zijn huisvrouw en kinderen zou mogen blijven, en daarmee had getoond, dat hij de zijn liever had dan de ere en liefde des Zoons Gods. Zijn geweten plaagde hem zozeer, dat hij dag noch nacht rusten kon. Hij begon dan ook zijn zware zonden bitterlijk te bewenen, omdat hij Jezus Christus de Heere der heerlijkheid, Die voor hem was gestorven, en Zijn Heilig Woord, zo schandelijk verloochend had. Hij sleet zijn leven dan ook zo droef geestig, dat niemand hem na die tijd vrolijk heeft gezien, totdat hij tijd en gelegenheid vond om met moed zijn arbeid en dienst de Heere getrouwelijker te bewijzen, dan hij tevoren gedaan had.

Als hij nu moed had gevat om de zaak der waarheid, welke hij had verzaakt, met een vroom gemoed wederom aan te vatten, en alle vrees voor gevaar had overwonnen, is hij begonnen de Romagna, waarin Faventia gelegen is, te doorreizen, en verkondigde met zulke kracht en vuur in de steden het Evangelie, dat allen, die het hoorden, zich zeer verwonderden. Kwam hij in plaatsen of steden, waar men niet gewoon was het Woord Gods openlijk te horen, dan ging hij tot afzonderlijke mensen, opdat hij weten zou, wie er geschikt was de leer van het Evangelie te vatten, die hij dan ook met grote naarstigheid poogde te brengen tot de kennis van de wil van God en van hun eigen zaligheid.

In het onderwijzen der mensen had hij de gewoonte, zei hij, eerst hun goddeloze meningen en dwalingen uit hun hart te verbannen, waarin zij verstrikt waren, opdat zij de boosheid, waarin zij tot dusver verkeerd hadden, zouden bekennen en gevoelen; daarna bracht hij hen tot een beter leven en gevoelen en onderwees hen in dier voege, dat zij naderhand tot meerder kennis der waarheid kwamen. Hij achtte het zeer veel, als hij bij het verlaten ener plaats twee of drie in de goddelijke leer wel onderwezen had, opdat een iegelijk hunner ook anderen leren en onderwijzen konden, en als zij dit deden zou der gelovigen getal zeer toenemen.

Terwijl Faninus aldus arbeidde, werd hij weer gevangen genomen in een plaats, Bagnacanallo genaamd. Toen hij daar veroordeeld was, om verbrand te worden, begon hij te lachen, zeggende, dat zijn uur nog niet was gekomen, maar dat dit slechts de aanvang was zijner onderwijzing, om anderen des te beter te helpen; en dit is ook bewezen de waarheid te zijn, want terstond daarna werd hij naar Ferrara gevoerd, waar vele gelovige mensen door zijn godvruchtige vermaningen geen kleinen troost ontvingen, in de vrees Gods en de waarachtige godsdienst geleerd, en in de genade des Heeren meer en meer zijn versterkt geworden.

Maar de paus, vrezende dat zijn bedoelingen aan het licht zouden komen beval, dat men Faninus in een sterke en enge gevangenis zou sluiten. Zo was hij zestien maanden in het binnenste van het slot opgesloten, waar hij zware pijnigingen heeft ondergaan, en hij zou nog meer geleden hebben, als de Jakobijner monniken hem in hun macht hadden kunnen krijgen. En, ofschoon zij zijn gevangenschap gedurig verzwaarden en veranderden, en hem in vuile hokken opsloten, is hij toch niet van gezindheid veranderd, maar steeds volhardend en standvastig gebleven in zijn geloof in Jezus Christus.

Soms was hij met anderen in een kerker, soms alleen, maar onder alles was hij tevreden; was hij alleen, dan schreef hij iets, waar hij anderen door stichten kon; was hij met anderen, zo leerde en vermaande hij hen tot alle godzaligheid. Ten laatste was hij samen in een kerker met velen die hoofden en aanvoerders waren van de oproermakers, die Italië dikwijls in geschil en tweedracht brachten, door wie deze godvruchtige man dikwijls is bespot geworden. Want dit gespuis dacht slechts, als hij zo sprak, dat hij droefgeestig van aard was en niet wel bij zijn verstand, en, als waren zij verstandige lieden, begonnen zij hem te vermanen, zeggende, dat men zulke gedachten behoorde af te leggen en met de mensen in vrijheid leven; dat men zichzelf daarmee niet behoorde te kwellen, maar die zaken moest laten rusten, tot er door het algemeen concilie over beslist was. Faninus, als een zedig en liefderijk mens, bedankte hen voor de zorgvuldigheid ten opzichte van hem; maar, bewees hun tegelijk, dat de leer, die hij standvastig voorstond, uit geen menselijke hersenschimmen of dromerijen ontstaan was, maar dat zij was de zuivere waarheid Gods, geopenbaard in het Woord en Evangelie van Jezus Christus, in deze tijd wederom aan het licht gebracht; dat hij ver af was deze waarheid te willen verlaten en de leugens der mensen aan te hangen. En omdat hij een christen was, gebruikte hij de volkomen vrijheid, want, zei hij, in welke plaats wij ons ook bevinden, zijn wij in de gevangenis naar het lichaam en de zonde, maar naar de ziel genieten wij evenwel de heerlijkste vrijheid. Wat het concilie betreft, zo verwachtte hij geen ander besluit dan dat wij in het Evangelie lezen; want toen Jezus Christus de blijde boodschap en zaligheid op aarde bracht, gaf Hij geen ander concilie of bevel, maar heeft het met zijn dood bevestigd, waarom men geen andere bevestiging of versterking van concilie nodig heeft. Met dergelijke redenen bracht hij hen zozeer aan het wankelen, dat hij hen tot een beter leven bracht, en zij zich zeer over hem verwonderden, en hem als een heilige man beschouwden. Toen hij dit bemerkte, sprak hij ben dus aan: “Mijn lieve broeders, ik belijd zelf een ellendig en zondig mens te zijn; maar door het geloof, waardoor ik de genade onzes Heeren Jezus Christus deelachtig ben, worden mij al mijn zonden vergeven, gelijk die ook u zullen vergeven worden, zo gij de zekere getuigenis van het evangelie van de genade Gods vast gelooft."

Daar waren ook nog andere gevangenen, die wat zachter en eerlijker leven gewoon waren, aan welke het harde en benauwde lot des kerkers en de ongewoonte zeer bang en pijnlijk viel: maar in de tijd dat Faninus in de gevangenis was, waren zij zo verheugd, dat zij de ongewone benauwdheid niet gevoelden, hun gevangenschap hun niet zo zwaar viel, en zij niet zo sterk naar hun verlossing reikhalsden, maar zich in zulk een gevangenschap leerden verblijden, waardoor zij tot grotere vrijheid geraakten dan ze ooit tevoren hadden genoten.

Toen de ouders van Faninus vernamen, hoe het met hem gesteld was, begrepen zij maar al te duidelijk, dat hij in groot levensgevaar verkeerde. Daarom kwamen tot hem zijn huisvrouw en zijn zuster wenende, omdat zij zozeer verlaten waren. Het was een hartroerend toneel, om te zien, hoe deze twee vrouwen hem met vele tranen baden en vermaanden, dat hij, als hij al geen acht op zichzelf hebben wilde dan toch acht wilde nemen op zijn kinderen om voor hen te zorgen. En, hoewel dit zijn hart diep schokte en roerde, heeft hij met verwonderlijke en mannelijke kracht van het geloof deze verzoeking weerstaan, zodat allen, die het hoorden en zagen, zich verbaasden. "Mijn Heer en Meester," zei hij, “heeft mij niet geboden, dat ik Hem zal verloochenen, om mijn huisgezin voor te staan. Laat het u genoeg zijn, dat ik om uwentwil eenmaal tot ontrouw ben vervallen, zoals gij ook zeer wel weet; doch ik zou tot zulk een schandelijken val niet gekomen zijn, indien ik zulk een grote kennis had gehad, als Hij mij na de val heeft geschonken. Ik bid u daarom, gaat naar huis in vrede, want ik weet voorzeker, dat God mij tot deze dag, in Zijn dienst heeft gebruikt. Nu is mijn einde naderende, dat ik uit dit leven tot Hem gaan zal. Toen gingen de vrouwen heen onder veel zuchten en geween, maar zijn hart bleef ongeschokt in deze wonderlijke vroomheid standvastig volharden.

Maar na de dood van paus Paulus, zond zijn opvolger, Julius de derde, brieven met het bevel om hem te doden. Daarop werd een dienaar der overheid tot hem gezonden, om hem aan te zeggen, dat hij des avonds naar de gewone gevangenis zou vervoerd worden, omdat hij ter dood veroordeeld was en sterven moest. Toen omhelsde Faninus de dienaar, die hem de dood aankondigde, kuste hem zeer hartelijk, en dankte hem voor zo blijde en aangename boodschap. "De dood," zei hij, "lieve broeder, die gij mij aankondigt, onderga ik van hart graag, om mijns Heeren en Zaligmakers Jezus Christus wil, die Zijn eigen leven niet heeft gespaard, om mij van de dood te verlossen." Daarop hield hij een treffende aanspraak over het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid voor degenen, die daarbij tegenwoordig waren. Onder deze vroeg hem een, in welke toestand hij nu zijn kinderen achterliet en wie hun Da zijn dood tot beschermer en bewaarder zijn zou? "Ik bid u, lieve Faninus," zei hij tot hem, "dat gij u over uw kleine kinderkens, en over uw huisvrouw, die gij zozeer bemint, wilt ontfermen." “Ik heb die," zei Faninus "aan een goede Voogd en Beschermer aanbevolen, in wiens trouwe bewaring en toezicht zij altijd zijn zullen." "Wie is dat?" vraagde deze. "De Heere Jezus Christus," antwoordde Faninus, "de allergetrouwste Voogd en Bewaarder."

Bij zijn vertrek uit die plaats werd hij aan de wereldlijke overheid overgeleverd, en daarna aan een kist van de strafrechter gebonden. Toen hij nu in een kamer gesloten was, bevestigde men zijn voeten in boeien, alleen aan zijn handen de vrijheid latende, overigens was hij aan zijn gehele lichaam gekluisterd. Intussen mocht niemand uit de stad bij hem komen, dan alleen van het huis en de dienaars van de strafrechter, of degenen, die bij hem wat vermochten. Allen, die tot hem mochten komen, en dit waren er velen, zeiden, dat hij van de duivel was bezeten, en dat hij door diens kracht alzo kon spreken, want zo oordelen de verblinde wereldse mensen over de waarheid Gods; maar toen zij zijn grote kloekmoedigheid en standvastigheid zagen en zijn zachtmoedigheid en gerustheid van het hart tegenover de vervaarnissen en afgrijselijkheden des doods, over niets sprekende dan over het Woord Gods, brandende in ijver des goddelijke Geestes, begonnen zij, even als de anderen, op hem te zien en aandachtig naar hem te luisteren.Als zij hem zo aangenaam en overtuigend hoorden spreken, konden de vrouwen der raadsheren zich niet van tranen onthouden, ja de scherprechter zelf, die hem van het leven moest beroven, was bewogen. Faninus zei tot hen: "Mijn broeders, God zij met u. Bent gij hier gekomen om u met mij te verblijden, dat ik uit deze wereld Daar de hemel ga tot de Heere mijn God? En zijn ogen opslaande bad hij met zoveel aandrang, alsof een vuur des ijvers in hem brandde. Na dit gebed was hij zo opgewekt en vrolijk van hart en aangezicht, dat ieder hem begeerde te zien en bij hem te zijn, zo zelfs dat degenen, die tot hem kwamen om hem moed in te spreken, zelf van hem vertroost werden.

Een zekere notaris vermaande hem om te herroepen, wat hij geleerd had, want dat het de wil van de paus niet was, hem te doen sterven. Faninus antwoordde lachende: wanneer hij iets dat vals of kwaad was had geleerd, dan zou hij licht door straf overwonnen worden; maar dat de waarheid zo krachtig is, dat zij door geweld niet kan worden onderdrukt. Ook begeerde hij niet verlost te worden, als daardoor de waarheid zou verduisterd of uitgeblust worden. Maar de notaris daar latende, omdat het niet veel te beduiden had, wat hij voorbracht, begon hij de Heilige Schrift te verklaren, altijd uit het hoofd, de tekst in het Latijn aanhalende, zonder zich daarin te vergissen, tot grote verbazing van zijn hoorders, die wel wisten, dat hij daarin niet zeer geoefend was, waaruit zij besloten dat hij door de Geest Gods sprak. Vooral sprak hij over die plaatsen, welke handelden over de rechtvaardigmaking, de Voorzienigheid Gods en de andere hoofdwaarheden van het geloof.

In geheel zijn wijze van doen straalde vrolijkheid en blijdschap door en hij scheen zich bovenmate te verheugen. Een der omstanders vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zo vol vreugde en blijdschap was, daar toch de Zaligmaker zeer bedroefd was, en, in zware strijd Zijns harten, bloed en water had gezweet, Zijn Vader biddende, dat Hij niet zou sterven. Faninus antwoordde: "De Heere Jezus Christus heeft, hoewel Hij zelf geen zonde gedaan heeft, het oordeel Gods genoeg gedaan, door al onze krankheden op zich te nemen, en alle smart en straf daarvoor te dragen, die wij voor onze zonden schuldig waren te lijden, daarom heeft Hij in de hof en aan het kruis de smarten des doods en de angsten der hel gedragen. Maar ik, die door het geloof de zegen van Jezus Christus bezit, wordt daardoor boven mate met blijdschap vervuld, omdat ik door de dood het eeuwig zalig en onvergankelijk leven zal beërven."

Faninus aldus getroost en bemoedigd werd drie uren voordat de dag aanbrak, naar de straat gevoerd, waar hij sterven moest, opdat het volk niet horen zou, wat jij voor zijn dood zou zeggen. Men bracht tot hem een kruis, zoals men bij misdadigers gewoonlijk doet. Toen hij het zag, zei hij "Meent gij, dat gij de gedachtenis des Heeren Jezus Christus, Die in de hemel leeft en regeert, maar door dit stuk hout kunt verlevendigen dan ik die in mijn hart gedrukt heb? En, vallende op de knieën, bad hij de Heere vurig, dat Hij de verstokte en verblinde harten dergenen, die er bij tegenwoordig waren, wilde verlichten. Daarna zelf zich naar de paal begevende, met de strop om de hals, beval hij zijn ziel aan God zijn hemelse Vader, en zo werd hij geworgd en daar verbrand in het jaar onzes Heeren 1550.

 

Dominicus van Basana

 

[JAAR 1550.]

 

Niet lang daarna, in hetzelfde jaar en dezelfde maand als dit te Ferrara geschiedde, handelde men op gelijke wijze te Piacenza, want de slang moet het zaad der vrouw in de verzenen wonden, en zijn leden kruisigen tot de jongste dag. Dominicus a Domo Alba, een burger van de stad Basana, in het Venetiaanse, had in het vorig jaar Karel de vijfde tegen de Duitsers gediend, en te die tijde het Evangelie van Jezus Christus in Duitsland omhelsd. Hij verliet daarop spoedig de krijgsdienst, legde de wereldlijke wapenen af, en nam de geestelijke aan, en werd alzo van een wereldlijk krijgsman een krijgsknecht van Jezus Christus, en wendde alles aan, wat in zijn vermogen was, wat hem in de leer van het evangelie kon stichten.

Zo is hij in korte tijd zeer toegenomen in de kennis van Jezus Christus, zodat hij zeer vele vruchten gedragen heeft, zowel in het leren als in het vermanen.

In het jaar vijftienhonderd vijftig is hij eerst naar Napels gereisd, om daar het Woord Gods te verkondigen, en de listen en het bedrog van de antichrist aan het daglicht te brengen. Ditzelfde deed hij ook in vele steden en dorpen van Italië. Ten laatste kwam hij te Piacenza en begon daar zeer vrijmoedig in het openbaar op de markt te prediken, sprekende vooral van de oorbiecht, het vagevuur, de aflaten en andere dwalingen der roomse kerk onder groten toeloop van een menigte volks, dat hem met grote belangstelling hoorde.

Des anderen daags daaraan sprak hij weer op dezelfde plaats van het zaligmakend geloof in deszelfs kracht en werking, ook van de goede werken en van de mis, belovende de volgende dag nog breder daarover te handelen, en de antichrist in al zijn kleuren te tekenen. Als hij nu die dag zich bereidde om te prediken, kon de duivel het niet langer dulden, dat op deze wijze de veelvuldige afgoderij en zijn opperste dienaar aan de kaak gesteld zouden worden; daarom verwekte hij sommigen van zijn dienaren en werktuigen, die zulks verhinderden, want, terwijl hij bezig was met prediken, kwam de oppermarktmeester, sprak hem aan, gebood hem af te komen, waarop hij zijn dienaars beval hem aan te grijpen en in de gevangenis te werpen. Dominicus was weltevreden, zeggende, dat hij alles doen wilde, wat hij van hem begeerde, en gewillig heengaan, waar hij het wenste. "Het verwonderde mij in grote mate," zei hij, "dat de duivel dit zo lang kon lijden, en mij zo onverhinderd heeft laten prediken."

Hem, werd door de vicaris des bisschops in het Latijn gevraagd, of hij een priester was, en van wie hij de macht ontvangen had om openlijk te prediken. Dominicus antwoordde hem in het Italiaans, zeggende, dat hij geen Latijn verstond. Hij was geen Rooms priester, maar een priester van Jezus Christus door wie hij ook, als van de hoogste en opperste bisschop, tot het predikambt beroepen en gewijd was.

Voorts werd hem gevraagd, of hij al hetgeen hij tegen de Roomse kerk gepredikt had, herroepen wilde, of dat hij het voor goed hield en daarbij blijven wilde, met de bedreiging, als hij niet wilde herroepen, dat hij de dood zou moeten sterven.

Dominicus antwoordde hierop getroost en onverschrokken, dat hij al hetgeen hij geleerd had voor gewis, recht en waarachtig erkende, dat hij ook, om die waarheid voor te staan, bereid was te sterven en dezelve met zijn bloed te verzegelen; dat hij, wel ver van zulk een dood te ontduiken, Gode veelmeer daarvoor dankte, dat Hij hem waardig, keurde tot Zijn eer de dood te lijden.

Men wierp hem daarop in de gevangenis, waar hem de monniken vermaanden zijn predikatie openlijk op de markt te herroepen in tegenwoordigheid van al het volk; maar hij weigerde dit beslist en bekende ongedwongen, dat hij liever tienmaal wilde sterven, dan van de Heere Jezus Christus afvallen of Hem verloochenen.

De dag daaraan bracht men hem naar de markt, waar men hem zou ophangen en worgen. En toen men hem vele roomse kunstenarijen en dwaasheden voorhield, wendde hij zich daarvan af, en bad uit de grond zijns harten tot God, dat Hij zijn moordenaars en allen, die aan zijn dood schuldig waren, wilde vergeven al wat zij hem aandeden, omdat zij in hun onwetendheid zich aan hem bezondigden.

En zo ging hij met grote vreugde en hartelijk verlangen de Heere Jezus Christus in deze kostelijke dood te gemoed, in de leeftijd van bijna dertig jaren, in het jaar 1550.

 

Maceüs Moreau

 

[JAAR 1550.]

 

Om de belijdenis der Evangelische waarheid werd Maceüs Moreau te Troyes in Campagne gevangen genomen, en, aangezien hij onwankelbaar en standvastig bij de godzalige belijdenis bleef, werd hij, in het jaar na de geboorte van onze Heere Jezus Christus 1550, daar verbrand.

 

Johannes Godeau en Gabriël Beraudin

 

[JAAR 1550.]

 

Johannes Godeau, te Chinod in Touraine geboren, en Gabriël Beraudin, van Lodunen, die te Genève bij de gemeente Gods woonden, werden te Chaffiberar gevangen genomen, omdat zij een priester, die in zijn predikatie de naam van God had gelasterd, bestraften en vriendelijk vermaanden.

Johannes Godeau werd het eerst in dezelfde stad, waar hij de Evangelische leer onbevlekt en met kracht beleden en beschermd had, verbrand, en wel in de maand April van het jaar 1550.

Beraudin was aanvankelijk bij het nadenken over de gruwelijke dood een weinig wankelmoedig; maar later na de dood, die Johannes onderging, werd hij in de belijdenis der waarheid derwijze bemoedigd en versterkt, dat hij binnen weinige dagen op dezelfde wijze ter dood gebracht werd. Bij die dood betoonde hij zich zo vroom, dat de vijanden der waarheid zijn tong lieten uitsnijden, opdat hij niet meer spreken zou. Doch, bijgestaan door de kracht des Geestes, begaf hem de spraak niet, en sprak hij bij voortduring zo goed, dat men hem geschikt kon verstaan.

Toen de rechter, die hem ter dood bracht, dit hoorde, bestrafte hij de beul, alsof deze de tong niet goed had uit gesneden. De beul antwoordde hem zeer scherp en luid, zodat velen het hoorden, dat het in zijn macht niet stond hem het spreken te beletten.

Deze beiden hebben zeer vele onwetende mensen tot de kennis van de goddelijke waarheid gebracht, vooral door hun grote standvastigheid van het geloof., die hun door Gods genade gegeven was, en welke zij tot hun laatste ademtocht bewezen. Alzo hebben deze vrome martelaars het geloof, dat zij te Genève in de gemeente Gods onderwezen hadden, zeer vroom beleden en met hun bloed bezegeld, in het jaar 1550.

 

Adam Wallach

 

[JAAR 1550.]

