Over Christelijk Onderwijs
De vindplaats van materiaal
voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk
geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs,
zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te
vergroten. Blijf
niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in
geestelijke rijkdom.
BIJBEL: bron van vrede
De Middeleeuwen
De eerste keer dat kinderen op het Nederlandse grondgebied een school
hebben bezocht, is waarschijnlijk in de Romeinse tijd geweest. In de
zevende eeuw is er een school geweest voor kinderen van edelen die aan
het hof verbonden waren. Maar de eerste Nederlandse school waarover we
echt iets weten, stond in Utrecht. In het eerste college hebben we al
gehoord over Willibrord (gestorven 739), die van de heersende
Frankische koning toestemming kreeg om het christelijk geloof te
verkondigen in het pas veroverde Friese gebied. Willibrord stichtte in
Utrecht het Sint-Martinusklooster. Aan dit klooster werd deze eerste
school verbonden, ter ondersteuning van het bekeringswerk.
De eerste docent van wie we iets weten, is Gregorius (707-776), abt van
het Sint-Martinusklooster en leerling van Bonifatius (680-754).
Bonifatius heeft een tijd lang samen met Willibrord het evangelie
verkondigd in Noord-Nederland en in gebieden in Duitsland.
De eerste inlandse Nederlandse zendeling, Liudger (742-809), was een
leerling van de eerder genoemde Gregorius. Hij berichtte dat Gregorius
de school tot bloei bracht en dat er Franken, Friezen, Angelen, Saksen
en Zuid-Duitsers naartoe gingen. Ook Liudger zelf heeft aan de
Utrechtse kloosterschool onderwezen. Na terugkeer van een
studieverblijf in York bij de geleerde Alcuinus (ca. 732-804) bracht
Liudger voor de Utrechtse school een voorraad boeken mee.
Het onderwijs zal vooral gericht zijn geweest op lezen en schrijven (in
het Latijn) en studie van de Bijbel, de kerkvaders en het kerkelijk
recht. Er gingen alleen jongens naar deze kloosterschool. Ze kregen les
van een monnik en werden zelf later ook monnik. De mensen vonden het
niet belangrijk dat meisjes ook naar school gingen. Zij leerden thuis
spinnen, weven en andere zaken die ze nodig hadden om later voor hun
gezin te kunnen zorgen.
Rond 800 regeerde Karel de Grote het Frankische Rijk. De meeste mensen
in de Middeleeuwen waren analfabeet. Om zijn land te kunnen besturen,
had Karel de Grote echter mensen nodig die konden lezen en schrijven.
Daarom vaardigde hij wetten uit, die alle Frankische jongens tot
schoolgaan verplichtten. Als gevolg van deze wetten werden steeds meer
scholen opgericht. Toch gingen lang niet alle jongens naar school. De
meeste kinderen hielpen hun ouders op de akker of in de werkplaats.
De jongens op de kloosterschool leerden lezen en schrijven en zingen,
omdat ze tijdens de missen in de kerk moesten zingen. Alle vakken op de
kloosterscholen werden in het Latijn gegeven. De jongens leerden eerst
de letters van het alfabet uit hun hoofd. Daarna mochten ze de letters
oefenen door ze met een stokje in zand te schrijven. Als ze dat onder
de knie hadden, leerden ze lettergrepen en kleine woorden. Die mochten
ze schrijven op een wastafeltje, met een ijzeren pen. Later leerden ze
moeilijke woorden en zinnen lezen en schrijven. Pas als je erg goed kon
schrijven, mocht je met een ganzenveer op perkament schrijven. Boeken
waren in deze tijd erg duur. Voor de lessen werd meestal alleen een
bijbel of een boek met psalmteksten gebruikt. De leraar las daaruit
voor en de leerlingen moesten dat uit hun hoofd leren.
Vanaf de elfde eeuw veranderde de kloosterschool een beetje. Er gingen
niet meer alleen jongens heen die later monnik werden, maar ook
burgerjongens. Dit waren meestal zonen van kooplieden, die later hun
vader in het bedrijf moesten opvolgen. Deze jongens moesten voor hun
beroep ook leren rekenen. Daarom werd rekenen een belangrijk vak op
school.
De jongens die later monnik werden deden gewoon mee met het
kloosterleven. De burgerjongens niet. Om ervoor te zorgen dat de
burgerjongens het geordende kloosterleven niet verstoorden, werd de
school nu een stuk verplaatst. De school lag niet meer in het midden
van het kloosterterrein bij de kloosterhof, maar meer aan de
buitenrand.
Vanaf de veertiende eeuw (1300-1400) ontstonden er ook andere scholen.
Er werden bijvoorbeeld ook scholen opgericht, voor 'gewone' kinderen.
Dat waren de parochiescholen. Die scholen hoorden nog steeds bij de
kerk en de kinderen kregen er les van de pastoor. Deze scholen werden
later vaak overgenomen door het stadsbestuur. Toen gingen ze
stadsscholen of Latijnse scholen heten. Vanaf deze tijd gingen er ook
meisjes naar school. Maar de meeste kinderen gingen niet het hele jaar
door naar school.
De stadsbesturen richtten in de begintijd ook zelf scholen op. De
meesters van deze scholen waren geen monniken of priesters, maar
'gewone' mannen. Zij hoefden geen speciale opleiding te volgen om
meester te kunnen worden. Als ze een beetje konden lezen en schrijven
mochten ze al lesgeven. Op veel scholen werd goed lesgegeven. Maar er
waren soms grote verschillen tussen scholen. Op de ene school werkte
een goede meester en op de school in het volgende dorp zat een meester
die bijna niet kon lezen en schrijven.
Ingang van de Latijnse school te Leiden. De school werd gesticht in
1431 en was tot de komst van de universiteit de hoogste
onderwijsinstelling ter plaatse. Rembrandt van Rijn volgde er lessen,
maar maakte de school niet af. Hij werd kunstschilder.De stadsschool,
of Latijnse school, had meestal twee afdelingen: de Laege school en de
Grote school. De Laege school (spreek uit: lage school) leek het meest
op de basisschool van nu. Hier leerden de kinderen lezen, schrijven en
rekenen. Ze werden er voorbereid op de Grote school. De leerlingen van
de Grote school werden later ambtenaar of gingen naar de universiteit.
Er waren ook scholen die niet door een stadsbestuur, maar door burgers
waren opgericht. Deze scholen werden bijscholen genoemd. Er waren veel
verschillende soorten bijscholen, bijvoorbeeld bewaarscholen en
ABC-scholen. Er kwamen ook aparte scholen waar koopmanszonen een
opleiding kregen. Dit werd de Franse school genoemd. Hier kregen de
kinderen ook Frans, boekhouden en briefschrijven.
De stadsbesturen waren niet zo blij met de bijscholen. Elke leerling
betaalde lesgeld aan zijn school. Als een kind naar een bijschool ging,
kreeg het stadsbestuur dus geen geld. Daarom bedachten zij een aantal
regels om toch meer geld te krijgen: de meeste bijscholen mochten
alleen nog aan jonge kinderen (tot ongeveer 7 jaar) lesgeven, er mocht
geen Latijn gegeven worden en voor elke leerling moesten de bijscholen
een boete betalen aan de Latijnse school.
Reformatie
De zestiende-eeuwse
beweging van de reformatie liep uiteindelijk erop uit dat in vele
plaatsen de rooms-katholieke erediensten verboden werden Ook
kloostergemeenschappen werden ontbonden. De kerkgoederen werden
aangewend voor de financiering van het kerkelijk leven en het
kerkenwerk in de gereformeerde plaatselijke gemeenten. Onder andere
werden nu hieruit de predikanten en de schoolmeesters betaald. De
parochiescholen konden vaak de Reformatie overleven, aangezien deze al
lang voordien van de directe invloed der kerk losgemaakt waren en door
de stedelijke overheid tot zich getrokken. Deze stadsscholen (ook grote
of Latijnse scholen geheten) trokken de overgrote meerderheid der
leerlingen tot zich, die wat meer moesten leren dan de
allereenvoudigste beginselen van lezen, rekenen en schrijven.