 

Toen men te Edinburgh een rechterlijk vonnis over Adam Wallach, die om de zuivere leer gevangen zat, vellen wilde, werd er de 17den Juli 1550, achter de kanselarij van het Jakobijnenklooster, een stellage met vele banken en stoelen opgeslagen. Daarop plaatsten zich de stadhouder, vele bisschoppen, abten, priors, graven, leraars en andere geestelijke en wereldlijke personen. Bovendien werd er een stoel geplaatst, waarop de aanklager mr. Jan Lande met een rood kleed en een rode muts, zitten en zijn aanklacht doen zou. Nadat alles gereed was, werd Adam Wallach, een arm eenvoudig mens, door Jan van Arnoek, de dienaar van de aartsbisschop van St. Andries, op de stellage gebracht, en in het midden recht tegenover Jan Lande de aanklager en fiscaal gesteld, die hem terstond naar zijn naam vroeg. De beklaagde antwoordde:"Ik heet Adam Wallach." De aanklager zei: “Het doet mij van harte leed, dat gij ellendig mens met uw schandelijke woorden deze eerwaarde vergadering lastig valt." Adam zei: "Ik heb gesproken, zoals God mij geleerd en genade geschonken heeft, en mijn woorden waren niet ergerlijk noch schandelijk." De aanklager: "Och dat gij nooit in een van uw levensdagen een woord gesproken had! Want gij hebt zulk een ketterij uitgeworpen, die zelfs niemand ooit heeft kunnen bedenken. Ik vrees, dat bij het meedelen daarvan, enige zwakke zielen zullen geërgerd worden. Maar, aangezien ik daartoe bevel heb, zo luister naar de artikelen, die ik u zal voorlezen.

Vooreerst hebt gij gezegd, dat het brood en de wijn in het sacrament des altaars na de zegening het lichaam en het bloed van Christus niet zijn." Toen wendde Adam zich naar de stadhouder en de andere heren, en zei: "Ik kan niet bedenken, dat ik iets geleerd of gesproken heb, wat mij de Heilige Schrift niet reeds geleerd heeft (tegelijkertijd wees hij naar de Bijbel, die hij aan een riem had hangen). Wilt gij daarmee tevreden zijn, dan zal dit boek rechter wezen." De aanklager: "Wat hebt gij dan geleerd?” Adam deelde de woorden der inzetting van het Heilige Avondmaal mee, en betuigde, dat hij niet anders geleerd had. Daarop zei de aartsbisschop van St. Andries en een ander geestelijke: "Dit alles weten wij wel." De graaf van Huntle zei: "Gij antwoordt eigenlijk niet op de vraag: zeg ronduit, of gij deze woorden gesproken hebt of niet, en predik niet lang." Adam antwoordde: "Indien Gods Woord bij ulieden ingang vond, zouden mijn woorden u niet vreemd toeschijnen, want ik heb niets anders geleerd dan wat daarin vervat is. Dat woord zal de rechter zijn van mij en van de gehele wereld." Toen zei de graaf van Huntle: "Meent gij niet, dat wij u een goed hart toedragen en bevoegde rechters zijn? Denkt gij niet, dat ook wij God kennen en Zijn Woord verstaan? Antwoord alleen op wat men u vraagt." De aanklager werd vervolgens gelast, dat hij het eerste artikel nog eens herhalen zou. Jan Laude zei: "Gij hebt geleerd, dat het brood en de wijn in het sacrament des altaars, na de zegening, het lichaam en het bloed van Christus niet zijn". Wallach antwoordde: "Ik heb geleerd dat, wanneer men het sacrament des altaars getrouw bedient, zoals Christus het heeft ingesteld, de Zoon van God daar, door Zijn goddelijke kracht en werking, die zich overal in de hemel en op aarde uitstrekt, tegenwoordig is." Toen zei de bisschop van Orkney. "Gelooft gij niet, dat uit het brood en de wijn in het sacrament des altaars, na de zegening, het ware lichaam, vlees, bloed en gebeente van Christus worden?” Zeer uitvoerig bewees Adam, volgens de natuurlijke eigenschappen van hhet lichaam van Christus, dat het brood en de wijn van het sacrament niet wezenlijk in het lichaam en het bloed van Christus veranderd worden, en dat het verleiders waren, die zeiden: "Ziet, hier of daar is Christus." Toen riep de bisschop van Orkney met luider stem: "Dit is een vervloekte ketterij."

Als nu de aanklager, Mr. Jan Laude, weer begon te spreken,en de stadhouder vroeg, of Adam goed of verkeerd gesproken had, riep de bisschop van St. Andries in hhet Latijn: "Ad secundum, ad secundum," dat is: "Ga over tot het tweede artikel." De aanklager zei: "Gij hebt gepredikt, dat de mis ware afgoderij en een gruwel voor Gods aangezicht is." Adam antwoordde . “Ik heb de Bijbel geheel gelezen, maar ik heb het woord mis nergens gevonden. Ik heb ook gelezen, dat wat tegen Gods Woord strijdt, afgoderij is. Indien mij nu iemand de mis in de Heilige Schrift aanwijzen kan, wil ik mijn dwaling graag erkennen, maar anders niet." Toen zei de aartsbisschop van St. Andries: "Ad tertium," dat is: "Ga over tot het derde artikel." De aanklager zei: "Gij hebt openlijk geleerd, dat de God, Die wij aanbidden, uit de aarde komt, in de aarde gewassen, gezaaid en door mensenhanden gebakken is." Adam antwoordde: “Ik bid God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan, maar ik weet niet, welk een soort van God gij aanbidt." De aanklager: "Gelooft gij dan niet, dat het sacrament des altaars, na de woorden der zegening, het ware lichaam en bloed van de Zoon van God, ja God zelf is?" Adams antwoord was: “Ik heb u vroeger uit de heilige Schrift aangewezen, welke de natuurlijke eigenschappen van het lichaam van Christus zijn." De aanklager: "Gij hebt nog vele andere gruwelijke ketterijen tegen de zeven sacramenten geleerd, die ik, om alles te bekorten, voorbij ga. Maar wat zegt gij van de genoemde artikelen? Erkent gij niet dat gij deze gepredikt hebt? Wilt gij, dat ik u die nog eens voorlees, opdat gij uw antwoord kunt bedenken?" Vervolgens herhaalde de aanklager de genoemde artikelen, en vroeg andermaal: "Wat antwoordt gij hierop?” Adam antwoordde standvastig en onversaagd: "Ik weet niet, dat ik iets geleerd heb, wat met Gods Woord niet overeenkomt, God roep ik daartoe aan tot een getuige, en besluit, door Gods genade, tot het einde toe daarin te volharden, tenzij iemand mij uit Gods Woord beter onderrichte."

Daarna wendde hij zich naar de stadhouder en de andere heren, en zei: "Wanneer gij mij veroordeelt, omdat ik Gods Woord verdedig, dan zal mijn bloed van uw handen worden geëist voor de rechterstoel van de Zoon van God, Die machtig genoeg is deze zijn en mijn onschuld te verdedigen, voor Wie gij ook niets zult kunnen loochenen, veel minder zijn streng oordeel tegenstaan. Hem wil ik de wraak aanbevelen, gelijk er geschreven is: "Mij is de wraak en de vergelding", Deut. 32, vs. 35.

Niettegenstaande dit alles werd hij naar hun wetten veroordeeld, en aan de wereldlijke arm van Jan Campbel, die toen rechter was, overgegeven, die hem aan de provoost te Edinburgh overgaf, om op de plaats Castlehil verbrand te worden. Voor dit vonnis echter werd uit gevoerd, brachten zij hem in het bovengedeelte van een gevangenis, Tolbuith genaamd, boeiden zijn voeten, en gaven de sleutel der gevangenis aan de kruisdrager van de aartsbisschop van St. Andries, Hugo Curry genaamd, die een zeer bloeddorstig mens was, in bewaring. De bisschoppen zonden twee bedelmonniken naar Adam, doch hij wilde met hen niet spreken. Zij zonden ook Jakobijner monniken, een Engelse monnik en een redenaar, Abercromby genaamd, tot hem. Graag had Adam de Engelse monnik het een en ander willen meedelen, en belijdenis van zijn geloof gedaan, daar hij vermoedde, dat deze lust tot de ware godsdienst bad; maar de arme monnik antwoordde, dat hij geen bevel had, om met hem te redetwisten en aldus verlieten de monniken hem. Daarna werd de deken Lastarig tot hem gezonden, die een wereldsgezind man was, en vrees noch liefde voor God had. Deze wilde Adam nog wijs maken, dat het sacrament des altaars na de zegening het wezenlijke lichaam van Christus was, doch Adam geloofde het niet.

Toen het avond geworden was, en leder hem verlaten bad, bracht Wallach de tijd met bidden en psalmzingen door, daar hij nog een klein psalmboekje bij zich had, nadat zij hem de Bijbel hadden ontnomen. Als echter Hugo Curry bemerkte, dat hij nog een boek bij zich had, kwam hij aangelopen, en rukte hem dat psalmboek uit de hand, lasterde en vloekte hem bovendien op gruwelijke wijze, teneinde hem van zijn standvastigheid en zijn geloof af te brengen. Aldus bleef de getrouwe dienaar van God tot de volgende dag in ijzeren boeien gekluisterd, terwijl men het vuur gereed maakte om hem te verbranden. Op diezelfden dag reisde de stadhouder met de anderen heen. Nadat zij vertrokken waren, kwam de deken van Lastarig terug, en beijverde zich om Adam afvallig te maken. Doch Adam sprak weinig met hem en zei: Al kwam er ook een Engel, die mij van mijn geloof trachtte af te brengen, zo zou ik toch niet naar hem horen." Toen kwam Curry naderbij, en belasterde hem schandelijk, en zei, dat hij hem voor de avond wel een ander liedje zou leren zingen. Adam antwoordde: "Ik wenste wel, dat gij enige godsvrucht bezat, en mij, in plaats van te lasteren, vertroostte. Toen ik uw komst vernam, bad ik God, dat ik uw aanvechting mocht weerstaan. Daarom bid ik u, ga heen, en laat mij met vrede.

Toen er een dienaar kwam en hem wilde halen, vroeg hij: “Is het vuur nog niet gereed' Toen zei hij: “Ik ben ook gereed, waarom vertoeven wij langer?" Als hij naar buiten gebracht werd, sprak hij een vroom christen onder de hoop aan en zei: “In de hemel zullen wij gewis weer samen komen." Daarna heeft niemand meer met hem gesproken. De beambte riep ook openlijk uit, dat hij onder weg niet meer mocht spreken, en dat ook niemand hem mocht toespreken, daar dit het bevel van zijn heer was. Het volk volgde hem, en bad God, dat Hij Zich zijner wilde ontfermen. Toen hij bij het vuur gebracht was, sloeg hij zijn ogen twee of driemalen op naar de hemel, en zei tot het volk . “Ik bid u, erger u niet aan de dood, die ik om der waarheid wil moet ondergaan; want de discipel is niet beter dan zijn Meester." Doch de beambte werd toornig, en beval hem, dat hij zijn mond moest houden. Doch Adam zag andermaal op naar de hemel, en zei: “Heere, zij willen mij niet laten spreken." Daarop werd hem de strik om de hals geworpen en het vuur aangestoken, waarin hij, tot schande van zijn vijanden, zalig is gestorven.

 

Mauritius Secenat

 

[JAAR 1551.]

 

Mauritius Secenat was geboren op het gebergte Cevennes, te St. Saturnin, bij de berg Coletum in Deza. Toen hij te Nimes studeerde, oefende hij zich zowel in alle godsvrucht als in geleerdheid, daar hij ook anderen in hun woningen vermaande en leerde, waar hij slechts kon of mocht. In het jaar van onze enige zaligmaker 1551 werd hij gevangen genomen, en in de burcht der stad besloten.

Korte tijd daarna werd hij door iemand, die de plaats van de rechter innam, zeer geslepen en listig ondervraagd wegens zijn geloof, waarop hij derwijze antwoordde, dat hij de waarheid, die hij openlijk behoorde te belijden, ontveinsde, zodat hij op deze wijze gemakkelijk zou ontslagen zijn. Aldus doen zij gewoonlijk vooral jegens hen, die enige kennis der waarheid bezeten hebben. Zij weten namelijk hun vragen en onderzoekingen zo dubbelzinnig en bedekt te doen, teneinde de gelovigen, die Christus beleden hebben, van de oprechte en waarachtige belijdenis af te trekken of af te wenden. Toen Mauritius daarna echter andermaal door de opperste rechter ondervraagd werd, had hij over zijn dubbelzinnigheid en geveinsdheid zozeer berouw, dat hij die met een openlijke belijdenis verbeteren, en de waarheid, welke hij vroeger verborgen en bedekt hield, met een christelijke getuigenis ontdekken en verklaren wilde. Voor de rechter heeft hij dus de Evangelische waarheid zuiver en onvermengd met vrijmoedigheid betuigd, waarom hij eindelijk veroordeeld werd om verbrand te worden. Deze dood onderging hij met zulk een standvastigheid en vreugde, dat al de gelovigen, die in de provincie Dauphiné woonden, daardoor vooral in het oprecht geloof van Christus en in de ware godsdienst versterkt werden. Alzo werd deze vrome martelaar, om de naam van Jezus Christus van het leven beroofd, de 16den Augustus in het jaar 1551.

 

Vervolging in Duitsland tegen de predikanten, die het geloofsvoorschrift weigerden aan te nemen en zich daarnaar te regelen

 

De 26sten Augustus 1551 ontbood men, zeer vroeg na de predikatie, de predikanten te Augsburg, die tien in getal waren, en beval hun te verschijnen in het huis van Granvelle, bisschop van Arras. Toen nu de een na de ander daar gekomen was, en zij niet wisten, wat bun geschieden zou, beval men hun, dat ieder op een bijzondere plaats moest staan, en niet met een ander zou spreken.

Daarna, toen zich de bisschop van Arras, Hendrik Hasius, Seldius, Malvenda en enige anderen hadden neergezet, riep men de een na de ander binnen. Seldius voerde het woord, en deed hun, zoals hem belast was, enige vragen, namelijk, of zij geloofden dat het avondmaal des Heeren zowel onder een gestalte als onder beide is begrepen; daarna, hoeveel sacramenten er zijn; eindelijk waarom ze niet hadden gepredikt naar het voorschrift, dat hun voor drie jaren door de keizer was voorgeschreven, aangezien zij hadden beloofd, dat zij dit niet minder wilden nakomen dan de raad en de andere Staten. Hierop antwoordde ieder in het bijzonder, dat Christus het gehele avondmaal heeft ingesteld, Wiens voorschrift men moet volgen. Voorts, dat men in de Heilige Schrift slechts twee sacramenten vindt, de doop en het avondmaal des Heeren. Verder, dat zij geenszins in de voorgestelde leer hadden bewilligd, daar deze strijdt tegen de Heilige Schrift.

Met een toornig gemoed zei de, bisschop: Wat, meent gij, dat de keizer niet bevoegd is, om in geestelijke zaken zoveel wetten te maken, en een voorschrift te geven, als in wereldse zaken?” Daarop zeiden de predikanten: "Wij wisten er niet over, wat de keizer mag doen, maar, zoals wij vroeger gezegd hebben, wij hebben dit voorschrift niet aangenomen; wij mogen ons dit ook niet laten welgevallen." Hierdoor werd de bisschop nog meer vergramd; en, ten enenmale in toorn ontstoken, liet hij hen, onder het uiten van vreselijke scheldwoorden, verwijderen. Toen zij dit ook van de sacramenten beweerden, stelde zich Seldius, een dokter in de rechten, dapper te weer. Aldus verliet men hen allen, en plaatste ieder door de dienaren op een afzonderlijke plaats, opdat zij met elkaar niet zouden kunnen spreken.

Spoedig daarna riep m . en sommige van de voornaamste raadspersonen der stad samen, en terwijl deze waren opgekomen, ontbood men al de predikanten, en beval hun scherp, dat zij binnen drie dagen voor zonsondergang de stad moesten verlaten, en dat zij verder niet meer binnen de grenzen van het rijk, en, zover zich het gebied van de keizer uitstrekte, enige predikatiën voor het volk moesten houden; verder, dat zij niemand van hun vrienden of betrekkingen mochten toespreken, noch de reden van hun vertrek aan iemand bekend maken, en ook na hun vertrek aan niemand schrijven, of wat met hen was voorgevallen meedelen. Zoals gebruikelijk is, hebben zij dit met opgestoken vingers, uit vrees beloofd. Daarna werd aan de raad bevolen, dat zij in die kerken, waar de Lutherse leer was gepredikt, staking zouden verordenen, totdat de keizer andere bevelen zou hebben gegeven.

De onderwijzers, die men beschuldigde dit besluit niet na te komen, werden verdreven.

Op dezelfde wijze handelde men ook met de bewoners van Memmingen en andere steden in Zwaben, van wie de keizer had vernomen, dat zij met de Saksers waren verenigd; waarom hij daarna de genoemden Hasius uitzond, om overal de stand van het gemenebest te veranderen, een nieuwe raad in te stellen, en de predikanten en de onderwijzers, wanneer zij dit gebod niet nakwamen, af te zetten. Insgelijks verbood men de predikanten en onderwijzers, die te Augsburg geroepen en daar verschenen waren, te prediken, en tot de hun terug te keren. En, toen een hunner zei, dat zijn vrouw haar bevalling zeer nabij was, en die alle uren verwachtte, en daarom dringend verzocht en bad, haar nog eens te mogen bezoeken en te spreken, zei Granvelle, terwijl hij zich tot hem keerde: "Hij noemt haar zijn vrouw, terwijl zij een hoer is." Zo werden zij verdreven en uitgeworpen, niet zonder grote droefheid van alle vromen. Enige van hen namen de vlucht naar Zwitserland, anderen naar elders. En, ofschoon zij vertrokken waren, dienden vele burgers, en bovenal Johannes Frederik Hertog van Saksen, hoewel ook gevangen, door zijn dienaars hen met geld en troostredenen.

Men meende, dat de keizer dit deed, vooreerst. omdat hij door sommigen, en vooral door Granvelle, daartoe was opgehitst; ten tweede, omdat hij het ervoor hield, dat de predikanten de kracht van zijn besluit in de godsdienst verzwakten; eindelijk, omdat het hem was gezegd, dat de predikanten van Saksen, Zwaben en Straatsburg .gemene zaak met elkaar maakten. Doch die de keizer waren toegedaan meenden, dat het de beste weg was, om de handelingen van de kerkvergadering te Trente te bekorten; want, wanneer de predikanten en de godgeleerden uit de steden verdreven waren, zouden de vaders, die daar vergaderd waren, minder tegenstanders vinden. Toen deze daad ruchtbaar werd, waren er vele lieden door verschrikt. Maar ziet, toen de vrees algemeen was, beschikte God het, dat de koning van Frankrijk tegen de keizer opstond, die hem de oorlog aandeed, en enige Nederlandse schepen aanviel, vermeesterde en in zijn havens bracht, en bovendien vele steden in Piëmont en Touraine innam, waardoor deze begonnen tirannie en vervolging in Duitsland werd gestuit en gestaakt.

 

Jan van der Put, de geneesheer genaamd

 

[JAAR 1551.]

 

In de provincie Dauphiné in een stad, Uzès genaamd, woonde een eenvoudig man, die zich met boomsnoeien en houtkloven ophield, Jan de geneesheer genaamd. Deze verkreeg de leer en:de kennis der Evangelische waarheid in een tijd, toen alle dingen in rust en vrede waren, zonder enig gevaar van vervolging, en de bisschop van het land en de stad het Evangelie zuiver en onvervalst liet prediken, zo te Uzès als in zijn gehele bisdom, door de dienaren, die hij daartoe had geroepen en aangesteld. Daar had deze Jan met vlijt de predikatie bijgewoond, en de leer gehoord, door welke hij tot de kennis der waarheid kwam.

De reden, waarom hij bij de rechter werd beschuldigd, was gelegen in een geschil over een put, die hij met een ander burger te Uzès had. Teneinde aan de zaak een goede glimp te geven en zijn zin te krijgen, bedacht zijn tegenpartij hem van ketterij te beschuldigen. Om dit te beter te kunnen bewijzen, huurde hij alle arbeiders, die met Jan in de wijngaard gewerkt hadden, en ondervroeg hen, wat hij van de godsdienst gezegd had, en welke gevoelens hij daaromtrent aankleefde, en bracht dit alles aan de schout of beambte over. Zo werd Jan, toen men deze zaak onderzocht en de getuigen ondervraagd had, gevangen genomen en in de kerker geworpen.

Toen hij in de gevangenis zat, ondervroeg men hem aangaande zijn geloof, dat hij zuiver beleed. Omtrent het avondmaal des Heeren gaf hij, ofschoon hij ongeleerd was, zulke goede antwoorden, dat een geleerde dit niet kon verbeteren. Hij zei dat hem geleerd was, dat de Heere Christus in geen dele in het stuk brood besloten was, en haalde het artikel van het geloof aan: "Hij zit ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders."

Om die reden velden de rechters het vonnis over hem, dat men hem worgen zou en daarna verbranden. Als hij intussen in een kleine kapel bewaard werd, totdat de rechter gereed was, werd daar een misdadiger voorgebracht, die om zijn bedreven boosheid gegeseld werd. Toen Jan deze zag, en de zaak vernam, waarom hij gestraft werd, riep hij luide, dat zij zalig waren, die om der gerechtigheid wil leden. Jan hief daarop een lied aan, dat daarop betrekking had, en zong dit tot hij de plaats bereikte, waar men hem zou doden.

Voor men hem met de strop worgde, riep hij de Heere aan en zei het gebed op, dat men gewoonlijk te Genève des Woensdags in de gemeente uitsprak. Daarna maakte hij zich, zachtmoedig als een lam, tot de dood gereed, en offerde de Heere zijn ziel op. Hij werd eerst geworgd en daarna verbrand, en wel op zekere Maandag in de maand Augustus van het jaar onzes Zaligmakers Jezus Christus 1551.