Op een vergadering te Alkmaar (1573) werd ondermeer besloten dat de
predikanten zich moesten beijveren voor goede scholen en voor
schoolmeesters diewelcken godsalich zyn ende die warachtighe religie
alsins toegedaen. De waarachtige religie was de gereformeerde. Zowel de
staten als de synoden zagen in het onderwijs een zinvolle wijze om God
te eren en het algemeen welzijn te dienen. De gereformeerde kerk had
rechtstreekse bemoeienis met het onderwijs en alleen gereformeerde
onderwijzers mochten onderwijs geven. De ontwikkeling stond bij hen in
aanzien, God lief te hebben met het verstand hoorde immers tot het
grote gebod. De school diende ook het geloofsonderricht. Dat kwam neer
op het van buiten leren van vragen en antwoorden.
Uit Zeeland weten we dat toen de Reformatie de overwinning had behaald
op het oude geloof, het onderwijs geheel en al werd hervormd. Voortaan
schreven de kerkelijke vergaderingen de schoolreglementen voor. In 1583
vaardigden de Staten van Zeeland een schoolordening uit, die voor heel
Zeeland geldig was. Het onderwijs heet er de grondslag van de staat,
alsoo tot opbouwinghe van een goede republijcque ende welstandt vanden
lande niet weynich aen gheleghen en is, dat die de jonckheyt, van kints
beenen af wel werde opgevoedet, ende inde vreese ende rechte kennisse
Godes, ende alle goede consten ende zeden van der jeucht aen
onderwesen.
In 1594 werd Johannes de Swaef geboren in Zeeland. Hij was de eerste
die in ons land de taak der zedelijke opvoeding in haar geheel
systematisch uit een bepaalde gezichtshoek behandelde. De Swaef was
onderwijzer en gaf verscheidene zowel oorspronkelijke als vertaalde
boeken uit.
In 1621 heeft de toen slechts 27-jarige De Swaef het werk uitgegeven,
waardoor zijn naam tot op heden bekend is gebleven: De geestelycke
queeckerye van de jonge planten des Heeren. Het zwaartepunt van deze
verhandeling ligt in het tweede hoofdstuk, en vooral ook hierin komt
het christelijke karakter van zijn werk sterk naar voren. De hoofdzaak
is, zegt hij, dat de ouders hun kinderen tot een godvruchtig leven
opvoeden, en juist hierin ligt het kenmerkende onderscheid tussen een
gelovige en een ongelovige opvoeding. De kinderdoop legt gelovige
ouders een geheel bijzondere plicht op, die zij levenslang moeten
nakomen. Salomo's moeder onderwees haar zoon nog, toen hij al koning
was geworden (Spreuken 31: 1-9).
De Swaef was zijn tijd ver vooruit, omdat hij de opvoeding als de taak
bij uitnemendheid, niet van de schoolmeesters, maar van de ouders
beschouwde, zo ook waar hij hen levenslang tot deze plicht verbindt. In
het hoofdstuk over het schoolgaan der kinderen en de schoolmeesters
richt hij zich fel tegen de heersende misstanden op onderwijsgebied. De
eerste de beste 'plompen loer' kan vrij schoolmeester worden, als hij
maar tien schellingen betaalt en de eed aflegt dat hij zal doen als een
goed schoolmeester betaamt. Het is schandelyck, vaart hij uit, dat in
soo treffelycken stad ende gemeente, als Middelburgh door Godts genade
is, (laet dit andere plaetsen oock gheseyt syn) sulcken volck den name
van schoolmeesters verkrygen, die onbequaem syn niet alleen tot
verstandige saken, maer tot geringhe ende symelachtighe dinghen, van
kleer-lappen, weven, riet-maken, wolle-kammen, etc. Hoe konnen dese
bequaem syn om de kinderen, de plantsoenen der Republycke ende der
gemeynte, te fatsoeneren ende te leeren?