 

Thomas van St. Paulo

 

[JAAR 1551.]

 

Thomas van St. Paulo, uit Soissons, kwam in het jaar 1549 met zijn moeder, broeders en vele andere bloedverwanten te Genève in de gemeente des Heeren om daar God de Heere zuiver en onverhinderd te kunnen dienen. Om enige zaken te regelen, reisde hij later, in het jaar 1551 weer naar Frankrijk. Op zijn reis kwam hij in velerlei gevaren, omdat hij, door de aandrang van de Geest Gods, de lasteringen niet kon verdragen, maar die openlijk bestrafte. Dit deed hij ook jegens alle andere misbruiken, die in dat koninkrijk derwijze tot een gewoonte geworden waren, dat men die zonder groten ondank en gevaar niet bestraffen kon. Doch bij dit alles heeft de almachtige God hem geholpen en verlost, want door Zijn bijzondere voorzienigheid bewaarde Hij hem, teneinde in een meer vermaarde plaats de naam van God te belijden, namelijk in de stad Parijs.

Toen hij in de stad gekomen was, en enige koopwaren verkocht, bestrafte hij iemand vrijmoedig wegens godslastering; en, daar hij zeer beleefd en zachtmoedig was, vermaande en onderrichtte hij hem op zachte wijze, en zei, dat hij zulke woorden, die de christen niet betamen, en waarmee de allerheiligste naam van God gelasterd wordt, moest schuwen. De ander, die deze christelijke vermaning hoorde, welke onder de roomsen ongewoon was, ergerde zich daaraan, en dacht, dat hij een Lutheraan was, want aldus werden zij genoemd, die de Evangelische waarheid aanhangen. Met nauwkeurigheid lette hij, in welk huis Thomas zou ingaan. En, toen hij dit gezien had, klaagde hij hem terstond aan bij Johannes Andreas, een berucht en wreed vijand van de rechtgelovige dienaren van God, gelijk hij reeds vroeger bewezen had.

Eindelijk werd Thomas gevangen genomen, en op het slot, dat men Chátellet noemde, gebracht, waar hij door de raadsheren van het hof, meer uit zijn eigen woorden en belijdenis, dan uit enige andere geschriften, die men bij hem vond, werd aangesproken en beschuldigd.

Aangezien hij echter nog zeer jong en nog niet boven de achttien jaren oud was, deden zij hun uiterste best, om hem tot herroepen en verloochenen te brengen. Zij stelden hem het vreselijke van de dood, de verschrikkelijke pijn, de aangenaamheid des levens, zijn jeugdige jaren en dergelijke meer voor ogen; ja, opdat hij weten zou, dat hij zonder enige schade zou kunnen ontkomen, beloofden zij hem, dat hem alleen een boete zou worden opgelegd, zo hij slechts daar, in hun tegenwoordigheid, wilde herroepen, wat hij had beleden. Doch al hun voorstellen waren tevergeefs; want Thomas, versterkt door de kracht van de almachtige God, wilde om leven noch om dood de waarheid, waarvan hij verzekerd was, verloochenen, maar bleef standvastig bij haar volharden.

Daarna pijnigde men hem op harde wijze, en mishandelde hem erger dan een booswicht, opdat hij ook noemen zou, die hij wist, dat de Evangelische waarheid aanhingen. Doch de Almachtige God versterkte en bewaarde hem door Zijn overvloedige genade zo, dat hij aangaande niemand een woord sprak, dan alleen van hen, die buiten de macht der rechters en aan het geweld van de antichrist ontkomen en nu in de gemeente Gods woonachtig waren. De raadsheren, die hem aldus lieten pijnigen, sprak hij aldus aan: "Waarom pijnigt gij mij zo wreed? Is het,opdat ik u zovele eerbare lieden zou noemen? Wat zou het u toch baten, hen zo te mishandelen, als gij mij nu doet? Wanneer ik wist, dat gij hun voorbeeld zoudt volgen, dan zou ik u hun namen noemen, zoals ik aan anderen doe; maar ik ben er zeker van, dat gij hen immers ook zo lelijk zoudt behandelen, als gij mij nu doet." Maar, wat hij ook zei, zij pijnigden hem evenwel geruime tijd, zodat het de beul begon te vervelen. De anderen riepen, dat hij zijn metgezellen moest noemen, daar zij anders zijn lichaam zouden verscheuren en vaneentrekken.

Doctor Maillard van de Sorbonne, en anderen van zijns gelijken, die daar gekomen waren om Thomas te bekeren, riepen, toen zij zulk een grote en verwonderlijke standvastigheid in de jongeling zagen, dat men hem wreder behoorde te pijnigen. Geloofwaardige lieden hoorden dit zelfs van Aubert, de raadsheer, die dit toen moest ten uitvoer brengen. Hij was een bitter en zeer wreed mens, vooral als het de godsdienst betrof; nochtans heeft hij zodanige pijnigingen niet kunnen aanzien zonder te wenen, zodat hij zich naar een andere plaats moest verwijderen. Hij zei ook, terwijl het meer dan vijf en twintig lieden hoorden, dat hij met veel mensen over de godsdienst, zo in het geheim als in het openbaar had gesproken, maar dat deze jongeling hem oprecht en goed toescheen.

Toen nu hun wreedheid door de standvastigheid van de vrome jongeling overwonnen, en het vonnis des doods om in Malbertsstraat levend verbrand te worden, gelezen was, werd hij daarheen gebracht in tegenwoordigheid van de meest boze mens en ergste vijand van de waarheid, Doctor Maillard, teneinde hem ten uiterste toe te kwellen, en alles in het werk te stellen, om hem van de aanroeping van de Naam Gods af te leiden, en tot andere gevoelens en gedachten te brengen. Bij herhaling zei en vermaande hij hem, dat, wanneer hij zijn eerste belijdenis wilde herroepen, en daartegen getuigen, hij macht had van de raad, hem het leven te schenken. Toen Thomas daarop antwoordde, dat hij liever duizend doden wilde sterven, werd hij, daar hij aan een wipgalg gebonden was, terstond in de lucht opgetrokken. Als hij het volk van de genade des Heeren en van de eeuwige zaligheid begon te spreken, werd het vuur aangestoken en het ontbrandde. Toen de pijn hoe langer hoe heviger werd, beval Maillard hem spoedig daaruit te trekken, terwijl hij tot hem zei en beloofde, dat, wanneer hij zich nog op de hogen raad wilde beroepen, hij, als hij van gevoelen veranderde, zou worden vrijgelaten. Dit deed deze booswicht, om hem, bij het zien en gevoelen van de vreselijke dood, afvallig te doen worden, en hem te overwinnen. Doch de waarachtige en getrouwe God opende de ogen van de vromen martelaar, opdat hij de onverderfelijke overwinning zou aanmerken, waartoe hij geroepen werd, en die hij van ganser hart begeerde. Met luider stem riep hij hun allen toe: "Aangezien ik op de weg ben, om tot mijn God te gaan, laat mij daarop blijven, en laat mij tot Hem gaan." Aldus slingerden zij hem weer in het vuur en werd hij verbrand. Dit geschiedde te Parijs, de 19e september, in het jaar onzes Heeren 1551.

 

Claudius Monieux

 

[JAAR 1551.]

 

Claudius Monieux, geboren in de stad St. Amant de Talenda, in Auvergne, werd, toen hij in deze en ook in de stad Clermont onderwijs gaf, en de jeugd in de vrees Gods en in de kennis van Zijn heilig Woord onderwezen had, door de vijanden der waarheid, die deze godsvrucht niet konden uitstaan, verdacht, en van zijn onderwijzerspost ontzet.

Daarna doorreisde hij de streek Auvergrie en omliggende plaatsen, verkondigde en leerde daar het Woord Gods, totdat hij door de grote vervolging vandaar werd verdreven, en vluchtte naar een plaats, waar hij hoorde, dat de Evangelische leer ontvangen werd, en de kerk door het goddelijke Woord hersteld, vernieuwd en verbeterd was.

Zo kwam hij in de stad Lausanne, gelegen in de heerlijkheid Bern; en, omdat daar een hogeschool was, niet alleen voor de christelijke en waarachtige godsdienst, maar voor alle vrije kunsten, ging hij daar enige tijd studeren. Van daar reisde hij naar Lyon, waar hij het opzicht had over enige kinderen, om die te leiden en te leren. Hij onderwees die zo goed in de Heilige Schrift, dat hij daardoor hij vele godvruchtige lieden bekend, en, om zijn heilige wandel en leven, zeer gezien en bemind was; want hij was zeer vriendelijk, goed en zachtzinnig, zoals vele gelovigen daarvan zouden kunnen getuigen, die in de stad zijn leven en leer onderzocht en bevestigd hebben. bewees dit vooral in het teken, dat de gelovigen eigenlijk om de waarachtige en godzalige leer placht te geschieden. Toen hij namelijk, in deze stad enige tijd aldus zich in leven en leer betoond had, geschiedde het op de Zondag van de 15e Juli, dat hij in het huis ging van een zijner vrienden, met wie hij altijd goede omgang gehad had, om hem te waarschuwen en bekend te maken, wat hij van de beambte der stad te wachten had. Toen hij hem van de gevaren gered en weggeleid had, ging hij andermaal naar dat huis, om de vrouw en de kinderen te vertroosten. Daar verscheen ook de beambte, en uit achterdocht, dat hij Monieux in dit huis vond, liet hij hem gevangen nemen, en naar de geestelijke der stad brengen.

Toen hij nu door de geestelijke ondervraagd werd aangaande de voornaamste hoofdstukken van de christelijke godsdienst, en van de aangenomen bijgelovigheden, die men in het pausdom aankleeft, antwoordde hij zo gerust en vrijmoedig, alsof hem het onvoorziene gevaar niet aanging, maar veel meer als iemand, die tot alles bereid is, wat een christen om van het evangelie wil te wachten heeft.

Des anderen daags werd hij voor het gerecht gebracht, en, toen hij omtrent vele dingen werd ondervraagd, antwoordde hij met grote standvastigheid en op een zeer gepaste wijze. Hij gaf daarbij zulk een getuigenis van de waarheid, dat men daardoor in hem opmerkte de uitgebreide kennis van de Heilige Schrift en de grote standvastigheid in de waarheid van de Evangelische leer.

Toen men van hem verlangde hen te noemen, die deze leer volgden, noemde hij niemand dan hen, die in veiligheid waren, en geen gevaren meer te vrezen hadden.

Gedurende zijn verblijf in de kerker van de aartsbisschop te Lyon, versterkte hij door brieven de gelovigen en godvrezenden in het geloof en in de christelijke roeping, en vermaande vrijmoedig de raad en de rechters te Lyon aangaande de onmenselijke wreedheid jegens de kinderen Gods en aangaande hun onverdraaglijke tirannie. Om die reden bracht men hem in een meer duistere en diepe gevangenis, waar hij, onder een groot ongemak en verdriet, tot de 26e oktober verbleef, met geduid en voortdurende volharding in de belijdenis van het geloof, die hij vroeger godzalig had afgelegd, hoewel hij dikwijls aan sterke verzoekingen bloot stond, op de proef gesteld en zijn geloof door de satan bestreden werd. Ofschoon ook zijn vijanden hem op velerlei manieren van zijn goede gevoelens zochten af te trekken, nochtans bewaarde God hem voortdurend door Zijn onmetelijke genade in de zuivere leer en standvastige belijdenis des geloofs.

Op dezelfde dag, zijnde een Maandag, werd hij in de grote straat bij de grootste tempel, die men St. Jan noemt, gebracht en daar als ketter veroordeeld. Daarna werd hij door de vicarus of wijbisschop van Lyon ontwijd en van zijn rooms priesterschap ontzet, en alzo in de handen van de wereldlijken rechter overgeleverd. Vandaar werd hij, zeer verblijd, omdat hij van dat schandelijk teken bevrijd was, naar een andere gevangenis, Roana genaamd, gebracht, en daar in een duister hol geworpen tot de volgende Zaterdag, zijnde de avond van Allerheiligen, volgens de bepaling van de pausgezinden. Op deze dag werd het doodsvonnis over hem geveld, om levend verbrand te worden.

Daarna bracht men hem in de plaats, Sacellum genaamd, waar hij blijven en de tijd afwachten zou, totdat de rechters zouden hebben gegeten. Daar gaf men hem ook een weinig vis, brood en wijn, opdat hij wat zou eten. Toen hij geruime tijd met gebogen knieën de eeuwige almachtige God aangeroepen en gebeden had, en wat brood begon te gebruiken, kwamen er twee grauwe monniken, die zich minderbroeders noemen, tot hem, die een druk gesprek met hem hielden, doch waarbij Monieux hen krachtig antwoordde en hun redenen weerlegde. Eindelijk vielen zij hem met een andere verzoeking aan, en verweten hem, dat hij zo gulzig at, en zei dat het nu geen tijd van eten was, maar wel om belangrijker en meer noodzakelijke dingen te bedenken. Waarop hij met grote zachtmoedigheid vriendelijk antwoordde, dat hij niet uit lekkernij of om de buik te vullen at, maar alleen om het lichaam een weinig te versterken, opdat dit, aangezien het zwak was, in de ijver des geestes niet mocht bezwijken, en in de zware en bittere strijd, die het van stonde ondernemen moest, niet ontroerd werd. Met zulk een zacht antwoord maakte hij deze mens zeer beschaamd, ook bij het volk, dat er bijstond.

Omtrent twee uren na de middag werden hem de kleren uitgetrokken, en werd hij op een wagen naar de plaats gebracht, waar men hem zou ombrengen. Toen de rechters zijn zachtmoedigheid en geduld zagen, konden zij hun zuchten niet onderdrukken, en sommigen schreiden ook en weenden tot een bewijs van zijn onschuld.

Voor hij vandaar zou gaan begeerde hij van hen de vrijheid zijn gebed te mogen doen, wat hem ook werd toegestaan, met de bepaling, dat hij tegen hen niet zou spreken, of men zou hem, zoals besloten was, de tong uitsnijden. Zo werd hij dan gebracht naar de plaats, Territorium genaamd, altijd met gevouwen handen, en zijn ogen hemelwaarts geslagen, met een vlijtig en gans vrolijk gelaat.

Toen hij door de stad werd geleid, en hem een grote schaar volk tegen kwam, was er iemand onder, die hem groette en zei: "Blijft vroom in Christus." Door tussenkomst der grauwe monniken, die er bij tegenwoordig waren, werd deze terstond gevangen genomen.

Toen hij nu aan de genoemde plaats gekomen was, en zijn geloof en het gebed, dat Christus ons geleerd heeft, uitgesproken had, werd hij met een keten aait een wipgalg gebonden,en, toen het vuur ontstoken was, omhoog getrokken. Geruime tijd was hij aan het vuur blootgesteld voor hij stierf, doch hij bad onophoudelijk temidden der pijnen, en herhaalde dikwerf de woorden: " Mijn God, mijn Vader," en aldus gaf hij aan God, zijn hemelse Vader, zijn ziel over.

 

Gillot Vivier, Michiel le Fèvre, Jacques le Fèvre, Amna le Fèvre en Mechaëlla de Caignoncle

 

[JAAR 1551]

 

Omstreeks deze tijd heerste er een zeer grote vervolging in Waalsland door de heer van Lalain en inzonderheid te Valenciennes. Onder vele anderen waren daar ook Gillot Vivier, een wolwever, geboren in een dorp, drie mijlen van Doornik, St. Salvator genaamd, en Jacques le Fèvre, een bejaard man van zestig jaren, met zijn zoon en zijn dochter. De zoon was genaamd Michiel le Fèvre, een jonkman van negentien jaren. De dochter, die de vrouw was van Gillot Vivier, werd later gevangen genomen, en heette Anna le Fèvre. Ieder hunner beleed de waarheid van het Evangelie op vrome wijze, en stond die standvastig tot de dood voor.

Jacques le Fèvre, die eerst op hoge leeftijd tot de kennis der waarheid kwam, bleef niettemin altijd zeer standvastig in deze belijdenis. Wat de vervolgers der waarheid ook deden, hoe zij hem ook poogden te verstrikken, hij beleed toch openlijk; en al kon hij zich niet genoegzaam verantwoorden of in alles voldoen, zo wilde hij nochtans in de belijdenis van het Evangelie bestendig volharden.

De standvastigheid van zijn dochter was ook bewonderenswaardig en zij volgde het voorbeeld van haren vader en broeder op heerlijke wijze na, die, evenals de anderen, om de getuigenis des geloof§ werd veroordeeld om te worden verbrand. De anderen werden reeds vroeger verbrand, terwijl zij, aangezien zij zwanger was, werd bewaard tot na haar bevalling, doch toen met bewonderenswaardige en mannelijke kloekheid aan de vuurdood werd overgegeven.

Michaëlla de Caignoncle was een eerbare juffrouw, de weduwe van Jakob de Klerck, die beide ook te Vallenciennes geboren waren. Voor zij doar de vijanden der Evangelische waarheid gevangen werd genomen, was zij ten huwelijk gevraagd door een gelovigen en voortreffelijke man, die haar wilde brengen in de gemeente Gods, waar men de Evangelische leer en het rechte gebruik van de sacramenten naar het bevel van Christus verkondigde en bediende, hetwelk zij zeer beleefd weigerde, haar onschuld betuigende, dat zij door de Geest van God er nog niet toe bewogen was, om haar vaderland te verlaten. Verder betuigde zij, dat zij door de genade des Heeren in haar voornemen der wijze was gesterkt, dat zij zich wel onbevlekt zou weten te bewaren van alle roomse afgoderij en al de gruwelen aanzien; en mocht zij al eens op de proef gesteld worden, dan zou de Heere, door Zijn grote goedheid haar zulk een kracht geven, dat zij Zijn naam standvastig zou blijven belijden.

Toen deze nu niet de bovengenoemde gevangen genomen was, en haar doodsvonnis ontvangen had, om met Gillot Vivier en de anderen levend verbrand te worden, toonde zij welke kracht God hun geeft, die om Zijns naams wil lijden, waarin zij alle vrouwen een uitnemend voorbeeld was.

Als zij met de anderen werd uitgeleid, om de straf des doods te ondergaan, vermaande zij tien allen tot volharding, en betuigde, dat de rechters, die hen veroordeeld hadden, en die nu gereed waren om hen van het leven te beroven, niet anders zouden verkrijgen dan de eeuwige verdoemenis. "Wij," zei zij, "die nu lijden moeten, zijn in onze harten gerust, en verkrijgen de eeuwige zaligheid." Toen hiel zij met de anderen psalmen en lofzangen voor de Heere aan, ging alzo met een vrolijk gemoed naar de brandstapel, en gaf haren geest aan de Heere over, om Wiens wil zij werd verbrand.

 

Johannes Jocry te Toulouse

 

[JAAR. 1551]

 

Johannes Jocry was geboren in een dorp Saint Jocry genaamd, twee mijlen van de stad Alby, en opgevoed te Montauban, uit welke stad hij te Genève kwam, om daarmeer en meer in alle godzaligheid toe te nemen, en in de gemeente Gods de Heere zuiver te dienen. Toen hij daar geruime tijd had gewoond, was hij voornemens een reis te doen naar zijn vaderland, welke hij ook ondernam in de maand Juli van het jaar 1551, op tweeëntwintigjarige leeftijd. Een jongen, die hem diende, vergezelde hem op deze reis. En om enig nut te stichten, en ook de gelovigen in dit land te vertroosten, waren zij met een voorraad van goede boeken voorzien. Dit werd de oorzaak, dat zij te Mende, in het land van Languedoc, gevangen genomen, en daarna tot de vuurdood veroordeeld werden. Jocry, die dikwerf tot zijn vrienden en geloofsgenoten placht te zeggen dat wanneer de Heere hem riep om de waarheid te betuigen, hij bovenal zou begeren, die getuigenis te Toulouse te doen en met zijn dood te bezegelen, beriep zich van dit vonnis op het hoge gerechtshof. Aldus werden zij naar Toulouse tot de hoge raad gezonden, waar Jocry een heerlijke belijdenis zijns geloofs aflegde en die met de Schrift bevestigde, waarin hij zeer geoefend was. In al zijn antwoorden gedroeg hij zich zeer betamelijk.

De jongen, zijn dienaar, betoonde zich ook zeer vroom, en beleed hetzelfde geloof met zijn meester. En aangezien hij, wegens zijn jeugd en onbedrevenheid in de Heilige Schrift, niet genoegzaam de vragen der tegenpartij kon beantwoorden, en in het nauw gebracht door hen, wien dit rechtsgeding was toevertrouwd, wees hij hen naar zijn meester, betuigende, dat hij bij zijn vorige belijdenis bleef volharden, en zei, dat, wanneer zij meerdere verklaring eisten in de beantwoording van hun vragen, zij dan zijn meester slechts behoefden te vragen, die hen wel zou antwoorden. Toen zij zeiden, dat hij zijn meester niet behoorde te geloven, die een ketter was en ten enenmale verworpen, antwoordde hij hun, dat hij hem hield voor een goed man, heilig van leven, en dat hij er zeker van was, dat hij hem niet anders geleerd had dan de waarheid, die in Gods Woord is vervat.

Op de dag, toen zij hun doodvonnis ontvangen hadden, kwamen er vele priesters en monniken tot hem in de gevangenis, om met Jocry te redetwisten, wien hij Zo onbeschroomd en goedsmoeds antwoordde, alsof hij ontbonden, vrij en zonder gevaar was.