Bataafse Republiek
Begin 1795 trokken Franse troepen de Nederlanden binnen. In hetzelfde
jaar werd, in plaats van de oude Republiek, de nieuwe 'Bataafse
Republiek' uitgeroepen. Een met algemeen stemrecht gekozen Nationale
Vergadering vatte de taak op te werken aan de totstandkoming van een
nieuwe staatsregeling. Deze staatsregeling stond onder invloed van de
idealen van de franse revolutie: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.
Het feit dat de Gereformeerde (Hervormde) Kerk bevoorrecht was, was in
strijd met deze idealen. Daarom werd hieraan in de nieuwe
staatsregeling een einde gemaakt. Per decreet werd vastgesteld: Er kan
of zal geen bevoorrechte noch heerschende Kerk in Nederland meer geduld
worden.
In 1798 trad een nieuwe grondwet in werking. Fundamenteel hierin was
het beginsel van godsdienstvrijheid: Elke Burger heeft vrijheid, om God
te dienen naar de overtuiging van zijn hart. De Maatschappij verleent
ten dezen opzigte aan allen gelijke zekerheid en bescherming; mits de
openbaare eerdienst nimmer gestoord worde.
Natuurlijk had dit ook gevolgen voor het onderwijs. Niet alleen
gereformeerde leerkrachten mochten lesgeven, ook anderen kwamen weer
aan bod. Bovendien ging de regering zich nu veel intensiever met het
onderwijs bemoeien.
Op de scholen, vooral dorpsscholen, was het in deze tijd vaak een
rommeltje. De kinderen, tussen 3 en 10 jaar, zaten door elkaar in
één ruimte. Ze kregen hoofdelijk onderwijs, de meester
gaf de kinderen allemaal een aparte taak. Als ze die hadden gedaan,
moesten ze terug naar de meester. Hij overhoorde de taak en gaf wat
aanwijzingen. Als de taak af was kregen de kinderen een nieuwe. De
kleine kinderen werden vaak geholpen door de oudere leerlingen. Alle
lesjes werden hardop geleerd, je kon de school al van ver horen! Als
een kind een tijd niet op school was geweest, ging hij gewoon verder
waar hij gebleven was. Op de dorpsschool kon je dus niet blijven
zitten.
De schoolmeester had verschillende manieren om al die kinderen in toom
te houden. Net als in de kloosterschool mocht de schoolmeester de
kinderen slaan. Als hij zag dat iemand iets deed wat niet mocht, gooide
hij de pechvogel naar hem toe. De kwajongen moest de pechvogel
terugbrengen naar de meester. Die stond al op hem te wachten met de
plak. Daarmee kreeg de jongen dan een paar flinke tikken op de hand.
Als iemand erg dom was geweest, werd hem het ezelsbord omgehangen. Had
hij iets heel ergs gedaan, bijvoorbeeld gelogen of gestolen, dan kreeg
hij het schandbord om. Daarmee moest hij dan de hele dag blijven staan,
zodat alle kinderen hem konden zien.
De leerlingen betaalden de meester elke week schoolgeld. Als een kind
een week niet naar school ging, hoefde hij ook geen schoolgeld te
betalen. Vooral in de oogsttijd, als de dorpskinderen hun ouders op de
akkers moesten helpen, gingen er weinig kinderen naar school. De
meester verdiende dan heel weinig. Om in deze tijden toch voor zijn
gezin te kunnen zorgen, had de meester vaak een bijbaantje. Hij was
bijvoorbeeld ook klokkenluider, schaapscheerder of doodgraver.
Er waren geen aparte schoolgebouwen. De school kon in een leegstaande
schuur zijn, of in het huis van de meester. Het was er druk, donker en
vies. Er was geen verlichting. De meester had een kaars of een olielamp
op zijn lessenaar staan. Het was voor veel scholen te duur om het hele
lokaal te verlichten. Omdat het in de winter minder lang licht is,
waren de schooldagen korter dan in de zomer.
In de winter was het ook erg koud op school, want er waren geen
kachels. Op sommige scholen brandde in de winter een vuur. Daardoor was
het wel warm, maar ook erg benauwd. De rook van het vuur bleef namelijk
in de school hangen. Na verloop van tijd kwamen er steeds meer klachten
over die vieze, donkere scholen. Vooral dokters wilden de scholen
veranderen. Daarom kwamen ze met nieuwe ideeën om de scholen te
verbeteren.