Toen zij nu op de bestemde plaats gebracht waren, waar het vonnis zou worden volvoerd, namelijk in St. Georgiusstraat, werd de jongen het laatst gebracht. En, terwijl Jocry op de laatste vraag antwoordde, begonnen intussen de huichelaars de jongen te raden, dat hij de maagd Maria zou aanroepen en alzo zijn gevoelens laten varen; waarbij zij de jongeling zo moeilijk vielen, dat hij begon te wenen. Jocry, die nog met de anderen aan het spreken was, keerde zich toen om, en toen hij zag dat de jongen door de vijanden der waarheid besprongen werd, haastte hij zich tot hem te gaan. Toen hij hem zag wenen, sprak hij hem aan en zei: "Waarom weent gij toch, mijn broeder? Weet gij niet, dat wij gaan tot onze allerbeste, genadigste God, en dat wij terstond verlost en vrij zullen zijn van deze ellende, waarmee wij nu gekweld worden?" De jongen zei: “Ik weende, omdat gij niet bij mij was." "Het is nu geen tijd," zei Jocry, "om te wenen; laat ons liever de Heere zingen." Toen hieven zij een psalm aan en zongen. Toen het vuur het lichaam van Jocry aantastte, dacht hij niet aan zichzelf, maar was veel meer bezorgd voor de jongen dan voor zichzelf, en klom hij de paal op, en keek om naar de jongen, om hem te versterken en moed in te spreken. Toen deze daarna zag, dat hij gestorven was, ontving hij ook met open mond de vlammen, en terwijl hij zijn hoofd boog, gaf hij zijn geest aan God over, in het jaar 1551.

 

Jan van Ostende, bijgenaamd Tromken

 

[JAAR 1551.]

 

Jan van Ostende, Tromken bijgenaamd, uit het land van Vlaanderen, wist zich, in een grote vervolging van de christenen, die met wagens vol te Gent gevankelijk werden binnen gebracht, door de vlucht te redden. Later echter werd hij te Antwerpen gevangen genomen, waar hij de christelijke waarheid zeer vrijmoedig voorstond.

Terwijl hij in de gevangenis zat, schreef hij brieven aan de predikanten der Nederlandse gemeente te Londen, bovenal aan Martinus Micron, waarin hij hem en alle anderen vermaande, dat zij de vrede, die de almachtige God de gelovigen christenen in En;eland door Zijn grote genade gegeven had, niet moesten misbruiken, en de zegen des Heeren met dankbaarheid en vrees genieten. Hieruit blijkt, dat de goede martelaar al vooruit zag, dat Engeland, om de ondankbaarheid van het volk, een zware plaag boven het hoofd hing, wat wij, helaas, met onze ogen hebben aanschouwd.

In de gevangenis werd hij door verschillende personen ondervraagd, hetwelk hij zelf in vragen en antwoorden aldus heeft beschreven.

Vraag. Hoe lang is het wel geleden, dat gij gebiecht hebt?

Antwoord. Zeven jaar.

Vr. Hoe komt het, dat gij in zo lange tijd niet hebt gebiecht?

Antw. Omdat de biecht uit de mensen is en niet uit God.

Vr. Gelooft gij dan niet, dat gij door berouw, boete en vergeving van de priester van al uw zonden wordt gereinigd.

Antw. Het bloed van Jezus Christus maakt mij alleen rein van alle zonden.

Vr. In hoeveel tijd hebt gij het sacrament niet genoten?

Antw. In twee jaren niet.

Vr. Hoe kan het samengaan, dat gij, die een godvrezend man wilt zijn, en met recht daarvan alle maanden of om de zes weken gebruik behoort te maken, in zolang daar niet geweest zijt?

Antw. Omdat men het niet gebruikt naar de instelling en het bevel van Christus Jezus. Want Christus heeft wijn en brood verordend, en zij geven alleen brood.

Vr. Sommigen geven toch wijn, vooral de monniken.

Antw. Dat is waar; maar zij geven het alleen als wijn en niet als een deel van het sacrament.

Vr. Dat is waar. Wat dunkt u van het sacrament; gelooft gij, dat het brood Christus' lichaam is?

Antw. Neen; maar ik geloof, indien ik het ontvang naar de instelling van Christus, dat ik door het geloof het lichaam en bloed van Christus ontvang, namelijk, al de krachten en verdiensten, die mij door het verbreken van het lichaam en het uitstorten van het bloed van Jezus Christus ten goede komen.

Vr. Gelooft gij dan niet, dat door de vijf woorden, die de priester spreekt, Christus in de handen van de priester komt?

Antw. Neen; want Chrysostomus zegt, dat die de dis heiligde in het avondmaal, die heiligt hem nog, en dat uit zichzelf, uit loutere genade."

Vr. Wat dunkt u van de aanroeping der heiligen?

Antw. Ik houd mij aan het gebed, dat Christus mij geleerd heeft: "Onze Vader, die in de hemelen zijt," enz,

Vr. Hoe denkt gij over het vasten?

Antw. Ik vast in het geheel niet.

Vr. Christus heeft toch zelf gedaan, moet men dan Christus niet navolgen?

Antw. Ja, in alle mogelijke dingen; maar, dat is een wonderwerk, en een onmogelijke zaak, die niemand heeft verricht dan Mozes, Elia en Christus. Want, wanneer wij Christus daarin navolgen, dan moeten wij, zonder iets te eten of te drinken, vasten,

Vr. Houdt gij ook de quartertemperdagen?

Antw. In het geheel niet.

Vr. Moet men dan nimmer vasten?

Antw. Ja, wanneer de kerk in nood verkeert, en zij zich voor God verootmoedigt en Hem om genade, hulp en verlossing bidden wil.

Vr. Vast gij dan ook?

Antw. Ja,

Vr. Wanneer?

Antw. Als de nood dit eist.

Vi,. Wat wil het zeggen: als de nood dit eist?

Antw. Dat is, wanneer ik mijn vlees kastijden, of iets bijzonders van God bidden wil, dat ik van hart verlang te ontvangen.

Vr. Wat noemt gij dan vastenpijs?

Antw. Zoals ik dit heb, hetzij vlees of vis, maar dat matig.

Wij spraken ook nog lang over de kinderdoop, over de rechtvaardigmaking en meer andere dingen, die te uitvoerig waren om te beschrijven; wij hebben ons alleen bij het bovenstaande bepaald.

Na deze samenspraak redetwistte hij nog eens met enige monniken, die de schout tot hem gezonden had, om hem te ondervragen en te onderzoeken, die hem ook vroegen, of de paus het hoofd der kerk was.

Toen hij antwoordde, dat dit Christus was, zeiden zij: "maar gelooft gij niet, dat ook de paus het hoofd is?” "Neen," zei hij, "want anders moest de kerk twee hoofden hebben, en zou ze een monster zijn. Christus is alleen het hoofd, en al de anderen zijn Zijn leden." Ja," zei de monnik, "dit zeggen al de ketters. Is St. Pieter dan niet het hoofd der Apostelen geweest, die Christus voor alle andere Apostelen altijd aansprak, daar Hij op hem zijn kerk grondvest; daar Hij hem beval de penning uit de vis te halen; en daar Hij hem tot driemalen toe beveelt zijn schapen te weiden? Jan antwoordde"De Apostelen hebben gelijke macht en hetzelfde bevel van Christus ontvangen, en in één onderwijst Hij hen gewoonlijk allen, die hetzelfde ambt en dezelfde bediening hebben. Daarom, wat Petrus bevolen is, is allen anderen Apostelen en pastoren bevolen. Want pastor betekent een herder, en een herder is een verzorger van schapen of schaaphoeder; dus gaat hun het bevel gezamenlijk aan: "Hoed mijn schapen."

Zij vroegen hem, waarom hij het Evangelie geloofde. Hij antwoordde: "Omdat het de kerk heeft aangenomen." "Waarom gelooft gij dan niet," zei zij, "al wat de kerk houdt, gebiedt en leert?” Hij antwoordde daarop: Omdat zij houdt, gebiedt en leert, wat tegen het Evangelie strijdt, wat zij goed heeft aangenomen, en waaraan zij zich behoort te houden."

Toen zeiden de monniken: "Zijn dan al onze ouders verdoemd?" Jan antwoordde: "Dat wil ik aan het oordeel van God overlaten. God zal de tijd der onwetendheid aanzien, en hun genadig zijn; maar het licht des Evangelies schijnt, dat geruime tijd verborgen was. Laat ieder voor zich toezien dat hij het waarneemt. Christus heeft nu Zich onzer ontfermd, en het Evangelie weer aan het licht gebracht, met kracht laten doordringen, en de gehele aarde er mee vervuld, hoewel de paus met al zijn aanhangers daartegen is.

Na nog vele woorden te hebben gesproken, zeiden de monniken eindelijk "Wij zijn hier niet gekomen om met u te redetwisten. Wij hebben al genoeg van u. Als men redetwisten wil, moet men het in de scholen doen."

Nadat deze vrome getuige der waarheid aldus de waarheid beleden, de vijanden der waarheid overwonnen en beschaamd had, werd hij door de raad van Antwerpen ter dood veroordeeld, en in de maand Oktober van het jaar onzes Heeren 1551 verbrand.

 

Vijf studenten van Lausanne, Petrus Scriba, Martialis Alba, Bernhardus Seguinus, Carolus le Fèvre en Petrus Naviherus

 

Deze vijf studenten uit de stad en hogeschool Lausanne werden samen te Lyon gevangen genomen en in de kerker geworpen, namelijk: Martialis Alba, geboren te Montauban, in Cruera; Petrus Scriba, van Bologne, in Gascogne; Bernhardus Seguinus, van Reole, in Basadois, Carolus le Fèvre, geboren te Blanzac, in Angoumois, en Petrus Naviherus van Linioges.

Toen deze te Lausanne gestudeerd hadden de een korter en de ander langere tijd, vatten zij het voornemen op, om voor de tijd, die men in het pausdom Pasen noemt, ieder naar zijn vaderland te reizen; de een naar Toulouse, een ander naar Bordeaux, de derde naar Santon, de vierde naar Limoges, ieder naar de plaats, waar hij geboren of woonachtig was. Zij deden dit teneinde daar de heerlijkheid des Heeren te openbaren, en de genade en kennis, die zij van God ontvangen hadden, hun ouders mee te delen, en, ware het mogelijk hen alzo tot de christelijke kennis te lokken en te leiden. Zij waren bereid, dit niet alleen hun ouders en vrienden, maar ook allen anderen, die de almachtige God door hun dienst zou willen roepen, mee te delen.

Deze goede raad en dit voornemen vatten zij op in overleg met de gemeente van Lausanne, hetwelk de gemeente zeer prees als een goed en heilig voornemen tot voorbereiding en uitbreiding van het rijk van Christus. En, opdat ook hun toekomst de gelovigen te aangenamer zou zijn, gaf de gemeente aan drie hunner ieder een getuigschrift mee van hun geloof en godzaligheid, die zij in hen hadden gezien en bevonden, daar zij in de stad Lausanne gewoond hadden. Deze getuigschriften werden ook, op verlangen van Petrus Viret door Johannes Calvijn ondertekend. De beide anderen hebben geruime tijd in de stad hun diensten betoond en onderwezen; de een bij de getrouwen dienaar des goddelijke Woords Petrus Viret, de ander bij de goede en godzaligen man Theodorus Beza, waar zij aldus van hun dienst en hun leven getuigenis gaven, dat hun eenvoudige getrouwheid bij de gehele gemeente bekend was. Daarna bleven zij enige dagen te Genève, en reisden van daarnaar Lyon.

Op de reis kwamen zij in kennis met een burger van Lyon, die hun vriendelijk verzocht toch niet te vertrekken, dan nadat zij hem bezocht hadden, wat zij beloofden te zullen doen.

Toen zij te Lyon kwamen, gingen zij in een herberg, waar drie vissen uithingen, want zij vonden geen geschikter plaats dan die, om twee of drie dagen te vertoeven. Ten twee of drie uur op de volgende dag gingen zij naar het huis van de burger, die hen op de weg zo vriendelijk had uitgenodigd, en wiens huis aan de rivier de Rhóne stond, in dat gedeelte der stad, dat Ennay genaamd werd. Toen zij daar geruime tijd in de tuin gewandeld hadden, werden zij door de burger ter maaltijd genodigd. Aan tafel zittende, riepen zij de naam des Heeren aan, zoals de gewoonte der godvruchtigen is, en aten van hetgeen hun werd voorgezet. Toen zij intussen de gaven des Heeren met dankbaarheid genoten. en vrolijk waren in de Heere, kwam de overste der stad, Poullet, en zijn stadhouder, vergezeld van een grote menigte van hun dienaren. Toen hij in de kamer kwam, waar zij zaten, vroeg hij aan ieder hunner de naam, de voornamen, hun vaderland, hun betrekking en dergelijke meer. Daarna liet hij hen twee aan twee binden, ofschoon zij in de stad noch ergens elders iets tegen het bevel des konings geleerd of gedaan hadden. Zonder enige beschuldiging of reden, tegen alle rechtvaardigheid, bracht hij hen in de gevangenis van de hoge geestelijke, en wierp hen in een diepe en donkere plaats. Omtrent een uur daarna werd ieder van hen, de een voor, de ander na, voor de beambte geroepen, en werden op die dag omtrent alle hoofdstukken van godsdienst, die de pausgezinden met kracht en geweld voorstaan en beschermen, ondervraagd. Door de kracht van de bijzondere genade, waarmee zij door God begiftigd waren, antwoordden zij op alle vragen zeer standvastig uit Gods Woord, vereerden Hem, en beleden Zijn naam voor hen, die dit niet graag hoorden.

Des anderen daags werden zij andermaal ondervraagd. Daarna kregen zij vrijheid, om hun belijdenis in schrift te mogen stellen, welke zij met zulk een groten spoed moesten overgeven, dat zij geen afschrift daarvan konden maken. In de volgende week werden enige van ben geroepen om ondervraagd te worden, waar zij over zekere hoofdstukken van de godsdienst met de drie sekten van monniken, Jakobijnen of predikers, grauwe monniken en Karmelieters moesten redetwisten.

Eindelijk, toen men hen nog eens geroepen had, om te beproeven, of zij in hun gevoelens bleven volharden, en zij hun standvastigheid bespeurden, lieten zij hun de belijdenissen, die daar waren afgelegd, ondertekenen, en ieder hunner in de voor hen bepaalde gevangenis werpen.

Des anderen daags, zijnde een Vrijdag, op de 13den Mei, bracht men leder hunner afzonderlijk in de raadskamer van de hogen geestelijke. Toen zij daar, temidden van een grote menigte mensen, als ketters verdoemd werden, en in handen van de wereldlijken rechter overgeleverd, verklaarde ieder van hen zich tegen dit vonnis, en zij beriepen zich op het parlement te Parijs, alleen daarom, wijl zij als ketters veroordeeld en beschouwd werden. Ofschoon de hoge geestelijke zich hierover zeer verwonderde, stond hij hun beroep toe. Toen een van de dienaren van de bisschop een hunner zich om die reden op een andere rechtbank hoorde beroepen, vroeg hij, of hij dit ook om een ander gedeelte van het vonnis deed. De aangesprokene antwoordde daarop, dat hij vernomen had, dat het voornaamste gedeelte van het vonnis daarop neerkwam, om hen als ketters te veroordelen, en dat hij daarom, aangezien dit niet waar was, zich op een andere rechtbank beriep. "Omtrent het andere," zei hij, "weet ik niet wat gij daarmee bedoelt." De hoge geestelijke zei, dat het voldoende was zich daarom op een andere rechtbank te beroepen. Aldus werd hun zaak gedurende dertien dagen door hun tegenpartij onderzocht en behandeld. Wat er voorts meer door hen gedaan is, zal, men het best uit hun geschriften en brieven kunnen opmaken.

Martialis Alba heeft niets geschreven, want hij was daarin niet zo goed geoefend als de anderen, maar hij hield zich veel met bidden bezig. Petrus Scriba en Bernhardus Seguinus hebben niet alleen in godsvrucht, maar ook in moed en geleerdheid uitgemunt, en waren zeer ervaren in de heilige goddelijke Schrift, waarvan hun brieven, die wij hier opgenomen hebben, getuigenis afleggen. Wat Petrus Scriba gedaan en voor de rechtbank geantwoord heeft, beschrijft hij in de eerste brief aldus:

Petrus Scriba, gevangene om het Woord Gods, wenst alle gelovige Christenen genade, vrede en zaligheid, van God de Vader en de Heere Jezus Christus!

Wanneer ik naga, allerliefste, broeders en zusters in Christus, welke vruchten de gehele kerk zou plukken, wanneer de bewijzen, die onze tegenstanders te Lyon in de kerker omtrent het geloof mij hebben voorgeworpen, en wat ik daarop heb geantwoord, alles ware beschreven, zo heb ik toch deze mijn belijdenis voor u willen optekenen tot troost van alle gelovigen en ook tot verbreiding van het rijk van Jezus Christus. Hierbij zal ik ook opnemen de artikelen, die ik behandeld en opgenomen heb in de belijdenis, welke ik met mijn eigen hand geschreven, en aan mijn tegenstanders na die gelezen te hebben, overgegeven heb.

Toen wij in de gevangenis van de aartsbisschop van Lyon gesloten waren, en de een van de ander verwijderd was, en wij God van ganser hart baden dat Hij ons met Zijn Geest wilde versterken, om Zijn naam met alle standvastigheid en vrijmoedigheid te mogen belijden, kwam de gevangenbewaarder tot mij, en opende de beide deuren van het hok, waarin ik opgesloten was. Hij was vergezeld van de stadhouder van de overste, die mij naar de raadkamer voor de hoge geestelijke en de andere lieden bracht, die daarin groot aantal vergaderd waren. Toen vroeg mij de hoge geestelijke: "Hoe is uw naam?" Petrus Scriba, zei ik. En wat is uw bedrijf?" vroeg hij. Ik antwoordde, dat ik een student was. Hij vroeg verder, vanwaar ik kwam. Ik zei, dat ik kwam uit het land van de Prins van Bern. “Uit welke stad? vroeg hij. Ik antwoordde uit Lausanne. Hij vroeg mij, wat ik daar deed. Ik zei, dat ik daar studeerde in het Woord van God. "Welke leer" vroeg hij, "kleven zij te Lausanne aan?" Die van het goddelijke Woord, zei ik. "Hoe weet gij toch," zei hij, "dat het Gods Woord is, wat zij daar geloven?" "Omdat ik geruime tijd", zei ik, "in die stad gestudeerd en ook de predikatie gehoord heb, die men daar alle dagen houdt. Ik heb daar niet anders horen prediken dan het zuivere Woord van God, en daarom geloof ik het. Want de Heilige Geest geeft in mijn hart daarvan getuigenis, en verzekert mij dat, zodat ik er geenszins aan twijfelen kan of mag". "wilt gij dan," zei hij, "zijn wet ontvangen en daarnaar leven?" Ja," zei ik, "want het is het waarachtige Woord van God. "Gelooft gij," zei hij, "dat het lichaam van Jezus Christus in het sacrament des altaars is?" "Nee," zei ik, "want dat strijdt tegen het artikel van ons geloof, waarin wij geloven en belijden, dat Hij zit ter rechterhand van God de Vader, dat Hij vandaar weder komen zal voor de groten en heerlijke dag des oordeels. Ik belijd wel, dat Zijn godheid over de gehele wereld verbreid is, maar, opdat gij niet zoudt menen, dat ik het heilig sacrament loochen, dat door Jezus Christus ingesteld is, zo geloof en belijd ik het sacrament van het Heilige avondmaal, in hetwelk ik het lichaam van Jezus Christus eet en Zijn bloed drink, doch niet op die grove en plompe wijze des vleses, gelijk de Kapernaïten en pausgezinden menen; maar ik zeg, wanneer ik het brood neem, en de wijn drink, dan eet ik waarlijk het lichaam van Jezus Christus, en ik drink Zijn bloed, en wel door het geloof en in de geest.

De procureurfiscaal, een man van grote geleerdheid, zoals ik later vernam, die men de heer Clepier noemde, en die naast de hoge geestelijke zat, zei: "Gij zegt, dat gij in het avondmaal, als gij brood en wijn neemt, dan ook het lichaam en bloed van Christus ontvangt." Ja," zei ik, "op geestelijke en niet op vleselijke wijze; want ofschoon Christus nu in de hemel is, waar ik Hem door het geloof zoek; nochtans, door de kracht Zijns Geestes, die verwijderde en verschillende dingen bijeenroept, worden onze zielen gevoed, onderhouden en verblijd op een wonderdadige wijze, wat door het menselijke verstand niet kan begrepen worden, en bewerkt op die wijze, dat wij lidmaten zijns lichaams zijn, been van Zijn beenderen, en vlees van Zijn vlees."

"Gelooft gij ook," zei hij, "dat er een vagevuur is, waar de zielen gereinigd worden, voor wie wij moeten bidden?“ "Ik geloof," zei ik, "dat wij door het bloed van Jezus Christus gereinigd worden, waardoor al onze zonden worden . afgewassen; want daarom is het gestort. Ik geloof aan geen andere reiniging der zonden. Want de Schrift stelt ons twee dingen voor, de een weg van het geloof tot het eeuwige leven, de anderen des ongeloofs, waarop alle ongelovigen, die in Christus niet geloven, tot de eeuwige dood gevoerd worden. Want er staat geschreven: "Die in de Zoon van God gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem." Daarom moet men voor de doden in het geheel niet bidden; want zijn zij in het Paradijs, dan is het gebed tevergeefs, en geheel onnodig voor hen, die nu de vruchten genieten van de dood en het lijden van Jezus Christus en van alle beloften, die in het Evangelie gedaan zijn; maar zijn zij veroordeeld, zo zal het gebed hun niet baten, aangezien zij in eeuwigheid door God vervloekt zijn.