Begin 1800 kwam er een bureau van nationale opvoeding en op 15 juni
1801 trad de eerste Schoolwet in werking. Op initiatief van dit bureau
van Nationale Opvoeding werd volgens artikel 8 van deze wet voor elk
der acht departementen van de Bataafse Republiek een schoolopziener
benoemd. Er kwam dus vanuit het landsbestuur toezicht op wat de
leerkrachten de kinderen onderwezen. Deze schoolopzieners kwamen op 16
juli 1801 in Den Haag bij elkaar. Het hoofd van het bureau nationale
opvoeding opende deze eerste Bijeenkomst van schoolopzieners met een
toespraak waarin hij den treurige toestand van de scholen, de leerwijze
en de onderwijzers noemde. Hij sprak ondermeer over de noodzakelijkheid
der tusschenkomst van 's Landsbestuur en van een welgeregeld en
werkzaam toevoorzigt.
Als gevolg van deze bijeenkomst kwamen er instructies voor de
schoolopzieners, een reglement voor schoolbesturen, algemene
verordeningen voor het afnemen van de examens en reglementen van orde
en schoolwetten. Bij hetzelfde besluit werden aan de acht bestaande
schoolopzieners zevenentwintig nieuwe schoolopzieners toegevoegd
verdeeld over acht departementen.
De onderwijzers moesten nu een goede opleiding hebben. Er werden
kweekscholen opgericht waar je voor schoolmeester kon leren. De
meesters mochten de leerlingen ook niet meer slaan. Een meester die
zijn leerlingen toch sloeg, werd ontslagen en moest soms voor de
rechter verschijnen.
Twee jaar later, in 1803, werd de tweede Schoolwetgeving uitgevaardigd
Deze werd in 1806 alweer buiten werking gesteld en vervangen door weer
een nieuwe schoolwet. Deze derde schoolwet trad op 3 april 1806 in
werking en heeft van 1806 tot 1857 invloed gehad op het onderwijs in de
eerste helft van de 19e eeuw. Een oude schrijver schrijft over deze
wet: Onder 's Konings krachtdadige handhaving en hooge begunstiging
werkte de wet van 1806 jaren achtereen allerheilzaamst op de jeugd, op
het schoolwezen in het algemeen en op de onderwijzers in het bijzonder.
In 1848 werd de grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden ingrijpend
gewijzigd. Een van de nieuwe aanvaarde beginselen was: de vrijheid van
de kerkgenootschappen om hun eigen zaken te behandelen, zonder
inmenging van de staat. De rooms-katholieken kregen hierdoor ook weer
meer rechten. Zij vonden de openbare school van die tijd te
protestants, hoewel de liberalen onder hen deze school wel wilden
handhaven.
Schoolstrijd
In 1857 wilde minister Van der Brugghen de openbare school beslist
neutraal maken, zodat niemand aan enig onderdeel van dat onderwijs
aanstoot kon nemen. In dit jaar werd weer een nieuwe onderwijswet
aangenomen in de tweede kamer. Op 1 januari 1858 trad de wet in
werking. Deze wet betekende op vele punten een verbetering voor het
onderwijs, maar er was ook een groot punt van kritiek.Dat betrof het
feit dat alleen de openbare school staatssubsidie kon krijgen. Van der
Brugghen liet het stichten van bijzondere scholen wel toe, maar zonder
enige financiele tegemoetkoming door de staat. Hij was persoonlijk
voorstander van een christelijke, liefst een kerkelijke school, maar
vond dat een school ook zonder 'bepaald leerbegrip' en zonder het
gebruik van de Bijbel in de ware zin christelijk kon zijn. Met name
minister Groen van Prinsterer pleitte in deze tijd voor christelijke
overheidsscholen, waar nodig gesplitst naar gezindte. Hij achtte het
een onrecht dat de mogelijkheid om niet-openbare scholen te
subsidieren, ontbrak. In deze tijd ontstond de 'Schoolstrijd,' die
wilde dat openbaren en bijzondere scholen gelijk behandeld zouden
worden.