"Gelooft gij niet," zei hij",dat men bij de priester moet biechten?" “Ik geloof," zei ik, "dat men alleen bij God moet biechten, zoals David in vele plaatsen zegt, en vooral in de 32sten psalm: “Ik zei: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor de Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonden." Dit is een ware biecht, waarop terstond de vergeving en de kwijtschelding der zonden om niet volgt. "Gij gelooft dan niet," zei hij, "dat men bij de priester biechten moet?" "Geenszins", zei ik, "want dat strijdt geheel tegen het Woord Gods, waar ons geleerd wordt, dat wij God alleen onze zonden moeten belijden, zoals David toont in de 5lsten psalm: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in uw ogen.”

"Wat denkt gij," zei hij, “van de plechtigheden van de kerk, zoals van de klokken en andere ingestelde dingen?" "Aangezien wij", zei ik, "met vlees bekleed zijn, die de goddelijke dingen niet kunnen begrijpen, hebben wij, naar mij dunkt, zodanige hulpmiddelen nodig, om onze zwakheid te ondersteunen

Daarom ook moet men in de gemeente onzes Heeren zekere plechtigheden onderhouden, aan een plaats samen komen, om Gods Woord te horen, en om de sacramenten, dooi, de Heere ingesteld, uit te delen en te genieten, welke plechtigheden ik zeer prijs. Maar die, welke door de paus in de kerk ingevoerd zijn, verwerp ik geheel als schadelijk en buiten het Woord van God ingesteld, waardoor de lieden van alle godsvrucht en van de ware godsdienst worden afgekeerd."

Toen zei hij: "Gelooft gij, dat men de maagd Maria aanbidden mag en ook de andere heiligen, die in de hemel zijn, en dat zij onze voorsprekers en beschermers zijn?” “Ik geloof," zei ik, "dat er geen andere voorspraak is, die bij de Vader voor ons bidt, dan Jezus Christus; van Wien wij zekere en gewisse beloften hebben, dat in Zijn naam onze gebeden door God de Vader zullen verhoord worden. Hij is ook alleen de Middelaar tussen ons en God, zoals ook de Apostel zegt; en er is ook geen ander Aangaande de maagd Maria geloof ik, dat zij onder alle andere vrouwen zeer zalig is, omdat zij geloofde, en Jezus Christus in haar schoot heeft gedragen; dat zij maagd was voor en na zij Hem ter wereld bracht, en dat haar geloof en leven waardig is te worden nagevolgd; maar dat men God alleen, ook volgens haar voorbeeld, moet aanroepen en aanbidden, zoals zij ook in haren lofzang zegt. Zo denk ik ook over de heiligen, die ik zalig acht, en geloof dat men hun voetstappen drukken moet, en God prijzen, dat Hij hen met zulke weldaden en gaven heeft begaafd en versierd; maar men zal er mij in het geheel niet toe brengen, om hen aan te roepen of te aanbidden, want zij zelf begeren deze eer niet.

Toen ik bemerkte, dat wat ik sprak door de Schrijver niet werd opgetekend, en dat de plaatsen der Heilige Schrift, die ik bijbracht, in het schrijven werden voorbijgegaan, bracht ik dit de hoge geestelijke onder het oog, en begeerde van hem papier en inkt, om mijn belijdenis in schrift te stellen en uit de zekere getuigenis van de Heilige Schrift mijn geloof te bewijzen, en te tonen, dat mijn belijdenis geheel met de waarheid van het goddelijke Woord overeenkwam. Als hij mij dat toezegde, en beloofde mij de volgende dag papier en inkt te laten brengen, beval hij, dat ik mijn belijdenis zou ondertekenen, en ik door de gevangenbewaarder en de onderbeambte in de kerker zou worden gebracht. Daar dankte ik mijn God, door Jezus Christus zijn Zoon, dat Hij mij door de kracht des Geestes had gesterkt, om voor de vijanden Zijn heiligen naam te mogen belijden, en bad Hem, mij in de belijdenis van dit geloof tot het einde toe standvastig te bewaren. Ofschoon ik in een duistere en afzonderlijke plaats zat, waar ik nauwelijks adem kon halen, was ik nochtans na dit gebed door de kracht des Geestes, verblijd en versterkt, en ontving zulk een troost en blijdschap, dat mijn droefheid en verdriet overwonnen en weggenomen werden. Des anderen daags, op Maandag de 2e Mei, bracht mij de gevangenbewaarder, ten acht uur, in een andere plaats, waar ik wat te schrijven, en gaf mij een half blad papier, om mijn belijdenis op te tekenen. Onder aanroeping van de Heere heb ik dit gedaan, en Hem gevraagd om mij te besturen en te regeren, teneinde mijn belijdenis naar behoren neer te schrijven.

De volgende dag kwam de gevangenbewaarder bij herhaling tot mij, en dwong mij zeer, dat ik het geschrift terstond zou afmaken. Ik zei hem, dat ik dit niet doen kon, omdat ik te weinig licht had om te schrijven.

Omstreeks twee uur in de namiddag bracht mij de onderbeambte in een grote zaal, waar de hoge geestelijke, de rechter Courrier en vele andere aanzienlijken vergaderd waren, alsmede advocaten, burgers, kooplieden, en vele andere mensen, alsook vele monniken, Jakobijnen, grauwe monniken en dergelijke valse profeten, die het teken van het Beest op het hoofd en over het gehele lichaam hadden.

Toen vroeg mij de hoge geestelijke, of ik bij mijn vroegere gedachten en gevoelens bleef volharden.

"Aangezien ik," zei ik, "niets anders dan het zuivere Woord van God beleden heb, wil ik dit op elke wijze voorstaan en beschermen, daarbij blijven, leven en sterven." "Hebt gij uw belijdenis geschreven en gereed?" vroeg hij. Ik antwoordde: "Gedeeltelijk heb ik haai, geschreven; maar ik bid u dat ik niet uw toestemming die mag vervolgen, en dat mij de gevangenbewaarder daartoe papier geve." "Lees," zei hij, "wat gij geschreven hebt." Toen begon ik met luider stem te lezen, en toen dit gedaan was, vroeg mij de hoge geestelijke, of ik, wat ik geschreven had, wilde voorstaan en beschermen. Ik antwoordde:,..Ja, ja, tot de dood toe: want het is het zuivere en onvervalste Woord van God." Toen hij mij later beval,om mijn belijdenis te ondertekenen, heb ik dit gewillig en met ijver gedaan. Vervolgens zei hij: "Hier zijn leraars, die u wel wat anders dan uw gevoelens en uw belijdenis tonen zullen."

"Laat hen beginnen", zei ik, "want ik ben bereid om te antwoorden." Toen kwam er een monnik, die de anderen mijnheer de Doctor noemden. "Wel, mijn vriend," zei hij, "gij zegt in uw belijdenis, dat de paus het hoofd niet is van de kerk; maar ik zal het u anders bewijzen. De paus is de opvolger van St. Pieter: en dan is hij ook het hoofd der kerk." “Ik loochen," zei ik, "uw eerste gezegde, namelijk, dat de paus de opvolger is van St. Pieter.",”Ik zal het u bewijzen", zei hij. "De paus bewaart de plaats van St. Pieter, en zo is hij dan ook zijn opvolger." "Ik loochen", zei ik, "dat beide; want de paus verkondigt het Woord van God niet, zoals St. Pieter gedaan heeft. En wie St. Pieter opvolgen wil, moet hem ook navolgen in de prediking van Gods Woord en in de zorg voor de schapen van onze Heere Jezus Christus, wat de paus niet doet, zoals ik u in mijn belijdenis aantoon.

Daarenboven, al ware de paus een waar verkondiger van het Woord van God en een Herder der gemeenten, en alzo een navolger van de voetstappen van St. Pieter, zo zou hij daarom het hoofd der gemeente van Christus Jezus niet zijn, maar alleen een lidmaat of een dienaar en Apostel. Zo is er dan geen ander hoofd der gemeente, en ik ken ook geen ander dan alleen de Heere Jezus Christus, zonder enige stedehouder of opvolger; want Paulus stelt Hem alleen tot het hoofd der engelen en der mensen. Toen antwoordde de monnik: “Ik weet wel, dat Paulus Christus het hoofd der gehele kerk noemt; maar, zijn stedehouder, die zijn plaats bewaart, is nochtans hier op aarde gesteld." "Geenszins," zei ik, "want door zijn mogendheid en goddelijke kracht vervult Hij alle dingen; en waar Hij dus tegenwoordig is, daar kan geen stedehouder zijn." "Ik wil u tonen," zei de monnik, "dat Christus, ofschoon Hij Koning is over het gehele hemelen aardrijk, vele stedehouders hier op aarde heeft, koningen en prinsen, die Hij wil, dat over Zijn volk gesteld zijn." "Met burgerlijke zaken," zei ik, "is het geheel anders gesteld dan met geestelijke zaken; want in burgerlijke en menselijke handelingen, wil Hij koningen en prinsen hebben, die daar de overhand hebben moeten, om eendracht onder de mensen te bewaren, maar in de gemeenten en in het rijk van Christus, dat geestelijk is, daar is zulke heerschappij en bestuur niet nodig". Toen bracht hij andere vergelijkingen bij, die ik, omdat zij dwaas en bespottelijk waren, wil voorbij gaan.

Toen nu de andere geschoren kruinen zagen, dat deze grote leraar in dit twistgesprek door mij was overwonnen, schreeuwden soms verscheidene tegelijk tegen mij, om mij door hun misbaar te overbluffen. Onder deze was een minderbroeder, dokter Decombis genaamd, die mij aldus op het lijf viel: "Gij zegt," zei hij, "dat St. Pieter het hoofd der kerk niet geweest is." Dit is waar, zei ik. "Dat zal ik u anders bewijzen," zei hij. "Onze Heere zei tot Petrus: "Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult Cefas genaamd worden, en Cefas betekent een hoofd." "Waar haalt gij toch, zei ik, deze betekenis vandaan? Johannes legt dit in het eerste hoofdstuk van zijn Evangelie geheel anders uit, en schrijft aldus: "Gij zult Cefas genaamd worden", hetwelk betekent Petrus." Toen nam Vilard, de rechter, een nieuw Testament in zijn hand, om te zien of de betekenis was zoals ik gezegd had, wat hij ook alzo bevond. Aldus sloeg de monnik met grote schaamte zijn ogen neer en zweeg.

Vervolgens vatte de Jakobijner of Predikmonnik zijn afgebroken twistgesprek weer op, en wel op deze wijze: "Gij zegt," zei hij, “in uw belijdenis, dat de mens geen vrije wil heeft, en ik zal u dat anders bewijzen. In het Evangelie staat geschreven, dat er een mens ging van Jeruzalem naar Jericho, en onder de moordenaars viel, door wie hij beroofd en gewond werd, en half dood achtergelaten. Thomas Aquinas past deze gelijkenis toe op de vrije wil, waarvan hij zegt, dat deze enigszins gekrenkt is, maar niet geheel bedorven en vernietigd, alsof de mens geen kracht meer bezitten zou." "Deze uitlegging stem ik niet toe" zei ik. "Wat!" zei hij, "bent gij dan geleerder dan Thomas? Ik antwoordde: "Zoveel vermeet ik mij niet, om mij zelf geleerder te achten; maar ik ontken dat men deze gelijkenis alzo behoort uit te leggen. Ik beweer, dat onze Heere Christus met dat voorbeeld de liefde voor ogen wilde stellen, die wij voor onze naasten moeten hebben en hun bewijzen. Maar in de vrije wil of de verkiezing, hebben wij al onze kracht en macht verloren, zoals ik in mijn belijdenis bewezen heb; want wij zijn geheel dood, en niet in een deelalleen, zoals ook Paulus zegt; wanneer wij nu iets goeds doen, dan moeten wij dat aan onszelf niet toeschrijven, maar aan God, Die in ons werkt door Zijn Geest; die ook, zoals dezelfde Apostel betuigt. in ons werkt, dat wij het willen, en dat wij het volbrengen. Wanneer het nu God is, Die zulk een wil en kracht in ons werkt en volbrengt, zo behoren wij dit, zonder het minste recht, onszelf niet in enig opzicht toe te schrijven.

"Gij zegt," zei hij, "in uw belijdenis, dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd worden." Ja," zei ik. "Maar ik zal bewijzen," zei hij, "dat wij door de werken gerechtvaardigd worden. Wij verdienen door de werken, en worden dan ook daardoor gerechtvaardigd. Ik ontken uw eerste gezegde," hernam hij. "Paulus zegt in het laatste hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën: " Vergeet geen weldadigheid en mededeelzaamheid, want met zulk een offer wordt God behaagd." "Hoort gij wel," zei hij, "behaagd betekent daar verdiend; zo verdienen wij dan door onze werken." "Ik ontken", zei ik, "dat men daar, als men de juiste vertaling wil volgen, aldus leest. De hoge geestelijke monniken zeiden: "Zeg gij ons dan, hoe men deze plaats behoort te lezen." "Willen wij," zei ik",de eigenlijke bedoeling en de zin van de Apostel volgen, dan moet men dus lezen: “In zulk een offerande heeft God een welbehagen," of "zulk een offer is Gode behaaglijk en aangenaam." Toen keek Vilard, de rechter van de Minderbroeders, het Nieuwe Testament in, en bevond, dat het was, zoals ik zei. Deze valse profetenwaren toen derwijze beschaamd, dat zij niet meer spreken konden, ofschoon zij anders onbeschaamd en vermetel genoeg zijn.

Naar waarheid kan ik u betuigen, broeders, dat ik, toen ik met deze twijfelende mensen redetwistte, zo vrij en moedig was, dat ik op alles wat mij voorgelegd werd, altijd een zachtmoedig en liefderijk antwoord gaf. Doch zij waren geheel verslagen en verbaasd. Sommigen lieten het hoofd hangen; anderen knarsten op de tanden, zoals ik gemakkelijk kon bemerken; vooral waren de grauwe monniken in dit twistgesprek zeer beschaamd, wat hun van harte leed deed.

Men vroeg mij, hoe ik over de biecht dacht. Ik antwoordde daarop, dat men aan God alleen behoorde te biechten. Ik beweerde verder, dat de plaatsen, die hij aanhaalde om de oorbiecht te bewijzen, zoals van de Apostel Jakobus, daarvan niet waren te verstaan, en deze dit niet betekenden, maar veel meer van de broederlijke vereniging. Aldus zwegen die arme mensen.

Toen zei de hoge geestelijke: "Ik zie wel, mijn vriend, wat deze tot uw vermaning bijbrengen; maar gij blijft steeds hardnekkig aan uw dwaling vasthouden; daarom, denk eens na hoe uw zaken nu staan." "Gij bemerkt toch wel," zei ik, dat hun tegenspraak, redenen en bewijzen, die zij bijbrengen; mij in geen dele bestraffen of overwinnen konden, in hetgeen ik beleden en erkend heb; evenmin konden zij wederleggen wat ik uit Gods Woord voortgebracht heb. Ik ben dus niet hardnekkig en verkeer in geen dwaling. Ik breng ook niets voor dan het zuivere Woord van God, dat ik ook bereid ben tot de laatste adem mijns levens te beschermen.

Hij beval vervolgens, dat men mij weer naar mijn gevangenis zou leiden, waar ik vertoefde tot de volgende Dinsdag; zijnde de 10de Mei, terwijl ik de Heere bad, mij met de kracht Zijns Geestes te willen versterken tot bescherming van Zijn zaak.

Aangezien men mij in het laatste twistgesprek niet aangevallen had over het sacrament des avondmaals bereidde ik mij om te verantwoorden, wat ik in mijn belijdenis daarvan geschreven had; waarin de allergenadigste God mijn hoop en begeerte heeft vervuld.

Op Dinsdag de 10e Mei, omtrent zeven uur, riep mij de gevangenbewaarder, teneinde wij te brengen naar de hogen geestelijke, waar zich ook bevonden de hoge geestelijke de la Primace, een vijand van Jezus Christus, de heer de Clepi, procureur en hoge geestelijke, enige andere dienaren van de antichrist, en de beschermers der goddeloze zaken en sekten, onder wie ook was een Jakobijner of Predikmonnik, die bij ons twistgesprek tegenwoordig was geweest, maar niet met mij gesproken had. Toen ik bij deze gebracht was, zei de hoge geestelijke: "Mijn vriend, wilt gij nog aan uw gevoelens en belijdenis blijven vasthouden, die gij hebt afgelegd?` "Ja," zei ik, "want die heb ik gedaan uit het Woord van God, waarvoor ik bereid ben te leven en te sterven.”

Toen zei de Predikmonnik: "Gelooft gij ook, dat het lichaam van Christus op lichamelijke wijze en tegelijk op een zekere plaats in het sacrament besloten is?" "Neen," zei ik; "want het Woord Gods leert ons, dat Hij in de hemel is, en dat Hij daar zo lang zal blijven, totdat Hij weer komen zal, om te oordelen de levenden en de doden; en het is een artikel van ons geloof, waarin wij belijden, dat Hij naar de hemel gevaren is, en zit aan de rechterhand van de almachtige God. Daarom is Christus in de hemel naai, Zijn mensheid, en moet daar zijn, totdat alle dingen hersteld worden, zoals Petrus zegt. Aldus behoort men hem in het sacrament niet te zoeken als in een plaats hier op aarde besloten."

"Toen Jezus Christus," zei hij, "het brood nam, heeft Hij gezegd: "Dat is mijn lichaam," zo is zijn lichaam dan het brood." "Dat is zo niet," zei ik, "want Christus wilde niet zeggen, dat het brood, dat hij zijn discipelen gaf, zijn lichaam was, maar alleen een teken daarvan. Want het woordje is wordt daar niet genomen voor een wezenlijk en natuurlijk zijn, maar het beduidt: het betekent, zoals de Schrift dikwijls spreekt, waar het teken de naam draagt van hetgeen er mee betekend of bedoeld wordt. Gelijk de Heere, in het eerste boek van Mozes de besnijdenis zijn verbond noemt; nochtans was de besnijdenis het verbond niet, maar het was een teken of zegel des verbonds, zoals het in het boek wordt genoemd, en door Paulus genoemd, wordt een zegel van Abrahams rechtvaardigheid. Ook omtrent het lam is in Exodus geschreven, dat het is het Pascha, dat is, de doorgang des Heeren; nochtans was het lam de doorgang niet, maar het had de betekenis van de zaak, die geschied was, namelijk van de heerlijke verlossing, waardoor God Zijn volk uit Egypte leidde. Zo wordt dan het woordje is in deze twee plaatsen voor het betekenende genomen, wat plaats heeft, vooral als men van sacramenten spreekt."

Toen zei de monnik: "Er is een groot onderscheid tussen de sacramenten des Ouden en des Nieuwe Testaments; want de sacramenten des Ouden Testaments gaven geen genade, zoals die doen, welke in het Nieuwe ingesteld zijn." Daarop zei ik, dat de sacramenten van het Nieuwe noch die van het Oude Testament genade geven, maar alleen bewijzen, dat ons de genade van Jezus Christus gegeven wordt. Want de dienaar deelt ons alleen de sacramenten uit; maar Jezus Christus geeft ons de genade door de kracht Zijns Geestes, en Hij maakt ons de dingen deelachtig, die ons beloofd worden, en die zijn in de sacramenten beduid en verzegeld. "Zijn dan," zei hij, "de vaderen van het Oude Testament dezelfde beloften en dezelfde genade deelachtig geweest, die thans ons deelachtig worden?" "Ja zeker," zei ik; "want Paulus schrijft aan de Corinthiërs, dat de vaderen des Ouden Testaments met ons dezelfde geestelijke spijs gegeten en dezelfde geestelijken drank gedronken hebben, waaruit volgt, dat zij dezelfde genade en dezelfde beloften der rechtvaardigheid en des levens met ons gemeen gehad hebben door het geloof, waardoor zij Christus, Die hun beloofd en door zinnelijke tekenen voorgebeeld was, verwachtten. "Jezus Christus," zei de monnik, "spreekt in het Evangelie van Johannes aldus: "Uw vaders hebben het manna gegeten in de woestijn, en zijn gestorven;" zo zijn zij dan dezelfde genade met ons niet deelachtig geweest." Ik antwoordde: "Jezus Christus spreekt van hen, die het manna, door het geloof, niet ontvangen hebben, hetwelk een teken was van het levende brood, dat Hij van de hemel gaf; maar Hij spreekt niet van hen, die deze spijs door het geloof ontvingen, zoals Mozes, Aäron, Josua, Kaleb en andere godvrezende lieden gedaan hebben, die onder zulke beelden en schaduwen des Ouden Testaments de toekomstige Christus als van ver aanschouwden. Want van Abraham, zegt de Heere in het Evangelie van Johannes, dat hij zijn dag gezien heeft en verblijd is geweest; en Abraham heeft Jezus Christus gezien, niet met lichamelijke ogen, maar met de ogen van het geloof." Toen was mijn heer de doctor zeer ontzet en zo beteuterd, dat hij in het geheel niet wist, wat hij deed, of waar hij zich wenden zou. En zo menigmalen ik zijn betoog had wederlegd, zocht hij altijd uitvluchten, om de schijn van zich te werpen overwonnen te zijn. Dikwerf sprak hij mij met deze woorden aan: "Luister, mijn vriend, en maak u niet zo driftig, of schreeuw zo niet, wacht wat, wacht. Ik zal bewijzen," zei hij, "dat de mensen van het Oude Testament dezelfde genade met ons niet deelachtig zijn geweest; want Paulus zegt: De wet wekt toorn; en op een andere plaats; "die onder de wet zijn, zijn onder de vloek." Zijn zij dan onder de toorn en de vloek, dan volgt er wel uit, dat zij dezelfde genade, die wij hebben, niet deelachtig zijn geweest." "Paulus", zei ik, "bewijst in deze plaatsen, dat de wet ons niet kan rechtvaardigen, omdat niemand haar kan volbrengen; en dat allen, die daardoor rechtvaardig voor God willen zijn, vallen in de vloek en toorn Gods; maar dat men tot Christus moet vlieden, die haar in alles volbracht heeft, en dat door het geloof in Hem, ons de rechtvaardigheid gegeven wordt, die voor God bestaan kan, en voldoende is in het gericht van God. Zo werkt dan de wet toorn, en veroordeelt ons allen, niet uit haar natuur, die tot het leven en de zaligheid gegeven is, maar door onze schuld, omdat wij haar niet konden volbrengen. Wij zien ook, dat de vaders des Ouden Testaments de rechtvaardigheid niet in de wet gezocht hebben, maar in Christus Jezus, Die het einde der wet is, in Wie zij geloofd hebben." Toen zei de monnik: "Paulus toont, dat in het Oude Testament niet anders heerste dan toorn en bedreiging; maar ons wordt in het Nieuwe genade en barmhartigheid voorgesteld als hij zegt: “Ik ellendig mens, wie zal mij eerlossen van hel lichaam des doods? de genade Gods door Jezus Christus." "Paulus", zei ik, "spreekt in die plaatsen niet van het Oude en van het Nieuwe Testament, maar, van de strijd des vleses en des geestes, waarin de mens verkeert, die door de Geest wedergeboren is. Deze strijd, waarin het vlees de geest bevecht, toont de Apostel in zichzelf. Daarenboven, in de boeken, die goed uit de Griekse taal overgezet zijn, leest men niet: "De genade Gods;" maar: “Ik dank God door Jezus Christus."