De verhouding van de school tot godsdienst staat in de onderwijswet van
1857 iets anders beschreven dan voorheen. Artikel 23 luidt: De
onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten,
wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige
begrippen van andersdenkenden. Het geven van onderwijs in de godsdienst
wordt overgelaten aan de kerkgenootschappen. Hiervoor kunnen de
schoollokalen buiten de schooluren ten behoeve van leerlingen, die er
ter school gaan, beschikbaar worden gesteld.
In de wet van 1857 worden de vakken waarin onderwijs wordt gegeven in
het lager onderwijs nauwkeurig opgesomd: lezen, schrijven, rekenen,
beginselen der vormleer, die der nederlandsche taal, aardrijkskunde,
geschiedenis, kennis der natuur en zingen. Tot het meer uitgebreid
lager onderwijs wordt gerekend het onderwijs in de beginselen der
kennis van de levende talen, wiskunde, landbouwkunde, gymnastiek,
teekenen en handwerken voor meisjes.
Het onderwijs mag gegeven worden door hoofdonderwijzers,
hulponderwijzers en kwekelingen. Artikel 18 geeft aan: Wanneer het
getal der leerlingen op eene school meer dan zeventig bedraagt, wordt
de hoofdonderwijzer bijgestaan door een kweekeling (niet ouder dan 18
jaar), meer dan honderd door een hulponderwijzer, meer dan honderd
vijftig door een hulponderwijzer en een kweekeling. In deze wet werd de
verplichte schoolgeldbetaling afgeschaft. Een verbetering was verder
dat schoolopziener lokalen die schadelijk zijn voor de gezondheid of
onvoldoende ruimte voor de kinderen bieden mag afkeuren.
In deze tijd gingen niet alle kinderen naar school. Vele kinderen
werkten, vaak onder slechte omstandigheden, in de fabrieken. En steeds
meer mensen begonnen zich hier zorgen om te maken. In Frankrijk werd in
1841 al een wet uitgevaardigd die de kinderarbeid aan banden legde. In
Nederland liet men zich door Frankrijk adviseren. De administrateur van
de Nationale Nijverheid, mr. J. Th. Netscher, stelde dat de Nederlandse
situatie niet zo ernstig was als die in Engeland, Frankrijk en
Duitsland, maar er zijn vele fabrijken, neringen en hanteringen, waar
vele werkzaamheden en bezigheden worden waargenomen door jonge en zelfs
zeer jonge kinderen en aankomende jongens en meiden, die buiten de
gelegenheid om regelmatig het onderwijs in kerk en school bij te wonen
in het wilde opgroeijen, hunne tusschenuren in baldadigheid doorbrengen
en later, zoo zij al niet tot uitspattingen en misdaden vervallen, toch
hunne onbeschaafdheid en zedeloosheid op kinderen en kindskinderen
voortplanten.
Een aantal jaren later, in 1874, werd in Nederland ook een wet
uitgevaardigd die de kinderarbeid en het verwaarlozen van kinderen aan
banden legde. Deze wet van Samuel van Houten werd later bekend als 'het
kinderwetje van Van Houten.' Vanaf dat moment mochten kinderen die
jonger waren dan 12 jaar niet meer in fabrieken werken. Het duurde nog
tot 1901 voordat de kinderarbeid helemaal was afgeschaft.
De openbare school vanaf 1857 probeerde dus open te zijn naar alle
kerkelijke richtingen en niemand te kwetsen. Maar voor velen,
protestanten en katholieken, was dit niet genoeg. Bovendien kreeg de
gemengde overheidsschool onder invloed van het liberalisme een steeds
minder godsdienstig karakter. Katholieken en protestanten wilden dat de
kinderen opgevoed werden volgens de kerkelijke leer die zij zelf
aanhingen. Zolang de onderwijzer op de plaatselijke openbare school
hetzelfde geloofde als de ouders, waren de problemen nog niet zo groot.