Terwijl ik dus met deze monnik redetwistte, werd de hoge geestelijke de la Premace dol van woede, en hij noemde mij bij herhaling met groot geschreeuw en misbaar een ketter. Toen hij zag, dat de mond van mijnheer de doctor gesloten was, en hij niets kon antwoorden, schreeuwde hij tegen mij: "Gij boze ketter, loochent gij het heilige sacrament?" "Geenszins," zei ik, "maar ik geloof het en belijd het, zoals het door Christus ingesteld, en door Zijn Apostelen uitgedeeld is". "Gij loochent," zei hij, "dat het lichaam van Jezus Christus in het sacrament is. en noemt het sacrament brood." "De Schrift" zei ik, "vermaant ons, dat wij Christus' lichaam in de hemel moeten zoeken. En in de brief aan de Colossensen, in het 3de hoofdstuk, zegt Paulus: "Indien gij dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt gij dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter[hand] Gods." Wanneer ik zeg, dat het sacrament het lichaam van Christus niet is, maar brood, dat zijn eigen natuur behoudt, dat doet ook Paulus in de eerste brief aan de Corinthiërs in het 11e hoofdstuk, want vier of vijf malen noemt hij het sacrament brood. Toen zei de monnik: Jezus Christus noemt Zichzelf het brood des levens." De hoge geestelijke de la Premace zei: "Gij boze ketter, Jezus Christus zegt, dat Hij een wijngaard is en de deur, daar Hij immers figuurlijk en bij wijze van gelijkenis spreekt; maar de woorden van het sacrament zijn zo niet te verstaan." "Deze getuigenissen," zei ik "die gij bijbrengt, helpen mij meer dan u."

"Welaan, gij booswicht," zei de hoge geestelijke, wilt gij zeggen, dat het brood van het avondmaal en wat wij dagelijks als gewoon voedsel gebruiken, één zaak is?" Ik antwoordde: “In de natuur of in de hoedanigheid is er geen onderscheid, maar wel in het gebruik en in de handeling; want het brood van het avondmaal, hoewel het van één zelfstandigheid is met dat wat wij dagelijks eten, zo is dit nochtans anders in het gebruik, wanneer het als een sacrament uitgedeeld wordt, en tot bezegeling der belofte van het geestelijke en enige leven wordt gegeven."

Toen zei hij in grote woede: "Ga heen, gij boze ketter; gij zult met vuur verbrand worden, en naar de duivel varen." "Zal ik," hernam ik, "om de bescherming van het goddelijke Woord verbrand worden, dan zal ik daarom niet naar de duivel varen. Gij oordeelt nu, en stelt alle dingen naar uw wil en mening; maar, zie wet toe,wat gij doet; want er is een opperste Rechter, die onze zaak naar recht en zonder aanzien van personen zal oordelen. Hij zal de onschuldigen rechtvaardig oordelen, omdat zij Zijn zaak en Zijn waarheid hebben voorgestaan, maar de kwaden en bozen, die nu Zijn Woord goddeloos vervolgen, die zal Hij verdoemen. Toen begon hij te schreeuwen, alsof hij dol en razend was: "Weg met de booswicht, werpt hem in de gevangenis". Maar ik zei tot de hogen geestelijke Ruathier: "Met uw verlof, ik bid u heer, dat ik mijn belijdenis geheel mag afschrijven." Doch hij, de monnik en de andere hoge geestelijke bevalen, dat ik naar mijn plaats moest terugkeren. Zo verliet ik hen met groten weemoed en droefheid, die ik vooral gevoelde, omdat ik mijn geloof niet genoeg bewijzen en verklaren mocht.

Toen ik op mijn plaats was teruggekomen, begon ik God aan te roepen, en de overwinning te bedenken, die ik op deze goddeloze lieden, de dienaren van de antichrist, had behaald, en die ik met Gods Woord geheel verslagen had. De Heilige Geest bracht mij te binnen, wat Christus hun beloofd heeft, die, om Zijn zaak te beschermen, voor Zijn vijanden moesten verschijnen: Gij zult voor stadhouders en koningen gesteld worden om Mijnentwil, hun tot een getuigenis. Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u verzetten" O grote vertroosting en blijdschap, die ik, mijn allerliefste broeders, ontvangen heb, als ik bedenk, dat deze belofte van Christus in mij volbracht is, en dat het Woord van God de overhand gekregen had tegen de satan, de antichrist en zijn dienaars.

Wel heb ik vroeger grote vertroosting van de Geest Gods ontvangen, nadat de Heere mij tot de kennis geroepen heeft, en vooral toen ik in de kerk van God en in de heilige gemeente en vergadering der gelovigen woonde, maar de minste vertroosting en blijdschap, die ik in deze mijn banden heb ontvangen, gaat alle vreugde en blijdschap te boven, die ik ooit in mijn leven gesmaakt heb; want nu brengt mij de Heilige Geest de liefelijke beloften te binnen, welke hun zijn gegeven, die om Zijn naam lijden. Ja, Hij verheugt mij met de smaak der hemelse blijdschap. "Gij bent gelukkig en zalig," zegt hij, "in deze duistere en onreine plaats, hoewel gij door de gehele wereld als ellendig en onzalig verworpen en als een gruwel geacht wordt, nergens anders om, dan omdat gij Mijn naam belijdt. Gij bent nu in benauwdheid, verzuchting en verdriet: maar het is tijd, dat gij moed schept, en in God, Die u zulk een heerlijke roeping beschikt heeft, u verblijdt, en een gelukkigen uitslag van deze strijd en een heerlijk loon der overwinning verwacht en u voor ogen stelt. Wordt gij ook al in deze tijd met grote schande en oneer tot lijden gebracht, zo bent gij toch een zalig mens, die voor God en zijn engelen, alle koningen en keizers dezer wereld in eer en heerlijkheid te boven gaat. Want immers wordt gij alzo het beeld van de Zoon Gods gelijkvormig, zodat gij Zijn onsterfelijkheid en heerlijkheid deelachtig wordt. Daarenboven heerst in u de Geest der heerlijkheid op krachtige wijze, hetwelk zo dierbaar is, dat al de vreugde en blijdschap, hij Zijn vertroosting en vreugde vergeleken, als stof verdwijnen. In één woord, gij bent nu in de school en in het tuchthuis van Gods Zoon, waar de hemelse Vader alle rijkdommen en schatten der genade, die wonderbare geheimen van Zijn wijsheid en Zijn diep verborgen oordelen uitlegt en leert, in welke school alle Profeten, Apostelen en martelaren geweest zijn, en, de een meer de ander minder, verdriet en schande ondergaan hebben, en als met vuur in een oven beproefd en onderzocht zijn, voor zij de kroon der onsterfelijkheid ontvingen, welke hun bereid is, die de zaak van Christus en Zijn eer tot de dood voorstaan en beschermen." Dit is de les, mijn allerliefste broeders, waarmee ons de Heilige Geest, de allerbeste Leraar der kinderen Gods, en de allervriendelijkste Vertrooster van hen, die in benauwdheid zijn, dagelijks in deze onze ellende vertroost en vermaant.

De volgende dag, zijnde een Woensdag de lijden der genoemde maand, werd ik naar een ander verblijf van de gevangenis gebracht, dat zo duister niet was, en waar ook een andere broeder en medegevangene om de Evangelische waarheid zat, met wien ik mij gedurende twee dagen vertroost heb. In deze plaats werd ik door de wonderbare voorzienigheid Gods gebracht; want, als ik daar met deze broeder was, werden wij opgewekt ons op een hogere rechtbank te beroepen, en wel wegens de onrechtvaardigheid van het vonnis, waarin wij als ketters verklaard waren. Dit zou ons en de anderen broeder, die in de benedengevangenis zat, nooit in de zin gekomen zijn, wanneer men ons die raad niet gegeven had. Daarom, toen ik des avonds weer in mijn oude gevangenis gebracht was, heb ik het de broeder, die beneden mij zat, door een geheime plaats medegedeeld.

Des anderen daags, op Vrijdag de 13den der maand, riep mij de gevangenbewaarder, om bij de hogen geestelijke te komen, bij wie niemand anders zich bevond dan de portier en nog iemand anders, die mij vroeg, of ik ook vroeger wel eens in de stad Charitas geweest was. Ik antwoordde daarop: "Geenszins, en ik weet ook niet vaar de stad ligt." "Bent gij dan," zei hij, "niet geweest bij hen, die Richard verlosten, toen hij gevankelijk gebracht werd naar het Parlement te Parijs?” "Neen mijnheer," antwoordde ik, "ik heb Richard gezien noch gekend voor hij de andere dag door Saone reisde,en daar gezegd werd, dat hij het was. En wees verzekerd mijnheer, op de eed, die ik u gedaan heb, dat ik daar niet geweest ben, en dat ik ook niet wilde, dat ik daar geweest was, daar ik deze daad in genen dele prijs, want dit is het middel niet, waardoor men Gods Woord moet beschermen, of hen, die dat voorstaan." "Wilt gij dan," zei hij, "aan uw dwaling en opgevatte gevoelens vasthouden?" "Wat ik behoud," zei ik, "en voorsta, is anders niet dan het Woord Gods, waar ik niets tegen inbreng." "Hoe weet gij," zei hij, "dat wat gij belijdt, het zuivere Woord van God is? "Omdat het," zei ik, met de leer der Profeten en Apostelen van Jezus Christus zelf overeenkomt. De Heilige Geest geeft mij daarvan getuigenis, zodat ik er van verzekerd ben. En gij hebt ook, mijnheer, zelf gezien en opgemerkt, dat mijn tegenstanders geen redenen konden bijbrengen, noch mij overtuigen, dat, wat ik zeg, niet waar is. Want gij hebt wel gezien, dat hij overwonnen was, die met mij over het sacrament en sommige andere dingen redetwistte.""Gij loochent," zei hij, “het heilige sacrament." "Geenszins," zei ik, "maar ik vat dit op, zoals het door de Heere Christus is ingesteld, en gelijk het Augustinus uitlegt."

Toen ik zag, dat de hoge geestelijke een ander kleed aangedaan had dan hij placht te gebruiken, en omdat hij dit mij vroeger ook gezegd had, meende ik, dat hij nu het vonnis zou uitspreken, door mij als ketter te verklaren, en dat het weldra met ons gedaan zou zijn. Ik zei tot hem: “Toen wij door Lyon wilden reizen, werden wij gevangen genomen zonder enige reden, daar wij tegen de geboden des konings niets gezegd of gedaan hadden. Gij hebt ons aangaande ons geloof ondervraagd, en wet hoe wij over de godsdienst dachten, en wij hebben u uit het Woord van God geantwoord. Men laat aan een Turk of Jood wel toe, dat hij reden van zijn geloof en van zijn leer geve, zonder enig gevaar van het leven; waarom laat men het ons dan niet toe, die niets voorbrengen buiten het Woord van God? Wij weten voorzeker, dat wij niet onvoorziens en hij toeval in uw handen zijn gevallen, maar door de wil en de zekere voorzienigheid van de almachtige God. Door God bent gij ook tot rechters aangesteld, opdat gij over onze zaak, die goed en rechtvaardig is, zoudt oordelen. Daarom, zie toe, hoe gij oordeelt of uitspraak doet. Want, wanneer gij anders oordeelt dan recht is, en een goede zaak en de waarheid veroordeelt, zo is er een ander opperste Rechter, voor Wiens rechterstoel gij eens zult moeten verschijnen, om ook jegens uzelf het oordeel te horen, wanneer gij iets onrechtvaardigs tegen ons, die getuigen van de waarheid zijn, bewijst of aandoet.

Toen ik dit met groten ijver en kracht des Geestes uitsprak, stond die arme man daar zo verbaasd en verslagen, dat hij geen woord spreken kon. Hij was zo blijde en vrolijk van gelaat niet als vroeger, toen hij mij begon te ondervragen maar hij was bedroefd en bleek, en, als bewijs van grote ontroering, was hij zeer onrustig. Toen ik hem Gods oordeel voorhield, sprak hij in het geheel niet, en toch kon hij mij niet verlaten, zo greep de Heere hem in het hart, en gaf mij grote vrijmoedigheid om te spreken. En, toen hij later veel sprak, zei hij eindelijk in het heengaan, dat men toch het Woord van God behoorde te beschermen. Na mij dit gezegd te hebben, bracht de gevangenbewaarder mij weer in de kerker. Omtrent een kwartier daarna riep hij mij andermaal, om mij naar het rechthuis tot de hogen geestelijke en de andere rechters te brengen, waar ook een grote menigte volks vergaderd was. Daar begon de hoge geestelijke Ruathier mijn veroordeling en vonnis te lezen, door mij namelijk als een ketter en twistzoeker te veroordelen en te verdoemen. Toen zei ik, dat ik van dit vonnis mij op een hogere rechtbank beriep, omdat zij mijn zaak, die goed en recht was, veroordeelden, en daarom van deze veroordeling m ij beriep op een hogere rechtbank. Toen zei de hoge geestelijke: "Waarom beroept gij u op hogere rechtbank? Daal even sprak gij zo niet." "Ik heb," zei ik, "in mijn belijdenis tegen het misbruik en niet tegen het woord gesproken; daarom beroep ik mij van uw vonnis op hogere rechtbank, omdat uw vonnis onbillijk is." Maar na het lezen van het vonnis en ons beroep op een hogere rechtbank zijn onze tegenstanders begonnen te razen van woede. Toen de hoge geestelijke, stadhouder van de aartsbisschop van Lyon, ons veroordeeld had, ging hij bevende en schuddende naar huis, zodat hij zeer van zijn stukken en weemoedig was, als hij van ons beroep op een hogere rechtbank sprak. Omtrent anderhalf uur na zijn tehuiskomst, kwam de rechter Melier tot hem, die hem zei, dat hij door de stadhouder des konings gezonden was, om de Lutheranen, zoals hij hen noemde, naar de koninklijke gevangenis te Rouaan te brengen, en die de volgende dag te doden. De hoge geestelijke antwoordde hem, dat dit niet geschieden kon, omdat wij ons op een hogere rechtbank beroepen hadden, en hij dit niet weigeren kon. Toen brulde de ander als een leeuw, “Wilt gij dan niet, dat men deze booswichten zal straffen?" “Ja, ik wil dat wel," zei de hoge geestelijke; "maar wij moeten vooraf raad schaffen, en naar Parijs schrijven om te weten, of hun beroep recht is of niet." Aldus beschermde God ons wonderbaar door hen, die ons vroeger veroordeeld hadden, en de leeuw was ons enige tijd een herder geworden, om ons voor de muil van andere leeuwen te beschutten. Hierin heeft God Zijn krachtig en vermogend werk aan onze ogen getoond, opdat wij al ons vertrouwen op Zijn goedheid en barmhartigheid zonden stellen, en zeker weten, aangezien de allerbeste Vader zulk een liefde en zorg voor ons draagt, dat er niet zulk een groot geweld des duivels of van de wereld bestaat, dat ons zou kunnen hinderen, en dat er geen haar van ons hoofd zal verloren gaan. Zo moeten wij dan God hartelijk danken en prijzen voor zulk een verlossing, waarin hij ons wonderbaar beschermd heeft, ons leven temidden van de dood bewarende, en vele godvrezende lieden opwekkende van wie wij dagelijks grote verlichting naar het lichaam en troost der zielen ontvangen hebben. Laat ons daarom vertrouwen en hopen op de Heere, Die ons alzo heeft bijgestaan, dat ons nimmer een ding ontbreken zal, en laat ons altijd aan Zijn goedheid denken, en al ons betrouwen daarop stellen, laat ons die prijzen en heerlijk maken. Wij hebben immers tot nog toe Zijn bijzondere genade en hulp in ons gevoeld, zodat de verschrikkelijke gevaren des doods, noch de liefelijke aangenaamheid des levens, die ons door onze tegenstanders voorgehouden werden, kracht hadden om ons wankelmoedig te maken, om het geloof op God en Christus niet zuiver en standvastig te behouden en te belijden. Laat ons dan ten enenmale ons op Zijn getrouwheid en hulp verlaten, Die bevolen heeft Zijn zaak, eer en heerlijkheid te beschermen, en laat ons Hem onze naarstigheid en ijverige dienst, met alle standvastigheid, getrouwheid en gehoorzaamheid bewijzen.

 

De belijdenis van het geloof, die Bernhardus Seguinus afgelegd, en daarna aan de rechters van Lyon schriftelijk overgegeven heeft, in Mei van het jaar 1552.

 

De Heilige Geest, sprekende door de mond van de Heilige Apostel Petrus, vermaant ons, dat wij altijd bereid zullen zijn tot verantwoording aan een iegelijk, die ons rekenschap afeist van de hoop, die in ons is, met zachtmoedigheid en vrees." Hij zegt ook door de mond van Paulus: Dat men met het hart gelooft ter rechtvaardigheid, maar met de mond belijdt ter zaligheid." Aangezien het nu God behaagd heeft, dat ik in deze banden ben gesloten, niet om enige doodslag, dieverij, hoererij of andere dergelijke misdaden en schelmerij, die ik zou hebben gedaan; maar omdat ik, ondervraagd zijnde aangaande mijn geloof, sommige artikelen niet wilde toestemmen, waarover thans wordt getwist, en die niet voor waar wilde belijden, omdat zij tegen het Woord Gods en mijn geweten strijden, en terwijl ik het bevel van de Geest volgde, heb ik mij daarin beijverd. Aangezien ik nu in de tijd, toen men mij ondervroeg, niet geschikt mijn geschreven belijdenis kon overgeven, heb ik die, toen mij dit werd toegestaan, en God mij daartoe bekwaamheid gaf, opgetekend, opdat gij weten zoudt,dat het geen ijdel voornemen of hardnekkigheid is, welke ik onvoorzichtig in mijn hart opgevat en daarin bevestigd had, die mij zou belet hebben in deze artikelen van de godsdienst toe te stemmen; maar dat het is een vaste verzekering der waarheid en gewisheid van het hart, waardoor ik zeker weet, dat zulks ten enenmale tegen het Woord van God strijdt. Dit hoop ik, door Gods hulp, ordelijk in ieder stuk te bewijzen. Ik zal niet spreken over de zaken, die ik met allen, die christenen genaamd worden, gemeen heb, waarvan ik al de artikelen erken en belijd, welke daarin vervat zijn.

Wat vooreerst de vrije wil betreft, waarbij zij aan de mens toeschrijven, dat hij uit zichzelf goed en kwaad zou kunnen doen. Ik zeg, dat de mens, aangezien hij, zoals Paulus getuigt, na de val van de stamvader Adam vervloekt is, en een kind des toorns en van de dood, van nature niets anders vermag dan God vertoornen en zichzelf ven verdoemen. Want de Schrift betuigt, "dat het gedichtsel van 's mensen hart boos is van zijn jeugd aan," geneigd tot kwaad, en dat er niets goeds van kan komen; dat er onder de mensen niet een verstandig is, en naar God vraagt; dat zij allen samen goddeloos zijn geworden," en alzo van alle boosheid en ongerechtigheid vol zijn, dat alle gedachten en gevoelens der mensen voor God hatelijk zijn, dat de mens zo vol gruwelen is, dat hij de boosheid opslurpt als een vis het water, en ijdeler is dan de ijdelheid zelf.

Aangezien dit nu alles waar is, wat zou een mens uit zichzelf anders kunnen voortbrengen dan zonde, zoals een kwade boom kwade vruchten oplevert?

Daarom kan geen mens, aangezien hij zodanig is, iets goeds, zelfs niet het allerminste, uit zichzelf doen, maar, het is nodig, dat God dit in hem werkt. Dus mogen wij dan van al het goede, dat God in de mens werkt, onszelf geen eer toeschrijven. " Want wat hebt gij," zegt Paulus, "dat gij niet ontvangen hebt? En, zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen had? Zo behoren wij dan de gehele eer van al het goede, wat wij doen, alleen aan God, van Wie het komt, toe te schrijven. Het geloof is een heerlijk werk, maar het is een bijzondere gave van God." Wan niemand kan," zegt de Heere, "tot Mij komen, dan die de Vader trekt." En andermaal: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij het hem van de Vader gegeven zij." Paulus zegt openlijk, "dat wij niet bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelf, maar dat onze bekwaamheid uit God is; dat het God is, die in ons werkt het willen en het werken, naar Zijn welbehagen." Eindelijk, dat Hij het ook alleen is, Die, wat Hij in ons begonnen heeft, op de laatste dag volbrengt. Daarom is het begin, het midden en het einde onzer zaligheid aan God alleen toe te schrijven. Want van Hem is de oorsprong en de voortgang; tot Hem moet de uitgang van onze zaligheid uitlopen. Daarenboven zegt Jeremia: “Ik weet, o Heere, dat bij de mens zijn weg niet is: het is niet bij een man die wandelt, dat hij zijn gang richt." Op een andere plaats: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn." Ezechiël betuigt ook evenals David, dat het het eigen werk des Heeren is, het hart te vernieuwen, en zijn hardheid te vertederen, zijn wet te schrijven in onze harten, en die zo te veranderen, dat zij van stenen vlezen harten worden; ook in de weg zijner geboden te wandelen, en de vrees van Zijn naam alzo in onze harten te prenten, dat wij nimmermeer van Hem wijken. Wanneer wij eenmaal in God geloven, en in de heiligheid des levens volharden, dan is ons dit niet ingeboren, maar het komt van God, en wordt tot het einde door Hem bewerkt. Voor wij geloven, kunnen wij niets anders dan zondigen, zoals de Apostel zegt: "Wat uit het geloof niet is, dat is zonde." Verder: Het geloof is een gave Gods." Zo zijn dan ook de goede werken en het eeuwige leven een gave van God, want zij vloeien uit het geloof als uit de bron en de oorsprong voort. Hieruit kan men genoeg verstaan, welke krachten en vermogens er in de mens te vinden zijn van de vrije wil, daar hij toch van zichzelf niets vermag te doen dan kwaad, en niets goeds kan beginnen, tenzij God het in hem werkt. Hetzij in de wil hetzij in gedachten kan de mens niets goeds ontvangen, wanneer hij in zijn eigen natuur blijft: maar, zoals ik boven bewezen heb, God werkt in hem, wekt in hem open volmaakt al wat goed en rechtvaardig is.

Van de rechtvaardigmaking geloof ik, dat de mens alleen gerechtvaardigd wordt door het geloof, dat door de liefde werkzaam is, zodat men aan de werken geen deel der rechtvaardigheid die voor God geldt, mag toeschrijven. Want gelijk het nodig is, dat een boom goed moet zijn, voor hij goede vruchten voortbrengt, alzo moet een mens door het geloof rechtvaardig zijn, voor hij enig goed werk kan doen. De persoon moet God eerst behagen voor Hij diens werk aanziet, of voor Hem dit behagen kan, zoals duidelijk is in het voorbeeld van Abel, die God eerst aanzag, voor Hij diens gaven aanzag. Zo is het dan het geloof alleen, dat ons voor God rechtvaardig maakt, en niet de werken, zoals Paulus in al zijn brieven bewijst, en vooral in die aan de Romeinen en Galaten, waarin hij al de eer van mensen uitsluit, en in de rechtvaardigmaking geeft hij alleen de prijs en eer aan de genade en de barmhartigheid van God. "Want is de rechtvaardigheid." zegt hij, "uit de wet, zo is Christus tevergeefs gestorven. Zij hebben allen gezondigd, en worden nu zonder de wet om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is, Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in zijn bloed. Maar deze rechtvaardigheid wordt ons geschonken als wij die uit het Evangelie, waar zij ons geopenbaard en voorgesteld wordt, door het geloof aangrijpen, en de vergeving der zonden wordt de gelovigen in de Zoon van God gegeven, want deze rechtvaardigheid is gelegen in de vergeving der zonden, die om niet geschiedt, als ons de zonden niet toegerekend worden, of niet in de tegenwoordigheid Gods worden gebracht, maar bedekt door Zijn barmhartigheid, zoals David de mens zalig roemt, "wien de overtreding vergeven, en de zonde bedekt is." Zo behoren wij dan, wanneer wij behouden en zalig willen worden, alle eigengerechtigheid der werken, en het vertrouwen daarop, ten enenmale te verwerpen, en alleen te steunen en te betrouwen op de rechtvaardigheid des geloofs, opdat wij genade bij God verkrijgen. Dit willen wij alleen in ootmoed op prijs stellen, en al de hoop en het betrouwen van onze zaligheid alleen gevestigd en gegrond houden op de barmhartigheid van God. Wij mogen de Farizeeër niet navolgen, maar de tollenaar, opdat wij, arm aan eigen gerechtigheid, ootmoedig de toevlucht nemen tot Zijn genade en barmhartigheid, die rijk is in barmhartigheid. Laat ons het voorbeeld der Joden niet navolgen, die, toen zij hun eigen rechtvaardigheid poogden op te richten, aan de rechtvaardigheid van God niet onderworpen waren."

Omtrent de doop geloof ik, dat hij ons tot een inlijving is in de gemeente, gelijk de Joden de besnijdenis was; dat de macht, om die te bedienen,de Apostelen gegeven is, toen ei, geboden werd, dat zij zouden heengaan, leren en dopen in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes. Die nu aan het water, dat God tot het sacrament ingesteld heeft, iets anders toevoegen, zoals speeksel, zout en andere dergelijke nietigheden, menen dat Johannes de Doper en ook Christus Jezus zelf, niet wijs genoeg waren om die in te stellen, want van zout of van gewijd water vindt men in het Nieuwe Testament nergens gesproken, maar wel dat Johannes de Doper in de rivier de Jordaan doopte, en dat Filippus de kamerling van de koningin van Ethiopië, in het eerste water, wat hij vond, heeft gedoopt. Daar dit nu slechts zuiver water was, en een goed voortbrengsel van God, en tot zulk een goddelijk gebruik geheiligd, waartoe was het dan nodig, andere dingen daarbij te voegen, die alleen ten onnutte en bederf daarbij gevoegd zijn?

Ook de mening, dat de kinderen, die voor de doop sterven, verdoemd zouden zijn, of van Gods aangezicht verworpen, hetwelk een zware veroordeling is, acht ik vals en goddeloos, want aldus wordt de macht van God beperkt, alsof Hij op geen andere wijze kan zalig maken, dan Hij ingesteld heeft, en alsof de zaligheid aan de tekenen en vergankelijke stoffen verbonden ware, daar men toch veel meer de belangrijke beloften behoort aan te merken, waar God eerst aan Abraham en diens zaad, daarna ook allen gelovigen, die Abrahams nakomelingen zijn, belooft hun God te zijn. Daarom zegt Paulus, dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, ook als zij zich nog in het lichaam der moeder bevinden, want Jeremia en Johannes de Doper, van wie wij niet lezen, dat zij gedoopt zijn, zijn nochtans van zulk een heiliging niet verstoken geweest. Hoewel dan God dit sacrament heeft ingesteld, om langs deze weg de kinderen in zijn gemeente op te nemen, en alzo tot de zaligheid te brengen,is het nochtans niet zulk een noodzakelijke wet, alsof God hen niet zou kunnen of willen zalig maken, wie Hij de weldaad van dit licht en het leven niet zo lang gegeven heeft, om het sacrament van de doop te kunnen ontvangen en gebruiken.

Het avondmaal is een sacrament door de Heere in Zijn gemeente ingesteld, waarin Hij jegens ons, die Zijn huisgezin zijn, het ambt en de betrekking van een goed huisvader aanneemt, voedende niet alleen onze lichamen, maar ook onze zielen met Zijn vlees en bloed, waarin de gezonde spijs van onze zielen gelegen is. Daarmee worden wij dan waarachtig gevoed, als wij de ogen onzes harten naar de hemel opslaan, om alzo Christus Jezus te aanschouwen, Die aan de rechterhand Gods des Vaders zit, en als wij de weldaad van onze verlossing bedenken waarin Hij Zich tot een offerande voor onze zonden opgeofferd heeft. Zo zijn wij dan zo zeker het vlees en het bloed van onze Heere deelachtig, als wij door het geloof het brood en de wijn, als gedenkteken en zinnebeelden van het geestelijke voedsel, wat de ziel aangaat, gebruiken en ontvangen, en geloven dat de Heere Christus, Die voor ons gekruisigd en gestorven is, niet minder gegeven en meegedeeld wordt, dan het brood door de dienaar de gelovigen wordt uitgereikt. Daarom verwerp ik ten enenmale de verandering of transsubstantiatie zoals deze instelling des Heeren geheel vals en door de satan en bedrieglijke geesten uitgevonden, en tot grote schade en verderf in de christelijke gemeente is ingevoerd. Want het brood kan geenszins het lichaam van Christus Jezus zijn, dat, zoals wij in onze artikelen van het geloof belijden, en door de Heilige Geest in de Heilige Schrift onderwezen worden, na de opstanding in de hemel is ontvangen, en met grote eer geplaatst aan de rechterhand van God de Vader, Hij is ook niet meer met het lichaam op de aarde, en zal ook niet eerder wederkomen, dan om de levenden en de doden ten oordeel te roepen. Zo kan ook de natuur van het lichaam, noch de tekenen en de sacramenten zodanige verandering, of lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het brood, ondergaan, want een waarachtig lichaam kan op een tijd niet meer dan aan een plaats zijn. Maar het lichaam van Christus; al is het met heerlijkheid en onsterfelijkheid bekleed, en de zwakheid des vleses niet meer onderworpen, die Hij om onzentwil had aangenomen, behoudt nochtans de natuur van het lichaam, zodat het naar zijn uitgebreidheid een zekere plaats beslaat, en niet op dezelfde tijd hier en daar op verscheidene plaatsen verspreid is.

Daarenboven, aangezien het lichaam van Christus verheerlijkt is en geheel onverderfelijk, en het brood langzamerhand bederft, welke verandering of herschepping kan er dan geschied zijn? Verder, de aard van een teken getuigt, dat er nog iets anders moet bestaan, waardoor het een teken is, namelijk, dat dit zichtbaar en tastbaar is, maar dat het voorwerp van nature en hoedanigheid geheel anders is en onderscheiden, hoewel het in enig opzicht gelijk is aan het teken. Daarom, gelijk het water in de doop in het bloed van Christus, waarmee wij gewassen worden, niet veranderd wordt, zo kan ook het brood in het avondmaal in het vlees van Christus niet veranderd worden aangezien van beide sacramenten enerlei reden is, en de aard der tekenen en zinnebeelden meebrengt, dat zij in het wezen onderscheiden moeten zijn van die dingen, welke zij uitdrukken en betekenen. Geenszins kan ik ook prijzen de goddeloze gewoonte en lasterlijke vermetelheid, waardoor zij het avondmaal des Heeren verminkt hebben, en het een deel aan de leken ontnomen en geroofd. Want het strijdt met de instelling des Heeren, Die gewild heeft, dat zij allen uit een beker zouden drinken, en het strijdt ook met de getuigenis van Paulus, die zegt, dat hij aan de Corinthiërs geleerd had het avondmaal te vieren, zoals hij het van de Heere ontvangen had. De Heere toch, toen Hij beide tekenen instelde, wilde daarmee Zijn onverdeelde en gehele gemeenschap tonen. Daarom is het niet nodig, om het lichaam en het bloed van Christus deelachtig te worden, dat deze in de stoffen besloten zijn. Want, ofschoon het lichaam van Christus in de hemel is, nochtans zijn wij, door het geloof, dat alle onderscheiden zaken in zich bevat en begrijpt, en wel door de kracht des Geestes, Die zulke dingen bijeenvoegt, dit alles deelachtig. Zo zijn dan de woorden: “dit is mijn lichaam" figuurlijk te verstaan, evenals het lam het Pascha of de doorgang des Heeren genoemd wordt, en de steen Christus, daar zij alleen tekenen waren der vorige dingen, waaraan zij herinnerden, of van de toekomende dingen, die zij op heerlijk zinnebeeldige wijze beduidden en voorbeeldden.

Aangaande de mis, die zij beweren, dat door Christus is ingesteld, en een offerande is voor levenden en doden, betuig ik, dat zij vals is en geheel strijdt met Woord van God. Want de verordening van Jezus Christus vermaant ons geheel anders, welke beveelt te eten en te drinken, en niet, dat wij Hem Gode tot een offerande moeten opofferen. Daarenboven komt het ambt om te offeren geen sterfelijk mens toe, maar eigenlijk en alleen Christus, hetwelk Hij ook gedaan heeft, zoals de Apostel zegt, Hebr. hoofdstuk 9: "Hij heeft Zichzelf eens opgeofferd, en met deze offérande heeft Hij de zijnen in eeuwigheid geheiligd." Nu deze offerande volbracht is, is er geen andere, offerande meer nodig. Want daarom is Hij tot een priester gesteld, naar de ordening van Melchizedek, opdat Hij in Zijn ambt en ere geen medegenoot en navolger hebben zou. Zo wordt dan Christus van Zijn eer des eeuwige priesterschaps beroofd, wanneer het recht van offerande te doen anderen bevolen wordt, wie dit offeren toegelaten wordt te herhalen, te vernieuwen, te bevestigen en andere lieden op te dragen. In een woord: "Niemand behoort," zoals de Apostel zegt, Hebr. h. 5, "die eer zich toe te eigen, tenzij hij daartoe van God geroepen wordt”, maar wij lezen niet, dat er iemand anders tot zulk een eer geroepen is dan Christus Jezus. Daarenboven, aangezien de beloften, die in deze woorden begrepen zijn: "Dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt," alleen betrekking hebben op hen, die het sacrament ontvangen, zo kan het nut en de kracht de doden niet ten goede komen, die in deze gemeenschap niet begrepen zijn. Daarom bestaat ook de vrucht der missen, die zij willen, dat de doden zou toekomen, in het ijdel en opgeraapt vagevuur, tegen het zuivere Woord van God voortgebracht, hetwelk ons leert, dat er geen andere reiniging is dan het bloed van Jezus Christus.

Zie hier, wat ik geloof en omhels aangaande de artikelen van het geloof en van de godsdienst, waar hedendaags zo over wordt getwist. Hierin zult gij gemakkelijk zien, dat het geen eigen mening is, wat ik betuig, maar dat ik het naar de genade, die God mij gegeven heeft, alles met Zijn heilig Woord betuig en bevestig. Wilt gij nu die verachten en verwerpen, en voortgaan om mij als een ketter te veroordelen, zoals gij reeds vroeger gedaan hebt, ziet dan toe, hoe gevaarlijk het is aldus tegen hem te handelen, die u het zuivere Woord van God voor ogen stelt. Maar ik beveel de gehele zaak de almachtige God aan, Die er mij toegeroepen heeft, en beveel die in Zijn handen, Hem biddende, dat Hij mij geduld en standvastigheid geve, opdat ik niet alleen met een goed gemoed, maar ook gewillig verdraag, wat Hij mij om Zijns naams wil zal willen opleggen. Hem zij de eer en heerlijkheid in eeuwigheid, amen.

 

De belijdenis van het geloof, die Petrus Naviherus voor de rechters te Lyon afgelegd en daarna schriftelijk overgegeven heeft, in mei van het jaar 1552.

 

Aangezien alle christenen bereid moeten zijn rekenschap te geven van de hoop, die zij hebben, aan ieder die daarnaar vraagt, met alle bescheidenheid, zachtmoedigheid en eerbied, zo heb ik, mijn heren, daar ik wegens mijn geloof ben ondervraagd, gedacht, dat het mij befaamde op uw vragen te antwoorden. En, daar ik gevoel, dat ik in de Heilige Schrift niet zo ervaren ben, om dit te kunnen doen, zoals de belangrijkheid en waardigheid der zaak wel zou vereisen, begeer ik en bid u, het mij ten goede te houden, wanneer ik u in alles niet geheel voldoe. Nochtans meen ik, dat ik niets leren zal dan wat met Gods Woord overeenkomt, zoals alle gelovige lieden dit wel verstaan zullen, en gij ook zult kunnen erkennen. Vooreerst geloof ik in een onsterfelijke, onzienlijke God, drie onderscheiden personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, Die van een en gelijke hoedanigheid en wezen zijn. Tot die kennis van God kan de mens van nature niet komen, omdat hij in goddelijke zaken blind is, en er niet over kan oordelen, zoals Paulus zegt: "De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want ze zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden." Want de eerste mens, toen hij zich van God gekeerd en vervreemd had, is derwijze tot de slavernij der zonden vervallen, dat hij daaronder verkocht en als een slaaf gehouden wordt. Opdat hij nochtans geen verontschuldiging zou kunnen voorwenden, is in zijn hart de getuigenis gelaten, waardoor hij weten kan, dat er een God is. Maar zover is hij ervan verwijderd, om tot de rechte kennis van God, die er is door Christus Jezus, te kunnen komen, dat Hij hem alleen erkent als een rechtvaardig Rechter over hen, die Hem hebben vertoornd. Zo zeg ik, dat de mens een algemene wetenschap en verstand bezit, en wel in zijn hart van nature, opdat hij niet onschuldig zou zijn. Maar de kennis, die wij hebben door Christus Jezus, door Wie wij Hem een Vader mogen noemen, kan de mens in geen dele bezitten. Om hem te kennen, is het nodig, dat Hij ons de ogen opent, en ons hart alzo verandert, dat het van een stenen een vlezen hart worde, en daarin Zijn Woord prent. Maar al dit goed komt alleen van God en niet van de mens, zoals Augustinus betuigt: "Want naardien," zegt hij, "de mens door de zonde zichzelf van God gekeerd heeft, zo is het alleen de genade Gods, die hem bekeren en terugbrengen kan, en alzo in de gehoorzaamheid en de liefde van Zijn naam behouden."

Daarenboven geloof ik, dat de mens niet gerechtvaardigd kan worden dan alleen door het geloof, hetwelk een gave Gods is, zonder hetwelk alles zonde is wat de mens doet. Maar, nadat hij de gave van verkregen, zo is Gode alles aangenaam, wat hij doet, en hij wordt door dit geloof voor God rechtvaardig geacht. Dit geloof is ook in de mens niet leeg en dood, maar levend en krachtig, en brengt vruchten voort, die de Geest Gods waardig zijn, Die in hem woont. En, wanneer God deze vruchten verzegelt en beloont, dan doet hij dit alleen uit Zijn genade, niet om enige van onze verdiensten, want van nature kunnen wij niets goeds doen. Als God dan de goede werken, die in ons zijn, kroont, dan kroont Hij niet wat ons toebehoort, maar alleen wat Hij ons door Zijn Geest gegeven heeft. Wat Jakobus in het 2de h. zegt van de werken, weet gij zeer goed, dat hij van hen spreekt, die meenden, dat zij het geloof hadden, wat zij met geen werken, die het geloof waardig waren, toonden. Daarom, wie geloof voorwendt, dat van goede werken is vervreemd, dwaalt; want het geloof kan veel minder zonder goede en godvruchtige werken bestaan, dan een goede boom zonder goede vruchten.

Ik geloof ook, aangezien God een geest is, onsterfelijk en onzichtbaar, dat men Hem niet door enige verderfelijke dingen mag of behoort te dienen, maar alleen in geest en in waarheid. Daarom, die Hem door beelden en gelijkenissen voorstelt, en Hem daarin dient, hij handelt tegen Zijn gebod, dat van deze verering gegeven is, zoals blijkt Exod. 20. Die zich ook voor enig beeld neerwerpt, knielt of buigt, en^ dit enige eer bewijst, hij dient een afgod. Want zoals Paulus zegt, 1 Kor. 8 vs. 4: "Een afgod is niets in de wereld." In het 5de hoofdstuk van Johannes eerste brief vermaant hij ons nadrukkelijk, dat wij zulke beelden moeten vlieden. Men moet ook geen uitvluchten zoeken, door te zeggen: wat de beelden aangedaan wordt, geschiedt niet om hunnentwil maar om zijnentwil, die het beeld voorstelt. Augustinus zegt: "De afbeeldingen trekken de harten der mensen meer van de hemel, dan zij die hemelwaarts wijzen of sturen; omdat wij deze zo zien voorgesteld en naar onze gelijkenis gemaakt, hebbende ogen, mond, oren, armen en een, menen wij, dat zij wat heiligs moeten zijn, en wij hangen hen alzo aan met grote dwaling." Dezelfde Augustinus zegt: "dat het Goddeloos is in de tempels der christenen enige geschilderde menselijke beelden, gelijkenissen of figuren op te hangen, en dat het onbehoorlijk is, enige beeltenissen van God te hebben." Op een andere plaats zegt hij: "Alle beeltenissen zijn door het Evangelie verworpen, vergeten en als begraven."

Van de verering der heiligen na hun dood wordt in de Schrift geen melding gemaakt, en wij vinden geen gebod om hun hulp en voorbidding te begeren; maar alleen, dat wij tot God zullen gaan door Jezus Christus, Die alleen onze Voorbidder en Beschermer is, en ons niet beveelt tot Petrus of tot Paulus de toevlucht te nemen, maar in Matt. 11, vs. 28 roept Hij hen allen goedertieren tot zich, die door benauwdheid verdrukt zijn, en Hij belooft hun verlichting en rust. Daarna, in Joh. hoofdstuk 14, 15 en 16, belooft Hij ons met vele woorden, dat ons de Vader geven zal, wat wij in Zijn naam begeren. Van andere namen of voorbidding van heiligen wordt zelfs niet gesproken. Augustinus schrijft, "dat onder hen, die dit menselijk vlees aangenomen hebben, Jezus Christus alleen voor ons bidt," Op een andere plaats zegt hij, "dat het gebed, hetwelk niet alleen door Christus geschiedt, de zonde niet kan uitroeien, maar veel meer tot zonde strekt." Eindelijk, wanneer godvruchtige lieden des Ouden Testaments iets van God begeerden, voorstellende en gedenkende de naam van Abraham, Izak en Jakob, dan doen zij dat, door te denken aan de beloften Gods, die de Aartsvaders gedaan zijn.