Maar wanneer, zoals in Bleskensgraaf in 1898, de nieuwe bovenmeester
ineens bedankte voor allerlei kerkelijke baantjes, ontstonden de
problemen.
In 1868, een paar jaar na de nieuwe schoolwet, vaardigden de
Nederlandse bisschoppen een mandement uit over het onderwijs. Hierin
wijzen zij het zogenoemde 'onzijdige' onderwijs af en roepen de
priesters op om in hun parochies te ijveren voor de oprichting van
katholieke scholen. De ouders worden aangespoord om, als ware
katholieken, zorg te dragen voor degelijk katholiek onderwijs voor hun
kinderen. Naast de katholieken behoorden de aanhangers van de Doleantie
(Abraham Kuyper) onder de eersten die probeerden christelijke scholen
op te richten. In 1899 werd de vereniging tot het stichten van scholen
met de Bijbel opgericht, maar die had toen nog weinig aanhangers.
Het oprichten van een eigen school betekende dat deze geheel zelf
gefinancieerd moest worden en dat betekende een groot offer voor de
ouders. Bovendien betaalde iedereen via de belasting mee aan de
openbare scholen, wie dus zijn kinderen naar een andere school wilde
sturen, betaalde dubbel! Door de strijd voor het bijzonder onderwijs,
gingen mensen zich steeds meer verenigen in partijen. Voor 1850 waren
er nog geen politieke partijen, maar mede door de schoolstrijd
ontstonden deze. Er kwamen socialisten, protestanten, katholieken en
liberalen.
In 1917 wordt de inzet van de schoolstrijd beloond met de financiele
gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. De Grondwet
voorziet vanaf die tijd in de vrijheid van richting en inrichting van
het onderwijs, mits aan enkele basisregels wordt voldaan. Van dit recht
wordt dankbaar gebruik gemaakt. Katholieken en protestanten stichten
eigen scholen, of krijgen nu overheidssubsidie voor de reeds bestaande
scholen. In het begin zijn de christelijke scholen meestal aan een
kerkgemeenschap verbonden, tot ver in de twintigste eeuw waren er
nadrukkelijk hervormde en gereformeerde scholen. Toch kozen ook veel
ouders bewust voor het openbaar onderwijs en lieten het aanvullende
godsdienstonderwijs verzorgen door de kerk. De school behoefde daarvoor
alleen maar tijd op het lesrooster beschikbaar te stellen en een
lokaal. Eerst werd dit godsdienstonderwijs verzorgd door de hervormde
gemeente ter plaatse, in persoon van de (wijk)predikant of een daarvoor
opgeleide catecheet. Na de Tweede Wereldoorlog waren ook andere kerk-
en geloofsgemeenschappen bereid om daaraan mee te werken en vond in
IKOS-verband (InterKerkelijk Overleg in Schoolzaken) een groeiende
samenwerking plaats.
Christelijk onderwijs in de 20/21 eeuw
In de begintijd stonden de katholieke scholen alleen open voor
katholieke leerlingen en de protestantse scholen alleen voor leerlingen
van protestantse huize. In deze tijd liet het lesrooster bijna elke
schooldag beginnen met het vak 'bijbelkennis' of 'bijbelse
geschiedenis.' Daarbij werd er van uitgegaan dat de kinderen thuis
christelijk werden opgevoed, met eigen waarden en normen, dat er
bijvoorbeeld bij de maaltijden gebeden werd en uit de bijbel gelezen.
De eerste opdracht van de school was om de ontbrekende kennis aan te
vullen., en dat vond met name plaats in de eerste uren van de
schooldag: kennis van de bijbelverhalen, het aanleren van psalmen en
geloofsliederen, de tien geboden, de apostolische geloofsbelijdenis,
enz.
Vooral na 1950 vindt er in het protestants-christelijk onderwijs de
eerste kentering plaats. Met name in de stedelijke gebieden ontstaan
veel nieuwbouwwijken. In deze wijken worden nieuwe scholen gesticht.