Aangaande de doden gebiedt Paulus ons, 1 Thess. h. 4, dat wij ons over hen niet moeten bedroeven, evenals de heidenen en ongelovigen, die geen hoop hebben weer te zullen opstaan. De Apostel gebiedt niet, dat wij voor hen zullen bidden, wat hij zeker niet zou verzuimd hebben, wanneer hij gedacht had, dat het hun zo nodig en onontbeerlijk zou geweest zijn, als het volk nu gewoonlijk zegt en gelooft. Augustinus zegt, "dat de geesten der doden niet toekomt, dan wat zij in hun leven gedaan hebben." En hebben zij het niet gedaan, terwijl zij hier leefden, zo komt het hun, nu zij dood zijn, in het geheel niet toe. Daarenboven, wanneer men hen tot hun zaligheid met gebeden kon helpen, dan zou Christus niet meer dan de helft van onze verlossing volbracht hebben, en de andere helft zouden wij moeten volbrengen. Maar, het is duidelijk en zeker, dat Hij geheel en volmaakt het handschrift, heeft uitgewist, waarmee wij aan de duivel verbonden en onderworpen waren. Petrus bewijst in zijn 1e hoofdstuk, "dat wij niet door zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van het onbevlekte Lam Jezus Christus verlost zijn, en dat er in geen anderen naam zaligheid is." Chrysostomus zegt: “Als men barmhartigheid van God begeert, geschiedt het daarom, opdat er over de zonde geen onderzoek zou plaats hebben, en niet geoordeeld zou worden naar de gestrengheid van Gods rechtvaardigheid; want, waar barmhartigheid is, daar is geen hel meer, noch onderzoek, noch gestrengheid, noch straf." Daarom, zij, die eens barmhartigheid door Jezus Christus verkregen hebben, behoeven, wanneer zij dit leven hebben verlaten, geen reiniging meer, en hun wacht ook geen smart of ellende, maar zij worden, vrij van alle rampen, overgebracht in het eeuwige leven en in de eeuwige blijdschap. Het bidden voor de doden vindt men in de boeken van de Machabeën, en gij weet toch, dat die boeken niet opgenomen zijn in de Heilige Schrift, zoals Hiëronymus bewijst.

Twee sacramenten vinden wij in de christelijke gemeente door Jezus Christus ingesteld: de doop en het heilige avondmaal. De doop is een sacrament der boete of van de verbetering des gemoeds, en als een inlijving in de. gemeente Gods, en een inplanting in het lichaam van Jezus Christus. In dit sacrament wordt ons de vergeving der zonden voorgehouden, zowel van de gedane als nog te doene, welke ons alleen de dood van Jezus Christus geheel en volkomen heeft verworven. Daarenboven wordt ons daarin aangeduid en bewezen de afsterving van ons vlees en de vernieuwing tot een goed, godzalig leven, wat samen door het water, over het kind uitgestort, wordt afgebeeld, waarin een heerlijk en uitdrukkelijk teken des Heilige Geestes gelegen ligt, die de smetten van onze zonden afwast en reinigt. En alzo worden wij vermaand, om, zoals de machtige Farao in de Rode zee verdronken is, ook alzo onze oude adam, en al wat wij van hem hebben, ten onder te brengen en als te verdrinken; en evenals het water op het kind gegoten wordt, niet opdat het daaronder blijven zou en smoren, maar opdat het zou leven, dat wij ook alzo moeten wandelen in nieuwigheid des levens, voortaan niet voor onszelf leven, maar voor Christus Jezus, met Wie wij alzo zijn verenigd. Niets anders leest men, dat door Christus aangaande dit sacrament is ingesteld of bevolen, dan de wijze waarop men dit in de gemeente bedient, hetwelk men in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes aan het sacrament toevoegt.

Aangaande de olie en andere plechtigheden, daarvan leest men in de Schrift niets. Wij kunnen het ook niet goedkeuren, dat men de uitwendige doop, die door het water geschiedt, zo noodzakelijk tot de zaligheid acht, alsof zij, die de doop niet ontvangen hebben, niet zalig kunnen worden; wij noemen dit een goddeloos gevoelen. Want op deze wijze zou de genade Gods aan die uiterlijke dingen alzo uw gebonden zijn, alsof zij zonder hulp daarvan geen zaligheid zou kunnen schenken. Wel lezen wij in het Oude Testament, dat de besnijdenis, welke een afbeelding van de doop is, die toen op de achtsten dag werd volbracht, dikwerf verzuimd werd buiten de schuld van de ouders of zonder gevaar voor het kind. Dat zelfde kunnen wij evenzeer van de kinderen der christenen zeggen en aannemen, want de sacramenten van het Nieuwe Testament hebben niet meer kracht dan de sacramenten van het Oude Testament gelijk Paulus genoegzaam bewijst 1 Cor. h. 10, als hij zegt, "dat de vaders dezelfde geestelijke spijs met ons gegeten hebben, en dezelfde geestelijke drank gedronken." En, ware er ook enig onderscheid in deze sacramenten, dan was dit aan de tijd en aan de sacramenten zelf toe te schrijven. Want de sacramenten van het Oude Testament betoonden de hoop in Christus, de toekomende Zaligmaker; de onze bewijzen, dat Hij gekomen is, zoals ook Augustinus zegt. Hetzij echter daarom verre van ons de sacramenten te verachten. Zo zijn ook de kinderen der gelovigen in de belofte begrepen, waarin God verzekert, dat Hij een God wil zijn van de ouders, van hun kinderen en hun nakomelingen tot in het duizendste geslacht, en zij zijn ook, zonder enige twijfel de zaligheid deelachtig, welke door God, Die niet liegen kan, is beloofd. Want Ambrosius zegt: “Het is duidelijk genoeg, dat de Heilige Geest zonder oplegging der handen is gegeven, en dat hij, die niet gedoopt was, vergeving der zonden verkregen heeft; maar, die de gave van de doop heeft ontvangen, hij is met het zichtbare teken gedoopt." En Augustinus zegt: "dat de heiligmaking soms plaats heeft en gevonden wordt zonder het zichtbare sacrament; en dat het uitwendige wel eens bestaat zonder de inwendige heiliging. Daarom zeg, ik en besluit, dat de uitwendige doop, die door water geschiedt, niet nodig is tot zaligheid, en dat de mens door de hulp van het water niet zalig wordt, maar door de getuigenis van het geweten, welke het water afbeeldt, van de vergeving der zonden, onsdoor de dood van Jezus Christus verworven, welke wij deelachtig moeten zijn, of wij moeten verloren blijven.

Voorts zullen wij spreken van het andere sacrament, van het heilige avondmaal, dat, zoals de vier Evangelisten en Paulus 1 Kor. h. 11 getuigen, de Heere Jezus, Christus in de nacht waarin Hij leed, heeft ingesteld. Hij nam toen het brood, brak het, en gaf het Zijn discipelen, zeggende: "Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt." Toen Hij gedankt had, nam Hij ook de beker, en zei: .Dat is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed; drinkt allen daaruit. Zo dikwijls als gij dit doet, zo zult gij de dood des Heeren verkondigen, totdat Hij komt." Dit is de inzetting van het heilige avondmaal, waaruit gij vooral zien kunt, hoe het gebod, om uit de beker te drinken, is overtreden, wanneer men die aan het volk weigert. Al de oude leraars hebben eenparig en openlijk bevolen, dat allen de beide delen van het sacrament moesten gebruiken, namelijk het brood en de wijn, opdat zij alzo het lichaam en het bloed des Heeren deelachtig zouden worden. Johannes Chrysostomus zegt, "dat het met dit sacrament niet is als onder de oude wel, waar de priesters een onderscheiden deel van het volk namen. Maar in het sacrament der dankzegging heeft het volk alle dingen met de priesters gemeen; want hetzelfde lichaam en dezelfde drink beker wordt ieder aangeboden." Gelasius, bisschop van Rome, heeft ook bevolen, dat men hun, die anderen de drinkbeker onthielden, het sacrament geheel moest weigeren. Want hij zegt, dat de scheiding van deze verborgen heden zonder groten kerkroof niet kan geschieden. Doch laat ons nu spreken over hetgeen men in dit sacrament op het oog heeft. Gij zegt, dat men daarin het lichaam en bloed van Jezus Christus ontvangt. Dat belijd ik ook; maar laat ons nu eens zien hoe. Gij zult immers toch niet loochenen, dat wij Christus Jezus op geen andere wijze tot zaligheid deelachtig kunnen worden, dan door het geloof, want, aangezien het geen lichamelijk voorwerp is, zo is het niet betamelijk om Jezus Christus te ontvangen en te eten dat wij onze tanden van de mond meebrengen, maar alleen de geest en de ziel, die naar zulke zalige spijs hongerig zijn. Dit geschiedt slechts door het geloof, waardoor wij alleen Jezus Christus tot onze zaligheid ontvangen. Het werk en de bediening van het geloof is: geloven en vertrouwen. Zo wie dan in Jezus Christus gelooft en op Hem vertrouwt, die eet Hem in de geest. Ik denk daar eveneens over als Augustinus, die zegt, dat wij geen tanden en buik behoeven te gebruiken, maar, wanneer wij slechts geloven, dan hebben wij gegeten. En het besluit der boete luidt evenzo. Daarom is dit zijn mening en gevoelen, dat, zo wie gelooft, dat Jezus Christus neergedaald is van de hemel, Hij voor hem geleden heeft, gestorven is, en door Zijn dood hem van de eeuwige dood verlost heeft, en een erfgenaam van de hemel heeft gemaakt, ook gelooft, dat Hij is opgestaan, ten hemel gevaren, van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden, dat deze geheel, zeg ik, Jezus Christus deelachtig is, Zijn vlees eet en Zijn bloed drinkt; en op deze wijze, zoals Augustinus zegt, woont Christus in ons en wonen wij in Christus. Want de ware gemeenschap, die wij met Hem hebben, is die welke door het geloof geschiedt, want de vereniging en gemeenschap, dat Christus een zoon van Adam is geworden, en zichzelf met het gehele menselijke geslacht verenigd heeft, en de waarachtige mensheid aangenomen, zou ons in geen dele baten, wanneer er geen andere geestelijke vereniging, die door het geloof geschiedt, aan ware toegevoegd, waardoor wij alleen wedergeboren en onder het aantal kinderen Gods worden opgenomen, welke zij alleen deelachtig worden, die van God uitverkoren zijn, en in Christus geloven. Daarom is mijn gevoelen en mening, dat het vleselijk eten van het natuurlijke lichaam en bloed van Jezus Christus, waarin zij zeggen, dat het brood en de wijn veranderd worden, geenszins in het avondmaal geschieden kan. Maar ik geloof, dat Hij zit ter rechterhand van God de Vader, wanneer het hoofdartikel van ons algemeen geloof en de geschiedenis van Zijn hemelvaart mij niet bedriegen, gelijk die mij trouwens niet bedriegen kunnen. Maar door dit zinnebeeld worden wij alleen vermaand, dat, gelijk onze lichamen niet brood en wijn gevoed en onderhouden worden, alzo dan ook onze zielen met het vlees en bloed van Jezus Christus gevoed, onderhouden en versterkt worden, als wij dat door het geloof en in de geest ontvangen. Doch, opdat dit meer openlijk betoond en bewezen worde, laat ons dan letten op de ware betekenis der woorden van Christus. Hij zegt: "Dit is mijn lichaam." Och, laat ons hier niets van het onze bijvoegen, maar alleen ons geweten raadplegen. Tertullianus legt deze woorden aldus uit: "Dat is het teken en beeld van mijn lichaam." Augustinus zegt: "De Heere heeft niet, getwijfeld om te zeggen: “Dat is mijn lichaam; ofschoon Hij niets anders uitdeelde dan een teken van zijn lichaam." En daarna: Jezus Christus heeft, Judas met de discipelen aan de maaltijd ontvangen, aan wie Hij het teken en het beeld van, Zijn lichaam voorgesteld en gegeven heeft." Ja, al de oude leraars gevoelen en zeggen hetzelfde. Irenaeüs zegt: “Het aardse brood, dat de zegen van God ontvangt is nu niet meer gewoon brood, maar het brood der dankzegging, bevattende twee dingen, waarvan het een aards en het andere goddelijk is." Zo ook Augustinus, als hij van dit sacrament spreekt, zegt: "Gelijk het knechtelijke zwakheid is, de letter geheel te volgen, en de tekens te nemen voor de dingen, die zij betekenen, zo is het ook een schadelijke dwaling, de tekens als overbodig te beschouwen." Mocht u dit echter nog niet genoeg zijn, laat ons dan deze zaken nog wat dieper inzien. Gij belijdt immers, dat het avondmaal van Christus een sacrament is? Laat ons dan nu alleen nagaan wat toch een sacrament is. Augustinus zegt: “Een sacrament is een teken van een heilige zaak of een zichtbaar teken van de onzichtbare genade." Zo kan het dan zelf niet zijn wat het betekent, want dan zou het niet langer de natuur of de naam van het sacrament mogen hebben. Maar het avondmaal is een sacrament en een zodanig teken, dat iets aanduidt, doch alzo, dat hetgeen, wat daarmee betekend en aangewezen wordt, waarlijk uitgedeeld en gegeven wordt aan hen, die dat door het geloof ontvangen, en anders niet. Daarenboven weet gij wel, dat het woordje is dikwerf in de Heilige Schrift in plaats van het woord “betekent” wordt genomen, zoals Genesis, hoofdstuk 41: "De zeven koeien en de zeven aren zijn zeven jaren. De steenrots was Christus. Johannes is Elias." Ik denk wel, dat gij allen mij wel toestemt, dat men deze plaatsen moet verklaren met het woord betekent. Wat zou ons nu beletten, hetzelfde te doen met deze woorden van Jezus Christus, bovenal, omdat de oude leraars dit ook zo hebben verklaard.

Eindelijk. Wanneer zij zeggen, dat de verandering van het brood en de wijn in het lichaam en bloed van Jezus Christus op wonderdadige wijze geschiedt, dan hebben zij daartoe geen belangrijke redenen. Want welk wonder zoudt gij uit de gehele Schrift kunnen bijbrengen, dat niet zo openbaar was, dat allen, die het zagen en hoorden zich daarover verwonderden? Zoals over de wonderen, die Mozes in Egypte deed. Maar in het avondmaal zien wij niet, dat het brood en de wijn veranderd worden, en een andere kleur of smaak krijgen, waarover wij ons zeer zouden moeten verwonderen. Zo is er dan geen wonder in. Gij zegt, dat men het geheel door het geloof moet begrijpen, waardoor aan de woorden van Jezus Christus niet te twijfelen valt, door wier kracht deze diepe verborgenheden verstaan worden. Ja, ik geef u daarin gelijk. Doch het blijft nochtans mijn mening en gevoelen, dat het geloof zo grof en vleselijk niet is, dat het in deze verborgenheid iets vleselijks of aards ziet of geniet, want het is een waarachtige hemelse en geestelijke verborgenheid. Zo moeten wij dan daarbij niet denken, dat het met de aarde of het vlees gemeenschap heeft, en wij mogen, zoals in de eerste Canon van de Niceese kerkvergadering besloten is, onze ogen niet op het brood en de wijn vestigen, welke ons in het avondmaal worden uitgedeeld, maar onze ogen des harten, des geestes en van het geloof moeten wij naar de hemel verheffen, om het Lam te aanschouwen, dat eens voor ons opgeofferd is, en geplaatst is aan de rechterhand van God. Ik bid u, in de naam van God, zelf te bedenken of het niet zo is. Het is u ook wel bekend, dat de Canon van de transsubstantiatie of verandering geen anderen oorsprong vroeger had dan van Paus Gregorius de zevende. Dat dit sacrament door de oude godzalige leraars een sacrificium of offerande werd genaamd, geschiedde ter gedachtenis van de allerhoogste en eeuwige offerande, die Jezus Christus aan het kruis eens voor onze zonden heeft volbracht. Het is ook genaamd Eucharistia, dat is, dankzegging, welke offerande ons alleen bevolen is Gode op te offeren; zoals in de brief aan de Hebreeën de vrucht der lippen, en door David een benauwd en verootmoedigd hart offeranden genaamd worden. Alle andere offeranden zijn door Jezus Christus afgeschaft, die zichzelf Gode de Vader eenmaal heeft opgeofferd, en niemand kan Hem dus meer opofferen.

In de gehele instelling van het heilige avondmaal en in de gehele Schrift vindt men nergens van de mis of van haar instelling gesproken, waaraan men thans zo grote waarde hecht. Daarom weet ik niet, welke reden zij er voor hebben, die zeggen, dat Jakobus te Jeruzalem de eerste mis gedaan heeft. Anderen zeggen, dat zij het eerst bediend werd door Petrus te Antiochië. Weer anderen zeggen, dat zij afkomstig is van Gregorius, en nog anderen van Ambrosius. Men vindt dus hier geen zekerheid om de waardigheid van de mis te bewijzen, die zij onder de grootste en belangrijkste artikelen des christelijken geloofs willen rangschikken. Paulus zegt, dat hij de Corinthiërs overgeleverd heeft, wat hij van de Heere ontvangen had, en er is geen twijfel aan, of de andere Apostelen hebben dit ook gedaan. Maar zeker is het, dat de Heere Jezus de mis nooit heeft ingesteld. Wanneer nu Petrus en Jakobus die hebben ingesteld, volgt er uit, dat zij geen getrouwe dienaars noch Apostelen van Jezus Christus geweest zijn, aangezien zij dan anders onderwezen en verricht zouden hebben, dan hun van hun Heere en Meester onderwezen en bevolen was, wat men toch van hen niet denken kan. Mij dunkt, dat gij wel weten zult, dat de mis haren oorsprong heeft uit de gewoonte van de oude gemeenten, waarin sommige psalmen gezongen werden of enige hoofdstukken van de Heilige Schrift gelezen, terwijl het volk samen kwam. En wat nu geofferd wordt, is afkomstig van de inzamelingen, die de ouderlingen of diakenen voor de armen deden. Ziet nu toch eens, welke grote veranderingen in dit alles hebben plaats gehad.

Voorts heb ik over geen andere sacramenten gesproken dan over deze twee, waarvan ik weet, dat zij door Christus ingesteld en verordend zijn. Want voor het vormsel, de oplegging der handen en het laatste oliesel, zie ik geen ware reden, waarom men die zou behouden, aangezien de gave om wonderen te doen, om welke zij waren ingesteld, nu heeft opgehouden. Want gijlieden geeft toch de Heilige Geest niet uit, daar Hij alleen een gave van God is, zoals Ambrosius schrijft; en met uw olie maakt gij geen zieken gezond, zoals de Apostelen deden, maar gij geeft daarmee veel meer een bewijs van het sterven, of van een dodelijke ziekte.

Ik geloof ook, dat de heilige kerk geen ander hoofd heeft dan Christus Jezus, Wiens leden alle gelovige mensen zijn, van wie de een niet waardiger is dan de ander, en niemand de macht heeft anderen aan zich te onderwerpen. Zij zijn toch allen broeders in de Heere, om elkaar onderdanigheid en gehoorzaamheid te bewijzen, en de een de ander onderdanig te zijn; zoals dit ook in de eerste gemeenten het geval was, gelijk men uit de geschriften daarvan zien kan. In de brief, die Cyprianus te Karthago schreef, vinden wij de woorden: Wij zullen allen samen komen, opdat ieder zijn gedachte en mening mededele. En wanneer iemand een ander gevoelen heeft en tegenspreekt, die zullen wij toch niet uit onze vergadering werpen; want niemand is er onder ons, die zich de opperste bisschop zou durven noemen, of de ander tot de aanneming van zijn gevoelens dwingen." Nu ziet gij wel, dat er toen geen bisschop was, die zich heerschappij aanmatigde over een ander, veel minder over koningen en vorsten, zoals thans de paus zich wil aanmatigen. Gij weet, dat Gregorius deze naam verwerpt, wanneer hij zegt: "Dat hij, die die gebruikt en aanneemt, de voorloper van de antichrist is." Hetzelfde zegt ook Ammianus, de diaken, aangaande Johannes, de bisschop van Constantinopel, die deze naam zich hovaardig aanmatigde. Onbekend is het u ook niet, wat het ambt en bediening der andere bisschoppen was, en welke wijze van leven, leer en handelen Paulus hun heeft voorgeschreven, en dat Gregorius ben, die hun bediening niet waarnamen, stomme honden noemde. Gij weet ook wel, wat het ambt der priesters is, en welke kracht die naam heeft. Met de naam alleen stellen zich thans de mensen tevreden; het leven en de zuivere leer worden door hen niet geacht.

Daarenboven belijd ik, dat alleen het Woord de mensen de zonden kan vergeven; en dat de mens, zoals Ambrosius zegt, alleen een dienaar is van de vergeving. Daarom, wanneer hij iemand verdoemt, dan geschiedt dit niet door zijn kracht en macht, maar door de kracht van het Woord, dat door hem wordt verkondigd. Dit komt geheel overeen met het gevoelen van Augustinus, dat in zijn besluit staat uitgedrukt, als hij zegt: "Dat het niet geschiedt door de verdiensten van de mensen, dat de zonden vergeven worden, maar door de kracht des Heilige Geestes. Want de Heere had tot zijne Apostelen gezegd: “Ontvangt de Heilige Geest," en daarbij gevoegd:" wanneer gij iemands zonden vergeeft, dan doet gij dat niet, maar de Heilige Geest, Die gij ontvangen hebt." Cyprianus zegt ook, dat een dienaar niet kan vergeven wat tegen zijn Heere misdaan is." Daarom ken ik ook geen andere biecht, dan die wij aan God behoren te doen, de broederlijke Verzoening, en de openba