Maar voor de ouders in zo'n wijk is niet altijd meer de identiteit van
de school doorslaggevend voor hun keuze. Veel belangrijker wordt het
onderwijsaanbod, dat zich richt op vernieuwing en zichtbaar wordt in
het schoolgebouw, lesinhouden en gebruikte lesmethoden. Ook de
verkeersveiligheid speelt mee; ouders willen dat hun kinderen veilig
het schoolgebouw kunnen bereiken. Hierdoor gebeurt het dat christelijke
ouders hun kinderen naar de openbare school sturen en niet-christelijke
ouders kiezen voor de christelijke school. En dit houdt in dat er
nieuwe vragen gesteld worden bij het toelatingsbeleid. Het 'aanvaarden'
van de grondslag en doelstellingen van de school door de ouders schuift
op naar het 'respecteren' van die grondslag. De
protestants-christelijke scholen, van basisonderwijs tot voortgezet
onderwijs, worden zo ook toegankelijk voor kinderen van buitenkerkelijk
of niet-gelovige huize.
Dit nieuwe toelatingsbeleid vraagt om een andere didactische benadering
van de levensbeschouwelijke vakken. Op de roosters wordt 'bijbelse
geschiedenis' of 'bijbelkennis' ingewisseld voor een nieuw begrip
'godsdienstige vorming.' Godsdienstige vorming gaat ervan uit dat er
niet zo maar sprake kan zijn van 'aanvullende kennis', omdat er thuis
misschien geen geloofsopvoeding plaatsvindt of er zelfs geen
basiskennis van Bijbel en christendom aanwezig is.
De overheid gaat ook eisen stellen aan het minimum aantal leerlingen op
een school. Omdat zowel de katholieke als de protestantse scholen
steeds meer niet-kerkelijke leerlingen trekken, worden de verschillen
tussen beide schooltypes steeds kleiner. Het gebeurt steeds vaker dat
een katholieke school die te weinig leerlingen heeft samengaat
(fuseert) met een protestants-christelijke school. Er wordt dan
gesproken van een interconfessionele school.
Binnen het protestants-christelijke onderwijs zijn steeds duidelijker
drie typen scholen te herkennen, onderscheiden in de manier waarop zij
omgaan met anders-en niet gelovigen. Deze drie denkrichtingen zijn
overigens ook terug te vinden in de kerken van deze tijd.De eerste
groep gelooft dat Jezus Christus gestorven en opgestaan is voor de
zonde van de mensen. Hierdoor kan iedereen die dit gelooft weer contact
met God krijgen. Hieronder vallen de reformatorische en de evangelische
scholen. De tweede groep gelooft Jezus Christus gestorven en opgestaan
is voor de zonde van de mensen. Hierdoor krijgt ieder mens vergeving
van zonden. De derde groep gelooft dat er een God bestaat. Deze God
heeft zich bekend gemaakt in verschillende religies. Al deze religies
bevatten een deel van de waarheid. In de praktijk is niet altijd
duidelijk aan te wijzen waar een school zich precies bevindt, ook omdat
binnen een school verschillende onderwijzers lesgeven die verschillend
over deze zaken kunnen denken. Maar sinds 1998 wordt dit steeds
duidelijker.
Vanaf 1998 moeten alle scholen hun `product' beschrijven, d.w.z. wat en
hoe zij onderwijs geven. Binnen de mogelijkheden van de wet is iedere
school vrij om haar eigen onderwijsaanbod en schoolklimaat te bepalen.
Dit is anders dan in het verleden toen er veel scholen van hetzelfde
type waren, zoals de `scholen met de Bijbel'. De beslissing om scholen
te verplichten tot het aanbieden van een schoolgids speelt op deze
ontwikkeling in. Hiermee wordt de plaats van iedere individuele school
in het brede spectrum van scholen vastgelegd. Tegelijk is dit het
moment om zich te bezinnen of bepaalde ontwikkelingen wel stroken met
de gewenste identiteit. In elk geval betekent het dat christen-ouders
de gelegenheid en de verantwoordelijkheid hebben bij de ontwikkelingen
in de school betrokken te zijn.
De laatste tijd werd dit recht opnieuw aangevochten.
LEES OOK EENS DE INFO HIERONDER STAAT


















